<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3975_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen gehandicapten</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2006, nr. 23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen gehandicapten</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet voorzieningen gehandicapten, art. 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=gemw/article=150">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-09-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B06.000740</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De historie bij het "Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen" is mogelijk niet compleet. Er kunnen wijzigingen ontbreken tussen het ontstaan van de regeling en de eerste opgenomen wijziging daarvan.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen gehandicapten</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>I.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorziening:</al><al>een woonvoorziening, een vervoersvoorziening of een
                                        rolstoel;</al></li><li nr="b."><al>netto-inkomen:</al><lijst><li nr="1."><al>het netto-inkomen van de gehandicapte conform de
                                                berekening zoals aangegeven in het Besluit eigen
                                                bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                                                voorzieningen gehandicapten, indien de gehandicapte
                                                18 jaar of ouder is en geen echtgenoot heeft in de
                                                zin van artikel 1 lid 2 tot en met 4 Wvg;</al></li><li nr="2."><al>het netto-inkomen van de ouders of pleegouders van
                                                de gehandicapte conform de berekening zoals
                                                aangegeven in het Besluit eigen bijdragen en
                                                financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                                                gehandicapten, indien de gehandicapte jonger is dan
                                                18 jaar en geen echtgenoot heeft in de zin van
                                                artikel 1 lid 2 tot en met 4 Wvg;</al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de gehandicapte en
                                                zijn echtgenoot conform de berekening zoals
                                                aangegeven in het Besluit eigen bijdragen en
                                                financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                                                gehandicapten, indien de gehandicapte een echtgenoot
                                                heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en met 4
                                                Wvg.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>woonwagen:</al><al>een wagen als bedoeld in de Woningwet;</al></li><li nr="d."><al>standplaats:</al><al>een standplaats als bedoeld in de Huisvestingswet of als
                                        bedoeld in de Woningwet;</al></li><li nr="e."><al>woonschip:</al><al>een vaartuig als bedoeld in art. 1 van de Wet op Woonwagens
                                        en Woonschepen;</al></li><li nr="f."><al>hoofdverblijf:</al><al>de woonruimte waar de gehandicapte zijn vaste woon- en
                                        verblijfplaats heeft en op welk adres de gehandicapte in het
                                        bevolkingsregister staat ingeschreven, danwel zal staan
                                        ingeschreven, danwel het feitelijk woonadres indien de
                                        gehandicapte met een briefadres is ingeschreven, danwel zal
                                        staan ingeschreven in de gemeentelijke
                                        basisadministratie;</al></li><li nr="g."><al>gemeenschappelijke ruimte:</al><al>gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de
                                        onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning
                                        van de gehandicapte vanaf de toegang van het woongebouw te
                                        bereiken en ruimten die onder het gehuurde vallen en/of
                                        waarvan de gehandicapte gebruik moet kunnen maken;</al></li><li nr="h."><al>woningaanpassing:</al><al>ingreep van bouw- of woontechnische aard die gericht is op
                                        het opheffen of verminderen van beperkingen die een
                                        gehandicapte ondervindt bij het normale gebruik van zijn of
                                        haar woonruimte dan wel betrekking heeft op een
                                        uitraasruimte en waarvan de kosten een bedrag van € 45.378
                                        niet te boven gaan;</al></li><li nr="i."><al>wet:</al><al>de Wet voorzieningen gehandicapten;</al></li><li nr="j."><al>financiële tegemoetkoming:</al><al>een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening welke
                                        kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                        gehandicapte;</al></li><li nr="k."><al>forfaitaire vergoeding:</al><al>een bijdrage ineens die los van het inkomen en los van de
                                        werkelijke kosten van een voorziening wordt verstrekt, al
                                        dan niet met inachtneming van een inkomensgrens;</al></li><li nr="l."><al>gemaximeerde vergoeding:</al><al>een vergoeding in de kosten van een voorziening die tot een
                                        vastgesteld maximum wordt verstrekt, al dan niet met
                                        inachtneming van een inkomensgrens;</al></li><li nr="m."><al>eigen bijdrage:</al><al>een door het college van burgemeester en wethouders vast te
                                        stellen bijdrage, op welk bedrag de bepalingen van de
                                        "Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen
                                        bijdragen WVG" van toepassing zijn;</al></li><li nr="n."><al>voorziening in natura:</al><al>een voorziening die in eigendom, in bruikleen of in huur
                                        wordt verstrekt;</al></li><li nr="o."><al>normbedrag:</al><al>een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze in overwegende mate op het individu is
                                            gericht;</al></li><li nr="b."><al>deze langdurig noodzakelijk is om diens beperkingen op
                                            het gebied van het wonen of zich binnen of buiten de
                                            woning verplaatsen op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="c."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de
                                            goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                            aangemerkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen in het eerste lid onder sub a is
                                    gesteld, kan een voorziening worden verstrekt in de vorm van het
                                    gebruik van een collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel
                                    3.1 onder a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>voorzover op grond van enige andere wettelijke regeling
                                            of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis
                                            aanspraak op de voorziening bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Type woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                        woonvoorziening kan bestaan uit een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="b."><al>woningaanpassing: de kosten die in aanmerking kunnen
                                                komen voor een vergoeding zijn opgenomen in Bijlage
                                                III bij het "Besluit eigen bijdragen en financiële
                                                tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten";</al></li><li nr="c."><al>woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                                woontechnische aard;</al></li><li nr="d."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="e."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="f."><al>huurderving;</al></li><li nr="g."><al>verwijderen van voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste lid onder
                                        c genoemde voorziening ook als voorziening in natura
                                        verstrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Uitbetaling financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 2.1, lid 1
                                        onder b,d, f en g wordt uitbetaald aan de eigenaar van de
                                        woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 2.1, lid 1
                                        a,c en e wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van de
                                        woonruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Woon- en verblijfruimten waarvoor geen woonvoorziening
                                        wordt verstrekt</titel></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 2 zijn niet van toepassing op het
                                    treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, bejaardenoorden, vakantiewoningen, tweede
                                    woningen en kamerverhuur.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Het primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bij
                                        artikel 2.1, lid 1 onder a genoemd in aanmerking worden
                                        gebracht wanneer aantoonbare beperkingen van ergonomische
                                        aard, het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een woonvoorziening als bij
                                        artikel 2.1. aanhef en lid 1 onder b. en c. genoemd in
                                        aanmerking worden gebracht indien de in het eerste lid
                                        genoemde voorziening niet te realiseren is of niet de
                                        goedkoopst adequate oplossing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden bij verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Aard van de materialen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming ten behoeve van ingrepen van bouwkundige of
                                    woontechnische aard voorzover de ondervonden ergonomische
                                    beperkingen niet voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                    gebruikte materialen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Verzekering van de voorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming indien de getroffen voorzieningen toereikend zijn
                                    verzekerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming in de gemaakte kosten indien de gehandicapte
                                        zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte
                                        waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                        financiële tegemoetkoming worden verleend in de kosten van
                                        het aanpassen van één woonruimte indien de gehandicapte zijn
                                        hoofdverblijf heeft in een Awbz-inrichting.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend in de gemeente waar de aan te
                                        passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming bedoeld in het tweede lid wordt
                                        verleend onder de voorwaarde dat de gemeente waar de
                                        gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat haar
                                        niet bekend is dat ten behoeve van de gehandicapte reeds
                                        eerder een woning bezoekbaar is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming betreft slechts een
                                        tegemoetkoming in de kosten van het bezoekbaar maken van de
                                        in het tweede lid bedoelde woning.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder het in het derde lid genoemde bezoekbaar maken van de
                                        woonruimte wordt verstaan dat de gehandicapte de woonruimte,
                                        de woonkamer en één toilet kan bereiken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien een toiletruimte bezoekbaar wordt gemaakt in de zin
                                        van lid 6 kan ook één toilet aangepast worden, mits hiervoor
                                        een medische indicatie bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Aanvang werkzaamheden en inzicht in woning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet reeds een begin met de werkzaamheden waarop de
                                            financiële tegemoetkoming betrekking heeft,is gemaakt
                                            zonder hun toestemming;</al></li><li nr="b."><al>door hen aangewezen personen toegang is verstrekt tot de
                                            woonruimte waar de woningaanpassing wordt verricht;</al></li><li nr="c."><al>aan de onder b. genoemde personen inzicht wordt geboden
                                            in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op
                                            de woningaanpassing;</al></li><li nr="d."><al>de onder b. genoemde personen de gelegenheid wordt
                                            geboden tot het controleren van de
                                            woningaanpassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Gereedmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch
                                        uiterlijk binnen 1 jaar na het verlenen van de financiële
                                        tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële
                                        tegemoetkoming bedoeld in artikel 2.2 aan de burgemeester en
                                        wethouders dat bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                        uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gereedmelding bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld
                                        van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is
                                        voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële
                                        tegemoetkoming is verleend;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt
                                        verstrekt, dient gedurende een periode van vijf jaar alle
                                        rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de
                                        werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Vaststellen van de financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouder instemmen met het verzoek
                                        tot vaststellen en uitbetaling van de financiële
                                        tegemoetkoming, stellen zij de financiële tegemoetkoming
                                        vast overeenkomstig het in het "Besluit eigen bijdragen en
                                        financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten"
                                        bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders doen diegene aan wie de
                                        financiële tegemoetkoming wordt verstrekt hiervan mededeling
                                        onder vermelding van de wijze van uitbetaling van de
                                        financiële tegemoetkoming.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Terugbetaling van de financiële tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen degene aan wie de
                                        financiële tegemoetkoming is uitbetaald, verplichten om 85%
                                        van de financiële tegemoetkoming terug te betalen, indien de
                                        aangepaste woning binnen 1 jaar na aanpassing wordt
                                        verkocht. Binnen 2 jaar na aanpassing dient 70% te worden
                                        terugbetaald, binnen 3 jaar 55%, binnen 4 jaar 40%, binnen 5
                                        jaar 25% en binnen 6 jaar 10% van de financiële
                                        tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bovengenoemde bepaling is niet van toepassing indien
                                        burgemeester en wethouders van mening zijn dat degene aan
                                        wie de financiële tegemoetkoming is uitbetaald, gegronde
                                        redenen heeft voor de verkoop van de aangepaste woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Frequentie van woningaanpassingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen weigeren een financiële
                                        tegemoetkoming te verlenen in de kosten van een
                                        woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder b en
                                        c indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van deze voorziening het
                                                gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                                ergonomische belemmeringen geen aanleiding
                                                bestond;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van de gehandicapte korter dan zeven
                                                jaar na het moment van verstrekking een
                                                woonvoorziening krachtens deze wet, de Regeling
                                                Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of het
                                                Besluit Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten
                                                is verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        de verhuizing plaatsvindt als gevolg van het aanvaarden van
                                        een werkkring in een andere gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gestelde in het eerste
                                        lid niet van toepassing verklaren, indien de verhuizing het
                                        gevolg is van een wijziging in de gezinssamenstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Duidelijkheid over financiering van het niet
                                        gesubsidieerde deel van de kosten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in artikel 2.1, lid 1
                                    onder b en c indien in de financiering van het niet door
                                    subsidie gedekte deel van de voorziening is voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Beperking in de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voorzover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in art.
                                    2.1, lid 1 onder b betreft het uitbreiden van bestaande
                                    woningen, danwel het groter bouwen van een nieuw te bouwen
                                    woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kunnen
                                    burgemeester en wethouders een bijdrage verlenen voor de extra
                                    te verwerven grond die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage
                                    voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van
                                    de buitenruimte bij de woning, zoals vermeld in Bijlage I van
                                    het 'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                                    voorzieningen gehandicapten'.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.15</nr><titel>Woningaanpassingen van gemeenschappelijke ruimten</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen voor het treffen van de volgende voorzieningen aan een
                                    gemeenschappelijke ruimte indien zonder deze woningaanpassing de
                                    woonruimte voor de gehandicapte ontoegankelijk blijft:</al><lijst><li nr="a."><al>het verbreden van toegangsdeuren;</al></li><li nr="b."><al>het aanbrengen van elektrische deuropeners;</al></li><li nr="c."><al>aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de
                                            toegang van het gebouw (mits de woningen in het
                                            woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);</al></li><li nr="d."><al>drempelhulpen of vlonders;</al></li><li nr="e."><al>het aanbrengen van een extra trapleuning bij een
                                            portiekwoning;</al></li><li nr="f."><al>een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur
                                            van het woongebouw.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                                    binnenschepen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.16</nr><titel>Woonwagen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in
                                            aanmerking komt;</al></li><li nr="c."><al>de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag
                                            voor een woonvoorziening bij de gemeente op de
                                            standplaats stond en</al></li><li nr="d."><al>de hoofdbewoner van een woonwagen op een door de
                                            gemeente of corporatie verhuurde standplaats, waarvoor
                                            een huurovereenkomst is afgesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.17</nr><titel>Woonschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonschip
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de technische levensduur van het woonschip nog minimaal
                                            vijf jaar is;</al></li><li nr="b."><al>het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag
                                            blijven liggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.18</nr><titel>Technische levensduur</titel></kop><al>Indien de technische levensduur van de woonwagen of het
                                    woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de
                                    woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of
                                    het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag
                                    liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten € 908,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.19</nr><titel>Binnenschip</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                    tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een binnenschip
                                    indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper,
                                    de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het
                                    verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van
                                    het Binnenschepenbesluit (Staatsblad 1987, 466), van een
                                    binnenschip, dat:</al><lijst><li nr="a."><al>in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van
                                            het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op
                                            de wijze omschreven in de maatregel teboekgestelde
                                            schepen 1992; en</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer
                                            van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in
                                            het metingsbesluit binnenvaartuigen 1978 een
                                            laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het
                                            vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef
                                            bedoelde.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6.</nr><titel>Verhuis- en (her)inrichtingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.20</nr><titel>Verhuis- en inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                        tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als
                                        bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder a verstrekken aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de gehandicapte;</al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten
                                                behoeve van een gehandicapte de woonruimte heeft
                                                ontruimd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als
                                        bedoeld in het eerste lid indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat
                                                burgemeester en wethouders op de aanvraag hebben
                                                beschikt, tenzij zij daar schriftelijke toestemming
                                                voor hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>de gehandicapte niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                                wonen, tenzij burgemeester en wethouders een
                                                verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven;</al></li><li nr="c."><al>de gehandicapte niet verhuisd is vanuit of naar een
                                                woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar
                                                door bewoond te worden;</al></li><li nr="d."><al>de gehandicapte niet verhuisd is naar een
                                                Awbz-inrichting of een bejaardenoord;</al></li><li nr="e."><al>in de te verlaten woonruimte ergonomische
                                                belemmeringen zijn ondervonden, tenzij het een
                                                verhuizing naar een A.D.L.-woning betreft.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7.</nr><titel>Facultatieve woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.21</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                        reparatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en
                                        reparatie als bedoeld in artikel 2.1 onder d indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van deze verordening
                                                danwel Besluit Geldelijke Steun Huisvesting
                                                Gehandicapten of Regeling Geldelijke Steun
                                                Huisvesting Gehandicapten is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt op de in Bijlage II van
                                                het 'Besluit eigen bijdragen en financiële
                                                tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten'
                                                genoemde voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de gehandicapte ten tijde van het onderhoud, keuring
                                                of reparatie de woonruimte als hoofdverblijf heeft
                                                en bewoont.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                        onderhoud, keuring of reparatie zal het bedrag zoals genoemd
                                        in Bijlage II van het "Besluit eigen bijdragen en financiële
                                        tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten" niet te boven
                                        gaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.22</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijk huisvesting
                                        verlenen die door de gehandicapte moeten worden gemaakt in
                                        verband met het aanpassen van:</al><lijst><li nr="a."><al>de huidige woonruimte van de gehandicapte;</al></li><li nr="b."><al>de door de gehandicapte nog te betrekken
                                                woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>de financiële tegemoetkoming als bedoeld onder a. en
                                                b. wordt verleend uitsluitend voor de periode dat de
                                                aan te passen woonruimte ten gevolge van het
                                                realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan
                                                worden en de gehandicapte als gevolg daarvan voor
                                                dubbele woonlasten komt te staan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts een financiële
                                        tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als
                                        de gehandicapte redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij
                                        deze dubbele woonlasten heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen maximaal zes maanden een
                                        financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke
                                        huisvesting als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen uitsluitend een
                                        financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke
                                        huisvesting als bedoeld in het eerste lid indien deze kosten
                                        gemaakt worden in verband met het</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk betrekken van een zelfstandige
                                                woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige
                                                woonruimte, of</al></li><li nr="c."><al>langer moeten aanhouden van de te verlaten
                                                woonruimte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen een financiële
                                        tegemoetkoming overeenkomstig het bepaalde in het "Besluit
                                        eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                                        gehandicapten".</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.23</nr><titel>Kosten in verband met huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte
                                    kunnen burgemeester en wethouders een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met derving
                                    van huurinkomsten voor de duur van maximaal zes maanden, waarbij
                                    de eerste maand huurderving niet voor een financiële
                                    tegemoetkoming in aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.24</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming voor huurderving</titel></kop><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming zoals bedoeld in
                                    artikel 2.23 is afhankelijk van de kale huur van de woonruimte,
                                    met een maximum gelijk aan de huurprijsgrens als bedoeld in de
                                    Huursubsidiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.25</nr><titel>Kosten in verband met het verwijderen van
                                        voorzieningen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming
                                    verlenen in de kosten van verwijdering van woonvoorzieningen
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woning langer dan zes maanden leeg staat, tenzij</al></li><li nr="b."><al>bekend is dat binnen een periode van drie maanden na het
                                            verstrijken van de termijn onder a een gehandicapte in
                                            aanmerking voor de woning zal komen, en</al></li><li nr="c."><al>de aanpassingen zo specifiek zijn dat het door de
                                            aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de
                                            woning aan een niet-gehandicapte te verhuren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Vervoersvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                vervoersvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de toekenning van een mobiliteitspas met Wvg indicatie om
                                        tegen het voor Wvg-geïndiceerden vastgestelde tarief gebruik
                                        te kunnen maken van het collectief systeem van
                                        vraagafhankelijk vervoer;</al></li><li nr="b."><al>een voorziening in natura in de vorm van:</al><lijst><li nr="1."><al>een al dan niet aangepaste gesloten
                                                buitenwagen;</al></li><li nr="2."><al>een open elektrische buitenwagen;</al></li><li nr="3."><al>een ander verplaatsingsmiddel;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>een tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>aanpassing van een eigen auto;</al></li><li nr="2."><al>gebruik van een bruikleenauto;</al></li><li nr="3."><al>gebruik van een taxi of een eigen auto;</al></li><li nr="4."><al>gebruik van een rolstoeltaxi;</al></li><li nr="5."><al>aanschaf van een ander verplaatsingsmiddel.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Het recht op een vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als in artikel
                                    3.1 onder a vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer
                                    aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk
                                            maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als in artikel
                                    3.1 onder b en c vermeld in aanmerking worden gebracht
                                    wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
                                            het gebruik van openbaar vervoer, het bereiken van dit
                                            openbaar vervoer dan wel het gebruik van het collectief
                                            systeem als bedoeld in het eerste lid onmogelijk
                                            maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de bij artikel 3.1. onder b sub 1, 2, 3 en onder c sub 1
                                    tot en met 5 genoemde voorzieningen geldt, dat zij ook in
                                    aanvulling op het gebruik van een collectief vervoersysteem als
                                    bedoeld in artikel 3.1 onder a verstrekt kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de financiële
                                    tegemoetkoming voor vervoerskosten als bedoeld in artikel 3.1.
                                    onder c sub 2, 3 en 4 kan rekening worden gehouden met de mate
                                    waarin een collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel 3.1
                                    onder a in die vervoersbehoefte kan voorzien, danwel de
                                    voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 onder b in de
                                    vervoersbehoefte kunnen voorzien.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voorzover de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik
                                    kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, bepalen
                                    burgemeester en wethouders, rekening houdend met de
                                    samenvallende behoefte, de hoogte van de toe te kennen
                                    voorziening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rolstoelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.</nr><titel>Algemene omschrijving</titel></kop><al>De door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                rolstoelvoorziening kan bestaan uit: </al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoel voor verplaatsing binnen, danwel voor
                                        verplaatsing binnen en buiten de woonruimte, danwel een
                                        aanpassing daaraan;</al></li><li nr="b."><al>een sportrolstoel;</al></li></lijst><al>een tegemoetkoming in de kosten van:</al><lijst><li nr="c."><al>onderhoud, gebruik of reparatie;</al></li><li nr="d."><al>accessoires.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Het recht op een rolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gehandicapte kan voor een rolstoel in aanmerking worden
                                    gebracht wanneer de aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                                    of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                                    noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond
                                    van de Algemene wet bijzondere ziektekosten een onvoldoende
                                    oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In tegenstelling tot het gestelde in het eerste lid kan een
                                    gehandicapte in aanmerking worden gebracht voor een
                                    sportrolstoel indien hij zonder sportrolstoel niet in staat is
                                    tot sportbeoefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Huur of eigendom</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een rolstoel wordt door de gemeente gehuurd. De gebruiker heeft
                                    een gebruikersovereenkomst met de verhuurder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In tegenstelling tot het gestelde in het eerste lid vindt de
                                    verstrekking van een sportrolstoel plaats in de vorm van een
                                    financiële tegemoetkoming, waarmee voor een periode van drie
                                    jaar een sportrolstoel aangeschaft en onderhouden kan
                                    worden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Eigen bijdragen, financiële tegemoetkomingen en forfaitaire,
                                danwel gemaximeerde vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Financiële tegemoetkoming woonvoorziening en
                                    vervoersvoorziening</titel></kop><al>De hoogte van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder b en c en in
                                de kosten van een vervoersvoorziening als bedoeld onder artikel 3.1
                                onder c wordt bepaald aan de hand van het door burgemeester en
                                wethouders vast te stellen "Besluit eigen bijdragen en financiële
                                tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Forfaitaire of gemaximeerde
                                    vervoerskostenvergoedingen</titel></kop><al>Met inachtneming van hetgeen hiertoe in artikel 3.2 lid 4 is
                                bepaald, wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming als
                                bedoeld in artikel 3.1 onder c sub 2 tot en met 4 bepaald aan de
                                hand van een door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                "Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                                voorzieningen gehandicapten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Inkomensgrens vervoerskostenvergoeding</titel></kop><al>Indien het inkomen zoals bedoeld onder artikel 1.1 onder b hoger is
                                dan 1,5 x het norminkomen wordt geen mobiliteitspas met Wvg
                                indicatie noch een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                vervoersvoorzieningen als bedoeld onder artikel 3.1 onder c sub 2
                                tot en met 4 verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Forfaitaire of gemaximeerde vergoeding voor de
                                    sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de forfaitaire of gemaximeerde vergoeding voor de
                                    aanschaf en het onderhoud van een sportrolstoel zoals bedoeld
                                    onder artikel 4.3 tweede lid wordt bepaald aan de hand van het
                                    "Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                                    voorzieningen gehandicapten".</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 genoemde bedrag wordt niet vaker dan eens in de
                                    drie jaar verstrekt.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>II.</nr><titel>PROCEDURES</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Het verkrijgen van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de gehandicapte
                                    zijn aanvraag moet indienen bij een door hen aan te wijzen
                                    instantie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een voorziening dient te worden ingediend door
                                    middel van een door burgemeester en wethouders beschikbaar
                                    gesteld formulier;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gehandicapte die een voorziening in het kader van deze
                                    verordening aanvraagt, dient desgevraagd een geldig
                                    identiteitsbewijs te overleggen als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Eisen ten aanzien van de adviseur</titel></kop><al>De adviseur dient, afhankelijk van het soort aanvraag, te beschikken
                                over kennis op de volgende gebieden:</al><lijst><li nr="1."><al>medische kennis op het niveau van een arts;</al></li><li nr="2."><al>sociale kennis;</al></li><li nr="3."><al>ergonomische kennis;</al></li><li nr="4."><al>technische kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Gronden voor weigering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde voorzieningen in
                                ieder geval weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzover de aanvraag een financiële tegemoetkoming betreft
                                        in kosten die de aanvrager voor de aanvraagdatum heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien een middel als waarop de aanvraag betrekking heeft
                                        reeds eerder krachtens deze verordening is vergoed of
                                        verstrekt en de normale afschrijvingsduur voor dat middel
                                        nog niet is verstreken, tenzij het eerder vergoede of
                                        verstrekte middel geheel of gedeeltelijk verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Bijzondere bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een financiële tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking vermeld op welke kosten de tegemoetkoming betrekking
                                    heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een periodieke tegemoetkoming wordt verleend, wordt in de
                                    beschikking tevens vermeld: de geldingsduur, de
                                    uitkeringsmaatstaf, alsmede de voorschriften waaraan de
                                    rechthebbende dient te voldoen alvorens tot uitbetaling van de
                                    tegemoetkoming kan worden overgegaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Verplichtingen en bevoegdheden van rechthebbende en het college
                                van burgemeester en wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, voorzover dit van
                                    belang kan zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                    voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door
                                            burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip
                                            en hem te horen;</al></li><li nr="b."><al>op een door burgemeester en wethouders te bepalen plaats
                                            en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                            deskundigen te doen horen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vragen een daartoe door hen
                                    aangewezen adviesinstantie om advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag die een gehandicapte betreft
                                            die nog niet eerder een aanvraag heeft ingediend in het
                                            kader van deze regeling en de kosten van de voorziening
                                            naar verwachting een bedrag van € 1.361,00 te boven
                                            zullen gaan;</al></li><li nr="b."><al>de aanvraag betrekking heeft op tenminste twee van de
                                            drie terreinen woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen
                                            of rolstoelen;</al></li><li nr="c."><al>burgemeester en wethouders dat overigens gewenst
                                            vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een volgende aanvraag voor een voorziening hebben
                                    burgemeester en wethouders de bevoegdheid aan te geven dat
                                    opnieuw advies dient te worden uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een gehandicapte is verplicht aan burgemeester en wethouders of
                                    de door hen aangewezen adviesinstantie die gegevens te (doen)
                                    verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                    aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt is verplicht aan burgemeester en wethouders mededeling te
                                doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Hercontroles en herbeoordelingen met betrekking tot de
                                    vervoerskostenvoorziening</titel></kop><al>Op het moment dat de gehandicapte een wijziging in de situatie
                                meldt, wordt een hercontrole verricht naar de voor het recht op een
                                forfaitaire vervoerskostenvoorziening van belang zijnde gegevens.
                                Indien zich gedurende de toekenningsperiode van vijf jaar geen
                                wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van betrokkene, wordt
                                een herbeoordeling verricht op het moment dat een verlenging van de
                                vervoersvoorziening wordt aangevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                    voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een beschikking genomen op
                                    grond van deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                                            krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een voorziening welke bestaat uit
                                    het verlenen van financiële tegemoetkoming dan wel een
                                    gemaximeerde vergoeding, kan worden ingetrokken indien blijkt
                                    dat de tegemoetkoming of vergoeding binnen zes maanden na de
                                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel
                                    waarvoor deze was verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen (een) ten onrechte toegekende
                                    Wvg-voorziening(en) geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Nazorg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een systeem van nazorg instellen
                                waarbij periodiek onderzoek wordt gedaan naar het gebruik van een
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Cliëntenparticipatie</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de realisatie van
                                cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de wet. Hierbij wordt in
                                acht genomen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de reikwijdte van de cliëntenparticipatie betrekking heeft
                                        op het integrale gehandicaptenbeleid;</al></li><li nr="b."><al>er tijdig advies gevraagd wordt aan het orgaan voor de
                                        cliëntenparticipatie over wijziging in de verordening en
                                        uitvoeringsregelingen;</al></li><li nr="c."><al>burgemeester en wethouders de benodigde faciliteiten ter
                                        beschikking stellen aan het orgaan voor de
                                        cliëntenparticipatie.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING</label><nr>III.</nr><titel>SLOT</titel></kop><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.</nr><titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van de gehandicapte of de woningeigenaar afwijken van de
                                    bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                                    verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kunnen
                                    burgemeester en wethouders advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                    verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslissen burgemeester en
                                wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.</nr><titel>Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                                    verordening</titel></kop><al>Het door de gemeente gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                                geëvalueerd; indien deze evaluatie daar aanleiding toe geeft wordt
                                de verordening aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening voorzieningen
                                    gehandicapten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 april
                                    1994.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING OP DE VERORDENING VOORZIENINGEN GEHANDICAPTEN
                        GEMEENTE DRONTEN</titel></kop><tussenkop>AFDELING I. ALGEMEEN DEEL</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard:</al><tussenkop>a. voorzieningen</tussenkop><al>Onder a wordt het begrip voorziening beperkt tot de onderdelen die onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten vallen, te weten woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De Wet geeft zelf een omschrijving van het
                    begrip woonvoorziening en van het begrip vervoersvoorziening. Van het begrip
                    rolstoel is geen omschrijving gegeven, noch in de Wet noch in deze verordening.
                    Hoewel iedereen precies weet wat onder een rolstoel verstaan wordt, geeft het
                    formuleren van een begripsomschrijving grote problemen.</al><al>Onder rolstoel dient hier begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die
                    kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                    trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd. De trippelstoel valt onder de
                    door de AWBZ te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden
                    gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Een
                    scootermobiel komt voor in drie varianten, voor binnen, zowel voor binnen als
                    buiten, en uitsluitend voor buiten. Indien een rolstoel of scootermobiel
                    uitsluitend voor buitengebruik geschikt is, is deze per definitie een
                    vervoersvoorziening.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel.</al><tussenkop>b. inkomen</tussenkop><al>Bij het begrip inkomen wordt uitgegaan van het begrip zoals dat in het
                    (ingetrokken) Besluit landelijke draagkrachtcriteria was omschreven. Hiervoor is
                    gekozen omdat er vanuit wordt gegaan dat de meeste gemeenten bij de vaststelling
                    van het inkomen en de draagkracht dit begrip zullen zijn blijven hanteren.</al><al>De regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg bepaalt
                    voorts in artikel 2 dat bij de vaststelling van het inkomen in ieder geval
                    buiten beschouwing wordt gelaten de inkomsten bedoeld in artikel 43, tweede lid,
                    van de Algemene bijstandswet. In dit artikel wordt genoemd:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderbijslag;</al></li><li nr="b."><al>uitkeringen of vergoedingen voor specifieke kosten;</al></li><li nr="c."><al>inkomsten uit arbeid of uitkeringen van kinderen tot 21 jaar;</al></li><li nr="d."><al>inkomsten uit bescheiden vermogen.</al></li></lijst><al>Voor wat betreft de eigen bijdragen AWBZ is in de regeling inzake financiële
                    tegemoetkomingen en eigen bijdrage WVG vastgelegd dat deze in ieder geval in
                    mindering op de WVG-draagkracht moet worden gebracht alvorens de hoogte van de
                    eigen bijdrage of eigen betaling wordt vastgesteld. Voor de definiëring van
                    WVG-draagkracht zij op deze plaats verwezen naar de toelichting op het besluit
                    eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten.
                    Verder zijn gemeenten vrij de wijze waarop inkomen wordt vastgesteld, zelf te
                    bepalen. In artikel 1.1 onder b is een omschrijving van dit begrip gegeven.</al><al>Onder inkomen wordt in gevolge artikel 1.1 onder b verder verstaan het inkomen
                    van de gehandicapte, dan wel het gezamenlijk inkomen van zijn ouders of
                    pleegouders, dan wel het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot.</al><al>Wanneer bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage en de hoogte van de
                    financiële tegemoetkomingen het inkomen wordt betrokken, dient dus te worden
                    uitgegaan van het voor de aanvraag relevante inkomen.</al><al>Gaat het om een gehandicapte jonger dan 18 jaar zonder echtgenoot, dan geldt het
                    gezamenlijk inkomen van ouders of pleegouders. Indien het inkomen van
                    pleegouders wordt betrokken bij de toekenning van voorzieningen dient wel aan de
                    voorwaarde te zijn voldaan dat de pleegouders het pleegkind als een eigen kind
                    opvoeden en onderhouden (zie ook Wvg artikel 5 lid 2).</al><al>Heeft de gehandicapte die jonger is dan 18 jaar wel een echtgenoot, dan zijn zij
                    voor de wet meerderjarig en dient het eigen (gezamenlijk) inkomen bij de
                    vaststelling van eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen te worden
                    betrokken en niet het inkomen van de ouders of pleegouders.</al><al>Is er sprake van een samenlevingsvorm die in gevolge artikel 1 lid 2 tot en met
                    4 Wvg wordt beschouwd als 'de gehandicapte en zijn echtgenoot' dan kan het
                    gezamenlijk inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot bij het bepalen van
                    de hoogte van de eigen bijdrage en financiële tegemoetkomingen worden
                    betrokken.</al><al>Heeft de gehandicapte geen 'echtgenoot' in de zin van artikel 1 lid 2 tot en met
                    4 WVG en is de gehandicapte ouder dan 18 jaar dan kan dus alleen het inkomen van
                    de gehandicapte betrokken worden bij het bepalen van de hoogte van de eigen
                    bijdragen en financiële tegemoetkomingen. </al><al>Bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel is de overhevelingstoeslag
                    komen te vervallen. De tariefgroepen hebben plaats gemaakt voor een stelsel van
                    heffingskortingen. Voor zover deze heffingskortingen nog niet via het inkomen
                    verrekend zijn, dienen zij bij het netto inkomen opgeteld te worden.
                    Uitzonderingen hierop vormen de kinderkorting en de aanvullende
                    kinderkorting.</al><al>De gemeente dient bij de bepaling van het inkomen tevens rekening te houden met
                    extra kosten die de gehandicapte maakt als gevolg van zijn handicap. Deze kosten
                    dienen echter wel aangetoond te worden en worden van het inkomen afgetrokken
                    voor zover ze niet algemeen gebruikelijk zijn en niet via een andere regeling
                    vergoed worden en zijn gemaakt in het jaar waarin de voorziening wordt
                    aangevraagd.</al><tussenkop>c, d, e, woonwagen, standplaats, woonschip</tussenkop><al>De Woonwagenwet en de Wet op de woonwagens en woonschepen zijn vervallen.
                    Bovengenoemde begrippen zijn nu gedefinieerd in de Huisvestingswet en de
                    Woningwet.</al><tussenkop>f. hoofdverblijf</tussenkop><al>Krachtens de Wvg heeft de gemeente zorgplicht voor de in de gemeente woonachtige
                    gehandicapten. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    bevolkingsadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde
                    gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen
                    aanhouden. De gemeente waar de gehandicapte daadwerkelijk verblijft heeft een
                    zorgplicht voor het verlenen van voorzieningen. In het geval van AWBZ-bewoners
                    heeft de zorgplicht betrekking op de vervoersvoorzieningen. In die gevallen
                    waarin gehandicapten een briefadres elders hebben, kunnen gemeenten de
                    betreffende instelling op grond van artikel 75 van de Wet GBA aanwijzen op
                    bepaalde, door de gemeente vast te stellen tijdstippen een overzicht te
                    verstrekken van personen welke naar redelijke verwachting voor onbepaalde tijd
                    verblijven in de instelling, dan wel gedurende drie maanden ten minste tweederde
                    van de tijd in de instelling zullen verblijven.</al><al>Het is noodzakelijk de zinsnede 'dan wel zal staan ingeschreven' op te nemen
                    voor situaties waarin de gehandicapte naar een andere gemeente wil verhuizen en
                    in die gemeente een woning wil laten aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt
                    betrokken. Beoogd wordt aan te geven dat de aanvraag voor een aan te passen en
                    te betrekken woning ingediend moet worden in de gemeente waar de aan te passen
                    woning staat. Deze gemeente kan immers beter overwegen of het aanpassen van de
                    woning de goedkoopst adequate oplossing is of dat een reeds geschikte woning
                    beschikbaar is. Van belang is wel dat er in voorkomende gevallen zekerheid
                    bestaat dat de gehandicapte ook daadwerkelijk naar de andere gemeente zal
                    verhuizen en ook recht heeft op een woningaanpassing. Er dient dus een medische
                    indicatie plaats te vinden.</al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet overigens aangevraagd worden bij de te verlaten
                    gemeente.</al><tussenkop>g. gemeenschappelijke ruimten</tussenkop><al>Het begrip gemeenschappelijke ruimte wordt onder i omschreven als de ruimten die
                    niet tot de onderscheiden woning behoren, zoals gangen, portalen en
                    trappenhuizen die toegang verschaffen tot de woonruimte. Ook andere
                    gemeenschappelijke ruimten, die onder het gehuurde vallen en waarvan de
                    gehandicapte gebruik moet kunnen maken, kunnen aangepast worden op basis van de
                    Wvg.</al><tussenkop>h. woningaanpassingen</tussenkop><al>In het begrip woningaanpassing komt het onderscheid terug dat de Wet
                    voorzieningen gehandicapten maakt tussen enerzijds woningaanpassingen van bouw-
                    of woontechnische aard (onroerende woonvoorzieningen) en anderzijds
                    woningaanpassingen van niet-bouw- of woontechnische aard (roerende
                    woonvoorzieningen). De eerste categorie betreft de voorzieningen die onder het
                    VROM-regime werden verstrekt (RGSHG) en betreffen het overgrote deel van de
                    woningaanpassingen. Om voor deze voorzieningen in aanmerking te komen moet er
                    sprake zijn van ergonomische beperkingen. De tweede categorie betreft de
                    woonvoorzieningen die voorheen onder de AAW werden verstrekt en waar het
                    criterium 'ergonomisch' geen directe rol behoeft te spelen (woningsanering in
                    verband met CARA bijvoorbeeld). Het criterium ergonomische beperkingen is dus
                    voornamelijk gekoppeld aan bouw- of woontechnische voorzieningen.</al><al>Met de wetswijziging van 1 april 2000 is het inrichten van een uitraasruimte
                    voor een gehandicapte aan het voorzieningenpakket van de Wvg toegevoegd. Ook
                    zijn de woningaanpassingen tot € 45.378 bij de gemeenten neergelegd.
                    Aanpassingen die dit bedrag te boven gaan, worden in beginsel niet vergoed. Als
                    hiermee het belang dat de wet beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden
                    van overwegende aard, kunnen burgemeester en wethouders de hardheidsclausule
                    (artikel 8.1) toepassen en besluiten tot verlening van de voorziening.</al><tussenkop>i. wet</tussenkop><al>Overal waar in deze verordening over Wet gesproken wordt, zo bepaalt artikel 1.1
                    onder l, wordt de Wet voorzieningen gehandicapten bedoeld.</al><tussenkop>j, k en l. financiële tegemoetkomingen, forfaitaire en gemaximeerde
                    vergoedingen</tussenkop><al>Onder een financiële tegemoetkoming wordt begrepen een tegemoetkoming in de
                    kosten van de voorziening die op het inkomen van de gehandicapte kan worden
                    afgestemd, terwijl een forfaitaire of gemaximeerde vergoeding wordt verstrekt
                    los van het inkomen. Vervolgens is het verschil tussen een forfaitaire
                    vergoeding en een gemaximeerde vergoeding dat een forfaitaire vergoeding ook los
                    van de werkelijk gemaakte kosten wordt verstrekt terwijl een gemaximeerde
                    vergoeding moet worden aangewend voor het doel waarvoor de vergoeding is
                    verstrekt en dus kan worden afgerekend op declaratiebasis. Een forfaitaire
                    vergoeding is een 'bedrag ineens' en kan dus niet op basis van declaraties
                    worden afgerekend. Een forfaitaire vergoeding is te vergelijken met een
                    'cliëntgebonden budget waarbij de cliënt volledige bestedingsvrijheid heeft. Zo
                    werd op grond van de AAW de autokostenvergoeding door het GAK verstrekt als
                    gemaximeerde vergoeding (op declaratiebasis), terwijl het ABP dezelfde
                    vergoeding verstrekte als forfaitair bedrag (volledige bestedingsvrijheid). In
                    beide gevallen gold echter dat indien de gehandicapte meer kosten maakte dan
                    maximaal (of forfaitair) konden worden vergoed, deze meerkosten niet voor
                    vergoeding in aanmerking kwamen. In die zin is een forfaitair bedrag
                    vergelijkbaar met een gemaximeerde vergoeding. Voor de Wvg is dit onderscheid
                    tussen financiële tegemoetkomingen enerzijds en forfaitaire en gemaximeerde
                    vergoedingen anderzijds van belang omdat de meerkosten bij forfaitaire of
                    gemaximeerde vergoedingen niet vallen onder de regels die de Regeling inzake
                    financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG stelt aan 'eigen betalingen'
                    (zie ook onder de toelichting op hoofdstuk 5). Eventuele meerkosten (men reist
                    meer dan het forfaitaire of maximale bedrag toelaat) behoeven dus ook niet bij
                    draagkrachtvaststelling in het kader van de Wvg te worden betrokken. Indien de
                    vervoerskostenvergoeding als financiële tegemoetkoming zou worden verstrekt en
                    deze op het inkomen wordt afgestemd, zouden de werkelijke kosten en dus ook de
                    draagkracht wel in beeld kunnen komen, hetgeen uit oogpunt van beheersbaarheid
                    van de kosten ongewenst wordt geacht. Omdat in de ministeriële regeling deze
                    begrippen door elkaar gebruikt worden, hebben wij het van belang geacht deze
                    begrippen in de modelverordening nader te definiëren. De wet definieert
                    financiële tegemoetkomingen, forfaitaire vergoedingen en gemaximeerde
                    vergoedingen niet afzonderlijk. Alle bijdragen in de kosten die gehandicapten op
                    het terrein van vervoer, wonen en rolstoelen in het kader van de WVG wordt
                    verleend, worden door de wetgever aangeduid als financiële tegemoetkomingen.
                    Teneinde het verschil tussen financiële tegemoetkomingen, forfaitaire en
                    gemaximeerde vergoedingen duidelijk te maken , wordt in deze verordening voor de
                    laatste twee begrippen een afzonderlijke omschrijving gegeven, welke met name in
                    de hoofdstukken 3,4 en 5 expliciet wordt gehanteerd.</al><tussenkop>Artikel 1.2 Beperkingen</tussenkop><al>Artikel 1.2 lid 1 geeft beperkingen aan, die betrekking hebben op het toekennen
                    van een voorziening:</al><tussenkop>1.2.1 onder a: individueel gericht</tussenkop><al>Met uitzondering van het collectief vervoer dient een voorziening in overwegende
                    mate op het individu gericht te zijn. In dit artikel wordt het aanvragen van
                    gemeenschappelijke voorzieningen dus uitgesloten, hoewel voorzieningen die naast
                    een individueel ook een gezamenlijk karakter kunnen hebben, wel passen in het
                    kader van deze verordening. Een voorbeeld van een voorziening met een
                    individueel karakter waar daarnaast ook anderen gebruik van kunnen maken is
                    bijvoorbeeld een auto, waarin ook anderen mee kunnen rijden.</al><tussenkop>1.2.1 onder b: langdurig noodzakelijk</tussenkop><al>Ingevolge onderdeel b dienen de voorzieningen <vet>langdurig noodzakelijk</vet>
                    te zijn om beperkingen op het gebied van het wonen, of het buiten of binnen
                    verplaatsen op te heffen. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor
                    langere tijd aangewezen moet zijn op een aanpassing of een rolstoel. Voor
                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk gehandicapt is,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men drie maanden een hulpmiddel lenen, welke
                    periode éénmaal met nog eens drie maanden kan worden verlengd. Waar precies de
                    grens tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie
                    verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de
                    prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of
                    aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak
                    uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes
                    van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak.
                    De adviseur speelt bij de bepaling of er al dan niet sprake is van het langdurig
                    noodzakelijk zijn van de betreffende voorziening een belangrijke rol.</al><tussenkop>1.2.1 onder c: goedkoopst adequaat</tussenkop><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als meest goedkope voorziening te
                    zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. </al><al>Bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van de
                    voorziening wordt meegewogen wat de gehandicapte als adequaat beschouwt.
                    Daarnaast zal ook het criterium van het goedkoop zijn en de kosten van de
                    voorziening een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet
                    adequaat zijn van een voorziening.</al><al>Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is.</al><al>Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden
                    aangesloten. Dit niveau zou bij woonvoorzieningen omschreven kunnen worden als
                    de norm die in het Bouwbesluit gangbaar is. Alleen in die gevallen dat
                    bijvoorbeeld vanuit Welstandtoezicht hogere eisen worden gesteld, kan de
                    gemeente hier een uitzondering op maken. </al><al>Het is uiteraard wel mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan
                    de goedkoopst adequate voorziening, mits de gehandicapte bereid is het
                    prijsverschil voor eigen rekening te houden.</al><tussenkop>Artikel 1.2 lid 3 geeft twee situaties weer waarin geen voorziening wordt
                    toegekend:</tussenkop><tussenkop>1.2.3 onder a: algemeen gebruikelijk </tussenkop><al>Onder a wordt aangegeven dat in geval een voorziening voor een persoon als
                    aanvrager algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend. De grens
                    tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat niet is, zal afgemeten moeten
                    worden aan algemeen maatschappelijke normen.</al><al>Rolstoelen zijn nooit algemeen gebruikelijk voor een persoon als de aanvrager.
                    Met 'als' wordt bedoeld een niet-gehandicapte persoon die in een vergelijkbare
                    situatie verkeert (b.v. wat betreft inkomen, leeftijd, etc.).</al><al>Een fiets daarentegen is voor een persoon als gehandicapte wel algemeen
                    gebruikelijk omdat in Nederland een ieder geacht kan worden te beschikken over
                    een fiets. Om die reden komt de gehandicapte niet voor een fiets in aanmerking.
                    Indien daarentegen de gehandicapte een speciale fiets nodig heeft worden - op
                    grond van het feit dat de fiets algemeen gebruikelijk is - de kosten van een
                    gewone fiets in mindering gebracht op de te verstrekken bijzondere
                    uitvoering.</al><al>Eenzelfde redenering is te houden voor de verstrekking van een bruikleenauto.
                    Voor een ieder boven de grens van 1,5 maal de minimumnorm is een auto algemeen
                    gebruikelijk, zodat alleen meerkosten, bijvoorbeeld kosten voor speciale
                    aanpassingen, vergoed worden.</al><tussenkop>1.2.3 onder b: aanspraken via andere regelingen</tussenkop><al>Onder b wordt bij artikel 1.2 lid 2 aangegeven dat deze voorzieningen niet
                    worden verstrekt indien er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond
                    waarvan men aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening. Hetzelfde geldt
                    voor privaatrechtelijke overeenkomsten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. WOONVOORZIENING</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1. Algemene omschrijving</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Type woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>a. verhuis- en inrichtingskosten</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken
                    in de verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste
                    of een goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen woning. De
                    gemeente maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil
                    geven of dat de woning van gehandicapte aangepast moet worden. Indien aangepaste
                    of aanpasbare woningen beschikbaar zijn kan uit doelmatigheidsoverwegingen de
                    voorkeur gegeven worden aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte
                    van de gehandicapte. Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken
                    voorziening wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen versus
                    het aanpassen van de huidige woonruimte. Tevens moet bij de afweging verhuizen
                    of aanpassen rekening gehouden worden met de sociale omstandigheden waarin de
                    gehandicapte zich bevindt zoals de aanwezigheid van mantelzorg. </al><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt
                    gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente. Daarom worden de
                    aangepaste woningen geregistreerd. Om zo doelmatig mogelijk met de aangepaste
                    voorraad woningen om te kunnen gaan kan het wenselijk zijn dat indien de band
                    tussen gehandicapte en woning is verbroken (bijvoorbeeld door overlijden van de
                    gehandicapte) deze woning opnieuw aan een andere gehandicapte wordt toegewezen.
                    In dat geval zullen de achterblijvende huurders naar een andere woonruimte
                    moeten verhuizen.</al><al>Het verlenen van een verhuiskostenvergoeding kan als stimuleringsmaatregel
                    gezien worden. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten om een financiële
                    tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een aangepaste
                    woning. Als burgemeester en wethouders de achterblijvende gezinsleden verzoekt
                    om de woning vrij te maken kunnen zij in aanmerking komen voor een
                    tegemoetkoming in de verhuiskosten.</al><al>Er kunnen verschillende redenen zijn op grond waarvan de gemeente besluit om het
                    vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder
                    gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning, bijvoorbeeld indien de
                    woning voor een door burgemeester en wethouders te bepalen bedrag in het
                    verleden is aangepast. Een andere reden voor het verstrekken van een
                    verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen wordt dat een woning voor
                    meer dan een soortgelijk bedrag dient te worden aangepast. Afhankelijk van de
                    situatie kunnen burgemeester en wethouders in uitzonderlijke gevallen de hoogte
                    van de tegemoetkoming laten afhangen van de concrete situatie. Het instrument
                    wordt immers als stimulans aangewend om de medewerking van huurders te krijgen
                    bij het vrijmaken van de woning voor een gehandicapte. De hoogte van de
                    verhuiskostenvergoeding is een vast bedrag. Slechts in zeer exceptionele
                    gevallen kan daarvan worden afgeweken.</al><al>Een kanttekening die gemaakt moet worden bij het bieden van een
                    verhuiskostenvergoeding om een woning vrij te maken is, dat dit middel alleen
                    een stimulans is en geen garantie biedt dat de woning daadwerkelijk vrij komt.
                    Zie verder onder de toelichting bij paragraaf 3 'voorwaarden bij de verlening
                    van woonvoorzieningen'.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal
                    een vergoeding voor verhuizing en inrichting kan worden verstrekt: allereerst
                    aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de gehandicapte die naar de
                    vrijgemaakte woning verhuist. De totale kosten hiervan zullen een onderdeel
                    uitmaken van de afweging of er een tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt
                    zal worden dan wel een woning aangepast moet worden.</al><tussenkop>b. woningaanpassingen</tussenkop><al>In Bijlage III bij het 'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                    voorzieningen gehandicapten' zijn de kosten opgenomen die subsidiabel kunnen
                    zijn. Onder aanneemsom is tevens begrepen de werkzaamheden die de sociale
                    verhuurders door de eigen technische dienst uitvoeren.</al><tussenkop>c. roerende woonvoorzieningen</tussenkop><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- en
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name een financiële tegemoetkoming
                    voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Het verstrekken van
                    rolstoeltapijt valt hier niet onder. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de
                    woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                    categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening
                    in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen, zodat hergebruik mogelijk
                    is.</al><tussenkop>d. kosten voor onderhoud, keuring en reparatie</tussenkop><al>De kosten genoemd onder sub d worden gesubsidieerd, omdat deze kosten regelmatig
                    moeten worden gemaakt dan wel relatief hoog zijn. Het gaat hierbij vooral om
                    voorzieningen die (elektrisch) beweegbaar zijn en waar om die reden slijtage kan
                    optreden waardoor de veiligheid van het gebruik van de voorziening niet langer
                    kan worden gegarandeerd. Er wordt hierbij voornamelijk gedacht aan liften,
                    automatische deuropeners en (elektrische) beweegbare keukens. Het is ook
                    mogelijke dat onderhoud en reparatie opgenomen worden in de huurprijs of
                    leaseprijs van de betreffende voorziening. Onderhoud en reparatie van
                    alarmerings- en communicatieapparatuur die onder de werking van de Wvg vallen,
                    worden ook gesubsidieerd. </al><tussenkop>e. tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                    verstrekt.</al><tussenkop>g. verwijderen van voorzieningen</tussenkop><al>De gemeente kan er in uitzonderlijke gevallen toe overgaan om tegemoet te komen
                    aan de risico's die een verhuurder loopt indien de band tussen de woning en de
                    gehandicapte verbroken wordt en er niet binnen 6 maanden een geschikte kandidaat
                    kan worden gevonden voor de woning, door alsnog een bijdrage in de kosten van
                    huurderving en het verwijderen van de voorziening te geven.</al><al>Door het geven van deze mogelijkheid in uitzonderlijke gevallen zal eerder
                    medewerking van verhuurder verkregen worden, maar wordt tegelijkertijd door het
                    stellen van een termijn voorkomen dat voorzieningen te snel uit een woning
                    worden verwijderd zonder dat men voldoende tijd heeft gehad een geschikte
                    kandidaat voor de woning te vinden.</al><al>Het aanmelden als leegstaande aangepaste woning bij de gemeente dient zo spoedig
                    mogelijk te gebeuren. De gemeente heeft dan zes maanden de tijd om een geschikte
                    kandidaat te vinden.</al><tussenkop>Artikel 2.2 Uitbetaling financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven dat de financiële tegemoetkomingen voor
                    onroerende woningaanpassingen, voor onderhoud, keuring en reparatie, voor
                    huurderving en voor het verwijderen van voorzieningen worden verstrekt aan de
                    aanvrager, terwijl financiële tegemoetkomingen voor verhuizing, voor roerende
                    woningaanpassingen en voor tijdelijke huisvesting verstrekt worden aan de
                    hoofdbewoner van de woonruimte.</al><tussenkop>Artikel 2.3 Woon- of verblijfruimten waar geen woonvoorziening voor wordt
                    verstrekt</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming voor het treffen van voorzieningen wordt alleen
                    verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het
                    kader van de Wet Individuele Huursubsidie als zodanig aangemerkt worden. Met
                    uitzondering van aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen, deze zijn apart
                    geregeld in de verordening. Voor woonruimten binnen een AWBZ-instelling worden
                    geen woonvoorzieningen verstrekt (artikel 2 lid 2 WVG). Voor een aantal
                    categorieën waarbij er in min of meerdere mate sprake is van zelfstandig wonen,
                    wordt een uitzondering op deze regel gemaakt (artikel 2 lid 3 WVG). Nadere
                    toelichting hieromtrent wordt gegeven in het verstrekkingenboek, paragraaf
                    2.2.6.</al><tussenkop>Paragraaf 2. Het recht op een woonvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4 Het primaat van de verhuizing</tussenkop><al>De manier waarop de woonvoorzieningen hier zijn gegroepeerd geeft een rangorde
                    aan. Primair zal gekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil
                    zeggen dat een geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar
                    komt. Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met
                    betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden. Is geen geschikte
                    woning beschikbaar dan kunnen burgemeester en wethouders besluiten één van de
                    andere voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen hierbij ook andere
                    omstandigheden een rol spelen, zoals de bereidheid van de gehandicapte te
                    verhuizen, opgebouwde mantelzorg etc. Indien de gemeente, nadat alle factoren in
                    de overweging zijn meegenomen, tot de conclusie komt dat verhuizing de
                    goedkoopst, adequate oplossing is, dan heeft bij het verstrekken van de
                    woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en (her)-inrichtingskosten het
                    primaat. Het moge duidelijk zijn dat het hanteren van dit 'primaat van de
                    verhuizing' efficiënter benut kan worden als voldoende aangepaste woningen zijn
                    opgenomen in een goed registratiesysteem en er ook een beroep gedaan kan worden
                    op een aanzienlijke voorraad aanpasbare woningen. Dit betekent dat de
                    mogelijkheden het verhuizen als primaire voorziening aan te bieden zullen moeten
                    groeien.</al><al>In de wet wordt het begrip woonvoorziening omschreven. Daarbij wordt aangegeven
                    dat het alleen gaat om het opheffen van (ergonomische) beperkingen die het
                    normale gebruik van de woning omvatten. Het gaat hierbij om de normale
                    (elementaire) woonfuncties zoals slapen, eten en lichaamsreiniging. Het
                    gebruiken van een hobby-, werk- of recreatieruimte valt niet onder de zorgplicht
                    van de gemeente. Evenmin als het treffen van een voorziening uit oppas- of
                    verzorgingsoogpunt.</al><tussenkop>Paragraaf 3. Voorwaarden bij verstrekking woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.5 Aard van de materialen</tussenkop><al>Vocht en tocht komen in iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt niet onder
                    de zorgplicht, zoals genoemd in de Wet. Dit houdt niet in dat belemmeringen die
                    voortvloeien uit bijv. CARA niet op grond van deze Wet weggenomen kunnen worden.
                    Deze woonvoorzieningen vallen onder artikel 2.1 sub c. Het opheffen van
                    allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de
                    in of aan de woonruimte gebruikte materialen valt niet onder de werking van de
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 2.6 Verzekering van de voorzieningen</tussenkop><al>Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. De gemeente dient het
                    verzekert zijn van de voorzieningen te controleren voordat tot betaalbaar
                    stelling wordt overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 2.7 Hoofdverblijf</tussenkop><al>In principe is een financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing alleen
                    mogelijk indien de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in de woning waaraan de
                    voorzieningen worden getroffen. Een uitzondering kan gemaakt worden als de
                    gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een
                    bepaalde woning bezoekt. Het is dan mogelijk dat eenmalig een financiële
                    tegemoetkoming wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen van één woonruimte
                    waar de gehandicapte vaak verblijft, uiteraard met toestemming van de eigenaar
                    van die woonruimte. De financiële tegemoetkoming beperkt zich slechts tot het
                    bezoekbaar maken van die woning, omdat de gehandicapte daar slechts geringe tijd
                    verblijft. Uit doelmatigheidsoverwegingen is het daarom redelijk dat er geen
                    volledige maar een gedeeltelijke aanpassing van de woning plaatsvindt.</al><al>Onder het bezoekbaar maken van de woning wordt in deze verordening verstaan dat
                    de gehandicapte de woonruimte, de woonkamer en één toilet kan bereiken en indien
                    nodig kan gebruiken.</al><al>Het derde lid bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend in de gemeente waar
                    de bezoekbaar te maken woning staat. Deze bepaling wordt opgenomen omdat de
                    gehandicapte anders in de gemeente waar hij zijn hoofdverblijf heeft de aanvraag
                    zou indienen. </al><al>Het vierde lid bepaalt dat de gemeente waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf
                    heeft, verklaart dat haar niet bekend is dat ten behoeve van de gehandicapte
                    reeds eerder een woning bezoekbaar is gemaakt. Deze verklaring van de gemeente
                    waar de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft (de gemeente waar de
                    AWBZ-instelling staat) heeft tot doel te voorkomen dat de gehandicapte in
                    meerdere gemeenten een aanvraag indient voor het bezoekbaar maken van een
                    woonruimte. De verordening gaat er van uit dat voor maximaal één woonruimte een
                    financiële tegemoetkoming wordt verleend voor het bezoekbaar maken.</al><tussenkop>Artikel 2.8 Aanvang werkzaamheden en inzicht in de woning</tussenkop><al>Niet eerder dan nadat burgemeester en wethouders een beslissing over de aanvraag
                    hebben genomen mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat
                    moment hebben burgemeester en wethouders alle op de aanvraag betrekking hebbende
                    gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen
                    voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar
                    vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen
                    burgemeester en wethouders als goedkoopst adequate voorziening beschouwen.
                    Burgemeester en wethouders kunnen immers ook factoren mee laten wegen die buiten
                    de woonruimte van de gehandicapte gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste
                    woning elders, waardoor een woning-aanpassing niet noodzakelijk is.</al><tussenkop>Artikel 2.9 Gereedmelding</tussenkop><al>In dit artikel wordt geregeld dat de woningaanpassing binnen een bepaalde
                    termijn wordt gereedgemeld. De gereedmelding vind plaats door degene aan wie de
                    financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald en niet door de gehandicapte.
                    Hiervoor is gekozen omdat de degene die de financiële tegemoetkoming ontvangt
                    niet altijd de gehandicapte is. Wanneer dat het geval is heeft de gehandicapte,
                    of zijn gemachtigde, geen belang bij de gereedmelding en zou de begunstigde de
                    dupe kunnen worden. De gereedmelding dient binnen een jaar na het verlenen van
                    de financiële tegemoetkoming plaats te vinden, dit om te voorkomen dat het
                    treffen van de voorziening te lang op zich laat wachten. Een andere reden voor
                    het opnemen van een gereedmeldingstermijn is om te voorkomen dat onnodig lang
                    een verplichting tot uitbetaling van subsidie blijft openstaan. De gemeente
                    controleert of aan de voorwaarden bij het verlenen van de subsidie is voldaan.
                    Om te voorkomen dat iedere voorwaarde daadwerkelijk moet worden gecontroleerd is
                    er voor gekozen om een verklaring te vragen. Indien later alsnog zou blijken dat
                    niet aan alle voorwaarden is voldaan kan de subsidie alsnog worden ingetrokken
                    en eventueel worden teruggevorderd. Op grond van deze gegevens kan de financiële
                    tegemoetkoming worden vastgesteld en vervolgens worden uitbetaald. De termijn
                    bedoeld in het vierde lid wordt gesteld op vijf jaar. Deze termijn sluit aan op
                    de normaal geldende verjaringstermijn, binnen vijf jaar is het mogelijk om
                    subsidies, belastingen etc. terug te kunnen vorderen.</al><tussenkop>Artikel 2.10 Vaststellen van de financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming is afhankelijk van de hoogte van de
                    subsidiabele kosten van de woningaanpassing. Deze is pas definitief bekend op
                    het moment dat de aanpassing is uitgevoerd. Aan de hand van de hoogte van de
                    subsidiabele kosten wordt de hoogte van de financiële tegemoetkoming conform het
                    gestelde in het 'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                    voorzieningen gehandicapten' vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 2.11 Terugbetaling van de financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Door een woningaanpassing wordt de woning mogelijk meer waard, bijvoorbeeld in
                    het geval van een aanbouw. Om te voorkomen dat er met een aangepaste woning
                    gespeculeerd kan worden, is de mogelijkheid opgenomen om een gedeelte van de
                    financiële tegemoetkoming terug te vorderen. De frequentie van
                    woningaanpassingen is gesteld op 7 jaar in verband met de gemiddelde
                    verhuistermijn van een huishouden in Nederland. Der termijn waarbinnen (een deel
                    van de) de financiële tegemoetkoming terugbetaald dient te worden, sluit hierbij
                    aan. Dat wil zeggen, er kan tot en met 6 jaar teruggevorderd worden, in het
                    zevende jaar zal dit niet meer gebeuren. Indien er gegronde redenen zijn voor de
                    verkoop van de aangepaste woning binnen de hierboven gestelde termijn
                    (bijvoorbeeld wijzigingen in de gezinssamenstelling) zal betrokkene uiteraard
                    niet worden verplicht tot terugbetaling. Burgemeester en wethouders beslissen in
                    de individuele gevallen wat gegronde redenen zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.12 Frequentie van woningaanpassingen </tussenkop><al>De gemiddelde periode waarbinnen een huishouden in Nederland verhuist is zeven
                    jaar. Derhalve is in dit artikel een periode van zeven jaar opgenomen. Het staat
                    de gehandicapte vrij om vaker te verhuizen. In dat geval (verhuizing zonder dat
                    op grond van ergonomische belemmeringen hier aanleiding voor is) wordt op de
                    eigen verantwoordelijkheid van de gehandicapte gewezen. Dit houdt in dat in die
                    gevallen de gehandicapte zelf net als iedere andere burger voor deze kosten
                    zorgdraagt. Gevolg van deze redenering is dat een eventuele aanpassing van de
                    nieuwe woning door de gehandicapte zelf gefinancierd moet worden.</al><al>Als een gehandicapte vanuit een andere gemeente een (aangepaste) woning in de
                    gemeente zoekt waar deze verordening van kracht is moet de gehandicapte aantonen
                    dat hij de laatste zeven jaar niet verhuisd is (brengplicht).</al><al>Gehandicapten kunnen diverse legitieme gronden aanvoeren om toch binnen de
                    gestelde termijn een aanvraag voor een woningaanpassing te doen. Een van de
                    redenen kan zijn dat de gehandicapte een andere werkkring heeft aanvaard. De
                    gemeente zal in dergelijke gevallen na zorgvuldige toets overgaan tot het
                    aanpassen van een andere woning. In zijn algemeenheid is het voor
                    woningverbeteringen niet ongebruikelijk eerdere ingrepen mee te betrekken in de
                    besluitvorming. Alhoewel in de RGSHG geen bepaalde termijn werd gesteld, is het
                    reëel de woningaanpassing die in het kader van de RGSHG is verstrekt, in
                    beginsel mee te tellen, tenzij hierdoor onredelijke situaties ontstaan.</al><tussenkop>Artikel 2.13 Duidelijkheid over financiering van het niet gesubsidieerde
                    deel van de kosten</tussenkop><al>Indien er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van financiering van het niet
                    door subsidie gedekte deel van de voorziening staat het niet vast dat de
                    voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk zijn dat er in
                    dat geval geen subsidie wordt verleend. </al><tussenkop>Paragraaf 4. Beperking van woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.14 Het verwerven van grond</tussenkop><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het groter
                    bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een financiële
                    tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra grond die
                    noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard wordt geen
                    financiële tegemoetkoming verstrekt indien de extra te verwerven grond als tuin
                    o.i.d. wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor de
                    woning-aanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële
                    tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m<sup>2</sup> wordt gehanteerd voor
                    de verschillende vertrekken. Een en ander volgens de bijlage I bij het 'Besluit
                    eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                    gehandicapten'.</al><tussenkop>Artikel 2.15. Woningaanpassingen van gemeenschappelijke
                    ruimten</tussenkop><al>De subsidie voor het aanpassen van gemeenschappelijke ruimten wordt alleen dan
                    verstrekt indien door het realiseren van deze woningaanpassing de woning
                    bereikbaar wordt voor de gehandicapte. De gemeenschappelijke ruimten zullen
                    voornamelijk entrees en portieken van woongebouwen betreffen. Het aanpassen van
                    hobby- en recreatieruimten komen niet in aanmerking voor een financiële
                    tegemoetkoming, tenzij uitsluitend via deze ruimte(n) de woning bereikt kan
                    worden.</al><tussenkop>Paragraaf 5. Aanpassingen van woonwagens, woonschepen en
                    binnenschepen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.16, 2.17 en 2.19</tussenkop><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een voorziening aan een woonwagen,
                    woonschip of het verblijf van een binnenschip kan worden aangebracht zijn in
                    principe gelijk aan die bij woningen. Gezien de kenmerken van deze woonruimten
                    zijn er echter redenen, nadere voorwaarden te stellen. Deze zijn verwoord in de
                    verschillende artikelen in deze paragraaf.</al><al>In verband met het vervallen van de Woonwagenwet is punt d gewijzigd. Zaken
                    omtrent de woonwagens zijn nog niet geregeld in een Huisvestingsverordening.
                    Hierdoor kan op dit moment niet verwezen worden naar een benodigde vergunning
                    voor de hoofdbewoner van een woonwagen. Essentieel is, dat zowel de woonwagen
                    als de standplaats legaal zijn om in aanmerking te komen voor een aanpassing in
                    het kader van de WVG.</al><tussenkop>Artikel 2.18. Technische levensduur</tussenkop><al>Indien niet aan de eisen zoals vermeld in artikel 2.16 en 2.17 kan worden
                    voldaan kan er geen uitgebreide aanpassing meer worden gesubsidieerd. Om de
                    beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk aan te wenden wordt er een bovengrens
                    vastgesteld voor de hoogte van de in deze gevallen te verlenen financiële
                    tegemoetkoming. </al><tussenkop>Paragraaf 6. Verhuis- en (her)inrichtingskosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.20 Verhuis- en inrichtingskosten</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming in de verhuis-
                    en inrichtingskosten verstrekken aan een gehandicapte die naar een geschikte
                    (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen woonruimte
                    is verhuisd. Burgemeester en wethouders kunnen ook aan een niet-gehandicapte
                    persoon een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten
                    verstrekken indien op deze wijze een aangepaste of geschikte woonruimte vrij
                    komt voor een gehandicapte. De financiële tegemoetkoming dient ter stimulering
                    van het vrijmaken van de woning. </al><al>Het feit dat pas nadat de gemeente positief heeft beschikt een gehandicapte in
                    aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming heeft te maken met de
                    zorgvuldigheid die betracht moet worden. Pas nadat advies is verkregen en de
                    gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de
                    gehandicapte tot verhuizen overgaan. Via de hardheidsclausule kunnen
                    burgemeester en wethouders alsnog besluiten een financiële tegemoetkoming te
                    verlenen indien, naar de mening van de gemeente, in urgente gevallen naar een
                    geschikte woning is verhuisd voordat de beschikking door de gemeente is
                    verleend, rekening houdend met de eisen van zorgvuldigheid. De zorgvuldigheid
                    houdt in dat het advies wel ingewonnen moet zijn. Wordt dit nagelaten dan kan
                    het voorkomen dat gehandicapte reeds is verhuisd naar een andere woning die
                    echter niet voldoende de ergonomische beperkingen opheft.</al><al>De gehandicapte dient in voorkomende gevallen vooraf toestemming aan de gemeente
                    te vragen.</al><al>Gehandicapten staan soms jaren op de wachtlijst voordat zij een woning in een
                    A.D.L.-cluster toegewezen krijgen. De gehandicapte woont dan soms al in een
                    geschikt gemaakte, adequate woning. Ten einde de drempel om naar een
                    A.D.L.-woning te verhuizen niet te groot te maken, wordt voor deze situatie een
                    uitzondering in de verordening gemaakt.</al><al>Als datum voor de aanvraag van verhuis- en inrichtingskosten kan de
                    inschrijvingsdatum als woningzoekende vanwege medisch/ergonomische problematiek
                    aan worden gehouden.</al><tussenkop>Paragraaf 7. Facultatieve woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.21. Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                    reparatie</tussenkop><al>Alleen van bepaalde voorzieningen (genoemd in bijlage II van het 'Besluit eigen
                    bijdragen en financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten') komen de
                    kosten van onderhoud, keuring en reparatie in aanmerking voor een financiële
                    tegemoetkoming. De maximale hoogte van deze financiële tegemoetkoming staat
                    vermeld in de bijlage II behorende bij het 'Besluit eigen bijdragen en
                    financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten'.</al><tussenkop>Artikel 2.22 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden verstrekt.
                    Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten
                    worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 2.23 Kosten in verband met huurderving</tussenkop><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                    percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder
                    het normale risico van leegstand loopt. Het is daarentegen niet onredelijk dat
                    de gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico's die een verhuurder
                    loopt als gevolg van het feit dat er sprake van een aangepaste woning is. Door
                    de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten.</al><tussenkop>Artikel 2.24 Hoogte tegemoetkoming voor huurderving</tussenkop><al>Door het verstrekken van een tegemoetkoming in de kosten van huurderving deelt
                    de gemeente in de risico's van de verhuurder. Het zou niet redelijk zijn als een
                    van beide partijen het risico voor de volle 100% zou moeten lopen. Beide
                    partijen hebben er belang bij dat de woning op zo'n kort mogelijke termijn weer
                    verhuurd kan worden.</al><al>De kosten voor huurderving komen voor een bijdrage in aanmerking indien de
                    woning in het verleden voor een naar huidige normen geïndexeerd bedrag hoger dan
                    € 4.537,00 op basis van de RGSHG of deze regeling is aangepast én deze woning is
                    gemeld bij de gemeente Dronten. De gemeente heeft 6 maanden de tijd om een
                    huurder te vinden die gebaat is bij de aanwezige aanpassingen.</al><al>De kandidaat die wordt voorgedragen door de gemeente moet ook acceptabel zijn
                    voor de verhuurder.</al><tussenkop>Artikel 2.25 Kosten in verband met verwijderen van
                    voorzieningen</tussenkop><al>Uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid is zo weinig mogelijk voorzieningen
                    uit de woning te verwijderen en aangepaste woningen zo veel mogelijk aan andere
                    kandidaten toe te wijzen. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente er toe
                    overgaan om tegemoet te komen aan de risico's die een verhuurder loopt indien de
                    band tussen de woning en de gehandicapte verbroken wordt en er niet binnen 6
                    maanden een geschikte kandidaat kan worden gevonden voor de woning. Tevens moet
                    dan niet bekend zijn dat binnen 3 maanden een kandidaat zich voor de woning zal
                    aanmelden (bijvoorbeeld iemand die in een revalidatiecentrum verblijft). Een
                    derde voorwaarde is dat door de aanwezigheid van specifieke voorzieningen de
                    woning niet verhuurd kan worden. Als aan alle drie de voorwaarden is voldaan,
                    kan een bijdrage in de kosten van het verwijderen van de voorziening worden
                    gegeven.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. VERVOERSVOORZIENINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Algemene omschrijving</tussenkop><al>Artikel 3.1 maakt een onderscheid tussen drie soorten voorzieningen, te
                    weten:</al><lijst><li nr="a."><al>de toekenning van een mobiliteitspas met Wvg indicatie teneinde tegen
                            een gesubsidieerd tarief gebruik te kunnen maken van het collectief
                            systeem van vraagafhankelijk vervoer</al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen in natura</al></li><li nr="c."><al>de financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoer</al></li></lijst><al>Dit onderscheid is gemaakt gezien het verschillende karakter van deze vormen van
                    voorziening-verstrekking.</al><tussenkop>a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                    vervoer</tussenkop><al>Het collectieve systeem is een voorziening die binnen de rangorde van
                    voorzieningen het primaat heeft. Dit primaat blijkt met name uit de formulering
                    van artikel 3.2, alwaar op dit primaat nader ingegaan zal worden. Omdat
                    collectieve systemen op zeer verschillende wijze kunnen worden opgezet en
                    uitgangspunt is, dat de gehandicapte altijd een bijdrage aan de kosten van dit
                    vervoer levert (vergelijkbaar met openbaar vervoer tarieven), kan een collectief
                    vervoerssysteem niet als voorzieningen in natura worden aangemerkt.</al><al>In de gemeente Dronten is per 1 oktober 2001 een systeem van collectief
                    vraagafhankelijk vervoer (CVV) van start gegaan. Gezien het feit dat het
                    collectief systeem over het algemeen niet de gehele vervoersbehoefte van de
                    gehandicapte kan dekken, is er gekozen voor een combinatie van verstrekkingen.
                    Dit houdt in dat er naast een mobiliteitspas met Wvg indicatie, waarmee voor het
                    openbaar vervoer tarief met het CVV gereisd kan worden, ook nog een financiële
                    tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt verstrekt. Het normbedrag voor deze
                    financiële tegemoetkoming is lager vastgesteld dan in de oude situatie.</al><tussenkop>b. een voorziening in natura</tussenkop><al>Onder artikel 3.1 sub b onder 1 en 2 worden vervoersvoorzieningen genoemd, die
                    in natura kunnen worden verstrekt:</al><lijst><li nr="1."><al>een (aangepaste) gesloten buitenwagen. Een dergelijke voorziening kan
                            worden verstrekt als aanvulling op het gebruik van een collectief
                            systeem dan wel een taxi- of autokostenvergoeding. Het gaat hier om
                            vervoermiddelen die voorzien in de vervoersbehoefte op de korte afstand,
                            in de directe omgeving van de eigen woning;</al></li><li nr="2."><al>een scootermobiel voor (binnen- en) buitengebruik of een open
                            elektrische buitenwagen. Zie het onder 1 vermelde.</al></li><li nr="3."><al>een ander verplaatsingsmiddel</al></li></lijst><al>Voor het toekennen van voorzieningen onder de punten 1 tot en met 3 zal altijd
                    een advies gevraagd worden van de in het kader van de WVG adviserende
                    instantie.</al><al>In zeer bijzondere gevallen kan een (aangepaste) auto voor korte en lange
                    afstand de goedkoopst adequate voorziening blijken. Dit kan zowel een
                    personenauto zijn als een aangepaste bus. Deze voorziening kan gecombineerd
                    worden met een financiële tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van dit
                    vervoermiddel zoals verderop onder tegemoetkomingen in vervoerskosten zal worden
                    vermeld. Bedoeling van een voorziening als deze is dat hiermee alle
                    vervoersbehoeften kunnen worden ingevuld, omdat het openbaar vervoer en een
                    aanvullend systeem niet in aanmerking komen. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake
                    kunnen zijn wanneer men woont op een plaats waar geen (aanvullend) openbaar
                    vervoer komt of kan komen.</al><tussenkop>c. een tegemoetkoming in de kosten van vervoer</tussenkop><al>De volgende groep voorzieningen dient vervangend voor of aanvullend op een
                    collectief systeem gezien te worden. De hoogte van de daaruit voortvloeiende
                    financiële tegemoetkoming(en) kan daarom afhankelijk worden gesteld van de mate
                    waarin een collectief systeem in de individuele vervoersbehoefte kan
                    voorzien.</al><al>Deze groep voorzieningen bestaat uit een financiële tegemoetkoming in de kosten
                    van:</al><lijst><li nr="1."><al>aanpassingen aan de auto. Wanneer de gehandicapte een eigen auto bezit,
                            bestaat de mogelijkheid financieel tegemoet te komen in de kosten van
                            aanpassing aan de eigen auto;</al></li><li nr="2."><al>gebruik van een bruikleenauto. Het betreft hier een financiële
                            tegemoetkoming voor het gebruik van een bruikleenauto;</al></li><li nr="3."><al>gebruik van taxi of een eigen auto. Voor dat deel waarin een collectief
                            systeem onvoldoende verplaatsingsmogelijkheden biedt kan aanvullend
                            daarop een financiële tegemoetkoming worden gegeven in de kosten van het
                            gebruik van de eigen auto of een taxi;</al></li><li nr="4."><al>gebruik van een rolstoeltaxi. Omdat de kilometerprijs van een
                            rolstoeltaxi hoger is dan die van een gewone taxi worden hier aparte
                            normbedragen voor opgevoerd.</al></li><li nr="5."><al>aanschaf of gebruik van een ander vervoermiddel</al></li></lijst><al>Hierbij kan gedacht worden aan dezelfde vervoersvoorzieningen als hierboven
                    genoemd onder c sub 4; hier wordt echter de voorziening niet in natura geleverd,
                    maar in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Tevens kan het gaan om
                    aanpassingen aan diverse vervoermiddelen, zoals aanpassingen aan een
                    standaardfiets. En tenslotte kunnen onder de noemer 'gebruik van een ander
                    verplaatsingsmiddel' kosten vallen zoals oplaadkosten voor een elektrische
                    buitenwagen. In het verstrekkingenboek van de VNG wordt, naast een overzicht dat
                    zal worden gegeven van de mogelijkheden die er op dit gebied zijn, nader
                    ingegaan op de keuzen die gemeenten hieromtrent kunnen maken. Overigens gaan wij
                    er van uit - om redenen aangegeven bij de toelichting op artikel 1.1. onder m, n
                    en o - dat de subcategorieën 2, 3 en 4 altijd zullen worden verstrekt in de vorm
                    van forfaitaire of gemaximeerde vergoedingen en dus niet in de vorm van
                    financiële tegemoetkomingen.</al><al>Alle vervoersvoorzieningen in natura of in de vorm van forfaitaire of
                    gemaximeerde vergoedingen, met uitzondering van de bruikleenauto, kunnen in
                    combinatie met het collectief vervoerssysteem worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Het recht op een vervoersvoorziening</tussenkop><al>Lid 1 van artikel 3.2 geeft aan dat een gehandicapte voor een
                    vervoersvoorziening in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare
                    beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van dit openbaar vervoer deels onmogelijk maken.</al></li></lijst><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    gehandicapte in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoersystemen
                    bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de gehandicapte in
                    aanmerking komt voor een voorziening terzake. Doordat de streekbus,
                    bijvoorbeeld, voor iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is,
                    heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet
                    in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen
                    indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening
                    getroffen worden, hetgeen wellicht beter gevonden kan worden in een therapie
                    waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek
                    op te lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel derhalve terecht niet
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten, bij gebrek aan een langdurige
                    noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet therapeutisch
                    opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een
                    vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><al>Lid 2 van artikel 3.2 geeft het primaat van het collectief systeem aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genomen onder b en c van artikel 3.1. De twee
                    condities waaronder gehandicapten voor individuele verstrekkingen in aanmerking
                    komen zijn dus</al><al>a.indien de gehandicapte door de aard van zijn handicap geen gebruik kan maken
                    van het collectief aanvullend vervoersysteem.</al><al>In de gemeente Dronten is ervoor gekozen om een collectief aanvullend
                    vervoersysteem als extra voorziening aan te bieden, zonder dat dit ten koste van
                    de individuele vervoersvergoedingen gaat. Het collectief aanvullend vervoer
                    wordt derhalve in Dronten niet als een voorliggende voorziening beschouwd.</al><al>Individuele verstrekkingen kunnen in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt worden. Dit is het geval wanneer het collectief
                    systeem de vervoersbehoefte van de gehandicapte niet volledig dekt of de
                    gehandicapte minder kilometers biedt dan hij met een vervoerskostenvergoeding
                    voor het gebruik van een (rolstoel)taxi of (bruikleen)auto kan afleggen.</al><al>Lid 3 van artikel 3.2 bepaalt dus dat, ook al is er een collectief
                    vervoersysteem aanwezig, er in aanvulling daarop individuele
                    vervoersvoorzieningen kunnen worden geboden. Dit geldt voor alle onder b en c
                    genoemde voorzieningen, met uitzondering van de bruikleenauto. </al><al>Lid 4 van artikel 3.2 bepaalt vervolgens dat bij het vaststellen van de omvang
                    van de vervoersvoorziening rekening wordt gehouden met de individuele
                    vervoersbehoefte en de mate waarin een collectief vervoersysteem in die
                    vervoersbehoefte kan voorzien.</al><al>Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor
                    vervoerskosten zal dus eerst moeten worden vastgesteld of er sprake is van een
                    uitzonderlijke vervoersbehoefte en vervolgens is dan de vraag aan de orde in
                    welke mate een collectief vervoersysteem in die vervoersbehoefte kan voorzien en
                    in welke mate de voorzieningen als bedoeld in artikel 3.1 onder b in de
                    vervoersbehoefte kunnen voorzien.</al><al>Indien er in individuele gevallen sprake is van een bijzondere vervoersbehoefte
                    kan het van toepassing zijnde normbedrag zowel in bovenwaartse zin als in
                    neerwaartse zin wordt bijgesteld.</al><al>Wanneer, zoals lid 5 van artikel 3.2 bepaalt, echtgenoten beide gehandicapt zijn
                    en een vervoersvoorziening behoeven kan, in het geval dat de behoeften van de
                    echtgenoten samenvallen, volstaan worden met een enkele voorziening. Dit om te
                    voorkomen dat men een financiële tegemoetkoming krijgt die niet in relatie staat
                    tot de tegemoetkoming die anderen ontvangen. Vallen de behoeften niet samen, of
                    slechts ten dele, dan kan twee maal een financiële tegemoetkoming worden
                    verstrekt tot maximaal 1.5 x het normbedrag. Hiermee wordt het AAW-beleid op dit
                    punt bestendigd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. ROLSTOELEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Algemene omschrijving</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders een rolstoel kunnen
                    verstrekken voor verplaatsing binnen en/of buiten.</al><al>'Rolstoelen' die uitsluitend geschikt zijn voor buitenvervoer zijn per definitie
                    vervoersvoorzieningen (b.v. een scootermobiel voor buitengebruik of een
                    elektrische buitenwagen).</al><al>Zoals bij de begripsomschrijvingen reeds is aangegeven, valt onder het begrip
                    'rolstoel' alleen een handbewogen of elektrische rolstoel en geen andere
                    voorzieningen voor het verplaatsen binnenshuis, zoals een trippelstoel. Onder
                    handbewogen rolstoelen kunnen ook verstaan worden een duwwandelwagen of een
                    zelfbeweger.</al><al>Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de
                    rolstoelverstrekking. Vaak zullen aanpassingen tegelijkertijd met de rolstoel
                    worden gerealiseerd. Het kan echter ook voorkomen dat aanpassingen aan
                    rolstoelen afzonderlijk van de rolstoel worden aangevraagd en worden
                    verleend.</al><al>Sportrolstoelen vallen wel onder de rolstoelen zoals hier bedoeld.</al><al>Bij accessoires moet gedacht worden aan vergoeding van been- en voetzakken.
                    Hieronder valt bijvoorbeeld niet de kleding in de vorm van regenpakken,
                    aangezien dergelijke kleding algemeen gebruikelijk zijn.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Het recht op een rolstoel</tussenkop><al>In dit artikel is omschreven wanneer een gehandicapte in aanmerking komt voor
                    verstrekking van een rolstoel. De eerste voorwaarde is dat er sprake is van
                    aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek (afgeleid van de
                    begripsomschrijving van de gehandicapte). Voorts moet men (om
                    medisch-ergonomische redenen) in belangrijke mate aangewezen zijn op zittend
                    verplaatsen. Ten slotte moeten andere loophulpmiddelen onvoldoende uitkomst
                    bieden. De noodzaak tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel
                    in belangrijke mate, aanwezig te zijn.</al><al>Voor sportrolstoelen kunnen ook gehandicapten in aanmerking komen die in het
                    dagelijkse leven van loophulpen gebruik kunnen maken, maar zonder sportrolstoel
                    niet in staat zijn tot sportbeoefening.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Bruikleen of eigendom</tussenkop><al>De gemeente huurt een rolstoel van de thuiszorgorganisatie. De rolstoel blijft
                    eigendom van de thuiszorgorganisatie. De gehandicapte heeft een
                    gebruikersovereenkomst met de thuiszorg. Nadat de rolstoel is afgeschreven,
                    wordt een nieuwe verstrekt. Bij verhuizing naar een andere gemeente, kan met de
                    andere gemeente worden besproken of de huur van de rolstoel wordt
                    overgenomen.</al><al>De wijzigingen in de 'Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen
                    bijdragen WVG' die met ingang van 1 april 1996 van kracht zijn geworden, houden
                    in dat gemeenten voor rolstoelen geen eigen bijdragen kunnen vragen. De
                    verstrekking van rolstoelen geschiedt derhalve 'om niet'.</al><al>Voor wat de sportrolstoel betreft wordt het in 1992 in gang gezette GMD-beleid
                    overgenomen en wordt een afkoopsom, in de vorm van een forfaitaire dan wel
                    gemaximeerde vergoeding verstrekt, waarvan de hoogte is vastgesteld in het
                    'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen voorzieningen
                    gehandicapten'.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. EIGEN BIJDRAGEN EN FINANCIËLE, FORFAITAIRE OF GEMAXIMEERDE
                    TEGEMOETKOMINGEN </tussenkop><al>Het gemeentelijk beleid met betrekking tot financiële tegemoetkomingen en eigen
                    bijdragen valt binnen de kaders van de door het Kabinet opgestelde 'Regeling
                    inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg'. Een nadere
                    uitwerking van het gemeentelijk beleid is geformuleerd in het 'Besluit eigen
                    bijdragen en financiële tegemoetkomingen'.</al><tussenkop>Artikel 5.1 Eigen bijdragen voorzieningen in natura</tussenkop><al>Voor voorzieningen in natura is geen eigen bijdrage verschuldigd.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Financiële tegemoetkomingen woonvoorzieningen en overige
                    vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>In artikel 5.2 van de verordening is aangegeven dat de hoogte van de financiële
                    tegemoetkomingen in de kosten van woonvoorzieningen (zowel de woonvoorzieningen
                    van bouwkundige- en woontechnische aard als de woonvoorzieningen van
                    niet-bouwkundige- en woontechnische aard), als de kosten van de overige
                    vervoersvoorzieningen (alle vervoersvoorzieningen met uitsluiting van de auto-
                    en taxikostenvergoedingen) wordt geregeld in het door burgemeester en wethouders
                    vast te stellen 'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                    voorzieningen gehandicapten'.</al><tussenkop>Artikel 5.3 Financiële tegemoetkomingen (bruikleen)auto en
                    (rolstoel(taxi)</tussenkop><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in kosten van vervoer met een
                    bruikleenauto, eigen auto, een taxi of een rolstoeltaxi wordt op grond van
                    artikel 3.2 lid 4 van de verordening in ieder geval afhankelijk gesteld
                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de vervoersbehoefte van de gehandicapte en</al></li><li nr="b."><al>de mate waarin een aanvullend collectief vervoersysteem in die
                            vervoersbehoefte kan voorzien.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan de hoogte van de financiële tegemoetkoming afhankelijk worden
                    gesteld van een derde factor, namelijk</al><al>c.de hoogte van het inkomen</al><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt bepaald overeenkomstig het
                    gestelde in het 'Besluit eigen bijdragen en financiële tegemoetkomingen
                    voorzieningen gehandicapten'.</al><tussenkop>Artikel 5.4 Inkomensgrens voor auto- en
                    taxikostenvergoedingen</tussenkop><al>Artikel 5.4 geeft aan dat er boven de inkomensgrens van 1,5 maal het norminkomen
                    geen mobiliteitspas met Wvg indicatie wordt verstrekt. De gehandicapte kan wel
                    gebruik maken van het collectief vervoer, maar tegen het gangbare tarief. Tevens
                    wordt boven deze inkomensgrens geen financiële tegemoetkoming in de kosten van
                    het gebruik van een (bruikleen)auto of (rolstoel)taxi verstrekt. Ook de
                    verstrekking van een bruikleenauto is dan niet meer mogelijk.</al><al>Het Wvg norminkomen is afgeleid van de bijstandsnorm. Het Wvg norminkomen is: de
                    (netto) bijstandsnorm bedoeld in artikel 29 en 30, welke in het geval van een
                    alleenstaande of alleenstaande ouder wordt verhoogd met het bedrag genoemd in
                    artikel 33 van de Algemene bijstandswet, omgerekend tot een bedrag per
                    kalenderjaar en verhoogd met het in een kalenderjaar verschuldigde
                    werknemersdeel in de premie Ziekenfondswet.</al><tussenkop>Artikel 5.5 Forfaitaire, dan wel gemaximeerde vergoedingen voor
                    sportrolstoelen</tussenkop><al>In artikel 5.5 tenslotte is de tegemoetkoming in de kosten van een sportrolstoel
                    aangegeven. De hoogte hiervan wordt geregeld in het 'Besluit eigen bijdragen en
                    financiële tegemoetkomingen voorzieningen gehandicapten'. De tegemoetkoming in
                    de vorm van een forfaitaire vergoeding wordt niet vaker dan eens in de drie jaar
                    verstrekt. Na deze periode kan een nieuwe aanvraag voor een sportrolstoel worden
                    ingediend.</al><tussenkop>AFDELING II. PROCEDURES</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 6. HET VERKRIJGEN VAN EEN VOORZIENING</tussenkop><al>De aanvraagprocedure wordt in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregeld, met
                    name in hoofdstuk 3, Algemene bepalingen over besluiten, en hoofdstuk 4,
                    Bijzondere bepalingen over besluiten.</al><al>Al hetgeen in de Awb is geregeld, hoeft niet meer in de verordening te worden
                    geregeld. Vandaar dat het procedurele deel van de verordening zeer beperkt kan
                    blijven. Voor een goed begrip zullen hier een aantal toepasselijke artikelen van
                    de Awb besproken worden.</al><tussenkop>Artikel 6.1 Aanvraagprocedure</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 6.1 is bepaald dat burgemeester en wethouders een
                    instantie aan kunnen wijzen waar de gehandicapte zijn aanvraag moet indienen.
                    Een verplichting om een aanvraag in te moeten dienen bij een ander dan het tot
                    beslissing bevoegde orgaan (burgemeester en wethouders) is mogelijk op grond van
                    artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit artikel is toegevoegd in
                    verband met de verwachte overdracht van Wvg taken (waaronder de aanvraag) naar
                    het Rio. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een voorziening op aanvraag
                    wordt toegekend. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling van de kant van
                    de gehandicapte noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden ingediend.
                    Een gehandicapte kan dus niet verwachten dat vanuit de gemeente op eigen
                    initiatief iets in zijn of haar richting wordt ondernomen.</al><al>In artikel 6.1 lid 2 is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een
                    daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Het is artikel 4.4 Awb dat
                    hiertoe de mogelijkheid biedt. De aanvraag in het kader van de Wvg die niet op
                    het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan niet zonder meer
                    terzijde worden gelegd. De Awb bepaalt dat de aanvraag in ieder geval naam en
                    adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt,
                    dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de gegevens.
                    Ditzelfde geldt wanneer het aanvraagformulier niet volledig is ingevuld. </al><al>Alvorens overgegaan kan worden tot een besluit de aanvraag niet te behandelen
                    dient de gehandicapte eerst de gelegenheid gegeven te worden de ontbrekende
                    gegevens aan te vullen. Artikel 4:5 Awb regelt dit in lid 1. Besluit men, nadat
                    deze gelegenheid is geboden, alsnog een aanvraag niet te behandelen, dan moet
                    dit conform artikel 4.5 Awb lid 4 schriftelijk binnen een bepaalde termijn
                    worden meegedeeld aan de gehandicapte. Tegen een beschikking om een aanvraag
                    niet in behandeling te nemen staan overigens dezelfde rechtsmiddelen open als
                    tegen een weigering van de bestaande beschikking zou hebben opengestaan.</al><al>Wie een aanvraag in kan dienen en waar dat moet gebeuren kan ook nog verwarring
                    opleveren. De aanvraag kan uiteraard ingediend worden door de gehandicapte. Maar
                    het is ook mogelijk dat een ander namens de gehandicapte een aanvraag indient.
                    In principe dient men een aanvraag in te dienen bij die gemeente waar men in het
                    bevolkingsregister is ingeschreven. Alleen in de situatie dat men verhuist naar
                    een andere gemeente, kan het voorkomen dat men een aanvraag indient bij een
                    gemeente waar men (nog) niet in het bevolkingsregister staat ingeschreven.</al><al>De aanvrager van een voorziening kan aangeven dat zijn gegevens vertrouwelijk
                    ter beschikking worden gesteld. Op grond van artikel 2.5 Awb dienen de gegevens
                    vertrouwelijk te worden behandeld.</al><al>Artikel 3.4a.2.2 Awb bepaalt dat de datum van ontvangst direct op de aanvraag
                    dient te worden aangetekend terwijl de aanvrager hier per omgaande bericht van
                    ontvangt.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Eisen ten aanzien van de adviseur</tussenkop><al>Ook de procedure die voor het vragen van advies moet worden gevolgd is in deze
                    verordening niet opgenomen. Voor wat betreft het vragen van advies aan een
                    extern deskundige, bieden de bepalingen van de Awb voldoende uitkomst. </al><al>Afdeling 3.3: advisering van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal
                    artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3.5 geeft
                    aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college,
                    bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een
                    bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid
                    van dat bestuursorgaan. In het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten moet
                    een adviseur benoemd worden. De Wet zelf vereist dat en wel op grond van artikel
                    5 lid 1 onder c: daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies. De
                    gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de Wvg
                    advies uit te brengen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen interne en
                    externe adviseurs. De hierboven genoemde omschrijving van adviseur betreft
                    alleen externe adviseurs. Op een interne adviseur, zoals de GGD, is vermoedelijk
                    artikel 3.5 Awb niet van toepassing.</al><al>In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben hetgeen een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt. De WVG vereist vermelding ook niet: de
                    wet noemt: "de procedure ..., daaronder begrepen het inwinnen van
                    deskundigenadvies".</al><al>In artikel 6.2 zijn de eisen ten aanzien van de adviseur opgenomen. Hierbij kan
                    het volgende worden aangetekend:</al><al>Onder medische kennis dient verstaan te worden het beoordelen/interpreteren van
                    de medische situatie en de vertaling van ziekte/stoornis naar beperking.</al><al>Onder sociale kennis wordt begrepen het inzicht in de gevolgen van de
                    afwezigheid van functies (aanwezigheid van beperkingen). De ervaring van de
                    beperking in de leef-, woon- en werksituatie wordt met handicap aangeduid. De
                    adviseur moet het vermogen hebben om de beperkingen in de individuele situatie
                    te vertalen naar handicaps. Door kennis te hebben van het individu, zijn
                    omgeving en de rol van het individu hierin, is het mogelijk inzicht te krijgen
                    in de aard en de mate van het probleem. Tevens is het dan reeds mogelijk om een
                    globale vertaalslag te maken naar mogelijke oplossingen.</al><al>Onder ergonomische kennis wordt het volgende verstaan. De adviseur dient inzicht
                    te hebben in de aanpassingsmogelijkheden van hulpmiddelen aan de mens. Dit
                    vereist kennis over menselijke eigenschappen (anatomie, fysiologie, psychologie)
                    en technische eigenschappen van hulpmiddelen. De technische kennis betekent dat
                    een adviseur "weet" moet hebben van onder andere bouwkundige (on)mogelijkheden. </al><al>De opgesomde lijst van noodzakelijke kennisgebieden hoeft overigens niet
                    geconcentreerd te zijn in één adviesfunctie.</al><tussenkop>Beslistermijn</tussenkop><al>De Awb regelt in artikel 4.13 dat de beschikking dient te worden gegeven binnen
                    de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn. De Wvg kent een dergelijke
                    termijn niet. De Awb regelt dan dat, bij gebreke daarvan, dit binnen een
                    redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag dient te gebeuren. In het tweede
                    lid van artikel 4.13 geeft de Awb aan dat die redelijke termijn in ieder geval
                    verstreken is wanneer het bestuursorgaan binnen 8 weken geen beschikking heeft
                    gegeven noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.14.</al><al>Dit betekent dat binnen 8 weken na het indienen van de aanvraag, de aanvrager in
                    ieder geval bericht van burgemeester en wethouders ontvangt. Dat bericht houdt
                    ofwel een besluit (beschikking) in ofwel een kennisgeving van een termijn
                    waarbinnen het besluit (de beschikking) kan worden verwacht.</al><al>Wat een redelijke termijn is, is in het kader van de Wvg in zijn algemeenheid
                    niet aan te geven. Zo zal een ingewikkelde woningaanpassing aanmerkelijk meer
                    tijd vergen dan een betrekkelijk eenvoudige aanvraag voor een
                    vervoersvoorziening. Het is aan de rechter, na een bezwaarschriftprocedure, om
                    in een concreet geval te bezien of de redelijke termijn inderdaad reeds
                    verstreken was.</al><al>De rechter kan dit doen op verzoek van betrokken gehandicapte in twee
                    situaties:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer de acht weken verstreken zijn van artikel 4.13 lid 2 en geen
                            beschikking is afgegeven;</al></li><li nr="2."><al>wanneer de termijn die burgemeester en wethouders volgens de regeling
                            van artikel 4.14 hebben genoemd als redelijke termijn, is verstreken,
                            eveneens zonder dat beschikt is.</al></li></lijst><al>Omdat overschrijding van deze termijnen gelijkgesteld is met een uitdrukkelijk
                    besluit kan de gehandicapte in deze gevallen de hulp inroepen van de rechter
                    door eerst bezwaar te maken en daarna beroep in te stellen tegen het uitblijven
                    van de beslissing.</al><al>Maakt een gehandicapte gebruik van de mogelijkheden tot bezwaar of beroep, dan
                    behouden burgemeester en wethouders de mogelijkheid - ook na het verstrijken van
                    de beslistermijn - tot het geven van een beschikking. Burgemeester en wethouders
                    zijn hier zelfs toe verplicht.</al><al>Artikel 4.15 tenslotte bepaalt dat de termijn voor het geven van een beschikking
                    wordt opgeschort met ingang van de dag waarop burgemeester en wethouders
                    krachtens artikel 4.5 de aanvrager uitnodigen de aanvraag aan te vullen, welke
                    opschorting voortduurt tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor
                    gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><tussenkop>Motivering</tussenkop><al>Ingevolge artikel 4.16 Awb dient de beschikking te berusten op een deugdelijke
                    motivering. De motivering dient vermeld te worden bij de bekendmaking van de
                    beschikking (art. 4.17 lid 1 Awb). Volgens lid 2 van artikel 4.17 Awb dient zo
                    mogelijk vermeld te worden krachtens welk wettelijk voorschrift de beschikking
                    wordt gegeven. In het kader van deze verordening is dat artikel 2 Wvg
                    (zorgplicht).</al><al>Lid 3 van artikel 4.17 bepaalt dat indien de motivering in verband met de
                    vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van de beschikking kan worden
                    vermeld, het bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk daarna verstrekt.</al><al>Vermelding van de motivering kan achterwege blijven indien redelijkerwijs kan
                    worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat, zo bepaalt artikel 4.18 lid
                    1 Awb. Maar wordt dan om een motivering verzocht, dan dient die zo spoedig
                    mogelijk gegeven te worden.</al><al>Artikel 4.19 Awb bepaalt dat, indien een advies zelf volledig de motivering
                    bevat en het advies ter kennis van de gehandicapte is of wordt gebracht, kan
                    worden volstaan met verwijzing naar dit advies.</al><al>Tot slot bepaalt de Awb nog in artikel 4.20 dat indien burgemeester en
                    wethouders een beschikking geven die afwijkt van een krachtens wettelijk
                    voorschrift (i.c. de Wvg) met het oog daarop uitgebracht advies, dit in de
                    motivering wordt vermeld, met vermelding van de redenen voor de afwijking.</al><tussenkop>Artikel 6.3 Gronden voor weigering</tussenkop><al>In artikel 6.3 geeft de verordening een tweetal gronden voor weigering aan. </al><al>Onder a wordt gedoeld op de situatie dat de gehandicapte een voorziening
                    aanvraagt nadat deze gerealiseerd is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheid
                    heeft om de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken en ook
                    geen invloed kan uitoefenen op de te verstrekken soort voorziening, zal in deze
                    situatie de voorziening worden geweigerd.</al><al>Onder b wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het
                    gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het moge
                    duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen schuld
                    treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken
                    te worden of het mogelijk is deze derde door de gehandicapte hiervoor
                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen.</al><tussenkop>Artikel 6.4 Bijzondere bepalingen</tussenkop><al>Artikel 6.4 bepaalt in lid 1 dat in de beschikking moet worden vermeld op welke
                    kosten de tegemoetkoming betrekking heeft, indien een financiële tegemoetkoming,
                    dan wel gemaximeerde vergoeding wordt verleend. Door deze vermelding kan worden
                    voorkomen dat later onduidelijkheid blijkt te bestaan over het precieze doel van
                    de financiële tegemoetkoming. Ook maakt deze omschrijving de intrekking van een
                    voorziening en de terugvordering daarvan eenvoudiger.</al><al>Lid 2 van artikel 6.4 bepaalt dat in de beschikking geldingsduur,
                    uitkeringsmaatstaf alsmede toepasselijke voorschriften voor uitbetaling vermeld
                    dienen te worden indien het een periodieke tegemoetkoming betreft. Deze
                    voorschriften hebben primair tot doel een goede motivering te geven voor de
                    beslissing. Een tweede doel is om voldoende duidelijkheid te scheppen bij de
                    gehandicapte wat van hem verwacht wordt. Hiermee kan voorkomen worden dat de
                    situatie ontstaat dat gehandicapte en gemeentebestuur beide een initiatief van
                    de ander afwachten, terwijl de gehandicapte actie dient te ondernemen.</al><tussenkop>Bezwaar en beroep</tussenkop><al>Artikel 11 Wvg bepaalt dat tegen beschikkingen tot toekenning, weigering of
                    intrekking van een in artikel 2 (Wvg) bedoelde voorziening voor de gehandicapte
                    beroep openstaat. Dit beroep is mogelijk bij de administratieve kamers van de
                    Arrondissementsrechtbanken; hoger beroep is mogelijk bij de Centrale Raad van
                    Beroep.</al><al>Artikel 7.1 Awb bepaalt dat voordat een beroep gedaan kan worden op de
                    administratieve kamer van de Arrondissementsrechtbank, eerst bezwaar gemaakt
                    dient te worden tegen dit besluit. Dit betekent dat er altijd aan een
                    beroepsprocedure eerst een bezwaarschriften-procedure vooraf dient te gaan. Laat
                    men de periode om bezwaar te maken ongebruikt passeren, dan verspeelt men
                    daarmee in principe ook de mogelijkheid tot beroep. Beroep op de rechter is dus
                    pas mogelijk nadat via bezwaar het besluit aan een bestuurlijke heroverweging is
                    onderworpen.</al><al>Een bezwaarschrift moet ingediend worden bij hetzelfde bestuursorgaan dat het
                    besluit heeft genomen, i.c. burgemeester en wethouders. Men kan een
                    bezwaarschrift indienen na ontvangst van een beschikking en na verstrijken van
                    de redelijke termijn voor de beslissing (art. 4.13 Awb). Het bezwaarschrift moet
                    naam en adres van de indiener bevatten evenals de dagtekening en de omschrijving
                    van het besluit waartegen het bezwaar is gericht. Verder moet het bezwaarschrift
                    de gronden voor het bezwaar bevatten. Daarbij kunnen ook de nieuwste feiten, ook
                    die zich hebben voorgedaan na het nemen van het bestreden besluit, meegenomen
                    worden. De termijn waarbinnen een bezwaarschrift moet worden ingediend bedraagt
                    zes weken (Artikel 6.7 Awb) en deze termijn vangt aan met ingang van de dag na
                    die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (Artikel 6.8
                    lid 1 Awb). Wanneer een bezwaarschrift ingediend wordt tegen het niet (tijdig)
                    nemen van een besluit dan is het bezwaar niet aan een termijn gebonden, met dien
                    verstande dat het niet onredelijk laat ingediend mag worden (bijvoorbeeld enkele
                    jaren nadat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven).</al><al>Wordt een bezwaarschrift ingediend bij een onbevoegd orgaan, dan dient dit
                    orgaan het bezwaarschrift, nadat de datum van ontvangst erop is aangetekend, zo
                    spoedig mogelijk door te zenden onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de
                    afzender (art. 6.15 lid 1 Awb).</al><al>Burgemeester en wethouders dienen de ontvangst van een bezwaarschrift
                    schriftelijk te bevestigen.</al><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes weken op een bezwaarschrift,
                    tenzij een (externe) bezwaarschriftencommissie wordt ingeschakeld; in dat geval
                    dient een beslissing te vallen binnen tien weken (Artikel 7.10 Awb lid 1).</al><al>In het kader van de procedure wordt aan de gehandicapte de gelegenheid geboden
                    gehoord te worden (Artikel 7.2 Awb en volgende artikelen). De beslissing
                    betekent dat burgemeester en wethouders ofwel het bezwaar ongegrond achten (hun
                    eerdere beslissing in stand laten) ofwel hun eerdere beslissing herroepen en een
                    nieuwe beslissing nemen (Artikel 7.11 de leden 1 en 2 Awb).</al><al>Na een bezwaarschriftenprocedure kan men in beroep gaan bij de administratieve
                    kamer van de Arrondissementsrechtbank. Dit beroep moet ook weer binnen 6 weken
                    worden ingesteld.</al><al>Elke beschikking dient de mededeling te bevatten dat tegen het genomen besluit
                    bezwaar c.q. beroep mogelijk is en waar dit mogelijk is.</al><al>Tot slot bepaalt artikel 7.15 Awb dat voor de behandeling van het bezwaar geen
                    recht verschuldigd is. Daarentegen is bij beroep op de rechtbank wel
                    griffierecht verschuldigd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7. VERPLICHTINGEN EN BEVOEGDHEDEN VAN RECHTHEBBENDE EN HET
                    COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1 Inlichtingen, onderzoek, advies</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de
                    gehandicapte op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen op een
                    door burgemeester en wethouders te bepalen plaats en tijdstip en te laten
                    onderzoeken en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen.
                    Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.
                    Burgemeester en wethouders mogen dus geen gegevens (doen) opvragen waarin zij
                    uit andere hoofde geïnteresseerd zijn.</al><al>Lid 2 geeft aan wanneer burgemeester en wethouders advies dienen te vragen.
                    Ingevolge artikel 4 lid 2 onder c Wvg is vermelding daarvan in de verordening
                    verplicht.</al><al>Er moet onderscheid gemaakt worden tussen interne en externe adviseurs. Een
                    interne adviseur werkt onder het gezag van burgemeester en wethouders. Op een
                    externe adviseur zijn de regels van de Algemene wet bestuursrecht van
                    toepassing.</al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door
                    betrokken gehandicapte betreft. Dit - bijvoorbeeld - om te kunnen beoordelen of
                    het wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit
                    proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op
                    dit moment nodig lijkt. Een adviesaanvraag wordt tevens gedaan wanneer de
                    aanvraag betrekking heeft op tenminste twee van de drie terreinen
                    woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen of rolstoelen en de kosten van de
                    voorzieningen naar verwachting een bedrag van circa € 1.361,00 te boven gaan.
                    Bij een dergelijke aanvraag kan immers een bepaalde combinatie van voorzieningen
                    doelmatiger en/of goedkoper zijn. Het advies dient ertoe dit te kunnen
                    beoordelen.</al><al>Tot slot vragen burgemeester en wethouders advies, indien zij dit gewenst
                    achten. Het moge duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren
                    valt. Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te
                    vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd
                    wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waar dit een rol bij zou
                    kunnen spelen. Het kan van belang zijn in ieder geval advies te vragen wanneer
                    het gaat om specifieke, individuele aanpassingen aan bijvoorbeeld een te
                    verstrekken rolstoel of bruikleenauto.</al><tussenkop>Artikel 7.2 Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7.2 is de gehandicapte die een voorziening heeft ontvangen
                    verplicht wijzigingen die relevant (kunnen) zijn voor de beoordeling van het
                    (voortduren van het) recht op een voorziening, uit eigen beweging aan
                    burgemeester en wethouders door te geven. Het gaat hier om alle gegevens en
                    feitelijkheden waarvan redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van
                    belang zijn, zoals verandering van de hoogte van het inkomen als het gaat om
                    inkomensafhankelijke bijdragen, de staat van een in bruikleen verstrekt
                    voorwerp, gewijzigde burgerlijke staat, verhuizing etc.</al><tussenkop>Artikel 7.3 Hercontroles en herbeoordelingen met betrekking tot de
                    vervoerskostenvoorziening</tussenkop><al>Een vervoersvoorziening wordt voor de duur van 5 jaar toegekend. Gehandicapten
                    zijn verplicht om tussentijdse wijzigingen in hun situatie door te geven. Dit is
                    duidelijk in het geval van bijvoorbeeld een inkomenswijziging. Het is echter
                    veel minder voor de hand liggend dat een significante wijziging in de
                    individuele vervoersbehoefte ook door de gehandicapte wordt gemeld bij
                    burgemeester en wethouders. Daarom heeft de gemeente Dronten gekozen voor het
                    invoeren van hercontroles. Tijdens deze hercontroles worden alle van belang
                    zijnde gegevens bekeken, waaronder inkomen en met name de individuele
                    vervoersbehoefte. Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem
                    waarbij er een hercontrole wordt verricht op het moment dat een wijziging in de
                    situatie wordt doorgegeven. Indien er gedurende de toekenningsperiode van vijf
                    jaar geen wijziging plaatsvindt, dient er een herbeoordeling plaats te vinden op
                    het moment dat er sprake is van een verlenging van de vervoerskostenvergoeding.
                    Tijdens de herbeoordeling moet het recht op de vervoersvoorziening opnieuw
                    vastgesteld worden, aangezien de toekenningsperiode ten einde is. Op deze manier
                    vallen alle betrokkenen na verloop van vijf jaar onder het nieuwe regime,
                    waarbij de forfaitaire vervoersvergoeding gebaseerd is op de individuele
                    vervoersbehoefte.</al><tussenkop>Artikel 7.4 Intrekking van een besluit tot verlening van een
                    voorziening</tussenkop><al>Parallel aan artikel 4.2.6.1 lid 1 sub c Awb kunnen burgemeester en wethouders
                    volgens het eerste lid de voorziening geheel of gedeeltelijk intrekken indien
                    zodanig onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt dat zo de juiste
                    gegevens bekend waren geweest burgemeester en wethouders niet tot toekenning
                    zouden zijn overgegaan. Het moge duidelijk zijn dat hiervan sprake is wanneer
                    opzettelijk onjuiste gegevens zijn verstrekt, bijvoorbeeld over inkomen of
                    draagkracht.</al><al>Volgens lid 2 kan de verlening van een periodieke al dan niet financiële
                    vergoeding of het in bruikleen verstrekken van een middel worden ingetrokken
                    indien blijkt dat niet meer aan de in de paragrafen 2 (woonvoorzieningen), 3
                    (vervoersvoorzieningen) en 4 (rolstoelen) genoemde voorwaarden wordt
                    voldaan.</al><al>Wanneer blijkt dat een voorziening die bestaat uit een volledige vergoeding of
                    een financiële tegemoetkoming binnen 6 maanden na de uitbetaling niet is
                    aangewend voor de (gedeeltelijke) bekostiging van het middel waarvoor deze was
                    verleend, kan deze voorziening ook worden ingetrokken. Indien het inkomen van de
                    gehandicapte boven de inkomensgrens uitkomt, zal de vervoerskostenvergoeding
                    worden stopgezet. Burgemeester en wethouders kunnen daarbij een overgangstermijn
                    hanteren. Ten tijde van de AAW gold een overgangstermijn van een half jaar nadat
                    schriftelijk mededeling was gedaan van het intrekken van de vergoeding.</al><al>Op grond van de Awb dient een besluit tot intrekking van een voorziening
                    betrokkene schriftelijk te worden medegedeeld.</al><al>Tot nu toe was de mogelijkheid om financiële vergoedingen terug te vorderen niet
                    opgenomen in de verordening. Met de opname van artikel 7.4 lid 3 is de
                    mogelijkheid ontstaan om ten onrechte toegekende Wvg-voorziening(en) terug te
                    vorderen. In combinatie met het invoeren van hercontroles voor
                    vervoersvergoedingen, wordt ook tussentijdse terugvordering mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 7.5 Nazorg</tussenkop><al>Het instellen van een systeem van nazorg verdient aanbeveling vanuit het oogpunt
                    van zowel serviceverlening als controle. Als uit onderzoek blijkt dat de
                    gehandicapte de voorziening niet of nauwelijks gebruikt kan de reden van het
                    niet-gebruik worden weggenomen door bijvoorbeeld een aanpassing van de
                    voorziening. Als de gehandicapte niet meer voornemens is de voorziening te
                    gebruiken, kan deze worden ingenomen, wat weer kostendrukkend kan werken op de
                    Wvg-uitgaven.</al><tussenkop>Artikel 7.6 Cliëntenparticipatie</tussenkop><al>Per 1 april 2000 is de Wvg gewijzigd. Een van de wijzigingen houdt in dat
                    gemeenten in hun verordening moeten vastleggen dat de reikwijdte van de
                    cliëntenparticipatie betrekking heeft op het integrale gemeentelijke
                    gehandicaptenbeleid. Ook moeten bepalingen worden opgenomen over het tijdig
                    advies vragen aan en het faciliteren van het orgaan voor de
                    cliëntenparticipatie. In Dronten fungeert het Orgaan Belangenbehartiging Dronten
                    (OBD) als orgaan voor de cliëntenparticipatie voor de Wvg.</al><tussenkop>AFDELING III. SLOT</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Afwijken van bepalingen / hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 8.1 bepaalt dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten
                    gunste van de gehandicapte kunnen afwijken van de bepalingen van deze
                    verordening, zo nodig na het inwinnen van advies.</al><al>Dit afwijken kan uiteraard alleen maar ten gunste van de betrokken gehandicapte
                    en nimmer ten nadele. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het
                    gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een
                    uitzondering en niet als een regel.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                    verordening niet voorziet</tussenkop><al>Deze restclausule biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid in alle
                    niet-voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Periodieke evaluatie gemeentelijk beleid en bijstelling
                    verordening</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het
                    voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot aanpassing van de verordening.</al><tussenkop>Artikel 8.4 Citeertitel; inwerkingtreding</tussenkop><al>Artikel 8.4 geeft de citeertitel van de verordening en geeft aan wanneer de
                    verordening in werking treedt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>