<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR396918_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeentelijke arbeidsvoorwaardenregeling CAR-UWO</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-181200.html">Gemeenteblad, 2017, nr. 181200</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeentelijke arbeidsvoorwaardenregeling CAR-UWO</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 160, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging in bestaande regeling: toevoeging IKB</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De CAR-UWO behoeft wijziging overeenkomstig het ter zake neergelegde in de circulaires van het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden met kenmerk ECWGO/U201600266 Lbr. 16/008 CvA/LOGA 16/04. Uitwerkingtreding miv 31-12-2019 ivm invoering WNRA</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeentelijke arbeidsvoorwaardenregeling CAR-UWO</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loppersum;</al><al/><al>Overwegende dat, met ingang van 1 april 1995 de CAR-UWO van toepassing is
                        verklaard;</al><al/><al>Dat het als gevolg van de wijzigingen van hoofdstuk 3 van de CAR-UWO
                        wenselijk is om de integrale tekst van de CAR-UWO van de gemeente Loppersum
                        opnieuw vast te stellen als bedoeld in de circulaires van de VNG van 19
                        november (kenmerk: Lbr. 15/093 CvA/LOGA 15/15) en 2 december 2015 (kenmerk:
                        Lbr. 15/099 CvA/LOGA 16/15)</al><al/><al>gelet op artikel 160 van de Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de<vet>Gemeentelijke arbeidsvoorwaardenregeling
                            CAR-UWO</vet></al><al/><al>in te trekken de Gemeentelijke arbeidsvoorwaardenregeling CAR-UWO zoals deze
                        gold vóór 1 januari 2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al> ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is
                                            aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn
                                            alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht is aangegaan;</al></li><li nr="b"><al> betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de
                                            ambtenaar is te verrichten;</al></li><li nr="c"><al> pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals
                                            die gold tot en met 31 december 1995;</al></li><li nr="d"><al>pensioen: een pensioen in de zin van het
                                            pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                                            ABP;</al></li><li nr="e"><al> arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het
                                            aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door
                                            de ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al></li><li nr="f"><al> arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de
                                            ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al></li><li nr="g"><al> formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de
                                            aanstelling;</al></li><li nr="h"><al> feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals
                                            die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="i"><al> senlorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in
                                            aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5
                                            geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de
                                            arbeidsduur volgens de aanstelling;</al></li><li nr="j"><al> arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide
                                            formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor
                                            feestdagen;</al></li><li nr="k"><al> volledige betrekking: een betrekking waarbij de
                                            arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de
                                            formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;</al></li><li nr="l"><al> overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in
                                            dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur
                                            per week;</al></li><li nr="m"><al> werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                                            verrichten;</al></li><li nr="n"><al> werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen
                                            gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden
                                            verricht;</al></li><li nr="o"><al> uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een
                                            volledige betrekking herberekende - salaris van de
                                            ambtenaar per maand;</al></li><li nr="p"><al> Zvw: de Zorgverzekeringswet</al></li><li nr="q"><al> CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de
                                            sector gemeenten;</al></li><li nr="r"><al> UWO: Uitwerkingsovereenkomst;</al></li><li nr="s"><al>(vervallen)</al></li><li nr="t"><al>(vervallen)</al></li><li nr="u"><al> LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke
                                            Arbeidsvoorwaarden;</al></li><li nr="v"><al> WAO: de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="w"><al> arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van
                                            artikel 18, eerste lid, van de WAO;</al></li><li nr="x"><al> WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="y"><al> WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li><li nr="z"><al> IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig
                                            arbeidsongeschikten;</al></li><li nr="aa"><al>IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame
                                            arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al></li><li nr="bb"><al> WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten;</al></li><li nr="cc"><al> WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                                            arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al></li><li nr="dd"><al> WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                                            gehandicapten;</al></li><li nr="ee"><al> WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
                                            zelfstandigen;</al></li><li nr="ff"><al> Waz: Wet arbeid en zorg;</al></li><li nr="gg"><al> SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                                            Inkomen;</al></li><li nr="hh"><al> uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als
                                            bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet
                                            sociale verzekeringen 1997;</al></li><li nr="ii"><al> pensioenreglement: het pensioenreglement van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li><li nr="jj"><al> WPA: de Wet privatisering ABP;</al></li><li nr="kk"><al>(vervallen)</al></li><li nr="ll"><al>(vervallen)</al></li><li nr="mm"><al> Deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de
                                            arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de
                                            formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur
                                            bedraagt;</al></li><li nr="nn"><al> ZW: de Ziektewet;</al></li><li nr="oo"><al> ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de
                                            ZW;</al></li><li nr="pp"><al> UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,
                                            als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.</al></li><li nr="qq"><al>Salaris: maandbedrag dat binnen de salarisschaal aan de
                                            mabtenaar is toegekend, naar evenredigheid van diens
                                            formele arbeidsduur.</al></li><li nr="rr"><al>Salaristoelagen: de in paragraaf 3 van hoofdstuk 3
                                            genoemde toelagen te weten: de functioneringstoelage, de
                                            waarnemingstoelage, de toelage onregelmatige dienst, de
                                            buitendagvenstertoelage, de toelage
                                            beschikbaarheidsdienst, de inconveniententoelage, de
                                            arbeidsmarkttoelage, de garantietoelage en de
                                            afbouwtoelage, die aan de medewerker zijn toegekend.
                                            Deze werden tot 1 januari 2016 tot de bezoldiging
                                            gerekend. Voor de medewerker in dienst vóór 1 januari
                                            2016, geldt de Toelage Overgangsrecht (TOR) op grond van
                                            hoofdstuk 3 paragraaf 6, ook als een
                                            salaristoelage;</al></li><li nr="ss"><al>Functieschaal: de salarisschaal die bij een functie
                                            hoort;</al></li><li nr="tt"><al>Periodiek: het maandbedrag in een salarisschaal;</al></li><li nr="uu"><al>Salarisschaal: een reeks maandbedragen als opgenomen in
                                            de bijlage bij dit hoofdstuk;</al></li><li nr="vv"><al>Achterblijvende partner: weduwe, weduwnaar,
                                            geregistreerd partner van de overleden ambtenaar, of de
                                            ongehuwde partner die een samenlevingscontract had met
                                            de overleden ambtenaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en
                                    bedrijven door de gemeente beheerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Geen ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling en de
                                    uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                                            openbaar onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting
                                            van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn
                                            in de zin van het Rechtspositiebesluit
                                            onderwijspersoneel;</al></li><li nr="c."><al>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                                            zodanig;</al></li><li nr="d."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel
                                            231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                                            benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke
                                            belastingen;</al></li><li nr="f."><al>de onbezoldigd gemeenetambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="g."><al>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegdheid;</al></li><li nr="h."><al>hij die een indicatie heeft voor de sociale
                                            werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met
                                            uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de
                                            gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in
                                            artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder
                                            “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is,
                                    afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het
                                    georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming
                                    vereist is in het georganiseerd overleg of instemming vereist
                                    van de ondernemingsraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                    gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                    recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 3:25, 3:26, 7:25, en
                                    de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van
                                    een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de
                                    hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                                    hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                                    werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen
                                    regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                                    tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen
                                    van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                                    werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Leer-werkbaan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:2</nr></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Instapplan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2:3</nr></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2a</nr><titel>Stageplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een student in het kader van opleiding, studie
                                    of onderzoek een stageplaats aanbieden op basis van een
                                    stage-overeenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de stage-overeenkomst is de CAR-UWO van toepassing, met
                                    uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en 17
                                    en artikelen 2:1A, 2:1B, 2:4. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stage-overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    waarbij de duur afhankelijk is van de leerdoelen van de
                                    stagiair. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in samenspraak met
                                    de stagiair en onderwijsinstelling, waarbij het leerproces van
                                    de stagiair centraal staat. Het college zorgt voor adequate
                                    begeleiding. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de stagiair kan een onkostenvergoeding worden betaald. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De stagiair is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van het
                                    Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2b</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan degene die daarom verzoekt een
                                    werkervaringsplaats aanbieden op basis van een
                                    werkervaringsovereenkomst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de werkervaringsovereenkomst is de CAR-UWO van toepassing,
                                    met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4a, 5a, 6, 6a, 7,10d en
                                    17 en artikelen 2:1A, 2:1B en 2:4. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De werkervaringsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd,
                                    voor een periode van maximaal 6 maanden. De
                                    werkervaringsovereenkomst kan eenmalig worden verlengd met een
                                    periode van maximaal 6 maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De te verrichten werkzaamheden worden bepaald in overleg met de
                                    medewerker,waarbij het leerproces van de medewerker centraal
                                    staat. Het college zorgt voor adequate begeleiding. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de medewerker wordt een onkostenvergoeding betaald. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De medewerker is geen werknemer in de zin van artikel 2:4 van
                                    het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2c</nr><titel>Aanstellingen op grond van banenafspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    salarisschaal A in bijlage IIa vaststellen voor de ambtenaar die
                                    op grond van de Wet banenafspraak een aanstelling krijgt omdat
                                    hij onder de Participatiewet valt en door beperkingen niet het
                                    wettelijk minimumloon kan verdienen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3:3, eerste lid, kan het college
                                    vaststellen dat de ambtenaar die op grond van de Wet
                                    banenafspraak een aanstelling krijgt omdat hij Wajonger is met
                                    arbeidsvermogen en voor wie een loonwaarde van minder dan 100%
                                    is vastgesteld, recht heeft op een door zijn loonwaarde bepaald
                                    percentage van het salaris. Is het door het loonwaarde bepaalde
                                    percentage van het salaris lager dan het wettelijk minimumloon,
                                    dan is het salaris van de ambtenaar gelijk aan het wettelijk
                                    minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 3:18a, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    eindejaarsuitkering. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    de toelichting op artikel 6:3, tweede lid, genoemde
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid genoemde ambtenaar geldt niet het in
                                    artikel 6a:7, eerste lid genoemde minimumbedrag voor de
                                    levensloopbijdrage. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de eindejaarsuitkering het in artikel 3:18a,
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de vakantietoelage het in de toelichting op
                                    artikel 6:3, tweede lid genoemde minimumbedrag naar rato van de
                                    loonwaarde en de deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar geldt als
                                    minimumbedrag voor de levensloopbijdrage het in artikel 6a:7
                                    eerste lid genoemde minimumbedrag naar rato van de loonwaarde en
                                    de deeltijdfactor. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien het college voor de in het tweede lid genoemde ambtenaar
                                    loondispensatie op grond van de Wajong ontvangt, past het
                                    college deze loondispensatie toe op het salaris en de daarop
                                    gebaseerde toelagen en vergoedingen. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Toepassing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                                    vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand
                                    bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts
                                    toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die
                                    rechtstoestand niet is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                                    regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op
                                    ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden
                                    uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de
                                    eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het
                                    secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                                    aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3:1</nr></kop><al>Vervalt</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3a</nr></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en
                                de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorschriften en instructies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:1</nr></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college,
                                indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk
                                is:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                                        bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het
                                        functioneren van de dienst;</al></li><li nr="b."><al>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij
                                        de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitreiking van CAR en UWO</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                                    deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere
                                    regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in
                                    her vorige lid bedoelde stukken:</al><lijst><li nr="a."><al>de centrales van overheidspersoneel welke zijn
                                            toegelaten tot het LOGA met het College voor
                                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                            Gemeenten;</al></li><li nr="b."><al>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen
                                            van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn
                                            bij de onder a aangeduide centrales;</al></li><li nr="c."><al>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al></li><li nr="d."><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de
                                    voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld
                                    ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling
                                    of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te
                                    leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk
                                    toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                                    bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze
                                    behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voordragen van belangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4:4</nr></kop><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het
                                hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan
                                voor te dragen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Omvang van de betrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr></kop><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang
                                van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om
                                tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel
                                gehanteerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                                    gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke
                                    aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                                    alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de
                                    salaristabel en/of van het bepaalde in de hoofdstuk 8 en 10d. In
                                    de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming
                                    zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze
                                    functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor
                                    georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge
                                    bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van
                                    evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies,
                                    waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                                    toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst
                                    die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij
                                    de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren
                                    kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in
                                    verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de
                                    inrichting van de werkzaamheden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>2</nr><titel>AANSTELLING EN ARBEIDSOVEREENKOMST</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Aanstelling: het bevoegd gezag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr></kop><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt
                                bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanstelling in algemene dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1A</nr><titel/></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De aanstelling geschiedt in algemene dienst van de gemeente.
                                    </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt in een lokale regeling nadere regels ter
                                        uitvoering van dit artikel. </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar die op 31 december 2012 in dienst is van de
                                        gemeente is met ingang van 1 januari 2013 van rechtswege
                                        aangesteld in algemene dienst van de gemeente. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1B</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is – nadat hij is gehoord – verplicht om in het
                                    belang van de dienst een andere passende functie te aanvaarden.
                                    Een passende functie is een functie die de ambtenaar
                                    redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn
                                    omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan
                                    worden opgedragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college dit in het belang van de dienst nodig acht,
                                    is de ambtenaar verplicht om: </al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk niet tot zijn functie behorende werkzaamheden
                                            te verrichten, dan wel tijdelijk een andere functie waar
                                            te nemen; </al></li><li nr="b."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                            vastgestelde werktijden; </al></li><li nr="c."><al>beschikbaar te zijn buiten de voor zijn functie
                                            vastgestelde werktijden. Voor het, gedurende onbepaalde
                                            tijd periodiek verrichten van deze
                                            beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk
                                            aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld
                                            zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden
                                            zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de
                                            schriftelijke aanwijzing moet blijken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                                    persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde
                                    werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd,
                                    geeft hij – onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden
                                    terstond aan te vangen – daarvan door tussenkomst van het hoofd
                                    van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig
                                    mogelijk een beslissing ter zake neemt. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                                    na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd
                                    bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat
                                    hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het
                                    verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van
                                    de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid
                                    bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene
                                    in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als
                                    bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de
                                    verklaringen omtrent het gedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan
                                    slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij
                                    beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze
                                    verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet
                                    arbeid vreemdelingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanstelling: geneeskundig onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                                    bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie
                                    bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                                    worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een
                                    geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking,
                                    waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit
                                    medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig
                                    onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe
                                    aangewezen door het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur van de aanstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vanaf de dag dat een reeks van twee of drie aanstellingen voor
                                    bepaalde tijd, die elkaar opvolgen met tussenpozen van ten
                                    hoogste 6 maanden, een periode van 24 maanden overschrijdt (de
                                    tussenpozen inbegrepen), geldt de laatste aanstelling met ingang
                                    van die dag als een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vanaf de dag dat meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd
                                    elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 6
                                    maanden, geldt de laatste aanstelling als een aanstelling voor
                                    onbepaalde tijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op elkaar
                                    opvolgende aanstellingen en arbeidsovereenkomsten tussen een
                                    ambtenaar en verschillende werkgevers, die, ongeacht of inzicht
                                    bestaat in de hoedanigheid of geschiktheid van de ambtenaar, ten
                                    aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten
                                    worden elkaars opvolger te zijn. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt,
                                    geldt de aanstelling als aanstelling voor onbepaalde tijd vanaf
                                    de dag waarop:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met
                                            tussenpozen van niet meer dan zes maanden hebben
                                            opgevolgd en een periode van 48 maanden, deze
                                            tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;</al></li><li nr="b."><al>meer dan zes aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan zes
                                            maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de vaststelling of de bedoelde periode of het aantal
                                    opvolgende aanstellingen is overschreden, worden alleen de
                                    aanstellingen in tijdelijke dienst in aanmerking genomen die
                                    zijn aangegaan na het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                    leeftijd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bericht van aanstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                                    bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel
                                            a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb.
                                            1993,635);</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum en geboorteplaats van de
                                            ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is
                                            aangesteld:</al><lijst><li nr="i."><al>in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde
                                                  tijd;</al></li><li nr="ii."><al>voor vervulling van een betrekking bij wijze van
                                                  proef;</al></li><li nr="iii."><al>voor een project met een eenmalig en uniek
                                                  karakter;</al></li><li nr="iv."><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een
                                                  wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                                  vorming;</al></li><li nr="v."><al>als vakantiekracht;</al></li><li nr="vi."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het
                                                  kader van een door de overheid getroffen regeling,
                                                  die het karakter draagt door een tijdelijke
                                                  tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te
                                                  bevorderen van personen, die behoren tot één of
                                                  meer bepaalde groepen van werklozen;</al></li><li nr="vii."><al>als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                                    ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de
                                    wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vacatures</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                                    personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot
                                    aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich
                                    daartegen verzet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                                    overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering
                                    krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de
                                    gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Arbeidsovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Door het college kan met een persoon slechts een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor
                                    het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en
                                    omvang wisselend karakter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                                    opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor
                                    bepaalde tijd is gesloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:1</nr></kop><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5
                                zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:2</nr></kop><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een
                                minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling
                                van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren
                                vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende
                                kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inhoud oproepovereenkomst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:3</nr></kop><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaarnheden
                                        voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht
                                        rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de
                                        oproepkracht aan te bieden;</al></li><li nr="b."><al>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden -
                                        na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al></li><li nr="c."><al>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht
                                        kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de
                                        omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te
                                        geven;</al></li><li nr="d."><al>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                                        vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden
                                        verricht;</al></li><li nr="e."><al>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                                        oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging
                                        respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de
                                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij
                                        kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder
                                        de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever
                                        gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk
                                        vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van
                                        twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich
                                        schuldig aan plichtsverzuim;</al></li><li nr="f."><al>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                                        heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten
                                        minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen,
                                        en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te
                                        zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als
                                        grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel
                                        8:13.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betaling bij ziekte van de oproepkracht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente verbindt zich het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) van de oproepkracht te baseren op de minimum
                                    afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die de
                                    oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage,
                                    wordt uitgedrukt in een bedrag per uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                                    ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de
                                    uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten
                                    gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip
                                    waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in
                                    bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het
                                    arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van
                                    het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat
                                    een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de
                                    oproepkracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:5</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:6</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:7</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:8</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Oproepkrachten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:9</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:10</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:11</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:12</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5:13</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr></kop><al>Op aanstellingen die op 1 juli 2015 voldoen aan de voorwaarden van
                                artikel 2:4 (oud), wordt artikel 2:4 (nieuw) pas van toepassing
                                indien een volgende aanstelling wordt aangegaan binnen een periode
                                van ten hoogste zes maanden na het einde van de laatste aanstelling.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanpassing arbeidsduur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te
                                    verminderen of de formele arbeidsduur per week uit te breiden
                                    tot het aantal uur van een volledige betrekking, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken heeft een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan, het recht de werktijden aan te passen, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Overeenkomstig de Wet flexibel werken kan een persoon die is
                                    aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is
                                    aangegaan het college verzoeken tot aanpassing van zijn
                                    arbeidsplaats.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bepaling in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar of de persoon
                                    met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan die de
                                    AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar
                                    die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per
                                    week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende
                                            een vooraf te bepalen periode;</al></li><li nr="-"><al>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3,
                                            tweede lid evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel
                                            3:6, eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al></li><li nr="-"><al>instemming van de ambtenaar is vereist;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                                    het college dit vooraf aan de OR.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                                    over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de
                                    arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                                    bespreking voorgelegd aan de OR.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanstelling na 65 jaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>3</nr><titel>SALARIS, VERGOEDINGEN EN UITKERINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Functies en functiewaardering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de functies vast die door ambtenaren binnen de
                                    gemeentelijke organisatie kunnen worden bekleed. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Elke functie wordt beschreven op basis van een
                                    functiewaarderingssysteem.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor elke functie stelt het college een functieschaal vast op
                                    basis van een functiewaarderingssysteem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Recht op salaris, vergoedingen, salaristoelagen en
                                    uitkeringen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang zijn aanstelling duurt heeft een ambtenaar recht op
                                    salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig
                                    dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de
                                    ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat
                                    arbeid te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitbetaling van het salaris, de vergoedingen, de toelagen en
                                    de uitkeringen vindt plaats per maand, tenzij in deze regeling
                                    anders is bepaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Salaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Vaststelling salaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het salaris van een ambtenaar vast aan de hand
                                    van zijn functieschaal, op grond van zijn ervaring, geschiktheid
                                    en bekwaamheid. Het salaris wordt vastgesteld met aanduiding van
                                    een periodiek in de functieschaal.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt geplaatst zonder dat hij
                                    al voldoet aan alle daarvoor geldende eisen ten aanzien van
                                    opleiding, ervaring en bekwaamheid, kan zijn salaris
                                    overeenkomstig de eerst lagere salarisschaal dan de
                                    functieschaal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Salarisverhoging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een ambtenaar wordt een salarisverhoging naar de volgende
                                    periodiek toegekend als is voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><al>a. de ambtenaar functioneert voldoende;</al><al>b. de ambtenaar heeft het maximum van de functieschaal nog niet
                                    bereikt;</al><al>c. er zijn twaalf maanden verstreken sinds zijn aanstelling ,
                                    zijn laatste periodieke salarisverhoging of zijn promotie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan toekenning van een periodieke
                                    salarisverhoging aanvullende voorwaarden stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een ambtenaar een extra periodieke
                                    salarisverhoging toekennen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan het
                                    college voor de ambtenaar of voor groepen ambtenaren een vaste
                                    verhogingsdatum vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Verlaging salarisschaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zonder voorafgaand ontslag kan voor de ambtenaar geen
                                    salarisschaal gaan gelden met een lager maximumsalaris, tenzij
                                    hiervoor in deze regeling, of andere wet- en regelgeving, een
                                    grond aanwezig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een ambtenaar met zijn
                                    instemming worden herplaatst in een functie waaraan een lagere
                                    schaal is verbonden met een overeenkomstige aanpassing van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van artikel 7:16, tweede lid, herplaatst worden in
                                    een functie met een lager maximumsalaris, met een
                                    overeenkomstige aanpassing van het salaris.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de ambtenaar, door
                                    toepassing van hoofdstuk 10d, herplaatst worden in een functie
                                    met een lager maximumsalaris en een mogelijk overeenkomstige
                                    aanpassing van het salaris, voor zover geregeld in een sociaal
                                    plan of sociaal statuut.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Inpassing in hogere schaal</titel></kop><al>De ambtenaar die door promotie naar een hogere salarisschaal
                                overgaat, heeft vanaf de dag dat de promotie ingaat recht op een
                                hoger salaris. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Uitloopschaal</titel></kop><al>Doorgroei in een uitloopschaal is mogelijk wanneer dit op 31
                                december 2015 in een lokale regeling was vastgelegd. De
                                uitloopschaal is één schaal hoger dan de functieschaal. In de lokale
                                regeling worden voorwaarden en regels gesteld die van toepassing
                                zijn op de instroom in- en het doorlopen van de uitloopschaal. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Salaristoelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Functioneringstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar die meerdere jaren zeer goed
                                    of uitstekend heeft gefunctioneerd en/of bijzondere prestaties
                                    heeft geleverd, en die het maximum van zijn functieschaal heeft
                                    bereikt, een functioneringstoelage toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage wordt voor maximaal een jaar toegekend. Bij het
                                    voortduren van de gronden waarop de toelage is toegekend, kan
                                    deze opnieuw worden toegekend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Arbeidsmarkttoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een ambtenaar een arbeidsmarkttoelage
                                    toekennen om hem in dienst tekunnen nemen of te behouden, als
                                    schaarste op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft en erin
                                    het betreffende vakgebied sprake is van een ernstig tekort aan
                                    personeel</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage wordt toegekend voor een periode die van tevoren is
                                    vastgesteld, met een maximum van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toelage bedraagt ten hoogste 10% van het salaris.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Waarnemingstoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Indien een ambtenaar wordt aangewezen om een functie
                                            waar te nemen met een hogere functieschaal, wordt hem
                                            voor de periode van waarneming een waarnemingstoelage
                                            toegekend. Deze bepaling geldt niet als de waarneming
                                            deel uitmaakt van de eigen functie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Bij volledige waarneming van de functie is het bedrag
                                            van de toelage gelijk aan het verschil tussen het
                                            salaris dat de ambtenaar geniet en het salaris dat hij
                                            zou genieten als hij bij de start van de waarneming in
                                            de hogere schaal zou zijn ingedeeld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><lijst><li nr=""><al> Bij gedeeltelijke waarneming wordt de toelage naar
                                            evenredigheid toegekend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al> De ambtenaar die valt onder de bijzondere regeling voor
                                            de werktijden (artikel 4:3) heeft recht op een toelage
                                            die wordt uitgedrukt in een percentage van het uurloon
                                            gedurende de volgende tijdvakken van de week:• maandag
                                            tot en met vrijdag tussen 0.00 en 06.00 uur en tussen
                                            22.00 en 24.00 uur: 40% • zaterdag tussen 0.00 en 24.00
                                            uur: 40% • zondag en op de feestdagen genoemd in artikel
                                            4:5 derde lid tussen 0.00 en 24.00 uur: 65% Het uurloon
                                            is voor de toepassing van dit artikel maximaal gelijk
                                            aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                            salarisschaal 6.</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al> De ambtenaar heeft geen recht op een toelage, als hij
                                            in een week slechts op één aaneengesloten periode van
                                            ten hoogste 3 uur in een van de in lid 1 genoemde
                                            tijdvakken heeft gewerkt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Over de uren waarover een toelage onregelmatige dienst wordt
                                    uitbetaald, kan niet tegelijkertijd een overwerkvergoeding
                                    (artikel 3:18) worden uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Buitendagvenstertoelage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die valt onder de standaardregeling voor de
                                    werktijden en die door het college is aangewezen om te werken
                                    buiten het dagvenster (artikel 4:2, tweede lid), heeft recht op
                                    een buitendagvenstertoelage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De buitendagvenstertoelage bedraagt:• 50% van het uurloon van de
                                    ambtenaar over de gewerkte uren buiten het dagvenster tussen
                                    maandag 00:00 uur en vrijdag 24:00 uur;• 75% van het uurloon van
                                    de ambtenaar over de uren gewerkt op zaterdag;• 100% van het
                                    uurloon van de ambtenaar over de uren gewerkt op zondag en op de
                                    feestdagen genoemd in artikel 4:5, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11 of
                                    hoger heeft geen recht op een buitendagvenstertoelage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Toelage beschikbaarheidsdienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die buiten de voor hem geldende werktijden
                                    beschikbaarheidsdienst heeft, ontvangt een toelage
                                    beschikbaarheidsdienst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage bedraagt 5% van het uurloon voor de uren op maandag
                                    tot en met vrijdag en 10% van het uurloon voor de uren op
                                    zaterdag, zondag en op de feestdagen genoemd in artikel 4:5
                                    derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het uurloon is voor de toepassing van dit artikel maximaal
                                    gelijk aan het uurloon dat behoort bij het maximumsalaris van
                                    salarisschaal 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Inconveniëntentoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar een inconveniëntentoelage
                                toekennen, indien er sprake is van niet vermijdbare zware,
                                onaangename of gevaarlijke arbeid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Garantietoelage</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar die wordt geconfronteerd met een
                                lager salaris en/of salaristoelagen, een garantietoelage
                                toekennen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Afbouwtoelag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De ambtenaar van wie buiten zijn toedoen de toelage
                                        onregelmatige dienst, de toelage beschikbaarheidsdienst,
                                        en/of de inconveniëntentoelage blijvend wordt verlaagd of
                                        beëindigd, heeft recht op een afbouwtoelage indien • hij de
                                        toelage(n) zonder onderbreking van meer dan twee maanden
                                        gedurende tenminste drie jaren heeft genoten én • met de
                                        verlaging of beëindiging van de toelage(n) een bedrag is
                                        gemoeid van tenminste 3% van zijn salaris.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al> Het eerste lid is niet van toepassing:• op ambtenaren op
                                        wie het FLO-overgangsrecht (hoofdstuk 9a, 9b, 9d of 9e) van
                                        toepassing is, of• indien voor de ambtenaar voorzieningen
                                        zijn getroffen in een sociaal plan</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al> De looptijd van de afbouwtoelage is maximaal drie jaar. De
                                        afbouwtoelage bedraagt in het eerste jaar 75%, in het tweede
                                        jaar 50% en in het derde jaar 25% van het af te bouwen
                                        bedrag.</al></li><li nr="4."><al> Indien de hoogte van de af te bouwen toelage(n) aan
                                        wisselingen onderhevig was, wordt de afbouwtoelage
                                        vastgesteld op het gemiddelde van de voorgaande 12
                                        maanden.</al></li><li nr="5."><al> Indien het salaris van de ambtenaar wordt verhoogd doordat
                                        hij een functie aanvaardt waaraan een hogere salarisschaal
                                        is verbonden, wordt de afbouwtoelage verrekend met de
                                        salarisverhoging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:17</nr><titel>Vergoeding BHV, EHBO en interventieteam</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die door het college is aangewezen om tevens
                                    werkzaam te zijn als bedrijfshulpverlener als bedoeld in artikel
                                    15 van de Arbeidsomstandighedenwet, EHBO-er, of als lid van een
                                    anti-agressie- of interventieteam, ontvangt een vergoeding
                                    indien hij de taken in verband met bedrijfshulpverlening in
                                    voldoende omvang verricht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 220,00 per jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18</nr><titel>Overwerkvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De ambtenaar die overwerk verricht en valt onder de
                                        bijzondere regeling voor de werktijden (artikel 4:4), heeft
                                        recht op een overwerkvergoeding. Over de uren waarover een
                                        overwerkvergoeding wordt uitbetaald, kan niet tegelijk een
                                        toelage onregelmatige dienst (artikel 3:11) worden
                                        uitbetaald. </al></li><li nr="2."><al> De overwerkvergoeding bestaat uit:a. verlof gelijk aan het
                                        aantal volle uren van het overwerk, b. het bedrag over het
                                        aantal volle uren overwerk ter hoogte van het volgende
                                        percentage van het uurloon van de ambtenaar: • 100% voor
                                        overwerk op een zondag of feestdag (artikel 4:5) tussen 0.00
                                        en 24.00 uur;• 75% voor overwerk op een zaterdag tussen 0.00
                                        en 24.00 uur;• 75% voor overwerk op een maandag of de dag
                                        volgend op een feestdag tussen 0.00 en 6.00 uur;• 50% voor
                                        overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                                        tussen 0.00 en 6.00 uur;• 50% voor overwerk op een maandag,
                                        dinsdag, woensdag donderdag of vrijdag tussen 20.00 en 24.00
                                        uur;• 25% voor overwerk op maandag dinsdag, woensdag,
                                        donderdag of vrijdag tussen 6.00 en 20.00 uur. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al> Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op
                                        een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar
                                        en voor zover de belangen van de dienst dit toelaten wordt
                                        het verlof verleend op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.
                                    </al></li><li nr="4."><al> Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het
                                        derde lid, dan bestaat de vergoeding uitsluitend uit een
                                        bedrag, dat bestaat uit het uurloon, vermeerderd met een
                                        percentage van het uurloon conform het tweede lid onder
                                        b.</al></li><li nr="5."><al> De ambtenaar op wie de bijzondere regeling voor de
                                        werktijden van toepassing is en die tijdens de
                                        beschikbaarheidsdienst wordt opgeroepen, ontvangt over de
                                        gewerkte tijd een overwerkvergoeding.</al></li><li nr="6."><al> De ambtenaar die een functie bekleedt met functieschaal 11
                                        of hoger heeft geen recht op een overwerkvergoeding.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:18a</nr><titel>Eindejaarsuitkering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:19</nr><titel>Ambtsjubileum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar ontvangt éénmalig een jubileumtoelage zodra hij
                                    25, 40 en 50 jaar in overheidsdienst is. Onder overheidsdienst
                                    wordt verstaan de tijd die hij in dienst is geweest bij een bij
                                    het ABP aangesloten werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij 25 jaar overheidsdienst bedraagt de toelage de helft van het
                                    maandsalaris over de maand van jubileren, plus de
                                    vakantietoelage berekend over deze maand en de in deze maand
                                    toegekende salaristoelagen. Bij 40 en 50 jaar overheidsdienst
                                    bedraagt de toelage het maandsalaris over de maand van
                                    jubileren, plus de vakantietoelage en de toegekende
                                    salaristoelagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:3 of 8:4 CAR:en die binnen vijf jaar na de datum van
                                    ontslag, maar voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd
                                    recht zou hebben gehad op een jubileumtoelage, ontvangt een
                                    evenredig deel van de toelage. In dat geval wordt de laatste
                                    maand vóór de datum van ingang van het ontslag als de
                                    maatgevende maand aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:20</nr><titel>Beloning uitstekend functioneren en/of bijzondere
                                    prestaties</titel></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar of een groep ambtenaren eenmalig
                                een geldbedrag toekennen voor uitstekend functioneren en/of
                                geleverde bijzondere prestaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:21</nr><titel>Reis- en verbijfkostenvergoeding</titel></kop><al>Een ambtenaar heeft recht op vergoeding voor reis- en verblijfkosten
                                voor reizen die hij heeft gemaakt in het belang van de dienst. Bij
                                gebruik van het openbaar vervoer is de vergoeding op basis van het
                                2e klasse tarief.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:22</nr><titel>Reiskostenvergoeding woon-werkverkeer</titel></kop><al>Het college kan een ambtenaar een reiskostenvergoeding
                                woon-werkverkeer toekennen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:23</nr><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op salaris vermeerderd met de toegekende
                                    salaristoelagen eindigt de dag na het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het overlijden van de ambtenaar ontvangt de achterblijvende
                                    partner – of bij het ontbreken daarvan diens minderjarige
                                    kinderen — een overlijdensuitkering, die bestaat uitdriemaal het
                                    laatstgenoten salaris vermeerderd met de vakantietoelage en de
                                    toegekende salaristoelagen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het
                                    voorgaande lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan
                                    de meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:24</nr><titel>Uitkering bij overlijden als gevolg van een ongeval in en
                                    door de dienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een
                                    rechtstreeks gevolg is van een ongeval in endoor de dienst, dan
                                    wordt aan de achterblijvende partner een uitkering verstrekt.
                                    Indien de overledene geen partner nalaat, wordt de uitkering
                                    verstrekt aan de minderjarige kinderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering bedraagt één jaarsalaris, vermeerderd met de
                                    vakantietoelage en de toegekende salaristoelagen, berekend over
                                    de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van
                                    overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot
                                    uitkering komt als de ambtenaar overlijdt als gevolg van een
                                    ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking
                                    vanhet tweede lid het bedrag waarvoor het college zich heeft
                                    verzekerd, met een minimum ter grootte van de in het tweede lid
                                    genoemde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zijn er geen nagelaten betrekkingen zoals genoemd in het eerste
                                    lid dan wordt de overlijdensuitkering uitgekeerd aan de
                                    meerderjarige kinderen, ouders, broers of zusters waarvoor de
                                    overledene kostwinner was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:25</nr><titel>Recht op tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, die een aanvullende verzekering Extra Zorg 3 of
                                    Extra Zorg 4 bij IZA Zorgverzekeraar NV, of Mijn Keuze 3 of Mijn
                                    Keuze 4 bij Zilveren Kruis Achmea heeft, heeft recht op een
                                    tegemoetkoming in zijn ziektekosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten wordt eenmaal per
                                    kalenderjaar in de maand december uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                                    heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een
                                    tegemoetkoming in de ziektekosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 3:26</nr><titel>Hoogte tegemoetkoming in de kosten van de
                                    zorgverzekering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het
                                    salaris van de ambtenaar lager is dan of gelijk is aan het
                                    bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of
                                    ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten
                                    naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand
                                    december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst
                                    treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid
                                    de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5 </nr><titel>Individueel Keuzebudget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:27</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een Individueel Keuzebudget, hierna
                                    te noemen: IKB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is beheerder van het IKB.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het IKB is een maandelijks, in geld uitgedrukt budget dat de
                                    ambtenaar naar keuze kan gebruiken voor de doelen genoemd in
                                    artikel 3:29,op de wijze zoals vastgelegd is in deze
                                    paragraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:28</nr><titel>Opbouw IKB</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het IKB wordt per maand opgebouwd en bestaat uit een deel
                                    waarover pensioen wordt opgebouwd en een deel waarover geen
                                    pensioen wordt opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het deel van het IKB waarover pensioen wordt opgebouwd
                                    bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                            geldende salaris vermeerderd met de salaristoelagen
                                            genoemd in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien
                                            verstande dat dit ten minste een bedrag is van € 146,65
                                            bij een volledig dienstverband, en</al></li><li nr="b."><al>6% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                            geldende salaris, met dien verstande dat dit ten minste
                                            een bedrag is van € 145,83 bij een volledig
                                            dienstverband, en</al></li><li nr="c."><al>1,5% van het in de maand van opbouw geldende salaris,
                                            voor de ambtenaar die geboren is na 31 december 1949,
                                            met dien verstande dat dit ten minste een bedrag is van
                                            € 33,33 bij een volledig dienstverband, en</al></li><li nr="d."><al>indien en voor zolang hoofdstuk 9a van toepassing is op
                                            de ambtenaar, 1% van het voor de ambtenaar in de maand
                                            van opbouw geldende salaris, met dien verstande dat dit
                                            voor maximaal 20 jaar geldt, tenzij artikel 9a:9, lid 1,
                                            onderdeel b, van toepassing is..</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het deel van het IKB waarover geen pensioen wordt opgebouwd
                                    bedraagt 0,8% van het voor de ambtenaar in de maand van opbouw
                                    geldende salaris.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien in een maand het salaris of de salaristoelagen niet
                                    volledig zijn uitbetaald dan wordt het IKB in die maand berekend
                                    op basis van het uitbetaalde salaris en de uitbetaalde
                                    salaristoelagen. Ontvangt de ambtenaar in een maand geen salaris
                                    dan wordt in die maand geen IKB opgebouwd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien in een maand het salaris en de salaristoelagen niet
                                    volledig zijn uitbetaald op grond van artikel 7:3, lid 2 tot en
                                    met 4, dan wordt, in afwijking van lid 4 van dit artikel, het
                                    IKB in die maand berekend op basis van het volledige salaris en
                                    de volledige salaristoelagen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan bronnen toevoegen aan het IKB. Een bron kan zijn
                                    een persoonlijk budget, voor zover dat in de gemeente bestaat en
                                    niet is opgenomen in de TOR zoals omschreven in paragraaf 7 in
                                    hoofdstuk 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:29</nr><titel>Doelen IKB</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het IKB gebruiken voor:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>het kopen van vakantie-uren, tot een maximum van vier
                                            maal de aanstellingsduur per week gedurende het
                                            kalenderjaar;</al></li><li nr="b."><al>extra inkomen door uitbetaling van het IKB tot een
                                            maximum van het tot aan de datum van uitbetaling
                                            opgebouwde IKB;</al></li><li nr="c."><al>het financieren van een opleiding, indien en voor zover
                                            deze niet door de gemeente wordt vergoed en de geldende
                                            fiscale regelgeving de besteding van het IKB aan dit
                                            doel belastingvrij mogelijk maakt;</al></li><li nr="d."><al>fiscale uitruil reiskosten woon-werkverkeer;</al></li><li nr="e."><al>contributie van zijn lidmaatschap van een vakorganisatie
                                            van overheidspersoneel die is vertegenwoordigd in het
                                            overleg, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, van de
                                            CAR/UWO;</al></li><li nr="f."><al>vergoeding aankoopbedrag fiets.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de bestedingsdoelen zoals omschreven in lid 1
                                    aanvullen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:30</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan elke maand een keuze maken om zijn IKB te
                                    gebruiken voor een of meerdere van de in artikel 3:29 genoemde
                                    doelen. Hij heeft voor deze keuze geen toestemming nodig. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst in verband met de salarisverwerking voor elke
                                    maand een uiterste datum aan waarop de ambtenaar zijn keuze
                                    kenbaar moet maken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de ambtenaar geen keuze maakt, of bij zijn keuze slechts een
                                    deel van zijn IKB gebruikt, dan wordt het IKB over die maand, of
                                    het resterende deel daarvan, gereserveerd. De ambtenaar kan het
                                    gereserveerde IKB op een later moment in het lopende
                                    kalenderjaar besteden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Heeft de ambtenaar na de sluitingsdatum van de salarisverwerking
                                    in december nog een resterend IKB dan wordt dit bij de
                                    salarisbetaling van die maand uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Besteding van het IKB kan alleen voor zover het beschikbare
                                    budget toereikend is. De keuze voor een doel heeft uitsluitend
                                    betrekking op hetzelfde kalenderjaar. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bedragen die uit het IKB zijn gebruikt, kunnen niet meer worden
                                    teruggestort in het IKB.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:31</nr><titel>Waarde van een vakantie-uur</titel></kop><al>Als de ambtenaar kiest voor het kopen van vakantie-uren dan wordt
                                het IKB per vakantie-uur verlaagd met het voor de ambtenaar geldende
                                uurloon in de maand waarin hij de vakantie-uren koopt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:32</nr><titel>Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij beëindiging van het dienstverband wordt het resterende IKB
                                    bij de laatste salarisbetaling aan de ambtenaar uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij overlijden van de ambtenaar wordt in aanvulling op de
                                    overlijdensuitkering het resterende IKB uitbetaald aan de
                                    nagelaten betrekkingen zoals omschreven in artikel 3:23, lid 2
                                    en 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:33</nr><titel>Wet- en regelgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het gebruik van het IKB kan gevolgen hebben voor loonheffingen,
                                    pensioen en sociale verzekeringen. De ambtenaar wordt geacht
                                    deze gevolgen te kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als blijkt dat een bedrag uit het IKB ten onrechte belastingvrij
                                    is uitgekeerd doordat de ambtenaar onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verstrekt, verhaalt het college de verschuldigde
                                    loonheffing of eventuele boetes op de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een netto voordeel voor de ambtenaar vervalt door
                                    wijzigingen van wet- en regelgeving dan wordt dat niet
                                    gecompenseerd door het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Alle transacties in het IKB moeten in overeenstemming zijn met
                                    geldende wet- en regelgeving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:34</nr><titel>Vakantietoelage 2016</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantietoelage die de ambtenaar heeft opgebouwd in de
                                    periode van juni 2016 tot en met december 2016 op grond van
                                    artikel 6:3 zoals dat gold op 31 december 2016 wordt uitbetaald
                                    bij de salarisbetaling van mei 2017. Dit bedrag maakt geen
                                    onderdeel uit van het IKB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ontslag verleend wordt voor 1 mei 2017 dan
                                    wordt de opgebouwde vakantietoelage over 2016 uitbetaald bij de
                                    laatste salarisbetaling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:35</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die werkzaam is in de kunsteducatie en op wie
                                artikel 19b:10 van toepassing is, is artikel 3:28, lid 3, niet van
                                toepassing. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Overige Individuele Keuzemogelijkheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:36</nr><titel>Verkoop van vakantie-uren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan elk kalenderjaar een verzoek doen om ten
                                    hoogste 72 uren bovenwettelijk vakantieverlof te verkopen. Bij
                                    een deeltijd dienstverband wordt dit aantal naar rato
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt toegewezen, tenzij
                                    zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan regels stellen over de aanvraagprocedure.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 3:31 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><nr>3:37</nr><titel/></kop><al/><al/><al>1. Garantietoelagen en afbouwtoelagen die uiterlijk op 31 december
                                2015 zijn ingegaan worden gecontinueerd onder de voorwaarden
                                waaronder ze zijn toegekend.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al><onderstreept> 1a Bestaande garantietoelage en afbouwtoelagen.
                                </onderstreept></al><al/><al> Hiermee hebben LOGA-partijen bedoeld dat toelagen – ongeacht de
                                benaming – die naast het salaris structureel onderdeel uitmaken van
                                het vaste inkomen van de betreffende ambtenaar en van oorsprong
                                bedoeld zijn om een terugval in salaris of emolumenten en toelagen –
                                niet zijnde onkostenvergoedingen – op te vangen, niet vervallen bij
                                invoering van het nieuwe hoofdstuk 3. De toelage is met andere
                                woorden onderdeel van het salaris en mag daarom niet worden
                                meegenomen in de toelage overgangsrecht H3 (hierna: TOR) zoals
                                geregeld in dit overgangsrecht. </al><al/><al> Deze toelagen wordt gecontinueerd na invoering van hoofdstuk 3 per
                                1 januari 2016 en vinden vanaf dat moment hun grondslag in artikel
                                3:15. ‘Onder de voorwaarden waaronder ze zijn toegekend’ geeft aan
                                dat de afspraken die golden bij toekenning (indexatie, duur, afbouw)
                                ook na 1 januari 2016 van toepassing blijven. </al><al/><al><onderstreept> 1b. Tijdelijke toelage met schriftelijke
                                    overeengekomen einddatum. </onderstreept></al><al> Een tijdelijke toelage die niet langer kan worden gebaseerd op een
                                rechtsgrond omdat hij niet voorkomt in hoofdstuk 3 of een toelage
                                met een hogere grondslag en die niet te kwalificeren is als de
                                garantietoelage zoals in punt 1a bedoeld, maar die zich ook niet
                                leent om te worden opgenomen in de TOR, kan eveneens worden
                                voortgezet volgens de condities zoals die golden op het moment dat
                                de toelage werd vastgesteld. Voorwaarde is dat de toelage tijdelijk
                                is en dat de einddatum of gebeurtenis tijdens welke de tijdelijke
                                toelage wordt betaald schriftelijk is vastgelegd in een besluit. </al><al/><al> Een voorbeeld hiervan is een lager leidinggevende toelage zoals
                                sommige gemeenten die kennen: in afwachting van een verwachte stap
                                in de carrière wordt aan een medewerker die kan doorgroeien naar een
                                managementfunctie een toelage gegeven voor maximaal 4 jaar. Deze
                                toelage kent hoofdstuk 3 niet. Opname in de TOR zou er toe leiden
                                dat deze evident als tijdelijk bedoelde toelage eeuwig in een TOR
                                wordt vervat. Dus tijdelijke toelagen met een schriftelijk
                                vastgelegde einddatum lopen gewoon door conform de afspraken en tot
                                de vastgelegde einddatum. </al><al/><al>2. Het brandweerpersoneel bij de veiligheidsregio’s wordt
                                uitgezonderd van het nieuwe beloningshoofdstuk met uitzondering van
                                het IKB, tenzij in het overleg van de Brandweerkamer met de
                                vakbonden anders wordt besloten.</al><al/><al>3. Lokale financiële arbeidsvoorwaarden die op al het personeel
                                binnen een gemeente worden toegepast op 31 december 2015 en die zijn
                                opgenomen in de lokale bezoldigingsverordening of
                                rechtspositieregeling, vervallen voor het personeel dat vanaf 1
                                januari 2016 in dienst komt. Voor het zittende personeel wordt deze
                                omgezet in een vast bedrag: de toelage overgangsrecht H3
                                (jaarbedrag) deel 1.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> Lokale arbeidsvoorwaarden vervallen voor zover ze niet terugkeren
                                in hoofdstuk 3, conform de formulering in hoofdstuk 3. </al><al/><al>4. Voor alle overige financiële arbeidsvoorwaarden die in de lokale
                                bezoldigingsverordening of rechtspositieregeling zijn opgenomen (en
                                dus bij de invoering van hoofdstuk 3 nog bestaan) en die per 1
                                januari 2016 vervallen of dan in hoogte wijzigen, wordt op basis van
                                het refertejaar 2014 (roosters, overwerk, en alle andere relevante
                                factoren) voor elke medewerker die het betreft bepaald:</al><al/><al>a. hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                ontvangen volgens de bij overgang geldende regels voor
                                toelagen/vergoedingen</al><al/><al>b. hoe hoog het bedrag is dat de medewerker aan toelagen zou
                                ontvangen volgens de nieuwe systematiek.</al><al/><al>Het verschil vormt de toelage overgangsrecht H3 (jaarbedrag) deel
                                2.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> Werkgevers waarbij tot 1 januari 2016 de grondslag van de
                                vakantietoelage meer beloningselementen (inclusief emolumenten)
                                omvat dan het salaris en de toegekende salaristoelagen, moeten bij
                                het vaststellen van de TOR rekening houden met het volgende. Als het
                                daarbij gaat om beloningselementen, die met de introductie van
                                hoofdstuk 3 komen te vervallen of die worden verlaagd, dienen de
                                betreffende bedragen bij wijze van nadeelcompensatie vóór opname in
                                de TOR met 8% te worden verhoogd. </al><al/><al> In de onderdelen 3 en 4 is een berekeningsmethode vastgelegd die
                                recht doet aan het uitgangspunt dat het nieuwe hoofdstuk 3 geen
                                bezuinigingsmaatregel is. Medewerkers worden gecompenseerd voor een
                                eventuele teruggang in beloning. Behoudens de garantie bedoeld in
                                artikel 1 van het overgangsrecht en de tijdelijke toelagen met een
                                schriftelijk overeengekomen einddatum is daarom afgesproken om
                                medewerkers die al in dienst waren voor 1 januari 2016 te
                                compenseren met een TOR. Behoudens afkoop of vermindering van de
                                aanstellingsomvang, blijft de aanspraak op een TOR gedurende het
                                dienstverband ongewijzigd bestaan. </al><al/><al> De TOR is in 2 delen geknipt, maar het gaat niet om twee
                                verschillende soorten toelagen. De TOR 1 en de TOR 2 zijn feitelijk
                                twee stappen die men in de tijd achter elkaar zet om te bepalen wat
                                de TOR voor de medewerker is. De TOR 1 is een vast beloningselement
                                dat iedereen in een gemeente ontvangt, bijvoorbeeld een extra
                                eindejaarsuitkering of een PGB. De TOR 2 is lastiger te bepalen,
                                omdat deze voor iedereen verschillend zal zijn. Niet iedereen
                                ontvangt elke toelage of toeslag of vergoeding die in de lokale
                                bezoldigingsverordening is opgenomen. En niet iedereen werkt in
                                eenzelfde dienst of rooster. Om de TOR 2 te kunnen bepalen is
                                afgesproken 2014 als refertejaar te gebruiken. De reden daarvoor is
                                dat 2014 een recent afgesloten jaar is. Voor een heel jaar is
                                duidelijk wat aan onregelmatige diensten, beschikbaarheidsdiensten
                                en overwerk is gedeclareerd/ontvangen op basis van de in 2014
                                geldende (lokale) regels. </al><al/><al> De in 2014 gewerkte roosters worden fictief gekoppeld aan de
                                toeslagen van het nieuwe hoofdstuk 3. Vervolgens wordt het
                                eindbedrag vergeleken met het bedrag dat aan toeslagen is betaald in
                                2014. Is er een negatief verschil, dan wordt daarmee de TOR 2
                                gevuld. </al><al/><al> Geen roosters </al><al/><al> Als de werkgever over 2014 geen rooster of werkpatroon kan
                                reproduceren heeft de berekening aan de hand van een refertejaar
                                geen zin. Daarom is in het LOGA afgesproken dat ook een andere
                                rekenwijze kan worden toegepast die wordt gebaseerd op het
                                werkpatroon/roosters voor 2016, uitgaande van het gegeven dat de
                                roosters en werkpatronen niet wijzigen door invoering van hoofdstuk
                                3. Op basis van het rooster 2016 wordt voor bepaling van de TOR dit
                                rooster berekend met de toelagepercentages uit 2014 en die in 2016.
                                Het verschil bepaalt de hoogte van de TOR. Het gaat hierbij om
                                ingeroosterd werk, hetzij beloond met de ORT hetzij met een
                                overwerktoelage als de gemeente daarvoor kiest hetzij om
                                ingeroosterde beschikbaarheidsdiensten. </al><al/><al> Overwerk Het LOGA heeft ook afgesproken dat gemeenten die bezig
                                zijn om het overwerk terug te dringen, doordat bijvoorbeeld de
                                nieuwe werktijdregeling wordt geïmplementeerd, de oude percentages
                                van de oude regeling kunnen worden toegepast voor medewerkers die in
                                dienst zijn op 31 december 2015. Voor nieuwe medewerkers gelden de
                                percentages uit hoofdstuk 3. Als het slechts om een hele kleine
                                groep medewerkers gaat die bovendien zeer weinig overwerkt, kan dit
                                alternatief passend zijn. Weliswaar bestaan er dan twee systemen van
                                overwerkpercentages naast elkaar, maar voorkomen wordt dat door
                                opname van het oude overwerkpatroon, (zoals dat gold in refertejaar
                                2014), een TOR 2 ontstaat die niet nodig is. 5. Als 2014 geen
                                representatief jaar is door langdurige ziekte (langer dan 2
                                maanden), langdurig onbetaald verlof, extreem veel overwerk of
                                andere redenen wordt in onderling overleg een ander representatief
                                refertetijdvak vastgesteld. </al><al/><al> Deze bepaling geeft ruimte om tot een andere referteperiode te
                                komen als de bovengenoemde berekening tot een niet representatief
                                beeld leidt. Als medewerkers bijvoorbeeld in 2014 extreem veel
                                hebben overgewerkt, dan wordt de TOR in verhouding te hoog. Een
                                uitzondering die alleen in een bepaalde periode gold, wordt dan met
                                andere woorden de norm. Dat is niet de bedoeling van het
                                overgangsrecht. </al><al/><al> De term ‘ander representatief refertetijdvak’ mag ruimer worden
                                geïnterpreteerd dan strikt als kalendertijdvak. Het gaat erom een
                                geschikte berekeningswijze vast te stellen mits die recht doet aan
                                het uitgangspunt dat medewerkers er door invoering van hoofdstuk 3
                                niet op achteruitgaan. </al><al/><al> Met ‘onderling overleg’ wordt gedoeld op individueel overleg met de
                                medewerker en in bijzondere gevallen op overleg in het GO. Dat
                                laatste is het geval als het om patronen gaat en een groep van
                                medewerkers in gelijke omstandigheden is betrokken. Datzelfde geldt
                                als door bijvoorbeeld een reorganisatie of gewijzigde
                                werktijdenregelingen het onmogelijk is om de roosters van 2014 te
                                reproduceren. </al><al/><al>5. Deel 1 en deel 2 worden bij elkaar opgeteld. Dit is de toelage
                                overgangsrecht H3. Dit bedrag stijgt niet mee met de
                                loonontwikkelingen.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> De TOR 1 en de TOR 2 worden opgeteld. Als de TOR 1 leidt tot een
                                positief verschil van Euro 300 per jaar, maar de TOR 2 –omdat
                                bijvoorbeeld de toeslagen ORT van het nieuwe hoofdstuk 3 hoger zijn
                                dan de vigerende lokale toeslagen- tot een negatief verschil van €
                                200 dan is de TOR: Euro 300 (-Euro 200) = Euro 100-. </al><al/><al>De TOR is een nominaal bedrag en geldt voor de betreffende
                                medewerker als een salaristoelage. De TOR telt mee voor de
                                vaststelling van de vakantietoelage en is onderdeel van de
                                pensioengrondslag. De TOR telt niet mee bij de berekening van de
                                eindejaarsuitkering en de levensloopbijdrage. </al><al/><al>6. Er zijn geen anticumulatiebepalingen.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> Met deze afspraak wordt gedoeld op de situatie waardoor het inkomen
                                van de medewerker na invoering van het nieuwe hoofdstuk 3 stijgt,
                                bijvoorbeeld door promotie of een nieuw rooster met een hogere ORT.
                                De inkomensstijging wordt niet verrekend met de TOR van de
                                medewerker. </al><al>7. Deze toelage overgangsrecht H3 is een vast jaarbedrag dat een
                                keer per jaar wordt uitbetaald in de maand december.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> De hoofdregel is dat de TOR eenmaal per jaar in de maand december
                                wordt uitbetaald. Voorstelbaar is dat niet een gewenste situatie is,
                                bijvoorbeeld omdat de TOR een hoog bedrag is, en een maandelijkse
                                uitbetaling, of een uitbetaling per kwartaal, beter past. Daarom is
                                (zie hieronder punt 13) afgesproken dat lokaal andere afspraken
                                kunnen worden gemaakt. Het LOGA heeft niet bepaald met wie deze
                                afspraken worden gemaakt. Uitgangspunt is echter dat als het om
                                groepen medewerkers gaat het GO gesprekspartner is. Betreft het een
                                enkeling of een kleine groep dan kunnen deze afspraken ook
                                individueel worden gemaakt. </al><al/><al>8. De toelage overgangsrecht H3 moet minimaal 120 euro op jaarbasis
                                zijn. Indien deze toelage lager is, wordt deze afgekocht met een
                                eenmalig bedrag ter waarde van 5 jaar.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> Het bedrag van Euro 120 geldt bij een fulltime dienstverband. Bij
                                deeltijd wordt het bedrag naar rato verlaagd. </al><al/><al>9. Als een dienstverband in de loop van een kalenderjaar eindigt,
                                dan wordt de toelage overgangsrecht H3 naar rato uitgekeerd.</al><al/><al>10. Als een dienstverband in omvang verkleind wordt, dan daalt de
                                toelage overgangsrecht H3 naar rato.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> Als de aanstelling in uren wordt teruggebracht, daalt de TOR naar
                                rato. De TOR daalt niet als men ouderschapsverlof geniet of ziek is. </al><al/><al>11. Vergroten van de aanstellingsomvang ná 31-12-2015 heeft geen
                                effect.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> De TOR volgt de duur en de omvang van de aanstelling in principe
                                naar rato, behalve ingeval van vergroting van de aanstelling. Dan
                                geldt de TOR niet wordt verhoogd. </al><al/><al>12. Lokaal mogen aanvullende afspraken over afkoop, uitruil of
                                betaling in termijnen gemaakt worden.</al><al/><al>Toelichting: Zie punt 8.</al><al/><al>13. Er is apart overgangsrecht voor personeel van gemeenten die op
                                31 december 2015 een lokale regeling hebben met bepalingen over de
                                ambtsjubileumgratificatie die positief afwijken van het nieuwe
                                artikel 3:19. Medewerkers die binnen vijf jaar van verval van de
                                lokale regeling (dus uiterlijk 31 december 2020) recht zouden hebben
                                op een ambtsjubileumgratificatie als de lokale regeling niet was
                                vervallen, krijgen de ambtsjubileumgratificatie op basis van de
                                lokale regeling die op 31 december 2015 verviel. Het gaat hierbij om
                                de datum van het ambtsjubileum en de hoogte van de
                                ambtsjubileumgratificatie. De gemeente legt dit recht vast bij de
                                overgang naar het nieuwe hoofdstuk 3.</al><al/><al>Toelichting:</al><al/><al> De ambtsjubileumgratificatie kent een eigen overgangsbepaling. Het
                                betreft de afspraak dat medewerkers die uiterlijk op 31 december
                                2020 recht hebben op een ambtsjubileumgratificatie op grond van de
                                oude regeling van de gemeente, deze ambtsjubileumgratificatie
                                ontvangen conform die oude regeling. Dat betekent ook dat de in die
                                regeling vastgestelde criteria gelden voor de bepaling of het
                                relevante aantal jaren is behaald. De gemeente moet dit recht
                                vastleggen. Hoe de gemeente dit doet is niet bepaald. Betreft het
                                een kleine groep, dan kan het op individueel niveau. Makkelijker is
                                op in een voetnoot bij het betreffende artikel in hoofdstuk 3 de
                                oude regeling op te nemen. </al><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN</nr></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel/></kop><al>Het college stelt lokaal een werktijdenregeling vast met
                                inachtneming van hetgeen in dit hoofdstuk bepaald is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Standaardregeling voor de werktijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar verricht zijn werkzaamheden op tijden binnen
                                        het dagvenster. </al></li><li nr="2."><al>Het dagvenster loopt van maandag tot en met vrijdag tussen
                                        7:00 en 22:00 uur. </al></li><li nr="3."><al>De ambtenaar en het college maken voorafgaand aan elk
                                        kalenderjaar afspraken. over de werktijden, het verlof en de
                                        planning van de werkzaamheden van de ambtenaar, voor het
                                        komende jaar. </al></li><li nr="4."><al>Ten aanzien van de afspraken over werktijden geldt als
                                        uitgangspunt dat </al><lijst><li nr="a."><al>hierover overeenstemming bereikt wordt tussen de
                                                ambtenaar en het college; </al></li><li nr="b."><al>de werktijden binnen de normen van de
                                                arbeidstijdenwet blijven; </al></li><li nr="c."><al>de werktijd per dag ten hoogste 11 uren bedraagt en
                                                per week 50 uren, tenzij op verzoek van de ambtenaar
                                                daarvan wordt afgeweken. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als gevolg van gewijzigde omstandigheden kunnen de afspraken
                                        over de werktijden aangepast worden. </al></li><li nr="6."><al>De ambtenaar en het college overleggen tweemaal per jaar
                                        over de werktijden in relatie tot de planning van de
                                        werkzaamheden. </al></li><li nr="7."><al>Blijkt tijdens dit periodieke gesprek over de werktijden dat
                                        het ongewijzigd voortzetten van de planning van de
                                        werkzaamheden leidt tot overschrijding van de arbeidsduur
                                        per jaar, dan worden de afspraken in overleg aangepast.
                                        Indien de ambtenaar en het college het erover eens zijn dat
                                        overschrijding van de arbeidsduur per jaar onvermijdelijk is
                                        dan wordt in overleg de omvang van de overschrijding
                                        vastgesteld, uitgedrukt in uren. De ambtenaar ontvangt voor
                                        elk te veel gewerkt uur een vergoeding ter hoogte van het
                                        uurloon of een uur vakantieverlof. </al></li><li nr="8."><al>de ambtenaar verricht arbeid op werktijden buiten het
                                        dagvenster wanneer dat op grond van dienstbelang
                                        noodzakelijk is.Voor de uren die de ambtenaar buiten het
                                        dagvenster werkt geldt een buitendagvenstertoelage als
                                        bedoeld in artikel 3:12 . </al></li><li nr="9."><al>Ten aanzien van het verrichten van arbeid buiten het
                                        dagvenster vanwege dienstbelang is het bepaalde in artikel
                                        4:5 van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="10."><al>Wanneer de ambtenaar en het college er niet in slagen om de
                                        werktijden in overeenstemming vast te stellen, dan stelt het
                                        college wanneer het dienstbelang dit vergt eenzijdig de
                                        werktijden vast met afweging van alle betrokken belangen. In
                                        die situatie geldt ten aanzien van de werktijden van de
                                        ambtenaar de bijzondere regeling als bedoeld in paragraaf 2
                                        van dit hoofdstuk. </al></li><li nr="11."><al>Het college kan de ambtenaar om redenen van dienstbelang
                                        incidenteel verzoeken om werkzaamheden te verrichten op
                                        werktijden die afwijken van de afspraken die hierover
                                        gemaakt zijn op grond van het derde lid. Wanneer de
                                        ambtenaar en het college hierover geen overeenstemming
                                        bereiken dan heeft de ambtenaar recht op een vergoeding voor
                                        de gewerkte uren ter hoogte van de buitendagvenstertoelage,
                                        zoals omschreven in artikel 3:12 . Artikel 3:12 , derde lid,
                                        is van overeenkomstige toepassing. </al></li><li nr="12."><al>Het college en de OR evalueren jaarlijks de regels en
                                        afspraken over de werktijden in de organisatie. De OR heeft
                                        de bevoegdheid om verbetervoorstellen in te dienen, waarvan
                                        het college alleen gemotiveerd kan afwijken. </al></li><li nr="13."><al>Als op 31 december 2013 op grond van een lokale regeling een
                                        ruimer dagvenster geldt dan het dagvenster genoemd in het
                                        tweede lid, dan blijft vanaf 1 januari 2014 dit ruimere
                                        dagvenster gelden. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Bijzondere regeling voor de werktijden</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar van wie de werktijd
                                eenzijdig wordt vastgesteld door het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bijzondere regeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Vaststelling werktijden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de werktijden van de ambtenaar vast. </al></li><li nr="2."><al>De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur
                                        per week. </al></li><li nr="3."><al>Wanneer voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden dan
                                        legt het college deze vast in een rooster. </al></li><li nr="4."><al>Bij de vaststelling van de werktijden worden de volgende
                                        regels in acht genomen: </al><lijst><li nr="a."><al>De werktijden worden ten minste één maand voor
                                                aanvang bekend gemaakt aan de ambtenaar. </al></li><li nr="b."><al>De werktijd van de ambtenaar wordt niet uitsluitend
                                                vastgesteld op een wijze waardoor een aanspraak op
                                                een ORT wordt ontweken. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Werken op zon- en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar verricht geen werkzaamheden op zaterdag en zondag,
                                    tenzij het dienstbelang dit noodzakelijk maakt. Een afwijking
                                    hiervan is slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de werktijden van de ambtenaar wordt
                                    zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor
                                    hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat
                                    hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid
                                    op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid
                                    op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de
                                    tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de
                                    verjaardag van de koning wordt gevierd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen
                                    in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op
                                    zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke,
                                    regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door
                                    het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst
                                    van de gemeente is gesloten. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                                    kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat
                                    of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij
                                    een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel/></kop><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:11 , arbeid op
                                zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of
                                zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije
                                beschikking toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van de artikelen 4:1 tot en met 4:6
                                nadere regels stellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.Werktijden brandweerpersoneel in dienstroosters</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:7 zijn niet van toepassing op de
                                    ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is in een dienstrooster.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de ambtenaren genoemd in het eerste lid
                                    van dit artikel een werktijdenregeling vast. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het vaststellen van het dienstrooster draagt het college er
                                    zorg voor dat de arbeidsduur per jaar niet wordt overschreden.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006
                                            opgebouwde verlof in het kader van de voormalige
                                            verlofspaarmogelijkheid; </al></li><li nr="b."><al>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het
                                            omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een
                                            geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd
                                            ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende
                                            uurloon van de ambtenaar. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                                    door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als
                                    mogelijk in een aaneengesloten periode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed.Het college beslist of aan dit verzoek kan worden
                                    voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd
                                    wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en
                                    wanneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn
                                    levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde
                                    verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de
                                    wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in
                                    een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan
                                    worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar
                                    opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of
                                    aan dit verzoek kan worden voldaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen
                                    gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar
                                    kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd.
                                    Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van
                                    een ander dienstverband, niet mogelijk is om de opzegtermijn te
                                    verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde
                                    verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende
                                    lid. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8 of
                                    8:10 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                                    aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen
                                    opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                                    tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                                    ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te
                                    nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de
                                    ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na
                                    afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                                    wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond
                                    van het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                                    nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel
                                    8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                                    ingevolge het bepaalde in het tiende lid. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                                    gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het
                                    college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                                    resterende opgebouwde verloftegoed. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                                    uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende
                                    uurloon van de ambtenaar. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>4a</nr><titel>UITWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN (vervallen)</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>5</nr><titel>SENIORENMAATREGELEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>56-jarigenregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Pré-Vut</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>60-jarigenregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel/></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ingangsdatum seniorenmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5a FPU gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</nr></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>6</nr><titel>VAKANTIE, VAKANTIETOELAGE EN (ZWANGERSCHAPS- EN
                            BEVALLINGS)VERLOF</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Vakantie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr></kop><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud
                                van salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                                    6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde
                                    in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven
                                    aan artikel 6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie wordt verleend door het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige
                                        betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per kalenderjaar.
                                        Hiervan is 144 uur per kalenderjaar wettelijk verlof.</al></li><li nr="2."><al>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                                        ambtenaar verzoeken in hetdaaropvolgende kalenderjaar de
                                        arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                                        volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze
                                        uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid.
                                        Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van
                                        minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid
                                        lager aantal uren als maximum.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                        toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich
                                        daartegen verzetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het
                                    college algemene regels met betrekking tot de duur van de
                                    vakantie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor
                                    een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt
                                    naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten
                                    aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren
                                    voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van
                                    volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide,
                                    waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde
                                    algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4
                                    uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:11 en
                                    3:13, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige
                                    uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:13
                                    genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de
                                    ambtenaar rust.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college
                                    bijzondere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                                    ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien
                                    werkdagen, aaneensluitend verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder
                                    voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het
                                    eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De
                                    ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen
                                    op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele
                                    achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:5 lid
                                    3, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en
                                    aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                                    worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de
                                    vakantie eventueel zal worden gesplitst , berust bij het
                                    bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing
                                    wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere
                                    ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met
                                    de wensen van de ambtenaar.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                                redenen van afwezigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                                    of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar
                                    rato van de tijd dat hij zijn functie vervult.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                                    het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn
                                    betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk
                                    van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar
                                    evenredigheid verminderd behoudens het bepaalde in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                                    een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet
                                    toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende afwezigheid wegens zwangerschap en
                                            bevalling;</al></li><li nr="b."><al>gedurende afwezigheid wegens ziekte</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend
                                    op werkdagen, waarop hij wegens ziekte geheel of gedeeltelijk
                                    zijn arbeid niet kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren
                                    van de ambtenaar verminderd met het aantal uren dat hij op die
                                    dag zou werken als hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die
                                    met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt
                                    een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het
                                    uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend
                                    vakantie-uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                                    kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt
                                    hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                                    eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede
                                    volgende kalenderjaar verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de
                                    vakantie of het aaneengesloten gedeelte daanan wordt genoten
                                    buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan
                                    door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten
                                    deel daarvan met 1/3 worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                                    redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten
                                    gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts
                                    gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantieuren van
                                    die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het
                                    aantal genoten vakantie-uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                                    vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem
                                    vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                                    niet is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op verzoek van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                                            schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten
                                            of</al></li><li nr="c."><al>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan
                                            voor eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie in
                                            een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van
                                            de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                                            daartegen verzetten.</al><al/></li></lijst><al>Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien
                                    de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het
                                    college te bepalen aantal uren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren
                                    worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar
                                    aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend,
                                    op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn functie te
                                    vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                                    verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer
                                    vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                                    krachtens artikel 6:2 lid 1 toekomende aantal uren tenzij op een
                                    desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is
                                    beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2:7</nr></kop><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke
                                aan zijn dienstverband zijn verbonden derft, kan deswege een
                                vergoeding worden toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2a</nr><titel>Vervaltermijn wettelijk verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in een kalenderjaar het wettelijk verlof geheel of
                                    gedeeltelijk niet is opgenomen , vervalt dit verlof 12 maanden
                                    na het einde van dat kalenderjaar, tenzij de ambtenaar tot aan
                                    dat tijdstip om medische redenen redelijkerwijs niet in staat is
                                    geweest om dit vakantieverlof op te nemen, of dit vanwege
                                    dienstbelang niet mogelijk is geweest. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar kan een verzoek indienen om zijn wettelijk verlof
                                    gedeeltelijk in te zetten voor een langere verlofperiode. Het
                                    college kan daarbij de in lid 1 genoemde termijn verlengen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2b</nr><titel>Verjaringstermijn bovenwettlijk verlof</titel></kop><al>Indien in een kalenderjaar het bovenwettelijk verlof geheel of
                                gedeeltelijk niet is opgenomen, verjaart dit verlof 60 maanden na
                                het einde van dat kalenderjaar. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantietoelage</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Buitengewoon verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft
                                    gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon
                                    verlof met behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                                    gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de
                                    ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde
                                    lid, toegelaten organisatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen
                                    wordt opgebouwd, is het verhaal van premie voor de
                                    voorwaardelijkeinkoop gelijk aan de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar is verschuldigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) op de dag
                                    dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar
                                    wordt voltrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college
                                    wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Langdurend zorgverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:1a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op langdurend
                                    zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet
                                    aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                                    ziekte niet in staat is zijn functie te vervullen vindt geen
                                    opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                                    kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn functie te
                                    vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak
                                    op zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de
                                    omvang van het langdurend zorgverlof.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn functie
                                    te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend
                                    zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de salarisbetaling
                                    genoemd in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                                    betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7
                                    kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de
                                    opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van het
                                    volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakbondsverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Centrales van overheidspersoneel;</al><lijst><li nr="1."><al>de Algemene Centrale van overheidspersoneel
                                                  (ACOP);</al></li><li nr="2."><al>de Christelijke Centrale van overheids- en
                                                  onderwijs personeel (CCOOP);</al></li><li nr="3."><al>de Centrale van Middelbare en Hogere
                                                  Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven
                                                  en instellingen (CMHF).</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Verenigingen van ambtenaren</al><al>de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten
                                            bij de onder a genoemde centrales van
                                            overheidspersoneel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    door het college buitengewoon verlof met behoud van salaris en
                                    de toegekende salaristoelage(n) verleend aan de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van
                                            verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene
                                            verenigingen betreft welke ook andere groepen van
                                            ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het
                                            bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                                            groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van
                                            het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of
                                            afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande
                                            dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of
                                            gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot
                                            een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien
                                            hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of
                                            bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de
                                            bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen
                                            indien hij lid is van een landelijke groepsraad;</al></li><li nr="c."><al>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de
                                            centrale organisatie waarbij de vereniging van de
                                            ambtenaar is aangesloten, indien hij als
                                            vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die
                                            vergadering deelneemt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking
                                    buitengewoon verlof met behoud vansalaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>om, indien hij daartoe door een centrale van
                                            overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder
                                            a of door een daarbij aangesloten vereniging is
                                            aangewezen.</al><lijst><li nr="1."><al>bestuurlijke en/of vertegenwoordigende
                                                  activiteiten te ontplooien binnen die centrale of
                                                  die daarbij aangesloten vereniging,
                                                  onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk
                                                  apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen
                                                  van deze centrale van overheidspersoneel en/of de
                                                  daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen,
                                                  alles te zamen voor ten hoogste 216 uren per
                                                  kalenderjaar;</al></li><li nr="2."><al>als vakbondsconsulent, voor ten hoogste 50 uur
                                                  per jaar voor een organisatie met minder dan 400
                                                  medewerkers en ten hoogste 100 voor een
                                                  organisatie met meer dan 400 medewerkers; </al></li><li nr="3."><al>als arbeidsvoorwaardenadviseur voor ten hoogste
                                                  50 uur per jaar voor een organisatie met minder
                                                  dan 400 medewerkers en ten hoogste 100 uur voor
                                                  een organisatie met meer dan 400 medewerkers met
                                                  dien verstande dat per vakcentrale per organisatie
                                                  verlof wordt toegekend aan maximaal een
                                                  arbeidsvoorwaardenadviseur </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voor het - op uitnodiging van een vereniging van
                                            ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke
                                            door of ten behoeve van de leden van die vereniging van
                                            ambtenaren wordt gegeven, alles te zamen voor ten
                                            hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder de a en b, naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor
                                    de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan
                                    ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien
                                    verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend
                                    aan de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                                            overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a ,
                                            nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die
                                            rechtstreeks bij die centrale is aangesloten.</al></li><li nr="b."><al>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd
                                            in het eerste lid onder a , nr.3 en/of bestuurs lid is
                                            van een sector of sectie van de centrale.</al></li></lijst><al>Het buitengewoon verlof met behoud van beloning van een
                                    ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per
                                    week van minder dan 36 uur wordt het aantal uren genoemd in het
                                    derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend
                                    aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren,
                                    bedoeld in het eerste lid, onder b.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                                    wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met
                                    behoud van salaris en de toegekende salaristoelage(n) verleend
                                    voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede
                                    voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering.
                                    Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt
                                    eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren
                                    waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van
                                    de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                                    regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het
                                    tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden
                                    gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:2a</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kortdurend zorgverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                                    uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op
                                    grond van de Wazo.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                                    voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele
                                    betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar
                                    evenredigheid verminderd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever
                                    en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                                    waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt.
                                    Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                                    mogelijk.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Non-activiteit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de
                                    Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van het salaris
                                    en de toegekende salaristoelage(n) en vakantietoelage.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing,
                                    bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet 1929,
                                    aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                                    onkostenvergoeding - wordt op zijn salaris en toegekende
                                    salaristoelage(n) over de tijd dat hij het op grond van dat
                                    artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze
                                    inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als
                                    vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                    boven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels
                                    vaststellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overige redenen buitengewoon verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:5</nr></kop><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van
                                het genot van de gehele of gedeeltelijke salaris en de toegekende
                                salaristoelage(n) en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden,
                                verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in
                                artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor
                                maximaal één jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:5a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                                    bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek
                                    onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de
                                    functie voor ten hoogste twee jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Buitengewoon verlof is geen vakantie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4:6</nr></kop><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet
                                in mindering gebracht op de vakantie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ouderschapsverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op
                                    ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald
                                    ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij
                                    dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele
                                    arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een
                                    percentage van zijn salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                    ambtenaar die wordt gesalarieerd volgens:</al><lijst><li nr="a."><al>schaal 1: 90%</al></li><li nr="b."><al>schaal 2: 85%</al></li><li nr="c."><al>schaal 3: 80%</al></li><li nr="d."><al>schaal 4: 70%</al></li><li nr="e."><al>schaal 5: 60%</al></li><li nr="f."><al>schaal 6 en hoger: 50%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                                    het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid
                                    verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels
                                    stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar die op grond van de Waoz recht heeft op
                                    ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar kan op grond van onvoorziene omstandigheden een
                                    verzoek indienen om toegekend ouderschapsverlof niet op te
                                    nemen. Tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen
                                    verzet, stemt het college hiermee in. Instemming heeft tot
                                    gevolg dat het resterende ouderschapsverlof wordt opgeschort.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:1</nr></kop><al>Vervallen m.i.v. 1 juli 2015</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meerlingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak
                                    betaald ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4 en 6:5:7 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing indien er, voor het tweede en de
                                    meerdere kinderen van een twee- of meerling, gebruik wordt
                                    gemaakt van de mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te
                                    genieten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:3</nr></kop><al>Vervallen m.i.v. 1 juli 2015</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opbouw vakantie en vakantie-toelage</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                                    geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van
                                    het ouderschapsverlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                                    ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de
                                    salarisbetaling, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt
                                    uitbetaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Terugbetaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van
                                    artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht het
                                    salaris en de toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van
                                    artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als
                                    bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij
                                            een andere gemeente;</al></li><li nr="b."><al>en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een
                                            uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege
                                            werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar
                                            ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of
                                            geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem
                                            liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                                            wijzigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of
                                    binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een functie
                                    aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het
                                    ouderschapsverlof vervulde, is verplicht het salaris en de
                                    toegekende salaristoelage(n), die hij op grond van artikel 6:5
                                    heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt
                                    verminderd, terug te betalen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik
                                    maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met
                                    het in het eerste en derde lid bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:6</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5:7</nr></kop><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid
                                voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht ouderschapsverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5a</nr><titel/></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5a:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wazo zwangerschaps-
                                    en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit verlof aanspraak
                                    op doorbetaling van haar volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Wazo-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                                    wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op
                                    grond van het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de vrouwelijke ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot
                                    uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar
                                    een boete wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan haar schuld
                                    of toedoen te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris
                                    en de toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Adoptie- en pleegzorgverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van de Wazo recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof aanspraak op
                                    doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Wazo-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                                    mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar op grond
                                    van het eerste lid recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                                    pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de aanvraag en de
                                    uitbetaling van de Wazo-uitkering door de gemeente bij en door
                                    het UWV.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                    door de ambtenaar de Wazo-uitkering nog niet tot uitbetaling is
                                    gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete
                                    wordt opgelegd, danwel het recht op de Wazo-uitkering geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen
                                    te wijten is, wordt de Wazo-uitkering op het salaris en de
                                    toegekende salaristoelagen in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld in
                                    artikel 7:3, niet op.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                                    gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te
                                    verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste
                                    18 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                                    maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op
                                    maximaal één periode van onbetaald verlof.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                                    gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                                    arbeidsduur of op een deel daarvan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                                    gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek
                                    wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee
                                    maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt
                                    schriftelijk bericht van de beslissing van het college.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                                    hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof
                                    intrekken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                                    tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar
                                    hiermee instemmen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking
                                    heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe,
                                    tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof
                                    verleend voor een periode van maximaal drie jaren.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanspraken tijdens het verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                                    geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het
                                    onbetaald verlof.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                                    uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en
                                    (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                                    gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                                    pensioenpremies en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk
                                    aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de
                                    ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het
                                    verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft
                                    de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof
                                    voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop met ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                                    betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14
                                    kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                                    kalenderdag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                                    volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen
                                    ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                                    wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan
                                    pensionering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:12</nr></kop><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het
                                zwangerschaps- en bevallingsverlof.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6a</nr><titel>DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:1</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld
                                        in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al>instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling
                                        of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet
                                        op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al>levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar
                                        geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al>levensloopverzekering: een bij de instelling door de
                                        ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                        ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                                        onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Doel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling meldt dit bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienst is geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn
                                    ten aanzien van dit levenslooptegoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienst is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    voldoet aan de voorwaarden die de Wet op de Loonbelasting 1964
                                    aan deelname stelt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inleg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de
                                    inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg
                                    wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                                    genoemde bronnen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bronnen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:6</nr></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de
                                volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris;</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:9 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloopbijdrage</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:7</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:7a</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beëindiging deelname levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                                    daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag van de ambtenaar;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opname levenslooptegoed</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:9</nr><titel/></kop><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken ten behoeve van de
                                opname van onbetaald verlof op grond van de Wet Arbeid en Zorg en
                                hoofdstuk 6 meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de
                                gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een
                                deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de
                                melding moet plaatsvinden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:10</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in
                                hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie
                                paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een
                                betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a:11</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>7</nr><titel>AANSPRAKEN BIJ ONGESCHIKTHEID WEGENS ZIEKTE OF GEBREK</titel></kop><afdeling><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>DEFINITIES</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Definities</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                                bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij
                                                aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke
                                                of sociale aard niet van hem kan worden
                                                gevergd;</al></li><li nr="b."><al>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie:
                                                toonvormende arbeid, die specifiek gericht is op
                                                terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid
                                                waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van
                                                aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>scholing in het kader van de reïntegratie: scholing
                                                die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel
                                                passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd
                                                in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde
                                                lid;</al></li><li nr="d."><al>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:
                                                arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die
                                                in overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in
                                                  de bijzondere omstandigheden waaronder deze
                                                  moesten worden verricht of;</al></li><li nr="-"><al>in een dienstongeval verband houdende met de
                                                  aard van de opgedragen werkzaamheden of de
                                                  bijzondere omstandigheden waarin deze
                                                  werkzaamheden moesten worden verrichten die niet
                                                  aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te
                                                  wijten;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen
                                                inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en
                                                bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan
                                                verdienen;</al></li><li nr="f."><al>arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17,
                                                eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;</al></li><li nr="g."><al>inactieve: de oud-ambtenaar met een WW-uitkering,
                                                aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering,
                                                WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering,
                                                die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst
                                                was van een gemeente;</al></li><li nr="h."><al>postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering
                                                functioneel leeftijdsontslag, ouderdomspensioen van
                                                het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand
                                                aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van
                                                een gemeente of inactieve was;</al><al/></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                                        acht genomen.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Bedrijfgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2</nr></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                    onderzoek.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Arbo-dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:1</nr></kop><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst of
                                    gecertificeerd deskundige(n).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                                        begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit
                                        hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar
                                        geschiedt door een arbo-dienst of gecertificeerd
                                        deskundige(n), overeenkomstig door het college te stellen
                                        regels.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Consulteren arts door ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:3</nr></kop><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst
                                    rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen
                                    die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen
                                    samenhangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Periodiek geneeskundig onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:4</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Geneeskundig onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                                        ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te
                                        onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar het oordeel van het college
                                                redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan
                                                een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al></li><li nr="b."><al>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig
                                                geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen
                                                van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of
                                                hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                                        het eerste lid, te onderwerpen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Buitendienststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:5 blijkt
                                        van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de
                                        ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de
                                        belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de
                                        dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting
                                        van zijn werkzaamheden verzetten, wordt de ambtenaar door
                                        het college buiten dienst gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt
                                        niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de
                                        lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                                        wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden
                                        wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In
                                        dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                        voor de toepassing van de overige artikelen van dit
                                        hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens
                                        ziekte.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                                    ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst
                                        aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de
                                        ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of
                                        voorzieningen in het belang van het herstel van zijn
                                        gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het
                                        herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste
                                        lid, schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraken tijdens ziekte</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Recht op salaris en de toegekende salaristoelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                                        zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                        stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van
                                        die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op
                                        doorbetaling van zijn volledige salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                        gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op
                                        doorbetaling van 90% van zijn salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                        na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de
                                        vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van
                                        zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                                        na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op
                                        doorbetaling van 70% van zijn salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n)</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                                        gebreken verstaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn
                                        volledige salaris en de toegekende salaristoelage(n) over de
                                        uren waarop hij:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn arbeid verricht;</al></li><li nr="b."><al>passende arbeid verricht;</al></li><li nr="c."><al>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                                                verricht;</al></li><li nr="d."><al>scholing volgt in het kader van zijn
                                                reïntegratie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes
                                        maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige salaris
                                        en de toegekende salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid
                                        in en door de dienst.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten
                                        minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid,
                                        passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn
                                        reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van
                                        zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel,
                                        heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over het
                                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) waar hij recht op
                                        heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum het
                                        salaris en de toegekende salaristoelagen zoals genoemd in
                                        het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                                        minimumloon, berekend naar rato van zijn formele
                                        arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode
                                        van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in
                                        artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort
                                        de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid,
                                        op.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                                        worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld
                                        indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
                                        weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en
                                        aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en
                                        bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7,
                                        tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet
                                        geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
                                        oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelagen, zoals genoemd in het eerste, tweede, derde
                                        en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt
                                        herplaatst in een andere functie.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                                        recht op beloning tijdens arbeidsongeschiktheid.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                                        terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden
                                        gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden,
                                        bedoeld in het eerste lid, het volledige salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) wordt doorbetaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Doorbetaling tijdens ziekte bij seniorenmaatregel en
                                    onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:4</nr></kop><lid><lidnr/><al>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald
                                        verlof geniet heeft recht op doorbetaling van zijn salaris
                                        en de toegekende salaristoelage(n) als bedoeld in artikel
                                        7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een hoger
                                        bedrag doorbetaald kan krijgen, dan hij zou hebben gekregen,
                                        indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                                        IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                        dienst, een aanvullende uitkering verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor
                                        de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het
                                        bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA-
                                        of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar
                                        toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te
                                        vullen tot een bepaald percentage van het salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) die de ambtenaar heeft genoten
                                        in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is
                                        afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en
                                        bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</al><al>80% of meer: 95%</al><al>65 tot 80% 68,875%</al><al>55 tot 65% 57%</al><al>45 tot 55% 47,5%</al><al>35 tot 45% 38%</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvullende uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de
                                                in het eerste lid genoemde voorwaarden of;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarop de
                                                ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op
                                        grond van dit artikel, is verplicht om het college op de
                                        hoogte te stellen van wijzigingen in zijn
                                        arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling
                                        ingevolge het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlijdensuitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                                    dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:6</nr></kop><al>(Vervalt)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                                    arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                                        ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het
                                        oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van
                                        geneeskundige behandeling of verzorging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid
                                        nadere voorschriften geven.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8</nr></kop><al>Het college kan nadere regels stellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vaststelling referte-tijdvak toelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:1</nr></kop><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de
                                    vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage
                                    onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst,
                                    alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling
                                    van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) tijdens
                                    ziekte, dient in een lokale regeling nader te worden
                                    uitgewerkt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Periodieke salarisverhoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:2</nr></kop><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient
                                    in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van
                                    artikel 2:7a</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:8:3</nr></kop><lid><lidnr/><al>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van
                                        artikel 2:7a, kan voor de duur van de periode waarvoor
                                        toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot
                                        aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt
                                        met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de
                                        periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is
                                        verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten
                                        aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de
                                        formele arbeidsduur.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen college</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
                                        maatregelen te treffen en voorschriften te geven als
                                        redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband
                                        met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek
                                        verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt
                                        gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te
                                        verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                                        verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen
                                        passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                                        inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de
                                        openbare dienst van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                                        tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de
                                        ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25,
                                        tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met
                                        medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo
                                        nodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                                        opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt
                                        gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen
                                        omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de
                                        arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht
                                        te nemen procedures.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                                    ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10</nr></kop><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle
                                    informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit
                                    hoofdstuk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:10:4</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichting tot verlening van medewerking aan
                                    reïntegratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge
                                        van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                        verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan, door het college of een door
                                                hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                                voorschriften en mee te werken aan door het college
                                                of een door hem aangewezen deskundige getroffen
                                                maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                                evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                                bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al></li><li nr="c."><al>zich te gedragen naar de regels die in het protocol,
                                                bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn
                                                opgenomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                                        betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als
                                        bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college
                                        of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt
                                        gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door
                                        of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek
                                        ter beantwoording van de vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>of er sprake is van verhindering tot het vervullen
                                                van zijn functie wegens ziekte;</al></li><li nr="b."><al>in welke mate er sprake is van verhindering als
                                                bedoeld onder a;</al></li><li nr="c."><al>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen
                                                van zijn functie opzettelijk heeft veroorzaakt;</al></li><li nr="d."><al>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder
                                                geneeskundige behandeling te stellen of te blijven
                                                stellen, dan wel zich niet houdt aan de
                                                voorschriften hem door de behandelende geneeskundige
                                                gegeven, met dien verstande dat te dezen
                                                voorschriften tot het verlenen van medewerking aan
                                                een ingreep van heelkundige aard zijn
                                                uitgezonderd;</al></li><li nr="e."><al>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn
                                                genezing wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="f."><al>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn
                                                in het belang van het herstel van zijn gezondheid,
                                                dan wel in het belang van het behoud, het herstel of
                                                de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;</al></li><li nr="g."><al>wanneer en in welke mate de vervulling van de
                                                functie kan worden hervat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                        redenen van medisch onderzoek.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Geen aanspraak op doorbetaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:13:1</nr></kop><al>Geen aanspraak op salaris en de toegekende salaristoelage(n) als
                                    bedoeld in artikel 7:3 bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in
                                            artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de
                                            ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen
                                            van zijn functie heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar
                                            daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen
                                            verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet
                                            binnen een halfjaar na de in artikel 2:3, eerste lid,
                                            bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de
                                            ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn
                                            gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft
                                            verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen
                                            de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt
                                            geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij
                                            de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw
                                            heeft gehandeld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Staken van de doorbetaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:13:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                        indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting
                                                tot het verlenen van medewerking aan een door of
                                                vanwege de arbo-dienst in te stellen medische
                                                onderzoek na te komen;</al></li><li nr="b."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten
                                                onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige
                                                behandeling te stellen ofte blijven stellen;</al></li><li nr="c."><al>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                                                voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt,
                                                met uitzondering van voorschriften om mee te werken
                                                aan een ingreep van heelkundige aard;</al></li><li nr="d."><al>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek
                                                schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn
                                                genezing wordt belemmerd of vertraagd;</al></li><li nr="e."><al>er de oorzaak van is dat het
                                                arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de
                                                arbo-dienst aangewezen arts niet kan
                                                plaatshebben;</al></li><li nr="f."><al>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van
                                                zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of
                                                voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst
                                                in het belang van zijn genezing wenselijk wordt
                                                geacht en het college daartoe toestemming heeft
                                                verleend;</al></li><li nr="g."><al>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid,
                                                die hij heeft in verband met het verrichten van door
                                                de arbo-dienst in het belang van zijn genezing
                                                wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of
                                                derden;</al></li><li nr="h."><al>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de
                                                arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze
                                                dienst bepaalde mate, indien zulks hem is
                                                opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de
                                                arbo-dienst als geldig erkende reden heeft
                                                opgegeven;</al></li><li nr="i."><al>weigert om - op verzoek van het college - informatie
                                                te verstrekken die noodzakelijk is voor de
                                                uitvoering van dit hoofdstuk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n) vindt wel plaats indien de ambtenaar op
                                        grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden
                                        gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                                    ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                                        bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt
                                        disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n), bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt,
                                        indien en voor zolang de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>weigert mee te werken aan, door het college of een
                                                door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke
                                                voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld
                                                in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop
                                                gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de
                                                eigen passende arbeid te verrichten;</al></li><li nr="b."><al>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren
                                                en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in
                                                artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al></li><li nr="c."><al>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten,
                                                waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid,
                                                verplicht is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De doorbetaling van het salaris en de toegekende
                                        salaristoelage(n), als genoemd in het tweede lid, vindt wel
                                        plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke
                                        toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag,
                                        genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:14:10</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betaling aan anderen en nabetaling aan ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:15:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel
                                        bijzondere omstandigheden aanleiding geven bepalen, dat de
                                        op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 het niet
                                        uitbetaalde salaris en de toegekende salaristoelage(n),
                                        geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden
                                        uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                                        bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge
                                        de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde
                                        bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de
                                        ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform
                                        artikel 32, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het
                                        oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk
                                        gesteld wordt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Herplaatsing in passende arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt
                                        de ambtenaar opgedragen:</al><lijst><li nr="a."><al>door plaatsing in een andere functie voor tijdelijke
                                                duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging
                                                van de aanstelling;</al></li><li nr="b."><al>door plaatsing in een andere functie bij wijze van
                                                proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging
                                                van de aanstelling;</al></li><li nr="c."><al>bij een andere werkgever, door een tijdelijke
                                                detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een
                                                wijziging van de aanstelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in
                                        artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door
                                        definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing
                                        vindt plaats door wijziging van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar
                                        die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan
                                        35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na
                                        de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de
                                        ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige
                                        restverdiencapaciteit benut.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar
                                        die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of
                                        meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de
                                        periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld
                                        in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid
                                        50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid
                                        wordt onder een anderefunctie mede verstaan het verrichten
                                        van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                        maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de
                                        vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap
                                        voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de
                                        periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld
                                        in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                                        maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                        samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van
                                        minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct
                                        voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                        zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                        ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan
                                        worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd,
                                                bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA
                                                en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op
                                                grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                                vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                                        informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te
                                        stellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bezwaar tegen geneeskundig oordeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:16:9</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Terugkeer in functie na ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                                        zijn functie te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn
                                        functie slechts weer zal mogen vervullen, indien het college
                                        daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de
                                        mate waarin de hervatting kan geschieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede
                                        worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het
                                        UWV.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                                        vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar
                                        volledig verhinderd is geweest zijn functie te
                                        vervullen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkomsten uit of in verband met arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:18</nr></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in
                                    mindering brengen op de beloning van de ambtenaar, van inkomsten
                                    uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van diens
                                    reïntegratie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkomsten uit andere betrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:18:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het
                                        vervullen van zijn functie, op grond van een aan het college
                                        uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in
                                        het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel
                                        in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor
                                        zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit
                                        deze arbeid in mindering gebracht op het salaris en de
                                        toegekende salaristoelage(n) waar de ambtenaar recht op
                                        heeft krachtens artikel 7:3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                                        gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                                        toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden
                                        betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Samenloop met ZW-uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft
                                        op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in
                                        mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van
                                        artikel 7:3, recht heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in
                                        de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen
                                        te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                                        geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit
                                        artikel rekening gehouden met een volledige
                                        ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                        door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat,
                                        aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht
                                        op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd,
                                        en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor
                                        de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                        volledige ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                        medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten
                                        komen van de ZW-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop
                                        de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het
                                        meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop met een WW-uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:20</nr></kop><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan,
                                    recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die
                                    uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op
                                    grond van artikel 7:3, recht heeft.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop met uitkering op grond van de WIA</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                                        verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht
                                        heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt hfunctievan
                                        die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij
                                        op grond van artikel 7:3 recht heeft. Wanneer de ambtenaar
                                        recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering
                                        in verband met volledige, maar niet duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht
                                        op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of
                                        WGA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een
                                        IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer
                                        dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van het
                                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) uit de
                                        verschillende functies, in mindering gebracht op de
                                        dienstbetrekking op grond waarvan de betaling wordt gedaan.
                                    </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt
                                        binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit
                                        redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode
                                        dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt,
                                        voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                        IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                                        door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de
                                        ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een
                                        IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten,
                                        wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden
                                        met een IVA-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                                        handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering
                                        vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                        gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan
                                        worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel
                                        uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd
                                        genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke
                                        weigering van het bedrag plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                                        medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten
                                        komen van de WGA- of IVA-uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:22</nr></kop><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de
                                    ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in
                                    artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op
                                    grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                                    ABP.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ziektewet als bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:22:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Wajong/WAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:23</nr></kop><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid
                                    recht heeft op een WAJONG-of WAZ-uitkering, worden deze
                                    uitkeringen voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld
                                    met een uitkering op grond van de WIA.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:23:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>Ziektekosten</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Zorgverzekering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:24</nr></kop><al>De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren,
                                    postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een
                                    overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de
                                    Zorgverzekeringswet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:24a, 7:25 en 7:25a</nr><titel/></kop><al/></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op
                                        31 december 2000 recht heeft op salarisbetaling of uitkering
                                        op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze
                                        datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk,
                                        zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het
                                        moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot
                                        de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een
                                        uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                                        hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te
                                        betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering
                                        krachtens de Ziektewet wordt toegekend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Garantie-uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6,
                                        tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003,
                                        heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate
                                        van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                                        vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem
                                        geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een
                                        zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen
                                        restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid
                                        wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde
                                        arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten
                                        en bekwaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van
                                        aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18
                                        maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden
                                        70% van het salaris en de toegekende salaristoelage(n) die
                                        de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke functie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen
                                        de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking
                                        waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het
                                        recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen,
                                        herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met
                                        arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de
                                        arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                                        vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te
                                        maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid,
                                        indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien
                                        hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat
                                        gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd
                                        met het bedrag van de verzuimde, of de verloren gegane
                                        inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De garantie-uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de
                                                leeftijd van 65 jaar bereikt;</al></li><li nr="b."><al>bij ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsartikel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn
                                        de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18,
                                        7:21 en 7:22 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 , 7:18, 7:21
                                        en 7:22, zoals die golden op 31 december 2005, van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en
                                        die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering,
                                        zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21
                                        niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de
                                        artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die
                                        golden op 31 december 2005, van toepassing, waarbij de
                                        verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3,
                                        eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar
                                        artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari
                                        2006.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van
                                        wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel
                                        7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de
                                        ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf
                                        1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid
                                        berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste
                                        tot en met het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is
                                        artikel 7:18:1 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel
                                        7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005, van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is
                                        artikel 7:16 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007 is
                                        artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:28b</nr></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid,
                                    bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is
                                    artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november
                                    2008.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>8</nr><titel>ONTSLAG</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Ontslag op verzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                                    indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen
                                    wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                                    ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan
                                    drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is
                                    ingekomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                                    eerste lid worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                                    aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te
                                    brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een
                                    beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat
                                    de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de
                                    disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde
                                leeftijd</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag
                                    waarop hij de AOWgerechtigde leeftijd bereikt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                                    hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid
                                    afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:2a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na
                                    het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in dienst is
                                    getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of
                                    arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, derde lid, wordt
                                    beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht.
                                    Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 geldt in geval van ziekte een
                                    opzegtermijn van 13 weken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens reorganisatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing
                                    van zijn functie of wegens verandering in de inrichting van het
                                    dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere
                                    dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan
                                    arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen
                                    uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld
                                    plan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:3:1</nr></kop><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg
                                gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna
                                wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een WGA-uitkering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                                            bestaat op een IVA-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                                    indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 24
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake
                                    is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat
                                    van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een
                                    mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een
                                    ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld.
                                    Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de
                                    eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                    recente WIA-beschikking zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                    zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling
                                    van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan
                                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet
                                    in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                                    24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte
                                    samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en
                                    aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit
                                    geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit
                                    dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                                    verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder
                                    ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                                    plaatsvinden indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van
                                            zijn functie wegens ziekte gedurende een periode van 36
                                            maanden:</al></li><li nr="b."><al>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                                            ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid
                                            op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake
                                    is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat
                                    van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van
                                    een mogelijke herbeoordeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                                    sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op
                                    grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de
                                    33e maand na de eerste ziektedag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest
                                    recente WIA-beschikking zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het
                                    vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen
                                    overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel
                                    van UWV betrekken</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge
                                    van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                                    bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                                    bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking
                                    genomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van
                                    ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met
                                    een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien
                                    zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                                    zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de
                                    ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan
                                    worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid,
                                    onderdeel a, wordt verlengd:</al><lijst><li nr="a."><al>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld
                                            in artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al></li><li nr="b."><al>met de duur van het tijdvak, dat het
                                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond
                                            van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft
                                            vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende
                                    arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid,
                                    aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van
                                    ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het
                                    bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende
                                    en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:5a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn
                                    functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden
                                    indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</al><lijst><li nr="a."><al>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en
                                            mee te werken aan door het college of een door hem
                                            aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in
                                            staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                                            verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al></li><li nr="b."><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te
                                            verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid
                                            stelt;</al></li><li nr="c."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;</al></li><li nr="d."><al>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                    het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend
                                    advies van het UWV in.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                                    onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag
                                    op grond van dit artikel wordt eervol verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overige ontslaggronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7</nr></kop><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij
                                        aanvaarding van de betrekking geldt;</al></li><li nr="b."><al>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in
                                        de betrekking zou uitsluiten;</al></li><li nr="c."><al>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="d."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="e."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf
                                        wegens misdrijf;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen
                                        verwijt kan worden gemaakt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:7:1</nr></kop><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een
                                ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het
                                ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop
                                de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen
                                    op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de
                                    gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:8:1</nr></kop><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge
                                artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het
                                ontslagbesluit vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:9</nr></kop><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie
                                in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen
                                tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt indien
                                hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van
                                het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol
                                ontslag verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens Pré-VUT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:10 en 8:10:1</nr><titel/></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag wegens FPU</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:11 en 8:11:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                                    van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het
                                    dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een
                                    aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht
                                    voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                                    aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van
                                    rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.
                                    Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, de
                                    urenuitbreiding feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw
                                    een urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke
                                    urenuitbreiding geacht voor dezelfde tijd te zijn
                                    aangegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                                    kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de
                                    aanstelling leidde is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is
                                    aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft,
                                    ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de
                                    urenuitbreiding leidde, is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan
                                    niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel
                                    2:4 zijn overschreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                                    een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels
                                    stellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan
                                    ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd
                                    in dit hoofdstuk.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:12:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde
                                    lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><lijst><li nr="a."><al>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft
                                            geduurd;</al></li><li nr="b."><al>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch
                                            korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;</al></li><li nr="c."><al>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                                            respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de
                                            opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft
                                            geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn
                                    mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van
                                    de bezoldiging.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslag als disciplinaire straf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:13</nr></kop><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag
                                verleend worden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                vakorganisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Wet op de ondernemingsraden;</al></li><li nr="b."><al>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in
                                            de wet;</al></li><li nr="c."><al>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede
                                            lid, van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</al><lijst><li nr="a."><al>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een
                                            kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de
                                            wet;</al></li><li nr="b."><al>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="c."><al>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in
                                            artikel 15 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een ondernemingsraad;</al></li><li nr="e."><al>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid
                                            is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van
                                            de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het
                                    feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als
                                    bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                                    aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of
                                    vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                                    centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de
                                    organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                                    doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de
                                    daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede en derde lid kan ontslag op grond
                                    van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk
                                    in het ontslag toestemt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                                    heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige
                                    toepassing op die secretaris.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schorsing als ordemaatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar
                                    door het college worden geschorst:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met
                                            onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van
                                            de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen
                                            van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                            uitvoer gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                                            misdrijf wordt ingesteld;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door
                                            het belang van de dienst.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                                            ingaat;</al></li><li nr="b."><al>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid
                                            bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de
                                            schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</al></li><li nr="c."><al>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van
                                            de schorsing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    b of c , kunnen het salaris en toegekende salaristoelage(n) voor
                                    een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn
                                    van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren
                                    bedrag, ook tot het volle bedrag, plaatsvinden, behoudens het
                                    bepaalde in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder
                                    a , kan tot de in de strafaanzegging of -oplegging genoemde
                                    datum van ingang van het ontslag de doorbetaling geheel of
                                    gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het
                                    derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de
                                    uitkering van de doorbetaling geheel gestaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het betaalbare gedeelte van het salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n) kan aan anderen dan de ambtenaar worden
                                    uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar
                                    in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op
                                    hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien de
                                    schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf
                                    wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden
                                    alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde salaris en
                                    toegekende salaristoelage(n) wordt alsnog uitbetaald, indien op
                                    de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk
                                    ontslag niet volgt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bevoegdheid tot ontslagverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:15:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                                    tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar
                                    vervuld</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                                    gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag
                                    dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                                    onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop
                                    het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                                    vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opzegtermijnen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16:2</nr><titel/></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:16a</nr><titel/></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen arbeidsduur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:17</nr></kop><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week
                                gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke
                                uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk
                                ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van
                                wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                                    de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de
                                    artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari 2004, maar
                                    die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn
                                    de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                                    8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006, van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in artikel
                                    8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5 niet van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5,
                                    zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:20</nr></kop><al>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in
                                artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of
                                artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel/></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9a</nr><titel>AMBTENAREN DIE VANAF 1 JANUARI 2006 IN DIENST ZIJN GETREDEN OP EEN
                            BEZWARENDE FUNCTIE</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari
                                2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31
                                december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van
                                artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Definities</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:2</nr></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting
                                        door het frequent draaien van piket of het werken in
                                        roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende
                                        werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans
                                        op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van
                                        de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in
                                        het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende
                                        functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in
                                        het loopbaanplan.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Medische keuring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Het loopbaanplan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende
                                    functie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                                    ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in
                                    de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of
                                    buiten de gemeentelijke dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de
                                    volgende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                                    loopbaanplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en
                                    de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door
                                    de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen
                                    activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te
                                    hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te
                                    beginnen.Het loopbaanplan omvat in ieder geval die
                                    opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de
                                    brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau.
                                    Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te
                                    verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het
                                    loopbaanplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                                    opgesteld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                                    geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de
                                    belangen van het college als met de belangen van de
                                    ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking
                                    tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het
                                    college die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte
                                    afspraken uit te voeren.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                                    loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het
                                    college vergoed.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de
                                    activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al></li><li nr="b."><al>het beroep of de richting die als tweede loopbaan
                                            gekozen wordt;</al></li><li nr="c."><al>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                                            activiteit plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de te maken kosten;</al></li><li nr="e."><al>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit
                                            of de te volgen scholing;</al></li><li nr="f."><al>de te maken voortgang binnen de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="g."><al>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                                            scholing;</al></li><li nr="h."><al>de planning van vervolgafspraken;</al></li><li nr="i."><al>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of
                                            te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of
                                            gestopt;</al></li><li nr="j."><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor
                                            een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Terugbetaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:6</nr></kop><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten
                                die het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met
                                de activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn
                                vergoed, terug te betalen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan
                                    binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door aanpassing van de aanstelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt
                                    plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende
                                    functie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Disciplinaire straf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                                    loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                                    bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet
                                    begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel
                                    8:13 disciplinair ontslag verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gevolgen niet starten tweede loopbaan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam
                                    wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het
                                            college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet
                                            nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het
                                            college en de ambtenaar daar gezamenlijk toe
                                            besluiten.</al></li></lijst><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de
                                    bezwarende functie door te werken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan
                                    begonnen wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                                    medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken,
                                    geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de
                                    bezwarende functie door te werken, ontvangt een
                                    overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het
                                    aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam
                                    is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                                    overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de
                                    overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                                    vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                                    maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het
                                    salaris.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering
                                    gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                                    hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel
                                    7:3.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Garantiesalaris en afbouw toelagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9a:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                                            b,</al></li><li nr="b."><al>de vakantieuitkering,</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering,</al></li><li nr="d."><al>de functioneringstoelage,</al></li><li nr="e."><al>de waarnemingstoelage en</al></li><li nr="f."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                                            toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar
                                            zijn toegekend,</al></li></lijst><al>berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het begin van de tweede loopbaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van de
                                    feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                                    3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de
                                    feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel
                                    3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of verlaging
                                    van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in
                                    artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c bij uitruil in het kader
                                    van de uitwisseling van arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk
                                    4a niet door in de oude bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede
                                    loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het
                                    negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het
                                    oude salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke
                                    salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                                    overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                    bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                    vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                    garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude
                                    bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke
                                    salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                                    overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                                    organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen
                                    verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een
                                    aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het
                                    verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en eventuele
                                    toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De
                                    afbouwtoelage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste jaar 100%;</al></li><li nr="b."><al>het tweede jaar 75%;</al></li><li nr="c."><al>het derde jaar 50%;</al></li><li nr="d."><al>het vierde jaar 25%.</al></li></lijst><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de
                                    generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                    sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                                    bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en
                                    vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de
                                    garantietoelage en de afbouwtoelage de oude bezoldiging
                                    overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                                    generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                    sector wordt overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de
                                    organisatie van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte
                                    van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging en het
                                    nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en
                                    vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele
                                    toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat
                                    voor de ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9b</nr><titel>OVERGANGSRECHT AMBTENAREN IN EEN FUNCTIE DIE OP 31 DECEMBER 2005
                            RECHT GAF OP FUNCTIONEEL LEEFTIJDSONTSLAG</titel></kop><afdeling><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 2005 werkzaam was bij een
                                                gemeentelijk beroepsbrandweerkorps of bij een
                                                gemeentelijke ambulancedienst; en</al></li><li nr="b."><al>op 31 december 2005 een betrekking vervulde,
                                                waarvoor door het college krachtens artikel 8:3,
                                                zoals dat luidde op 31 december 2005,
                                                leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al></li><li nr="c."><al>sinds 31 december 2005 onafgebroken de betrekking
                                                heeft vervuld, op grond waarvan krachtens artikel
                                                8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag
                                                werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of
                                                ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de
                                        ambtenaar die</al><lijst><li nr="a."><al>overstapt naar een andere functie bij dezelfde
                                                gemeente of ambulancedienst, of</al></li><li nr="b."><al>overstapt naar een andere gemeentelijk
                                                beroepsbrandweerkorps, dan wel naar een andere
                                                gemeentelijke ambulancedienst</al></li></lijst><al>tenzij bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar
                                        andere afspraken zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt
                                        dat de functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een
                                        bezwarende functie is, op grond waarvan krachtens artikel
                                        8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd
                                        verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in
                                    een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                                    mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                                    levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en
                                    9e:9 niet in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                    werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:2</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bezoldiging: de optelsom van</al><lijst><li nr="i."><al>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede
                                                  lid, onderdeel b,</al></li><li nr="ii."><al>de vakantieuitkering;</al></li><li nr="iii."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="iv."><al>de functioneringstoelage;</al></li><li nr="v."><al> waarnemingstoelage en</al></li><li nr="vi."><al>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde
                                                  andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan
                                                  de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van
                                                  de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en
                                                  9e:9, berekend over een periode van 12 maanden
                                                  onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die
                                                  voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4,
                                                  artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel
                                                  9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De
                                                  bezoldiging wordt, met uitzondering van de
                                                  bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na
                                                  deze datum geïndexeerd met de generieke
                                                  salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke
                                                  sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname
                                                  door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid
                                                  tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling
                                                  van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede
                                                  lid, onderdeel c, werkt die wijziging door in de
                                                  bezoldiging.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>bezwarende functie: een betrekking met een hoge
                                            belasting door het frequent draaien van piket of het
                                            werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit
                                            voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg
                                            een verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al></li><li nr="c."><al>dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst
                                            van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren
                                            werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                            stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat
                                            moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de
                                            jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits het om
                                            jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de
                                            uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd een
                                            aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over
                                            het aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de
                                            ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als
                                            vrijwilliger is ingezet;</al></li><li nr="d."><al>dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam
                                            bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam
                                            bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                                            ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren
                                            werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het
                                            stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat
                                            moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;</al></li><li nr="e."><al>niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder
                                            de definitie van onderdeel b;</al></li><li nr="f."><al>tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie
                                            van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente
                                            die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de
                                            bezwarende functie;</al></li><li nr="g."><al>onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele
                                            arbeidsduur per week, zonder behoud van
                                            bezoldiging.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><titel/></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:3</nr></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is
                                    na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in
                                    een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                    verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                                    2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9niet in aanmerking
                                    kwam voor een WIA/WAO uitkering en die werkgeversbijdragen
                                    levensloop heeft ontvangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van
                                        de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55
                                        jaar bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen
                                        doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende
                                        bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de
                                        ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in
                                        plaats van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor
                                        bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden:</al><lijst><li nr="a."><al>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt
                                                wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor
                                                de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar
                                                voorafgaande aan toekenning van de bonus;</al></li><li nr="b."><al>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur
                                                werken, tegen doorbetaling van 90% van de voor de
                                                ambtenaar geldende bezoldiging;</al></li><li nr="c."><al>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij
                                                een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de
                                                ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar
                                                voorafgaande aan toekenning van de bonus.</al></li></lijst><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen
                                        noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor
                                        ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel b: 60% van
                                        een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95%
                                        van de daarbij behorende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste
                                        lid bedoelde datum het college door middel van een verzoek
                                        bekend naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum,
                                        bedoeld in het eerste lid zoveel later in als het college op
                                        31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                                        op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een hogere
                                        leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde
                                        onder a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende
                                        functie door te werken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        met inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid
                                        gestelde keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met
                                        een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                        bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                                        met inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk
                                        zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                        verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor
                                        zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot
                                        het moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien,
                                        met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste
                                        lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                        resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid.
                                        Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel
                                        volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij
                                        minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede
                                        lid is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1
                                        januari 2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in
                                        de eerste zin van het eerste lid van dit artikel, en direct
                                        daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan
                                        salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende
                                        die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die
                                        in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik maakt van
                                        de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato.
                                        Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand
                                        december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal
                                        beleid al een vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het
                                        deel van het totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht
                                        bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de reeds ontvangen
                                        vergoeding.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:5</nr></kop><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                                    en c wordt geen pensioen opgebouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:6</nr></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                                    vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de
                                    ambtenaar werkt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:7</nr></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste
                                    volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en
                                    3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3
                                    niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:8</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:9</nr></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig
                                    buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van
                                    de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                    berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                    9b:4</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                        9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat
                                        genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                        genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4
                                        van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                                        bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is
                                        gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de
                                        doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten
                                        bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
                                        hand genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4
                                        van kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het
                                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit
                                        arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten
                                        aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg
                                        zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                        aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband
                                        houdende met de toepassing van artikel 9b:4.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                        verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                        gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                        aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                        vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                        ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht
                                        daarvan de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid
                                        niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de
                                        door te betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                        gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet
                                        dan wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid,
                                        onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand
                                        volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar
                                        bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd
                                        volledig verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de
                                        eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de
                                        leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op
                                        31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                        periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik
                                        heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                                        ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                                        vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een
                                        jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet
                                        het college uiterlijk één jaar voor de beoogde ingangsdatum
                                        daartoe verzoeken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>Premieverdeling</nr><titel>bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                        bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie
                                        jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies
                                        en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het
                                        bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar
                                        zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                        bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee
                                        jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies
                                        en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het
                                        bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar
                                        zijn verschuldigd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:13</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:14</nr></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                    plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:15</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:16</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:17</nr></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:18</nr></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, telt niet mee voor de berekening van de
                                    ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van
                                    50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                    meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                        jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                        respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                        lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de
                                        datum van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat
                                        toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                        55 jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn
                                        betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de
                                        datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van
                                        artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet
                                        meer mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op
                                        grond van zijn medische geschiktheid nog wel mogelijk is,
                                        met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste
                                        lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                        resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid.
                                        Op hem blijft artikel 9b:11 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                                    ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van hoofdstuk 7 binnen de
                                        organisatie van de gemeente definitief herplaatst wordt,
                                        heeft recht op een garantietoelage ter hoogte van het
                                        negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe
                                        totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt
                                        de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die
                                        de ambtenaar in verband met zijn arbeidsongeschiktheid
                                        ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op grond van hoofdstuk 7 definitief
                                        herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen
                                        buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en
                                        de ambtenaar afspraken over een financiële regeling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:21</nr></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan
                                    het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                    dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld, is de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van
                                    toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                                    dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                                    functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat
                                        hij daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de
                                        leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen
                                        gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd
                                        van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde
                                        pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend is over de
                                        dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                        dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon
                                        uit enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de
                                        ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet
                                        in ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                        ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53
                                        jaar uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met
                                        inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid
                                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment
                                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt
                                        toegepast die hoort bij de leeftijd op het moment van
                                        uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend tot het
                                        moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                        tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1
                                        van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                        tot de bezoldiging.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na
                                    1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is
                                        afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                        tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="17*"/><colspec colname="col6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd</al></entry><entry colname="col2"><al>factor</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0.279</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0.434</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0.677</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0.287</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0.447</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0.697</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0.296</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0.461</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0.718</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0.305</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0.475</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0.739</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0.314</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0.489</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0.762</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0.323</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0.504</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0.785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0.333</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0.519</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0.808</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0.343</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0.534</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0.832</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0.353</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0.550</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0.857</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0.364</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0.567</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0.883</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0.375</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0.584</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0.909</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0.386</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0.601</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0.937</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0.398</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0.619</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0.965</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0.409</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0.638</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>1.994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0.422</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0.657</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1.024</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden
                                        gewijzigd, stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke
                                        factoren vast.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:22b</nr></kop><al>In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de
                                    ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                            beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt
                                            ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van
                                            toepassing blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                    uittreden.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in een
                                bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst mogelijke
                                moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen </titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:23</nr></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is
                                    na 1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had
                                    in een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment
                                    van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in
                                    december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 niet in
                                    aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die
                                    werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                                    loopbaan gestart wordt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:24</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar,
                                        onder toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie
                                        werkzaam tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en
                                        de ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover
                                        andere afspraken maken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20
                                    dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:25</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op
                                        de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt
                                        hoofdstuk 9a van toepassing, met inachtneming van de
                                        volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                                        loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de
                                        organisatie van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een
                                        procedure voor erkenning verworven competenties zijn
                                        competenties laten erkennen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede
                                        loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de
                                        kosten, voor zover redelijk, van een extern
                                        loopbaanadvies.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een
                                        andere functie aanvaardt binnen de organisatie van de
                                        gemeente, ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste
                                        tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte van
                                        het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de
                                        nieuwe bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het
                                        loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer
                                        de ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de
                                        organisatie van de gemeente een functie aanvaardt met een
                                        lager totaalinkomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand
                                        volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar
                                        bereikt 50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur
                                        werken tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar
                                        geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van
                                        vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan
                                        aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief 60%
                                        van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van
                                        95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                        bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college
                                        op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                        hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze,
                                        bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door
                                        te werken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                        bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door
                                        te werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43,
                                        eerste lid, van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        met inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid
                                        bedoelde moment later laten ingaan, telkens met een periode
                                        van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                                        met inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk
                                        zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                                        verzoeken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:27</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                    vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:27a</nr></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn
                                    de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8,
                                    artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voorde ambtenaar
                                    geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
                                    in een bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:28</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren
                                        heeft, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
                                        maand waarin hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig
                                        buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een
                                        bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende
                                        bezoldiging. De leeftijd en het percentage zijn afhankelijk
                                        van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006. De leeftijd
                                        waaraan de ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof
                                        is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment wordt
                                        betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75%</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78%</al></li><li nr="c."><al>15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                                        bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college
                                        op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                        hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                                        periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik
                                        heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                        ingegaan.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:29</nr></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar
                                    pensioen op over de volledige bezoldiging.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                    9b:28</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:30</nr></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig
                                    buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78%
                                    of 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen
                                    voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet
                                    mee.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    9b:28</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:31</nr></kop><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28,
                                    vindt opbouw van vakantieuren plaats naar rato van het aantal
                                    uren dat de ambtenaar werkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:32</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:33</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                                    artikel 9b:28</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:34</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                        9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit
                                        of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met
                                        ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26 van kracht is
                                        geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een
                                        vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het
                                        bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging
                                        samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
                                        hand genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26
                                        van kracht is geworden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het
                                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit
                                        arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten
                                        aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg
                                        zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                        aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband
                                        houdende met de toepassing van artikel 9b:26.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                        verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                        gratificatie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                        aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                        vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                        ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht
                                        daarvan de bewijzen te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid
                                        niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de
                                        door te betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949
                                    met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een
                                    bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:35</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend
                                        op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar
                                        bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd
                                        volledig verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de
                                        eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
                                        medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                        dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                        een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                                        periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik
                                        heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                        ingegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        voor wie het college op 31 december 2005 op grond van
                                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                        bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                        of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten
                                        ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                        bezwarende functie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet
                                        het college uiterlijk één jaar voor de beoogde ingangsdatum
                                        daartoe verzoeken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Premieverdeling bij persioenopbouw tijdens onbezoldigd
                                    volledig verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:36</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                        bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie
                                        jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies
                                        en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het
                                        bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar
                                        zijn verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                        bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee
                                        jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies
                                        en premie voor de voorwaardelijke inkoop gelijk aan het
                                        bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar
                                        zijn verschuldigd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:37</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:38</nr></kop><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                    plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:39</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:40</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:41</nr></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het
                                    onbezoldigd volledig verlof.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                                    verlof</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:42</nr></kop><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                    artikel 9b:35, telt niet mee voor de berekening van de
                                    ambtsjubileumgratificatie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                    arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de
                                    ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                                    januari 2006 in een bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:43</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                        bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende
                                        functie door te werken, wordt beter gemeld op de datum,
                                        bedoeld in artikel 9b:28.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd
                                        van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                        respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                        lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                        datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van
                                        toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:44</nr></kop><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan
                                    het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                    dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                                    vastgesteld, is de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van
                                    toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                                    1 januari 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat
                                        hij daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20
                                        bezwarende dienstjaren heeft op het moment van storting, op
                                        de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen
                                        gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de
                                        leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd
                                        van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde
                                        pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend is over de
                                        dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend
                                        dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon
                                        uit enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de
                                        ambtenaar wat het loon is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen
                                        20 dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd
                                        in het eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het
                                        aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van
                                        53 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in
                                        de bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de
                                        leeftijd van 59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer
                                        eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra
                                        Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de
                                        deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de
                                        leeftijdsafhankelijke factor, die hoort bij de leeftijd op
                                        het moment van het recht op uitbetaling. De leeftijd van 59
                                        jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op
                                        31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was
                                        verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet
                                        in ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar
                                        overgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53
                                        jaar uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met
                                        inachtneming van het vierde lid, het in het eerste lid
                                        genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid
                                        genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment
                                        van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt
                                        toegepast die hoort bij de leeftijd op het moment van
                                        uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend tot het
                                        moment van uittreden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                        tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1
                                        van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                                        ABP.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet
                                        tot de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan
                                        werken, als bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het
                                        aantal dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaren na 59
                                        jaar.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig
                                        verlof, bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het
                                        aantal dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaar na 59
                                        jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een
                                        functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een
                                        FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een
                                        indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college
                                        bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment
                                        voor deze indicatie. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren met
                                    minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke
                                        factor is afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële
                                        tarieven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:</al><al/><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colwidth="18*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="18*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="18*"/><colspec colname="col6" colwidth="16*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col2"><al>factor</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col4"><al>factor</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd</al></entry><entry colname="col6"><al>factor</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>0,279</al></entry><entry colname="col3"><al>33</al></entry><entry colname="col4"><al>0,434</al></entry><entry colname="col5"><al>48</al></entry><entry colname="col6"><al>0,677</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>0,287</al></entry><entry colname="col3"><al>34</al></entry><entry colname="col4"><al>0,447</al></entry><entry colname="col5"><al>49</al></entry><entry colname="col6"><al>0,697</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>0,296</al></entry><entry colname="col3"><al>35</al></entry><entry colname="col4"><al>0,461</al></entry><entry colname="col5"><al>50</al></entry><entry colname="col6"><al>0,718</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>0,305</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>0,475</al></entry><entry colname="col5"><al>51</al></entry><entry colname="col6"><al>0,739</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>0,314</al></entry><entry colname="col3"><al>37</al></entry><entry colname="col4"><al>0,489</al></entry><entry colname="col5"><al>52</al></entry><entry colname="col6"><al>0,762</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>0,323</al></entry><entry colname="col3"><al>38</al></entry><entry colname="col4"><al>0,504</al></entry><entry colname="col5"><al>53</al></entry><entry colname="col6"><al>0,785</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>0,333</al></entry><entry colname="col3"><al>39</al></entry><entry colname="col4"><al>0,519</al></entry><entry colname="col5"><al>54</al></entry><entry colname="col6"><al>0,808</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>0,343</al></entry><entry colname="col3"><al>40</al></entry><entry colname="col4"><al>0,534</al></entry><entry colname="col5"><al>55</al></entry><entry colname="col6"><al>0,832</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>0,353</al></entry><entry colname="col3"><al>41</al></entry><entry colname="col4"><al>0,550</al></entry><entry colname="col5"><al>56</al></entry><entry colname="col6"><al>0,857</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>0,364</al></entry><entry colname="col3"><al>42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,567</al></entry><entry colname="col5"><al>57</al></entry><entry colname="col6"><al>0,883</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>0,375</al></entry><entry colname="col3"><al>43</al></entry><entry colname="col4"><al>0,584</al></entry><entry colname="col5"><al>58</al></entry><entry colname="col6"><al>0,909</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>0,386</al></entry><entry colname="col3"><al>44</al></entry><entry colname="col4"><al>0,601</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry><entry colname="col6"><al>0,937</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>0,398</al></entry><entry colname="col3"><al>45</al></entry><entry colname="col4"><al>0,619</al></entry><entry colname="col5"><al>60</al></entry><entry colname="col6"><al>0,965</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>0,409</al></entry><entry colname="col3"><al>46</al></entry><entry colname="col4"><al>0,638</al></entry><entry colname="col5"><al>61</al></entry><entry colname="col6"><al>0,994</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>0,422</al></entry><entry colname="col3"><al>47</al></entry><entry colname="col4"><al>0,657</al></entry><entry colname="col5"><al>62</al></entry><entry colname="col6"><al>1,024</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden
                                        gewijzigd, stellen LOGA-partijen nieuwe
                                        leeftijdsafhankelijke factoren vast.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inkoop OP bij regionalisering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:45b</nr></kop><al>In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de
                                    ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                            beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt
                                            ontslagen en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van
                                            toepassing blijft,</al></li></lijst><al>geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van
                                    uittreden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>§ 4</nr><titel/></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>De ambtenaar in een niet bezwarende functie</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:50</nr></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet
                                    bezwarende functie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                                    januari 2006, in een niet bezwarende functie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:51</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006
                                        20 dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij
                                        de niet bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het
                                        college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                                        december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                                        levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende
                                        jaarsalaris over het jaar dat de functie werd bekleed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar,
                                        die direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                        inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het
                                        pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:52, 9b:52a en 9b:53</nr></kop><lid><lidnr>(vervallen)</lidnr><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer in
                                    een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                                    mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                                    levensloop - in december 2006 - als bedoeld in artikel 9e:8 en
                                    9e:9 in aanmerking kwam voor een WIA/WAO uitkering en die geen
                                    werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen. </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:54</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is
                                    na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in
                                    een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment van
                                    verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop - in december
                                    2006 – als bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 in aanmerking kwam
                                    voor een WIA/WAO-uitkering en die geen werkgeversbijdragen
                                    levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:55</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:4 tot en met artikel 9b:10, artikel 9b:20,
                                    artikel 9b:22, artikel 9b:22a en artikel 9b:22b zijn van
                                    toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:56</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                                        gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet
                                        dan wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid,
                                        onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand
                                        volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar
                                        bereikt volledig buitengewoon verlof verleend voor een
                                        periode van 3 jaar, tegen doorbetaling van 70% van de voor
                                        de ambtenaar geldende bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig
                                        buitengewoon verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de
                                        eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de
                                        leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31
                                        december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op
                                        31 december 2005, voor de bezwarende functie een
                                        leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                        periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik
                                        heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                                        ingegaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat
                                        luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                                        vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig
                                        verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een
                                        jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch
                                        geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.
                                    </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet
                                        het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde
                                        ingangsdatum daartoe verzoeken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie
                                        voor aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft
                                        de ambtenaar bij uittreden recht op volledig buitengewoon
                                        verlof als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                        FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                        bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het
                                        overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zesde lid niet
                                        van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond
                                        van het eerste tot en met vijfde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:57</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:56
                                    </titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:56 zijn de artikelen
                                    3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en
                                    artikel 6:3 niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:58</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens periode van artikel
                                        9b:56</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:59</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                        9b:56</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:56 volledig
                                    buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 70% van
                                    de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de
                                    berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:60</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                        9b:56</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                        9b:56, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband
                                        met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na
                                        de datum waarop artikel 9b:56 van kracht is geworden, wordt
                                        op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
                                        waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen
                                        de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
                                        hand genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:56
                                        van kracht is geworden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het
                                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit
                                        arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten
                                        aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg
                                        zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                        aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband
                                        houdende met de toepassing van artikel 9b:56. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                        verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                        gratificatie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                        aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                        vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                        ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht
                                        daarvan de bewijzen te overleggen. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid
                                        niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de
                                        door te betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:61</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:56 vindt geen opbouw van vakantie-uren
                                    plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:62</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:55, leidt niet tot stopzetting van het
                                    volledig buitengewoon verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:63</nr><titel>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd
                                        van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                                        jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                        respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste
                                        lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de
                                        datum van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat
                                        toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:10 alsmede
                                        artikel 9b:56 tot en met 9b:62 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                                        55 jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn
                                        betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de
                                        datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van
                                        artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet
                                        meer mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op
                                        grond van zijn medische geschiktheid nog wel mogelijk is,
                                        met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste
                                        lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die
                                        resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:56, eerste lid.
                                        Op hem blijft artikel 9b:56 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:64</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de
                                    gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt
                                    ontslagen en op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van
                                    toepassing blijft, blijft deze paragraaf van toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7</nr><titel>De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren in
                                    een bezwarende functie op 1 januari 2006 en die op het eerst
                                    mogelijke moment van verstrekking van de werkgeversbijdrage
                                    levensloop – in december 2006 - in aanmerking kwam voor een
                                    WAO/WIA uitkering en die geen werkgeversbijdragen levensloop
                                    heeft ontvangen. </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:65</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is
                                    na 1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had
                                    in een bezwarende functie en die op het eerst mogelijke moment
                                    van verstrekking van de werkgeversbijdrage levensloop – in
                                    december 2006 - in aanmerking kwam voor een WAO/WIA uitkering en
                                    die geen werkgeversbijdragen levensloop heeft ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:66</nr><titel>Analoge toepassing</titel></kop><al>De artikelen 9b:24 tot en met artikel 9b:34, artikel 9b:45,
                                    artikel 9b:45a en artikel 9b:45b zijn van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:67</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend
                                        op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar
                                        bereikt volledig buitengewoon verlof verleend voor een
                                        periode van 3 jaar tegen doorbetaling van 70% van zijn
                                        bezoldiging. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer op het moment bedoeld in het eerste lid nog geen 20
                                        dienstjaren zijn bereikt, dan wordt het buitengewoon
                                        volledig verlof als bedoeld in het eerste lid verleend naar
                                        rato van het aantal dienstjaren, dat op dat moment is
                                        bereikt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, gaat het volledig
                                        buitengewoon verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de
                                        eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
                                        medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het
                                        college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals
                                        dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende functie
                                        een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het volledig buitengewoon verlof wordt uitgesteld met die
                                        periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik
                                        heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                                        ingegaan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                                        voor wie het college op 31 december 2005 op grond van
                                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                                        bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59
                                        of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten
                                        ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de
                                        ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                                        bezwarende functie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet
                                        het college uiterlijk zes kalendermaanden jaar voor de
                                        beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar uittreedt uit een bezwarende functie
                                        voor aanvang van het volledig buitengewoon verlof dan heeft
                                        de ambtenaar bij uittreden recht op buitengewoon verlof als
                                        bedoeld in het eerste lid naar rato van aantal dienstjaren
                                        op dat moment met een maximum van 20 dienstjaren. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                        FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als
                                        bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het
                                        overgangsrecht voortgezet wordt, dan is het zevende lid niet
                                        van toepassing en behoudt de ambtenaar de rechten op grond
                                        van het eerste tot en met zesde lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:68</nr><titel>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                                        vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:67
                                    </titel></kop><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:67 zijn de artikelen
                                    3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en
                                    artikel 6:3 niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:69</nr><titel>Premie IZA-verzekering tijdens de periode van artikel
                                        9b:67</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:70</nr><titel>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                                        9b:67</titel></kop><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:62
                                    gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof is verleend, tegen
                                    doorbetaling van 70% van de voor de ambtenaar geldende
                                    bezoldiging, tellen voor de berekening van de
                                    ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:71</nr><titel>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                                        9b:67</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                                        9b:67 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband
                                        met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na
                                        de datum waarop artikel 9b:67 van kracht is geworden, wordt
                                        op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering
                                        toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
                                        waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen
                                        de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter
                                        hand genomen gedurende verlof, vakantie of nonactiviteit,
                                        onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:67
                                        van kracht is geworden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het
                                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit
                                        arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten
                                        aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde
                                        in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg
                                        zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                                        aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                        verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband
                                        houdende met de toepassing van artikel 9b:67. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                                        verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als
                                        gratificatie. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                                        aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het
                                        vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij
                                        ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht
                                        daarvan de bewijzen te overleggen. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid
                                        niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de
                                        door te betalen bezoldiging toe te passen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:72</nr><titel>Vakantieopbouw tijdens volledig buitengewoon
                                        verlof</titel></kop><al>Gedurende de periode van het gedeeltelijk bezoldigd volledig
                                    verlof, bedoeld in artikel 9b:67 vindt geen opbouw van
                                    vakantie-uren plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:73</nr><titel>Ziekte tijdens volledig buitengewoon verlof</titel></kop><al>Ziekte tijdens de periode van het volledig buitengewoon verlof,
                                    bedoeld in artikel 9b:67, leidt niet tot stopzetting van het
                                    gedeeltelijk bezoldigd volledig verlof.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel9b:74</label><titel>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij
                                        arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                                        bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende
                                        functie door te werken, wordt beter gemeld op de datum,
                                        bedoeld in artikel 9b:28. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd
                                        van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4
                                        respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste
                                        lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als
                                        het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3,
                                        zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                                        functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                                        jaar. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                                        datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:34
                                        alsmede 9b:67 tot en met 9b:73 van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9b:75</nr><titel>Volledig buitengewoon verlof bij regionalisering</titel></kop><al>Voor de ambtenaar die wegens regionalisering van de
                                    gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt
                                    ontslagen en op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van
                                    toepassing blijft, blijft deze paragraaf van toepassing.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9c</nr><titel>TIJDELIJKE REGELING AMBTENAREN GEBOREN NA 1949 DIE WERKZAAM ZIJN IN
                            EEN BETREKKING BIJ HET GEMEENTELIJK STADSVERVOER, WAARVOOR DOOR HET
                            COLLEGE KRACHTENS ARTIKEL 8:3, ZOALS DAT LUIDDE OP 31 DECEMBER 2005,
                            LEEFTIJDSGRENZEN ZIJN BEPAALD</titel></kop><artikel><kop><nr/><titel/></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9d</nr><titel>TIJDELIJKE REGELING AMBTENAREN, WERKZAAM BIJ DE GEMEENTELIJKE
                            BEROEPSBRANDWEER EN EEN GEMEENTELIJKE AMBULANCEDIENST, GEBOREN NA 1949
                            OF DIE GEBOREN IS VOOR 1950, MAAR DIE OP 1 APRIL 1997 GEEN DEELNEMER WAS
                            BIJ HET ABP EN DIE OP 31 DECEMBER 2005 EN 1 JANUARI 2006 WERKZAAM WAREN
                            IN EEN FUNCTIE, WAARVOOR DOOR HET COLLEGE KRACHTENS ARTIKEL 8:3, ZOALS
                            DAT LUIDDE OP 31 DECEMBER 2005, LEEFTIJDSGRENZEN ZIJN BEPAALD</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                            gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die
                            geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997
                            geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari
                            2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens
                            artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31
                                december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of
                                daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof
                                verleend met behoud van de volledige bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar
                                FLO-ontslag zou zijn verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk
                                totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:3</nr></kop><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                            buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige
                            bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van
                            hoofdstuk 9b gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9d:4</nr></kop><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden
                            op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>9e</nr><titel>DE GEMEENTELIJKE LEVENSLOOPREGELING FLO-OVERGANGSRECHT</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2
                                of 3 van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing
                                is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht: een
                                            regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                                            loonbelasting 1964;</al></li><li nr="b."><al>instelling: een door de ambtenaar gekozen
                                            kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel
                                            19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al></li><li nr="c."><al>levenslooprekening: een bij de instelling door de
                                            ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de
                                            inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="d."><al>levensloopverzekering: een bij de instelling door de
                                            ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de
                                            ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="e."><al>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                                            onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;</al></li><li nr="f."><al>netto spaarverzekering: de bij Loyalis Levensloop
                                            Brandweer &amp; Ambulance afgesloten verzekering met als
                                            productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van
                                            de ambtenaar wordt gestort;</al></li><li nr="g."><al>netto spaarverzekeringstegoed: het tegoed op de netto
                                            spaarverzekering;</al></li><li nr="h."><al>Loyalis Levensloop Brandweer &amp; Ambulance: het
                                            product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het
                                            FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een
                                            levensloopverzekering en een netto
                                            spaarverzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar:</al><lijst><li nr="a."><al>moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                            Ambulance en,</al></li><li nr="b."><al>de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen
                                            om in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                            Ambulance op het moment dat de werkgever deze
                                            levensloopbijdrage verstrekt en,</al></li><li nr="c."><al>niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of
                                            60-jarige leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis
                                            Levensloop Brandweer &amp; Ambulance.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Doel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:3</nr></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                                voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van
                                een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar.
                                De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van
                                artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verzoek tot deelname levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke
                                    levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                                    derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan
                                    de eisen zoals genoemd in artikel 9e:5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden deelname levensloopregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                                    instelling waarbij de levenslooprekening of de
                                    levensloopverzekering wordt aangehouden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                                    levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen
                                    inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                                    ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt
                                    inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                                    levenslooptegoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan
                                    het college informatie verstrekt over de omvang van het
                                    levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                                    geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere
                                    inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking
                                    staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                                    gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als
                                    bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inleg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                                    gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste
                                    bedrag van de inleg per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                                    aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg
                                    wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7
                                    genoemde bronnen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bronnen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:7</nr></kop><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de
                                gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een
                                of meer van de volgende bronnen:</al><lijst><li nr="a."><al>het salaris</al></li><li nr="b."><al>de vakantietoelage;</al></li><li nr="c."><al>de eindejaarsuitkering;</al></li><li nr="d."><al>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en
                                        9e:9;</al></li><li nr="e."><al>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren
                                        als bedoeld in artikel 4a:1;</al></li><li nr="f."><al>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid
                                        3.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer
                                op 1 januari 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de
                                    datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                                    artikel 9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met
                                    210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij
                                    is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                                    tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20
                                dienstjaren op 1 januari 2006</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing
                                    is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57,
                                    58 of 59 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum,
                                    bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het
                                    bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed
                                    heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in
                                    artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De
                                    controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het
                                    bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig
                                    verlof. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor
                                    wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar
                                    zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van
                                    het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                                    tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of
                                    meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed
                                    de som van het levenslooptegoed en het netto
                                    spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen
                                    een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het
                                    onbezoldigd volledig verlof. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 59 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal
                                    jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd
                                    van 60 jaar.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie
                                    van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad
                                    volgt.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd
                                    nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de
                                    levensloopbijdrage in een tegoed naar rato van het aantal
                                    dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige
                                    leeftijd is bereikt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                                    inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld
                                    in artikel 9b:2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling
                                FLO-overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                                    uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe
                                    door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving
                                    moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht eindigt daarnaast:</al><lijst><li nr="a."><al>bij overlijden van de ambtenaar</al></li><li nr="b."><al>bij beëindiging van zijn bezwarende functie;</al></li><li nr="c."><al>op de dag voorafgaand aan die waarop de ambtenaar de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afkoop levensloopbijdrage</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9,
                                    tweede lid, wiens deelname aan de levensloopregeling
                                    FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede
                                    lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd
                                    volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid,
                                    of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde
                                    lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht
                                    eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat
                                    hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof
                                    bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede
                                    lid, heeft recht op een afkoopbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in
                                    het eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een
                                    tegoed heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het
                                    moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in
                                    het tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een
                                    tegoed heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het
                                    moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het
                                    levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn
                                    bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA
                                    overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige
                                    leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van
                                    ontslag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald,
                                    waarbij:</al><lijst><li nr="a."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de
                                            dag voorafgaand aan het moment van ontslag;</al></li><li nr="b."><al>er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante
                                            waardeberekening wordt gehanteerd;</al></li><li nr="c."><al>het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren,
                                            afgerond op hele maanden naar beneden, bij de
                                            oud-werkgever.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen,
                                    bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het
                                    pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                    artikel 3:1.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in
                                    artikel 9b:2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Levensloopbijdrage bij regionalisering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:11a</nr></kop><al>In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de
                                ambtenaar</al><lijst><li nr="-"><al>die wegens regionalisering van de gemeentelijke
                                        beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen
                                        en</al></li><li nr="-"><al>op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing
                                        blijft,</al></li></lijst><al>geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot
                                afkoop.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afkoop bij voortzetting overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:12</nr></kop><al>Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud
                                FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld
                                in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet
                                wordt, is de voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en
                                9e:9 dat de ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11
                                beschikbaar stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer &amp;
                                Ambulance.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opname levenslooptegoed</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9e:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens
                                            een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond
                                            van de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van
                                            onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en
                                            9b:35;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in
                                            een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het
                                            Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP,
                                            voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de
                                            loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
                                    ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum
                                    het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn)
                                    levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht
                                    in geval van beëindiging van het dienstverband.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed
                                    niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of
                                    feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten
                                    behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting
                                    2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij
                                    buitenlandse aanbieders.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10</nr><titel>WACHTGELD</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Betrokkene</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "betrokkene ":</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                                            artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit
                                            een betrekking:</al><lijst><li nr="1."><al>waarin hij vast was aangesteld; </al></li><li nr="2."><al>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die
                                                  aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en
                                                  niet is geschied in een betrekking van kennelijk
                                                  tijdelijke aard; </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                                            artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend,
                                            tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel
                                            8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                                    bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat
                                    het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze
                                    regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Lichamen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:2</nr></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "lichamen": </al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Diensttijd</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd':</al><al>de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag
                                    voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                                    ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd
                                    die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van
                                    de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling</al><al>beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de
                                    wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de
                                    zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft
                                    buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor
                                            de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                                            lid;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8,
                                            derde tot en met vijfde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                                    wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bezoldiging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze regeling wordt verstaan onder "bezoldiging":</al><al>de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze
                                    regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de
                                    betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage,
                                    bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                                    eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslagvoorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op
                                    die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van
                                    de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht
                                    op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat,
                                    tenzij de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen
                                            wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
                                            leeftijd;</al></li><li nr="b."><al>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al></li><li nr="c."><al>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                                            bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze regeling</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
                                    recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80%. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    het wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen,</al></li><li nr="b."><al>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na
                                    afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a,
                                    recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten
                                    van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de
                                    betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou
                                    hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld
                                    ingevolge artikel 10:8 van dit besluit.</al><al>Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de
                                    suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd.
                                    Het eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen
                                    vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend
                                    ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het
                                    eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van
                                    dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat
                                    gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                                    ingegaan.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur van het wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                                    waarop het ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten. minste 15 jaar;</al><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Perioden, waarin een betrokkene</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;</al></li></lijst><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met
                                    een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
                                    aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het
                                    tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                                    voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                    voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                                    perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
                                    kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid volledig, en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid, of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakantie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is
                                    het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind,</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                                    langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing
                                    de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is
                                    begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig
                                    de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                                    vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog
                                            niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
                                            diensttijd ;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur
                                            van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per
                                            leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al></li><li nr="c."><al>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een
                                            duur gelijk aan 78% van de diensttijd .</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                                    voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van
                                    wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
                                    en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de
                                    duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze
                                    regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld
                                    op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
                                    toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in
                                    aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur
                                    van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende
                                    uitkering, met uitzondering van de verlenging,bedoeld in het
                                    volgende lid, in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die
                                    ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
                                    pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien
                                    de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag
                                    60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover
                                    wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze
                                    bijzondere verlenging duurt tot de eerste dag van de
                                    kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in
                                    het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
                                    vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
                                    betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
                                    pensioen,van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
                                    blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
                                    verlenging, buiten aanmerking.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervolgwachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene , die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                                    artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die:</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7,
                                            eerste lid, heeft bereikt en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7,
                                            tweede lid , onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de wachtgeldduur, heeft recht op een
                                            vervolgwachtgeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                                    vervolgwachtgeld een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de
                                    dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede
                                    lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet
                                    aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid,
                                    onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                                    vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een
                                    tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn
                                    wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend
                                    ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het
                                    tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                                    datum.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van
                                    artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                                    voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of
                                    b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het
                                    toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn
                                    beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het
                                    wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het
                                    vervolgwachtgeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bedrag van het wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende
                                    negen maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die
                                    bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984
                                    (stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige
                                    volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het
                                    wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen
                                    waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de
                                    betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op
                                    de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de
                                    diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de
                                    berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het
                                    pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is
                                    toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld
                                    tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid,
                                    gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                                    lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die
                                    verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de
                                    bezoldiging.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bedrag van het vervolgwachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem
                                    in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het
                                    recht op wachtgeld ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                    houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                    houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                    werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                    arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar
                                    het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    hebben bereikt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                                    voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem
                                    door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval
                                    worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking
                                    of andere bron van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                                    vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem
                                    ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend,
                                    dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is
                                    medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van
                                    deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                    van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                    WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de
                                    WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                    medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen
                                    van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                    kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn
                                    genoten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verhuiskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:14</nr></kop><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij
                                elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een
                                op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding
                                in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden
                                toegekend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vermindering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag
                                    waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven
                                    gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld
                                    vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de
                                    bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                                    wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eersre lid,
                                    niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend
                                    en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                                    betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking
                                    die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd
                                    bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het
                                    pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid
                                    als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang
                                    van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de
                                    betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld,
                                    worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het
                                    gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op
                                    zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt
                                    verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan
                                    niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met
                                    de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met
                                    inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de
                                    oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk vooraf gaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    wachtgeld is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                                    lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of
                                    bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                                    van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste
                                    lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering
                                    vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                                    inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of
                                    indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet
                                    het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                                    oorzaken, verband houdende met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als
                                    gratificatie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                                    zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid
                                    of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende
                                    wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor
                                    het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen
                                    van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan eenjaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verlenging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:17</nr></kop><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij
                                het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het
                                wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige
                                betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is
                                verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de
                                artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                                toegevoegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opschorting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten
                                    bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                                    in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van
                                    diens militaire dienst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80%: 80%; </al><al>55% tot 65%: 60%; </al><al>45% tot 55%: 50%;</al><al>35% tot 45%: 40%;</al><al>25% tot 35%: 30%;</al><al>15% tot 25%: 20%;</al><al>minder dan 15%: 0%.</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het
                                    onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te
                                    zijn genoten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                                    uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, wordt
                                    gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                                    wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde
                                    uitkeringen te boven gaat.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar
                                    boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van
                                    wachtgeld werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                                    wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afkoop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:21</nr></kop><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene
                                een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of
                                ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verval van wachtgeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:22</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                                            eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of
                                            onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12,
                                            tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet
                                            nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt
                                            kan worden gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="d."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid
                                            zijn gesteld;</al></li><li nr="e."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven;</al></li><li nr="f."><al>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12,
                                    eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte
                                    waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane
                                    inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige
                                    toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid,
                                    aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager
                                    wachtgeld wordt toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                                    behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college
                                    noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter
                                    vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers
                                    behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid
                                    of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de
                                    openbare dienst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:23</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag waarop betrokkene de
                                            AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; </al></li><li nr="b."><al>op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al></li><li nr="c."><al>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en
                                            derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat
                                            haar op de door het arbeidsbureau dan wel de
                                            buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde
                                            tijdstippen te doen verlengen;</al></li><li nr="d."><al>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                                            arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                            arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een
                                            oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die
                                            instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk,
                                            dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert
                                            dergelijk werk te aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede
                                    lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de
                                    hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:24</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
                                    aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel
                                    10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen
                                    echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de
                                    uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                                    natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen.
                                    Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten
                                    behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen
                                    van wie de overledene kostwinner was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde
                                    van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast,
                                    bedoeld in artikel10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan
                                    het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is
                                    de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend
                                    naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de
                                    uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot
                                    laatstbedoeld bedrag aangevuld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                    nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:25</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden
                                    voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus
                                    1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds
                                    vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                                    wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze
                                    luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld
                                    tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                                    wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering
                                    tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                                    krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die
                                    luidden tot 1 augustus 1991.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld
                                    als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de
                                    duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid,
                                    verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31
                                    december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                                    verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De
                                    overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het
                                    wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse
                                    termijnen betaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan
                                    het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer
                                    kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op
                                    basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze
                                    luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na
                                    31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit
                                    wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:28</nr></kop><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                                uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en
                                10:23 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:29</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                                    ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31
                                    december 2000.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10a</nr><titel>BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING</titel></kop><structuurtekst><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli
                            2008 wordt ontslagen.</al></structuurtekst><afdeling><kop><label>§ </label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van
                                            de Werkloosheidswet;</al></li><li nr="b."><al>betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;</al></li><li nr="c."><al>dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet,
                                            zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in
                                            artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
                                            jo. artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering
                                            sociale verzekeringen.</al></li><li nr="d."><al>bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de
                                            ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de
                                            aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van
                                            dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als
                                            omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met
                                            uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                            als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>§ </label><nr>2.</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                    suppletie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene
                                        die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen
                                                15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                                artikel 8:4, 8:5, 8:6,8:7, onderdeel a of c, 8:8,
                                                8:12.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot
                                        uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                        eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                        hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                        ziekte recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een
                                        aanvullende uitkering op het moment dat de mate van
                                        arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                                        vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een
                                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is
                                        ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het
                                        recht op de aanvullende uitkering toegerekend aan de
                                        dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:3</nr></kop><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het
                                    dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan
                                    de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend,
                                    voorzover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking
                                    waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt
                                        per 1 januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een
                                        volgens LOGA-partijen vastgestelde wijze. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het LOGA maakt bekend met welk percentage de
                                        berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.
                                    </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                        uitkering bedragen tezamen een percentage van de
                                        berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel
                                        43 van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke
                                        80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet
                                        op.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                                        bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de
                                        datum van ontslag</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen
                                    11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                    geworden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering,
                                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004
                                        werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid
                                        jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde
                                        uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee
                                        jaar recht op een verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering,
                                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004
                                        werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid
                                        57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de
                                        loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet
                                        gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste
                                        en tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang
                                        een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag
                                        van werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de
                                        berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                                        zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                        verlengde uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:5b</nr></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1
                                    augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel
                                    130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:6</nr></kop><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging
                                    van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet,
                                    zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:7</nr></kop><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op
                                    uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                    toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verlenging van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:8</nr></kop><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op
                                    uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van
                                    toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet
                                        is van toepassing op de aanvullende uitkering, met
                                        inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande
                                        dat een boete in de zin van de Werkloosheidswet niet leidt
                                        tot een verandering in het bedrag van de aanvullende
                                        uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel
                                        8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in
                                        aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als
                                        gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                                        aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de
                                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                                        uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het
                                        bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij
                                        niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking
                                        te willen komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel
                                        8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in
                                        aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als
                                        gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur
                                        overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet
                                        te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te
                                        willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                        wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt
                                        voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze
                                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van
                                        de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van
                                        dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                                        gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de
                                        Werkloosheidswet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Anticumulatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:10</nr></kop><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de
                                    aanvullende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Scholing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:11</nr></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en
                                    onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn
                                    van toepassing op de aanvullende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanvulling op ziekengeld</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                                        verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de
                                        Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou
                                        hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel
                                        10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht
                                        op aanvulling van dat ziekengeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                                        bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                        de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen
                                        wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid
                                        te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                                        toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanvulling op Waz-uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12a</nr></kop><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling
                                    recht heeft op een uitkering op grond van de Waz, heeft recht op
                                    een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanvulling op REA-uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:12b</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                                        dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe
                                        werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet
                                        op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou
                                        hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel
                                        10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als
                                        hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook in dit
                                        geval recht op aanvulling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                                        bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat
                                        betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer
                                        hij een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou
                                        ontvangen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt
                                        in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid,
                                        Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien
                                        verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen
                                        gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon,
                                        berekend over een periode van 13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in
                                        mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                        nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                        overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere
                                        bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen
                                        ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige
                                        werkloosheid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Grensarbeiders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:13a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies
                                        als betrokkene buiten Nederland woont en in verband met
                                        artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening
                                        1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht op
                                        een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij
                                        geen recht op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt
                                        veroorzaakt doordat hij buiten Nederland woont.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering op grond van dit artikel:</al><lijst><li nr="a."><al>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene
                                                wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet
                                                beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij
                                                geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in
                                                artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW
                                                vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op
                                                grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht
                                                krijgt op een WW-uitkering, niet van invloed op het
                                                recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de
                                                betrokkene verbonden is aan dat recht op een
                                                WW-uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel
                                        lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de
                                        WW-uitkering en de aanvullende uitkering waarop de
                                        betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland
                                        zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een
                                        uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of
                                        pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die
                                        uitkering voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld
                                        met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de
                                        Wet arbeid en zorg. Deze gelijkstelling vindt plaats voor
                                        ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige
                                        uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg.
                                        Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan
                                        de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en
                                        de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou
                                        hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid,
                                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of
                                        arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland
                                        ontvangt, wordt deze geheel in mindering gebracht op de
                                        uitkering op grond van dit artikel over dezelfde
                                        periode.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op
                                        een uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering,
                                        een ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid
                                        en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die
                                        daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een
                                        uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de
                                        uitkering op grond van dit artikel het karakter van een
                                        aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van dit
                                        artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de
                                        wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen
                                        indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of
                                        gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is
                                        betaald.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§ </label><nr>3.</nr><titel>Aansluitende uitkering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Diensttijd</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan
                                        het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte
                                        tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                                        pensioenreglement is verbonden, alsmede tijd die door inkoop
                                        voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de
                                        werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van
                                        de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in
                                        de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het
                                        ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is
                                        verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                                        blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer
                                                dan een jaar;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                                berekening van de duur van een eerder toegekend
                                                wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering
                                                wegens onvrijwillige werkloosheid of een
                                                bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige
                                                werkloosheid ten laste van de overheid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                                berekening van een pensioen krachtens het
                                                pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                                verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling
                                                of een soortgelijke bepaling in een andere
                                                overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd, bedoeld in artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                                                pensioenreglement;</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een
                                                betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                                doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden
                                                met ingang van de datum waarop de uitkering
                                                krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                                    suppletie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                                        die:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen
                                                15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en</al></li><li nr="b."><al>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van
                                                artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van
                                                het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de
                                        betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9
                                        derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is
                                        toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van
                                        artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering
                                        indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel
                                        8:6, derde lid, laatste volzin biedt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste
                                        dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering
                                        ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de
                                        loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                                        verstreken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is,
                                        ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste
                                        werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat
                                        zodra de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering
                                        is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                                        Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de
                                        aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag,
                                        waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende
                                        uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                        is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                                        uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van
                                        eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in
                                        hoofdstuk 11a van de CAR.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens
                                        ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een
                                        WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
                                        80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering,
                                        berekend naar de duur, als bepaald in artikel 10a:16, derde
                                        lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                                        een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij om die
                                        reden recht heeft op een uitkering krachtens de
                                        Werkloosheidswet.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is
                                        ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het
                                        recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de
                                        dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar
                                        rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op
                                        drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar
                                                nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18%
                                                van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een
                                                duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens
                                                per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd
                                        met:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de uitkering krachtens de
                                                Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de
                                                eerste dag van de werkloosheid en</al></li><li nr="b."><al>twee jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                                        betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt
                                        uitgegaan van de datum van het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd
                                        van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een
                                        aansluitende uitkering tot de eerste dag van de
                                        kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die
                                    tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn
                                    geworden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die
                                        recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11
                                        augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                                        geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd
                                        voor de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar
                                                nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18%
                                                van de diensttijd;</al></li><li nr="b."><al>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een
                                                duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens
                                                per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt
                                                verminderd met de duur van de loongerelateerde
                                                uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze
                                                is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid
                                                en de duur van de verlengde uitkering genoemd in
                                                artikel 10a:5a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering,
                                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004
                                        werkloos is geworden en die op de eerste dag van
                                        werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft
                                        bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de
                                        eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij
                                        de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op
                                        basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering
                                        gebracht op de aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn,
                                        voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                        aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                                    artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:16b</nr></kop><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1
                                    augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel
                                    130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                                    is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:17</nr></kop><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: indexering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:18</nr></kop><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte van de uitkering: bedrag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                                        berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te
                                        rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is
                                        verstreken en vervolgens 70% van de
                                        berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering,
                                        als bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan
                                        van de datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de
                                        aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beëindiging van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele
                                        of gedeeltelijke beëindiging van het recht op
                                        vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                        aansluitende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                                        aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot
                                        het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak
                                        bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het
                                        recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e
                                        van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het
                                        verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het
                                        recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur
                                        van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig
                                        artikel 10a:16.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nawerking Ziektewet en Waz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:20a</nr></kop><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz
                                    na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een
                                    uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz, wordt
                                    deze uitkering in mindering gebracht op de aansluitende
                                    uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Herleving van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de
                                        herleving van het recht op uitkering zijn van
                                        overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                        uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                                        Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding
                                        van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met
                                        betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering
                                        krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige
                                        toepassing op de aansluitende uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen en sancties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:22</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet
                                        is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                        uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van
                                        de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de
                                        aansluitende uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Anticumulatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:23</nr></kop><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige
                                    toepassing op de aansluitende uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Scholing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:24</nr></kop><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en
                                    onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                                    uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt
                                        in onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of
                                        artikel 36, eerste Lid, Ziektewet een overlijdensuitkering
                                        toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide
                                        uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor
                                        betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van
                                        13 weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in
                                        mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                        nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                        overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere
                                        bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel
                                        krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen
                                        ziekte.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Grensarbeiders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:25a</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond
                                        van artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de
                                        aansluitende uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als
                                        hij in Nederland zou hebben gewoond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                                        tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§ </label><nr>4.</nr><titel>Bovenwettelijke reïntegratiemaatregelen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand
                                        gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een
                                        bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen
                                        betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou
                                        hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van €
                                        2.270,- worden toegekend als tegemoetkoming in de kosten van
                                        een daartoe noodzakelijke verhuizing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                                        tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze
                                        vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming
                                        in mindering gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel
                                        10a:26 in aanmerking te komen dient de
                                        uitkeringsgerechtigde:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid
                                                of bedrijf met tenminste 50% met een minimum van
                                                vijf uur te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering
                                                van de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden
                                                voor de oorspronkelijk vastgestelde
                                                beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;</al></li><li nr="c."><al>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor
                                                bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar,
                                                blijkend uit de overlegging van het
                                                arbeidscontract;</al></li><li nr="d."><al>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de
                                                standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen,
                                                terwijl de afstand tussen deze standplaats en de
                                                oude woning tenminste 50 kilometer moet
                                                bedragen;</al></li><li nr="e."><al>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit
                                                anderen hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen
                                                bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de
                                                nieuwe werkgever deze melding verifieert en de
                                                uitvoeringsinstelling vaststelt dat de
                                                uitkeringsgerechtigde is verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat
                                        eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde
                                        daadwerkelijk is verhuisd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Reïntegratietoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:28</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een
                                        reïntegratietoeslag indien:</al><lijst><li nr="a."><al>hij een dienstbetrekking in de zin van de
                                                Werkloosheidswet aanvaardt en</al></li><li nr="b."><al>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking
                                                lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                                berekeningsgrondslag, met inachtneming van het
                                                tweede lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                                        dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het
                                        college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking
                                        kleiner is dan de omvang van de oude betrekking, heeft
                                        betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het
                                        dagloon omgerekend naar de omvang van de oude betrekking
                                        lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                        berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                                        tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één
                                        jaar te zijn overeengekomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of
                                        artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen
                                        recht op de in het eerste lid genoemde
                                        reïntegratietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:29</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk
                                        vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een
                                        aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene
                                        de nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op
                                        basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de
                                        betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke
                                        uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:30</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voor betrokkene berekende duur is
                                                verstreken;</al></li><li nr="b."><al>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                                                betrekking;</al></li><li nr="c."><al>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking
                                                gedurende drie maanden het in artikel 10a:31
                                                opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven
                                                zijn gegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid,
                                        onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene
                                        die in de nieuwe betrekking per kalenderweek:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                                kalendenveek heeft verloren dat er minder dan vijf
                                                arbeidsuren resteren of</al></li><li nr="b."><al>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                                                kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de
                                                helft van de arbeidsuren resteren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                                        betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die
                                        uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De
                                        toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand
                                        een overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe
                                        dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op
                                        basis van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een
                                        reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient
                                        te zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het
                                        eerste lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet
                                        meer herleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:31</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe
                                        betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                                        berekeningsgrondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                                        10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten
                                        uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de
                                        oude betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel
                                        10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Reïntegratiepremie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:32</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie
                                        worden toegekend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende
                                                uitkering wegens werkloosheid geniet en</al></li><li nr="b."><al>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen
                                                of bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid
                                                volledig wordt opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                                        uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis
                                        van de Werkloosheidswet door betrokkene te worden
                                        ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk
                                        indien het verzoek betrekking heeft op de gehele
                                        bovenwettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie
                                        wordt toegekend, wordt het recht op een maandelijks te
                                        betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een
                                        bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde
                                        rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De
                                        artikelen 10a:7, 10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende
                                        uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of
                                        artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek
                                        van betrokkene omtrent de toekenning van een
                                        reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op
                                        dit verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:33</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som
                                        van de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering
                                        waarop betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij
                                        geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de
                                        gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou
                                        hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate
                                        werkloos zou zijn gebleven als dat hij is op de dag
                                        voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe
                                        werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt
                                        uitgegaan van de berekeningsbasis op grond van het eerste
                                        lid zoals die op de datum van toekenning van de premie wordt
                                        vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben
                                        geen invloed op de berekeningsbasis van de
                                        reïntegratiepremie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:34</nr></kop><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33
                                    genoemde berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van
                                    130 maal het dagloon van de betrokkene.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§ </label><nr>5.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:35</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overige en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:36</nr></kop><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze
                                    neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                    overeenkomen, binnen zes maanden na datum van het Staatsblad,
                                    waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze
                                    ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering
                                    doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                                    inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan
                                    zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:37</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2001.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a:38</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op
                                        of na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR
                                        en UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden
                                        uitgegaan van de tekst van deze artikelen, zoals deze
                                        luidden op 30 juni 2008.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10d</nr><titel>VAN WERK NAAR WERK-AANPAK EN VOORZIENINGEN BIJ WERKLOOSHEID</titel></kop><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingssfeer en begripsbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die als gevolg
                                    van een organisatieverandering boventallig is geworden of op
                                    grond van artikel 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de
                                    ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8
                                    ontslagen is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:2</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvullende uitkering: de uitkering tijdens de
                                            werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="b."><al>grondslag : het gemiddelde van het salaris en de
                                            toegekende salaristoelage(n) , berekend over een periode
                                            van 12 maanden direct voorafgaand aan de start van de
                                            re-integratiefase of de start van het Van werk naar
                                            werk-traject, vermeerderd met de vakantietoelage en de
                                            eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de
                                            generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;
                                        </al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke
                                            regelingen, die de CAR van toepassing hebben
                                            verklaard;</al></li><li nr="d."><al>boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens
                                            reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de
                                            reorganisatie; </al></li><li nr="e."><al>na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de
                                            werkloosheidsuitkering;</al></li><li nr="f."><al>werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de
                                            Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies
                                            voortvloeit uit de beëindiging van de aanstelling of
                                            arbeidsovereenkomst bij de gemeente; </al></li><li nr="g."><al>werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de
                                            Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de
                                            aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Samenloop met lokale afspraken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er kunnen lokaal aanvullende afspraken worden gemaakt op de
                                        bepalingen in dit hoofdstuk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer voor 26 juni 2012 lokaal andere afspraken zijn
                                        overeengekomen, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld,
                                        bespreken college en vakorganisaties in de Commissie voor
                                        Georganiseerd Overleg wanneer tot herziening zal worden
                                        overgegaan van deze lokale afspraken.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen
                                        wordt, treft het college een passende regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling
                                        voorafgaand door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                                        inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk
                                        is.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><nr>Paragraaf 4</nr><titel>Procedure van re-integratie bij ontslag op grond van
                                onbekwaamheid of ongeschiktheid (art 8:6) </titel></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:5</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>re-integratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag,
                                            waarin door middel van een reintegratieplan afspraken
                                            worden gemaakt over de wijze waarop de re-integratie van
                                            de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan
                                            uitvoering wordt gegeven met als doelwerkloosheid zoveel
                                            als mogelijk te voorkomen; </al></li><li nr="2."><al>re-integratieplan: het plan van aanpak waarin de
                                            re-integratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar
                                            beschreven staan, die tot doel hebben de re-integratie
                                            van de ambtenaar te bevorderen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:6 Re-integratiefase voor ontslag</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:6
                                        heeft recht op een re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De re-integratiefase begint met een besluit tot ontslag op
                                        grond van artikel 8:6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De re-integratiefase gaat in op de eerste werkdag na
                                        verzending of overhandiging van het besluit tot
                                        ontslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De re-integratiefase is afhankelijk van de duur van het
                                        dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt.
                                        Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf
                                        de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit
                                        ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                                        re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de re-integratiefase bedraagt bij een
                                        dienstverband van: </al><lijst><li nr="a."><al>2 tot 10 jaar 4 maanden</al></li><li nr="b."><al>10 tot 15 jaar 8 maanden</al></li><li nr="c."><al>15 jaar of meer 12 maanden.</al></li></lijst><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Einde re-integratiefase</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder dan na afloop van de
                                        voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor
                                        het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere
                                        functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De re-integratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond
                                        van artikel 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich
                                        tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit
                                        het re-integratieplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de re-integratiefase eerder eindigt om de in het
                                        tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een
                                        aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De re-integratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                                        tijdens de re-integratiefase niet houdt aan de afspraken uit
                                        het re-integratieplan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft
                                        van de oorspronkelijke re-integratiefase.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase herstelt het college
                                        de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tijdens de verlengde re-integratiefase blijven de gemaakte
                                        afspraken uit het re-integratieplan van kracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verlenging re-integratiefase door middel van
                                    levensloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan het college verzoeken de re-integratiefase
                                        met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken
                                        van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in
                                        artikel 6:9.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de
                                        ambtenaar tijdens de re-integratiefase redelijkerwijs niet
                                        heeft kunnen voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen en
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                                                arbeidsduur; en</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof
                                                levenslooptegoed opneemt op grond van de
                                                gemeentelijke levensloopregeling; en</al></li><li nr="c."><al>tijdens de verlengde re-integratiefase activiteiten
                                                worden ondernomen of voortgezet die de re-integratie
                                                bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                                        voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de
                                        ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het
                                        re-integratieplan, tijdens de verlenging van de
                                        re-integratiefase worden voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Artikel 10d:7 is tijdens de verlenging van de
                                        re-integratiefase van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Re-integratieplan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen
                                        een maand na aanvang van de re-integratiefase een
                                        re-integratieplan op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand
                                        door het college gehoord.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het r-iïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de
                                        re-integratie-inspanningen die van het college en de
                                        ambtenaar verlangd worden. In het re-integratieplan staan in
                                        ieder geval afspraken over:</al><lijst><li nr="-"><al>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten
                                                die neergelegd zijn in het re-integratieplan;</al></li><li nr="-"><al>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke
                                                scholing, het begin van die scholing, het einde van
                                                die scholing, de betaling en de te behalen
                                                resultaten; </al></li><li nr="-"><al>opstellen arbeidsmarktprofiel;</al></li><li nr="-"><al>sollicitatieactiviteiten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het re-integratieplan worden afspraken gemaakt over de
                                        kosten voor de verschillende activiteiten uit het
                                        re-integratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                                        re-integratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig
                                        voor rekening van het college, met een maximum van €
                                        7.500,-.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Van werk naar werk-begeleiding bij boventalligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:11</nr><titel>Toepassingsbereik</titel></kop><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                    college boventallig wordt verklaard, en die op de datum waarop
                                    deze boventalligheid ingaat, een dienstverband van tenminste
                                    twee jaar heeft bij de betreffende gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:12</nr><titel>Duur van een Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>De boventallig verklaarde ambtenaar heeft recht op een Van werk
                                    naar werk-traject dat maximaal twee jaar duurt, tenzij het
                                    college besluit tot verlenging op grond van artikel 10d:20 en
                                    artikel 10d:22.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:13</nr><titel>Inspanningsverplichting</titel></kop><al>In het Van werk naar werk-traject leveren zowel de boventallig
                                    verklaarde ambtenaar als het college een actieve bijdrage aan de
                                    uitvoering van het Van werk naar werk-traject. De Van werk naar
                                    werk-inspanningen zijn gericht op plaatsing van de ambtenaar in
                                    een passende dan wel geschikte functie, of aanvaarding door de
                                    ambtenaar van een functie buiten de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:14 Start Van werk naar werk-traject</nr></kop><al>Het Van werk naar werk-traject start op de dag waarop het
                                    besluit tot boventalligverklaring in werking is getreden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inhoud Van werk naar werk-traject</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:15</nr><titel>Van werk naar werk-onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Om richting te geven aan het Van werk naar werk-traject
                                            onderzoeken college en ambtenaar gezamenlijk de wensen
                                            en ontwikkelingsmogelijkheden van de ambtenaar, binnen
                                            en buiten de gemeente. Hierbij worden tevens de kansen
                                            van de ambtenaar op de regionale arbeidsmarkt
                                            onderzocht. </al></li><li nr="2."><al>Bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek kan een
                                            gecertificeerd loopbaanadviseur worden ingeschakeld.
                                        </al></li><li nr="3."><al>Het Van werk naar werk-onderzoek kan van start gaan vóór
                                            de datum waarop het Van werk naar werk-traject begint en
                                            is uiterlijk binnen een maand na die datum afgerond.
                                        </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:16</nr><titel>Van werk naar werk-contract</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen drie maanden na afronding van het Van werk naar
                                            werk-onderzoek stellen college en ambtenaar een Van werk
                                            naar werk-contract op. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bedoelde contract bevat de doelen,
                                            de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te
                                            bereiken, nadere afspraken en daaraan verbonden
                                            termijnen. </al></li><li nr="3."><al>Afspraken kunnen worden gemaakt over: </al><lijst><li nr="•"><al> het al dan niet toekennen van professionele
                                                  begeleiding en de tijdsduur daarvan; </al></li><li nr="•"><al>het al dan niet elders opdoen van werkervaring;
                                                </al></li><li nr="•"><al>de werkzaamheden die de ambtenaar gedurende het
                                                  Van werk naar werk-traject verricht; </al></li><li nr="•"><al>het al dan niet volgen van een opleiding en het
                                                  daarvoor beschikbare budget; </al></li><li nr="•"><al>eventuele beperkingen van de ambtenaar, die zijn
                                                  gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek;
                                                </al></li><li nr="•"><al>de tijd die de ambtenaar beschikbaar heeft voor
                                                  sollicitatieactiviteiten en andere inspanningen
                                                  gericht op het vinden van een nieuwe werkkring.
                                                  Deze tijd bedraagt tenminste 20% van de omvang van
                                                  de aanstelling; </al><al> het al dan niet gebruik maken van specifieke
                                                  flankerende voorzieningen, zoals bedoeld in het
                                                  artikel 17:7. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De noodzakelijke kosten van het Van werk naar
                                            werk-traject komen tot een bedrag van € 7.500,- voor
                                            rekening van het college. Ten aanzien van kosten die dit
                                            bedrag overstijgen neemt het college een afzonderlijk
                                            besluit </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:17</nr><titel>Uitvoering van het Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Vanaf de start van de uitvoering van het Van werk naar
                                    werk-contract wordt de nakoming van de wederzijds gemaakte
                                    afspraken gevolgd. Iedere drie maanden wordt de voortgang in het
                                    traject geëvalueerd. Hiervan wordt een verslag opgemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verlenging en einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:18</nr><titel>Einde Van werk naar werk-traject</titel></kop><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt op het moment dat de
                                    ambtenaar - al dan niet in deeltijd - een andere functie binnen
                                    of buiten de gemeente aanvaardt, op grond van ontslag op eigen
                                    verzoek of ontslag om een andere reden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:19</nr><titel>Tussentijdse beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het Van werk naar werk-traject eindigt, indien de ambtenaar
                                        plaatsing in een passende of geschikte functie binnen de
                                        gemeente of de aanvaarding van een aangeboden functie buiten
                                        de gemeente weigert. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan eveneens besluiten tot tussentijdse
                                        beëindiging van het Van werk naar werk-traject en ontslag,
                                        indien de ambtenaar zich niet houdt aan de afspraken uit het
                                        Van werk naar werk-contract. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om de
                                        in het eerste of tweede lid genoemde reden, wordt de
                                        ambtenaar ontslag verleend op grond van artikel 8:3 met
                                        ingang van de dag volgend op die waarop het Van werk naar
                                        werk-traject is beëindigd. In dit geval kan het college
                                        aangeven dat sprake is van verwijtbare werkloosheid en
                                        vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een
                                        na-wettelijke uitkering. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:20</nr><titel>Advies loopbaanadviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 21
                                        maanden sinds de start ervan niet met een positief resultaat
                                        is afgesloten of om een andere reden is beëindigd, brengt
                                        een gecertificeerd loopbaanadviseur binnen een maand een
                                        advies uit aan het college over het vervolgtraject. Hierbij
                                        worden in ieder geval de evaluatieverslagen als bedoeld in
                                        artikel 10d:17 in acht genomen. De ambtenaar ontvangt een
                                        afschrift van het advies. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies bedoeld in het eerste lid gaat in op de vraag of
                                        voortzetting van het Van werk naar werk-traject zinvol is,
                                        gelet op de vooruitzichten op korte termijn en de mate
                                        waarin voortzetting de kans op een passende of geschikte
                                        functie binnen afzienbare termijn vergroot. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist of het advies van de loopbaanadviseur
                                        wel of niet wordt overgenomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:21</nr><titel>Reguliere beëindiging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur beslist
                                        het college over het vervolg van het Van werk naar
                                        werk-traject, en stelt de ambtenaar in kennis van deze
                                        beslissing. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het Van werk naar werk-traject na verloop van 24
                                        maanden niet wordt voortgezet wordt de ambtenaar ontslag
                                        verleend op grond van artikel 8:3. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de
                                        eerste dag na afloop van de Van werk naar werk-termijn van
                                        twee jaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:22</nr><titel>Verlenging Van werk naar werk-traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien er zekerheid is, in de vorm van een schriftelijke
                                        toezegging van een werkgever, dat binnen een half jaar een
                                        functie voor de ambtenaar kan worden gevonden, of indien
                                        voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op
                                        het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar
                                        vergroot, kan het college besluiten het Van werk naar
                                        werk-traject te verlengen. Deze verlenging beslaat een
                                        redelijke en nader gespecificeerde periode en kan niet meer
                                        dan één keer worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan het einde van de periode van verlenging het Van
                                        werk naar werk-traject niet tussentijds is beëindigd,
                                        verleent het college de ambtenaar ontslag op grond van
                                        artikel 8:3. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid gaat in op de
                                        eerste dag na afloop van de periode waarmee het Van werk
                                        naar werk-traject is verlengd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:23</nr><titel>Niet-nakoming van afspraken uit Van werk naar
                                        werk-contract</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien één van beide partijen van mening is dat de andere
                                        partij zich niet houdt aan de afspraken zoals vastgelegd in
                                        het Van werk naar werk-contract, maakt deze partij dit aan
                                        de andere partij in een gesprek kenbaar. Dit gesprek is erop
                                        gericht gezamenlijk afspraken te maken over verbetering.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van beide partijen na het gesprek zoals bedoeld
                                        in het eerste lid in gebreke is gebleven ten aanzien van de
                                        in het Van werk naar werk-contract vastgelegde afspraken kan
                                        de andere partij eisen dat dit gevolgen heeft voor de
                                        voortzetting van het contract. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval de ambtenaar van het in het tweede lid bedoelde
                                        recht gebruik maakt, kan hij eisen dat het Van werk naar
                                        werk-traject wordt verlengd. Deze verlenging bedraagt een
                                        redelijke termijn, waarbij de periode die door de
                                        niet-nakoming verloren is gegaan als richtlijn kan dienen.
                                        Gedurende de periode van verlenging herstelt het college
                                        zoveel als mogelijk de gebreken die bij de uitvoering van
                                        het Van werk naar werk-contract zijn ontstaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Ingeval het college van het in het tweede lid bedoelde recht
                                        gebruik maakt, kan hij het Van werk naar werk-traject
                                        tussentijds beëindigen op grond van artikel 10d:19 tweede
                                        lid en ontslag verlenen op grond van artikel 8:3. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien over de nakoming van de afspraken in het Van werk
                                        naar werk-contract of de mogelijkheden zoals vastgelegd in
                                        dit artikel een geschil ontstaat, kunnen partijen dit
                                        geschil voorleggen aan de paritaire commissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:24</nr><titel>Paritaire commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een paritair samengestelde commissie in,
                                        die desgevraagd toeziet op de individuele toepassing van de
                                        bepalingen in deze paragraaf. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zowel de ambtenaar als het college kan een geschil over de
                                        uitvoering van het Van werk naar werk-contract, als bedoeld
                                        in artikel 10d:23, vijfde lid, voorleggen aan deze
                                        commissie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De commissie brengt over een in het tweede lid bedoeld
                                        geschil een bindend advies uit. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt een reglement vast waarin de
                                        samenstelling, bevoegdheden en werkwijze van de commissie
                                        worden vastgelegd. </al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Aanvullende uitkering</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:25 Aanvullende uitkering</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar
                                        die:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:6 is ontslagen en de
                                                re-integratiefase heeft doorlopen, waarbij de
                                                situatie zoals beschreven in artikel 10d:7 tweede en
                                                derde lid niet aan de orde is; of </al></li><li nr="b."><al>op grond van artikel 8:3 is ontslagen en het Van
                                                werk naar werk-traject heeft doorlopen, waarbij de
                                                situatie zoals beschreven in artikel 10d:19 niet aan
                                                de orde is; en </al></li><li nr="c."><al>recht heeft op een uitkering krachtens de
                                                Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk
                                                ontvangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering
                                        is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de
                                        aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt
                                        die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn
                                        aanvullende uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvullende uitkering kent twee fases. De aanvullende
                                        uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van het salaris
                                        en de toegekende salaristoelage(n) over het aantal uren dat
                                        de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende
                                        uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) tot een bedrag van € 4.375,= 10%;
                                            </al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) vanaf € 4.375,= tot een bedrag van
                                                € 5.250,= 20%; </al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) vanaf € 5.250,= 30%. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende
                                        uitkering:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) van € 4.375,= tot een bedrag van €
                                                5.250,= 10% ; </al></li><li nr="b."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) van € 5.250,= tot een bedrag van €
                                                6.560,= 20% ; </al></li><li nr="c."><al>voor ambtenaren met een salaris en de toegekende
                                                salaristoelage(n) vanaf € 6.560,= 30% . </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur aanvullende uitkering bij ontslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                                        rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                                        afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de
                                        werkloosheidsuitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Sancties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:28</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                        toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie
                                        evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                                        sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid
                                        op.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                                        toegepast kan het college besluiten om het recht op
                                        na-wettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                                        vervallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere
                                        regels op.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Einde aanvullende uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:29</nr></kop><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is
                                    verstreken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Na-wettelijke uitkering</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:30 Na-wettelijke uitkering</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering
                                        heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkloosheid direct aansluitend op de
                                                werkloosheidsuitkering voortduurt;</al></li><li nr="b."><al>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens
                                                aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn
                                                op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde
                                        dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de
                                        werksfeer.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:31</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of
                                        meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn
                                        voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt
                                        het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het
                                        aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar
                                        uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van
                                        90% van het oude salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                        niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de
                                        na-wettelijke uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:32</nr></kop><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de
                                    gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De
                                    correctiefactor is</al><lijst><li nr="a."><al>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al></li><li nr="b."><al>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de
                                            leeftijd van 50 jaar</al></li><li nr="c."><al>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Einde na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:33</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur
                                        is verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                                        eindigt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de
                                        maand volgend op die waarin de ambtenaar de AOW-gerechtigde
                                        leeftijd bereikt. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Sancties na-wettelijke uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:34</nr></kop><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan
                                    sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke
                                    uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de
                                    ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van
                                    invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke
                                    uitkering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afkoop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:35</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                                        uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming
                                        geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                                        voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van minder dan 35%
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><paragraaf><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:36 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve
                                        herplaatsing ingeval van minder dan 35%
                                        arbeidsongeschiktheid </nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en
                                        die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16,
                                        derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
                                        definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft
                                        recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij
                                        arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals
                                        deze door UWV definitief is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat
                                        de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens
                                        aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de
                                        hoogte van zijn bijzondere uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:37</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen
                                        het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en het
                                        salaris en de toegekende salaristoelage(n) voorafgaand aan
                                        aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering
                                        in mindering gebracht.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel
                                    8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel
                                    7:16</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:38</nr></kop><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na
                                    aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10d:39</nr></kop><al>In afwijking van artikel 10d:32 is de duur van de na-wettelijke
                                    uitkering voor de ambtenaar die: </al><lijst><li nr="a."><al>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de
                                            gemeentelijke sector en </al></li><li nr="b."><al>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008 gelijk aan
                                            (0,25 (0,195 0,015 * (X- 21)) * (X - Y) - (X-18) / 12
                                            -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18)
                                            gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de
                                            leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y
                                            voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke
                                            sector. </al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>10e</nr><titel>BIJZONDERE BOVENWETTELIJKE WERKLOOSHEIDSUITKERING VOOR DE AMBTENAAR
                            MET OP 1 JANUARI 2008 20 DIENSTJAREN OF MEER</titel></kop><artikel><kop><nr/><titel/></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>11</nr><titel>UITKERINGSREGELING ONTSLAG</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Betrokkene</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                                    ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een
                                            betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl
                                            die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan
                                            wel is geschied in een betrekking van kennelijk
                                            tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze
                                            regeling, met uitzondering van artikel 8:9 , mits dat
                                            ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan
                                            eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat
                                            ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel
                                            8:3 kan ontlenen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                                    verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat
                                    hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die
                                    door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk
                                    van standplaats moet veranderen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Lichamen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:2</nr></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder "lichamen":</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                                rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk
                                kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen en doelvermogens.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Diensttijd</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                                    in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in
                                    overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in
                                    de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd
                                    die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van
                                    de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                                    de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag,
                                    bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op
                                    grond van de Regeling beperking van het zijn van
                                    overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc.
                                    1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde
                                    regeling niet is verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                                    blijft buiten beschouwing:</al><lijst><li nr="a."><al>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan
                                            een maand daarvan wegens verleend ontslag;</al></li><li nr="b."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van de duur van een eerder toegekend
                                            wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering
                                            wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                                            overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8,
                                            vierde lid;</al></li><li nr="c."><al>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de
                                            berekening van een pensioen krachtens het
                                            pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag
                                            verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of
                                            een soortgelijke bepaling in een andere
                                            overheidsregeling;</al></li><li nr="d."><al>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                                            pensioenreglement,</al></li><li nr="e."><al>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                                            betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden,
                                            doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met
                                            ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                                    uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen,
                                    anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt
                                    vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met
                                    ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend,
                                    waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Dienstbetrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                                    publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding
                                    waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam
                                    werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                                    Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bezoldiging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                                    bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling
                                    zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was
                                    verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel
                                    6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in
                                    artikel 3:6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                                    wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling,
                                    wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag
                                    van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging
                                    wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die
                                    bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de
                                    dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde
                                    bedrag als bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                                    voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan
                                    zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan
                                    de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat
                                    behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag
                                    waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de
                                    duur wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste
                                            26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
                                            11.7;</al></li><li nr="b."><al>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten
                                            minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                                            ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het
                                            bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding
                                            geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
                                            toepassing artikel 11:8, vierde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
                                    perioden waarin de betrokkene ten gevolge van
                                    arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te
                                    verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
                                    werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
                                    bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de
                                    perioden van de bedoelde verhindering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                                    aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
                                    dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
                                    meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
                                    in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
                                    aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
                                    weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
                                    ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
                                    vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet
                                    aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde
                                    lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop
                                    de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft
                                    plaatsgehad.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Geen recht op uitkering bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                                            WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                            van 80% of meer;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht
                                            heeft op suppletie als bedoeld in Hoofdstuk 11a van deze
                                            regeling;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de
                                            leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                                            wijten;</al></li><li nr="e."><al>indien het ontslag naar het oordeel van het college
                                            geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
                                            werkloosheid;</al></li><li nr="f."><al>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                            heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat
                                            hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die
                                            mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
                                            verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
                                            voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
                                            aanvaarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht
                                    op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
                                    arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                                    dan 80%. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
                                    de uitkering wordt voor de toepassing van:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                                            ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
                                            lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
                                            toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
                                            in voorkomend geval vermeerderd met een
                                            invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
                                            arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
                                            wordt genomen.</al></li><li nr="b."><al>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag
                                    door de betrokkene.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het
                                    ontslag ingaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                                            het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
                                            als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of</al></li><li nr="b."><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
                                            een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;</al></li></lijst><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><al>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en</al><al>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    vastgesteld door samentelling van:</al><lijst><li nr="a."><al>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
                                            aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al></li><li nr="b."><al>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
                                            betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
                                            ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Perioden, waarin een betrokkene:</al><lijst><li nr="a."><al>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
                                            grond van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
                                            arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
                                            door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
                                            heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
                                            naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
                                            een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
                                            de middelsom, waarnaar de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                                            berekend;</al></li><li nr="c."><al>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
                                            Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
                                            berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
                                            80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
                                            dan niet vermeerderd met de
                                            arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
                                            het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                            is of zou zijn berekend;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                                            ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
                                            duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
                                            wet;</al></li><li nr="e."><al>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
                                            overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
                                            worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in
                                            verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer
                                            uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van
                                            drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de
                                            perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
                                            voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
                                            lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor
                                    de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande
                                    aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden
                                    waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:</al><lijst><li nr="a."><al>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                                            persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
                                            werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
                                            bedoeld in het vierde lid, volledig, en</al></li><li nr="b."><al>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
                                            van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
                                            dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
                                            geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                                            het vierde lid, voor de helft in aanmerking
                                            genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                                    verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                                            wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
                                            een uitkering ter zake van werkloosheid, of</al></li><li nr="b."><al>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
                                            tijdens vakanties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                                    personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
                                    toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                                    beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
                                    aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen,
                                    is het college bevoegd een van een die naar het oordeel van het
                                    college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                                    zodanig aan te wijzen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                                    onder</al><lijst><li nr="a."><al>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
                                            pleegkind;</al></li><li nr="b."><al>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                                            onderhouden en opgevoed.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                                    van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt,
                                    indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens
                                    voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld
                                    in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de
                                    uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal
                                    maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de
                                    uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                                    hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd
                                    van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn
                                    leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft
                                    bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de
                                    termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende
                                    een periode van zes maanden een bijzondere verlenging
                                    verleend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vervolguitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                                    artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op
                                    die uitkering recht op een vervolguitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die</al><lijst><li nr="a."><al>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel
                                            11:7, eerste lid, heeft bereikt, en</al></li><li nr="b."><al>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7,
                                            tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens
                                            zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van
                                            de uitkeringsduur, heeft recht op een
                                            vervolguitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                                    vervolguitkering een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag
                                    van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een
                                    half jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                                    toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
                                    indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen
                                    binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een
                                    jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder
                                    is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend,
                                    heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de
                                    toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie
                                    en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn
                                    beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel
                                    11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie
                                    en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                                    uitkering van overeenkomstige toepassing op de
                                    vervolguitkering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bedrag van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden
                                    gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee
                                    maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                                    bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67%
                                    van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                                    worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met
                                    3 procentpunten verhoogd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bedrag van de vervolguitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het
                                    minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan
                                    bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                                    verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel
                                    8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en
                                    minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan
                                    23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon,
                                    bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van
                                    genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende
                                    vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verhuiskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:12</nr></kop><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien
                                hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college
                                een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen
                                vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing
                                worden toegekend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vermindering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met
                                    arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de
                                    WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag
                                    waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk
                                    mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen,
                                    wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                                    toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering
                                    samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het
                                    bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals
                                    bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt
                                    een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23,
                                    eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend
                                    en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                    betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                                    gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde
                                    en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement,
                                    worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend.
                                    De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag
                                    waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door
                                    betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte
                                    tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij
                                    betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                    hebben.</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze
                                    verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende
                                    uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen
                                    al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering,
                                    vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering
                                    de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die
                                    vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                                    resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende
                                    uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                                    overschrijding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                                    genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                                    onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem
                                    de uitkering is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid,
                                    inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf
                                    ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die
                                    inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van
                                    overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt
                                    echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het
                                    gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene
                                    aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van
                                    verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende
                                    met het ontslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                                    verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of
                                    gratificatie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opgave van inkomsten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                                    op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem
                                    schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag
                                    te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een
                                    door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor
                                    zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in
                                    verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke
                                    of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij
                                    tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende
                                    uitkeringstermijn op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                                    de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van
                                    elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter
                                    hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige
                                    opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het
                                    bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten
                                    over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter
                                    niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                                    dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering
                                    voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het
                                    einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                                    een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten
                                    daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlijdensuitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld
                                    in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of
                                    geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van
                                    drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                                    geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel
                                    minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan
                                    geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters
                                    of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner
                                    was.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van
                                    een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge
                                    waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond
                                    van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                                    verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor
                                    zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen
                                    gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid
                                    nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele
                                    worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste
                                    ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de
                                    overledene daartoe ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                                    gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
                                    betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in
                                    een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig
                                    wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen bij ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                                    verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan
                                    terstond mededeling te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                                    de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld
                                    van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een
                                    WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de
                                    WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle
                                    medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen
                                    van deze uitkering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                                    gehouden met WAO-uitkering behorende bij een mate van
                                    arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                                    gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs
                                    kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de
                                    toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn
                                    genoten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitkering bij ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                                    heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot
                                    en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die
                                    termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt
                                    hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering
                                    een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                                    betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse
                                    werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                                    regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel
                                    mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:18</nr></kop><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17,
                                eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering
                                wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in
                                de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afkoop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:19</nr></kop><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op
                                uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
                                    de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a
                                    of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7,
                                    eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid
                                    eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid
                                    opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag
                                    waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de
                                    betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid
                                    aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet
                                    of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld
                                    of uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                                    werkloosheid begrepen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                                            dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben
                                            van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij
                                            dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                                            dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de
                                            dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering
                                            bestaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
                                    uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig
                                    werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
                                    betrokkene :</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                                            ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder
                                            a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al></li><li nr="b."><al>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                                            werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                                            Werkloosheidswet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                                    betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld
                                    met gewerkte weken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt
                                    zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw
                                    toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering
                                    als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering
                                    als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de
                                    betrokkene.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                                    aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende
                                    lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
                                    het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is
                                    ingekomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt
                                    is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in
                                    verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot
                                    het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke
                                    gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en
                                    omstandigheden passend kan worden geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn
                                    woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                                    werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient
                                    binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als
                                    werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te
                                    leggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf
                                    houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat
                                    houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                                    heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als
                                    werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van
                                    arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar
                                    het oordeel van het college vergelijkbaar is met het
                                    arbeidsbureau.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                                    omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of
                                    groepen van betrokkenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht
                                    zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college
                                    in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven,
                                    strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron
                                    van inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht
                                    er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het
                                    college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering
                                    van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opschorting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:22</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een
                                    uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in
                                    verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt
                                    de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak
                                    waarover die aanspraak bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                                    dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de
                                    uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                                    vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak
                                    van diens militaire dienst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:23</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                                    hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een
                                    WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een
                                    invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                                    van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering,
                                    toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna
                                    genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij
                                    een arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80%: 80%</al><al>55% tot 65%: 60%</al><al>45% tot 55%: 50%</al><al>35% tot 45%: 40%</al><al>25% tot 35%: 30%</al><al>15% tot 25%: 20%</al><al>minder dan 15%: 0%</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in
                                    voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en
                                    de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de
                                    onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake
                                    is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het
                                    overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                                    WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden
                                    verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                                    gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid
                                    van 80% of meer behoort.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen
                                    door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering
                                    vermindering ondergaat dan wel het recht op deze uitkering
                                    geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene
                                    redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering
                                    voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te
                                    zijn genoten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:24</nr></kop><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                                Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn,
                                waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling
                                toegekende uitkeringen niet uitbetaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:25</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar
                                    boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen
                                    uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de
                                    uitkering werd genoten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                                    uitkering over langere termijnen geschieden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verval van uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                                    verklaard</al><lijst><li nr="a."><al>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                                            bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat
                                            dan wel onjuist of onvolledig doet;</al></li><li nr="b."><al>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in
                                            artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij
                                            zonder toestemming van het college gedurende de tijd,
                                            waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde
                                            leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze
                                            op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse
                                            instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                                            doen verlengen;</al></li><li nr="c."><al>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21,
                                            vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem
                                            hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt,
                                            dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te
                                            nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al></li><li nr="d."><al>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het
                                            college in het buitenland vestigt of geacht moet worden
                                            aldaar duurzaam te verblijven;</al></li><li nr="e."><al>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die
                                            bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid
                                            zijn gesteld;</al></li><li nr="f."><al>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem
                                            ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was
                                            gebleven;</al></li><li nr="g."><al>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                                            verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden
                                            hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren,
                                            aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met
                                            toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te
                                            verlenen;</al></li><li nr="h."><al>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te
                                            vinden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                                    eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij
                                    het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                                    arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt
                                    gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het
                                    arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat
                                    hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                                    redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert
                                    dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het
                                    gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren
                                    gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                                    nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken
                                    van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het
                                    verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of
                                    uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van
                                    het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                                    verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om
                                    werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Einde van het recht op uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand
                                            volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65
                                            jaar heeft bereikt;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de
                                            betrokkene is overleden;</al></li><li nr="c."><al>indien het recht op uitkering geheel wordt
                                            afgekocht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                                    betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar
                                    een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste
                                    lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat
                                    van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de
                                    hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                                    rekenen vanaf de datum van ontslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                                    toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere voorschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:28</nr></kop><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere
                                voorschriften geven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:29</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                                    uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991,
                                    worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1
                                    augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor
                                    de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond
                                    van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus
                                    1991.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid,
                                    die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de
                                    desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze
                                    luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend.
                                    Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering
                                    langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze
                                    laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                                    artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze
                                    luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging
                                    van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel
                                    13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige
                                    daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van
                                    de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling
                                    zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op
                                    een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin,
                                    met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt
                                    herberekend op grond van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:30</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op
                                    basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze
                                    luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na
                                    31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze
                                    uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in
                                    evengenoemde verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                                    voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit
                                    hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:31</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:32</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                                    arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
                                    2001 of later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                                    de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden
                                    uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op
                                    31 december 2000.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>11a</nr><titel>SUPPLETIE</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin
                                            van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li><li nr="b."><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke
                                            uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid,
                                            die voortvloeit uit enig dienstverband van
                                            betrokkene;</al></li><li nr="c."><al>WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;</al></li><li nr="d."><al>betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2
                                            van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is
                                            verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling
                                            van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van
                                            dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met
                                            uitzondering van degene die zijn resterende
                                            verdienvermogen volledig benut in een of meer
                                            aangehouden betrekkingen;</al></li><li nr="e."><al>bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5,
                                            eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te
                                            verlenen;</al></li><li nr="f."><al>suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al></li><li nr="g."><al>dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de
                                            arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van
                                            de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                                            Coordinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het
                                            bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de
                                            Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en in
                                            voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot
                                            betaling van de premie van een door of voor de
                                            betrokkene afgesloten particuliere
                                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede
                                            lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene
                                            Dagloonregelen WAO;</al></li><li nr="h."><al>berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van
                                            betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter
                                            zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend,
                                            voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de
                                            betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                                            ontleend;</al></li><li nr="i."><al>werkloosheidsuitkering een periodieke uitkering ter zake
                                            van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig
                                            dienstverband van betrokkene.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op suppletie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan
                                    hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de
                                    vervulling van zijn betrekking wegens ziekte</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                                    bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de
                                    ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens
                                    ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen
                                    van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte
                                    samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder
                                    dan vier weken opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is
                                    van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van
                                    de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede
                                    gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan:
                                    alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met
                                    zijn krachten en bekwaamheden in staat is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:4</nr></kop><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een
                                        mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer,</al></li><li nr="b."><al>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht
                                        kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in
                                        hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting
                                        Pensioenfonds ABP.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:5</nr></kop><al>Het recht op suppletie eindigt,</al><lijst><li nr="a."><al>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene
                                        is overleden;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de
                                        betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Suppletie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:6</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De suppletie bedraagt een percentage van de
                                        berekeningsgrondslag van de suppletie</al></li><li nr="2."><al>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens
                                        aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene
                                        bezoldigingswijziging.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al></li><li nr="b."><al>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in
                                    artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum
                                    dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van
                                    zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft
                                    geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode
                                    verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum
                                    en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden
                                    onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te
                                    beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht
                                    heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van
                                    24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die
                                    elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                                    opvolgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op
                                    suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een
                                    Waz-uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                    ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen
                                    in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de
                                    bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer
                                    dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                                    WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de
                                    eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake
                                    waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de
                                    feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende
                                    dienstbetrekkingen</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene recht heeft op een
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan
                                    een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum,
                                    gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter
                                    zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht
                                    voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een
                                    verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het
                                    bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt,
                                    uitsluitend het bedrag van die verhoging van die
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het
                                    bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit
                                    hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als
                                    overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die
                                    uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend
                                    aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato
                                    van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                                    desbetreffende dienstbetrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                                    individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt
                                    tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan
                                    het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze
                                    van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel
                                    overeenkomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                                    suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of
                                    bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                                    berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de
                                    inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld
                                    in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband
                                    met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is
                                            aangezegd;</al></li><li nr="b."><al>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof
                                            onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake
                                            waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;</al></li><li nr="c."><al>vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de
                                            betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in
                                            onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor
                                            zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag
                                            inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de
                                            betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere
                                            inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van
                                            een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met
                                            het ontslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                                    betrokkene afwijken van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:10</nr></kop><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen
                                steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien,
                                als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door
                                betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                                arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de
                                Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                                overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht
                                heeft;</al><lijst><li nr="a."><al>vermindering ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>blijvend geheel geweigerd worden;</al></li><li nr="c."><al>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                                        wel</al></li><li nr="d."><al>in uitkeringsduur beperkt worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie
                                    een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag
                                    uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van
                                    betrokkene over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd</al><lijst><li nr="a."><al>aan de langstlevende der echtgeno(o)t(en) of
                                            geregistreerde partner(s) indien de overledene niet
                                            duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden
                                            leefde;</al></li><li nr="b."><al>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                                            minderjarige wettige of natuurlijke kinderen,</al></li><li nr="c."><al>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen
                                            aan degenen ten aanzien van wie de overledene
                                            grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
                                            wie hij in gezinsverband leefde</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                                    echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner(s) aangemerkt niet
                                    gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die
                                    duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft
                                    personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede
                                    graad bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid,
                                    kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen
                                    gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een
                                    bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op
                                    andere wijze in elkaars verzorging voorzien</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
                                    mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de
                                    nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                                    overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
                                    werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
                                    uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die
                                    naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde
                                    uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betaling van de suppletie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op
                                    suppletie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                                    bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit,
                                    doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die
                                    suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de
                                    suppletie in de regel per maand achteraf</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd
                                    binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet
                                    meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten
                                    gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast
                                    te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend
                                    onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent
                                    het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of
                                    omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel
                                    11a:3.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                                    redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen
                                    indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                                    beschouwd als een suppletie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij
                                    die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die
                                    regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te
                                    nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen
                                    aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan
                                    noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het
                                    bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan
                                    totdat die opleiding of scholing is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het
                                    tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen
                                    gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de
                                    in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht
                                    daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen
                                    van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het
                                    bestuursorgaan nodig.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking
                                    tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop de controle van betrokkene
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                                            suppletie,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot
                                    artikel 11a:15.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                wegens ziekte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de
                                    sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als
                                    bedoeld in artikel K4, tweede lid, juncto artikel K6 van de
                                    Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die
                                    datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is
                                    verstreken, heeft recht op suppletie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                                    een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld
                                    van:</al><table><tgroup cols="12"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="11*"/><colspec colname="col3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colwidth="5*"/><colspec colname="col5" colwidth="11*"/><colspec colname="col6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colwidth="11*"/><colspec colname="col8" colwidth="7*"/><colspec colname="col9" colwidth="12*"/><colspec colname="col10" colwidth="4*"/><colspec colname="col11" colwidth="11*"/><colspec colname="col12" colwidth="7*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>maand:</al></entry><entry colname="col3"><al>gedurende</al></entry><entry colname="col4"><al>de</al></entry><entry colname="col5"><al>eerste</al></entry><entry colname="col6"><al>27</al></entry><entry colname="col7"><al>maanden</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>vervolgens</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>maanden</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>gedurende</al></entry><entry colname="col4"><al>de</al></entry><entry colname="col5"><al>eerste</al></entry><entry colname="col6"><al>26</al></entry><entry colname="col7"><al>maanden</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>vervolgens</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>maanden</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>25</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>24</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>22</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>21</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>19</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>18</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>17</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>16</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>15</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>14</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>13</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>12</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>11</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>10</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>9</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>8</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>7</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>6</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>4</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>3</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>2</al></entry><entry colname="col7"><al>"</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>"</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al>maand</al></entry><entry colname="col8"><al>80%,</al></entry><entry colname="col9"><al>"</al></entry><entry colname="col10"><al>33</al></entry><entry colname="col11"><al>"</al></entry><entry colname="col12"><al>70%;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>gedurende</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>maanden</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>32</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>31</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>30</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>29</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>28</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>27</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>26</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>24</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>23</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>22</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>21</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>20</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>19</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>18</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>17</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>16</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>15</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>13</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>11</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>10</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>9</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>8</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>7</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>54</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>6</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>4</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>2</al></entry><entry colname="col5"><al>"</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>maanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>"</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry><entry colname="col5"><al>maand</al></entry><entry colname="col6"><al>70%;</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7
                                    tot en met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met
                                    11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                                    overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op
                                    suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                                    met dien verstande dat voor de vaststelling van de
                                    berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het
                                    dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de
                                    WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9,
                                    eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                                    herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar
                                    beneden afgerond op een hele maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:18</nr></kop><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1
                                januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer
                                onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19,
                                eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
                                mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het
                                pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de
                                mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriele regeling op
                                grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene
                                Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent,
                                binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene,
                                geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39,
                                vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de
                                maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coordinatiewet
                                Sociale Verzekering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overige en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:19</nr></kop><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in
                                paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat,
                                wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                                overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad,
                                waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten
                                aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad
                                vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch
                                niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:20</nr></kop><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a:21</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                    eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op
                                    grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de
                                    ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                                    WAO-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de
                                    eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is
                                    gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1
                                    januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig
                                    arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op
                                    grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>12</nr><titel>OVERLEG MET ORGANISATIES VAN OVERHEIDSPERSONEEL</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                                            georganiseerd overleg;</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de
                                            collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers
                                            die werkzaam zijn op basis van een
                                            arbeidsovereenkomst;</al></li><li nr="c."><al>de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen
                                            van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel,
                                            aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot
                                            het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken
                                            van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is
                                    samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                                    en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene
                                    Centrale van Overheidspersoneel (ACOP), de Christelijke Centrale
                                    van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale
                                    van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid,
                                    onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF), dan wel een van de
                                    bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                                    respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben
                                    in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens
                                    ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers
                                    van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON.</al><al>Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden
                                    ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel
                                    ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als
                                    genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie.
                                    Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                                    overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                                    toegelaten worden indien ze representatief geacht kunnen worden.
                                    Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg
                                    besproken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten,
                                    verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer
                                    voldoende representatief geacht worden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn
                                    midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers
                                    aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van
                                    de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden
                                    lid van het college te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de
                                    commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld
                                    in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers
                                    aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de
                                    organisaties,welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden
                                    tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een
                                    zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze
                                    organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling
                                    wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld
                                    in artikel 12:1:1, tweede lid, aan het college opgaaf van het
                                    aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten
                                    ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie
                                    is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de
                                    organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de
                                    organisatie schriftelijk aan het college doet weten dat zijn
                                    aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is
                                    ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een
                                    opvolger aangewezen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                                    vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de
                                    commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                                    college verder personeel voor het secretariaat ter
                                    beschikking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Mededeling omtrent CAR en UWO</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                                    Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan
                                    de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling
                                    aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt
                                    dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot
                                    overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt,
                                    het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor
                                    georganiseerd overleg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:1:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                                    verandering te brengen in de inrichting van enig
                                    dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten
                                    daaronder begrepen, stelt het college het overleg als bedoeld in
                                    artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in de
                                    inrichting van enig dienstonderdeel regels vast
                                    betreffende:</al><lijst><li nr="a."><al>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg
                                            als bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                                            betrokken ambtenaren worden gehoord;</al></li><li nr="c."><al>de personele gevolgen van die verandering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig lid,
                                    vast te stellen wordt overleg gevoerd als bedoeld in artikel
                                    12:2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Taak en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van
                                    algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met
                                    inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                                    personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet
                                    overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA
                                    tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                                    Nederlandse Gemeenten en de centrales van
                                    overheidspersoneel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de
                                    comissie voor georganiseerd overleg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een
                                    bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot
                                    overeenstemming leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:1</nr></kop><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste
                                lid, worden door het college en de raad niet genomen, noch
                                voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de commissie haar gevoelen
                                over de concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar
                                gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties,
                                    is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde
                                    onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                                    bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent
                                    een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de
                                    raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies
                                    ter besluitvorming voor aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van
                                    voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de
                                    vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen
                                    van de vertegenwoordigde organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door
                                    haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de
                                    behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                                    subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door
                                    degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter
                                    beschikking staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt
                                    op door hem te bepalen tijdstippen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                                    drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van
                                    redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst
                                    van het verzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter
                                    vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel
                                    mogelijk de te behandelen onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer
                                    de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat uit twee
                                    of meer leden van het college kan de vergadering slechts
                                    plaatshebben indien ten minste de helft van de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en ten
                                    minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                                    vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde
                                    onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een
                                    binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke
                                    vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden
                                    behandeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:6</nr></kop><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te
                                maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze
                                stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende
                                vergadering aan de orde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                                    vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen
                                    deelnemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                                    bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun
                                    organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de
                                    agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke
                                    behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te
                                    onderwerpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                                    omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken
                                    geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten
                                    opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover
                                    de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:8</nr></kop><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo
                                dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door
                                hem te bepalen tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                                    vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één
                                    stem uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt
                                    bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of
                                    buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem
                                    van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt
                                    bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie,
                                    waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht
                                    als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van
                                    het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie
                                    niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                                    stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt
                                    uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging
                                    geacht tegen te hebben gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                                    vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het
                                    aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:10</nr></kop><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de
                                notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden
                                gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11,
                                anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:2:11</nr></kop><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de
                                vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het
                                college.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Advies- en arbitragecommissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:1</nr></kop><al>De artikelen 12:3:2 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in
                                die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en
                                arbitragecommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:2</nr></kop><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                                        gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties
                                        genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al></li><li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:3</nr></kop><al>De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op
                                geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste
                                lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand
                                van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels
                                volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:4</nr></kop><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot
                                een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg
                                zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij
                                daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis
                                van de overige deelnemers aan het overleg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4
                                    , schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie
                                    voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden
                                    binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen,
                                    wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over
                                    de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of
                                    een oplossing van det geschil zal worden gezocht door middel van
                                    voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van
                                    de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van
                                    het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid
                                    van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12.1,
                                    derde en vierde lid, bevoegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                                    overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het
                                    gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in
                                    artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel
                                    12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5 ,
                                    wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                                    voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat
                                    tenminste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in
                                    de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                                    bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat
                                    het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de
                                    overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en
                                    de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na
                                    eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                                    advies- en arbitragecommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                                    wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de
                                    voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                                    daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg
                                    en dient ten minste te bevatten:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li><li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg
                                            omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:7</nr></kop><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voortgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:8</nr></kop><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:3:9</nr></kop><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het
                                college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>13</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN CAR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking per ... <sup>1</sup></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                                ambtenarenreglement danwel van die verordeningen, die tekstueel dan
                                wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze
                                regeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                                bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen,
                                waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of
                                opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de
                                gevolgen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de
                                artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en tweede lid, 10:19, 10:23,
                                tweede lid, 11:1, 11:6, zevende en achtste lid, 11:13, eerste en
                                tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende
                                kracht tot en met 1 augustus 1993.</al></lid><lid><lidnr/><al><sup>1</sup> De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen
                                zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum 1 januari 1996
                                geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:2</nr></kop><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige
                            dienstverband heeft, geldt dat de omvang van dit dienstverband per 1
                            januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft
                            verzocht om handhaving van het aantal uren van de dienstverband per 31
                            december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:3</nr></kop><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en
                            uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997
                            geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid en 11:5, eerste
                            lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>14</nr><titel>MEDEZEGGENSCHAP</titel></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1</nr></kop><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de
                                ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de
                                benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het
                                (maximum) aantal zittingstermijnen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:1</nr></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                                ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of
                                onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht
                                een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun
                                onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in
                                artikel 1, tweede en derde lid , van de WOR.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Instelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:4</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:5</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:6</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:7</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:8</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:9</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:10</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:11</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:12</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Taak en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:13</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:14</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:15</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:16</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:17</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:18</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:19</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Commissievergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:20</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:21</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:22</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:23</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:24</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:25</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:26</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:27</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:28</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:29</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:30</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overlegvergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:31</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:32</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:33</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:34</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Faciliteiten voor de commissie en haar leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:35</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:36</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:37</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:38</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:39</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:40</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:41</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:42</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:1:43</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitbreiding bevoegdheden "kleine" OR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:2:1</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14:2:2</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>15</nr><titel>OVERIGE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1</nr></kop><al>De ambtenaar is gehouden zijn functie nauwgezet en ijverig te
                                vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar
                                betaamt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:a</nr></kop><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij
                                wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                voorgeschreven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Persoonlijk gebruik van goederen of diensten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:b</nr></kop><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of
                                namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten te laten verrichten door personen in
                                        gemeentedienst;</al></li><li nr="b."><al>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                                        functie ter kennis is gekomen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aannemen van geschenken en gelden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:c</nr></kop><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>in verband met zijn functie vergoedingen, beloningen, giften
                                        of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te
                                        nemen, anders dan met toestemming van het college;</al></li><li nr="b."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:d</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen
                                    van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren,
                                    werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn
                                    vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn functie te vervullen, is
                                    hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen
                                    mededelen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nevenwerkzaamheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:e</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit
                                    orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de
                                    nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan
                                    verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in
                                    verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                                    eerste lid gedane opgaven</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                                    bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en
                                    directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van
                                    andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter
                                    bescherming van de integriteit van de openbare dienst
                                    openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Melding financiële belangen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:f</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een
                                    functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                    belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                    koersgevoelige informatie verbonden is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op
                                    een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen
                                    respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de
                                    belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de
                                    functievervulling, kunnen raken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                    effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband
                                    staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn
                                    verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden
                                    gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:g</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                    nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare
                                    dienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de
                                    ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en
                                    leveringen ten behoeve van anderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:7</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verbod op aandeelhouderschap e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:9</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:10</nr><titel>Staking bij een particuliere werkgever</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    particulier werkgever een staking is uitgebroken of een
                                    uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of
                                    uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het
                                    verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het
                                    oordeel van het college zulks met het oog op de openbare
                                    veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering
                                    van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
                                    wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie,
                                    bedoeld in artikel 12:1 tweede lid. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanvaarden andere werkzaamheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het
                                    college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of
                                    andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te
                                    verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze
                                    werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de
                                    gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe
                                    strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die
                                    taak te verzekeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                                    wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet
                                    veiligheidsregio’s.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In geval van een ramp of crisis als bedoeld in artikel 1 Wet
                                    veiligheidsregio’s, is de ambtenaar die is aangewezen op grond
                                    van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het
                                    kader van de Wet veiligheidsregio’s te verrichten onder leiding
                                    en toezicht van het bevoegd gezag van de veiligheidsregio waar
                                    de ramp of crisis plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen,
                                    is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen
                                    aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid
                                    aangeduide taak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                                    slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar
                                    zulks redelijkerwijs toelaten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                                    vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze
                                    aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                                    daarvan op zijn salaris en de toegekende salaristoelage(n)
                                    worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid
                                    is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en
                                    ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                                    maken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Plichten rekenplichtige ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                                    aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven
                                    naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige
                                    voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en
                                    geldswaardige papieren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit
                                    een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt
                                    bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de
                                    handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                                    ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige
                                    afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                                    gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens
                                    aanwijzing door of namens het college.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Klachten van derden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:14</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beoordeling van de ambtenaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het
                                    college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een
                                    beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn
                                    functie vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de
                                    uitoefening daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de
                                    ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn
                                    functie of de wijze waarop hij zijn functie vervult, voor zover
                                    deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht
                                    wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze
                                    waarop hij zijn functie vervult naar het oordeel van het college
                                    verbeterd kan worden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Dragen van uniform of dienstkleding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie
                                    de door het college voor die functie of voor bepaalde
                                    werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                                    onderscheidingstekenen te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven
                                    uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door
                                    of namens het college toestemming is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                                    insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst
                                    uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die
                                    niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot
                                    het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend.
                                    Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen
                                    tot het aannemen of dragen waervan door het hoger bestuursorgaan
                                    verlof is verleend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                                    betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in
                                    het eerste lid bedoelde kleding.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Standplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de
                                    verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats
                                    te gaan wonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het
                                    met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar
                                    gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid
                                    bepaalde nadere regels stellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Dienstwoning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                                    dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake
                                    van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften
                                    die daaromtrent zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                                    plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder
                                    zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verbod betreden arbeidsterrein</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:19</nr></kop><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de
                                kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het
                                verblijf aldaar worden ontzegd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Infectieziekten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft
                                    met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                    krachtens de Infectieziektenwet bepaalde een nominatieve
                                    aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft
                                    geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor
                                    zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het
                                    staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat
                                    hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het
                                    gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige
                                    ziekte, geweken acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                                    situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven
                                    aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door
                                    of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                    betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig
                                    onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                                    overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn
                                    functie te vervullen, zijn volledige salaris en de toegekende
                                    salaristoelage(n).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:21</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Reis- en verblijfskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:22</nr></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeden van schade</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:23</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en
                                    uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed
                                    welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge
                                    van de vervulling van zijn functie, voor zover die schade niet
                                    bestaat uit de normale slijtage dier goederen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem
                                    toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                    aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten
                                    gevolge van de vervulling van zijn functie, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>die schade bestaat uit de normale slijtage of</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid
                                            grenzende verwijtbaarheid of</al></li><li nr="c."><al>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per
                                            jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer
                                            een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het
                                            belastingvrije bedrag per kilometer.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gebruik motorrijtuig</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:24</nr></kop><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
                                motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken,
                                indien en voor zover hem daartoe door of namens het college
                                toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde
                                voorwaarden worden verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:25</nr></kop><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                                schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden
                                verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Volgen van een opleiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:26</nr></kop><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor
                                het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of
                                enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen.
                                De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs
                                verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:27</nr></kop><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij
                                dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen
                                niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met
                                behoud van doorbetaling verleend voor het volgen van lessen aan
                                inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en
                                vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bijzondere prestaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:28</nr></kop><al>(verplaatst naar hoofdstuk 3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:29</nr></kop><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet
                                kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen
                                voordelen onthouden of nadelen toegebracht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Borstvoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:30</nr></kop><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt
                                gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de
                                gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                                kolven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:1:31</nr></kop><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                                plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de
                                commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten
                                vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan
                                genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten
                                wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke
                                organisatie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Klokkenluiders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met
                                    vermoedens van misstanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                                    vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen
                                    regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                                    ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente
                                    benadeeld worden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kinderopvang</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>16</nr><titel>DISCIPLINAIRE STRAFFEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Plichtverzuim</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakom of
                                    zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij
                                    herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van
                                    maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de
                                    tweede titel van de Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair
                                    worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                                    als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in
                                    gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de
                                    volgende disciplinaire straffen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>arbeid buiten de voor de functie van de ambtenaar
                                            vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen een
                                            lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes
                                            uren met een maximum van drie uren per dag en met dien
                                            verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op
                                            zondag en op de voor de ambtenaar geldende kerkelijke
                                            feestdagen;</al></li><li nr="c."><al>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het
                                            aantal uren waarop de ambtenaar voor het desbetreffende
                                            kalenderjaar aanspraak heeft;</al></li><li nr="d."><al>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het
                                            salaris per jaar;</al></li><li nr="e."><al>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een
                                            bedrag overeenkomende met het salaris over een halve
                                            maand;</al></li><li nr="f."><al>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering
                                            van verhogingen als gevolg van algemene loonmaatregelen,
                                            een herwaardering van de functie daaronder begrepen,
                                            voor ten hoogste vier jaren;</al></li><li nr="g."><al>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van
                                            de laatste twee periodieke verhogingen, of, indien aan
                                            de door de ambtenaar beklede functie geen schaal is
                                            verbonden, vermindering van het salaris met ten hoogste
                                            5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan twee
                                            jaren;</al></li><li nr="h."><al>plaatsing in een andere functie, al of niet in een ander
                                            onderdeel van de dienst, voor bepaalde of onbepaalde
                                            tijd en met of zonder vermindering van salaris en de
                                            toegekende salaristoelage(n);</al></li><li nr="i."><al>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met
                                            gedeeltelijk genot van salaris en de toegekende
                                            salaristoelage(n);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g worden
                                    opgelegd door het college; de straffen genoemd onder h en i,
                                    alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door
                                    het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de
                                    laatstelijk door de ambtenaar vervulde functie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij niet
                                    ten uitvoer zal worden gelegd indien de betrokken ambtenaar zich
                                    gedurende de bij het opleggen van de straf te bepalen termijn
                                    niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor
                                    de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig
                                    plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf
                                    eventueel te stellen bijzondere voorwaarden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze niet
                                    schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van het college of ten
                                    overstaan van een door het college aangewezen vertegenwoordiger.
                                    De verantwoording vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet
                                    later dan 12 maal 24 uur plaats. Op verzoek van de ambtenaar kan
                                    van deze termijn worden afgeweken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan binnen
                                    36 uur proces-verbaal opgemaakt, dat na voorlezing wordt
                                    getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording plaats
                                    heeft en door de ambtenaar. Weigert de ambtenaar de
                                    ondertekening, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo
                                    mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een
                                    afschrift van het proces-verbaal wordt de ambtenaar
                                    uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn raadsman
                                    in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van de ambtelijke
                                    rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste gelegde
                                    feiten betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:4</nr></kop><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                                schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16:1:5</nr></kop><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten
                                uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij
                                bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
                                bevolen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>17</nr><titel>OPLEIDING EN ONTWIKKELING</titel></kop><paragraaf><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1</nr><titel>Ontwikkeling en mobiliteit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar is op de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor
                                    zijn duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief, waardoor
                                    diens positie op de interne en externe arbeidsmarkt verbetert.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het belang van de organisatie en zichzelf ontwikkelt de
                                    ambtenaar zich door middel van scholing en het opdoen van
                                    werkervaring. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar maakt actief gebruik van het gemeentelijk
                                    loopbaanbeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:1:2 t/m 7:1:12</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college begeleidt en ondersteunt de ambtenaar bij het
                                    verbeteren en ontwikkelen van diens inzetbaarheid en mobiliteit.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college voert een actief intern en extern mobiliteitsbeleid
                                    en onderhoudt loopbaanbeleid, gericht op mobiliteit en
                                    organisatieverandering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst de ambtenaar op diens mogelijkheden binnen het
                                    gemeentelijk loopbaanbeleid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:3 Individueel loopbaanbudget</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ambtenaar heeft jaarlijks recht op een loopbaanbudget van €
                                    500.-. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien bij inwerkingtreding van dit artikel het college een
                                    opleidingsplan heeft vastgesteld dat gelijkwaardige ruimte biedt
                                    aan loopbaanontwikkeling op basis van individuele wensen over
                                    loopbaanactiviteiten gericht op vergroting van inzetbaarheid kan
                                    dit opleidingsplan ongewijzigd worden voortgezet ongeacht het
                                    bepaalde in het eerste lid. Dit na instemming van de
                                    ondernemingsraad. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ambtenaar zet het loopbaanbudget in ten behoeve van
                                    loopbaangerelateerde activiteiten, zoals opleiding, training,
                                    scholing, loopbaanadvies, coaching en ontwikkeling, gericht op
                                    de vergroting van zijn inzetbaarheid en zijn
                                    arbeidsmarktpotentie ten behoeve van een andere functie binnen
                                    of buiten de organisatie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid genoemde activiteiten dienen te zijn gericht
                                    op een reëel loopbaanperspectief. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Afspraken over de wijze van besteding van het loopbaanbudget
                                    worden vastgelegd in een (aanvulling op het) persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het resterende budget dat na verloop van het kalenderjaar waarin
                                    de aanspraak is opgebouwd niet is benut, komt te vervallen.
                                </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In afwijking op het bepaalde in het zesde lid kan de ambtenaar
                                    het loopbaanbudget gedurende maximaal drie jaar opsparen, om
                                    daarmee eenmalig een duurdere activiteit te financieren. Dit
                                    wordt vastgelegd in (een aanvulling op) het persoonlijk
                                    ontwikkelingsplan. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien na toepassing van het bepaalde in het zevende lid na
                                    verloop van de overeengekomen periode het budget niet of niet
                                    volledig is benut komt het resterende budget te vervallen. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Dit artikel is geldig in 2013, 2014 en 2015. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:4</nr><titel>Persoonlijk ontwikkelingsplan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Naast de afspraken over het individueel loopbaanbudget
                                        leggen het college en de ambtenaar in een persoonlijk
                                        ontwikkelingsplan de afspraken vast over de
                                        loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden
                                        van de ambtenaar, alsmede een in dat kader door hem te
                                        volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten. </al></li><li nr="2."><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer
                                        per drie jaar opgesteld en door het college vastgesteld.
                                    </al></li><li nr="3."><al>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten
                                        passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire
                                        voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals
                                        neergelegd in het door het college vastgestelde
                                        opleidingsplan. </al></li><li nr="4."><al>De kosten die gemaakt worden in het kader van de in het
                                        persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen opleiding en
                                        activiteiten worden door het college vergoed. </al></li><li nr="5."><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                        vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele
                                        verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de
                                        ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit
                                        te voeren. </al></li><li nr="6."><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                                        vastgelegd met betrekking tot een of meer van de volgende
                                        onderwerpen: </al><lijst><li nr="-"><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                                                redelijkerwijs te maken kosten; </al></li><li nr="-"><al>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal
                                                worden; </al></li><li nr="-"><al>de minimaal te behalen resultaten en te maken
                                                voortgang; </al></li><li nr="-"><al>de omstandigheden onder welke een te volgen studie
                                                kan worden onderbroken of gestopt; </al></li><li nr="-"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de
                                                genoten vergoeding bij het voortijdig afbreken van
                                                een studie door de ambtenaar; </al></li><li nr="-"><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de
                                                genoten vergoeding bij het verlaten van de
                                                gemeentelijke dienst binnen een te bepalen periode
                                                na afronding van de studie; </al></li><li nr="-"><al>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn
                                                voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.
                                            </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:5</nr><titel>Loopbaanadvies</titel></kop><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op
                                loopbaanadvies bij een door het college aangewezen interne of
                                externe deskundige.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:6</nr><titel/></kop><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan van en het
                                functioneringsgesprek met een ambtenaar van 50 jaar en ouder stelt
                                het college zijn belasting en belastbaarheid aan de orde. Zonodig
                                worden naar aanleiding hiervan afspraken gemaakt over aanpassingen
                                in het individuele takenpakket.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17:7</nr><titel>Flankerend beleid</titel></kop><al>Het college stelt vast welke mobiliteitsbevorderende voorzieningen
                                beschikbaar kunnen worden gesteld aan ambtenaren die zich in een
                                Van-werk-naar-werk-traject bevinden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>18</nr><titel>VERPLAATSINGSKOSTEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin
                                            van de CAR;</al></li><li nr="b."><al>woongebied: een door het college aan te wijzen gebied
                                            aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel
                                            daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn verkzaamheden
                                            verricht;</al></li><li nr="d."><al>gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van
                                            de betrokkene en de kinderen, stief- en pleegkinderen
                                            van de betrokkene en/of van de echtgenoot,
                                            geregistreerde partner, voor zover zij samenwonen;</al></li><li nr="e."><al>eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen
                                            rekening bewonen van woonruimte, voorzien van eigen
                                            meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling
                                            van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="f."><al>berekeningsbasis: het twaalfvoud van het salaris per
                                            maand inclusief eventuele salaristoelage(n), dan wel
                                            hetgeen daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op
                                            hem van toepassing is - die betrokkene geniet op het
                                            berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de
                                            vakantieuitkering en in voorkomende gevallen vermeerderd
                                            met: </al><lijst><li nr="1."><al>genoten wachtgeld of uitkering krachtens
                                                  hoofdstuk 10 of 11 of een genoten
                                                  werkloosheidsuitkering krachtens de WW en
                                                  eventueel hoofdstuk 10a;</al></li><li nr="2."><al>genoten herplaatsingstoelage hoofdstuk 12 van
                                                  het pensioenreglement;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>berekeningstijdstip:</al><al>1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al><al>2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de
                                            functie feitelijk wordt vervuld, de datum van ingang van
                                            de functievervulling;</al><al>3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de
                                            datum waarop de laatste salarisbetaling heeft
                                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="h."><al>verplaatsen en verplaatsing: veranderen
                                            onderscheidenlijk verandering van de standplaats van de
                                            betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al></li><li nr="i."><al>verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de
                                            kosten van een verplaatsing, danwel van een verhuizing
                                            voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                                            tegemoetkoming in reis- en pensionkosten voor de periode
                                            dat de verhuizing nog niet heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="j."><al>dienstwoning: de door het bestuursorgaan aan de
                                            betrokkene in verband met de uitoefening van zijn
                                            functie aangewezen woning;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht
                                    genomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen, als
                                    bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een tegemoetkoming
                                    in verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betrokkene die in verband met een indiensttreding is verhuisd
                                    en aan wie binnen twee jaar na verhuizing ontslag op verzoek
                                    wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten feiten
                                    of omstandigheden binnen twee jaren na de verhuizing wordt
                                    ontslagen, dient de hem toegekende tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten terug te betalen. Overgang zonder onderbreking
                                    naar een andere tak van dienst van dezelfde gemeente of naar een
                                    van haar bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op
                                    verzoek beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene, die
                                    in verband met een indiensttreding dient te verhuizen, slechts
                                    verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat een
                                    verplichting tot terugbetalen als bedoeld in het vorige lid hem
                                    bekend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene, die in opdracht van het bestuursorgaan, anders
                                    dan in verband met een verplaatsing of indiensttreding, een
                                    dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een
                                    ontslag op verzoek anders dan een ontslag op verzoek met recht
                                    op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag als
                                    gevolg van aan betrokkene te wijten feiten of omstandigheden en
                                    het ontslag niet ingaat binnen twee jaren nadat de dienstwoning
                                    is betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                                    overlijden van de betrokkene, wordt een tegemoetkoming in
                                    verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een vergoeding
                                    in de verhuiskosten, bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet meer
                                    bedraagt dan die waarop aanspraak zou bestaan bij verhuizing
                                    binnen het woongebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:4</nr></kop><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2
                                en 18:1:3 wordt verleend, indien de verhuizing niet heeft
                                plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting tot verhuizen
                                is opgelegd dan wel na de datum van het ontslag, het overlijden of
                                de verplaatsing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en
                                            van de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden
                                            naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van
                                            het in- en uitpakken van breekbare zaken;</al></li><li nr="b."><al>een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de
                                            noodzakelijk te maken kosten, met een maximum van €
                                            307,49 per maand met dien verstande dat de
                                            tegemoetkoming ten hoogste voor vier maanden wordt
                                            verleend;</al></li><li nr="c."><al>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                                            voortvloeiende kosten met een maximum van €
                                            6.149,43.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                                    huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet anders
                                    is bepaald, gesteld op een tegemoetkoming van 3% van de
                                    berekeningsbasis voor ieder woon- of slaapvertrek, tot een
                                    maximum van vier van deze vertrekken, die de achtergelaten
                                    woning telt, met dien verstande dat het maximumbedrag genoemd in
                                    het eerste lid, onderdeel c, niet overschreden wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                                    echtgenoten, geregistreerde partners beide betrokkene zijn in de
                                    zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben om te
                                    verhuizen of zijn verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de
                                    berekeningsbasis vastgesreld. Ingeval beide betrokkenen een
                                    deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking
                                    bij een andere werkgever die aanspraak geeft op een
                                    tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis
                                    vastgesteld als ware er sprake van een voltijdbetrekking. De
                                    tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                                    berekeningsbasis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                                    tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid, onder c, verleend.
                                    Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan
                                    voor deze kosten niettemin een tegemoetkoming worden verleend
                                    van 3% van de berekeningsbasis.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tegemoetkoming woon- werkverkeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                                    opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen,
                                    zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
                                    pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding
                                    van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de
                                    plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
                                    aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
                                    verhuiskosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
                                    oordeel van het bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan
                                    reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
                                    betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een
                                    tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension
                                    in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens
                                    een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de
                                    reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                    naar het oordeel van het bestuursorgaan niet alles, wat
                                    redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
                                    spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in
                                    aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
                                    bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en
                                    als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
                                    tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid
                                    worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het
                                    tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het
                                    bestuursorgaan niet dagelijks heen en weer kan reizen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoogte tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte kosten van het
                                    openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede
                                    klasse.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is
                                    voor dat deel dat gebruik wordt gemaakt van de trein gemaximeerd
                                    op het bedrag van € 3.900 per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het
                                    pension met het ander (aansluitend) openbaar vervoer naar het
                                    eerst mogelijke station kan reizen maar van dit openbaar vervoer
                                    geen gebruik maakt en in plaats daarvan met eigen vervoer naar
                                    dat station reist, ontvangt een tegemoetkoming van € 102,77 op
                                    jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                                    eerste en vierde lid, is, indien het college de plaats van
                                    tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een
                                    plaats van tewerkstelling die niet door openbaar vervoer is te
                                    bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen
                                    groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege de
                                    opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                    € 0,15 per kilometer met een maximum van 20 kilometer enkele
                                    reis.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats
                                    van tewerkstelling met het openbaar vervoer kan bereiken maar
                                    daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een
                                    tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld in het
                                    vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:7a</nr></kop><al>(Vervalt)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:8</nr></kop><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een
                                betrokkene die niet conform artikel 15:1:17 verhuisplichtig is,
                                heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet met het
                                openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot
                                een aangewezen groep voor wie de plaats van tewerkstelling vanwege
                                de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                                wordt aan de betrokkene voor de gehele duur van het dienstverband
                                een vergoeding per afgelegde kilometer verstrekt. De hoogte van deze
                                vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Pensionkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel
                                    18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene die gewoonlijk
                                    met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen
                                    60% van de betaalde pensionkosten, voor zover deze kosten niet
                                    uitgaan boven de door het bestuursorgaan redelijk geoordeelde
                                    pensionkosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor
                                    het bezoeken van de plaats waar betrokkene nog is gehuisvest is
                                    gelijk aan de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer en
                                    wel naar het tarief van de laagste klasse.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Duur tegemoetkoming reis- en pensionkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen 18:1:7
                                    en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor niet langer dan zes
                                    maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op verzoek
                                    van betrokkene telkens voor niet langer dan zes maanden
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                                    bestaat indien de declaratie van de in een kalendermaand
                                    gemaakte kosten conform artikel 18:1:7 eerste lid en artikel
                                    18:1:14, in geval wordt gekozen voor het vergoedingssysteem
                                    zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen drie maanden na die
                                    kalendermaand bij het bevoegde gezag is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de tegemoetkomingen
                                    vastgesteld op basis van artikel 18:1:7 eerste lid en artikel
                                    18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden uitbetaald met
                                    inachtneming van een korting op de bedragen van 6%.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient voor
                                    de datum van de verhuizing bij het bestuursorgaan te zijn
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval binnen
                                    zes maanden daarna doet de betrokkene bij het bestuursorgaan
                                    opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5, eerste lid,
                                    onder b.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorschot</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:12</nr></kop><al>Het bestuursorgaan kan ter zake van dit hoofdstuk bedoelde
                                tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:13</nr></kop><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of
                                krachtens dit hoofdstuk gestelde regels beslissen in individuele
                                gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het college niet
                                of niet naar redelijkheid voorzien.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18:1:14</nr></kop><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer op grond van artikel 18:1:7, vierde lid zoals dat
                                luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende de periode
                                van maximaal twee jaar, welke ingaat op het moment van toekenning,
                                recht op een tegemoetkoming woon-werkverkeer conform de
                                vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de
                                vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf 1 juli 2004 financieel
                                voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij recht op een
                                tegemoetkoming conform de laatstgenoemde vergoedingssystematiek.
                                Indien de medewerker gehoor heeft gegeven aan de verhuisplicht, dan
                                vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>19</nr><titel>RECHTSPOSITIEREGELING VRIJWILLIGERS BIJ DE GEMEENTELIJKE
                            BRANDWEER</titel></kop><afdeling><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die door het
                                    college aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke
                                    brandweer.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:2</nr></kop><al>Hoofdwerkgever: de werkgever waarbij de vrijwilliger in
                                    loondienst is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overleg met vakorganisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:3</nr></kop><al>Het overleg over de aangelegenheden die van algemeen belang zijn
                                    voor de rechtstoestand van de vrijwilligers vindt plaats in de
                                    op grond van artikel 12:1, tweede lid, van de CAR ingestelde
                                    commissie voor georganiseerd overleg. Dit geldt ook voor de
                                    algemene regels volgens welke het personeelsbeleid gevoerd zal
                                    worden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Informatievoorziening aan de vrijwilliger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een
                                        exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en
                                        van alle andere schriftelijke regels die hij bij de
                                        uitvoering van zijn werkzaamheden heeft na te leven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger die regels heeft na te leven die niet
                                        schriftelijk zijn vastgesteld wordt hierover naar behoren
                                        geïnformeerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Informatievoorziening aan derden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:5</nr></kop><al>Een exemplaar van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan en
                                    van alle regels die ter uitvoering van artikel 125 van de
                                    Ambtenarenwet voor de vrijwilliger worden getroffen met inbegrip
                                    van de wijzigingen daarop, worden kosteloos ter beschikking
                                    gesteld aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de vakorganisaties die deelnemen aan het georganiseerd
                                            overleg bedoeld in artikel 19:3, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het
                                            college in aanmerking komt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Aanstelling en bevordering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Aanstelling in vaste of tijdelijke dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger aanstellen in vaste dienst,
                                        of in tijdelijke dienst voor een bepaalde periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt alleen verleend
                                        bij wijze van proef.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanstelling in tijdelijke dienst wordt voor een periode
                                        van maximaal twee jaar verleend. In bijzondere gevallen kan
                                        de tijdelijke aanstelling verlengd worden met een periode
                                        van ten hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verleent de vrijwilliger een vaste aanstelling
                                        zodra de maximale termijn voor een tijdelijke aanstelling
                                        verstreken is, tenzij de proef niet geslaagd is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Voorwaarden voor aanstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor aanstelling als vrijwilliger kunnen alleen die personen
                                        in aanmerking komen die voldoen aan de eisen die het Besluit
                                        personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die in aanmerking wil komen voor aanstelling als
                                        vrijwilliger voldoet bovendien aan de volgende
                                        voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>hij beschikt over de voor de brandweerdienst
                                                vereiste karaktereigenschappen;</al></li><li nr="b."><al>hij is door de aard en de plaats van zijn dagelijkse
                                                werkzaamheden en de ligging van zijn woning, in
                                                staat om zijn taak bij de gemeentelijke
                                                brandweerdienst naar behoren te vervullen;</al></li><li nr="c."><al>hij is ten minste 18 jaar.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:7a</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bericht van aanstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt voor indiensttreding kosteloos een
                                        bericht van aanstelling. Hierin wordt vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum
                                                van de vrijwilliger:</al></li><li nr="b."><al>de duur van de aanstelling; bij een tijdelijke
                                                aanstelling wordt de periode waarvoor de aanstelling
                                                is aangegaan zo nauwkeurig mogelijk omschreven;</al></li><li nr="c."><al>de ingangsdatum van de aanstelling;</al></li><li nr="d."><al>de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld en
                                                de vergoeding die aan hem wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college deelt wijzigingen in de punten b tot en met d zo
                                        spoedig mogelijk, kosteloos, mee aan de vrijwilliger.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Bevordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:9</nr></kop><al>Het college kan een vrijwilliger alleen tot een hogere functie
                                    bevorderen wanneer hij voldoet aan de eisen die het Besluit
                                    personeel veiligheidsregio’s daarvoor stelt. In het besluit tot
                                    bevordering worden ten minste de nieuwe functie en de daaraan
                                    verbonden vergoeding vermeld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Medische keuring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:10</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Relatie hoofdwerkgever</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Informatie over hoofdwerkgever</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die in loondienst is verstrekt het college
                                        bij indiensttreding de contactgegevens van zijn
                                        hoofdwerkgever en informeert het college over zijn
                                        werktijden aldaar. De vrijwilliger informeert het college zo
                                        spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger die werkzaam is als zelfstandig ondernemer
                                        informeert het college bij zijn indiensttreding hierover en
                                        verstrekt gegevens over de aard van zijn werkzaamheden en
                                        het tijdsbeslag daarvan. De vrijwilliger informeert het
                                        college zo spoedig mogelijk over wijzigingen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Informatie aan hoofdwerkgever</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:12</nr></kop><al>De vrijwilliger bericht zijn hoofdwerkgever zo spoedig mogelijk
                                    na indiensttreding dat:</al><lijst><li nr="a."><al>hij aangesteld is als vrijwilliger bij de
                                            brandweer;</al></li><li nr="b."><al>hij tijdens werktijd ingezet kan worden voor
                                            brandweerwerkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>de Arbeidstijdenwet van toepassing is op zijn
                                            werkzaamheden voor de brandweer en dat bij de
                                            vaststelling van zijn werktijden hier rekening mee
                                            gehouden moet worden;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente hem een vergoeding verstrekt voor
                                            brandweeractiviteiten tijdens werktijd;</al></li><li nr="e."><al>ingeval van ziekte als gevolg van een dienstongeval bij
                                            de brandweer, de hoofdwerkgever recht heeft op een
                                            vergoeding.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Vergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:13</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt zolang de aanstelling duurt een
                                        vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en
                                        bijlage IIb van de CAR-UWO.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, ontvangt de medewerker die
                                        vanaf 31 december 1979 onafgebroken ambtenaar en als
                                        vrijwilliger werkzaam is, zolang de aanstelling duurt een
                                        vergoeding overeenkomstig de regels van dit hoofdstuk en
                                        bijlage IIc van de CAR-UWO.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Jaarvergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:14</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt elk kalenderjaar een
                                        jaarvergoeding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jaarvergoeding wordt vastgesteld op het bedrag dat in de
                                        bijlage, genoemd in artikel 19:13 is vermeld achter de
                                        functiecategorie, behorende bij de functie waarin de
                                        vrijwilliger is aangesteld, in de tweede kolom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de jaarvergoeding is een netto-bedrag opgenomen van €
                                        136, ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in
                                        verband met de beroepsuitoefening. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de jaarvergoeding voor de officieren is tevens een
                                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per in het kader
                                        van de beroepsuitoefening verrichte activiteit niet zijnde
                                        brandbestrijding of andere hulpverlening. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding voor oefeningen, cursussen en overige
                                    werkzaamheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die deelneemt aan een oefening, een cursus
                                        volgt met toestemming van het college, of in opdracht van
                                        het college overige werkzaamheden verricht heeft recht op
                                        een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
                                        uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                                        vermeld achter de functie waarin de vrijwilliger is
                                        aangesteld, in de derde kolom. Wanneer de vergoeding op nul
                                        is gesteld heeft de vrijwilliger voor die activiteit geen
                                        recht op vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit
                                        voor vrijwilligers niet zijnde officieren. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding voor daadwerkelijke brandbestrijding en
                                    hulpverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:16</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die zich, na hiertoe opgeroepen te zijn,
                                        bezighoudt met daadwerkelijke brandbestrijding en
                                        hulpverlening ontvangt hiervoor een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding wordt vastgesteld aan de hand van het
                                        uurbedrag dat in de bijlage, genoemd in artikel 19:13 staat
                                        vermeld achter de functiecategorie, behorende bij de functie
                                        van de vrijwilliger, in de vierde kolom.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de uurvergoeding genoemd in het tweede lid is een
                                        netto-onkostenvergoeding opgenomen van € 2 per activiteit
                                        voor vrijwilligers niet zijnde officieren. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding voor langdurige aanwezigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die, in opdracht van het college, vijf uur
                                        of langer ingezet wordt voor oefeningen, cursussen of
                                        overige brandweerwerkzaamheden, ontvangt een vergoeding voor
                                        langdurige aanwezigheid. De vergoeding wordt vastgesteld aan
                                        de hand van het uurbedrag dat in bijlage, genoemd in artikel
                                        19:13 staat vermeld achter de functiecategorie, behorende
                                        bij de functie waarin de vrijwilliger is aangesteld, in de
                                        vijfde kolom.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de vergoeding op nul is gesteld heeft de
                                        vrijwilliger geen recht op een vergoeding voor langdurige
                                        aanwezigheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor langdurige aanwezigheid wordt alleen
                                        verstrekt over die uren waarin de vrijwilliger daadwerkelijk
                                        geoefend heeft, een cursus gevolgd heeft of overige
                                        brandweerwerkzaamheden verricht heeft.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Consignatievergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:18</nr></kop><al>De vrijwilliger die zich ter beschikking moet houden om
                                    opgeroepen te worden voor werkzaamheden ontvangt een
                                    consignatievergoeding.</al><al>Deze vergoeding bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>per uur 16% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                            bijlagen, genoemd in artikel 19:13 op zondagen,
                                            nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede
                                            Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop de
                                            verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere
                                            andere dag die daarnaast door het college wordt
                                            aangewezen als feestdag;</al></li><li nr="b."><al>per uur 10% van het bedrag genoemd in kolom drie van de
                                            bijlagen, genoemd in artikel 19:13 voor alle overige
                                            dagen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kazerneringsdienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:19</nr></kop><al>Het college kan bij lokale regeling regels stellen over de
                                    vergoeding van kazerneringsdiensten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding tijdens en in verband met zwangerschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:20</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger bedoeld in artikel 19:29 heeft gedurende de
                                        periode dat zij niet ingezet wordt in de repressieve
                                        brandweerdienst, of niet deelneemt aan oefeningen recht op
                                        doorbetaling van de vergoedingen bedoeld in artikel 19:15
                                        tot en met 19:18.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van deze vergoeding wordt berekend op basis van
                                        het bedrag dat de vrijwilliger gemiddeld over het kwartaal
                                        voorafgaand aan de eerste dag van het verlof ontvangen
                                        heeft. Indien het arbeidspatroon in deze periode sterk
                                        afwijkt van het gebruikelijke, past het college deze
                                        berekening toe op een kalenderkwartaal waarin wel sprake was
                                        van een gebruikelijk arbeidspatroon.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Opleidingskosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:21</nr></kop><al>Het college vergoedt de kosten van het volgen van een opleiding
                                    of een cursus, deelname aan examens en het bijwonen van
                                    bijeenkomsten, voor zover deze in opdracht van of met
                                    toestemming van het college zijn gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gratificatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:22</nr></kop><al>Bij lokale regeling kan het college regels vaststellen voor het
                                    toekennen van een gratificatie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Fiscaal aantrekkelijke regelingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:23</nr></kop><al>De vrijwilliger kan gebruik maken van de lokale regeling met
                                    fiscaal gunstige personeelsvoorzieningen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Salarismutaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:24</nr></kop><al>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die
                                    in het LOGA worden overeengekomen, zijn wat betreft het
                                    percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing op
                                    de bedragen genoemd in bijlage bij artikel 19:13.</al><al>De overeenkomstig het vorige lid berekende vergoedingen worden
                                    wat betreft de jaarvergoeding afgerond op hele euro’s en wat
                                    betreft de overige vergoedingen op eurocenten.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Verzekeringen en schadevergoeding</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Ongevallenverzekering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:25</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college sluit een ongevallenverzekering af voor de
                                        vrijwilliger.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ongevallenverzekering keert uit bij overlijden,
                                        tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van
                                        een dienstongeval, overeenkomstig de polisvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding geïnformeerd over
                                        de inhoud van de verzekering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wijzigingen worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                        vrijwilliger gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vrijwilliger ontvangt op zijn verzoek kosteloos een
                                        afschrift van de polisvoorwaarden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding geneeskundige kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:26</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de noodzakelijk
                                        gemaakte medische kosten die ontstaan zijn als gevolg van
                                        een dienstongeval en die voor zijn rekening blijven. De
                                        vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag waarvoor het
                                        college zich terzake heeft verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het verzekerde bedrag niet toereikend is om de in het
                                        eerste lid genoemde medische kosten van de vrijwilliger te
                                        vergoeden, kan het college in bijzondere gevallen een
                                        tegemoetkoming verstrekken in de hogere kosten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verzekering zelfstandig ondernemers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:27</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voor de vrijwilliger die zelfstandig
                                        ondernemer is een aanvullende verzekering sluiten die
                                        voorziet in een uitkering bij blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid als gevolg van een dienstongeval.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college informeert de vrijwilliger die het betreft bij
                                        indiensttreding of deze verzekering voor hem is afgesloten
                                        en indien dat het geval is wordt de vrijwilliger
                                        geïnformeerd over de dekking van de verzekering.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schade aan kleding en uitrusting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:28</nr></kop><al>Het college vergoedt de vrijwilliger de schade aan zijn kleding,
                                    uitrusting en een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de
                                    Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij buiten
                                    zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem
                                    verrichtte werkzaamheden, voor zover de schade niet bestaat uit
                                    normale slijtage van die goederen.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>6</nr><titel>Zwangerschap</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Zwangerschap</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:29</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger meldt haar zwangerschap in een zo vroeg
                                        mogelijk stadium bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de zwangerschap, tot zes maanden daarna en tijdens
                                        de periode van borstvoeding wordt de vrijwilliger niet
                                        ingezet voor repressieve brandweeractiviteiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan brandweeroefeningen in de in het tweede lid
                                        genoemde situaties vindt alleen plaats na voorafgaande
                                        toestemming door de bedrijfsarts.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>7</nr><titel>Beschikbaarheid en overige plichten
                                vrijwilliger</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Beschikbaarheid van de vrijwilliger</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:30</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels over de beschikbaarheid van de
                                        vrijwilliger voor de brandweerdienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger neemt deel aan oefeningen, bijeenkomsten en
                                        cursussen die door of vanwege het college zijn
                                        georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger die niet beschikbaar is voor de
                                        brandweerdienst, of niet kan deelnemen aan een oefening,
                                        bijeenkomst of cursus doet daarvan tijdig melding, onder
                                        opgave van redenen en overeenkomstig de instructie van het
                                        college.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:31</nr></kop><al>De vrijwilliger dient zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                                    verrichten en zich te gedragen als een goed vrijwilliger.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Eed of belofte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:32</nr></kop><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die
                                    bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is
                                    voorgeschreven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verboden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:33</nr></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>de aan de gemeente toebehorende eigendommen aan te
                                            wenden voor persoonlijk gebruik, tenzij hiervoor
                                            toestemming is verleend door of namens het college;</al></li><li nr="b."><al>vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden
                                            te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij
                                            hiervoor toestemming is verleend door of namens het
                                            college;</al></li><li nr="c."><al>steekpenningen aan te nemen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gebruik van motorrijtuig</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:34</nr></kop><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de
                                    zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen te
                                    gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als vrijwilliger,
                                    indien hem daartoe door het college toestemming is verleend. Aan
                                    deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden
                                    verbonden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kledingvoorschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:35</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de
                                        door of namens het college voorgeschreven dienstkleding en
                                        uitrustingsstukken te dragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van
                                        gemeentewege kosteloos in bruikleen verstrekt aan de
                                        vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij het
                                        college in te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                                        bruikleen verstrekte dienstkleding en uitrustingsstukken en
                                        hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan inspectie en
                                        controle, wanneer daartoe door het college opdracht is
                                        gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is verantwoordelijk voor reparatie van de
                                        dienstkleding en uitrustingsstukken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verboden ten aanzien van de kleding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:36</nr></kop><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer
                                            hij geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht,
                                            behalve in de gevallen waarin het college daarvoor
                                            toestemming heeft verleend;</al></li><li nr="b."><al>de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden in
                                            bruikleen te geven;</al></li><li nr="c."><al>dienstkleding te dragen voorzien van:</al><lijst><li nr="i."><al>andere rangonderscheidingstekenen dan die
                                                  verbonden aan de rang, behorende bij de functie
                                                  die de vrijwilliger bekleedt;</al></li><li nr="ii."><al>insignes en andere onderscheidingstekenen,
                                                  tenzij tot het dragen daarvan door de staat of
                                                  door het college toestemming is verleend.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vergoeding van schade</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:37</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die door zijn schuld of nalatigheid de
                                        gemeente schade toebrengt kan verplicht worden deze schade
                                        geheel of gedeeltelijk te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld om zijn
                                        wensen kenbaar te maken ten aanzien van de inhouding van de
                                        schadevergoeding op zijn vergoeding.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>8</nr><titel>Disciplinaire maatregelen schorsing in het
                                belang van de dienst</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Plichtsverzuim</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:38</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vrijwilliger die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt,
                                        kan disciplinair worden gestraft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een
                                        voorschrift als het overigens doen of nalaten van iets dat
                                        een goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na
                                        te laten of te doen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Disciplinaire straffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:39</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende disiplinaire straffen kunnen worden
                                        opgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li><li nr="b."><al>inhouding van een deel van de jaarvergoeding bedoeld
                                                in artikel 19:14;</al></li><li nr="c."><al>schorsing voor een bepaalde tijd, al dan niet met
                                                inhouding van de vergoeding;</al></li><li nr="d."><al>ongevraagd ontslag.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schorsing in het belang van de dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:40</nr></kop><al>De vrijwilliger kan voor een bepaalde tijd geschorst
                                    worden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hem de straf van disciplinair ontslag is
                                            opgelegd of hem het voornemen daartoe kenbaar is
                                            gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>wanneer tegen hem, op grond van het daartoe bepaalde in
                                            het Wetboek van Strafvordering, een bevel tot
                                            inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten
                                            uitvoer wordt gelegd;</al></li><li nr="c."><al>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging is
                                            ingesteld wegens misdrijf;</al></li><li nr="d."><al>in andere gevallen waarin het belang van de dienst dit
                                            noodzakelijk maakt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>9</nr><titel>Ontslag</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Ontslag op eigen verzoek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:41</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent eervol ontslag aan de vrijwilliger die
                                        daarom verzoekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit ontslag wordt verleend met ingang van een datum die ten
                                        minste een maand en ten hoogste drie maanden ligt na de
                                        datum van ontvangst van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een beslissing op het verzoek om eervol
                                        ontslag aanhouden, wanneer tegen de vrijwilliger een
                                        strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf loopt, of
                                        wanneer overwogen wordt de vrijwilliger disciplinair te
                                        straffen. Beslissing op het ontslagverzoek vindt plaats
                                        zodra de uitspraak van de rechter onherroepelijk geworden
                                        is, respectievelijk zodra besloten is de vrijwilliger al dan
                                        niet disciplinair te straffen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ongevraagd ontslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:42</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen
                                        op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling
                                                of wegens verandering van de
                                                brandweerorganisatie;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheid dat hij door de aard of de plaats
                                                van zijn dagelijkse werkzaamheden dan wel de ligging
                                                van zijn woning geacht moet worden niet langer in
                                                staat te zijn zijn taak bij de brandweer te
                                                vervullen;</al></li><li nr="c."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten
                                                van zijn werkzaamheden op grond van ziekten of
                                                gebreken;</al></li><li nr="d."><al>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten
                                                van zijn werkzaamheden anders dan op grond van
                                                ziekten of gebreken;</al></li><li nr="e."><al>ondercuratelestelling;</al></li><li nr="f."><al>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                                onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="g."><al>onherroepelijk geworden veroordeling tot
                                                vrijheidsstraf wegens misdrijf;</al></li><li nr="h."><al>een in het ontslagbesluit genoemde andere
                                                grond.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het ongevraagd ontslag wordt eervol verleend, met
                                        uitzondering van het ontslag op de grond genoemd in het
                                        eerste lid, onderdeel g van dit artikel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Einde tijdelijk dienstverband</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19:43</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling eindigt van rechtswege op de
                                        laatste dag van de periode waarvoor deze is aangegaan. Wordt
                                        het dienstverband nadien feitelijk gehandhaafd zonder dat
                                        opnieuw een tijdelijke aanstelling is verleend, dan is de
                                        vrijwilliger met ingang van de eerste dag na het verstrijken
                                        van vorenbedoelde periode in vaste dienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tijdelijke aanstelling kan tussentijds ongevraagd
                                        beëindigd worden op een van de gronden genoemd in artikel
                                        19:42.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>19a KEURINGEN BRANDWEERPERSONEEL</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die bij de brandweer
                                is aangesteld, als beroeps of vrijwilliger, in de functie van
                                bevelvoerder en manschap A en B, zoals vermeld in het Besluit
                                personeel veiligheidsregio’s. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in aanvulling op het eerste lid andere functies bij
                                de brandweer aanwijzen waarop dit hoofdstuk van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:2</nr><titel>Aanstellingskeuring</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanstelling in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, is alleen
                                mogelijk als na een geneeskundig onderzoek gericht op de te bekleden
                                functie blijkt dat tegen het bekleden van de functie uit medisch
                                oogpunt geen bezwaren bestaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek bestaat uit de onderdelen zoals opgenomen
                                in de aanstellingskeuring in bijlage VIIa van de CAR. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het geneeskundig onderzoek wordt gedaan door geneeskundigen, die
                                daartoe door het college zijn aangewezen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de
                                gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:3</nr><titel>Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Periodiek wordt de medische gezondheid van de ambtenaar, die is
                                    aangesteld in een functie, bedoeld in artikel 19a:1, getoetst
                                    conform het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO). </al></li><li nr="2."><al>Het PPMO bestaat uit de onderdelen, zoals opgenomen in bijlage
                                    VIIb van de CAR. </al></li><li nr="3."><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar
                                    gelijktijdig of minimaal een half jaar na indienstreding. </al></li><li nr="4."><al>Het geneeskundig onderzoek geschiedt voor de ambtenaar met een
                                    leeftijd van: </al><al>a. jonger dan veertig één keer in de vier jaar; </al><al>b. tussen de veertig en vijftig één keer per twee jaar; </al><al>c. ouder dan vijftig jaar eens per jaar. </al></li><li nr="5."><al>Als het college daar aanleiding toe ziet kan in afwijking van de
                                    frequentie zoals bedoeld in lid 4 een tussentijdse keuring
                                    worden afgenomen. </al></li><li nr="6."><al>Als de uitkomst van het PPMO daar aanleiding toe geeft, kan het
                                    college de medewerker tijdelijk en voor een vooraf bepaalde tijd
                                    van een aantal of het totaal van zijn taken vrijstellen. Deze
                                    bepaalde tijd kan in bijzondere gevallen, zolang de mate van
                                    ongeschiktheid zich voordoet, worden verlengd. </al></li><li nr="7."><al>Bij geheel of gedeeltelijke vrijstelling van taken houdt de
                                    beroepsmedewerker recht op zijn bezoldiging en de vrijwillige
                                    medewerker op zijn vergoeding, met dien verstande dat het recht
                                    op toeslagen en vergoedingen alleen geldt als de werkzaamheden
                                    van de medewerker recht hierop geven. Bij geheel of
                                    gedeeltelijke vrijstelling wegens ziekte en ongeschiktheid is
                                    hoofdstuk 7 onverkort van toepassing. </al></li><li nr="8."><al>Het college kan de medewerker die is aangesteld als beroeps
                                    gedurende de tijdelijke vrijstelling van taken andere
                                    werkzaamheden opleggen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a:4</nr><titel>Fysieke test</titel></kop><al>Jaarlijks wordt de fysieke conditie van de ambtenaar, die is aangesteld
                            in een functie bedoeld in artikel 19a:1, getoetst.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>19b</nr><titel>AANVULLENDE RECHTSPOSITIEREGELING VOOR DE AMBTENAAR IN EEN INSTELLING
                            VOOR KUNSTEDUCATIE</titel></kop><afdeling><kop><label>§</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Werkingssfeer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:1</nr></kop><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op ambtenaren werkzaam in de
                                    kunsteducatie in de functie van:</al><lijst><li nr="a."><al>docent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="b."><al>consulent, bedoeld in bijlage IVa1;</al></li><li nr="c."><al>balletbegeleider, bedoeld in bijlage IVa1.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Begripsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:2</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                                    instelling: een onderdeel van de gemeente dat kunsteducatie
                                    aanbiedt of ondersteunt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Functie-eisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorwaarde bij aanstelling is dat de ambtenaar werkzaam
                                        in de functie van docent en consulent in het bezit is van
                                        een diploma van een HBO-opleiding op zijn specifieke
                                        vakgebied.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In uitzonderlijke gevallen kan het college, na overleg
                                        erover met de OR, afwijken van het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Functioneringsgesprek</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:4</nr></kop><al>Na elke periode van een jaar wordt met de ambtenaar een
                                    functioneringsgesprek gehouden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verdeling van werkzaamheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:5</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan
                                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al>lesgebonden uren: alle uren waarin direct en
                                                educatief contact is met leerlingen;</al></li><li nr="b."><al>niet-lesgebonden uren: alle uren die niet te
                                                kwalificeren zijn als lesgebonden uren;</al></li><li nr="c."><al>sjabloon: opsomming van werkzaamheden binnen
                                                lesgebonden en niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet-lesgebonden uren als bedoeld in het eerste lid,
                                        onderdeel b zijn in te delen in de volgende vier
                                        categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden van lesgebonden uren;</al></li><li nr="b."><al>het in opdracht van de werkgever reizen tussen
                                                locaties van dezelfde instelling;</al></li><li nr="c."><al>activiteiten voor opleiding en ontwikkeling, of
                                                andere activiteiten die ertoe bijdragen de eigen
                                                vakbekwaamheid op peil te houden;</al></li><li nr="d."><al>algemene werkzaamheden in het belang van de
                                                instelling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van het sjabloon van bijlage
                                        IVa een regeling vast waarin per discipline de verhouding
                                        lesgebonden versus niet-lesgebonden uren staat. In de
                                        regeling kan per discipline een afwijking op deze verhouding
                                        en de voorwaarden daarvoor worden opgenomen. Voor de
                                        vaststelling van deze regeling is overeenstemming vereist
                                        tussen de werkgever en de OR.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt aan de hand van de regeling, bedoeld in
                                        het derde lid, voor iedere ambtenaar vast wat voor zijn
                                        functie de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                                        uren is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Zolang voor de functie van de ambtenaar de verhouding,
                                        bedoeld in het vierde lid, nog niet is vastgesteld, heeft de
                                        ambtenaar maximaal 65% van zijn formele arbeidsduur aan
                                        lesgebonden uren en minimaal 35% van zijn formele
                                        arbeidsduur aan niet-lesgebonden uren.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Salariëring</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Vaststelling salaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:6</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In plaats van bijlage II en IIa, bedoeld in artikel 3:1,
                                        derde lid, past het college de salaristabel, genoemd in
                                        bijlage IV, toe bij het vaststellen van het salaris van de
                                        ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het functiewaarderingssysteem, bedoeld in de
                                        bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, is
                                        niet van toepassing. De functie van</al><lijst><li nr="a."><al>balletbegeleider is gewaardeerd op schaal 5;</al></li><li nr="b."><al>docent is gewaardeerd op schaal 8;</al></li><li nr="c."><al>consulent is gewaardeerd op schaal 9.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt met inachtneming van het tweede lid de
                                        invoering en de waardering van junior- of seniorfuncties.
                                        Het college stelt hiervoor de functiebeschrijving vast.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanloopbedragen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:7</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een ambtenaar in een functie wordt benoemd zonder dat
                                        hij reeds voldoet aan alle daarvoor geldende eisen van
                                        ervaring, opleiding of vaardigheden, kan zijn salaris worden
                                        vastgesteld in één van de aanloopbedragen van de bij de
                                        functie behorende salarisschaal. De aanloopbedragen zijn
                                        opgenomen in de salaristabel, genoemd in bijlage IV.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt regels vast voor het gebruik van
                                        aanloopbedragen en voor de bevordering naar een bij de
                                        functie behorende salarisschaal.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitloopbedragen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:8</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de salaristabel, genoemd in bijlage IV, zijn
                                        uitloopbedragen opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar krijgt na twee achtereenvolgende jaren
                                        ingeschaald te zijn in het maximum van de bij de functie
                                        behorende salarisschaal een periodieke verhoging naar het
                                        eerste uitloopbedrag. Vervolgens vindt periodieke verhoging
                                        iedere keer na twee jaar plaats.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Recht op toelage onregelmatige dienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 3:3 is niet van toepassing. De ambtenaar heeft wel
                                        recht op een toelage onregelmatige dienst over volle uren
                                        arbeid verricht op zondag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toelage onregelmatige dienst wordt uitgekeerd in de vorm
                                        van verlof en bedraagt 25% van de uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verlof, bedoeld in het tweede lid, wordt op verzoek van
                                        de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de dienst zich
                                        daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het
                                        bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan artikel
                                        6:2:6.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien zowel het college als de ambtenaar dat wensen, wordt
                                        de toelage, in afwijking van het eerste lid, in geld
                                        verstrekt.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Arbeidsduur en vakantie</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Vakantie-uren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:10</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 6:2 is de duur van de vakantie voor
                                        de ambtenaar met een volledige betrekking 180 uur,
                                        indien</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 19b:11 een deel van het
                                                jaar is aangemerkt als verplicht vrije periode
                                                of</al></li><li nr="b."><al>de ambtenaar geen verlof kan opnemen door het
                                                toegewezen hebben gekregen van lessen/cursussen. Bij
                                                een deeltijdbetrekking geldt de duur van de vakantie
                                                naar rato.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vakantie-uren worden gelijkelijk over de verplicht vrije
                                        periodes en eventueel de vrij opneembare vakantie verdeeld,
                                        met een maximum van 36 uur per week.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verplicht vrije periodes</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:11</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt per cursusjaar 12 weken vast, waarin de
                                        ambtenaar verplicht vrij is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het college gedurende
                                        maximaal een week tijdens de verplicht vrije periode
                                        beschikbaar voor werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afwijkingen van het eerste lid zijn mogelijk indien de
                                        ondernemingsraad dan wel de ambtenaar daarmee instemt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vaststellen van het rooster</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:12</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 4:4 lid 2, is op de ambtenaar
                                        artikel 5.7 van de Arbeidstijdenwet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In aanvulling op artikel 4:4 lid 3 verstrekt het college zo
                                        snel mogelijk maar in ieder geval binnen 2 maanden na ingang
                                        van een cursusjaar een rooster van de in dat cursusjaar te
                                        werken uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als substantiële wijzigingen optreden in het rooster,
                                        verstrekt het college zo snel mogelijk, maar in ieder geval
                                        binnen een maand, een aangepast rooster.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:13</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking, die op 31
                                        december 2008 een kortere arbeidsduur heeft dan 1836 uur per
                                        jaar, wordt de arbeidsduur met ingang van 1 januari 2009 met
                                        72 uur per jaar verhoogd. Deze verhogingen vinden plaats
                                        totdat voor de ambtenaar een arbeidsduur geldt van 1836 uur
                                        per jaar. Voor een ambtenaar met een deeltijdbetrekking
                                        gelden deze verhogingen naar rato.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een ambtenaar na 1 januari 2009 wordt aangesteld,
                                        geldt voor deze ambtenaar een arbeidsduur zoals die geldt
                                        voor de ambtenaren, die in dienst zijn van de
                                        instelling.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Ontslagbescherming tijdens overgangstermijn</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:14</nr></kop><al>Tot 1 januari 2012 vindt geen ontslag plaats op grond van
                                    artikel 8:3 indien en voor zover dit ontslag uitsluitend wordt
                                    veroorzaakt door verhoging van het aantal te werken uren als
                                    bedoeld in artikel 19b:13.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Samenloop zwangerschaps- en bevallingsverlof met een
                                    verplicht vrije periode</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:15</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij samenloop van een verplichte vrije periode als bedoeld
                                        in artikel 19b:11, eerste lid, met zwangerschaps- en
                                        bevallingsverlof heeft de ambtenaar met een volledige
                                        betrekking recht op compensatie van het vakantieverlof tot
                                        144 uur vakantieverlof per jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ambtenaar met een deeltijd betrekking heeft naar rato
                                        recht op compensatie van het vakantieverlof tot 144 uur
                                        vakantieverlof per jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vakantie voor de gecompenseerde vakantie-uren wordt op
                                        verzoek van de ambtenaar verleend tenzij de belangen van de
                                        dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven
                                        aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, of aan
                                        artikel 6:2:6.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>§</label><nr>4:</nr><titel>Ontslag en uitkeringen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Overtolligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:16</nr></kop><al>Uiterlijk in de tiende week van elk cursusjaar bekijkt het
                                    college of het totaal aantal uren werk voor ambtenaren met
                                    dezelfde functie overeenkomt met de totale aanstellingsomvang
                                    van deze ambtenaren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Reorganisatieontslag en ontslagvolgorde</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:17</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt, zolang het plan,
                                        bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet bestaat, de
                                        volgende ontslagvolgorde gehanteerd:</al><lijst><li nr="a."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren die
                                                daarvoor in aanmerking wensen te komen;</al></li><li nr="b."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd niet te
                                                verlengen;</al></li><li nr="c."><al>(deeltijd)ontslag verlenen aan ambtenaren na
                                                toepassing van het afspiegelingsbeginsel in
                                                combinatie met anciënniteitsbeginsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij toepassing van het afspiegelingsbeginsel, genoemd in het
                                        eerste lid, onderdeel c, wordt binnen categorieën van
                                        ambtenaren met dezelfde functies uitgegaan van de volgende
                                        drie leeftijdsgroepen:</al><lijst><li nr="-"><al>van 15 tot 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>van 30 tot 45 jaar; en</al></li><li nr="-"><al>van 45 jaar en ouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen afwijken van de
                                        ontslagvolgorde, genoemd in het tweede lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Reorganisatieontslag voor minder dan 5 uur of, bij een
                                    formele arbeidsduur van minder dan 10 uur, voor minder dan de
                                    helft van de formele arbeidsduur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:18</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is van toepassing op de ambtenaar die voor
                                        minder dan 5 uur of, bij een formele arbeidsduur van minder
                                        dan 10 uur, voor minder dan de helft van zijn formele
                                        arbeidsduur wordt ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de ambtenaar geldt de ontslagvolgorde uit het plan,
                                        bedoeld in artikel 8:3, derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zolang het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, nog niet
                                        bestaat, is artikel 19b:17 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ambtenaar is hoofdstuk 10d niet van toepassing.
                                        Ontslag op grond van artikel 8:3 vindt slechts plaats indien
                                        het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om
                                        de ambtenaar binnen de openbare dienst van de gemeente
                                        andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en
                                        omstandigheden voor hem passende werkzaamheden op te dragen,
                                        dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te
                                        aanvaarden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 wordt een opzegtermijn
                                        van drie maanden in acht genomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Garantie-uitkering KV</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19b:19</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="-"><al>de ambtenaar: de ambtenaar die voor minder dan 5 uur
                                                of, bij een formele arbeidsduur van minder dan 10
                                                uur, voor minder dan de helft van zijn formele
                                                arbeidsduur wordt ontslagen.</al></li><li nr="-"><al>minimumuurloon: het naar een uur herleid minimumloon
                                                als bedoeld in de Wet minimumloon en
                                                minimumvakantiebijslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De garantie-uitkering KV is de uitkering aan de ambtenaar
                                        die:</al><lijst><li nr="a."><al>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een ontslag
                                                op grond van artikel 8:3;</al></li><li nr="b."><al>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan het
                                                ontslag in tenminste 26 weken als werknemer als
                                                bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet
                                                werkzaam is geweest;</al></li><li nr="c."><al>aantoont dat hij in de periode van vijf jaren
                                                onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn
                                                eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste
                                                vier jaren over 52 of meer dagen per jaar loon heeft
                                                ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>ter zake van het arbeidsurenverlies geen WW-recht
                                                heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de garantie-uitkering KV is afhankelijk van de
                                        lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij een
                                        dienstverband van:</al><lijst><li nr="a."><al>een tot twee jaar is de duur van de uitkering 6
                                                maanden;</al></li><li nr="b."><al>twee tot drie jaar is de duur van de uitkering 12
                                                maanden;</al></li><li nr="c."><al>drie tot vier jaar is de duur van de uitkering 18
                                                maanden;</al></li><li nr="d."><al>ten minste vier jaar is de duur van de uitkering 24
                                                maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van het
                                                uurloon op de dag voorafgaand aan het ontslag,
                                                vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren,
                                                en</al></li><li nr="b."><al>vervolgens 70% van het minimumuurloon,
                                                vermenigvuldigd met het aantal verloren
                                                arbeidsuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het tweede tot en met het vierde lid heeft
                                        de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in het
                                        tweede lid onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in
                                        het tweede lid, recht op een garantie-uitkering KV gedurende
                                        6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het
                                        minimumuurloon vermenigvuldigd met het aantal verloren
                                        arbeidsuren.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is toegekend,
                                        is verplicht zich in te schrijven als werkzoekende bij het
                                        CWI en zich beschikbaar te stellen voor het aannemen van
                                        passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie
                                        te verstrekken die voor de uitvoering van deze regeling
                                        noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze
                                        verplichtingen kan het college besluiten de
                                        garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de ambtenaar aan wie een garantie-uitkering KV is
                                        toegekend, na zijn ontslag nieuwe werkzaamheden ter hand
                                        neemt, wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met het
                                        aantal uren dat de nieuwe werkzaamheden omvat.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien het recht op een garantie-uitkering KV op grond van
                                        het zevende lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd, en
                                        vervolgens de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben
                                        geleid, hebben opgehouden te bestaan, herleeft het recht op
                                        de garantie-uitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten
                                        op enige uitkering uit hoofde van het ontslag uit deze
                                        werkzaamheden zijn ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het recht op de garantie-uitkering KV eindigt volledig:</al><lijst><li nr="a."><al>als de ambtenaar ter zake van het
                                                arbeidsurenverlies, dat tot het toekennen van een
                                                garantie-uitkering heeft geleid, een andere
                                                uitkering kan krijgen;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende
                                                op die waarin de ambtenaar volledig gebruik maakt
                                                van het ABP Keuzepensioen;</al></li><li nr="c."><al>op de dag na het overlijden van de ambtenaar;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de dag waarop de ambtenaar recht
                                                krijgt op een WAO- of WIA-uitkering, berekend naar
                                                een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>20</nr><titel>VERGOEDING PIKETDIENST BEROEPSBRANDWEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:1</nr></kop><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem
                            geldende werktijden ter beschikking te houden ten behoeve van de
                            brandweerdienst, heeft aanspraak op een vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:2</nr></kop><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt
                            verleend zo spoedig mogelijk - in de regel binnen zes kalenderweken - na
                            het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter beschikking moest houden. Het
                            verlof bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking
                            moest houden, voor zover deze vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede
                            Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag
                            waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag,
                            die daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van het aantal
                            uren waarin hij zich ter beschikking moest houden, indien deze uren
                            vielen op andere dagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20:1:3</nr></kop><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet
                            tegen het toekennen van verlof, wordt een vergoeding in geld gegeven. De
                            vergoeding bedraagt 16% van het 1/156 gedeelte van het salaris per maand
                            voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden, voor
                            zover deze uren vielen op zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag,
                            Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag waarop
                            de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die
                            daarboven door het college wordt aangewezen en 10% van dat
                            salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter beschikking moest
                            houden, indien deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo
                            spoedig mogelijk plaats.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>21</nr><titel>DE RECHTSPOSITIONELE ERKENNING VAN ALTERNATIEVE
                            SAMENLEVINGSVORMEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:1</nr></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner
                                verstaan: een persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar samenwoont
                                en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een
                                gemeenschappelijke huishouding voert, hetgeen blijkt uit een
                                schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het college nader
                                te stellen regels. Tegelijkertijd kan slechts eén persoon als
                                levenspartner worden aangemerkt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gelijkstelling levenspartner met echtgenoot</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:2</nr></kop><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op
                                overeenkomstige wijze van toepassing op de ambtenaar met een
                                levenspartner. Waar in deze bepalingen staat 'echtgenoot' moet
                                tevens worden gelezen 'levenspartner'.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:3</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21:1:4</nr></kop><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid
                                voorziet, treft het college een passende voorziening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><nr>22</nr><titel>OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22:1:1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De CAR-UWO gemeente Loppersum wordt ingetrokken met ingang van 1
                                januari 2016</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt,
                                dDeze regeling treedt de dag na bekendmaking in werking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan deze regeling wordt terugwerkende kracht toegekend tot en met 1
                                januari 2016.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de vergadering </ondertekening><ondertekening>van het college van de gemeente Loppersum, </ondertekening><ondertekening>gehouden op 19 januari 2016.</ondertekening><ondertekening>Het college voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A. Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening> J.H. Bonnema, secretaris. </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>I</nr><titel>Salarisverhoging</titel></kop><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde bezoldigingsregeling
                    worden met ingang van 1 april 1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd
                    met 2%.</al><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5%.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1995 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%,
                    behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij gemeentelijke
                    zorginstellingen. Ten aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995
                    werkzaam is bij gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke verpleegtehuizen of
                    gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij in januari 1996 een
                    eenmalige uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De
                    grondslag bestaat uit de over de maanden augustus tot en met december 1995
                    genoten bezoldiging, vermeerderd met 8% vakantietoeslag. Deze uitkering wordt
                    niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is getreden en
                    in de periode van 1 augustus tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij
                    één instelling heeft gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                    personeel van zorginstellingen van toepassing.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.</al><al>Vanaf 1997 wordt een structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het
                    jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>In december 1997 wordt, naast de al bestaande eindejaarsuitkering van 0,3%, een
                    eenmalige uitkering verstrekt van 0,7% van het jaarsalaris met dien verstande
                    dat die uitkering minimaal ƒ 350,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de
                    postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,25%.</al><al>In december 1998 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% met 0,5% van
                    het jaarsalarisverhoogd tot 0,8% met dien verstande dat uitkering minimaal ƒ
                    400,– bedraagt. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%.</al><al>In december 1999 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% structureel met
                    0,5% van het jaarsalaris verhoogd tot 0,8% structureel van het jaarsalaris, met
                    dien verstande dat de uitkering minimaal ƒ 400,– bedraagt. De uitkering werkt
                    door naar de postactieven. </al><al>Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                    maand een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking.
                    Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering
                    werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die maand
                    een eenmalige uitkering van f 350,= bruto bij een volledige betrekking. Bij een
                    deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering werkt
                    door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd met
                    0,5% onder een gelijktijdjge eenmalige verhoging van het minimale bedrag met f
                    250,--. Dit resulteert voor 2000 in een eindejaarsuitkering van 1,3% met een
                    minimaal bedrag van f 650,--.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaalbedragen gebruteerd met 1,9% met
                    een maximum van f 1.745,--.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% (0,2%+0,75%) structureel
                    verhoogd naar 1,75%. Tevens wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van f
                    400,-- naar f 1.125,-- bruto. In 2001 wordt deze minimale uitkering eenmalig
                    opgehoogd met f 50,-- naar f 1.175,-- bruto.</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van €
                    511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3 %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5 %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 procentpunt verhoogd
                    naar 2,75%. Tevens wordt vanaf 2002 het minimale bedrag verhoogd van € 511,--
                    naar € 611,-- bruto. Vanaf 2002 is de grondslag van de eindejaarsuitkering het
                    jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2%.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                    verhoogd naar 3%. Tevens wordt vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van €
                    611,--naar € 836,-- bruto.</al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                    maand een eenmalige uitkering van € 200 bruto bij een volledige betrekking. Bij
                    een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De uitkering
                    werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband met ontslag en
                    werkloosheid, zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>In 2007 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 3,5%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=.</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al>In 2008 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 1,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 836,=.</al><al>In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt.
                    Dit resulteert in een eindejaarsuitkering van 5,5%. De bodem in de
                    eindejaarsuitkering wordt verhoogd van € 836, - naar € 1.750, -. Degenen die
                    (een deel van) de maand april 2010 in dienst zijn van de gemeente ontvangen een
                    eenmalige uitkering van 1% en een eenmalige uitkering van 0,5%. Beide eenmalige
                    uitkeringen worden berekend over het salaris dat de medewerker ontvangen heeft
                    in de maand april 2010 vermenigvuldigd met de factor 12. Voor medewerkers met
                    een deeltijdbetrekking worden de twee eenmalige uitkeringen vastgesteld naar
                    rato van de betrekkingsomvang. De eenmalige uitkeringen zijn pensioengevend en
                    hebben geen invloed op de hoogte van bovenwettelijke uitkeringen in verband met
                    ontslag en werkloosheid (uitkeringen op grond van hoofdstuk 9, 9a, 9b, 9c, 10,
                    10a, 10d, 11 en 11a van de CAR).</al><al>Met ingang van 1 januari 2011 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5% en
                    wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5 procentpunt. Dit
                    resulteert in een eindejaarsuitkering van 6,0%. De bodem van de
                    eindejaarsuitkering wordt niet verhoogd en blijft € 1.750, -.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II</nr><titel/></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>IIa</nr><titel/></kop><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 april 2015, nieuwe structuur*</al><al/><table><tgroup cols="12"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><colspec colname="colK"/><colspec colname="colL"/><tbody><row><entry morerows="1" rotate="0"><al>periodiek</al></entry><entry nameend="colK" namest="colB" rotate="0"><al>Schaal</al></entry></row><row><entry rotate="0"><al>1</al></entry><entry rotate="0"><al>2</al></entry><entry rotate="0"><al>3</al></entry><entry rotate="0"><al>4</al></entry><entry rotate="0"><al>5</al></entry><entry rotate="0"><al>6</al></entry><entry rotate="0"><al>7</al></entry><entry rotate="0"><al>8</al></entry><entry rotate="0"><al>9</al></entry><entry rotate="0"><al>10</al></entry></row><row><entry><al>0 </al></entry><entry><al>1448</al></entry><entry><al>1482</al></entry><entry><al>1520</al></entry><entry><al>1563</al></entry><entry><al>1608</al></entry><entry><al>1715</al></entry><entry><al>1924</al></entry><entry><al>2202</al></entry><entry><al>2444</al></entry><entry><al>2636</al></entry></row><row><entry><al>1 </al></entry><entry><al>1482</al></entry><entry><al>1532</al></entry><entry><al>1582</al></entry><entry><al>1633</al></entry><entry><al>1685</al></entry><entry><al>1793</al></entry><entry><al>2005</al></entry><entry><al>2291</al></entry><entry><al>2548</al></entry><entry><al>2759</al></entry></row><row><entry><al>2 </al></entry><entry><al>1518</al></entry><entry><al>1582</al></entry><entry><al>1645</al></entry><entry><al>1702</al></entry><entry><al>1761</al></entry><entry><al>1871</al></entry><entry><al>2087</al></entry><entry><al>2381</al></entry><entry><al>2652</al></entry><entry><al>2881</al></entry></row><row><entry><al>3 </al></entry><entry><al>1554</al></entry><entry><al>1631</al></entry><entry><al>1708</al></entry><entry><al>1772</al></entry><entry><al>1838</al></entry><entry><al>1949</al></entry><entry><al>2167</al></entry><entry><al>2470</al></entry><entry><al>2756</al></entry><entry><al>3004</al></entry></row><row><entry><al>4 </al></entry><entry><al>1591</al></entry><entry><al>1681</al></entry><entry><al>1770 </al></entry><entry><al>1841</al></entry><entry><al>1915</al></entry><entry><al>2028</al></entry><entry><al>2249</al></entry><entry><al>2559</al></entry><entry><al>2860</al></entry><entry><al>3127</al></entry></row><row><entry><al>5 </al></entry><entry><al>1627</al></entry><entry><al>1731</al></entry><entry><al>1833</al></entry><entry><al>1911</al></entry><entry><al>1991</al></entry><entry><al>2106</al></entry><entry><al>2330</al></entry><entry><al>2648</al></entry><entry><al>2964</al></entry><entry><al>3250</al></entry></row><row><entry><al>6 </al></entry><entry><al>1663</al></entry><entry><al>1780</al></entry><entry><al>1896</al></entry><entry><al>1981</al></entry><entry><al>2068</al></entry><entry><al>2183</al></entry><entry><al>2411</al></entry><entry><al>2738</al></entry><entry><al>3069</al></entry><entry><al>3372</al></entry></row><row><entry><al>7 </al></entry><entry><al>1699</al></entry><entry><al>1830</al></entry><entry><al>1958</al></entry><entry><al>2051</al></entry><entry><al>2145</al></entry><entry><al>2262</al></entry><entry><al>2492</al></entry><entry><al>2827</al></entry><entry><al>3173</al></entry><entry><al>3495</al></entry></row><row><entry><al>8 </al></entry><entry><al>1735</al></entry><entry><al>1880</al></entry><entry><al>2021</al></entry><entry><al>2121</al></entry><entry><al>2222</al></entry><entry><al>2340</al></entry><entry><al>2573</al></entry><entry><al>2917</al></entry><entry><al>3277</al></entry><entry><al>3617</al></entry></row><row><entry><al>9 </al></entry><entry><al>1772</al></entry><entry><al>1929</al></entry><entry><al>2084</al></entry><entry><al>2190</al></entry><entry><al>2299</al></entry><entry><al>2418</al></entry><entry><al>2654</al></entry><entry><al>3006</al></entry><entry><al>3381</al></entry><entry><al>3740</al></entry></row><row><entry><al>10 </al></entry><entry><al>1808</al></entry><entry><al>1979</al></entry><entry><al>2147</al></entry><entry><al>2260</al></entry><entry><al>2375</al></entry><entry><al>2496</al></entry><entry><al>2736</al></entry><entry><al>3095</al></entry><entry><al>3486</al></entry><entry><al>3862</al></entry></row><row><entry><al>11 </al></entry><entry><al>1844</al></entry><entry><al>2029</al></entry><entry><al>2209</al></entry><entry><al>2330</al></entry><entry><al>2452</al></entry><entry><al>2575</al></entry><entry><al>2816</al></entry><entry><al>3184</al></entry><entry><al>3590</al></entry><entry><al>3985</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="12"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><colspec colname="colH"/><colspec colname="colI"/><colspec colname="colJ"/><colspec colname="colK"/><colspec colname="colL"/><tbody><row><entry morerows="1" rotate="0"><al>periodiek</al></entry><entry nameend="colK" namest="colB" rotate="0"><al>Schaal</al></entry></row><row><entry rotate="0"><al>10A</al></entry><entry rotate="0"><al>11</al></entry><entry rotate="0"><al>11A</al></entry><entry rotate="0"><al>12</al></entry><entry rotate="0"><al>13</al></entry><entry rotate="0"><al>14</al></entry><entry rotate="0"><al>15</al></entry><entry rotate="0"><al>16</al></entry><entry rotate="0"><al>17</al></entry><entry rotate="0"><al>18</al></entry></row><row><entry><al>0 </al></entry><entry><al>2906</al></entry><entry><al>3158</al></entry><entry><al>3476</al></entry><entry><al>3794</al></entry><entry><al>4236</al></entry><entry><al>4500</al></entry><entry><al>4839</al></entry><entry><al>5181</al></entry><entry><al>5733</al></entry><entry><al>6355</al></entry></row><row><entry><al>1 </al></entry><entry><al>3032</al></entry><entry><al>3288</al></entry><entry><al>3606</al></entry><entry><al>3925</al></entry><entry><al>4364</al></entry><entry><al>4655</al></entry><entry><al>5017</al></entry><entry><al>5389</al></entry><entry><al>5958</al></entry><entry><al>6597</al></entry></row><row><entry><al>2 </al></entry><entry><al>3157</al></entry><entry><al>3419</al></entry><entry><al>3737</al></entry><entry><al>4054</al></entry><entry><al>4492</al></entry><entry><al>4809</al></entry><entry><al>5196</al></entry><entry><al>5597</al></entry><entry><al>6182</al></entry><entry><al>6838</al></entry></row><row><entry><al>3 </al></entry><entry><al>3283</al></entry><entry><al>3550</al></entry><entry><al>3867</al></entry><entry><al>4182</al></entry><entry><al>4620</al></entry><entry><al>4964</al></entry><entry><al>5375</al></entry><entry><al>5806</al></entry><entry><al>6407</al></entry><entry><al>7079</al></entry></row><row><entry><al>4 </al></entry><entry><al>3409</al></entry><entry><al>3680</al></entry><entry><al>3997</al></entry><entry><al>4310</al></entry><entry><al>4748</al></entry><entry><al>5118</al></entry><entry><al>5554</al></entry><entry><al>6014</al></entry><entry><al>6632</al></entry><entry><al>7321</al></entry></row><row><entry><al>5 </al></entry><entry><al>3535</al></entry><entry><al>3811</al></entry><entry><al>4125</al></entry><entry><al>4438</al></entry><entry><al>4876</al></entry><entry><al>5273</al></entry><entry><al>5732</al></entry><entry><al>6222</al></entry><entry><al>6856</al></entry><entry><al>7562</al></entry></row><row><entry><al>6 </al></entry><entry><al>3660</al></entry><entry><al>3942</al></entry><entry><al>4254</al></entry><entry><al>4566</al></entry><entry><al>5004</al></entry><entry><al>5428</al></entry><entry><al>5911</al></entry><entry><al>6430</al></entry><entry><al>7081</al></entry><entry><al>7803</al></entry></row><row><entry><al>7 </al></entry><entry><al>3786</al></entry><entry><al>4071</al></entry><entry><al>4382</al></entry><entry><al>4694</al></entry><entry><al>5132</al></entry><entry><al>5583</al></entry><entry><al>6090</al></entry><entry><al>6638</al></entry><entry><al>7305</al></entry><entry><al>8045</al></entry></row><row><entry><al>8 </al></entry><entry><al>3912</al></entry><entry><al>4199</al></entry><entry><al>4510</al></entry><entry><al>4822</al></entry><entry><al>5260</al></entry><entry><al>5738</al></entry><entry><al>6269</al></entry><entry><al>6847</al></entry><entry><al>7530</al></entry><entry><al>8286</al></entry></row><row><entry><al>9 </al></entry><entry><al>4037</al></entry><entry><al>4327</al></entry><entry><al>4637</al></entry><entry><al>4950</al></entry><entry><al>5388</al></entry><entry><al>5892</al></entry><entry><al>6448</al></entry><entry><al>7055</al></entry><entry><al>7754</al></entry><entry><al>8528</al></entry></row><row><entry><al>10 </al></entry><entry><al>4160</al></entry><entry><al>4455</al></entry><entry><al>4766</al></entry><entry><al>5078</al></entry><entry><al>5516</al></entry><entry><al>6047</al></entry><entry><al>6626</al></entry><entry><al>7263</al></entry><entry><al>7979</al></entry><entry><al>8769</al></entry></row><row><entry><al>11 </al></entry><entry><al>4283</al></entry><entry><al>4583</al></entry><entry><al>4894</al></entry><entry><al>5207</al></entry><entry><al>5644</al></entry><entry><al>6201</al></entry><entry><al>6805</al></entry><entry><al>7472</al></entry><entry><al>8204</al></entry><entry><al>9011</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Als het schaalbedrag onder het voor de medewerker geldende minimumloon ligt,
                    heeft de medewerker recht op het voor hem geldende minimumloon overeenkomstig de
                    bepalingen in de WML.</al><al>Voor de ambtenaar die valt onder de definitie van artikel 1:2c, eerste lid geldt
                    een aparte schaal: schaal A. Het bedrag van de periodiek 0 is gelijk aan het
                    wettelijk minimumloon. Het bedrag van de periodiek 11 is gelijk aan 120% van het
                    wettelijk minimumloon. De salarisbedragen voor schaal A worden geïndexeerd op de
                    ontwikkeling van het wettelijk minimumloon en elk jaar op 1 januari vastgesteld
                    door het LOGA en gepubliceerd op www.car-uwo.nl.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IIb</nr><titel>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>jaarvergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>uurbedrag voor oefening en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al>uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1. </vet>aspirant manschap a </al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>10,20</al></entry><entry colname="col4"><al>19,07</al></entry><entry colname="col5"><al>12,71</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2. </vet>manschap a, chauffeur, voertuigbediener,
                                        gaspakdrager, brandweerduiker, verkenner gevaarlijke stoffen
                                    </al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>11,72</al></entry><entry colname="col4"><al>22,03</al></entry><entry colname="col5"><al>14,68</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet>. manschap b, duikploegleider, langer dan 5 jaar
                                        manschap a, manschap a en ten minste twee specialisaties uit
                                        categorie 2 </al></entry><entry colname="col2"><al>330</al></entry><entry colname="col3"><al>13,00</al></entry><entry colname="col4"><al>24,38</al></entry><entry colname="col5"><al>16,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet>. bevelvoerder </al></entry><entry colname="col2"><al>495</al></entry><entry colname="col3"><al>16,28</al></entry><entry colname="col4"><al>30,61</al></entry><entry colname="col5"><al>20,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet>. officier van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>3902</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00 </al></entry><entry colname="col4"><al>39,02</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 </vet>hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke
                                        stoffen </al></entry><entry colname="col2"><al>5603</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00 </al></entry><entry colname="col4"><al>56,03</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00 </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet>.commandant van dienst </al></entry><entry colname="col2"><al>8335</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00 </al></entry><entry colname="col4"><al>62,52</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00 </al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IIc</nr><titel>Gebruteerde vergoedingentabel vrijwilligers bij de gemeentelijke
                        brandweer per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>jaarvergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>uurbedrag voor oefening en cursussen e.d. </al></entry><entry colname="col4"><al>uurbedrag voor brandbestrijding en hulpverlening </al></entry><entry colname="col5"><al>uurbedrag voor langdurige aanwezigheid </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.aspirant manschap a</al></entry><entry colname="col2"><al>334</al></entry><entry colname="col3"><al>10,34</al></entry><entry colname="col4"><al>19,40</al></entry><entry colname="col5"><al>12,92</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.manschap a, chauffeur, voertuigbediener, gaspakdrager,
                                        brandweerduiker, verkenner gevaarlijke stoffen</al></entry><entry colname="col2"><al>334</al></entry><entry colname="col3"><al>11,94</al></entry><entry colname="col4"><al>22,48</al></entry><entry colname="col5"><al>14,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.manschap b, duikploegleider, langer dan 5 jaar manschap a,
                                        manschap a en ten minste twee specialisaties uit categorie
                                        2</al></entry><entry colname="col2"><al>334</al></entry><entry colname="col3"><al>13,23</al></entry><entry colname="col4"><al>24,77</al></entry><entry colname="col5"><al>16,52</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.bevelvoerder</al></entry><entry colname="col2"><al>503</al></entry><entry colname="col3"><al>16,56</al></entry><entry colname="col4"><al>31,08</al></entry><entry colname="col5"><al>20,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.officier van dienst</al></entry><entry colname="col2"><al>3977</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>39,77</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 hoofdofficier van dienst, adviseur gevaarlijke stoffen
                                    </al></entry><entry colname="col2"><al>5704</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>57,04</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7.commandant van dienst</al></entry><entry colname="col2"><al>8491</al></entry><entry colname="col3"><al>0,00</al></entry><entry colname="col4"><al>63,64</al></entry><entry colname="col5"><al>0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                    beperkte categorie vrijwilligers bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot
                    het inkomen in de zin van het Pensioenreglement worden gerekend. Het gaat
                    hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een aanstelling hadden als
                    vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen
                    zij onder de werking van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1
                    januari 1980 is de regeling op dit punt gewijzigd en zijn vrijwilligers bij de
                    gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin van de ABP.
                    Bij de wijziging in 1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat
                    vrijwilligers die op 31 december 1979 al ambtenaar waren, het ambtenaarschap
                    behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding werkzaam bleven. Op grond van
                    deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                    overheidswerknemer zijn en pensioen opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1
                    januari 1980 zijn aangesteld, zijn per definitie geen ABP-deelnemer. Voor hen is
                    deze bijlage niet van belang, maar geldt bijlage IIb.</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>III</nr><titel>Hoorbepaling</titel></kop><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                    gemeenten waar geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 12:1</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten vindt overleg
                            plaats aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de
                            rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels
                            volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin
                            niet wordt voorzien door het LOGA-overleg tussen het College voor
                            Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales
                            van overheidspersoneel.</al></li><li nr="2."><al>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt de
                            landelijke verenigingen van overheidspersoneel aangesloten bij de
                            centrales van overheidspersoneel, toegelaten tot het overleg in het
                            vorige lid bedoeld.</al></li><li nr="3."><al>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp van het
                            voorgenomen besluit met toelichting toe te zenden, met het verzoek
                            binnen een daarbij te stellen termijn, welke niet korter dan veertien
                            dagen zal zijn, het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                            Indien de organisatie dit verlangt wordt zij tot mondelinge toelichting
                            toegelaten.</al></li><li nr="4."><al>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn voldaan, indien
                            de organisatie in gebreke is gebleven binnen de In het vorige lid
                            bedoelde termijn van haar gevoelen te doen blijken.</al></li><li nr="5."><al>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit tot de
                            bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het college bij het ontwerp van
                            het besluit tevens het gevoelen van de organisaties terzake.</al></li><li nr="6."><al>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een eventueel
                            besluit van de raad binnen veertien dagen nadat deze zijn genomen aan de
                            organisaties.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>IV</nr><titel>Salarisschalen kunsteducatie per 1 april 2015</titel></kop><table><tgroup cols="7"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><colspec colname="colF"/><colspec colname="colG"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>5 </al></entry><entry><al>6 </al></entry><entry><al>7 </al></entry><entry><al>8 </al></entry><entry><al>9 </al></entry><entry><al>10 </al></entry></row><row><entry><al>aanloopbedrag 1 </al></entry><entry><al>1741</al></entry><entry><al>1777</al></entry><entry><al>1814</al></entry><entry><al>1862</al></entry><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2467</al></entry></row><row><entry><al>aanloopbedrag 2 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1862</al></entry><entry><al>1917</al></entry><entry><al>1984</al></entry><entry><al>2231</al></entry><entry><al>2583</al></entry></row><row><entry><al>aanloopbedrag 3 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2349</al></entry><entry><al>2706</al></entry></row><row><entry><al>0 </al></entry><entry><al>1814</al></entry><entry><al>1984</al></entry><entry><al>2048</al></entry><entry><al>2231</al></entry><entry><al>2467</al></entry><entry><al>2771</al></entry></row><row><entry><al>1 </al></entry><entry><al>1862</al></entry><entry><al>2048</al></entry><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2291</al></entry><entry><al>2526</al></entry><entry><al>2844</al></entry></row><row><entry><al>2 </al></entry><entry><al>1917</al></entry><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2172</al></entry><entry><al>2349</al></entry><entry><al>2583</al></entry><entry><al>2911</al></entry></row><row><entry><al>3 </al></entry><entry><al>1984</al></entry><entry><al>2172</al></entry><entry><al>2231</al></entry><entry><al>2407</al></entry><entry><al>2644</al></entry><entry><al>2969</al></entry></row><row><entry><al>4 </al></entry><entry><al>2048</al></entry><entry><al>2231</al></entry><entry><al>2291</al></entry><entry><al>2467</al></entry><entry><al>2706</al></entry><entry><al>3033</al></entry></row><row><entry><al>5 </al></entry><entry><al>2110</al></entry><entry><al>2291</al></entry><entry><al>2349</al></entry><entry><al>2526</al></entry><entry><al>2771</al></entry><entry><al>3098</al></entry></row><row><entry><al>6 </al></entry><entry><al>2172</al></entry><entry><al>2349</al></entry><entry><al>2407</al></entry><entry><al>2583</al></entry><entry><al>2844</al></entry><entry><al>3159</al></entry></row><row><entry><al>7 </al></entry><entry><al>2231</al></entry><entry><al>2407</al></entry><entry><al>2467</al></entry><entry><al>2644</al></entry><entry><al>2911</al></entry><entry><al>3214</al></entry></row><row><entry><al>8 </al></entry><entry><al>2291</al></entry><entry><al>2467</al></entry><entry><al>2526</al></entry><entry><al>2706</al></entry><entry><al>2969</al></entry><entry><al>3271</al></entry></row><row><entry><al>9 </al></entry><entry><al>2349</al></entry><entry><al>2526</al></entry><entry><al>2583</al></entry><entry><al>2771</al></entry><entry><al>3033</al></entry><entry><al>3328</al></entry></row><row><entry><al>10 </al></entry><entry><al>2407</al></entry><entry><al>2583</al></entry><entry><al>2644</al></entry><entry><al>2844</al></entry><entry><al>3098</al></entry><entry><al>3385</al></entry></row><row><entry><al>11 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>2644</al></entry><entry><al>2706</al></entry><entry><al>2911</al></entry><entry><al>3159</al></entry><entry><al>3449</al></entry></row><row><entry><al>12 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>2771</al></entry><entry><al>2969</al></entry><entry><al>3214</al></entry><entry><al>3512</al></entry></row><row><entry><al>13 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>2844</al></entry><entry><al>3033</al></entry><entry><al>3271</al></entry><entry><al>3569</al></entry></row><row><entry><al>14 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>2911</al></entry><entry><al>3098</al></entry><entry><al>3328</al></entry><entry><al>3624</al></entry></row><row><entry><al>15 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>2969</al></entry><entry><al>3159</al></entry><entry><al>3385</al></entry><entry><al>3678</al></entry></row><row><entry><al>uitloopbedrag 1 </al></entry><entry><al>2526</al></entry><entry><al>2771</al></entry><entry><al>3098</al></entry><entry><al>3328</al></entry><entry><al>3512</al></entry><entry><al>3792</al></entry></row><row><entry><al>uitloopbedrag 2 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al>2911</al></entry><entry><al>3214</al></entry><entry><al>3512</al></entry><entry><al>3624</al></entry><entry><al>3911</al></entry></row><row><entry><al>uitloopbedrag 3 </al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>3624</al></entry><entry><al>3737</al></entry><entry><al>4037</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr> IVa</nr><titel>Sjabloon voor de verdeling van werkzaamheden voor onderwijzend personeel
                        in de kunsteducatie</titel></kop><al>LOGA-partijen vinden dat bij de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden
                    uren binnen de aanstelling lokaal maatwerk gewenst is. Daarom is in artikel
                    19b:5 vastgelegd dat de werkgever, met toepassing van de Wet op de
                    ondernemingsraden (WOR), een lokale regeling vaststelt waarin per discipline de
                    verhouding wordt vastgesteld van de verschillende soorten werkzaamheden binnen
                    lesgebonden en niet-lesgebonden uren.</al><al/><al><vet>Van een vaste verhouding naar een lokale regeling</vet></al><al>Tot 1 januari 2009 kende de aanvullende rechtspositieregeling voor onderwijzend
                    personeel een vaste maximale verhouding van 26 lesgebonden uren en 10 overige
                    niet-lesgebonden uren. Per 1 januari 2009 wordt deze vaste maximale verhouding
                    losgelaten. Reden daarvoor is dat een centraal voorgeschreven verhouding geen
                    recht kan doen aan verschillen per discipline, per instelling of per
                    onderwijzend personeelslid. Met een lokale regeling kan wel ingespeeld worden op
                    deze specifieke kenmerken.</al><al/><al><vet>Status sjabloon</vet></al><al>In dit sjabloon worden mogelijke werkzaamheden binnen lesgebonden en
                    niet-lesgebonden uren opgesomd. Die opsomming is niet limitatief. In een
                    instelling kan worden vastgesteld dat bepaalde in het sjabloon genoemde
                    werkzaamheden niet binnen de instelling voorkomen en dus niet in de lokale
                    regeling worden opgenomen. Daarentegen kan ook worden vastgesteld dat er
                    instellingsspecifieke werkzaamheden zijn die niet in het sjabloon voorkomen,
                    maar die wel in de lokale regeling moeten worden genoemd. Het sjabloon is dus
                    een handvat voor de lokale regeling waarin onder andere rekening wordt gehouden
                    met</al><lijst><li nr="-"><al>de ervaring van de ambtenaar,</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat de ambtenaar geeft en</al></li><li nr="-"><al>de discipline van de ambtenaar.</al></li></lijst><al/><al><vet>Opbouw Sjabloon</vet></al><al>Schematisch is de opbouw van het sjabloon als volgt:</al><al><vet>Categorieën van werkzaamheden</vet></al><al>Dit sjabloon onderscheidt als hoofdcategorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>lesgebonden uren en</al></li><li nr="2."><al>niet-lesgebonden uren.</al></li></lijst><al/><al>De categorie niet-lesgebonden uren kan vervolgens weer opgedeeld worden in drie
                    subcategorieën:</al><al><cursief>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden uren</cursief></al><al>Deze subcategorie hangt direct samen met de lesgebonden uren.</al><al><cursief>2b. Algemene werkzaamheden</cursief></al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al><al><cursief>2c. Variabele werkzaamheden</cursief></al><al>Deze subcategorie staat los van het aantal lesgebonden uren.</al><al/><al>De (sub)categorieën zijn hierna verder uitgewerkt:</al><al/><al><vet>1. Lesgebonden uren in uren per schooljaar/cursusjaar/seizoen</vet></al><al>Het gaat in deze categorie om het aantal te verzorgen lesgebonden uren op
                    jaarbasis. Het betreft alle door een discipline uit te voeren les- of
                    cursuswerkzaamheden, al of niet te onderscheiden naar bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Type lessen/cursussen: individuele lessen, combinatielessen,
                            groepslessen, klassikale lessen</al></li><li nr="-"><al>Homogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Heterogene ensembles</al></li><li nr="-"><al>Koren</al></li><li nr="-"><al>Orkesten</al></li><li nr="-"><al>Regulier onderwijs</al></li><li nr="-"><al>Speciaal onderwijs</al></li></lijst><al/><al><vet>2. Niet-lesgebonden uren in uren per
                    schooljaar/cursusjaar/seizoen</vet></al><al/><al><vet><cursief>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                        uren</cursief></vet></al><al>Het gaat in deze subcategorie om de werkzaamheden van elke discipline in een
                    bepaalde verhouding tot het aantal lesgebonden uren. Dit is afhankelijk van het
                    type instelling en het type lessen/werkzaamheden. Deze uren worden ook wel
                    “aanstellingsafhankelijke of leerling- of cursistafhankelijke uren” genoemd. Het
                    betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Roosterwerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Inhoudelijke voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van lesvorderingen en lesresultaten, leerlingvolgsysteem en
                            dergelijke</al></li><li nr="-"><al>Administratieve afwikkeling van de lessen/cursussen (bijvoorbeeld
                            presentielijsten)</al></li><li nr="-"><al>Rapporten/studieverslagen voor van de leerlingen/cursisten</al></li><li nr="-"><al>(Voortgangs)gesprekken met ouders/verzorgers/leerlingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de pedagogische, methodische en didactische
                            ontwikkelingen</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van vakliteratuur<noot id="d6838e21690"><noot.nr> 2 </noot.nr></noot></al></li><li nr="-"><al>Onderhouden van de direct aan de lespraktijk verbonden artistieke
                            vaardigheden</al></li><li nr="-"><al>Examens/toetsen</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>2b. Algemene werkzaamheden</cursief></vet></al><al>Het gaat in deze subcategorie om werkzaamheden die losstaan van het aantal
                    lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “organisatiegebonden uren” genoemd.
                    Het betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Personeelsvergaderingen, afdelingsvergaderingen, sector- en
                            sectievergaderingen</al></li><li nr="-"><al>Collegiaal overleg (intern en extern)</al></li><li nr="-"><al>Voorbereiding en deelname aan open dagen</al></li><li nr="-"><al>Functioneringsgesprekken, ontwikkelingsgesprekken, persoonlijk
                            ontwikkelingsplan</al></li><li nr="-"><al>Overleg over het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Zorg voor het instrumentarium van de instelling en (indien gebruik door
                            de werkgever verplicht is gesteld) van het eigen
                            instrument/gereedschap</al></li></lijst><al/><al><vet><cursief>2c. Variabele werkzaamheden</cursief></vet></al><al>Het gaat in deze subcategorie om specifieke werkzaamheden die losstaan van het
                    aantal lesgebonden uren. Deze uren worden ook wel “persoonsgebonden uren”
                    genoemd. Het betreft bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>Werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling in relatie tot de lessen en
                            lesmaterialen</al></li><li nr="-"><al>Materiële voorbereiding en nazorg van de lessen</al></li><li nr="-"><al>Lidmaatschap van de ondernemingsraad of
                            personeelsvertegenwoordiging</al></li><li nr="-"><al>Stagebegeleiding</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van leerlingenuitvoeringen/-concerten
                            (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van concerten speciaal voor onderwijzend
                            personeelsleden (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van exposities (intern en/of extern)</al></li><li nr="-"><al>Organisatie en voorbereiding van instellingspresentaties (intern en/of
                            extern)</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan activiteiten en evenementen voor zover niet genoemd onder
                            subcategorie 2b.</al></li><li nr="-"><al>Organiseren van kunstuitingen van cursisten, zoals voorspeelavonden en
                            tentoonstellingen</al></li><li nr="-"><al>Begeleiden van een collega bij een voorspeelavond</al></li><li nr="-"><al>Coördinatiewerkzaamheden</al></li><li nr="-"><al>Algemene organisatiewerkzaamheden, bijvoorbeeld voor
                            nieuwsbrief/schoolkrant van de instelling</al></li><li nr="-"><al>Adviseren van leerlingen ten aanzien van instrument- of
                            materiaalkeuzes</al></li><li nr="-"><al>Bijhouden van de vakgebonden bibliotheek van de instelling</al></li><li nr="-"><al>Bijdragen aan het jaarlijkse cursusboekje/studiegids</al></li><li nr="-"><al>Opleiding en ontwikkeling, of andere activiteiten die ertoe bijdragen de
                            eigen vakbekwaamheid op peil te houden</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan studiedagen van bijvoorbeeld beroepsverenigingen,
                            vakgroepen, mits de werkgever toestemming heeft verleend</al></li><li nr="-"><al>Het in opdracht van de werkgever reizen tussen locaties van dezelfde
                            instelling voor kunsteducatie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Van sjabloon naar lokale regeling</vet></al><al>Om een beeld te geven hoe aan de hand van het sjabloon een lokale regeling tot
                    stand kan komen geeft het LOGA een voorbeeld. U dient dit voorbeeld niet op te
                    vatten als een door het LOGA gewenste verdeling van de verhouding lesgebonden
                    uren versus niet-lesgebonden uren. Het gaat om de wijze waarop aan de hand van
                    het sjabloon een lokale regeling kan worden opgesteld.</al><al/><al>Binnen instelling X is onderwijzend personeel werkzaam in drie verschillende
                    disciplines:</al><lijst><li nr="1."><al>Discipline A</al></li><li nr="2."><al>Discipline B</al></li><li nr="3."><al>Discipline C</al></li></lijst><al/><al>Binnen instelling X geldt per discipline de volgende verhouding lesgebonden
                    versus niet-lesgebonden uren:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colwidth="36*"/><colspec colname="col3" colwidth="38*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Discipline</al></entry><entry colname="col2"><al>1.Lesgebonden uren</al></entry><entry colname="col3"><al>2.Niet-lesgebonden uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline A</al></entry><entry colname="col2"><al>65%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline B</al></entry><entry colname="col2"><al>60%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Discipline C</al></entry><entry colname="col2"><al>70%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Binnen instelling X zijn de aanstellingen van het onderwijzend personeel in
                    omvang zeer verschillend. Daarom wordt er in instelling X voor gekozen om binnen
                    de categorie niet-lesgebonden uren per aanstellingsomvang een uitsplitsing te
                    maken in de subcategorieën. Die uitsplitsing is als volgt:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="26*"/><colspec colname="col4" colwidth="26*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col4" namest="col1"><al>De verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                                        subcategorieën</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aanstellingsomvang</al></entry><entry colname="col2"><al><vet>2a. Voorbereiding en nazorg van de lesgebonden
                                            uren</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>2b. Algemene werkzaamheden</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>2c. Variabele werkzaamheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Meer dan 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>30%</al></entry><entry colname="col3"><al>30%</al></entry><entry colname="col4"><al>40%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 tot en met 27 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>35%</al></entry><entry colname="col3"><al>35%</al></entry><entry colname="col4"><al>30%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7,2 tot en met 18 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>40%</al></entry><entry colname="col3"><al>40%</al></entry><entry colname="col4"><al>20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>tot en met 7,2 uur per week</al></entry><entry colname="col2"><al>47%</al></entry><entry colname="col3"><al>47%</al></entry><entry colname="col4"><al>6%</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In dit voorbeeld is de verdeling van niet-lesgebonden uren over de
                    subcategorieën voor alle disciplines gelijk. Het is ook mogelijk om elke
                    discipline een aparte verdeling van niet-lesgebonden uren over de subcategorieën
                    te maken.</al><al/><al><vet>Individuele afwijkmogelijkheden op de verhouding per discipline</vet></al><al>Er zijn individuele omstandigheden voorstelbaar waarin het onredelijk is vast te
                    houden aan de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden die per discipline
                    is bepaald. Bijvoorbeeld door rekening te houden met:</al><lijst><li nr="-"><al>zeer veel of zeer weinig ervaring van het onderwijzend personeellid
                            of</al></li><li nr="-"><al>het cursustype dat het onderwijzend personeelslid geeft (groepslessen
                            versus individuele lessen)</al></li></lijst><al/><al>In de lokale regeling kunnen individuele afwijkingsmogelijkheden op de
                    verhouding die per discipline is vastgelegd worden opgenomen. De voorwaarden
                    waaraan voldaan moet worden voordat individuele afwijking is toegestaan, dienen
                    in de lokale regeling te worden opgenomen. Deze individuele afwijkmogelijkheden
                    bepalen tezamen met de verhouding lesgebonden versus niet-lesgebonden uren die
                    voor de discipline van de ambtenaar is vastgelegd, welke verhouding voor de
                    individuele ambtenaar geldt.</al><al/><al>Voorbeeld:</al><al>Voor discipline D staat in de lokale regeling dat de verhouding 70% lesgebonden
                    uren en 30% niet-lesgebonden uren geldt. In de lokale regeling is ook vastgelegd
                    dat voor discipline D een individuele afwijkmogelijkheid bestaat voor ambtenaren
                    met minder dan 3 jaar ervaring. Die ambtenaren krijgen ten koste van het aantal
                    lesgebonden uren 5% meer niet-lesgebonden uren voor de voorbereiding en nazorg
                    van de lesgebonden uren.</al><al/><al>Het college stelt bij toepassing van de lokale regeling voor een ambtenaar met
                    discipline D en minder dan 3 jaar ervaring de verhouding vast op 65% lesgebonden
                    en 35% niet-lesgebonden uren. Deze 5% extra voor niet-lesgebonden uren wordt
                    binnen de subcategorieën geheel toegeschreven aan subcategorie 2a.</al><al/><al><vet>Tot slot</vet></al><al>Te overwegen valt om een beperkt percentage van de tijd niet toe te wijzen aan
                    specifieke activiteiten. Niet alles valt namelijk op voorhand te plannen. Aan
                    een aantal kleinere werkzaamheden uit de eerder genoemde (sub)categorieën hoeft
                    dan eveneens niet specifiek tijd te worden toegewezen; zij kunnen tot de vrij in
                    te delen tijd worden gerekend.</al><al/><al><sup>2 </sup>Elke medewerker wordt geacht ook zelf te investeren in het
                    bijhouden van pedagogisch-didactische ontwikkelingen, het lezen van
                    vakliteratuur en het onderhouden van de artistieke vaardigheden. Niettemin zijn
                    er situaties voorstelbaar (bijvoorbeeld indien het onderwijzend personeelslid
                    personeelslid een onderwijsvernieuwende werkzaamheid heeft) waar toedeling van
                    tijd voor dergelijke werkzaamheden geboden is.</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr> IVa1</nr><titel>Functiebeschrijvingen</titel></kop><al><vet>1. Consulent</vet></al><al/><al>A. Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: consulent</al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><al/><al><onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het in overleg met cliënten opstellen van een
                            steunfunctie-activiteitenplan</al></li><li nr="2."><al>Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                            programma’s</al></li></lijst><al/><al>B. Beschrijving van de taken</al><al/><al><onderstreept>B.1 Het in overleg met cliënten opstellen van een
                        steunfunctie-activiteitenplan</onderstreept></al><al>Informeert en adviseert (potentiële) cliënten over de mogelijkheden van
                    steunfunctieactiviteiten.</al><al>Overlegt met (de leiding van) potentiële cliënten over wensen en
                    verwachtingen.</al><al>Stelt een activiteiten- of begeleidingsplan op of ondersteunt de cliënt
                    daarbij.</al><al>Overlegt waar nodig met externe instanties.</al><al/><al><onderstreept>B.2 Het verzorgen van steunfunctieactiviteiten</onderstreept></al><al>Geeft informatie en adviezen over methoden en leermiddelen. Verzorgt
                    teamtrainingen en individuele begeleiding van docenten.</al><al>Adviseert bij de aanschaf van leermiddelen en ontwikkelt, waar nodig, zelf
                    leermiddelen en methodieken.</al><al>Organiseert met de cliënt producties, tentoonstellingen en andere
                    evenementen.</al><al>Begeleidt bij de opstelling van werkplannen.</al><al>Bewaakt de afspraken met betrekking tot begroting, planning en inzet.</al><al/><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van beleid, producten en
                        programma’s</onderstreept></al><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                    vorming.</al><al>Levert bijdragen aan beleidsontwikkeling, marktanalyses en aan de ontwikkeling
                    van nieuw aanbod en marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en
                    andere instanties over organisatie en uitvoering van projecten.</al><al>Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen.</al><al/><al><vet>2. Docent</vet></al><al/><al>A. Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: docent</al><al>Functie-eisen: HBO-niveau</al><al/><al><onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het verzorgen van de inhoud van onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="2."><al>Het geven van de onderwijsactiviteiten</al></li><li nr="3."><al>Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en -programma’s</al></li><li nr="4."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst><al/><al>B. Beschrijving van de taken</al><al/><al><onderstreept>B.1 Het verzorgen van de inhoud van
                        onderwijsactiviteiten</onderstreept></al><al>Verzorgt het (meerjaren)leerplan; stemt het leerplan af met leiding en
                    collega’s.</al><al>Bepaalt vanuit het leerplan de inhoud van de onderwijsactiviteiten.</al><al>Zorgt voor les- en documentatiemateriaal.</al><al/><al><onderstreept>B.2 Het geven van de onderwijsactiviteit</onderstreept></al><al>Bereidt de activiteit voor; stemt af op het niveau van de groep.</al><al>Geeft de onderwijsactiviteit; doet voor en stuurt bij.</al><al>Zorgt voor variatie in presentatie en lesvorm</al><al>Houdt rekening met persoonlijkheid en doelstelling deelnemers.</al><al>Bespreekt regelmatig de vorderingen met (ouders van) deelnemers en evalueert de
                    onderwijsactiviteit; stelt eventueel leerdoelstellingen bij.</al><al>Organiseert kunstuitingen van en voor deelnemers.</al><al/><al><onderstreept>B.3 Het bijdragen aan de ontwikkeling van KV-producten en
                        -programma’s</onderstreept></al><al>Volgt en signaleert relevante ontwikkelingen op het terrein van de kunstzinnige
                    vorming.</al><al>Levert bijdragen aan marktanalyses, de ontwikkeling van nieuw aanbod en
                    marktontwikkelingsplannen; overlegt met opdrachtgevers en andere instanties over
                    organisatie en uitvoering van projecten.</al><al>Werkt voorstellen uit in projectbeschrijvingen.</al><al/><al><onderstreept>B.4 Het verrichten van overige werkzaamheden</onderstreept></al><al>Woont diverse overlegvormen bij.</al><al>Houdt ontwikkelingen op het vakgebied bij; neemt deel aan na- en
                    bijscholing.</al><al>Levert bijdragen aan evenementen/instellingsactiviteiten.</al><al/><al><vet>3. Balletbegeleider</vet></al><al/><al>A. Beschrijving van de functie</al><al>Functiebenaming: Balletbegeleider</al><al>Functie-eisen: MBO-niveau</al><al/><al><onderstreept>Taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het instrumentaal begeleiden van lessen</al></li><li nr="2."><al>Het bijhouden van ontwikkelingen op het vakgebied</al></li><li nr="3."><al>Het verrichten van overige werkzaamheden</al></li></lijst><al/><al>B. Beschrijving van de taken</al><al/><al><onderstreept>B.1 Het instrumentaal begeleiden van lessen</onderstreept></al><al>Begeleidt klassieke balletlessen en andere lesvormen op piano en andere
                    instrumenten. Zorgt waar nodig voor improvisatie en zorgt ervoor dat het
                    karakter van de oefening muzikaal wordt ondersteund.</al><al>Past gedurende de oefening tempo en sfeer aan en legt andere accenten als de
                    docent dit aangeeft.</al><al>Verzorgt de instrumentale begeleiding van uitvoeringen.</al><al/><al><onderstreept>B.2 Het bijhouden van ontwikkelingen op het
                        vakgebied</onderstreept></al><al>Houdt ontwikkelingen binnen het vakgebied bij.</al><al/><al><onderstreept>B.3 Het verrichten van overige werkzaamheden</onderstreept></al><al>Voert periodiek overleg met de docent over het afstemmen van het spel op de
                    oefeningen en de samenwerking tussen docent en begeleider.</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>IVb t/m VI</nr><titel/></kop><al>[vervallen]</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>VIIA</nr><titel>Aanstellingskeuring brandweerpersoneel</titel></kop><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                    screeningsinstrumenten en functionele tests bij de aanstellingskeuring gebruikt
                    dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen en de beoordeling
                    hiervan is vastgelegd in de aanstellingskeuring zoals die is ontwikkeld door het
                    Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op vng.nl.</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry><al><vet>Aspect van de belastbaarheid opgenomen mag worden in
                                            keuring:</vet></al></entry></row><row><entry><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- bekendheid met aanpassingsprobleem bij onregelmatige
                                        diensten,</al><al>- ooit doorgemaakte psychose, schizofrenie, epilepsie</al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees</al><al>- aanwezigheid van claustrofobie</al><al>- ooit doorgemaakte warmtestuwing</al><al>- gebruik medicatie tegen epilepsie afgelopen 5 jaar</al><al>- huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al/><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>- hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al>- depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist)</al><al/><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test ter detectie
                                        van:</al><al>- hoogtevrees (laddertest)</al></entry></row><row><entry><al>2. Emotionele piekbelasting:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- recent doorgemaakt trauma</al><al/><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry><al>3. Energetische piekbelasting:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q)</al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                        (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte of huidige
                                        ziekte; roken)</al><al/><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ
                                        (ter regulering en niet ter afkeuring): </al><al>- te hoge BMI of buikvet </al><al>- hoge bloeddruk </al><al>- diabetes mellitus </al><al>- afwijkingen ECG </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk
                                        geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                        (aanstellingsbrandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry><al>4. Goed gezichtsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen</al><al/><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand) </al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom </al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry><al>5. Goed gehoorsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige problemen met gehoorsvermogen</al><al/><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al> - overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening </al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten
                                        luchtweg/longen</al><al/><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van:</al><al> - mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie) </al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- geldige inentingen </al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten (Hepatitis, Difterie,
                                        Tetanus, Tuberculose, HIV)</al></entry></row><row><entry><al>8. Tillen/dragen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- problemen met tillen </al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten </al><al> - problemen met krachtleverantie met geheven armen</al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                        (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry><al>9. Knielen/hurken:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                        (tijdens aanstellingskeuring-brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry><al>10. Klimmen/klauteren/traplopen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige duizeligheidsklachten </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test
                                        (laddertest) (brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry><al>11. Houdingen en krachtleverantie met rug:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar:</al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Kort NA aanstelling worden als intredekeuring de volgende basismetingen verricht
                    om latere effecten van mogelijke blootstelling aan factoren van het werk te
                    kunnen aantonen: </al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>VIIb </nr><titel>Periodiek Preventief Medisch Onderzoek</titel></kop><al>Onderstaand schema geeft per bijzondere functie-eis aan welke signaalvragen,
                    screeningsinstrumenten en functionele tests bij het Periodiek Preventief Medisch
                    Onderzoek gebruikt dienen te worden. De uitwerking van onderstaande onderdelen
                    en de beoordeling hiervan is vastgelegd in het PPMO zoals die is ontwikkeld door
                    het Coronel Instituut. Deze uitwerking is te vinden op vng.nl. </al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><vet>Bijzondere functie-eis:</vet></al></entry><entry><al><vet>Aspect van de belastbaarheid wat opgenomen mag worden
                                            in keuring:</vet></al></entry></row><row><entry><al>1. Waakzaamheid en oordeelsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- aanpassingsprobleem door onregelmatige diensten, </al><al>- aanwezigheid van hoogtevrees </al><al>- aanwezigheid van claustrofobie </al><al>- doorgemaakte warmtestuwing sinds vorige keuring</al><al> - gebruik medicatie tegen epilepsie nu of geslikt sinds
                                        vorige keuring</al><al> - huidig medicijngebruik (mee laten nemen)</al><al/><al> Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van:</al><al> - hoge mate van slaperigheid (checklist)</al><al> - depressieve klachten (checklist)</al><al>- angstklachten (checklist) </al><al>- hoge werkgerelateerde vermoeidheid (checklist)</al></entry></row><row><entry><al>2. Emotionele piekbelasting:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- recent doorgemaakt trauma </al><al/><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van: </al><al>- posttraumatische stressklachten (checklist)</al></entry></row><row><entry><al>3. Energetische piekbelasting:</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- fysieke activiteit inzetbaarheid (PAR-Q) </al><al>- belangrijkste risicofactoren hart- en vaatziekten
                                        (familiair voorkomen HVZ; eerder doorgemaakte- of huidige
                                        hartziekte; roken) </al><al/><al>Inzet gevalideerd screeningsinstrument ter detectie van de
                                        huidige aanwezigheid van verhoogd risico op toekomstig HVZ
                                        (ter regulering en niet ter afkeuring): </al><al>- te hoge BMI of buikvet </al><al>- hoge bloeddruk</al><al> - diabetes mellitus</al><al> - afwijkingen ECG </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysiek functionele test die een indruk
                                        geeft van het piek-anaerobe inspanningsvermogen.
                                        (brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry><al>4. Goed gezichtsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige problemen met gezichtsvermogen tijdens werk </al><al/><al>Inzet gevalideerd test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van: </al><al>- onvoldoende scherp zicht (lees en afstand) </al><al>- onvoldoende kleurenzicht </al><al>- onvoldoende mobiliteit nekwervelkolom </al><al>- onvoldoende gezichtsveld</al></entry></row><row><entry><al>5. Goed gehoorsvermogen:</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige problemen met gehoorvermogen tijdens werk </al><al/><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van: </al><al>- onvoldoende vermogen om spraak-in-ruis te horen</al></entry></row><row><entry><al>6. Risico op expositie aan stof, rook, gas of dampen:</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- overgevoeligheid huid / huidige huidaandoening </al><al>- overgevoeligheid longen / huidige klachten luchtweg/longen </al><al/><al>Inzet gevalideerde test ter detectie van de huidige
                                        aanwezigheid van: </al><al>- mogelijke huidaandoening op armen/handen (eczeem/atopie) </al><al>- mogelijke longaandoening (astma/atopie)</al></entry></row><row><entry><al>7. Risico op (verspreiding van) infectieziekten:</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige aanwezigheid infectieziekten die een gevaar voor
                                        anderen kunnen opleveren</al></entry></row><row><entry><al>8. Tillen/dragen</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- problemen met tillen </al><al>- huidige nek-, rug- en schouderklachten </al><al>- problemen met krachtleverantie met geheven armen </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele til/draag test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry><al>9. Knielen/hurken</al></entry><entry><al>Signaalvragen (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige duizeligheidsklachten </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele kniel/hurk test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest)</al></entry></row><row><entry><al>10. Klimmen/klauteren/traplopen</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige duizeligheidsklachten </al><al/><al>Inzet gevalideerde fysieke, functionele klim/klauter test
                                        (tijdens brandbestrijdingstest en
                                        brandweertraplooptest)</al></entry></row><row><entry><al>11. Houdingen en krachtleverantie met rug</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling of schriftelijk) naar: </al><al>- huidige rugklachten</al></entry></row><row><entry><al>1-11. met als doel signalering voor begeleiding</al></entry><entry><al>Signaalvraag (mondeling): </al><al>Is sinds de vorige keuring een nieuwe ziekte of
                                        gezondheidsklachten opgelopen die van invloed (kunnen) zijn
                                        op de uitvoering van uw werk?</al><al/><al> Signaalvraag (schriftelijk) naar: </al><al>1) Aanwezigheid chronische ziekten (stofwisseling,
                                        psychisch, bewegingsapparaat, hart- en vaataandoeningen,
                                        urinewegen/geslachtsorganen, spijsverteringsorganen,
                                        tumoren, luchtwegen, huidaandoeningen) </al><al>2) Ingeschat eigen werkvermogen nu </al><al>3) Ingeschat eigen huidige inzetbaarheid gegeven de fysieke
                                        en psychologische taakeisen </al><al>4) doorgemaakte expositie aan agressie in afgelopen periode </al><al>5) doorgemaakte expositie aan hard geluid in afgelopen
                                        periode met acute oorsuizingen of tijdelijke
                                        gehoorsvermindering als gevolg </al><al>6) doorgemaakte expositie aan stof, rook, gas of dampen in
                                        afgelopen periode </al><al/><al>Inzet testen ter monitoring indien aanleiding bestaat om
                                        achteruitgang in longfunctie of gehoor aan te kunnen tonen: </al><al>- longfunctiebepaling met behulp van spirometrie </al><al>- audiogram afname</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>