<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR395237_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Smallingerland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 09-02-2016, nr. 14763</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Smallingerland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20, 35">Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artt. 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=20, 35">Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artt. 20 en 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>19-01-2016, volgnr. 7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Smallingerland, vastgesteld op 9 december 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Smallingerland
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp</al><al>AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN IOAZ GEMEENTE SMALLINGERLAND
                        2015</al><al/><al>De raad van de gemeente Smallingerland;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Smallingerland d.d.2
                        december 2015;</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet, artikel 8, eerste lid ,
                        aanhef en onderdeel a, van de Participatiewet, artikel 20 en artikel 35,
                        eerste lid, onderdeel b van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), artikel 20 en
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz);</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de volgende AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET, IOAW EN
                        IOAZ GEMEENTE SMALLINGERLAND 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al><vet>Begrippen</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry colname="colA"><al>1.</al></entry><entry colname="colB"><al>Alle begrippen die in deze verordening worden
                                                gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben
                                                dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet
                                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
                                                Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de
                                                Algemene wet bestuursrecht.</al></entry></row><row><entry colname="colA"><al>2.</al></entry><entry colname="colB"><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="37*"/><colspec colname="col3" colwidth="58*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>de wet </al></entry><entry colname="col3"><al>de Participatiewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>de Awb</al></entry><entry colname="col3"><al>de Algemene wet bestuursrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>de Ioaw</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. </al></entry><entry colname="col2"><al>de Ioaz</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>de wet Suwi</al></entry><entry colname="col3"><al>de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                                inkomen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging</al></entry><entry colname="col3"><al>verlaging van de uitkeringsnorm</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>uitkeringsnorm</al></entry><entry colname="col3"><al>de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                                artikel 5, onderdeel c , van de wet inclusief
                                                vakantietoeslag dan wel de grondslag als bedoeld in
                                                artikel 5 van de Ioaw en de Ioaz, inclusief
                                                vakantietoeslag;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>uitkering</al></entry><entry colname="col3"><al>de bijstandsuitkering op grond van de
                                                Participatiewet en de uitkering op grond van de Ioaw
                                                en Ioaz;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>re-integratievoorzieningen</al></entry><entry colname="col3"><al>voorzieningen die het college ter beschikking heeft
                                                voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in
                                                artikel 7 van de wet en artikel 34 van de Ioaw en
                                                artikel 34 van de Ioaz;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>re-integratietraject</al></entry><entry colname="col3"><al>een plan bestaande uit een geheel van
                                                re-integratievoorzieningen, dat tot doel heeft om
                                                binnen een bepaald tijdsbestek te komen tot
                                                arbeidsinschakeling; </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>belanghebbende</al></entry><entry colname="col3"><al>degene die recht heeft op een bijstandsuitkering op
                                                grond van de wet of degene die recht heeft op een
                                                uitkering op grond van de Ioaw en is aangewezen op
                                                arbeid in dienstbetrekking , alsmede degene die
                                                recht heeft op een uitkering op grond van de
                                                Ioaz;</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Het besluit tot het opleggen van een verlaging</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het
                                                college de verplichtingen die de wet, de Ioaw, de
                                                Ioaz en de Wet Suwi aan het recht op een uitkering
                                                verbinden niet of onvoldoende nakomt , waaronder
                                                begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                                misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het
                                                oordeel van het college tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in
                                                het bestaan, wordt overeenkomstig deze verordening
                                                een verlaging opgelegd.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>In het besluit tot opleggen van een verlaging van de
                                                uitkering als bedoeld in artikel 18 , tweede, vijfde
                                                en zesde lid van de wet, de artikelen 20 en 38
                                                ,twaalfde lid van de Ioaw en de artikelen 20 en 38 ,
                                                twaalfde lid van Ioaz worden in ieder geval vermeld: </al><al>a.de reden van de verlaging; </al><al>b.de duur van de verlaging; </al><al>c.het bedrag of percentage waarmee de uitkering
                                                wordt verlaagd; </al><al>d.indien van toepassing, de reden om af te wijken
                                                van een standaardverlaging;</al><al>e.dat de opgelegde maatregel is afgestemd op de
                                                ernst van de gedraging , de mate van verwijtbaarheid
                                                en de omstandigheden waarin de belanghebbende
                                                verkeert.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><label/></kop><al><vet>Berekeningsgrondslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de uitkering waarop
                                    belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode
                                    waarop de verlaging betrekking heeft , indien er geen grond voor
                                    verlaging zou zijn geweest. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de wet ,of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe
                                            aanleiding geeft.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij toepassing van het derde lid , onderdeel a , moet in artikel
                                    10 "uitkering" worden gelezen als "uitkering plus de op grond
                                    van artikel 12 van de wet verleende bijzondere bijstand".</al></li><li nr="5."><al>Bij toepassing van het derde lid , onderdeel b, moet in artikel
                                    10 " uitkering" worden gelezen als "de verleende bijzondere
                                    bijstand".</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al><vet>Horen van belanghebbende</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li><li nr="d."><al>de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te
                                            willen maken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al><vet>Afzien van een verlaging</vet></al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het college ziet af van het opleggen van een
                                                verlaging indien:</al><al>a.elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al><al>b.de gedraging meer dan een jaar vóór constatering
                                                van die gedraging door het college heeft
                                                plaatsgevonden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het college kan afzien van het opleggen van een
                                                verlaging indien het daarvoor dringende redenen
                                                aanwezig acht.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Indien het college afziet van het opleggen van een
                                                verlaging op grond van dringende redenen, wordt de
                                                belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                                gedaan.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al><vet>Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt bij continuering van de uitkering of
                                    bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel
                                    12 van de wet zo spoedig mogelijk na de datum van verzending van
                                    het besluit tot het opleggen van een verlaging toegepast.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt, bij niet continueren van de uitkering,
                                    toegepast met ingang van de eerste van de maand waarin de
                                    gedraging heeft plaatsgevonden. Het recht op uitkering wordt
                                    over deze kalendermaand herzien en als gevolg daar van wordt de
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan verstrekte uitkering
                                    teruggevorderd.</al></li><li nr="3."><al>Indien een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer gelegd kan
                                    worden als gevolg van beëindiging of intrekking van de uitkering
                                    , wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet
                                    is uitgevoerd en de als gevolg van deze verlaging ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag aan verstrekte uitkering nog niet door
                                    belanghebbende is terugbetaald, alsnog opgelegd als
                                    belanghebbende binnen de termijn, bedoeld in artikel 5, eerste
                                    lid, onderdeel b. opnieuw een uitkering ontvangt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al><vet>Samenloop van gedragingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen of in
                                    artikel 18 , vierde lid van de wet genoemde verplichtingen,
                                    wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en
                                    duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de
                                    hoogste verlaging is gesteld. </al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in deze verordening of in artikel
                                    18 , vierde lid van de wet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                                    verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de
                                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. </al></li><li nr="3."><al>Indien er sprake is van een gedraging die een schending oplevert
                                    van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid van
                                    de wet genoemde verplichtingen als een in artikel 17,eerste lid,
                                    van de wet genoemde verplichting , wordt geen verlaging
                                    opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete
                                    wordt opgelegd. Indien sprake is van meerdere gedragingen die
                                    schending opleveren van zowel een in deze in deze verordening of
                                    in artikel 18, vierde lid, van de wet genoemde verplichting, als
                                    een in artikel 17, eerste lid van de wet genoemde verplichting,
                                    waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd , wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij
                                    dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                    verantwoord is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al><vet>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen </vet></al><al><vet>met betrekking tot de arbeidsinschakeling op grond</vet><vet> van
                                de wet</vet></al><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 9, 9a , 17 lid 2 en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën.</al><al/><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in
                                    artikel 17 lid 2 van de wet , voor zover dit niet heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van een
                                    uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld
                                    in artikel 55 van de wet;</al></li><li nr="c."><al>Het indienen van een aanvraag voor een uitkering gedurende de
                                    termijn , genoemd in artikel 41, vierde lid , van de wet.</al><al/></li></lijst><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie.</al><al/></li></lijst><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als
                                    bedoeld in artikel 18 , tweede lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten de mogelijkheden naar uit 's
                                    rijks kas bekostigd onderwijs te onderzoeken gedurende de
                                    termijn , genoemd in artikel 41 vierde lid, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    9, eerste lid, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de wet als dit niet heeft geleid tot:</al><al>1º. het geen doorgang vinden van het re-integratietraject;
                                    of</al><al>2º. een voortijdige beëindiging van het
                                    re-integratietraject;</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de
                                    artikelen 9, eerste lid van de wet , voor zover het gaat om een
                                    belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een
                                    melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                                    wet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in
                                    artikel 18, vierde lid, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b, van
                                    de wet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                    intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                    alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                    wet;</al></li></lijst><al/><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet
                                    voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18 , vierde
                                    lid van de wet.</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                    uitvoeren dan wel aan het evalueren van een plan van aanpak als
                                    bedoeld in artikel 44a , van de wet als dit heeft geleid tot: </al><al> 1º. het geen doorgang vinden van het re-integratietraject;
                                    of</al><al> 2º. een voortijdige beëindiging van het
                                    re-integratietraject.</al></li><li nr="c."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college en de in zijn
                                    opdracht werkende ambtenaren en medewerkers;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al><vet>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met
                                betrekking </vet></al><al><vet>tot de arbeidsinschakeling op grond van de Ioaw en Ioaz</vet></al><al/><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de
                            artikelen 13, 37 en 38 van de Ioaw of de artikelen 13, 37 en 38 van de
                            Ioaz niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><al/><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de medewerkingsplicht bedoeld in
                                    artikel 13 van de Ioaw en Ioaz, voor zover dit niet heeft geleid
                                    tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van een
                                    uitkering;</al><al/></li></lijst><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig
                                    laten verlengen van de registratie.</al><al/></li></lijst><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste
                                    lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Ioaw of de artikelen
                                    36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                    Ioaz, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang
                                    vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel
                                    e, van de Ioaw of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de
                                    Ioaz wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                    arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in
                                    artikel 38, eerste lid, van de Ioaw of artikel 38, eerste lid,
                                    van de Ioaz;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid, onderdeel f, van de Ioaw of artikel 37, eerste
                                    lid, onderdeel f, van de Ioaz.</al><al/></li></lijst><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen; </al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="d."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als
                                    bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                    onderdeel e, van de Ioaw en de artikelen 36, eerste lid, en 37,
                                    eerste lid, onderdeel e, van de Ioaz voor zover dit heeft geleid
                                    tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="e."><al>het zich zeer ernstig misdragen jegens het college en de in zijn
                                    opdracht werkende ambtenaren en medewerkers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al><vet>Hoogte en duur van de verlaging op grond van </vet><vet>artikel 8
                                en 9 van deze verordening</vet></al></artikel><artikel><kop><label/></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de hoogte en duur van de
                            verlagingen genoemd in dit artikel onderscheidenlijk vastgesteld.</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Bij een eerste verwijtbare
                                        gedraging</cursief><cursief>;</cursief></al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al><cursief>Bij recidive</cursief>:</al><al>indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd,
                                    opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                    dezelfde categorie dan wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>het percentage van de verlaging bij gedragingen uit de
                                            eerste, tweede en derde categorie verdubbeld;</al></li><li nr="b."><al>de periode van de verlaging bij gedragingen uit de
                                            vierde categorie verdubbeld.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="3."><al><cursief>Bij volharding</cursief></al><al>Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging van dezelfde
                                    categorie binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar
                                    aangemerkte gedraging wordt de uitkering voor de duur van twaalf
                                    maanden verlaagd tegen het percentage dat bij recidive van
                                    toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al><vet>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                                tot arbeidsinschakeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een verplichting als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid van de wet niet of onvoldoende nakomt
                                    bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking
                                    van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                    gedraging als bedoeld in het vorige lid, zich opnieuw schuldig
                                    maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in het vorige
                                    lid, bedraagt de verlaging 100% van de uitkering gedurende twee
                                    maanden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr></kop><al><vet>Verrekening verlaging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 11 lid 1 , wordt
                                    toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de
                                    volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit
                                    rechtvaardigen</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a van de wet, vindt geen verrekening als bedoeld
                                    in het eerste lid plaats. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr></kop><al><vet>Heroverweging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college heroverweegt de in artikel 10, derde lid, bedoelde
                                    verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging voor
                                    een periode langer dan drie maanden is voortgezet, binnen een
                                    termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit
                                    tot verlaging of voortzetting van de verlaging.</al></li><li nr="2."><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                    beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en
                                    het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                    herziening, beëindiging of voortzetting van de verlaging.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de
                                    verlaging het percentage van de verlaging verdubbelen, rekening
                                    houdend met de ernst van de gedraging, de mate van
                                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de
                                    belanghebbende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr></kop><al><vet>Samenloop bij weigeren uitkering Ioaw/Ioaz</vet></al><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20 lid 1 Ioaw of
                            artikel 20 lid 2 Ioaz blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die
                            tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot
                            een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging </al><al>ter zake van die gedraging achterwege. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente Smallingerland 2015</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1
                                    januari 2015 </al></li><li nr="2."><al>De afstemmingsverordening Participatiewet, Ioaw en Ioaz gemeente
                                    Smallingerland vastgesteld op 9 december 2014 wordt
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>in zijn vergadering van 19 januari 2016</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop><vet>Algemeen</vet></tussenkop><tussenkop>Rechten en plichten in de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz </tussenkop><al/><al>In de Participatiewet, de Ioaw en de Ioaz staat de eigen verantwoordelijkheid
                    van de burger om in zijn levensonderhoud te voorzien centraal. Pas als men hier
                    niet toe in staat blijkt te zijn kan aanspraak worden gemaakt op ondersteuning
                    door de overheid. </al><al/><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. </al><al/><al>Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op
                    algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al/><al>Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de
                    Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen
                    worden verwacht, spelen ook een rol.</al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending
                    van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met
                    honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening de duur van de
                    verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende
                    redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden
                    gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al/><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). </al><al/><al>Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                    genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                    gehouden.</al><al/><al>Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen
                    de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde verlaging in zwaarte
                    of duur bij te stellen.<sup>1</sup> Artikel 18, derde lid, van de
                    Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de
                    Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is
                    artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen
                    artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat
                    artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom
                    vraagt.</al><al/><al><sup>1 </sup><sup>CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002.</sup></al><al/><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen.<sup>2</sup> Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit
                    oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze
                    verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is
                    van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt
                    opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden
                    opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is
                    sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid,
                    van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.</al><al/><al><sup>2 </sup><sup>CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB 29-07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19-01-2010, nr. 08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052.</sup></al><al/><al> In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de
                    afstemmings-verordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. </al><al/><al><cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief></al><al>Het niet verlenen van medewerking kan aanleiding zijn tot verlaging van de
                    bijstand. </al><al>Een voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In
                    de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot
                    beëindiging of intrekking van het recht op bijstand omdat het recht op bijstand
                    niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is in dat geval niet
                    aan de orde. Ook een voorbeeld van de medewerkingsplicht is het meewerken aan
                    een psychologisch onderzoek.</al><al>Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                    in verband met arbeidsinschakeling ( bijvoorbeeld een oproep van de consulent ,
                    een arts of een arbeidsdeskundige ) valt op grond van artikel 18 lid 4 sub h ook
                    onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht en leidt tot verlaging van de
                    bijstand. De medewerkingsplicht betreft ook het voldoen aan oproepen voor
                    gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken . Het niet verschijnen wordt
                    in dat geval gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht. </al><al/><tussenkop>Schenden van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), Ioaw en Ioaz. Deze moet worden
                    opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en is in de plaats gekomen
                    van de verlaging van de bijstand.</al><al/><tussenkop>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</tussenkop><al>De Participatiewet verplicht in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten hebben daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is mogelijk
                    deze regels onder te brengen in de afstemmingsverordening. </al><al>De gemeenteraad heeft in 2013 besloten geen gebruik te maken van de bevoegdheid
                    de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete.</al><al/><al/><tussenkop><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></tussenkop><al/><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 1 - Begrippen</vet></tussenkop><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Ioaw, de Ioaz, de
                    Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van
                    toepassing op deze verordening.</al><al/><al><cursief>Uitkeringsnorm </cursief></al><al>Onder de ‘uitkeringsnorm ' wordt in deze verordening verstaan de in de situatie
                    van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm,
                    vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief
                    vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Ioaw of
                    de Ioaz wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals
                    bedoeld in artikel 5 van de Ioaw en artikel 5 van de Ioaz.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 2 - Het besluit tot opleggen van een
                    verlaging</vet></tussenkop><al/><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan
                    vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere
                    in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is
                    voorzien.</al><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet></tussenkop><al>De Participatiewet, Ioaw en de Ioaz verbindt aan het recht op een uitkering de
                    volgende verplichtingen.</al><lijst><li nr="1."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 en 9a van de wet en artikel
                            37 van zowel de Ioaw en de Ioaz). Deze algemene plicht bestaat uit
                            verschillende verplichtingen zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden en te behouden en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde. De
                                    participatieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    mede de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van de uitkering moeten worden neergelegd;</al></li><li nr="-"><al>De verplichting tot het verrichten van onbeloonde
                                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden (artikel 9, eerste lid
                                    onder c); </al></li><li nr="-"><al>de verplichting voor jongeren tot 27 jaar om mee te werken aan
                                    het opstellen , uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak
                                    als bedoeld in artikel 44a van deze wet;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting voor jongeren tot 27 jaar om een aanvraag niet
                                    eerder in te dienen dan 4 weken na melding (artikel 41 lid 4 van
                                    de wet );</al></li><li nr="-"><al>de verplichting voor jongeren tot 27 jaar om gedurende de
                                    wachttijd te zoeken naar mogelijkheden voor werk en scholing
                                    (artikel 43 lid 4 van de wet); </al></li><li nr="-"><al>de plicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen
                                    jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en
                                    instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden (
                                    artikel 9 lid 6 van de wet , artikel 37 lid 1 sub g Ioaw en Ioaz
                                    ).</al><al/><al/><lijst><li nr="2."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid van de wet
                                            en artikel 13 van de Ioaw en de Ioaz). Op een
                                            belanghebbende rust de verplichting aan het college op
                                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te
                                            doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
                                            kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                                            uitkering. </al></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid van de wet
                                            en artikel 13 van de Ioaw en de Ioaz).Dit is de plicht
                                            van belanghebbenden om desgevraagd het college de
                                            medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
                                            de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
                                            allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><al>- het toestaan van huisbezoek; </al><al>- het meewerken aan een psychologisch onderzoek . </al></li><li nr="4."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid
                                            voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede
                                            lid van de wet).</al></li><li nr="5."><al>Een aantal specifieke ( arbeids) verplichtingen genoemd
                                            in artikel 18 , vierde lid van de wet die niet
                                            voortvloeien uit de algemene verplichtingen op grond van
                                            artikel 9 , 17 , 41 van de wet en de
                                            medewerkingsverplichting op grond van artikel 17 lid 2
                                            van de wet..</al></li><li nr="6."><al>Overige verplichtingen op grond van artikel 55 van de
                                            wet.</al><al/></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>De Wet SUWI (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen) legt ook
                    verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de verplichting om alle
                    gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV te verstrekken die nodig zijn
                    voor de beslissing door het college (artikel 30c, tweede lid en derde lid Wet
                    SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
                    feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV , waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een
                    uitkering, het geldend maken van het recht op een uitkering of de hoogte of de
                    duur van de uitkering. </al><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, verlagingen vastgesteld in de vorm van een vaste
                    (percentuele) verlaging van de uitkeringsnorm. </al><al>In het tweede lid is ook de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken belanghebbende afwijking van de
                    hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking
                    van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. </al><al/><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al><al/></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al/><al>Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; bij een
                            opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van
                            verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 3 - Berekeningsgrondslag</vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet></tussenkop><tussenkop>Uitkeringsnorm</tussenkop><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                    berekend over de bijstandsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de Ioaw of de Ioaz wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 van de Ioaw respectievelijk van de
                    Ioaz. </al><al/><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><tussenkop>Maximale verlaging </tussenkop><al>Omdat de verlaging het gevolg is van het schenden van aan het recht op uitkering
                    verbonden verplichtingen en gezien moet worden als de 'keerzijde van de
                    medaille' en niet als een boete, kan de verlaging ten hoogste het bedrag aan
                    uitkering bedragen waarop belanghebbende recht op zou hebben gehad. Is door het
                    verrekenen van inkomsten of herziening van het recht op uitkering het recht
                    minder dan de verlaging die overeenkomstig deze verordening zou moeten worden
                    toegepast, dient het college een geringere verlaging toe te passen van ten
                    hoogste het resterend recht op uitkering.</al><al/><tussenkop><vet>Derde lid</vet></tussenkop><tussenkop>Bijzondere bijstand</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. Personen tussen
                    de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de verleende bijzondere
                    bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al/><al>Op grond van het derde lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                    incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan uitsluitend worden opgelegd als
                    daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt. </al><al/><al>De verordening biedt geen ruimte om een verlaging toe te passen op een
                    individuele inkomenstoeslag.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 4 - Horen van belanghebbende</vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet></tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij
                    subsidies.</al><al>In het eerste lid van artikel 4 wordt het horen van de belanghebbende voordat
                    een verlaging wordt opgelegd met inachtneming van de uitzonderingen genoemd in
                    het tweede van artikel 4 in beginsel voorgeschreven. </al><al/><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
                    Onderdeel c. heeft betrekking op de situatie dat het horen overbodig is omdat de
                    ernst van de gedraging volstrekt duidelijk is of omdat de mate van
                    verwijtbaarheid niet ter discussie staat. Onderdeel d heeft betrekking op de
                    situatie dat de belanghebbende aangeeft geen gebruik te willen maken om zijn
                    zienswijze naar voren te brengen. </al><al>De belanghebbende kan te allen tijde een onafhankelijk persoon meenemen die de
                    belanghebbende kan bijstaan bij het naar voren brengen van zijn
                    zienswijze..</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 5 -Afzien van verlaging</vet></tussenkop><al/><tussenkop><cursief>Afzien van verlagen</cursief></tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de Ioaw en artikel
                    20, derde lid, van de Ioaz. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend
                    sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. <sup>3</sup></al><al>Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt
                    aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                    verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze
                    verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van
                    de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen
                    om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                    recidive.</al><al/><al><sup>3</sup><sup>CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, ECLI:NL:CRVB:2001:AD4887.</sup></al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. </al><al>Om deze reden regelt artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze verordening
                    dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of het college overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al/><tussenkop><cursief>Afzien van verlagen in verband met dringende
                    redenen</cursief></tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn als voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden. Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets
                    heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van
                    het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden
                    vastgelegd. </al><al>Er kan worden gedacht aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende
                    en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële
                    gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien, omdat dit
                    inherent is aan het verlagen van een uitkering.</al><al/><al><cursief>Afzien verlagen ook mogelijk bij geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen</cursief></al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een
                    afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie
                    maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het
                    college een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                    omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                    verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe noodzaken,
                    gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan
                    het college besluiten de maatregel op een lager niveau, voor een kortere duur of
                    op nul vast te stellen. </al><al/><al><cursief>Schriftelijke mededeling in verband met recidive</cursief></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                    afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang
                    in verband met eventuele recidive (artikel 5, derde lid). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 9 lid 2.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 6 - Ingangsdatum en tijdvak</vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet></tussenkop><al>Het toepassen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de
                    uitkering.</al><al>Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de lopende maand
                            of in de eerst volgende maand(en); of</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al><al/></li></lijst><al>Om te voorkomen dat er steeds een herzieningsbesluit en terugvorderingsbesluit
                    moet worden genomen dient de verlaging bij voorkeur in de toekomst worden
                    gelegd. Dit kan alleen als de uitkering na de geconstateerde gedraging wordt
                    gecontinueerd. Het streven is wel dat de verlaging zo spoedig mogelijk na de
                    datum van verzending van het besluit tot het opleggen van een verlaging wordt
                    uitgevoerd. Voor de berekening van de hoogte van de verlaging moet worden
                    uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Het verlagen van de uitkering, vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer
                    de verlaging bij een lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot
                    vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 van de wet
                    genomen. Voor de vaststelling van de Ioaw en de Ioaz gebeurt dit op grond van
                    artikel 21 van zowel de Ioaw als de Ioaz.</al><al/><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>Indien de verlening van de uitkering niet wordt gecontinueerd dient de verlaging
                    te wordentoegepast met ingang van de eerste van de maand waarin de gedraging
                    plaatsgevonden. Ditis logisch omdat belanghebbende anders niet wordt gestraft
                    voor zijn/haar tekortkoming, omdat er immers in de toekomst geen recht op
                    uitkering meer bestaat. De verlaging is gelijk aan het percentage van een gehele
                    maanduitkering ongeacht of al dan niet gedurende de gehele maand recht bestaat
                    op een uitkering. Uiteraard kan de verlaging nooit meer bedragen dan het bedrag
                    waar men recht op heeft. Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast
                    voor wat betreft de bijstand, dan moet een besluit tot herziening van de
                    bijstand worden genomen (artikel 54 lid 3 van de wet. De uitkering die op grond
                    van het afstemmingsbesluit teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58
                    lid 2 onderdeel a van de wet, respectievelijk artikel 25 lid 1 Ioaw en Ioaz,
                    worden teruggevorderd.). </al><al/><tussenkop><vet>Derde lid</vet></tussenkop><al>Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op bijstand. Het opleggen
                    van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op bijstand
                    (meer) heeft.<sup>4</sup> Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan
                    worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is
                    het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is
                    uitgevoerd, alsnog op te leggen als belanghebbende binnen een bepaalde termijn
                    na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet
                    ontvangt. Het college moet wel rekening houden met de vervaltermijn voor het
                    opleggen van een maatregel zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b
                    van deze verordening. </al><al>Een dergelijke maatregel kan vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet
                    bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het
                    recht op bijstand beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een
                    verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat
                    de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open.<sup>5</sup>]</al><al/><al><sup>4 </sup><cursief><sup>CRvB 07-08-2012, nr. 10/3435 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3978.</sup></cursief></al><al><sup>5 </sup><cursief><sup>CRvB 08-09-2009, nrs. 07/6337 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7732 en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6721.</sup></cursief></al><al/><tussenkop><vet>Artikel 7 -Samenloop van gedragingen</vet></tussenkop><al/><al><cursief>Samenloop bij één gedraging waardoor meerdere verplichtingen worden
                        geschonden</cursief></al><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending
                    oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening,
                    artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat
                    geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur
                    van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                    gesteld.</al><al/><al><cursief>Samenloop bij meerdere gedraging waardoor één of meerdere
                        verplichtingen worden geschonden</cursief></al><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedraging die schending
                    opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                    verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide
                    regelingen. Dit wordt 'meerdaadse samenloop' </al><al>genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging
                    toegepast. Deze verlagingen worden in principe gelijktijdig opgelegd. Dit is
                    anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een
                    belanghebbende een rol. </al><al>Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De
                    verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al/><tussenkop><cursief>Samenloop met een bestuurlijke boete</cursief></tussenkop><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd
                    als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige
                    gedragingen is. </al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening
                    opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de
                    schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat
                    schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een
                    bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van
                    samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het
                    individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse
                    samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of
                    al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging
                    meer opgelegd (derde lid).</al><al/><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door
                    het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging
                    waarin ook een beboetbare gedraging zit. </al><al>Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen,
                    waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden
                    met de boete en de eventuele andere maatregelen (vierde lid).</al><al/><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                    vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de
                    inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 8 en 9 - Niet nakomen van de niet geüniformeerde
                        verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling op grond van de wet
                        ,Ioaw en Ioaz</vet></tussenkop><al/><al>De artikelen 8 ,9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                    artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet
                    geformuleerd en in artikel 9 worden de schendingen van verplichtingen uit de
                    Ioaw en Ioaz geformuleerd.</al><al>De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 en 9 zijn ondergebracht
                    in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht toegekend in
                    de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar
                    toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging
                    meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde
                    arbeid.</al><al/><tussenkop><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen</cursief></tussenkop><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende nakomen
                    van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid, van de WWB zoals dat luidde
                    vóór 1 januari 2015 bepaalt dat het college moest afstemmen als een
                    belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het huidige
                    artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt dit gewijzigd in "het niet
                    nakomen van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg.
                    Gemeend wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                    beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in artikel 8
                    en 9 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het niet of
                    onvoldoende nakomen van de verplichtingen. Hierna worden de diverse gedragingen
                    toegelicht.</al><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet> - <cursief>Eerste categorie</cursief></tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Deze bepaling doelt op het schenden van de medewerkingsplicht als
                            bedoeld in artikel 17 lid 2 van de wet en voor zover dat niet heeft
                            geleid tot het ten onrechte ontvangen uitkering of tot het ontvangen van
                            een te hoog bedrag van een uitkering. Hierbij kan worden gedacht aan het
                            niet toestaan van een huisbezoek of het niet meewerken aan een
                            rechtmatigheidsonderzoek. </al><al>Van belang is te melden dat het niet voldoen aan een oproep om op een
                            bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met
                            arbeidsinschakeling ( bijvoorbeeld een oproep van de consulent, een arts
                            of een arbeidsdeskundige ) een verplichting is als bedoeld in artikel 18
                            lid 4 sub h. Dit is een geüniformeerde verplichting en voor het opleggen
                            van een verlaging is artikel 11 van deze verordening van toepassing.
                        </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>De aanvullende verplichtingen op grond van de wet moeten expliciet bij
                            beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij aanvang van
                            de bijstandsuitkering als in een later stadium, zodra de omstandigheden
                            daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende verplichting
                            genoemd in artikel 55 van de wet . Deze verplichting is niet
                            rechtstreeks van invloed op de hoogte van het recht, maar wel op de
                            bevordering van de arbeidsinschakeling en uitstroom .Het kan hierbij
                            bijvoorbeeld gaan om de verplichting mee te werken aan een budgetbeheer
                            of de verplichting een medische behandeling te ondergaan.</al></li><li nr="c."><al>De verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te dienen
                            dan vier weken na melding vloeit voort uit de bijzondere
                            verantwoordelijkheid die jongeren in de wet hebben om in de eigen
                            bestaanskosten te voorzien. Het eerder indienen van een aanvraag is een
                            schending van deze verplichting. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Tweede lid</vet> - <cursief>Tweede categorie</cursief></tussenkop><lijst><li nr="a."><al>De wetgever hecht een groot belang aan de plicht tot arbeidsinschakeling
                            (artikel 9 en 9a van de wet. Om voor actieve bemiddeling in aanmerking
                            te komen is registratie onontbeerlijk. Het is bovendien een eerste,
                            betrekkelijk eenvoudige stap op weg naar re-integratie in het
                            arbeidsproces, in het bijzonder voor de doelgroep die geacht wordt op
                            eigen kracht naar reguliere arbeid uit te stromen. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Derde lid</vet> - <cursief>Derde categorie</cursief></tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op een
                            uitkering. De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid
                            te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een
                            uitkering wordt aangevraagd. </al><al>Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                            aanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de
                            kosten van het toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden
                            door het toepassen van een verlaging. Een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals:</al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen; dit geldt alleen voor de
                            bijstandsuitkering; voor de Ioaw en de Ioaz geldt er geen
                            vermogenstoets;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering,
                            ook dit geldt alleen voor de bijstandsuitkering;</al></li><li nr="-"><al>onvoldoende of geen inzet getoond om een uitkeringsaanvraag te
                            voorkomen. Voor wat betreft het op reguliere wijze interen van het
                            vermogen wordt uitgegaan van een bedrag dat gelijk is aan anderhalf maal
                            de van toepassing zijnde bijstandsuitkering. Eventuele inkomsten dienen
                            hierop in mindering te worden gebracht. Verder dient rekening te worden
                            gehouden met een noodzaak tot (her)inrichting. Wanneer de noodzaak
                            hiervoor aanwezig is mag een bedrag van anderhalf maal het bedrag dat
                            hiervoor wordt genoemd in het gemeentelijke bijzondere bijstandsbeleid,
                            worden meegenomen voor deze (her)inrichting.</al></li><li nr="b."><al>Deze gedraging heeft betrekking op personen jonger dan 27 jaar. De
                            verplichting om gedurende de 4 weken na de melding zoals bedoeld in
                            artikel 43 lid 4 en 5 van de wet te zoeken naar geschikte scholing of
                            studie kan doorgaans niet gesanctioneerd worden zonder daarvoor een
                            grondslag op te nemen in de afstemmingsverordening Participatiewet. Op
                            grond van artikel 9 lid 3 sub b van deze verordening is dat wel
                            mogelijk.</al></li><li nr="c."><al>Het college heeft de bevoegdheid om van belanghebbenden met een
                            uitkering op grond van de wet Ioaw en Ioaz, naar vermogen een
                            tegenprestatie te verlangen voor het verlenen van een uitkering (artikel
                            9 , eerste lid onderdeel c van de wet , artikel 37 lid 1 onderdeel f.
                            Ioaw of artikel 37 lid 1 onderdeel f. Ioaz).</al><al>Deze tegenprestatie dient te bestaan uit onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden. Hierbij is een aantal randvoorwaarden van
                            toepassing. </al><al>De tegenprestatie: </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>mag niet gericht zijn op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>mag niet in de weg staan aan acceptatie van arbeid of
                            re-integratie;</al></li><li nr="-"><al>bestaat daarom uit werkzaamheden die de uitkeringsgerechtigde naar
                            vermogen kan verrichten;</al></li><li nr="-"><al>wordt onbeloond verricht naast of in aanvulling op de reguliere
                            arbeidsmarkt (additioneel)</al></li><li nr="-"><al>kan niet worden ondersteund door het college met voorzieningen als
                            scholing, kinderopvang en premies.</al><al/><al>Hoewel dit instrument nu nog niet wordt ingezet is het raadzaam om in de
                            afstemmingsverordening Participatiewet wel een grondslag te creëren die
                            het mogelijk maakt het niet nakomen van de verplichting tot het
                            verrichten van onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te
                            kunnen sanctioneren. Dit geldt ook voor de Ioaw en de Ioaz.</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>Voor personen tot 27 jaar geldt specifiek de verplichting om mee te
                            werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak
                            ( artikel 44a van de wet ). Deze verplichting is opgenomen in artikel 9
                            lid 1 sub b. Gesteld kan worden deze verplichting ook valt onder artikel
                            18 lid 4 sub h. Echter de verplichting op grond van artikel 9 lid 1 sub
                            b zien wij als een specifieke verplichting en niet als een
                            geüniformeerde verplichting. Het plan van aanpak bevat ( indien van
                            toepassing de uitwerking van de ondersteuning , de verplichtingen
                            gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen bij het naleven van die
                            verplichtingen . Het college begeleidt de jongere bij de uitvoering van
                            het plan van aanpak en evalueert in samenspraak met die persoon
                            periodiek het plan van aanpak en stelt dit zo nodig bij. De
                            arbeidsinschakeling wordt geschaad , wanneer de belanghebbende deze
                            verplichting niet of onvoldoende nakomt. De gedragingen in deze
                            subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject ( definitief
                            ) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Is dat wel het geval dan
                            valt deze gedraging in de vierde categorie ( sub b ) </al></li><li nr="e."><al>Deze gedraging heeft betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht sollicitaties te verrichten en hiervan op
                            verzoek de bewijsstukken te tonen. Met de enkele mededeling van
                            mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij
                            kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                            plaatsgevonden. De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum
                            melding (zie artikel 9 lid 1 van de wet). Specifiek voor personen jonger
                            dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de
                            eerste vier weken na de melding (artikel 43 lid 4 en 5 van de wet. Is
                            geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13 lid
                            2 onderdeel d van de wet geen recht op bijstand. Zijn er wel
                            inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                            onvoldoende, dan kan het college de uitkering verlagen..</al></li><li nr="f."><al>Deze gedraging heeft betrekking op de verplichting als bedoeld in
                            artikel 9, eerste lid onderdeel b , die heeft geleid tot het intrekken
                            van de ontheffing van van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                            , bedoeld in artikel 9a , eerste lid, van de wet.</al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Vierde lid</vet> - <cursief>Vierde categorie</cursief></tussenkop><lijst><li nr="a."><al>Het gaat in deze categorie gedraging om het niet naar vermogen trachten
                            te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid (dit geldt voor artikel
                            8 en 9 ) en om het niet aanvaarden of het door eigen toedoen niet
                            behouden van geaccepteerde arbeid ( artikel 9). In het laatste geval
                            gaat het om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande
                            voet wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen wordt een
                            eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Tenzij
                            achteraf anders blijkt, neemt de gemeente de constatering van de UWV dat
                            er sprake is van verwijtbaarheid over. Mocht in het bezwaar tegen de
                            weigering van de WW-uitkering blijken dat het ontslag niet verwijtbaar
                            is, dan kan er in het kader van de wet , Ioaw of Ioaz ook geen sprake
                            zijn van verwijtbaarheid. </al><al>Als de belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal de
                            gemeente zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar is. Het
                            aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is voor de
                            doelgroep van de Participatiewet een geüniformeerde arbeidsverplichting.
                            In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de
                            geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een
                            geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime:
                            verlaging van de bijstand met 100% gedurende een in de
                            afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten
                            hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet).
                            In deze verordening is de duur van de verlaging voor de geüniformeerde
                            arbeidsverplichtingen vastgelegd in artikel 11. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in de derde
                            categorie onder d, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging
                            heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van
                            een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet In de praktijk
                            zal beëindiging van de ondersteuning opgenomen in het plan van aanpak
                            veelal pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag
                            herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan
                            voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het
                            arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld
                            diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van de
                            ondersteuning opgenomen in het plan van aanpak leiden. In alle gevallen
                            betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd
                            vrijwel onmogelijk maken. Zonder een plan van aanpak is inschakeling in
                            de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet
                            mogelijk.</al><al/><al><cursief>Inspanningen in eerste vier weken na de melding</cursief></al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding
                            (zie artikel 9, eerste lid, van de wet ). Specifiek voor personen jonger
                            dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de
                            eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en vijfde lid, van
                            de wet ).Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van
                            artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van de wet geen recht op bijstand.
                            Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college
                            onvoldoende, dan verlaagt het college de uitkering.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Deze verplichting is opgenomen in artikel 9, zesde lid van de wet en in
                            artikel 37 lid 1 sub g van de Ioaw en de Ioaz. </al><al>De formulering in artikel 9 lid 6 van de wet en in artikel 37 lid 1 sub
                            g van de Ioaw en Ioaz is geactualiseerd naar aanleiding van
                            jurisprudentie. Het gaat nu om alle vormen van zeer ernstige gedragingen
                            jegens de met de uitvoering van de wet belaste personen en instanties
                            tijdens het verrichten van hun werkzaamheden los van de vraag of er
                            sprake is van het niet- nakomen van een andere uit de wet voortvloeiende
                            verplichtingen de verplichting geldt nu expliciet voor alle met de
                            uitvoering van de wet belaste instanties ( college , de SVB en de in
                            opdracht van het college werkende re-integratiebedrijven). Onder de term
                            "zeer ernstige misdragingen" kunnen diverse vormen van agressie worden
                            verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                            gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                            onacceptabel kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een verlaging
                            toepassen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en
                            (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het
                            recht op een uitkering. </al><al>Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige
                            misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet en van de Ioaw
                            en Ioaz.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende (steeds ernstiger)
                            reeks worden onderscheiden:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>verbaal geweld (schelden), bedreigingen;</al></li><li nr="-"><al>discriminatie;</al></li><li nr="-"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="-"><al>combinatie van agressievormen.</al><al/><al>Het opleggen van een verlaging wordt toegepast bij die gedragingen
                            waarvan <onderstreept>ook</onderstreept> aangifte bij de politie wordt
                            gedaan door de functionaris tegen wie de agressie zich richtte. De
                            verlaging moet worden gezien als een signaal vanuit het college naar de
                            belanghebbende dat zijn gedrag onacceptabel is. Het is aan de rechter om
                            deze gedraging verder strafrechtelijk te beoordelen. Indien de gedraging
                            geen aanleiding geeft voor aangifte en dus geen verlaging wordt
                            opgelegd, dan blijft de mogelijkheid open belanghebbende tijdelijk de
                            toegang tot het gebouw te ontzeggen. Dit wordt in de praktijk als
                            toereikend en effectief ervaren. </al><al/></li></lijst><tussenkop><vet>Artikel 10 - Hoogte en duur van de verlaging op grond van artikel 8
                        en 9 van deze verordening</vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>Eerste lid</vet> - <cursief>Eerste verwijtbare
                    gedraging</cursief></tussenkop><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al naar gelang de
                    zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                    uiteindelijke vaststelling van de verlaging, waarbij te allen tijde de ernst van
                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                    moeten worden meegewogen. Het laatste is nader uitgewerkt in de toelichting bij
                    artikel 2 lid 2.</al><al>Bij een eerste verwijtbare gedraging, dat wil zeggen binnen een tijdvak van 12
                    maanden, geldt de verlaging voor de duur van een maand.</al><tussenkop><vet>Tweede lid</vet> – <cursief>Recidive</cursief></tussenkop><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie, wordt de grotere
                    mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het
                    percentage van de verlaging voor de categorieën 1, 2 en 3. Voor categorie 4
                    geldt bij recidive een verdubbeling van de duur. Met eerste verwijtbare
                    gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een
                    verlaging, ook indien de verlaging wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden,
                    geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend
                    is gemaakt. </al><al/><tussenkop><vet>Derde lid</vet> – <cursief>Volharding</cursief></tussenkop><al>Van volharding is sprake bij een derde en volgende gedraging uit dezelfde
                    categorie binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een
                    verlaging voor de duur van 12 maanden grote gevolgen heeft voor de
                    belanghebbende, geldt hier bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige
                    belangenafweging. Overigens blijft het mogelijk om bij volharding na twaalf
                    maanden opnieuw een verlaging voor bepaalde duur (tot maximaal twaalf maanden)
                    op te leggen. De verlaging wordt beëindigd indien de belanghebbende bij de in
                    artikel 11 bedoelde heroverweging aannemelijk kan maken van verder verwijtbaar
                    gedrag af te zien. Bijvoorbeeld bij het niet nakomen van de sollicitatieplicht.
                    Het is aan de belanghebbende om door middel van bewijsstukken aan te tonen dat
                    hij inmiddels weer volledig aan de sollicitatieplicht voldoet.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 11</vet> - <cursief>Duur verlaging bij schending
                        geüniformeerde arbeidsverplichting</cursief></tussenkop><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                    periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Deze
                    periode is vastgesteld op een maand. </al><al>Indien een belanghebbende zich binnen 12 maanden opnieuw schuldig maakt aan een
                    gedraging als bedoeld in artikel 18 lid 4 dan bedraagt de verlaging 100%
                    gedurende twee maanden.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 12 </vet>- <cursief>Verrekenen
                    verlaging</cursief></tussenkop><al>Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending
                    van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over
                    de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende
                    maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de
                    verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de wet).
                    Wanneer belanghebbende tot inkeerkomt, wordt de verlaging stopgezet en
                    ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van
                    de wet). </al><al/><al>Verrekenen bij bijzondere omstandigheden </al><al>Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van
                    het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde
                    arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als
                    bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. </al><al>Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="-"><al>vergroting schuldenproblematiek;</al></li><li nr="-"><al>(dreigende) huisuitzetting;</al></li><li nr="-"><al>afsluiting van gas en elektriciteit.</al><al/></li></lijst><al>Geen verrekening bij niet aanvaarden of behouden algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</al><al>In lid 2 is bepaald dat als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18,
                    vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, geen verrekening plaatsvindt
                    zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid. Het betreft het niet aanvaarden of
                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Deze keuze is gebaseerd op de
                    zwaarte van de gedraging. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 13 - Heroverweging</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Eerste lid</vet></tussenkop><al>Artikel 18, derde lid, van de wet schrijft voor dat het college een verlaging
                    moeten heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan
                    achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie
                    maanden is opgelegd.</al><al>Binnen drie maanden na de beschikking tot verlaging moet het college beginnen
                    met het onderzoek in het kader van de heroverweging. Dit onderzoek kan in
                    sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van de aard van de
                    verplichting of gedraging. Zo kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan
                    niet nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van
                    schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat de belanghebbende inmiddels aan de
                    sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere gevallen zal het noodzakelijk zijn
                    om de belanghebbende op te roepen. Als de belanghebbende de gevraagde gegevens
                    niet overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt heroverweging plaats
                    op basis van de dan bekende gegevens, hetgeen veelal tot voortzetting van de
                    verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een beschikking.</al><tussenkop><vet>Tweede lid</vet></tussenkop><al>Het resultaat van de heroverweging kan drieledig zijn. </al><al>De belanghebbende laat blijken zich inmiddels niet langer schuldig te maken aan
                    de verwijtbare gedraging waarvoor de verlaging was opgelegd. In dat geval zal de
                    verlaging worden herzien met ingang van het moment waarop van verder verwijtbaar
                    gedrag geen sprake meer is. </al><al>Beëindiging van de verlaging na drie maanden vindt plaats als de belanghebbende
                    aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de opgelegde verplichtingen zal
                    houden. </al><al>Van voortzetting zal sprake zijn als de belanghebbende zich ook ten tijde van de
                    heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt.
                    Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting met vaststelling van een
                    lager percentage als de belanghebbende blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar
                    onvoldoende te hebben verbeterd.</al><tussenkop><vet>Derde lid</vet></tussenkop><al>Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de
                    verlaging te verdubbelen. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de
                    weigerachtigheid om actief te solliciteren. Als hiervoor een verlaging is
                    opgelegd en de belanghebbende blijft onvoldoende actief in het zoeken naar werk,
                    ook na een tweede verlaging voor twee maanden en na een derde voor de duur van
                    12 maanden, dan kan bij de voortzetting het percentage worden verdubbeld.
                    Verlaging van het percentage is mogelijk indien de belanghebbende blijk geeft
                    zijn gedrag enigszins, maar onvoldoende te hebben verbeterd. Ook hierbij staat
                    een zorgvuldige belangenafweging voorop. Het eerste lid blijft overigens bij
                    volharding van toepassing.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 14 - Samenloop bij weigeren uitkering
                    Ioaw/Ioaz</vet></tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 Ioaw respectievelijk artikel 20 Ioaz
                    bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende,
                    kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is
                    een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                    worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                    heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                    gaat in beginsel voor. </al><al>Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op
                    grond van deze verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 14 van deze
                    verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 15 -Citeertitel</vet></tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 16. Inwerkingtreding</vet></tussenkop><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1
                    januari 2015. Op deze datum is de Participatiewet in werking getreden </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>