<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR395172_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels bestuurlijke boete 2015 GR Ferm            Werk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Ferm Werk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bodegraven-Reeuwijk</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montfoort</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oudewater</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/bgr-2017-373.html">blad gemeenschappelijke regeling 2017nr 373</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels bestuurlijke boete 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=18a&amp;g=2015-01-01">artikel 18a Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-07-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-07-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Beleidsregels boete 2015</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bijstandverlening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de Beleidsregels bestuurlijke boete 2017 GR Ferm Werk</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels bestuurlijke boete 2015 GR Ferm
            Werk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het dagelijks bestuur van Ferm Werk,</al><al>gelet op </al><lijst><li nr="·"><al>artikel 18a van de Participatiewet</al></li><li nr="·"><al>de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november
                                2014</al></li></lijst><al>besluit vast te stellen de navolgende</al><al><vet>Beleidsregels bestuurlijke boete 2015</vet><vet> GR Ferm
                        Werk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde
                            betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet
                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                            zelfstandigen, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 , de
                            Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><al>Van schending van de inlichtingenplicht is geen sprake in de volgende
                            situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>Een belanghebbende verstrekt de van belang zijnde gegevens als
                                    bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Participatiewet binnen
                                    de daartoe door Ferm Werk gestelde termijn of uit eigen beweging
                                    binnen niet meer dan 7 dagen (1 week) nadat het te melden feit
                                    of de omstandigheid zich voordoet, bekend is geworden of
                                    redelijkerwijs bekend had kunnen zijn.</al></li><li nr="b."><al>Een belanghebbende die verplicht is gebruik te maken van een
                                    inkomstenformulier, levert dit formulier ingevuld en voorzien
                                    van bewijsstukken in op de laatste werkdag van de maand waarop
                                    het formulier betrekking heeft dan wel uiterlijk op de 10de dag
                                    van de maand die volgt op de maand waarop het formulier
                                    betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beoordeling mate van verwijtbaarheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De mate waarin het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht aan de belanghebbende kan worden verweten, wordt
                                beoordeeld naar de omstandigheden waarin belanghebbende verkeerde op
                                het moment dat hij de inlichtingenplicht had moeten nakomen. Bij
                                deze beoordeling leiden de volgende criteria in ieder geval tot
                                verminderde verwijtbaarheid:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste
                                        omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon
                                        behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke
                                        onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenplicht te
                                        voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem
                                        niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet
                                        tijdig of volledig zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke
                                        toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te
                                        rekenen;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter
                                        onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een
                                        wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar
                                        uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt
                                        voordat de overtreding is geconstateerd;</al></li><li nr="d."><al>er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op
                                        zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd, wel
                                        leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde
                                        verwijtbaarheid;</al></li><li nr="e."><al>Er is sprake van gedeelde verwijtbaarheid als gevolg van
                                        (gedeeltelijke) omissies in de uitvoering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het enkele feit dat belanghebbende de inhoud van de correspondentie
                                van Ferm Werk niet begrijpt (bijvoorbeeld omdat hij de Nederlandse
                                taal niet beheerst), of niet in staat is om zijn zaken te
                                behartigen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er sprake
                                is van verminderde verwijtbaarheid. Van belanghebbende mag immers
                                worden verwacht dat hij zich laat bijstand als dit het geval
                                is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de bestuurlijke boete boete is gerelateerd aan het
                                benadelingsbedrag en wordt bepaald in evenredigheid met de ernst van
                                de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                                verweten en zijn individuele omstandigheden waaronder begrepen zijn
                                draagkracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de mate van verwijtbaarheid wordt op de volgende wijze rekening
                                gehouden: </al><lijst><li nr="a."><al>Een beboetbare gedraging leidt bij gemiddelde
                                        verwijtbaarheid tot een boete ter hoogte van 50% van het
                                        benadelingsbedrag.</al></li><li nr="b."><al>Onder gemiddelde verwijtbaarheid als bedoeld onder a. wordt
                                        tevens verstaan de situatie waarin belanghebbende heeft
                                        nagelaten om wijziging van feiten of omstandigheden tijdig
                                        en op voorgeschreven wijze te melden waarvan hij wist of
                                        waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze
                                        van belang zijn voor de uitkering.</al></li><li nr="c."><al>Als er sprake is van opzet wordt een boete van 100% van het
                                        benadelingsbedrag opgelegd.</al></li><li nr="d."><al>Als er sprake is van grove schuld wordt een boete van 75%
                                        van het benadelingsbedrag opgelegd.</al></li><li nr="e."><al>Er wordt een boete van 25% van het benadelingsbedrag
                                        opgelegd indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
                                        Van verminderde verwijtbaarheid is sprake in de situaties
                                        als bedoeld in artikel 2 lid 1.</al></li><li nr="f."><al>Bij het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt geen
                                        boete opgelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met de draagkracht van belanghebbende wordt op de volgende wijze
                                rekening gehouden:</al><lijst><li nr="a."><al>De boete als bedoeld in het tweede lid wordt verlaagd als de
                                        belanghebbende deze gezien zijn draagkracht niet binnen een
                                        redelijke termijn kan aflossen. </al></li><li nr="b."><al>De fictieve draagkracht per maand bedraagt 10% van de
                                        toepasselijke bijstandsnorm plus 75% van het inkomen voor
                                        zover dit meer bedraagt dan de toepasselijke
                                        bijstandsnorm.</al></li><li nr="c."><al>In afwijking van het gestelde onder b. bedraagt de fictieve
                                        draagkracht € 45,00 per maand als de belanghebbende een
                                        uitkering ontvangt naar de kostendelersnorm als bedoeld in
                                        artikel 22a van de Participatiewet.</al></li><li nr="d."><al>Onder een redelijke aflossingstermijn wordt verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>6 maanden in geval van verminderde
                                                verwijtbaarheid</al></li><li nr="-"><al>12 maanden bij gemiddelde verwijtbaarheid</al></li><li nr="-"><al>18 maanden in geval van grove schuld</al></li><li nr="-"><al>24 maanden in geval van opzet</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>Bij de bepaling van de fictieve draagkracht wordt het
                                        vermogen buiten beschouwing gelaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij herhaling van de schending van de inlichtingenplicht binnen een
                                periode van vijf jaar (recidive) wordt</al><lijst><li nr="a."><al>het boetebedrag als bedoeld in het tweede lid verhoogd met
                                        50%;</al></li><li nr="b."><al>de redelijke aflossingstermijn als bedoeld in het derde lid
                                        onder d verlengd met 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van boete bedraagt maximaal de maximumboetes zoals die van
                                toepassing zijn conform art. 23, lid 4 van het Wetboek van
                                Strafrecht. In geval van bewezen opzet is dit maximaal € 81.000,- en
                                alle andere gevallen, maximaal € 8.100,-.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Schriftelijke waarschuwing en hoogte bestuurlijke boete bij
                                nul-fraude</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als belanghebbende tijdens de aanvraagprocedure gegevens, die
                                noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering,
                                pas inlevert nadat een hersteltermijn is geboden, dan wordt een
                                schriftelijke waarschuwing gegeven en wordt geen boete opgelegd</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag (zgn. nulfraude) wordt
                                in plaats van een boete een schriftelijke waarschuwing gegeven,
                                tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar vanaf de datum waarop
                                eerder een zodanige waarschuwing is gegeven;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de inlichtingenverplichting opnieuw geschonden wordt binnen 2
                                jaar nadat een waarschuwing werd gegeven, zonder dat dit een
                                benadelingsbedrag tot gevolg heeft, wordt een boete opgelegd ter
                                hoogte van vijf procent van de voor de belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm afgerond naar beneden op hele euro’s.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de schending van de inlichtingenplicht betrekking heeft op het
                                verzwijgen van inkomsten die achteraf alsnog met de uitkering worden
                                verrekend o.g.v. art 58 lid 4, wordt als uitgangspunt de hoogte van
                                de verzwegen inkomsten genomen. De hoogte van de boete wordt
                                vervolgens bepaald met inachtneming van artikel 5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien bestuurlijke boete</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een boete bij
                            dringende redenen. Hiervan kan sprake zijn als er in de individuele
                            situatie van de belanghebbende op het moment waarop over de oplegging
                            van de boete moet worden besloten, sprake is van zeer uitzonderlijke,
                            bijzondere omstandigheden waardoor het opleggen van een boete
                            onaanvaardbare consequenties zou hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels treden in werking vanaf de eerste dag nadat
                                    deze zijn bekendgemaakt en werken terug tot 24 november
                                    2014.</al></li><li nr="2."><al>Deze regeling kan worden aangehaald als “Beleidsregels
                                    bestuurlijke boete 2015 GR Ferm Werk”.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur van Ferm Werk in zijn
                        vergadering van 10 september 2015.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Y.Koster-Dreese</ondertekening><ondertekening>Voorzitter dagelijks bestuur Ferm Werk</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.Wilke</ondertekening><ondertekening>Secretaris dagelijks bestuur Ferm Werk </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>Een belanghebbende heeft op grond van artikel 17, lid 1 lid van de
                    Participatiewet of artikel 13 van de IOAW/IOAZ de verplichting om op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging gegevens te verstrekken waarvan het hem
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Als iemand deze inlichtingenplicht
                    niet of niet behoorlijk nakomt, dan dient in beginsel een boete te worden
                    opgelegd.</al><al/><al>Artikel 18a van de Participatiewet en artikel 20a van de IOAW/IOAZ en het
                    Boetebesluit sociale zekerheidswetten geven een aantal bepalingen over het
                    opleggen van boetes bij het niet, niet tijdig of onvolledig nakomen van de
                    inlichtingenplicht ingevolge artikel 17 Participatiewet en artikel 13
                    IOAW/IOAZ.</al><al/><al>De Centrale raad van Beroep (CRvB) heeft op 24 november 2014 een uitspraak
                    gedaan waarbij het zonder meer volgen van deze wettelijke bepalingen onder meer
                    in strijd wordt geacht met het evenredigheidsbeginsel. Naar aanleiding van deze
                    uitspraak heeft de minister in een schrijven aan de Tweede Kamer laten weten dat
                    de regelgeving zal worden aangepast. Vooruitlopend op de nieuwe regelgeving
                    worden gemeenten geacht de uitvoering van de regelgeving in de lijn van de
                    uitspraak van de CRvB te doen plaatsvinden (verzamelbrief 22-12-2014 van het
                    ministerie SZW) In deze beleidsregels legt Ferm Werk regels vast over de
                    uitvoering van de bestuurlijke boete.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Schending inlichtingenplicht</vet></al><al>Op grond van artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 30c, tweede
                    en derde lid van de Wet Suwi en artikel 13, eerste lid onder a van de IOAW/IOAZ
                    is de belanghebbende verplicht om alle gegevens, die van invloed zijn op de
                    arbeidsinschakeling of het geldend maken van het recht, de duur en de hoogte van
                    de uitkering of de inkomensvoorziening op verzoek of onverwijld uit eigen
                    beweging te melden. In dit artikel wordt nadere invulling gegeven aan het begrip
                    onverwijld uit eigen beweging.</al><al>Als belanghebbende binnen de in het artikel genoemde termijn inlichtingen
                    verstrekt is er geen sprake van schending van de inlichtingenplicht.</al><al>In het tweede lid is het beleid opgenomen in geval de belanghebbende tijdens de
                    aanvraagprocedure niet tijdig gegevens aanlevert. Er wordt in dat geval een
                    waarschuwing opgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Mate van verwijtbaarheid</vet></al><al>De CRvB stelt in haar uitspraak van 24 november 2014 dat de hoogte van de boete
                    bij overtredingen in alle individuele gevallen moet worden afgestemd op de ernst
                    van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de (financiële)
                    omstandigheden van de betrokkene(n). Door deze uitspraak hebben de bepalingen
                    met betrekking tot de minimumboete geen praktische betekenis meer. </al><al>In artikel 18a van de WWB, artikel 20a IOAW, artikel 20a IOAZ en het
                    Boetebesluit socialezekerheidswetten zijn algemene regels opgenomen voor het
                    bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete. In het Boetebesluit heeft de
                    wetgever vastgelegd in welke gevallen in ieder geval sprake is van verminderde
                    verwijtbaarheid. </al><lijst><li nr="1."><al>Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan problemen in de situatie
                            thuis waardoor belanghebbende onder ernstige psychische druk staat,
                            zoals een ernstige ziekte of het overlijden van de partner of
                            kinderen.</al></li><li nr="2."><al>Hierbij gaat het om de situatie dat de geestelijke toestand van de
                            belanghebbende zelf zodanig is dat de gedraging niet volledig kan worden
                            toegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Door alsnog op eigen initiatief de juiste informatie te leveren, vormt
                            dit een grondslag voor verminderde verwijtbaarheid. Indien de juiste
                            informatie alsnog wordt gegeven in het kader van toezicht op de naleving
                            van een inlichtingenverplichting dan levert dit evenwel geen
                            omstandigheid op die leidt tot verminderde verwijtbaarheid.</al></li><li nr="4."><al>Hierbij gaat het om een combinatie van verschillende factoren
                            (gestapelde verminderde verwijtbaarheid).</al></li><li nr="5."><al>Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om onduidelijke voorlichting over
                            rechten en plichten of fouten in de uitvoering (bijv. het laten
                            voortduren van een incorrecte situatie terwijl de uitvoering van het
                            bestaan wist).</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4 Hoogte van de bestuurlijke boete</vet></al><al>De CRvB heeft op 24 november 2014 uitspraak gedaan over de Fraudewet
                    (CRVB:2014:3754). Ze stelt dat boetes die zo hoog zijn, om een indringender
                    toets aan het evenredigheidsbeginsel vragen. Het ligt naar het oordeel van de
                    CRvB in de rede om alleen een boete van 100% op te leggen als opzet is bewezen
                    en van 75% als grove schuld is bewezen. In de overige gevallen is 50% het
                    uitgangspunt. Als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid wordt de boete
                    verlaagd tot 25%.</al><al>Bij recidive geldt dat voor de berekening van de boete 150% van het
                    benadelingsbedrag als uitgangspunt wordt genomen. Op dit bedrag wordt het
                    boetepercentage toegepast dat voortkomt uit beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid (100% bij opzet tot 25% bij verminderde verwijtbaarheid).</al><al/><al><vet>Opzet </vet></al><al>Van opzet is sprake, indien vaststaat dat belanghebbende de inlichtingenplicht
                    willens en wetens heeft geschonden met de bedoeling een hogere uitkering te
                    verkrijgen of te behouden dan waar recht op bestaat.</al><al/><al><vet>Grove schuld </vet></al><al>Grove schuld is een in laakbaarheid, aan opzet grenzende mate van
                    verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden
                    aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid zoals het bijvoorbeeld niet
                    meer reageren op oproepen van het college. Bij grove schuld had belanghebbende
                    redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben
                    dat een te hoog bedrag aan bijstand zou kunnen worden toegekend. </al><al/><al><vet>Geen verwijtbaarheid</vet></al><al>In de Participatiewet is niet geregeld dat in het geval van het ontbreken van
                    verwijtbaarheid wordt afgezien van het opleggen van een boete. Wel is in artikel
                    18a lid 7 onderdeel a Participatiewet bepaald dat de boete kan worden verlaagd
                    indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid.</al><al/><al>Op grond van artikel 5:41 Awb geldt echter dat het bestuursorgaan geen
                    bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan
                    worden verweten. Belanghebbende zal hiervoor een beroep moeten doen op
                    afwezigheid van alle schuld en deze afwezigheid aannemelijk moeten maken. </al><al/><al>Toepassing van geen verwijtbaarheid zal in de praktijk echter zelden voorkomen:
                    het ontbreken van iedere vorm van verwijtbaarheid kan niet snel worden
                    aangenomen. Afzien van het opleggen van een boete wegens het ontbreken van
                    iedere verwijtbaarheid zal dus tot de uitzonderingen behoren. Uitgangspunt is
                    dat als belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden, dit ook
                    verwijtbaar is. De bewijslast om aan te tonen dat de schending van de
                    inlichtingenplicht niet verwijtbaar is ligt bij belanghebbende.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Schriftelijke waarschuwing en hoogte bestuurlijke boete bij
                        nul-fraude</vet></al><al>Op grond van artikel 18a lid 4 van de Participatiewet en artikel 20a lid 4 van
                    de IOAW/IOAZ is het dagelijks bestuur bevoegd, af te zien van het opleggen van
                    een bestuurlijke boete en te volstaan met het geven van een schriftelijke
                    waarschuwing in gevallen zoals vastgelegd in artikel 18a lid 3 van de
                    Participatiewet en artikel 20 a lid 3 van de IOAW/IOAZ (nulfraude). Van deze
                    bevoegdheid maakt het dagelijks bestuur gebruik door bij de eerste keer
                    nulfraude een waarschuwing te geven.</al><al/><al>De minimale boete is als gevolg van de uitspraak van de CRvB komen te vervallen. </al><al>De boete zonder benadelingsbedrag (en de mogelijkheid een waarschuwing te geven)
                    is geregeld in artikel 18a lid 3 en 4 Participatiewet. In artikel 2, derde lid
                    Boetebesluit socialezekerheidswetten is het bedrag van deze recidiveboete bij
                    nul fraude gesteld op € 150, -.Dit bedrag is wel gelijk aan het bedrag dat ook
                    voor de minimumboete gold, maar er is in de redactie van artikel 2 lid 3
                    Boetebesluit geen relatie gelegd met de minimumboete. </al><al/><al>Hierdoor kan de situatie zich voordoen dat iemand die voor de tweede keer de
                    inlichtingenplicht schendt met een benadelingsbedrag van € 100,- een boete
                    krijgt van 50% x 150% van € 100, -. Dat is € 75, -. Iemand die voor de tweede
                    keer de inlichtingenplicht schendt zonder benadelingsbedrag krijgt een boete van
                    € 150, -. Het is de vraag of dit de toets der redelijkheid kan doorstaan. Het
                    dagelijks bestuur heeft daarom in dit artikel opgenomen dat de hoogte van de
                    boete bij geen benadelingsbedrag vastgesteld wordt op een percentage van de
                    geldende bijstandsnorm. Vijf procent van de bijstandsnorm zal leiden tot een
                    boete tussen € 12,00 en € 78,00. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Afzien bestuurlijke boete</vet></al><al>Wanneer er sprake is van dringende redenen dan wordt op grond van artikel 5:41
                    Awb afgezien van het opleggen van een boete of het geven van een schriftelijke
                    waarschuwing. </al><al/><al>Artikel 18a lid 7 onderdeel b Participatiewet bepaalt dat het college kan afzien
                    van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
                    Hierbij gaat het om bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Indien
                    door het opleggen van een bestuurlijke boete voor belanghebbende (of zijn gezin)
                    onaanvaardbare consequenties zouden optreden, kan deze regel worden
                    toegepast.</al><al/><al>Uit het woord 'dringend' blijkt dat er iets bijzonders en uitzonderlijks aan de
                    hand moet zijn, wil een afwijking van de regel gerechtvaardigd zijn. Dat het
                    belanghebbende (of zijn gezin) door de bestuurlijke boete aan middelen ontbreekt
                    om in het bestaan te voorzien, is op zich onvoldoende om te kunnen spreken van
                    dringende redenen (zie ook CRvB 01-04-2003, nr. 00/5643 NABW). Vast dient te
                    staan dat sprake is van incidentele gevallen en dat de behoeftige omstandigheden
                    op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat afzien van een bestuurlijke
                    boete volstrekt onvermijdelijk is.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>