<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>394716_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-02</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 08-02-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>gb 2016-01.11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Beleid ten aanzien van evangelisatiebijeenkomsten met geluidsversterking</al><al>Nota Evenementenbeleid</al><al>Circusbeleid gemeente Zwolle</al><al>Beleidsregel ten aanzien van verkoop van consumentenvuurwerk gemeente
                    Zwolle</al><al>Kermisbeleid gemeente Zwolle</al><al>Kledinginzamelingbeleid gemeente Zwolle</al><al>Beleid ten aanzien van onversterkte muziek gemeente Zwolle</al><al>Besluit inzake parkeren van grote voertuigen etc. op de openbare weg binnen de
                    bebouwde kom</al><al>Nadere regels seksinrichtingen en escortbedrijven</al><al>Beleidsregel Reclame</al><al>Beleidsregel betogingen en samenkomsten</al><al>Horeca Sanctiebeleid</al><al>Beleidsregel Prostitutiebeleid</al><al>Collectebeleid gemeente Zwolle</al><al>Beleidsregel sluitingstijden horeca</al><al>Standplaatsenbeleid</al><al>Beleidsregel Stookverbod</al><al>Beleidsregel regel straat- en buurtbarbecues in de gemeente Zwolle</al><al>Besluit nadere regels terrassen gemeente Zwolle 2016</al><al>Beleidsregel braderieën en themamarkten gemeente Zwolle</al><al>Beleidsregel handhaving samenscholingsverbod voor de wijk Holtenbroek III</al><al>Beleidsregel aanpak overlast</al><al>Meetprotocol geluid bij evenementen gemeente Zwolle 2016</al><al>Handhavingsbeleid bij evenementen gemeente Zwolle 2016</al><al></al><al></al><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wat mag wel en niet in Zwolle. Welke regels gelden er met betrekking tot de
                    veiligheid en orde binnen de openbare ruimten ?</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene Plaatselijke Verordening</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld
                                    op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van
                                    een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld
                                    in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of
                                    ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1.1 van de Bouwverordening
                                    daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1.1 aanhef onder gebouw, van de
                                    Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li><li nr="-"><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="-"><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan deze termijn voor ten hoogste acht
                                weken verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid,
                                aanhef en onder a, artikel 2:12, eerste lid, en artikel 4:15, eerste
                                en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Te late indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing minder dan
                                vier weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of
                                ontheffing nodig heeft wordt ingediend, kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;
                                    of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel>Experimenteerartikel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder experiment: tijdelijk afwijken
                                van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het
                                verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent
                                of algemeen kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover het een hem in
                                deze verordening gegeven bevoegdheid betreft, besluiten tot het
                                houden van een experiment.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college of de burgemeester kan niet bij wijze van experiment
                                afwijken van de volgende onderdelen van deze verordening:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoofdstukken 1, 3, en 6;</al></li><li nr="b."><al>de afdelingen 2.1, 2.2 en 2.6 met uitzondering van artikel
                                        2:14 en 2.30, </al></li><li nr="c."><al>afdeling 2.10 en 2.11 met uitzondering van de artikelen 2:42
                                        en 2:58, </al></li><li nr="d."><al>de afdelingen 2.13 tot en met 2.15,</al></li><li nr="e."><al>afdeling 4.1 en 4.2 met uitzondering van artikel 4:6, </al></li><li nr="f."><al>de artikelen 2:31, 2:32, 5:31a,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het besluit, zoals genoemd in het tweede lid, wordt in ieder
                                geval opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van het experiment;</al></li><li nr="b."><al>de tijdsduur van het experiment;</al></li><li nr="c."><al>van welke regels wordt afgeweken;</al></li><li nr="d."><al>voor welk gebied het experiment geldt; en</al></li><li nr="e."><al>de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt
                                        aan het experiment.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De raad wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het experiment
                                door het college of de burgemeester geïnformeerd over het
                                experiment.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een experiment heeft een looptijd van ten hoogste een jaar.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het experiment wordt geëvalueerd. Als de evaluatie van een
                                experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze verordening,
                                kan het college of de burgemeester besluiten, in afwijking van het
                                zesde lid, het experiment met ten hoogste een jaar te verlengen met
                                het oog op het aanpassen van de verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare Orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                            ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                            toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                            dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                            verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn
                                            weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen
                                            richting te verwijderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen en samenkomsten op openbare
                                    plaatsen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats
                                            een betoging te houden, waaronder begrepen een
                                            samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de
                                            Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de
                                            openbare aankondiging en ten minste 96 uur voordat de
                                            betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de
                                            burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                            en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een
                                            bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is
                                            vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving
                                            valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een
                                            zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de
                                            kennisgeving geacht te zijn gedaan op de eerstvolgende
                                            werkdag om 08.00 uur. </al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op
                                            verzoek de in het eerste lid genoemde termijn verkorten
                                            en/of een mondelinge kennisgeving in behandeling
                                            nemen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.3.1; vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.4.3; vervallen i.v.m. artikel 4:5 lid 4)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Veiligheid, bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de
                                    publieke functie ervan</titel></kop><al>1 Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan
                                overeenkomstig de </al><al> publieke functie daarvan, als:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                        oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg; of</al></li><li nr="b."><al>van het beoogde gebruik niet ten minste drie werkdagen
                                        voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het
                                        college op een door het college vastgesteld
                                        meldingsformulier.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het belang van de openbare orde en/of de
                                        woon- en leefomgeving en bruikbaarheid van de weg, nadere
                                        regels stellen ten aanzien van uitstallingen en
                                        reclameborden.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:28a;</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;</al></li><li nr="d."><al>vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, voor zover zij geen
                                        gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen
                                        en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs kortstondig op
                                        de weg gebracht worden in verband met het laden en lossen
                                        ervan, mits geen schade wordt toegebracht aan de weg, het
                                        geen gevaar of belemmering vormt, en de voorwerpen of
                                        stoffen onmiddellijk na beëindiging van het laden en lossen,
                                        in elk geval voor zonsondergang, van de weg verwijderd
                                        worden en de weg hiervan gereinigd is;</al></li><li nr="f."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden
                                        geopenbaard, voor zover deze geen schade toebrengen aan de
                                        weg of geen gevaar of belemmering vormen;</al></li><li nr="g."><al>voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken,
                                        artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de
                                        Omgevingsverordening Overijssel 2009;</al></li><li nr="h."><al>overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling
                                        een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.5.2; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning een uitweg te maken naar de
                                    weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het
                                    bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd indien het maken of veranderen van een
                                    uitweg:</al><lijst><li nr="a."><al>in strijd is met het bestemmingsplan;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg aantast;</al></li><li nr="c."><al>ten koste gaat van een parkeerplaats; of</al></li><li nr="d."><al>het openbaar groen aantast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken,
                                    de Waterschapskeur of de Omgevingsverordening Overijssel
                                    2009.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.6.1; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                    beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                    winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de
                                    naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in
                                    de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg
                                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerst lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.6.4; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.6.5; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.6.6; geregeld d.m.v. artikel 2:10)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.1.6.9; vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen; samengevoegd met afdeling 5)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="a."><al>de voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak die
                                        gehouden wordt in de beslotenruimte van een inrichting in de
                                        zin van de Wet milieubeheer voor zover het evenement past
                                        binnen de normale bedrijfsvoering van de inrichting;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                        de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                        Wet openbare</al><al> manifestaties;</al></li><li nr="e."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze
                                        verordening; </al></li><li nr="f."><al>een betaald voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel
                                        2:25a.</al></li><li nr="2."><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                        weg;</al></li><li nr="e."><al>een klein evenement op één dag, zoals een straatfeest of
                                        buurtbarbecue. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                            vergunning van de burgemeester een evenement te
                                            organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            vergunning geweigerd worden in het belang van een goed
                                            woon- en leefklimaat. </al></li><li nr="3."><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                            indien:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aantal aanwezigen niet meer dan 250 personen bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het evenement tussen 07.00 uur en 23.00 uur plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00
                                    uur;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het evenement geen belemmering vormt voor het verkeer en de
                                    hulpdiensten;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van
                                    minder dan 10 m2 per object;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>er een organisator is; en</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het
                                    evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.</al><lijst><li nr="4."><al>De burgemeester kan binnen 8 dagen na ontvangst van de
                                            melding besluiten een klein evenement te verbieden,
                                            indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de
                                            openbare orde, de openbare veiligheid, de
                                            volksgezondheid, het milieu of een goed woon- en
                                            leefklimaat in gevaar komt.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                            een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin
                                            voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="6."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                            wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij
                                            niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Betaald voetbalwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>betaald voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd waarbij tenminste
                                    één betaald voetbalorganisatie is betrokken.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>organisator:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de betaald voetbalorganisatie PEC Zwolle, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaald
                                    voetbalorganisatie PEC Zwolle als thuisspelende ploeg betrokken
                                    is, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen
                                    een amateur voetbalorganisatie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een
                                    voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig buiten de
                                    gemeente Zwolle, waarbij ten minste één betaald
                                    voetbalorganisatie is betrokken en indien het betreft een
                                    A-interland;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een
                                    voetbalwedstrijd organiseert, waarbij ten minste één betaald
                                    voetbalorganisatie is betrokken.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    betaald voetbalwedstrijd te organiseren.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor een vergunning kan meerdere wedstrijden
                                    betreffen.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met betrekking tot een betaald
                                    voetbalwedstrijd aan de organisator voorschriften opleggen in
                                    het belang van de openbare orde en veiligheid.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd indien de vrees bestaat dat
                                    het doen spelen van de wedstrijd ernstige verstoring van de
                                    openbare orde oplevert.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder openbare inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de
                                    voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of
                                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of
                                    verstrekt. Onder openbare inrichting wordt in ieder geval
                                    verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                    snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder openbare inrichting als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    mede verstaan een bij de inrichting behorend terras en andere
                                    aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten
                                    ruimte van de inrichting liggend deel van de inrichting waar
                                    zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                    dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe
                                    consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze afdeling verstaan: degene die een
                                    openbare inrichting exploiteert.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de gezinsleden van de houder, alsmede diens elders wonende
                                    bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de
                                    zijlijn tot en met de derde graad;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel
                                    438 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende
                                    redenen noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester
                                    de vergunning indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in strijd
                                    is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening,
                                    exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met
                                    betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie
                                    maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend,
                                    is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare
                                    inrichting een nevenactiviteit vormen van de
                                    winkelactiviteit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voorts geldt het eerste lid niet voor een openbare inrichting:
                                </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>waarvoor op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een
                                    vergunning is vereist; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in zorginstellingen; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in musea; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>in clubhuizen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>in stationsrestauraties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>in ziekenhuizen;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>in vrijwilligersorganisaties;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>in scholengemeenschappen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Terrassen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is de houder van een openbare inrichting verboden om
                                            buiten aangewezen gebieden zonder vergunning van het
                                            college op een openbare plaats een terras te
                                            exploiteren.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het belang van de openbare orde en
                                            veiligheid, het woon- en leefklimaat en de bruikbaarheid
                                            van de openbare ruimte nadere regels stellen ten aanzien
                                            van terrassen. </al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                            burgemeester de in het eerste lid bedoelde vergunning
                                            weigeren indien:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert
                                    voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                    gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het terras hetzij op zichzelf, hetzij in relatie met de omgeving
                                    niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>moet worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat of de
                                    openbare orde in de omgeving van het terras op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 02.00 uur en 08.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid zijn terrassen gesloten tussen
                                    01.00 uur en 09.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid zijn coffeeshops gesloten tussen
                                    01.00 uur en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, derde
                                    lid, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan ten aanzien van de sluitingstijden nadere
                                    regels stellen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijden.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties
                                    waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                    omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk
                                    andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                    bevelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                    artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting
                                    enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 Gemeentewet,
                                treedt niet de burgemeester maar het college op als bevoegd
                                bestuursorgaan bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met
                                2:30.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Beperking verstrekking alcoholhoudende dranken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, anders dan om niet, sterke drank voor gebruik
                                    ter plaatse te verstrekken in een inrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>die uitsluitend of in hoofdzaak voor het geven van onderwijs
                                    wordt gebruikt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij jeugdorganisaties of -instellingen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in
                                    gebruik is bij sportorganisaties of -instellingen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>waarin of in een onderdeel waarvan uitsluitend of in hoofdzaak
                                    geringe eetwaren, zoals</al><al> belegde broodjes, patates-frites en kroketten, worden
                                    verkocht;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor
                                    passagiers van een</al><al> openbaarvervoersbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid bedoelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><structuurtekst><al>(Artikelen 2:35 tot en met 2:38: gereserveerd)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor
                                    het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                    een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                    geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                    inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder b, van de Wet op de kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                    Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                    verlenen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel alsbedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen </al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet; </al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten
                                    toegestaan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek
                                    toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
                                </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding, aan te plakken, te doen aanplakken of op
                                            andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, welke geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 uur en 06.00 uur op de weg of
                                    openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                    aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of
                                    verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de in genoemde
                                    materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                    bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                                    winkeldiefstal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats te vervoeren of bij zich
                                    te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig
                                    ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van
                                    winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er
                                    kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de
                                    beschreven gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn
                                    gebruikt of niet zijn bestemd voor de in die leden bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44a</nr><titel>Verbod tot het spelen om geld</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de openbare weg met kaarten, dobbelstenen
                                of andere voorwerpen om geld te spelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.4.10; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats: </al><al>a.te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                overkapping, constructie, </al><al>openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd
                                straatmeubilair;</al><al>b.zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan
                                bewoners van nabij die </al><al>openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder
                                berokkent.</al><al>2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47a</nr><titel>Verwijderingsbevel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ieder is verplicht op een daartoe strekkend bevel, dat
                                    schriftelijk is gegeven door de burgemeester in het belang van
                                    de openbare orde, zich te verwijderen en zich verwijderd te
                                    houden, uit een door de burgemeester in het bevel aangewezen
                                    gebied en gedurende de door de burgemeester in bevel aangegeven
                                    tijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een bevel als bedoeld in het eerste lid is slechts geldig
                                    gedurende een in het bevel genoemde periode van ten hoogste 8
                                    dagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het eerste lid genoemde verbod,
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de
                                    betrokkenen noodzakelijk is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="b."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld
                                            in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, en</al></li><li nr="c."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><al>1. Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                        drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst><al>2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van zo’n gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, wachtruimte voor een openbaar vervoermiddel,
                                parkeergarage, rijwielstalling of een andere voor het publiek
                                toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te
                                bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50a</nr><titel>Slaapplaats op of aan een openbare plaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen zonsondergang en zonsopgang een openbare
                                    plaats als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan een
                                    openbare plaats een voertuig, caravan, keetwagen, magazijnwagen,
                                    tent of een soortgelijk of ander onderkomen als slaapplaats te
                                    gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe
                                    te bieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen en daaraan voorschriften verbinden in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                    goederen</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid of de gezondheid</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de bescherming van het aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod van het
                                    eerste lid niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de openbare orde</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                    goederen</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de zedelijkheid of de gezondheid</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de bescherming van het aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets, bromfiets of
                                soortgelijk voertuig te plaatsen of te laten staan tegen een raam,
                                een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de
                                ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en
                                plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein
                                waar een evenement, markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan bezoekers van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon of een zich in dit gebouw, deze woonwagen
                                    of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond
                                    niet is aangelijnd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats
                                    indien de hond niet is aangelijnd; of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op
                                    door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van
                                    toepassing op de eigenaar of houder van een hond:. </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale
                                    hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig gekwalificeerd
                                    is; of </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond
                                    of sociale hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is
                                    verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder
                                    van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond
                                    of sociale hulphond laat begeleiden; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn
                                            gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de
                                            eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een
                                            aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond
                                            verblijft of loopt op een openbare plaats of op het
                                            terrein van een ander.</al><al></al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                            verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn
                                            met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten
                                            hoogste 1,50 meter.</al><al></al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                            verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                            die: </al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de
                                            hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                            de mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de
                                    Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen
                                    aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast
                                    of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij
                                    aangeduide dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels; dan wel</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                    aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee, dat zich bevindt in een weiland of op een
                                terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke
                                veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen
                                getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere
                                zaken te bedelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een door of namens de burgemeester
                                    gewaarmerkt register en daarin overwijld op te nemen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed; en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.5.4; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>(voorheen artikel 2.5.5; verplaatst naar afdeling 8 (toezicht op
                                openbare inrichtingen) onder artikel 2:32)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Carbid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg of op een voor het publiek
                                    toegankelijk terrein met gebruikmaking van carbidgas, een ander
                                    soort gas of (vloei)stof een busdeksel, blikdeksel of ander
                                    projectiel af te schieten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod, als bedoeld in het vorige lid, geldt niet in de
                                    periode tussen 31 december 10:00 uur en 1 januari 02:00 uur van
                                    het daarop volgende jaar binnen door het college aangewezen
                                    gebieden voor zover:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het schieten gebeurt door personen ouder dan 16 jaar; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bal als weg te schieten projectiel wordt gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden om een vat, bus, fles, of een ander voorwerp dat
                                    er kennelijk toe dient om carbidgas, een ander soort gas of
                                    (vloei)stof tot ontploffing te brengen op de weg te vervoeren of
                                    voorhanden te hebben op andere tijden dan in de periode tussen
                                    31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daarop
                                    volgende jaar. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet
                                naleven:</al><al>artikel 2:1 (samenscholingsverbod); </al><al>artikel 2:10 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg);</al><al>artikel 2:11 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                weg);</al><al>artikel 2:47 (hinderlijk gedrag op openbare plaatsen); </al><al>artikel 2:48 (verboden drankgebruik);</al><al>artikel 2:49 (verboden gedrag in of bij gebouwen);</al><al>artikel 2:50 (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten);</al><al>artikel 2:73 (bezigen van vuurwerk);</al><al>artikel 2:73a (carbid)</al><al>artikel 5:34 (verbod om vuur te stoken);</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>stadion;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>stadhuis;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>stadskantoor;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>parkeerplaatsen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>winkelcentra.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische
                                        massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersonen die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                        natuurlijke persoon;</al></li><li nr="f."><al>beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke
                                        feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                                        escortbedrijf;</al></li><li nr="g."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostitué(e);</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de inrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders als bedoeld in artikel 6:2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van bevoegdheden zoals genoemd in dit hoofdstuk
                                nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan
                                    een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te
                                    wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vergunning kan worden verleend voor maximaal tien
                                    seksinrichtingen en escortbedrijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend verleend
                                    worden voor:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het gebied binnen de stadsgrachten, zoals aangegeven op
                                    bijgaande kaart;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het gebied buiten de bebouwde kom;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>een aantal uitvalswegen binnen de bebouwde kom, zoals aangegeven
                                    op bijgaande kaart.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door welke perso(o)n(en) de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    zal worden geëxploiteerd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>door welke perso(o)n(en) de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    zal worden beheerd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door
                                    middel van een situatietekening met een schaal van tenminste
                                    1:1000;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van
                                    Koophandel</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het
                                    gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
                                    Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten,
                                    dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                    naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                    ingevolge artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van € 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 250a(oud), 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis,
                                    426, 429quarter en 453 van het Wetboek van Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel
                                    76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,00
                                    bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al><al></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al><al></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld
                                    in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk
                                    is dat hem terzake geen verwijt treft.</al><al></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de berekening van de laatste vijf jaar, genoemd in het
                                    tweede en vijfde lid, telt de periode waarin een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 03.00 uur en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan
                                    door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke
                                    seksinrichting andere sluitingsuren vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de openbare orde en de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen of in het geval van strijdigheid met de
                                    bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede
                                    lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van een afzonderlijke seksinrichting tijdelijk de gedeeltelijke
                                    of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42,
                                    tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op
                                    toe te zien dat in de inrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Raam- en straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten ertoe te bewegen, uit te nodigen dan wel
                                    aan te lokken om gebruik te maken van de diensten van een
                                    prostitué(e).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-
                                    pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn; weigeringsgronden; nadere regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, neemt
                                    het bevoegd bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                                    gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is
                                    met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening,
                                    exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of
                                    leefmilieuverordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam
                                    (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van
                                    Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                    vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het maximaal af te geven aantal vergunningen als bedoeld in
                                    artikel 3:4, tweede lid, voorseksinrichtingen of escortbedrijven
                                    is verleend;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de vergunning aangevraagd is voor de exploitatie van een
                                    raamprostitutiebedrijf</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning als
                                    bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e).</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rechtsopvolger van de exploitant die binnen een week nadat
                                    overeenkomstig het tweede lid kennisgeving is gedaan een
                                    aanvraag om vergunning heeft ingediend als bedoeld in artikel
                                    3:4, eerste lid, mag de exploitatie van de inrichting
                                    voortzetten met inachtneming van de aan de vervallen vergunning
                                    verbonden voorschriften en beperkingen, totdat over de aanvraag
                                    om vergunning is besloten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting feitelijk
                                    heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na
                                    de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                    beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                    exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig
                                    de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting als bedoeld in het
                                        Activiteitenbesluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>binnenstad: het gebied omsloten door de buitenste
                                        stadsgrachten (Stadsgracht, Schuttevaerhaven,
                                        Achtergracht)</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="i."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor
                                    door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt voor een
                                    aangewezen gebied.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was een festiviteit terstond als
                                    collectieve festiviteit aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) in de dagperiode, 60
                                    dB(A) in de avondperiode en 55 dB(A) in de nacht en niet meer
                                    dan 70 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een
                                    hoogte van 1,5 meter. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor collectieve festiviteiten die samenvallen met een vergund
                                    evenement en gehouden worden op hetzelfde terrein als het
                                    vergunde evenement geldt in afwijking van het zesde lid het
                                    equivalente geluidsniveau LAeq dat is opgenomen in de vergunning
                                    voor dat evenement. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde en zevende lid is
                                    inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag
                                    vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                    buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van muziek -met een geluidsbelasting die hoger is dan de
                                    geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening- op zondag t/m
                                    donderdag uiterlijk om 23.00 uur te worden beëindigd en op
                                    vrijdag en zaterdag uiterlijk om 0.00 uur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                    toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                    twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                    daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A) in de dagperiode, 55
                                    dB(A) in de avondperiode en 50 dB(A) in de nacht en niet meer
                                    dan 70 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een
                                    hoogte van 1,5 meter. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor incidentele festiviteiten die samenvallen met een vergund
                                    evenement en gehouden worden op het zelfde terrein als het
                                    vergunde evenement geldt in afwijking van het vijfde lid het
                                    equivalente geluidsniveau LAeq dat is opgenomen in de vergunning
                                    voor dat evenement. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het vijfde en zesde lid is
                                    inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag
                                    vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                    buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Tijdens incidentele festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                                    dient het ten gehore brengen van muziek -met een
                                    geluidsbelasting die hoger is dan de geluidsnorm als bedoeld in
                                    de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5
                                    van deze verordening- op zondag t/m donderdag uiterlijk om 23.00
                                    uur te worden beëindigd en op vrijdag en zaterdag uiterlijk om
                                    0.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De geluidsnorm als bedoeld in het vijfde en zesde lid geldt voor
                                    het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>(voorheen artikel 4.1.4; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr=""><al>1.Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f, en vijfde lid
                                        van het Besluit, binnen inrichtingen is de onder e.
                                        opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat:
                                    </al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen nietgelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook
                                                gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                                terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen,
                                                voor zover het woningen betreft, gelden in
                                                geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld
                                                in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt
                                                toegepast.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>Tabel</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="57*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="14*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="14*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="14*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>7.00-19.00</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00-23.00</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00-7.00</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in- en aanpandige gevoelige gebouwen
                                                </al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A) </al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>75 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>65 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in- en aanpandige gevoelige gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A) </al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 3 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfare gezelschappen in een inrichting, of het
                                        testen van instrumenten in een muziekwinkel gedurende de
                                        dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde
                                        geluidsniveaus in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek buiten
                                        een inrichting, dient men zich elke vijftien minuten
                                        minstens 200 meter te verplaatsen.</al></li><li nr="5."><al>Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op
                                        collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in
                                        artikel 4:2 en artikel 4:3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de
                                    Omgevingsverordening Overijssel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>(Geluid)hinder door dieren</titel></kop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer
                                de zorg heeft voor een of meerdere dieren, moet voorkomen dat dit
                                voor omwonenden (geluid) hinder veroorzaakt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>(voorheen artikel 4.2.2; vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><structuurtekst><al>(artikel 4:10 tot en met artikel 4:12 gereserveerd)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    e.d.</titel></kop><al>(voorheen artikel 4.4.1; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod handelsreclame op of aan onroerende zaak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in de binnenstad verboden zonder vergunning op of aan een
                                    onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel
                                    van een opschrift, aankondiging of afbeelding, die zichtbaar is
                                    vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning op of aan een onroerende zaak
                                    verlichte handelsreclame te maken of te voeren die zichtbaar is
                                    vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het
                                    bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van
                                    handelsreclame op of aan een onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als
                                    bedoeld in het eerste en tweede lid worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de reclameuiting hetzij op zichzelf, hetzij in relatie
                                    met de omgeving niet voldoet aande redelijke eisen van
                                    welstand.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of het
                                    Activiteitenbesluit milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningplicht lichtreclame</titel></kop><al>(voorheen artikel 4.4.3; nu opgenomen in 4:15)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen en aanhangwagens als bedoeld in
                                        artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                        1990 (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals
                                        kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het
                                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
                                </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend: voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    derde lid bedoelde persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100
                                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken behoudens
                                    voor voertuigen waaraan kleine herstel- of
                                    onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer
                                    dan een uur vergen en waarbij geen risico op lekkage van
                                    vloeistoffen bestaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.1.2a; vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan veertien achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.1.4; vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig welke voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt langer dan
                                    drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor magazijnwagens of keetwagens ontheffing
                                    verlenen van het verbod in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op campers
                                    die met inbegrip van voorzieningen niet langer zijn dan 6 meter
                                    en niet hoger zijn dan 2.40 meter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Overijssel
                                    2009.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig welke is voorzien van een
                                    aanduiding van handelsreclame op een openbare plaats te parkeren
                                    met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen en grote aanhangwagens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat in totaal, met inbegrip van de
                                    lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van
                                    meer dan 2,4 meter te parkeren: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op zaterdag, zondag en feestdagen en op
                                    werkdagen in de nachtperiode (tussen 18.00 uur en 08.00
                                    uur)</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw
                                    op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of
                                    gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt
                                    belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                    aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het in het eerste lid
                                    onder a. gestelde verbod niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod dat gesteld is in het eerste lid onder a. is voorts
                                    niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en
                                    kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie
                                    achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of
                                    gehouden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod dat gesteld is in het eerste lid onder b. geldt niet
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het
                                    uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het
                                    voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.1.8; vervallen; opgenomen in artikel 5:8) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.1.9; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook, of het voertuig daarin te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan door het college vastgestelde perioden
                                    onafgebroken te laten staan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op of aan de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                            openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                            hiervoor een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                            verstaan: het aanbieden van kaarten of andere gedrukte
                                            stukken, het aanbieden van diensten of het aannemen van
                                            geld of goederen, waarvan de opbrengst geheel of
                                            gedeeltelijk voor een liefdadig of ideëel doel is
                                            bestemd. </al></li><li nr="3."><al>Het college verleent vrijstelling van het onder de
                                            voorwaarden zoals genoemd in het “collectebeleid
                                            gemeente Zwolle”.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op
                                    een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                    gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die
                                    dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel
                                    1 van de Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                    bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en markten als bedoeld
                                    in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als
                                    bedoeld in het eerste lid op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid en/of de volksgezondheid in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met
                                    zaterdag tussen 22.00 en 8.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek
                                    toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
                                    aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend
                                    van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                    tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel
                                    160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een kraam, wagen of kiosk waarvoor een omgevingsvergunning is
                                    afgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de standplaats niet staat aangegeven op de door het
                                    college vastgestelde standplaatsenkaart.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid, geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                Omgevingsverordening Overijssel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(gereserveerd)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.2.4.1; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Snuffelmarkt</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.2.4.2; vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.1; vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaatsen recreatievaartuigen</titel></kop><lid><lidnr></lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een recreatievaartuig een ligplaats
                                            in te nemen dan wel een ligplaats beschikbaar te stellen
                                            op niet door het college aangewezen locaties en
                                            gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Onder recreatievaartuig wordt verstaan ieder vaartuig
                                            dat ingericht is voor recreatieve doeleinden, niet
                                            gebruikt wordt voor bewoning en qua aard en omvang ook
                                            niet geschikt en bestemd is voor bewoning. </al></li><li nr="3."><al>Onder recreatievaartuigen wordt mede verstaan
                                            commerciële rondvaartboten, partyboten e.d. en
                                            verhuurbedrijven van kleine vaartuigen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                            kleine vaartuigen zonder vaste motor, zoals kano’s, open
                                            roeiboten of kleine sloepen, van maximaal 5 meter.</al></li><li nr="5."><al>Het afmeren van kleine vaartuigen als bedoeld in het
                                            vierde lid geschiedt op een zodanige wijze dat:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>deze niet spontaan los kunnen raken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vaargeul te allen tijde vrij blijft;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er geen sprake is van dubbel liggen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>er geen schade kan ontstaan aan bomen, struiken of andere
                                    natuurlijke groenvoorzieningen en oevers.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Kleine vaartuigen mogen niet op de wal liggen, tenzij dit nodig
                                    is voor kleine herstel- of onderhoudswerkzaamheden die in totaal
                                    niet meer dan een dag vergen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen geven en opvolgen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer Rijkswaterstaatwerken, het Binnenvaartpolitie-reglement,
                                    de Waterwet, of de Omgevingsverordening Overijssel 2009.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.4; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Verbod schade toe te brengen aan waterstaatswerken en
                                    oevers</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.5; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Verbod schade toe te brengen aan reddingsmiddelen</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.6; vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.7; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>(voorheen artikel 5.3.8; vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31a</nr><titel>Overlast kleine snelle vaartuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder snelle kleine
                                        vaartuigen: een vaartuig van maximaal 7 meter dat bij
                                        gebruikmaking van zijn mechanische middelen tot
                                        voortbeweging, sneller kan varen dan 20 km per uur.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zich met recreatieve doeleinden met snelle
                                        kleine vaartuigen op openbaarwater voort te (laten) bewegen,
                                        voor zover daardoor overlast wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>3.Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>door de Scheepvaartverkeerswet of het Binnenvaartpolitiereglement.
                            </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd danwel recreatief, een
                                    trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel
                                    daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een
                                    bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproduktie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen en bromfietsen </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde
                                    minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde
                                    gebieden of terreinen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Overijssel
                                    2009 aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen
                                    die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als
                                    'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vuur voor koken, bakken en braden; telkens voor zover dat geen
                                    gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Overijssel
                                    2009.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3.
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>openbaar water binnen de bebouwde kom, aanlegplaatsen voor
                                    vaartuigen, recreatieplassen en ijsvlakten;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>voor het publiek toegankelijke pleinen en openbare plaatsen,
                                    speelweiden en speelplaatsen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>openbare weg direct liggend bij de woonomgeving van derden;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>natuurterreinen en voedselarme bossen (Agnietenberg, Boschwijk,
                                    Bikkenrade, Eierbelten, Erfgenamenbos en Zandhove).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod in het eerste lid, met uitzondering van
                                    het gestelde in het eerste lid sub b.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3.
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>1.Overtreding van het bij of krachtens artikelen in deze verordening
                            bepaalde en van de op grond van artikel 1:5 daarbij gegeven
                            voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                            bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de medewerkers
                                milieuhandhaving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tevens zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening als bedoeld in 6.5,
                                tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                                deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening als bedoeld in artikel 6.5 tweede lid kent een andere
                                nummering van artikelen dan deze verordening. Dan
                                transponeringstabel, opgenomen in bijlage 1 geeft aan waar het
                                artikel van de verordening als bedoeld in artikel 6.4 in deze
                                verordening is opgenomen, danwel of het artikel niet meer is
                                teruggekomen. Bijlage 1 maakt onderdeel uit van deze verordening.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening 8 dagen na bekendmaking in werking, met
                                uitzondering van artikel 2.28 a betreffende terrassen. Deze laatste
                                treedt in werking op 1 juni 2016.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op het moment dat deze verordening in werking treedt, wordt
                                ingetrokken de Algemene Plaatselijke verordening Zwolle 2007,
                                vastgesteld op 1 maart 2007 laatst gewijzigd op 17 februari
                                2015</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Zwolle 2015.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label></label></kop><al></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><al></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>We leven met vele mensen in Zwolle. Om deze stad leefbaar te houden,
                    heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om in een verordening bepalingen op te
                    nemen, die ertoe bijdragen Zwolle netjes en leefbaar te houden. De Algemene
                    Plaatselijke Verordening is bij uitstek de verordening waarin dat soort
                    bepalingen is opgenomen. Het geeft regels die grenzen aangeven van wat
                    geaccepteerd wordt en niet of wat geaccepteerd wordt als het beoordeeld is en
                    voldoet aan bepaalde eisen (vergunningen en ontheffingen).</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsbepalingen </tussenkop><al>In dit artikel wordt een definitie gegeven van enkele begrippen die op meerdere
                    plaatsen in de verordening worden gebruikt. Van een aantal specifieke begrippen,
                    dat wil zeggen begrippen die alleen op een bepaald onderdeel van deze
                    verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende afdeling definities
                    opgenomen. </al><al>Over de definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><tussenkop>Bevoegd gezag</tussenkop><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). De Wabo is van toepassing op de vergunning voor het maken
                    of veranderen van een uitweg (artikel 2:12) en op de vergunning voor het maken
                    of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een
                    opschrift, aankondiging of afbeelding, die zichtbaar is vanaf een voor het
                    publiek toegankelijke plaats (artikel 4:15). Artikel 2.2 van de Wabo bepaalt dat
                    genoemde bepalingen in de APV gelden als een verbod om het project uit te voeren
                    zonder omgevings-vergunning. Het bevoegd gezag is dus het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is omtrent de omgevings-vergunning te beslissen. </al><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al>Op verschillende plaatsen in de APV komt daarnaast de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><tussenkop>Bouwwerk: </tussenkop><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1.1 van de Bouwverordening: “elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren.</al><tussenkop>Gebouw: </tussenkop><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Woningwet: “bouwwerk, dat een
                    voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten
                    ruimte vormt”.</al><tussenkop>Handelsreclame: </tussenkop><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is zij niet van toepassing
                    op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal
                    niet beschermd wordt. Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan
                    artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en
                    artikel 19 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke
                    rechten (IVBPR ) moeten kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich
                    echter niet tegen een vergunningsstelsel.</al><tussenkop>Openbaar water:</tussenkop><al>Een 'openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat openstaat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><tussenkop>Openbare plaats: </tussenkop><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom): “plaats die
                    krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek”. </al><al>Deze definitie kent dus twee criteria:</al><al>Ten eerste moet de plaats openstaan voor het publiek. Dat wil volgens de memorie
                    van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen, te
                    vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door de
                    gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats
                    "openstaat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis
                    van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden
                    van de plaats”. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren,
                    warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare
                    plaatsen”. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare
                    plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het openstaan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, Wom zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><tussenkop>Rechthebbende: </tussenkop><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><tussenkop>Weg: </tussenkop><al>Uit de begripsomschrijving van “openbare plaats” blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt. Dat betekent dat alle artikelen die iets regelen met
                    betrekking tot een openbare plaats ook gelden voor de weg. Daarnaast zijn in
                    deze verordening bepalingen opgenomen die alleen iets regelen met betrekking tot
                    de weg. Voor de definitie van het begrip “weg” is aangehaakt bij artikel 1 van
                    de Wegenverkeerswet 1994: “alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of
                    paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten.</al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen “op of aan de weg”. De term “aan de weg” duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt.</al><al>Ook treinstations vallen in beginsel buiten het bereik van de APV. Artikel 27
                    van de Spoorwegwet en het daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen
                    het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations.
                    Tegenwoordig hebben veel stations echter ook een doorloopfunctie, en zijn er
                    bijvoorbeeld winkels in aanwezig. Dan zijn deze doorgangen in stations weliswaar
                    geen weg, maar wel openbare plaats.</al><tussenkop>Artikel 1:2 Beslistermijn</tussenkop><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat
                    in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de
                    beschikking gegeven dient te worden. In deze APV is ervoor gekozen de
                    beslistermijn op acht weken te zetten. Het merendeel van de aanvragen zal binnen
                    deze termijn kunnen worden afgehandeld. </al><al>Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn biedt dan
                    uitkomst. Er is voor gekozen de verdagingstermijn op ten hoogste acht weken te
                    zetten. Uitgangspunt blijft dat de termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14,
                    eerste lid, van de Awb verplicht het bestuursorgaan de aanvrager van de
                    verdaging op de hoogte te stellen. De verdaging is geen verlenging van de
                    wettelijke termijn. De aanvrager kan bij overschrijding van de wettelijke
                    termijn uit het eerste lid beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een
                    besluit onder de voorwaarden genoemd in artikel 6:12 van de Awb.</al><al>Lid 3 is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid, van de Wabo bepaalt dat de
                    beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd. De
                    vergunningen genoemd in het derde lid betreffen omgevingsvergunningen (zie
                    artikel 2.2 van de Wabo en de toelichting bij artikel 1:1 met betrekking tot de
                    term “bevoegd gezag”). Voor deze vergunningen geldt derhalve dat de
                    beslistermijn slechts met zes weken kan worden verlengd.</al><tussenkop>Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag </tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning of ontheffing tot het laatste moment wachten. Daarom wordt in dit
                    artikel bepaald dat als een aanvraag minder dan vier weken voordat de vergunning
                    of ontheffing nodig is wordt ingediend, de aanvraag buiten behandeling kan
                    worden gesteld. De bewoordingen van het onderhavige artikel (“kan”) laten
                    uitkomen dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te
                    worden gesteld. </al><al>Voor vergunningen of ontheffingen die niet binnen vier weken kunnen worden
                    behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om de termijn van vier
                    weken te verlengen tot maximaal twaalf weken. </al><tussenkop>Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing </tussenkop><al>Een vergunning of ontheffing wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral
                    is verleend vanwege de persoon van de aanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning of ontheffing is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij
                    de regeling dat uitdrukkelijk bepaalt. Een voorbeeld van een persoonsgebonden
                    vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet.
                    Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma’s
                    moeten zijn gehaald. Een persoonlijke vergunning is ook de
                    standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke karakter van de ambulante
                    handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen
                    vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn als een
                    standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een ander terwijl
                    een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch is er vanuit een oogpunt van
                    duidelijkheid voor gekozen deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen.
                    Daarbij is ook ten overvloede aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen
                    strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van
                    vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De vraag of bij niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan worden toegepast, wordt in het
                    algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het tweede lid van artikel 1:5
                    naleving van deze voorschriften wordt omschreven als verplichting, wordt
                    hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><tussenkop>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing </tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter (“kan”). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><tussenkop>Artikel 1:7 Termijnen </tussenkop><al>Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat
                    stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="b."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang;</al></li></lijst><al>c.een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                    belang.</al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><tussenkop>Artikel 1:8 Weigeringsgronden </tussenkop><al>In dit artikel worden de algemene weigeringsgronden genoemd die van toepassing
                    zijn op alle vergunningen uit deze APV. Als er voor een specifieke vergunning
                    andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in
                    het betreffende artikel genoemd.</al><al>Ten aanzien van de weigeringsgrond “de bescherming van het milieu” wordt
                    opgemerkt dat het milieubegrip mede alle soorten van overlast omvat die
                    gerelateerd zijn aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast,
                    geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval e.d.. Overlast veroorzaakt
                    door vuurwerk valt eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs de
                    volksgezondheid.</al><tussenkop>Artikel 1:9 Experimenteerartikel</tussenkop><al>Het experimenteerartikel 1:9 biedt het college of de burgemeester de
                    mogelijkheid om proefondervindelijk bij wijze van experiment vast te stellen of
                    verruiming van bepaalde regels uit de APV in algemene zin wenselijk of mogelijk
                    is. Met het oog daarop kan bij wijze van experiment tijdelijk in afwijking van
                    een of meer bepalingen in de APV meer ruimte worden geboden aan burgers en
                    ondernemers.</al><al>Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat geëxperimenteerd kan worden,
                    indien het experiment met waarborgen omkleed is, tijdelijk en beperkt qua
                    gebied. Hierbij is relevant dat de rechten van burgers niet beperkter mogen zijn
                    dan de huidige bepalingen aangeven en dus slechts in positieve zin van de
                    bepalingen uit de verordening mag worden afgeweken. Met andere woorden de burger
                    mag bij wijze van een experiment op grond van dit artikel tijdelijk iets wel of
                    hoeft tijdelijk iets niet.</al><al>De systematiek van artikel 1:9 voorziet erin dat het college of de burgemeester
                    de bevoegdheid heeft om bij wijze van experiment tijdelijk (maximaal 1 jaar) en
                    naar plaats beperkt van een aantal bepalingen in de APV af te wijken. De raad
                    wordt uiterlijk vier weken voorafgaand aan het starten van het experiment
                    geïnformeerd. Deze figuur is ontleend aan de voorhangprocedure bij de Tweede
                    Kamer. </al><al>Een experiment heeft ten doel om in de praktijk te testen of een wijziging van
                    de regels in structurele zin wenselijk is en zal om die reden altijd gemonitord
                    en geëvalueerd worden. Van te voren zal worden vastgesteld welke aspecten bij de
                    monitoring en evaluatie meegenomen worden. Bij de voorbereiding en uitvoering
                    van een experiment zullen de relevante partijen betrokken worden. Het besluit
                    tot het houden van een experiment vermeldt doel, tijdsduur, van welke regels
                    wordt afgeweken en voor welk gebied het experiment geldt. In het besluit tot het
                    houden van een experiment wordt voorts beschreven onder welke voorwaarden het
                    college of de burgemeester ruimte bieden aan het experiment. Een voorbeeld kan
                    dit verhelderen. Waar een experiment betrekking heeft op een aanvraag van een
                    vergunning voor het uitoefenen van een activiteit, kan deze vergunningplicht bij
                    wijze van experiment vervangen worden door een algemene regel. Ook is het
                    mogelijk dat er nog steeds een vergunning noodzakelijk is, maar dat de daaraan
                    verbonden voorschriften minder belastend zijn dan de reguliere voorschriften.
                    Voorts kan het zo zijn dat een bepaalde verplichting niet geldt, indien de
                    burger of de ondernemer zich aan bepaalde nader te formuleren voorwaarden
                    houden. Op naleving van de voorwaarden van het experiment wordt uiteraard
                    toegezien. Er zijn immers nog steeds verplichtingen waaraan moet worden voldaan. </al><al>Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van deze
                    verordening, kan besloten worden het experiment in afwachting van wijziging van
                    de APV te verlengen met maximaal een jaar. Dit voorkomt dat deelnemers aan een
                    experiment tijdelijk terugvallen op het strengere, te wijzigen regime. </al><al>In lijn met het coalitieakkoord is dit artikel vooral bedoeld om experimenten te
                    faciliteren die naar verwachting een positieve uitwerking hebben op het
                    vestigingsklimaat en de levendigheid en aantrekkelijkheid van de stad. </al><al>Gezien de onderwerpen die de APV reguleert, biedt juist de APV perspectieven in
                    dit opzicht. Voorbeelden van mogelijke experimenten zouden kunnen zijn: meer
                    ruimte voor venters en standplaatshouders (o.a. foodtrucks), minder strenge
                    reclameregels, pop-up locaties beter faciliteren of meer ruimte voor burgers om
                    kleine 0-evenementen te organiseren. Overigens kan niet van alle bepalingen uit
                    de APV worden afgeweken. Experimenten die zich richten op demonstraties,</al><al>seksinrichtingen, cameratoezicht, kap van bomen, vuurwerk, drugsoverlast zijn
                    absoluut niet aan de orde. Strafbepalingen, definitiebepalingen en
                    overgangsbepalingen zijn eveneens van de experimenteermogelijkheid uitgezonderd.
                    Kortom, daar waar openbare orde, veiligheid en bescherming van het woon- of
                    leefklimaat in het geding zijn, kan niet worden geëxperimenteerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Openbare Orde</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 van het Wetboek van
                    Strafrecht (Sr): “Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich
                    niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde
                    bestuursorgaan gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan
                    samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of
                    geldboete van de tweede categorie.” Van een volksoploop ex artikel 186 Sr is
                    sprake als een menigte zich verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden
                    verstoord. HR 26-02-1991, NJ 1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380 en ECLI:
                    NL: HR:2008: BF 0748.</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich in de
                    daar genoemde gevallen op bevel van een politieambtenaar te verwijderen van een
                    openbare plaats.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 3 van de
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid, van de APV bevat het geven van een bevel in
                    een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar gesteld
                    via artikel 6:1 van de APV. </al><al>Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo.
                    artikel 6:1 van de APV. Vergelijk HR 17 december 2014,
                    ECLI:NL:HR:2014:3639.</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 APV blijven uiteraard ook de bevelen van
                    de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden mogelijk.
                    Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of
                    aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in
                    mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.
                    Vergelijk HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1742.</al><tussenkop>Afdeling 2 Betoging</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen en samenkomsten op openbare
                    plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel is gebaseerd op enkele artikelen uit de Wet openbare manifestaties
                    (Wom).</al><al>In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid “openbare plaats” gedefinieerd
                    als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het
                    publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw
                    of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een
                    kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen). Deze definitie is in artikel 1:1
                    overgenomen (zie toelichting aldaar).</al><al>Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 Wom kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><tussenkop>Afdeling 5 Veiligheid, bruikbaarheid en aanzien van de weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met
                    de publieke functie ervan</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is bekeken of de vergunningplicht kon komen te vervallen. De gemeente Zwolle
                    kiest ervoor om breed gestelde algemene regels (zie lid 1) op te nemen in plaats
                    van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. De vergunningplicht is vervangen
                    door een meldingsplicht. De gemeenteraad maakt hiermee een nadrukkelijke keuze
                    voor het bieden van meer ruimte aan burger en bedrijfsleven.</al><al>In het nieuwe tweede lid krijgt het college de bevoegdheid nadere regels te
                    stellen ten aanzien van uitstallingen en reclameborden. Deze bevoegdheid is
                    opgenomen omdat ten aanzien van deze specifieke categorieën voorwerpen behoefte
                    bestaat om meer gedetailleerde regels te kunnen formuleren.</al><al>In het derde lid wordt een opsomming gegeven van de gevallen waarin het verbod
                    van lid 1 (en daarmee dus ook de meldingsplicht) niet geldt. </al><al>Als uit de melding blijkt dat een voorwerp niet op of aan de weg geplaatst zou
                    mogen worden, wordt hiervan schriftelijk melding gedaan. Deze mededeling moet
                    worden aangemerkt als een verbod waartegen bezwaar/beroep mogelijk is.</al><tussenkop>Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg</tussenkop><al>In het kader van de 1 loket gedachte van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo), is besloten om na drie jaar (2010-2013) de meldingsplicht
                    gehanteerd te hebben, het maken en veranderen van een uitweg vergunningplichtig
                    te maken. In artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo is geregeld dat als
                    er een vergunningplicht geldt voor (het maken, hebben of veranderen van) een
                    uitweg, deze vergunning een omgevingsvergunning is op grond van de Wabo.</al><al>Door de vergunningplicht te herintroduceren voor een uitweg hoeft een aanvrager
                    bij meerdere activiteiten, (bijvoorbeeld het maken van een uitweg, het kappen
                    van een boom en het bouwen van een garage of carport) slechts één vergunning aan
                    te vragen: de omgevingsvergunning. De ongewenste situatie dat er wel een
                    vergunning wordt verleend voor het bouwen en kappen, maar de melding voor de
                    uitweg niet wordt geaccepteerd (of andersom, geen vergunning, maar wel
                    acceptatie van de melding) wordt daarmee voorkomen.</al><al>Omdat sprake is van een omgevingsvergunning gelden de termijnen genoemd in
                    artikel 3.9 van de Wabo. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes
                    weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één
                    onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van
                    toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van
                    zes weken).</al><al>In artikel 2.18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening.De
                    weigeringsgronden staan in het derde lid van artikel<vet></vet>2:12 van de APV en
                    zijn aanvullend aan de algemene weigeringsgronden uit artikel 1:8. </al><al>Dit betekent dat de vergunning op grond van 2.12 kan worden geweigerd indien het
                    maken of veranderen van een uitweg: </al><al>a.in strijd is met het bestemmingsplan; </al><al>b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg aantast; deze grond kan
                    bijvoorbeeld worden gebruikt als een uitweg wordt aangelegd of veranderd binnen
                    korte afstand van een kruispunt of een splitsing o.i.d. of als er sprake is van
                    een doorgaande weg waar gevaar kan ontstaan voor het verkeer op de weg als er
                    gebruik wordt gemaakt van een uitweg;</al><al>c.c. ten koste gaat van een parkeerplaats; of </al><al>d.d. het openbaar groen aantast; deze grond kan bijvoorbeeld gebruikt worden als
                    er voor de aanleg of verandering van de uitweg een (gedeelte van een)
                    gemeentelijk plantsoen moet wijken.</al><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een weg het uitwegen daarop in principe moet toestaan. Een
                    afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke
                    weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat
                    anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat
                    hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.</al><al>Artikel 2:12 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de
                    kant van de weg) te veel belemmeren. Het maken of veranderen van uitwegen wordt
                    uitgevoerd in opdracht van de gemeente. De houder van een vergunning mag dus
                    niet zelf een uitweg aanleggen of veranderen. De kosten worden in rekening
                    gebracht bij de vergunninghouder.</al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat het artikel niet voorziet in het
                    vergunningplichtig maken van het veranderen van het gebruik van een uitweg als
                    bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. In de praktijk gaat
                    het om het aanleggen of veranderen van uitwegen. Daar ziet het artikel dan ook
                    op. </al><tussenkop>Artikel 2:14 Winkelwagentjes </tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten om op de winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen en om
                    achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen. Dit legt ook een
                    verantwoordelijkheid bij winkelbedrijven om hier op toe te zien.</al><tussenkop>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting </tussenkop><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. Deze wet is echter in haar
                    toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht dat het gebruik
                    van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><tussenkop>Afdeling 7 Evenementen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:24 Begripsbepalingen </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><tussenkop>Onder a.</tussenkop><al>In de eerste plaats is dit het geval bij de voor publiek toegankelijke
                    verrichting van vermaak die gehouden wordt in de besloten ruimte van een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer voor zover het evenement past
                    binnen de normale bedrijfsvoering van de inrichting. Dit betreft in feite een
                    codificatie van de zogenaamde “Ghosthouse-jurisprudentie” (uitspraak van de
                    Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2006,
                    ECLI:NL:RVS:2006:AU9388). Uit deze uitspraak blijkt dat een in een inrichting
                    gehouden feest dat niet tot de normale bedrijfsvoering van de inrichting hoort,
                    valt aan te merken als een evenement. Hiervoor geldt derhalve een
                    vergunningplicht. A contrario redenerend is een feest dat wél tot de normale
                    bedrijfsvoering van een inrichting behoort, niet is aan te merken als een
                    evenement. Hiervoor geldt derhalve geen vergunningplicht. Hoewel het strikt
                    genomen niet nodig is om dit in de APV op te nemen, wordt dit voor de
                    duidelijkheid toch gedaan. </al><al>De genoemde uitspraak van de Afdeling bevat aanwijzingen ten aanzien van de
                    vraag wanneer een feest o.i.d. tot de normale bedrijfsvoering behoort. De
                    Afdeling overweegt: “De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het
                    feest vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er
                    komt, en de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd - niet tot
                    de normale bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij is in aanmerking
                    genomen dat het feest niet door de exploitanten van de inrichting, maar door een
                    derde is georganiseerd en de exploitanten er geen blijk van hebben gegeven dat
                    zij op de hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in hun inrichting.
                    Voorts is daarbij in aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de ervaring
                    heeft geleerd dat dit soort houseparty's vaak gepaard gaat met grootschalig
                    drugsgebruik, met alle risico's van dien, en dat extra politie-inzet nodig is om
                    de openbare orde te handhaven, terwijl dit niet het geval is bij een reguliere
                    avond.”</al><tussenkop>Onder b.</tussenkop><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor markten als bedoeld in artikel 160,
                    eerste lid, onder h, van de Gemeentewet. Indien het college op grond van dit
                    artikel een (waren)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor regels
                    vaststellen in een marktverordening.</al><tussenkop>Onder c t/m e.</tussenkop><al>Deze uitzonderingen zijn opgenomen om dubbele regelgeving te voorkomen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><tussenkop>Herdenkingsplechtigheid</tussenkop><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><tussenkop>Braderie</tussenkop><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet. Omdat een braderie een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</al><tussenkop>Optochten</tussenkop><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><tussenkop>Feest, muziek</tussenkop><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. (Met uitzondering van feesten
                    die gehouden worden in de besloten ruimte van een inrichting in de zin van de
                    Wet milieubeheer voor zover het feest past binnen de normale bedrijfsvoering van
                    de inrichting, zie artikel 2:24, eerste lid, onder a.) Het feest kan als een
                    voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Maar wanneer een feest een “besloten” karakter heeft en er
                    publiekelijk kaarten worden verkocht en/of reclame wordt gemaakt, is er sprake
                    van een evenement. </al><al>Wanneer een feest <onderstreept>al dan niet besloten</onderstreept> “op of aan
                    de weg” plaatsvindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het
                    plaatsvindt op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het
                    feest besloten is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. </al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    Activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de APV geven het
                    college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                    inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen
                    op grond van artikel 4:6 van de APV in de vergunning worden opgenomen.</al><tussenkop>Wedstrijd op of aan de weg</tussenkop><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in het eerste lid van artikel 2:25 en artikel 2:24,
                    tweede lid, onder d.</al><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
                    en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel
                    10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994
                    bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen
                    van die ontheffing geschiedt:</al><al>a.voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                    Waterstaat;</al><al>b.voor andere wegen, door gedeputeerde staten; </al><al>in afwijking hiervan wordt de ontheffing verleend door het college, indien de
                    wegen waarvoor de ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een
                    gemeente.</al><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                    Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is
                    namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven
                    weigeren medewerking te verlenen aan het evenement. In die zin is de
                    evenementenbepaling aanvullend op de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met een motorvoertuig of
                    bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg als hier bedoeld,
                    dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de burgemeester op grond van
                    artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor andere wedstrijden op of
                    aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet gedacht worden aan
                    bijvoorbeeld “vossenjachten”, droppings e.d.</al><tussenkop>Klein evenement</tussenkop><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of het
                    straatfeest is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor
                    de burger gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het
                    begrip evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het
                    derde lid van artikel 2.25 is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet
                    gaan om kleinschalige activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich
                    in de openbare ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te
                    bieden.</al><tussenkop>Artikel 2:25 Evenement </tussenkop><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk.
                    Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of een goed woon-
                    en leefklimaat.</al><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onder-handelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al>In het geval van een klein evenement wordt volstaan met een meldingsplicht. Het
                    is dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen. De
                    ervaring leert namelijk dat een vergunning in dergelijke gevallen vrijwel altijd
                    wordt verleend, waarbij standaardvoorschriften aan de vergunning worden
                    verbonden. Indien er naar aanleiding van de melding echter aanleiding is te
                    vermoeden dat de openbare orde, de openbare veiligheid, de volkgsgezondheid, het
                    milieu of een goed woon- en leefklimaat in gevaar komt, kan de burgemeester het
                    evenement op grond van het vierde lid binnen acht dagen na de melding alsnog
                    verbieden.</al><tussenkop>Evenementenbeleid</tussenkop><al>Aan de hand van de motieven neergelegd in de weigeringsgronden kan de
                    burgemeester beleidsregels vaststellen.<vet></vet>Het doel van een evenementenbeleid
                    is enerzijds het vastleggen van wat er met betrekking tot evenementen in een
                    gemeente wordt nagestreefd en onder welke voorwaarden dit is toegestaan.
                    Anderzijds behelst het beleid de afstemming van processen binnen de
                    vergunning-verlening zodat deze zo efficiënt en goedkoop mogelijk kan
                    plaatsvinden.</al><tussenkop>Zesde lid: lex silencio positivo</tussenkop><al>Kleinere evenementen zijn al vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op
                    grotere evenementen. Daarbij is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien
                    de impact die een groot evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook
                    vragen vele aspecten van een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid,
                    aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een
                    inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende
                    dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare
                    veiligheid en milieu om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf
                    4.1.3.3. van de Awb wordt niet van toepassing verklaard.</al><tussenkop>Artikel 2:25a Betaald voetbalwedstrijden </tussenkop><al>Ter regulering van betaald voetbalwedstrijden wordt gekozen voor een
                    vergunningsstelsel, in verband met de Algemene wet bestuursrecht en de
                    rechtsbeschermingsmogelijkheden van derden. In deze bepaling wordt, kort
                    samengevat, geregeld:</al><al>a.welke instantie als organisator wordt aangemerkt;</al><al>b.de verplichting van de organisator tot opgave van de speeldata en overige
                    relevante informatievolgens een daartoe door de burgemeester vast te stellen
                    formulier;</al><al>c.de mogelijkheid om voor meerdere wedstrijden tegelijk (bijvoorbeeld
                    competitiehelft) vergunning aan te vragen;</al><al>d.de mogelijkheid voor de burgemeester om per wedstrijd nadere voorschriften te
                    geven in het belang van de openbare orde;</al><al>e.de bevoegdheid van de burgemeester om op limitatief omschreven gronden de
                    wedstrijd te verbieden.</al><al>Omdat speciaal voor betaald voetbalwedstrijden een vergunningsplicht geldt, kan
                    deze worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van de algemene
                    vergunningsplicht voor evenementen. Dit artikel is in overeenstemming met het
                    afgesloten convenant betaald voetbal.</al><tussenkop>Artikel 2:26 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In plaats van de term "horecabedrijf" wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met "horecabedrijf" alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde "natte horeca". De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde "droge
                    horeca": tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops.</al><tussenkop>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op grond van artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook
                    voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur
                    wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het
                    alleen op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen belang geoorloofd
                    een termijn te stellen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Als het geldende bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of
                    het voorbereidings-besluit<vet></vet>vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, ligt het niet voor de hand om wel een exploitatievergunning te
                    verlenen. Er kan immers toch geen gebruik van worden gemaakt wegens strijd met
                    het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. </al><al>De exploitatievergunning is persoonsgebonden. De persoon van de exploitant
                    speelt immers een belangrijke rol in de wijze van exploitatie en dus ook in de
                    wijze waarop deze exploitatie het woon- en leefklimaat en de openbare orde
                    beïnvloedt. Om die reden wordt het noodzakelijk geacht om de verplichting op te
                    nemen voor de vergunningaanvrager om een recente verklaring omtrent gedrag voor
                    de leidinggevende te overleggen. Leidinggevende kan de aanvrager zelf zijn, maar
                    ook iemand die bij hem in dienst is.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Voor een aantal categorieën van kleinschalige openbare inrichtingen waar geen
                    alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het geding is,
                    is geen vergunning nodig. Te denken valt aan een ontbijthoekje bij de
                    bakker.</al><al>Verder is de vergunningplicht komen te vervallen voor een horecabedrijf waar
                    tevens op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning is
                    vereist. Gebleken is dat in Zwolle de horecaexploitatievergunning voor de natte
                    horeca onvoldoende bijdraagt aan het verminderen van overlast en terugdringen
                    van openbare orde problemen. De exploitatievergunning in stand laten voor de
                    natte horecabedrijven is dan ook onevenredig belastend en is om die reden komen
                    te vervallen.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Dit artikel valt onder de reikwijdte van de Europese Dienstenrichtlijn. Hier is
                    er vanwege dwingende redenen van algemeen belang voor gekozen om de lex silencio
                    niet van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vergunning voor met name
                    horeca-inrichtingen. Het zou met name vanwege aspecten van openbare orde en
                    milieu onwenselijk zijn als deze zonder een op de inrichting afgestemde
                    vergunning kunnen openen.</al><tussenkop>Artikel 2:28a Terrassen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar de
                    vergunningplicht niet geldt. Hiermee kan bereikt worden dat er een regulering
                    van terrassen is zonder onnodige toename van administratieve lasten. Buiten de
                    aangewezen gebieden blijft vergunningplicht gelden en kan per situatie maatwerk
                    worden geleverd. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid krijgt het college de bevoegdheid nadere regels te stellen ten
                    aanzien van terrassen. Deze nadere regels gelden zowel voor vergunningsvrije
                    terrassen als vergunningplichtingen terrassen. Deze bevoegdheid is opgenomen
                    omdat ten aanzien van de spelregels met betrekking tot plaatsing, gebruik, en
                    opruimen terrassen behoefte bestaat om meer gedetailleerde uniforme regels te
                    kunnen formuleren.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In aanvulling op de weigeringsgronden uit 1.8 zijn voor terrassen specieke
                    weigeringgronden opgenomen om de vaak locale effecten van een terras mee te
                    kunnen nemen in de belangenafweging.<vet></vet></al><tussenkop>Artikel 2:29 Sluitingstijd </tussenkop><tussenkop>Eerste t/m derde lid</tussenkop><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor openbare
                    inrichtingen vaststellen in het belang van de openbare orde. De
                    sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te
                    voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Deze bepaling vormt de grondslag voor de burgemeester om ten aanzien van de
                    sluitingstijden nadere regels te stellen. De burgemeester kan op grond van deze
                    bepaling bijvoorbeeld voor bepaalde categorieën openbare inrichtingen afwijkende
                    sluitingstijden vaststellen. </al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Op grond van het zevende lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van de
                    geldende sluitingstijden. Dit kan voor een individuele inrichting, maar ook voor
                    meerdere inrichtingen, bijvoorbeeld in een bepaald gebied of in verband met
                    collectieve feestdagen of bijzondere gebeurtenissen.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit vallen. Aan een krachtens de Wm te verlenen vergunning
                    kunnen eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden
                    gesteld ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De
                    sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voor zover de op de Wm
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al><tussenkop>Negende lid</tussenkop><al>Anders dan bij het vijfde lid van artikel 2:28 gaat het hier om een relatief
                    overzichtelijk besluit. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang om
                    van een lex silencio positivo af te zien. De lex silencio positivo is hier van
                    toepassing.</al><tussenkop>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot een maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden, omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een andere is, wordt
                    door middel van het tweede lid buiten twijfel gesteld dat niet in dezelfde
                    situaties kan worden opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is
                    bedoeld.</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Deze inschrijvingsplicht geldt niet voor de sluitingen op grond van de APV.</al><tussenkop>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>Ook het bepaalde onder b richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de
                    inrichting. Als die zich met goedvinden van de exploitant in de inrichting
                    bevindt in de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel
                    2:31. Als hij geen toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de
                    exploitant dat vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><tussenkop>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</tussenkop><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goederen worden verhandeld.</al><al>Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Het begrip "openbare inrichting" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan. </al><tussenkop>Artikel 2:34a Beperking verstrekking alcoholhoudende dranken</tussenkop><al>Gelet op het belang van een matig alcoholgebruik in inrichtingen die primair
                    voor andere doeleinden dan alcoholgebruik worden bezocht, wordt de beperking
                    opgelegd dat daar geen sterke drank mag worden verstrekt. In dit artikel is
                    daarom een verbod opgenomen voor het verstrekken van sterke drank in onder meer
                    snackbars, cafetaria’s, jeugd-, onderwijs-, sportinstellingen of
                    buurthuizen.</al><tussenkop>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:39 Speelgelegenheden </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden waar
                    de Wet op de kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    kansspelen. Oogmerk van de Wet op de kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>De Wet op de kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. </al><al>In artikel 1:6 van de APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan
                    worden ingetrokken of gewijzigd.</al><tussenkop>Vierde lid Lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet
                    tijdig beslissen)</tussenkop><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk als
                    deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets
                    van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo
                    is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals
                    de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van
                    toepassing verklaard.</al><tussenkop>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</tussenkop><al>Bij de wijziging van de Wet op de kansspelen in 2010 constateerde de wetgever
                    dat het gezien de regels van de Europese Dienstenrichtlijn niet viel te
                    verdedigen dat voor het aanwezig hebben van enkele behendigheidsautomaten een
                    vergunning vooraf wordt geëist. Dit vooral ook omdat een aanwezigheidsvergunning
                    voor gokkasten met name wordt verdedigd door te wijzen op het risico van
                    gokverslaving. Het valt moeilijk vol te houden dat een flipperkast een
                    vergelijkbaar risico op verslaving oplevert als een fruitautomaat. Dat nog los
                    van de vele verslavende spelen die op het internet gespeeld kunnen worden, al
                    dan niet gratis.</al><al>Voor de APV betekent dit dat in artikel 2:40, tweede en derde lid, de term
                    “speelautomaten”, die ook behendigheidsautomaten zoals flipperkasten omvat,
                    wordt vervangen door “kansspelautomaten”, waarmee gokkasten worden aangeduid
                    waarmee ook geld kan worden gewonnen en waar doorgaans geen behendigheid bij te
                    pas komt.</al><tussenkop>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    wordt dit in de APV geregeld. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder de toelichting bij het eerste
                    lid. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><tussenkop>Artikel 2:42 Plakken en kladden </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al>Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting zou
                    inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden
                    of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel
                    2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde
                    verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van
                    dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik eens anders
                    recht wordt geschonden. </al><al>De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming
                    van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is,
                    niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand
                    verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die
                    als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt
                    namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.</al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al>Een voorwaarde is wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen.
                    Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor
                    nadere regels stellen. </al><tussenkop>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. </tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. </al><al>Door de gehanteerde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                    winkeldiefstal </tussenkop><al>Deze verbodsbepalingen beogen het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    en winkeldiefstal te bemoeilijken. Bij een voorwerp als bedoeld in het tweede
                    lid kan gedacht worden aan geprepareerde tassen.</al><al>Teneinde de private belangen van de ingezetenen te beschermen, is in lid 3
                    opgenomen dat dit verbod niet geldt indien redelijkerwijs kan worden aangenomen
                    dat de desbetreffende burger geen intentie heeft om winkeldiefstel te gaan
                    plegen.</al><tussenkop>Artikel 2:44a Verbod tot het spelen om geld</tussenkop><al>Dit artikel beoogt overlast door gokken op straat tegen te gaan.</al><tussenkop>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt “straatschenderij” strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. Deze bepaling
                    in de APV vormt hierop een aanvulling.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip openbare plaats in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1:1). Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><tussenkop>Artikel 2:47a Verwijderingbevel </tussenkop><al>Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om iemand te weren uit een
                    bepaald gebied in het belang van de openbare orde. Artikel 172 a van de
                    Gemeentewet biedt een soortgelijke bevoegdheid echter alleen in gevallen waar
                    sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde en ernstige vrees voor
                    verdere verstoring van de openbare orde. </al><tussenkop>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik </tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 3
                    van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven.</al><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de “voorfase” - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al>Vanwege de verhoging van de leeftijdsgrens voor drinken in het openbaar naar
                    achttien jaar is de tekst van dit artikel aangepast. Het aanwijzen van een
                    gebied waar men geen open flesjes en blikjes met alcoholhoudende drank bij zich
                    mag hebben kan immers geen gevolgen hebben voor jongeren onder de achttien. Zij
                    mochten dat sowieso al niet.</al><tussenkop>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen </tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</al><tussenkop>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages en wachtlokalen voor een openbaar
                    vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord “ruimte” gebruikt
                    ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip “weg”. Om een indicatie
                    te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek
                    toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een
                    aantal ruimten concreet genoemd.</al><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. </al><al>In het belang van de handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de
                    politie bij baldadig of ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in
                    postkantoren, en in andere soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten,
                    onmiddellijk kan ingrijpen, mede om de eigendommen van derden te
                    beschermen.</al><tussenkop>Artikel 2:50a Slaapplaats op of aan een openbare plaats </tussenkop><al>Het doel van dit artikel is om wildkamperen (kamperen buiten kampeerterreinen)
                    tegen te gaan of te reguleren. Sinds de afschaffing van de Wet op de
                    openluchtrecreatie bestaat daaraan behoefte. Het artikel kan ook gebruikt worden
                    om zwervers te verwijderen uit gemeentelijke parken.</al><tussenkop>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. </tussenkop><al>Dit artikel beoogt overlast te voorkomen.</al><al>Het neerzetten van fietsen, bromfietsen of soortgelijke voertuigen tegen panden,
                    terwijl de eigenaar heeft aangegeven dat dit niet wordt gewenst, of waardoor de
                    toegang tot het gebouw wordt gehinderd, geeft vaak aanleiding tot klachten.
                    Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                    e.d.</tussenkop><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Het verbod moet
                    wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2:53 Bespieden van personen </tussenkop><al>Dit artikel is een aanvulling op artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.
                    Met deze bepaling in de APV wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als
                    ongewenst ervaren verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het
                    artikel alleen in excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen
                    pas optreden indien burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling
                    over heimelijk afluisteren is in verband met artikel 139a en verder en 441a van
                    het Wetboek van Strafrecht niet nodig.</al><tussenkop>Artikel 2:57 Loslopende honden</tussenkop><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden zonder dat de hond aangelijnd is.
                    Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><al>-de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden gebracht;</al><al>-het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al><al>-het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al><al>-het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden, zandbakken,
                    e.d.);</al><al>-het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                    loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar het leven
                    staan.</al><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kunnen de honden op basis van artikel 125 van de Gemeentewet
                    (bestuursdwang) gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is.</al><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist.</al><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een “gevonden
                    dier”.</al><tussenkop>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden </tussenkop><al>Straatverontreiniging kan gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Zo wordt
                    via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen,
                    het voor honden dodelijke canine parvovirus verspreid en kunnen bij mensen worm
                    infecties worden overgebracht. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in
                    de ranglijsten van ergernissen.</al><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><tussenkop>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al>Omdat een dergelijk besluit een sterk openbare orde-karakter heeft en daarbij
                    vaak een snel handelen naar aanleiding van een incident vraagt, is besloten om
                    deze bevoegdheid bij de burgemeester te beleggen (was voorheen het
                    college).</al><tussenkop>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er
                    moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de volksgezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Waar het college bij een aanwijzing bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen op de Flora en Faunawet,
                    waarin regels worden gegeven ter bescherming van dieren.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Het is niet eenvoudig aan te geven wanneer en waarom, als er eenmaal eisen en
                    beperkingen zijn gesteld, daar met een ontheffing weer van zou worden afgeweken.
                    Doorgaans zal vrij snel (en dan naar alle waarschijnlijkheid negatief) op een
                    aanvraag om deze ontheffing kunnen worden beschikt. Toch is hier van het
                    toepassen van de lex silencio positivo afgezien. Dit vooral omdat in gevallen
                    waarin dit artikel wordt toegepast vaak al enig ongenoegen leeft over de in de
                    buurt ondervonden overlast. Een van rechtswege ontstane ontheffing en daardoor
                    weer toenemende hinder zou de sfeer niet ten goede komen.</al><tussenkop>Artikel 2:62 Loslopend vee </tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><tussenkop>Artikel 2:65 Bedelarij </tussenkop><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het
                    leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te
                    verstoren. Daarom is dit artikel in de APV opgenomen dat beoogt bedelarij tegen
                    te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een
                    bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het college een overlast
                    gevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod
                    instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod. Ook
                    de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Dit kan immers niet
                    verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van
                    meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet.</al><tussenkop>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van
                    goederen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:66 Begripsbepaling</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel. Dit betreft het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van
                    het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, metalen, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat onder metalen mede wordt verstaan:
                    legeringen en metalloïden.</al><tussenkop>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister </tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het
                    inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor
                    het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Het verkoopregister
                    moet doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de
                    aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden
                    ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een
                    register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register.
                    Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch
                    zijn.</al><al>In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister
                    bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde
                    goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een
                    vrijstellingsbepaling toegevoegd.</al><al>Hier wordt de lex silencio positivo van toepassing verklaard op de ontheffing
                    van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle
                    verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn.
                    Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis
                    een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</al><tussenkop>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                    van Strafrecht </tussenkop><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437 ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht, bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor heling
                    beogen te voorkomen.</al><al>Bij de verplichting onder a, aanhef en onder 4, spelen onder meer de
                    omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar wordt aangeboden en diens
                    wetenschap zelf een rol. </al><tussenkop>Afdeling 13 Vuurwerk</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:71 Begripsbepaling </tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is ingedeeld in
                    categorie F1, F2 of F3 en dat bij of krachtens dit besluit is aangewezen als
                    vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik”
                    (artikel 1.1.1. lid 1). In de Regeling aanwijzing consumenten- en
                    theatervuurwerk is uitgewerkt welk vuurwerk ter beschikking mag worden gesteld
                    voor particulier gebruik.</al><tussenkop>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    verkoopdagen</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een
                    vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door
                    het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. </al><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. </al><tussenkop>Koopzondag</tussenkop><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Gezien de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans
                    met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo in te voeren.</al><tussenkop>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><tussenkop>Artikel 2:73a Carbid </tussenkop><al>Afgezien van de algemene zorgplicht van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, de
                    regels omtrent aansprakelijkheid wegens onzorgvuldig handelen die uit het
                    burgerlijk recht voortvloeien en de bepalingen in het Wetboek van Strafrecht in
                    verband met het toebrengen van schade of letsel, zijn er geen landelijke regels
                    van toepassing op het carbidschieten</al><al>Omdat carbid geen sas (een ontstekingsmiddel bestaande uit pyrotechnische stof)
                    is en dus geen vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit is, valt het afsteken
                    daarvan niet onder het Vuurwerkbesluit. Hieruit volgt dat in gemeentelijke
                    verordeningen regels kunnen worden gesteld met betrekking tot dit soort, veelal
                    door plaatselijke gebruiken ingegeven festiviteiten. In onderhavig artikel wordt
                    van deze regelgevende bevoegdheid gebruik gemaakt.</al><tussenkop>Afdeling 14 Drugsoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I (“harddrugs”) en lijst II (“softdrugs”) die behoren bij deze
                    wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is onderhavig artikel in de APV
                    opgenomen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten tot doel heeft.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><tussenkop>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                    cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op artikel 154a Van de Gemeentewet. Dit artikel
                    voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij grootschalige
                    ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te houden op een
                    door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats van ophouding
                    is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet gedacht worden
                    aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit de hand lopende
                    demonstraties en krakersrellen. </al><al>De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding
                    vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de burgemeester de
                    bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van specifieke
                    voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig
                    artikel 154a van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden
                    moet worden voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden
                    genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten, de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><tussenkop>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de burgemeester
                    bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al>-vervoermiddelen te onderzoeken;</al><al>-een ieders kleding te onderzoeken;</al><al>-te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.</al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><al>-feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de
                    openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees voor het
                    ontstaan daarvan;</al><al>-zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het
                    individuele belang van de burgers (privacy);</al><al>-subsidiariteit en proportionaliteit;</al><al>-breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van leefbaarheid
                    en veiligheid.</al><tussenkop>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. </al><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c, zevende lid, van de Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen
                    beelden te gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
                    Daarnaast mogen camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten
                    efficiënter en effectiever in te zetten. De preventieve werking van
                    cameratoezicht vergroot bovendien hun veiligheid.</al><al>In artikel 151c, vierde lid, van de Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik
                    van camera’s kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden
                    gesteld van de mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het
                    gebied betreden dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het
                    kenbaarheidsvereiste moet niet alleen worden voldaan als er beelden worden
                    vastgelegd, maar ook als sprake is van monitoring en er dus geen opnames worden
                    gemaakt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft op grond van artikel 151c, eerste lid, van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid om ook andere plaatsen, die zonder enige vorm van beperking
                    publiek toegankelijk zijn, aan te wijzen als openbare plaats en zo onder de
                    reikwijdte van de wet te brengen. Het gaat dan om plaatsen, zoals
                    parkeerterreinen, die vanwege het doel gebonden verblijf niet onder de definitie
                    van openbare plaats uit de Wet openbare manifestaties vallen. De wetgever heeft
                    hiermee beoogd dat gemeenten snel kunnen inspelen op gebleken lokale behoeften.
                    Het uitgangspunt blijft te allen tijde dat het cameratoezicht noodzakelijk moet
                    zijn met het oog op de handhaving van de openbare orde.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, straatprostitutie e.d.</tussenkop><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld.</al><al>Andere wettelijke instrumenten</al><lijst><li nr="1."><al>Drank- en Horecawet: De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het regime van de
                            Drank- en Horecawet ook van toepassing is op commerciële
                            seksinrichtingen, indien er alcoholhoudende drank wordt geschonken. Noch
                            de (zogenaamde) beslotenheid noch het feit dat de consumpties gratis
                            geserveerd werden (de prijs was bij de entreeprijs inbegrepen) en dat er
                            nog andere vormen van vermaak werden aangeboden, was voor de Hoge Raad
                            reden om de Drank- en Horecawet niet van toepassing te verklaren.</al></li><li nr="2."><al>Planologische gebruiksvoorschriften.</al></li></lijst><al>Een regulerend optreden door middel van het bestemmingsplan ten aanzien van
                    bordelen is nu</al><al>mogelijk.</al><tussenkop>Afdeling 1 Begripsbepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 3:1 Begripsbepalingen </tussenkop><al>Deze omschrijving van het begrip "prostitutie" (onder a en b) is afgeleid het
                    bepaalde in artikel 273f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het begrip
                    seksinrichting (onder c) is het centrale begrip. Seksinrichtingen zijn er in
                    verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een
                    algemene omschrijving. Seksinrichtingen als hier omschreven zijn inrichtingen
                    waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin
                    deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden
                    aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Veel voorkomende
                    vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit
                    om verdere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting
                    dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Ook prostitutiehotels, die speciaal
                    aan prostitué(e)s voor korte tijd kamers verhuren vallen onder deze definitie.
                    Een café waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, valt niet onder
                    de begripsbepaling. Zo'n optreden moet worden beschouwd als een evenement,
                    waarvoor volgens artikel 2.24 en 2.25 vergunning van de burgemeester vereist is
                    (aangezien de activiteit niet past binnen de normale bedrijfsvoering. Een
                    escortbedrijf (onder d) is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt
                    tussen klanten en prostitué(e)s. De prostitué(e) bezoekt de klant, of gaat met
                    de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan
                    een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, of zelf een website op
                    Internet. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice. Van het begrip
                    bezoekers (onder g) zijn uitgesloten onder 6 personen wier aanwezigheid wegens
                    dringende redenen noodzakelijk is. Hieronder wordt verstaan personen die de
                    inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van goederen, of voor het
                    uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Om de uitvoering van het
                    gemeentelijk prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, heeft het
                    college zijn bevoegdheid gemandateerd aan de burgemeester (artikel 168, lid 1
                    Gemeentewet). Dit doet er niet aan af dat het goed moet worden bezien, of in een
                    concreet te nemen besluit een besluit van de burgemeester zelf of van het
                    college is. In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester te worden
                    aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de
                    voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden.</al><al>In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip "ruimte"
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg (tippelzone) is een bevoegdheid van het
                    college.</al><tussenkop>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke</tussenkop><tussenkop></tussenkop><tussenkop>Artikel 3.4 Seksinrichtingen</tussenkop><al>Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht
                    voort.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In lid 2 wordt een maximumstelsel geïntroduceerd. De peildatum is 1 januari
                    2000.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit lid regelt een gedifferentieerd vergunningstelsel, zoals deze al gold in de
                    Verordening op de seksinrichtingen. Het beleid t.a.v. de vestigingseisen blijft
                    onverminderd van kracht inclusief het maximum aantal van 5 inrichtingen voor de
                    Hof van Zwolle.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal niet in
                    een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal zich
                    beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en
                    beheerder.</al><al>Artikel 8.3., tweede lid van het Vreemdelingenbesluit bepaalt dat de vreemdeling
                    die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de
                    Vreemdelingenwet geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en
                    ontheffingen door bestuursorganen, voor zover die vergunningen en ontheffingen
                    betrekking hebben op standplaatsen, markten, venten, collecteren, evenementen of
                    beroepsmatige dan wel bedrijfsmatige activiteiten. Het besluit schrijft dwingend
                    voor dat voor de verlening van een vergunning en ontheffing die een beroeps- dan
                    wel een bedrijfsmatig karakter heeft een verblijfsrechtelijke toets dient plaats
                    te vinden.</al><tussenkop>Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>De opheffing van het bordeelverbod is onder meer gericht op het decriminaliseren
                    van de niet langer strafbare vormen van prostitutie. Daarom is het van belang
                    dat bij de besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren
                    van een seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de
                    daarbij betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s). </al><al>In dit artikel wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Dit
                    heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een vergunning
                    ingevolge de Drank- en Horecawet is vereist één antecedentenonderzoek kan worden
                    verricht. Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding "in enig opzicht
                    slecht levensgedrag" meer omvatten dan uitsluitend het gestelde in lid 2 tot en
                    met 5.</al><tussenkop>Artikel 3.6 Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling heeft geen betrekking op sekswinkels.
                    Deze winkels vallen</al><al>onder het regime van de Winkeltijdenwet. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Een seksinrichting als bedoeld in artikel 3.1. kan vergunningplichtig zijn op
                    grond van de Wet milieubeheer of vallen onder het Activiteitenbesluit. Indien
                    dit het geval is kunnen op grond wet milieubeheer al voorschriften worden
                    verbonden ter voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting. De
                    sluitingsbepalingen van de APV gelden daarom niet voor zover de op de Wet
                    milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke)
                    sluiting</tussenkop><al>Aan een tijdelijke afwijking van het sluitingsuur moeten een of meer van de in
                    artikel 3.13, tweede lid,genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet
                    sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd
                    bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het
                    belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of
                    beperking van overlast en dergelijke.</al><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is naast de
                    mogelijkheid van bestuursdwang ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet, een
                    bestuursrechtelijke sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk bepaalde. Bij
                    het gebruik van de sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime
                    beoordelings- en beslissingsvrijheid. De rechter toetst slechts marginaal. In
                    een sluitingsbevel gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet dient altijd de
                    termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Indien gesloten wordt op basis van
                    dit artikel in de APV kan de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan
                    wanneer gesloten wordt op basis van artikel 174 van de Gemeentewet, maar lijkt
                    in analogie met uitspraken ten aanzien van de sluiting van coffeeshops, onder
                    omstandigheden, ook sluiting voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name
                    sprake zijn als de vestiging van de seksinrichting zonder meer in strijd is met
                    het lokale beleid.</al><tussenkop>Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid een
                    verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang
                    in verband met het door hem uit te oefenen toezicht. Dit artikel schept voor de
                    exploitant en de beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van
                    toezicht ter handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in
                    ieder geval moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige
                    prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel,
                    heling, gewelddelicten en dergelijke. Indien zich in de inrichting strafbare
                    feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om daar in
                    bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. Om bestuursrechtelijk te kunnen
                    optreden is niet vereist dat daaraan strafrechtelijke vervolging en/of
                    veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet slechts dat geen of onvoldoende
                    toezicht is uitgeoefend.</al><al>Aan het toezicht op de meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting
                    werkzame prostitué(e)s kan worden voldaan door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zal regelmatig toezicht moeten worden gehouden en zo nodig
                    handelend worden opgetreden. Naarmate de exploitant aantoonbaar en actief
                    huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de leeftijd en
                    nationaliteit van de prostitué(e)s, vergemakkelijkt hij niet alleen het
                    toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><tussenkop>Artikel 3.9 Raam- en straatprostitutie</tussenkop><al>In Zwolle is geen raamprostitutie, geen straatprostitutie en derhalve ook geen
                    tippelzone. Door middel van deze bepaling is dat ook verboden. Vooralsnog dient
                    op grond van de jurisprudentie te worden aangenomen dat een gemeente waar tot op
                    heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare orde
                    en het woon- en leefklimaat moet kunnen worden voorkomen. Wij achten het ook
                    niet gewenst raam of straatprostitutie toe te staan. Het huidige
                    voorzieningenniveau is voldoende om aan de vraag te voldoen.</al><tussenkop>Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-
                    pornografische goederen,afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotischpornografische foto's of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><tussenkop>Afdeling 3 Beslistermijn; weigeringsgronden; nadere regels</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.12 Beslistermijn</tussenkop><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een</al><al>seksinrichting kan complex van aard zijn. Derhalve is in dit artikel de
                    beslissingstermijn van artikel 1.2</al><al>verlengd tot 12 weken.</al><tussenkop>Artikel 3.13 Weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid .</tussenkop><al>Een weigeringsgrond is het bestemmingsplan (onder b). De bestaande
                    seksinrichtingen in de binnenstad zijn in het voorontwerp bestemmingsplan
                    beschermd stadsgezicht opgenomen. Deze weigeringsgrond onder c is een bijzondere
                    invulling van de weigeringsgrond vrees voor ernstige verstoring van de openbare
                    orde. Als er aanwijzingen zijn dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met
                    artikel 273f Wetboek van Strafrecht is vergunningverlening uitgesloten</al><al>Onderdanen van niet-EU-lidstaten dienen als zij in Nederland arbeid in
                    loondienst willen verrichten te beschikken over een vergunning tot verblijf die
                    het verrichten van arbeid in loondienst toestaat. Houders van een vergunning tot
                    vestiging, houders van de vluchtelingenstatus, houders van een vergunning tot
                    verblijf om humanitaire redenen en houders van een vergunning tot verblijf bij
                    (huwelijks)partner hebben in principe zo'n vergunning. Zij hebben vrije toegang
                    tot de arbeidsmarkt en mogen dus ook in een seksinrichting werkzaam zijn. De
                    werkgever behoeft in die gevallen niet te voldoen aan de verplichting van de Wav
                    (Wet arbeid vreemdelingen) om een tewerkstellingsvergunning voor de
                    desbetreffende werknemer aan te vragen. Voor het tewerkstellen van het overgrote
                    deel van vreemdelingen van buiten de EU is een tewerkstellingsvergunning wel
                    vereist. Ook na de opheffing van het bordeelverbod dient ingevolge artikel 3 van
                    het Besluit ter uitvoering van de Wav een tewerkstellingsvergunning geweigerd te
                    worden voor werkzaamheden die geheel of gedeeltelijk bestaan uit het verrichten
                    van seksuele handelingen met of voor derden. De komende tijd zullen er geen
                    vergunningen tot verblijf voor arbeid in loondienst in een seksinrichting worden
                    afgegeven aan personen van buiten de EU.</al><al>Daarnaast bestaat er de mogelijkheid dat een prostitué(e) van buiten de EU zich
                    als zelfstandig ondernemer in Nederland vestigt. Daartoe moet worden aangetoond
                    dat aan alle voorwaarden voor zelfstandig ondernemerschap is voldaan. Die
                    voorwaarden zijn bijvoorbeeld het inbrengen van specifieke geschoolde kennis en
                    expertise, eigen kapitaal en een ondernemersplan. Wordt er aan de voorwaarden
                    voldaan en is de openbare orde niet in het geding en wordt er met de
                    aanwezigheid van de prostitué(e) een Nederlands belang gediend, dan kan er
                    sprake zijn van een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. Als in een
                    bordeel illegale prostitué(e)s worden aangetroffen en vast komt te staan dat er
                    geen sprake is van een arbeidsverhouding, dan is er dus niet in strijd gehandeld
                    met de Wav, maar wel met de Vreemdelingenwet. Ook daarvoor kan de exploitant of
                    beheerder verantwoordelijk worden gehouden. Dit kan aanleiding zijn om tot
                    (tijdelijke) sluiting van de inrichting of tot intrekking van de vergunning over
                    te gaan op grond van 3.7 eerste lid onder b. Ingevolge artikel 3.4. lid 2
                    stellen burgemeester en wethouders een lijst vast, waarop het maximum aantal toe
                    te stane seksinrichtingen en escortbedrijven wordt aangegeven. De peildatum is 1
                    januari 2000. Overschrijding van dit aantal is een weigeringsgrond. Op grond van
                    artikel 3.9 is raamprostitutie niet toegestaan. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>onder a</al><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer
                    aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden
                    verleend binnen een bepaald gebied aan een maximum te binden. Dit is gebeurd
                    voor het gebied Hof van Zwolle, waar maximaal 5 seksinrichtingen zijn
                    toegestaan. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning
                    voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de woon- en
                    leefomgeving ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf zou worden
                    aangetast.</al><al>onder c</al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid is ontleend aan het belang van de
                    openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht
                    op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de
                    gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid is het maximumbeleid en het
                    concentratiebeleid ter onderlinge versterking van elkaar. Het concentratiebeleid
                    geldt voor de binnenstad en de belangrijkste wegen naar de binnenstad. Hierdoor
                    wordt de exploitatie van seksinrichtingen tegengegaan op plaatsen waar de woon-
                    en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig kan worden beïnvloed.</al><al>onder f</al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de gezondheid van personen. In casu zal de behartiging van dit belang
                    primair gericht zijn op de (positie van) de prostitué(e) en met name uitmonden
                    in beleid dat is gericht op het voorkomen en tegengaan van seksueel
                    overdraagbare aandoeningen. Een van de hoofddoelstellingen van de opheffing van
                    het algemeen bordeelverbod is het verbeteren van de positie van de prostitué(e),
                    waaronder de gezondheidssituatie. Het gezondheidsbeleid zal vooral flankerend en
                    slechts in beperkte mate dwingend zijn.</al><al>onder g</al><al>Door opheffing van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet
                    (Arbowet) van toepassing. Deze wet is van toepassing als er sprake is van een
                    arbeidsverhouding. De gemeente kan in aanvulling op de Arbowet voorschriften
                    stellen ter bescherming van de veiligheid, gezondheid en welzijn in verband met
                    de arbeid. Deze voorschriften kunnen ook betrekking hebben op vormen van
                    prostitutie waarbij er geen arbeidsverhouding is. De voorschriften kunnen
                    betrekking hebben op de afmeting en inrichting van de werkruimte, de hygiëne,
                    verwarmings- en luchtverversingsvoorzieningen, vlucht- en alarmvoorzieningen,
                    hulp bij ongevallen, preventie van agressie en geweld, risico-inventarisatie en
                    -evaluatie, de beschikbaarheid en het gebruik vancondooms, de mogelijkheid tot
                    geneeskundig onderzoek van de prostitué(e), en dergelijke.</al><tussenkop>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd en/ of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Het derde lid staat
                    het de rechtsopvolger van de exploitant toe de exploitatie van de inrichting
                    voort te zetten totdat is beslist over de door hem ingediende aanvraag om
                    vergunning, mits hij die aanvraag heeft ingediend binnen een week na de
                    kennisgeving als bedoeld in het tweede lid. In afwachting van de beslissing over
                    de aanvraag dient hij de inrichting te exploiteren in overeenstemming met de
                    voorschriften die verbonden waren aan de vergunning van zijn voorganger. De
                    regeling staat niet toe dat een inrichting wordt geëxploiteerd door elkaar
                    voortdurend opvolgende personen zonder vergunning. Indien er sprake is van
                    exploitatie door een rechtsopvolger van een rechtsopvolger, kan tot sluiting van
                    de inrichting worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 3.15 Wijziging beheer</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 4:1 Begripsbepalingen </tussenkop><tussenkop>Besluit</tussenkop><al>Het Activiteitenbesluit milieubeheer, hierna aangeduid als het Besluit, biedt de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan
                    festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><tussenkop>Inrichting</tussenkop><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Dit artikel van het Besluit voorziet erin dat op deze
                    dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De
                    voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften
                    redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve
                    festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve
                    manifestaties.</al><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Voor de collectieve
                    dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend noch onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan meedoen. </al><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. </al><tussenkop>Zesde tot en met het negende lid</tussenkop><al>Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke
                    verordening voorwaarden te stellen aan de collectieve festiviteiten en
                    activiteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel
                    2.21. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan om voorwaarden ter
                    voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij sportbeoefening is deze
                    mogelijkheid niet in het Besluit opgenomen.</al><al>In het achtste lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het
                    Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke
                    verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen
                    gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van
                    onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek
                    meegenomen in de geluidsnorm.</al><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het achtste lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continubedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al>In het negende lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                    (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</al><tussenkop>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    3.148 van het Besluit. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan
                    één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een
                    optreden met live muziek bij een café, een jubileum of een personeels- of
                    straatfeest. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de
                    geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar betreft. In
                    Zwolle wordt gekozen voor een maximum aantal van 4 incidentele festiviteiten per
                    kalenderjaar. Dit aantal heeft tot op heden altijd voldaan. Er is daarom geen
                    aanleiding dit aantal te verhogen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. In Zwolle is ervoor gekozen het maximum aantal van 12 te hanteren. Tot op
                    heden is er geen aanleiding van dit aantal af te wijken.</al><tussenkop>Vijfde tot en met het tiende lid</tussenkop><al>Het Besluit biedt gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke
                    verordening voorwaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis
                    voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onder b van het
                    Besluit. Zie verder de toelichting bij artikel 4:2, zesde t/m negende lid.</al><al>In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren
                    bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen
                    hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het
                    buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
                    Voor muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij
                    evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><tussenkop>Artikel 4:5 Onversterkte muziek </tussenkop><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f,
                    juncto vijfde lid, van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. </al><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al>Het vierde lid is opgenomen om geluidsoverlast van straatmuzikanten te
                    voorkomen. Door te bepalen dat deze zich elke vijftien minuten minstens 200
                    meter moeten verplaatsen, wordt beoogd te voorkomen dat men gedurende lange tijd
                    op dezelfde plek last heeft van de muziek.</al><tussenkop>Artikel 4:6 Overige geluidhinder </tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel er
                    zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene
                    regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>-een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                    heidefeest, een braderie of een rally;</al><al>-het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek
                    maken of mededelingen doen;</al><al>-het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al><al>-het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al><al>-het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en
                    heistellingen;</al><al>-het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen;</al><al>-overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.
                    Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo toe te passen.</al><tussenkop>Artikel 4:6a Geluidhinder door dieren </tussenkop><al>Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer de zorg heeft
                    voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de
                    omgeving geluidhinder veroorzaakt.</al><tussenkop>Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen </tussenkop><al>Dit artikel bevat het verbod op het zogenaamde “wildplassen”. </al><tussenkop>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:15 Verbod handelsreclame op of aan onroerende zaak</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><tussenkop>Binnenstad</tussenkop><al>Voor de binnenstad van Zwolle is het vergunningenstelsel in stand gehouden.
                    Gedachte hierachter is dat de gemeente Zwolle de binnenstad, als beschermd
                    stadsgezicht, vooraf wil kunnen blijven toetsen op handelsreclame. </al><tussenkop>Gebied buiten de binnenstad</tussenkop><al>Voor het gebied buiten de binnenstad is de reclamevergunning voor onverlichte
                    reclame geheel verdwenen en vervangen door een vergunningplicht voor verlichte
                    handelsreclame die zichtbaar is vanaf de weg. In aanvulling op de
                    weigeringsgronden uit 1.8 zijn voor lichtreclame specifieke weigeringgronden
                    opgenomen om ook het directe effect voor de gebruiker van een pand en welstand
                    mee te kunnen nemen in de belangenafweging. Dit is een aanvulling op het
                    Activiteitenbesluit omdat dat besluit alleen toeziet op het voorkomen van
                    lichthinder.</al><tussenkop> Derde lid</tussenkop><al>Op de vergunningen van het eerste en tweede lid is de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo) van toepassing (zie artikel 2.2 van de Wabo). </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het college is ingevolge het vierde lid bevoegd nadere regels te stellen. Het
                    college heeft dan de mogelijkheid meer gedetailleerde regels op te stellen ten
                    aanzien van de eisen die worden gesteld aan handelsreclame en bijvoorbeeld
                    bepaalde vormen van handelsreclame uit te zonderen van de vergunningplicht.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1 Parkeerexcessen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De definitie van “weg” in artikel 1:1 van deze verordening is ook op deze
                    afdeling van toepassing. Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer
                    openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en
                    duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.</al><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1 van het RVV 1990 wordt gegeven.
                    Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. Voor kleine
                    voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.
                    Verder wordt expliciet benoemd en daarmee buiten twijfel gesteld dat ook
                    aanhangwagens onder het begrip “voertuigen” vallen.</al><tussenkop>Onder b</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1 van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het
                    laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor
                    en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                    het onmiddellijk laden of lossen van goederen. De gegeven definitie
                    bewerkstelligt dat enkele vormen van het doen of laten staan van voertuigen, die
                    moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde verbodsbepalingen
                    blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en het onmiddellijk
                    laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die door deze
                    modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van
                    toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1 zich ook tot
                    niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van een autobedrijf e.d. </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren” mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het
                    geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan
                    ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers
                    worden opgetreden.</al><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in
                    het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal
                    parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. </al><al>In het derde lid, onder b, is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren”
                    ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of
                    onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te
                    sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer
                    objectieve maatstaf.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Gezien de mogelijke milieugevolgen is een lex silencio positivo hier niet
                    wenselijk. </al><tussenkop>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><tussenkop>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. </tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</al><tussenkop>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen </tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. </al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>In dit geval is ervoor gekozen een lex silencio positivo op te nemen. Deze
                    situatie is veel zeldzamer dan die in het vorige artikel (kampeermiddelen e.a.).
                    Ook vergt het toekennen of afwijzen van deze ontheffing geen langdurige of
                    complexe afweging</al><tussenkop>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen en grote
                    aanhangwagens</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt om aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    door het doen of laten staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of
                    laten staan van grote voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op
                    dorpspleinen, voor monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke
                    plekjes in open landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of
                    landschapsschoon betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en
                    reclameauto’s bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend
                    element vormen. Het zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. </al><al>De werking van het in het eerste lid, onder a, gestelde verbod is beperkt in
                    tijd. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Dit artikellid maakt het mogelijk dat ook campers, caravans en kampeerwagens die
                    door hun afmetingen onder het verbod van het eerste lid zouden vallen, toch voor
                    maximaal 3 dagen op de weg geparkeerd mogen blijven staan.</al><tussenkop>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen </tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Bij de in het tweede lid, onder a, bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan
                    voertuigen in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij de
                    gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld in
                    het tweede lid, onder b.</al><tussenkop>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets </tussenkop><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke.</al><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Op grond van het derde lid is het verboden (brom)fietswrakken op of aan de weg
                    te laten staan. Zowel in de stallingsruimte als op de weg kunnen deze wrakken
                    veel overlast, ontsiering van de gemeente of schade veroorzaken.</al><tussenkop>Afdeling 2 Collecteren</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In het vierde lid is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor
                    inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Gezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment
                    zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is
                    het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Er is daarom voor
                    gekozen een lex silencio positivo op te nemen. </al><tussenkop>Afdeling 3 Venten</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:14 Begripsbepaling</tussenkop><al>Het uitoefenen van de ambulante handel (het venten) moet onderscheiden worden
                    van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Bij
                    venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn
                    waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in
                    afwachting van klanten is geen venten.</al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning. Venten en
                    standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><tussenkop>Artikel 5:15 Ventverbod</tussenkop><al>In het kader van de deregulering is het slechts verboden te venten als de
                    openbare orde wordt verstoord of de openbare veiligheid of de volksgezondheid in
                    gevaar komen. De terminologie sluit aan bij de Europese dienstenrichtlijn.
                    Hieronder vallen de motieven van overlast (in de meeste gevallen) en
                    verkeersveiligheid.</al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. </al><tussenkop>Afdeling 4 Standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:17 Begripsbepaling</tussenkop><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet. Degene die
                    op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich
                    moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze regels zijn in de
                    marktverordening neergelegd. </al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><al>Een vergunning voor het hebben van een standplaats wordt noodzakelijk en
                    evenredig geacht.<vet></vet>De standplaatsvergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. Verder kunnen door middel van een vergunning de beschikbare
                    standplaatsen worden verdeeld en is het mogelijk een maximumstelsel in te
                    stellen.</al><tussenkop>Weigeringsgronden</tussenkop><al>Bestemmingsplan: als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat,
                    is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar
                    dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat.</al><al>Redelijke eisen van welstand: deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien
                    een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                    straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen
                    verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van
                    monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd. </al><al>Redelijk verzorgingsniveau: in het verleden is het beschermen van een redelijk
                    voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare
                    ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                    worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentie-verhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente
                    wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering
                    toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een
                    deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een
                    vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de
                    boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in
                    gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden. De
                    Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><tussenkop>Afdeling 6 Openbaar water</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:25 Ligplaatsen recreatievaartuigen </tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat het innemen van een ligplaats met een
                    “recreatievaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die door het college
                    zijn aangewezen. Met de onder lid 3 genoemde “verhuurbedrijven van kleine
                    vaartuigen” wordt gedoeld op de voorraad van deze verhuurbedrijven. Zodra de
                    kleine vaartuigen daadwerkelijk verhuurd zijn en worden gebruik door de huurder,
                    vallen ze onder de uitzondering van lid 4. Zo lang de vaartuigen nog ter verhuur
                    worden aangeboden, mogen zij alleen op de aangewezen locaties liggen.</al><tussenkop>Artikel 5:26 Aanwijzingen geven en opvolgen</tussenkop><al>Het kan wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een individuele
                    booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt daarvoor de
                    grondslag.</al><tussenkop>Artikel 5:31a Overlast kleine snelle vaartuigen</tussenkop><al>Het verschijnsel "snelle kleine vaartuigen" heeft zich de laatst jaren snel
                    ontwikkeld, evenals de hoeveelheid waterscooters. In verband met de snelheid
                    waarmee de waterscooter zich over het water begeeft is deze ook ingedeeld onder
                    de noemer snelle kleine vaartuigen. Het verbod in het tweede lid is opgenomen,
                    omdat steeds meer hinder van deze vorm van recreatie wordt ondervonden.</al><tussenkop>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:32 Crossterreinen</tussenkop><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals hier gebeurt.</al><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><tussenkop>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><al>Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om zich
                    met motorvoertuigen of bromfietsen in een natuurgebied te bevinden. Het college
                    kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar dit verbod niet geldt
                    en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze terreinen.</al><al>Gezien de belangen die hier worden beschermd, de rust en recreatie in
                    natuurgebieden, is het niet wenselijk om hier een ontheffing van rechtswege in
                    het leven te roepen en is daarvan afgezien.</al><tussenkop>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                    anderszins vuur te stoken</tussenkop><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5:34 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al>Artikel 5:34 biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond van de Wet
                    milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van openbare orde
                    en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten grondslag aan de
                    APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de mogelijkheid
                    geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de
                    openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. </al><tussenkop>Afdeling 9 Verstrooiing van as</tussenkop><tussenkop>Artikel 5:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>Gemeenten mogen in een verordening regels opnemen rond de incidentele as
                    verstrooiing. Deze mogelijkheid bestaat met name vanuit een oogpunt van
                    overlastbeperking en het tegengaan van ongewenste asverstrooiingen. Een
                    dergelijke bepaling is opgenomen in de APV en niet in de verordening op de
                    begraafplaatsen omdat deze laatste hoofdzakelijk toeziet op een ordelijk verloop
                    van de gang van zaken op een begraafplaats. Volgens de Wet op de lijkbezorging
                    kunnen verstrooiingen door of op last van de houder van een crematorium of de
                    houder van een plaats van bijzetting alleen plaatsvinden op het terrein dat
                    daartoe permanent is bestemd. </al><tussenkop>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</tussenkop><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg.</al><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Om reden van piëteitsgevoel en overlast voor
                    recreanten en gebruikers van openbare ruimten te voorkomen is voorts incidentele
                    as verstrooiing verboden op in dit artikel genoemde openbare plaatsen.</al><al>Om reden van natuurbehoud zijn de in dit artikel genoemde natuurterreinen
                    verboden voor incidentele as verstrooiing.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al>Op grond van dit artikel wordt binnen de gemeente Zwolle ruimte geboden om as te
                    verstrooien in bosschages van parken en plantsoenen die bijvoorbeeld een
                    dierbare plek zijn geweest van de overledene.</al><al>Dit soort ontheffingen zijn zeldzaam en er zijn doorgaans emoties van
                    nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat er snel en
                    tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex silencio
                    positivo op te nemen. </al><tussenkop>Artikel 5:37 Hinder of overlast</tussenkop><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    van 26 maart 1998 af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de
                    handeling op zich geen hinder oplevert. Door de wet op het punt van
                    asverstrooiing te verruimen heeft de wetgever bewust aanvaard dat het publiek
                    geconfronteerd kan worden met incidentele verstrooiing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat
                    van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de
                    gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van
                    artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het
                    algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel 23, tweede lid,
                    WvSr).</al><tussenkop>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                    vergunningsvoorschriften</tussenkop><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. </al><al>Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1:5 gegeven beperkingen
                    en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. Formeel levert dit
                    laatste een overtreding van artikel 1:5, tweede lid, op. Hierin is de
                    verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een vergunning of
                    ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en
                    beperkingen na te komen.</al><tussenkop>Artikel 6:2 Toezichthouders</tussenkop><al>De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. De
                    aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het kopje
                    Opsporingsambtenaren.</al><tussenkop>Aanwijzen toezichthouders</tussenkop><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voor zover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><tussenkop>Opsporingsambtenaren</tussenkop><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    politie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en</al></li><li nr="-"><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voor het die feiten betreft en die
                            personen zijn beëdigd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de model-APV bepaalde
                    plaatsen kunnen betreden. De woning geniet extra bescherming op basis van
                    artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het betreden
                    van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel waarborgen
                    omkleed. </al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen. Deze bevoegdheden
                    zijn vooral toegekend aan ambtenaren of personen die belast zijn met een
                    opsporings- of toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving. Voorts
                    bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke taken
                    en bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de openbare
                    orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van
                    noodwetgeving.</al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><tussenkop>Artikel 6:4 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, beleidsregels enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden
                    na de inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad (verbod van reformatio in peius).</al><tussenkop>Artikel 6:5 Inwerkingtreding</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen. Er is niet voor gekozen om een ander tijdstip aan te wijzen met
                    uitzondering van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel </al><al>2:28a. Deze uitzondering houdt verband met het feit dat dit een nieuw artikel
                    is, waarvoor tijd voor de implementatie nodig is. </al><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet.</al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te</al><al> verlenen.</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Aanwijzingsbesluiten behorende bij de APV" type="tekst" id="i267559"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Overzichtskaart van de gebieden behorende bij de aanwijzingsbesluiten A" type="foto" id="i267560"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 01 - Stadshagen" type="foto" id="i267561"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 02- Westenholte" type="foto" id="i267562"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 03 - Holtenbroek" type="foto" id="i267563"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 04 - Aalanden" type="foto" id="i267564"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 05 - Deurzediep" type="foto" id="i267565"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 06 - Helderlichtsteeg" type="foto" id="i267566"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 07 - Werkschuit - Aquarel" type="foto" id="i267567"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 08 - Zwolle" type="foto" id="i267568"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 09 - Ruyterstraat - Piet Heinstraat" type="foto" id="i267569"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 10 - Willem Barentzstraat" type="foto" id="i267570"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 11-12 - Zwolle -Zuid" type="foto" id="i267571"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 13 - Zwolle-Zuid" type="foto" id="i267572"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 14 - Ittersummerpark" type="foto" id="i267573"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 15 - Fietspas Marslanden" type="foto" id="i267574"></illustratie></plaatje></al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gebied 16 - Stadion" type="foto" id="i267575"></illustratie></plaatje></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>