<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>395149_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels terugvordering, invordering, leenbijstand en verhaal
                PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZ GR Ferm Werk </dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Ferm Werk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-04</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://bgr-2016-58">Blad gemeenschappelijke
                regeling 2016 nr 58</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels terugvordering, invordering, leenbijstand en verhaal
                PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZ GR Ferm Werk </dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">dagelijks bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                databankrecht</dcterms:rights><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:BWBR0004044">Ioaw</dcterms:source><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:source resourceIdentifier="BWB://1.0:v:0004163">Ioaz</dcterms:source></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>besluit dagelijks bestuur</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bijstandverlening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule><vet>Beleidsregels terugvordering, invordering, leenbijstand en verhaal PARTICIPATIEWET,
                IOAW en IOAZGR Ferm Werk</vet></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het dagelijks bestuur van Ferm Werk,</al><al>gelet op het bepaalde in de Participatiewet, de Ioaw en Ioaz ten aanzien van
                        terugvordering, invordering en verhaal van bijstand en het verstrekken,
                        aflossen en invorderen van leenbijstand</al><al>besluit vast te stellen de navolgende</al><al></al><al><vet>Beleidsregels terugvordering, invordering, leenbijstand en verhaal
                            PARTICIPATIEWET, IOAW en IOAZGR Ferm Werk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting
                                        en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de
                                        uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting
                                        1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en
                                        premies niet verrekend kunnen worden met de door het
                                        dagelijks bestuur af te dragen loonbelasting en premies
                                        volksverzekeringen;</al></li><li nr="b."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de
                                        Gemeenschappelijke Regeling Ferm Werk;</al></li><li nr="c."><al>fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of
                                        tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van
                                        het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht;</al></li><li nr="d."><al>inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17,
                                        eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid
                                        van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel
                                        30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;</al></li><li nr="e."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="f."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="g."><al>uitkering: de door het dagelijks bestuur verleende bijstand
                                        in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het
                                        kader van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in
                                        de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde
                                        en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op
                                        grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li><li nr="i."><al>verhaal: vordering op een derde of de vordering in verband
                                        met een nalatenschap of in verband met een schenking.</al></li></lijst><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Algemene uitgangspunten herziening, intrekking, terugvordering en
                                brutering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot:</al><lijst><li nr="a."><al>het herzien of intrekken van het toekenningsbesluit
                                        ingevolge artikel 54 van de Participatiewet en artikel 17
                                        van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>het terugvorderen van (ten onrechte of tot een te hoog
                                        bedrag) verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen
                                        58 tot en met 60 van de Participatiewet, alsmede artikel 25,
                                        tweede lid en artikel 26 van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>het bruteren van de vordering, welke is ontstaan door
                                        gebruik te maken van de onder b genoemde bevoegdheden, bij
                                        niet tijdige betaling;</al></li><li nr="d."><al>het verhalen van verleende bijstand zoals neergelegd in
                                        paragraaf 6.5 Participatiewet</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid ziet het dagelijks bestuur geheel of
                                gedeeltelijk af van terugvordering of brutering in gevallen waar
                                jurisprudentie daartoe aanleiding geeft, zoals </al><al></al><lijst><li nr="a."><al>zes maandenjurisprudentie;</al></li><li nr="b."><al>beperking terugvordering bij overschrijding vermogensgrens
                                        gedurende een langere periode;</al></li><li nr="c."><al>geen brutering als het belanghebbende niet valt toe te
                                        rekenen dat een schuld niet in hetzelfde kalenderjaar is
                                        terugbetaald.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN VERDERE TERUGVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Vorderingen die niet het gevolg zijn van schending van de
                                inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur kan op verzoek van belanghebbende geheel of
                                gedeeltelijk afzien van terugvordering of verdere terugvordering van
                                de kosten van bijstand als :</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn
                                betalingsverplichtingen heeft voldaan; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>Belanghebbende gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn
                                betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige
                                bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering
                                betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht
                                en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan
                                verrichten; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de (volledige) terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of
                                sociale consequenties voor belanghebbende of diens gezin (dringende
                                redenen). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De periode van vijf jaar als bedoeld in het vorige lid onder a b, en
                                d, bedraagt drie jaar als het inkomen van belanghebbende in deze
                                periode niet hoger was dan de toepasselijke beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur ziet af van terugvordering van het restant van
                                de vordering als belanghebbende bij beëindiging van de uitkering
                                instemt met verrekening van het vakantiegeld en het restant van de
                                vordering daarna minder is dan € 25,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vorderingen die het gevolg zijn van schending van de
                                inlichtingenplicht</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan op verzoek van belanghebbende geheel of
                            gedeeltelijk afzien van terugvordering of verdere terugvordering van de
                            kosten van bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende gedurende tien jaar volledig aan zijn
                                    betalingsverplichting heeft voldaan of hij een eventuele
                                    achterstand in de betalingen over die periode alsnog voldoet en
                                    er in die periode geen nieuwe verwijtbare vorderingen zijn
                                    ontstaan; </al></li><li nr="b."><al>nadat belanghebbende gedurende twee jaar volledig aan zijn
                                    aflossingsverplichting heeft voldaan, tenminste de helft van het
                                    uitstaande saldo ineens wordt afgelost en door deze betaling in
                                    totaal minstens evenveel afgelost wordt als het bedrag dat
                                    normaliter in tien jaar zou worden afgelost; </al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende gedurende tien jaar geen betalingen heeft
                                    verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
                                    gaan verrichten;</al></li><li nr="d."><al>de (volledige) terugvordering leidt tot onaanvaardbare
                                    financiële of sociale consequenties voor belanghebbende of diens
                                    gezin (dringende redenen). </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Uitzondering</titel></kop><al>Geen kwijtschelding wordt verleend voor vorderingen waarop een zekerheid
                            is gesteld in de vorm van pand of hypotheek, voor zover deze zekerheden
                            kunnen worden uitgewonnen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij
                                schulden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur verleent medewerking aan een schuldregeling
                                bij vorderingen die niet het gevolg zijn van schending van de
                                inlichtingenplicht (artikel 60c van de Participatiewet en artikel
                                29a van de IOAW en IOAZ) als:</al><lijst><li nr="a."><al>redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal
                                        kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; </al></li><li nr="b."><al>het besluit om af te zien van volledige terugvordering
                                        noodzakelijk is voor het tot stand brengen van een
                                        schuldregeling. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het besluit als bedoeld in lid 1. wordt ingetrokken als niet is
                                voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 12 maanden is een schuldregeling tot stand gekomen
                                        voor alle schulden; </al></li><li nr="b."><al>de vordering van de gemeente wordt als preferent
                                        behandeld;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de vordering van de gemeente wordt tenminste voldaan naar
                                        evenredigheid met de vorderingen van de andere schuldeisers
                                        van gelijke rang.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INVORDERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het besluit tot terugvordering neemt het dagelijks bestuur tevens
                                een invorderingsbesluit. Uitgangspunt is dat de vordering in een
                                keer terugbetaald moet worden binnen de in artikel 4:87 van de Awb
                                genoemde betalingstermijn van zes weken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in lid 1 genoemde besluit omvat de volgende punten:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van (het saldo van) de vordering;</al></li><li nr="b."><al>de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te
                                        voldoen;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betalingsverplichting in gaat;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na
                                        verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87
                                        van de Awb een betalingsregeling te treffen;</al></li><li nr="e."><al>de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de
                                        betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb
                                        over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over
                                        aanmaning en invordering bij dwangbevel;</al></li><li nr="f."><al>de vermelding dat het aangaan van nieuwe
                                        schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling
                                        van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens
                                        bijzondere onvoorziene omstandigheden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Verrekening en invordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de
                                Participatiewet, de IOAW of de IOAZ gaat het dagelijks bestuur,
                                ongeacht de in artikel 7 lid 1 genoemde betalingstermijn, meteen na
                                afgifte van het terugvorderingsbesluit over tot verrekening van de
                                vordering met het recht op uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als onmiddellijke invordering onevenredig belastend is voor
                                belanghebbende, de schuld niet het gevolg is van fraude en er voorts
                                geen reden is om aan te nemen dat door het latere moment van
                                invordering de mogelijkheid tot inning van de schuld vermindert, kan
                                het dagelijks bestuur de beslissing op bezwaar of beroep afwachten
                                alvorens tot invordering wordt overgegaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Verrekening zoals bedoeld in het eerste lid, wordt niet als
                                onevenredig belastend voor belanghebbende gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Volgorde inning vorderingen i.v.m. schending
                                inlichtingenplicht</titel></kop><al>Als een boete wordt opgelegd naast terugvordering van verstrekte
                            uitkering, dan wordt in beginsel eerst de boete geïnd. Alleen als de
                            belanghebbende geen uitkering meer ontvangt en de boete niet kan worden
                            geïnd doordat vorderingen van andere schuldeisers preferent zijn, wordt
                            hiervan afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte aflossing vorderingen die niet het gevolg zijn van
                                schending van de inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De basishoogte van de aflossingsverplichting bedraagt 6% van de van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde
                                grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de
                                IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan
                                het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het
                                Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking
                                zou komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de debiteur een inkomen heeft dat hoger is dan de toepasselijke
                                bijstandsnorm, dan wordt het aflossingsbedrag verhoogd met 50% van
                                het inkomen boven die norm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, wordt met een
                                betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de
                                vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan
                                worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per
                                maand bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere
                                schuldeiser dan het dagelijks bestuur), kan de
                                aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle
                                vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals
                                aangegeven in artikel 475d van het wetboek van Burgerlijke
                                Rechtsvordering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Hoogte aflossing vorderingen die het gevolg zijn van schending
                                van de inlichtingenplicht (fraude)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De basishoogte van de aflossingsverplichting bedraagt 10% van de van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde
                                grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, van de
                                IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan
                                het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het
                                Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking
                                zou komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ingeval de belanghebbende geen bijstand meer ontvangt maar andere
                                inkomsten heeft, worden boete en terugvorderingsschuld ingevorderd
                                via een betalingsregeling. Daarbij worden de volgende middelen
                                gerekend tot de betalingscapaciteit van de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermogen voor zover dit meer bedraagt dan twee keer de
                                        toepasselijke bijstandsnorm; </al></li><li nr="b."><al>10% van de toepasselijke bijstandsnorm plus 75% van het
                                        inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de toepasselijke
                                        bijstandsnorm met dien verstande dat belanghebbende na
                                        invordering van de boete in ieder geval beschikt over een
                                        inkomen dat gelijk is aan de toepasselijke
                                        bijstandsnorm.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maandelijkse aflossing op boete en terugvordering kan lager
                                worden vastgesteld voor zover het totaal van (het restant van) de
                                vorderingen in verband met schending van de inlichtingenplicht
                                zullen worden voldaan binnen een periode van 18 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Samenloop met andere vorderingen</titel></kop><al>Als - door samenloop met vorderingen van hogere preferentie -
                            belanghebbende door toepassing van deze regels over een inkomen van
                            minder dan de beslagvrije voet zou komen te beschikken, dan wordt het
                            aflossingsbedrag zo lang als dat nodig is naar beneden bijgesteld tot
                            een bedrag waarbij belanghebbende wel over een inkomen ter hoogte van de
                            beslagvrije voet kan beschikken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussentijdse beoordeling van de betalingsverplichting vindt plaats
                                op grond van in het heronderzoeksplan vastgestelde termijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van belanghebbende
                                is gewijzigd, kan het dagelijks bestuur een draagkrachtonderzoek
                                instellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer het dagelijks bestuur als gevolg van een
                                draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de
                                eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan
                                in kennis gesteld bij beschikking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze
                                opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die
                                van de beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door
                                belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen tot wijziging van
                                de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel
                                van de opgelegde betalingsverplichting, als hij meent de eerder
                                vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen
                                voldoen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek zoals bedoeld in het eerste lid dient te worden voorzien
                                van financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende
                                afschriften van bewijsstukken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het dagelijks
                                bestuur een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid
                                en deelt dit aan belanghebbende mee.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de
                                lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende
                                redenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als het verzoek om uitstel wordt toegekend, wordt er voor de periode
                                dat uitstel is verleend geen wettelijke rente in rekening
                                gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting</titel></kop><al>Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een
                            betalingsregeling of een eerderopgelegde betalingsverplichting niet meer
                            nakomt, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel
                            van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met
                            479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke
                            Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek
                            van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die
                            is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat
                            de per omgaande gestarte betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen
                            als bedoeld in artikel 4:117 Awb.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Rente en kosten</titel></kop><al>Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel
                            15 wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op
                            de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is
                            overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>LEENBIJSTAND</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Vorm van de bijstand</titel></kop><al>Hoofdregel is dat bijzondere bijstand om niet verstrekt wordt. Hierop
                            wordt een uitzondering gemaakt:</al><lijst><li nr="a."><al>als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende
                                    op korte termijn (maximaal 12 maanden) over voldoende middelen
                                    kan beschikken om over de betreffende periode in de
                                    noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;</al></li><li nr="b."><al>als het bijzondere bijstand betreft voor de kosten van
                                    noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen en/ of
                                    inrichtingskosten;</al></li><li nr="c."><al>als de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="d."><al>als het bijzondere bijstand betreft voor de kosten van
                                    waarborgsom. Hier is leenbijstand de enige aangewezen vorm,
                                    aangezien belanghebbende de waarborgsom op een later moment weer
                                    terug ontvangt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Looptijd leenbijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het uitgangspunt is dat de geldlening in beginsel helemaal wordt
                                terugbetaald en dat de looptijd niet langer is dan 36 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Terugbetaling start de maand nadat de leenbijstand is verstrekt. Een
                                uitzondering hierop vormt de leenbijstand die verstrekt wordt aan
                                statushouders voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen bij
                                de huisvesting. De aflossing start in deze gevallen 6 maanden na
                                huisvesting. Reden hiervoor is dat het huishoudboekje in de eerste
                                maanden meestal nog niet op orde is omdat de toeslagen door de
                                Belastingdienst nog niet worden uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de belanghebbende gedurende drie jaar volledig aan zijn
                                betalingsverplichting heeft voldaan en de geldlening is niet het
                                gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, dan
                                wordt het restant van de vordering na 36 maanden omgezet in bijstand
                                om niet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de belanghebbende gedurende 60 maanden volledig aan zijn
                                betalingsverplichting heeft voldaan en de geldlening is het gevolg
                                van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, dan wordt
                                het restant van de vordering na 60 maanden omgezet in bijstand om
                                niet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Hoogte aflossing leenbijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de aflossing van de renteloze lening bedraagt 6% van
                                de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd
                                met 50% van deze meerinkomsten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval - door samenloop met vorderingen - belanghebbende door
                                toepassing van deze regel over een inkomen van minder dan de
                                beslagvrije voet zou komen te beschikken wordt het aflossingsbedrag
                                naar beneden bijgesteld tot een bedrag waarbij belanghebbende in
                                ieder geval over een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet kan
                                beschikken. Als de lening na 36 maanden nog niet is afgelost , vindt
                                een heroverweging plaats. Aanpassing van het aflossingsbedrag ligt
                                dan in de rede. Hierbij worden de omstandigheden van de
                                belanghebbende meegewogen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op verzoek van belanghebbende kan het college de aflossingsbedragen
                                anders vaststellen mits binnen drie jaar de gehele schuld is
                                terugbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Matiging en opschorting aflossing leenbijstand</titel></kop><al>In beginsel wordt een vastgesteld aflossingsbedrag niet meer gewijzigd.
                            Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>Het dagelijks bestuur besluit tot matiging of opschorting van de
                                    aflossing als er sprake is van een nieuwe wettelijke of
                                    minnelijke schuldregeling: de vordering wordt dan in die
                                    regeling ingebracht (als concurrente vordering). Tijdens de
                                    looptijd van een schuldregeling wordt in de regel geen bijstand
                                    in de vorm van een lening verstrekt.</al></li><li nr="b."><al>Als de belanghebbende niet (meer) aan zijn betalingsverplichting
                                    kan voldoen én de betalingsverplichting leidt tot onaanvaardbare
                                    financiële of sociale consequenties bij belanghebbende of diens
                                    gezin, dan zet het dagelijks bestuur de geldlening geheel of
                                    gedeeltelijk om in bijstand om niet mits de geldlening niet
                                    onder zekerheid van pand of hypotheek verleend is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanpassing aflossing leenbijstand</titel></kop><al>Een tussentijdse aanpassing van het aflossingsbedrag is soms wel
                            mogelijk indien de belanghebbende daar zelf om verzoekt of zich één van
                            de volgende situaties voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>Wijziging inkomen</al><al>Indien belanghebbende inkomsten gaat ontvangen die hoger zijn
                                    dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt het
                                    aflossingsbedrag gesteld op het bedrag dat hij naar draagkracht
                                    kan betalen.</al></li><li nr="b."><al>Scheiding</al><al>In het geval belanghebbenden worden aangemerkt als gehuwd zijn
                                    beide partners hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling
                                    van de schuld. Hetgeen de één betaalt, strekt in mindering tot
                                    hetgeen de ander dient terug te betalen. Na de scheiding worden
                                    beide partijen aangesproken tot terugbetaling. Gelet op de
                                    gewijzigde gezinsomstandigheden zal de hoogte van de aflossing
                                    bij beide partijen opnieuw moeten worden berekend.</al></li><li nr="c."><al>Overlijden</al><al>Een vordering maakt deel uit van de nalatenschap. Als bijstand
                                    is verleend aan gehuwden en één van beide overlijdt, dan blijft
                                    de ander aansprakelijk voor terugbetaling van de gehele
                                    restschuld. Overlijden beide partners, dan gaat de schuld over
                                    op de erfgenamen. Deze zijn gezamenlijk voor het geheel
                                    aansprakelijk. De hoofdelijkheid vererft echter niet, zodat
                                    ieder der erfgenamen slechts voor zijn of haar deel kan worden
                                    aangesproken. Het meest voor de hand liggend is het om de
                                    vordering in te brengen in de nalatenschap, zodat er direct
                                    rekening mee kan worden gehouden bij de verdeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Rente over leenbijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bijstand als geldlening wordt verstrekt wordt geen rente in
                                rekening gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien belanghebbende zijn aflossingsafspraken niet nakomt, wordt
                                het restant van de terug te betalen geldlening onmiddellijk
                                teruggevorderd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERHAAL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verhaal van bijstand</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur maakt gebruik van zijn bevoegdheid tot verhaal van
                            bijstand als bedoeld in paragraaf 6.5 van de wet met dien verstande dat
                            geen bijstand wordt verhaald in verband met de onderhoudsplicht jegens
                            een gewezen echtgenoot of partner, in situaties waar geen
                            partneralimentatie door de rechter is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Afzien van verhaal</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur ziet af van verhaal van de kosten van bijstand
                            als:</al><lijst><li nr="a."><al>het op te leggen verhaalsbedrag lager is dan € 50 per maand dan
                                    wel € 600 per jaar.</al></li><li nr="b."><al>het verhaal zou leiden tot onaanvaardbare financiële of sociale
                                    consequenties voor degene aan wie of ten behoeve van wie
                                    bijstand wordt verleend dan wel voor degene op wie kan worden
                                    verhaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verhaal in rechte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de debiteur niet uit eigen beweging bereid is het verschuldigde
                                te voldoen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan
                                overgaat, besluit het dagelijks bestuur tot verhaal in rechte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een verhaalschuld gedurende 5 jaar niet kan worden ingevorderd,
                                kan het dagelijks bestuur besluiten de invordering te staken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels terug- en
                            invordering, leenbijstand en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ GR
                            Ferm Werk”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 01-01-2016</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de vergadering van het dagelijks bestuur van Ferm Werk
                        gehouden op 5 november 2015.</al><al>Y.Koster-Dreese</al><al>voorzitter dagelijks bestuur Ferm Werk</al><al>M.L. Wilke</al><al>secretaris dagelijks bestuur Ferm Werk</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>