<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR394153_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatiebesluit Smallingerland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Breeduit, 14-01-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatiebesluit Smallingerland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.1:CVDR351029_1">Participatieverordening gemeente Smallingerland 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-03-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>05-01-2016, nr. 8</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47700</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47701</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47702</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Participatiebesluit Smallingerland 2016 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland besluiten,</al><al/><al>Overwegende</al><al/><al>- dat de Participatieverordening Gemeente Smallingerland 2015 is vastgesteld </al><al> door de gemeenteraad van Smallingerland op 9 december 2014;</al><al>- dat de Verordening Loonkostensubsidie Participatiewet gemeente
                        Smallingerland 2015 is </al><al> vastgesteld door de gemeenteraad van Smallingerland op 9 december </al><al>2014;</al><al>- dat artikel 20 van de Participatieverordening Gemeente Smallingerland 2015
                        nadere regelgeving ter uitvoering van de verordening delegeert aan het
                        College;</al><al>- dat de bepalingen uit de Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Europese
                        Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87
                        een 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun, Pb. 202, nr. L337van
                        toepassing zijn; </al><al/><al>vast te stellen het </al><al/><al><vet>Participatiebesluit Smallingerland 2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen en Reikwijdte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begrippen die in dit besluit gebruikt worden hebben een gelijke
                                betekenis als in de Participatieverordening Gemeente Smallingerland
                                2015. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit besluit wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr="a)"><al>wet : Participatiewet </al></li><li nr="b)"><al>verordening : Participatieverordening Gemeente
                                        Smallingerland 2015.</al></li><li nr="c)"><al>proefplaatsing : Het tijdelijk verrichten van reguliere
                                        werkzaamheden met behoud van uitkering</al></li><li nr="d)"><al>job-coaching : De begeleiding van de belanghebbende en de
                                        werkgever op de werkvloer</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit besluit vindt uitdrukkelijk mede haar grondslag in de bepalingen
                                van de in de aanhef vermelde EG-verordening inzake
                                werkgelegenheidssteun, met name waar het betreft de vormgeving van
                                de voorziening gesubsidieerde arbeid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Traject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ondersteuning bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                wordt geboden door het aanbieden van een traject.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het traject ligt een persoonlijk actieplan ten grondslag waar de
                                gemeente, de belanghebbende en het re-integratiebedrijf schriftelijk
                                mee hebben ingestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het persoonlijk actieplan zijn de voorzieningen en de duur
                                hiervan vermeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vrijwilligerswerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vrijwilligerswerk, genoemd in artikel 9 lid 2 sub a van de
                                verordening, heeft als doel de belanghebbende met behoud van
                                uitkering, door het verrichten van maatschappelijk zinvolle
                                activiteiten als eerste stap voor te bereiden op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijwilligerswerk is als voorziening onderdeel van een traject.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Werkoriëntatie met behoud van uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Werkoriëntatie , genoemd in artikel 9 lid 2 sub b van de
                                verordening, heeft als doel de belanghebbende, met behoud van
                                uitkering, te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het
                                verrichten van betaalde arbeid, zoals opdoen van werkervaring en het
                                ontwikkelen van arbeidsgerichte vaardigheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Werkoriëntatie is als voorziening onderdeel van een traject.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Werkoriëntatie kan worden ingezet wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte
                                of middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier werk
                                en een werkoriëntatie geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Werkoriëntatie duurt maximaal 6 maanden en kan voor de duur van
                                maximaal 6 maanden worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Gesubsidieerd werk op grond van artikel 9 lid 2 sub c van de verordening</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Gesubsidieerd werk, genoemd in artikel 9 lid 2 sub c van de
                                        verordening, heeft als doel de belanghebbende werkervaring
                                        en arbeidsritme te laten opdoen om hem uiteindelijk te
                                        kunnen plaatsen op een reguliere arbeidsplaats.</al></li><li nr="2."><al>Gesubsidieerd werk is als voorziening onderdeel van een
                                        traject.</al></li><li nr="3."><al>Gesubsidieerd werk kan worden ingezet wanneer door het
                                        college is vastgesteld dat de belanghebbende op korte of
                                        middellange termijn een reëel perspectief heeft op regulier
                                        werk en een gesubsidieerde arbeidsplaats geïndiceerd
                                        is.</al></li><li nr="4."><al>Het dienstverband in het kader van gesubsidieerd werk heeft
                                        een duur van maximaal 12 maanden. Deze periode kan eenmaal
                                        worden verlengd met maximaal 12 maanden wanneer daardoor
                                        voor de belanghebbende het perspectief op een reguliere baan
                                        wordt vergroot. Een en ander moet blijken uit de motivering
                                        ten behoeve van de verlenging. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Voorwaarden loonkostensubsidie op grond van artikel 9 lid 2 sub c van de verordening</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Het College kan op aanvraag van een werkgever een
                                        loonkostensubsidie verstrekken aan de werkgever die met een
                                        uitkeringsgerechtigde, bij wie in zijn persoonlijk actieplan
                                        is vastgesteld dat gesubsidieerd werk als bedoeld in artikel
                                        9 lid 2 sub c van de verordening een voor hem passende
                                        voorziening is, een dienstverband is aangegaan </al></li><li nr="2."><al>Door de subsidieverstrekking mogen de
                                        concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed
                                        en mag er geen verdringing plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Voorwaarde voor de subsidieverstrekking genoemd is dat de
                                        uitkering op grond van de Participatiewet of Ioaw of Ioaz
                                        van de uitkeringsgerechtigde wordt beëindigd.</al></li><li nr="4."><al>Van de werkgever wordt instemming en medewerking verwacht
                                        met de realisering van de traject doelstelling: uitstroom
                                        naar reguliere arbeid.</al></li><li nr="5."><al>De voorwaarde genoemd onder lid 3 van dit artikel geldt niet
                                        voor de alleenstaande ouder die de zorg heeft voor één of
                                        meerdere kinderen onder de 5 jaar.</al></li><li nr="6."><al>De loonkostensubsidie wordt betaald voor zover en zolang de
                                        arbeidsovereenkomst daadwerkelijk van kracht is en naar rato
                                        van een voltijds dienstverband.</al></li><li nr="7."><al>De loonkostensubsidie is mogelijk ten behoeve van
                                        arbeidsplaatsen in organisaties met en zonder
                                        winstoogmerk.</al></li><li nr="8."><al>De subsidie voor de loonkosten van een werknemer wordt
                                        gedurende maximaal 24 maanden verstrekt.</al></li><li nr="9."><al>Uitbetaling van de loonkostensubsidie vindt plaats achteraf
                                        per kwartaal.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Hoogte van de loonkostensubsidie op grond van artikel 9 lid 2 sub c van de verordening</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>De loonkostensubsidie voor werknemers van 23 jaar en ouder
                                        bedraagt per maand voor een voltijds dienstverband maximaal
                                        100% van het bruto wettelijk minimumloon als bedoeld in
                                        artikel 7 eerste lid van de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag vermeerderd met de
                                        minimum-vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 eerste lid
                                        van de Wet minimumloon en minimumvakantie-bijslag en
                                        vermeerderd met de werkgeverslasten.</al></li><li nr="2."><al>De loonkostensubsidie voor werknemers tot 23 jaar bedraagt
                                        per maand voor een voltijds dienst-verband maximaal 100% van
                                        het bruto wettelijk minimum jeugdloon als bedoeld in artikel
                                        7 eerste lid van de Wet minimumloon en
                                        minimumvakantiebijslag juncto artikel 2 van het Besluit
                                        minimum-jeugdloonregeling vermeerderd met de
                                        minimumvakantiebijslag als bedoeld in artikel 15 eerste lid
                                        van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en
                                        vermeerderd met de werkgeverslasten .</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Voorwaarden loonkostensubsidie voor de participatievoorziening
                                beschut werk op grond van artikel 10b en 10 d van de
                                Participatiewet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een loonkostensubsidie aan de werkgever
                                    die met een uitkeringsgerechtigde waarvan het college heeft
                                    vastgesteld dat deze persoon uitsluitend in een beschutte
                                    omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden heeft tot
                                    arbeidsparticipatie een dienstverband is aangegaan die wordt
                                    aangemerkt als een participatievoorziening beschut werk als
                                    bedoeld in artikel 11 van de verordening.</al></li><li nr="2."><al>De subsidieperiode wordt vastgesteld voor een jaar en jaarlijks
                                    ambtshalve opnieuw vastgesteld voor de duur van drie jaar. De
                                    jaarlijkse loonwaardebepaling bepaalt of een verlenging van de
                                    loonkostensubsidie noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>De subsidieontvanger dient te voldoen aan alle verplichtingen
                                    die bij een regulier dienstverband van toepassing zijn. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De subsidieontvanger is verplicht voortijdige beëindiging van de
                                    arbeidsovereenkomst en voorts iedere andere wijziging die van
                                    invloed kan zijn op het vast te stellen subsidiebedrag direct
                                    aan het college te melden.</al></li><li nr="5."><al>De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan de afspraken
                                    over de begeleiding en/of scholingsafspraken voor de werknemer.
                                    Dit kan ook betekenen dat de subsidieontvanger zorg draagt voor
                                    de inzet van begeleiding en scholing.</al></li><li nr="6."><al>Het aantal participatievoorzieningen beschut werk wordt
                                    gemaximeerd tot het aantal waarvoor het Rijk financiële middelen
                                    beschikbaar heeft gesteld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Hoogte van de loonkostensubsidie voor de participatievoorziening beschut werk op grond van artikel 10 b en 10 d van de Participatiewet</label></kop><lijst><li nr=""><al>De hoogte van het subsidiebedrag wordt bepaald in
                                    overeenstemming met artikel 10d lid 4 </al><al>Participatiewet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vaststelling en betaling loonkostensubsidie / loonwaardebepaling
                                t.b.v. de participatievoorziening beschut werk op grond van artikel
                                10 b en 10 d van de Participatiewet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidie wordt binnen drie maanden na afloop van het subsidiejaar
                                ambtshalve vastgesteld. Bij de bepaling van het vast te stellen
                                subsidiebedrag wordt uitgegaan van de werkelijke duur van de
                                arbeidsovereenkomst, binnen het subsidiejaar. De jaarlijkse
                                loonwaardebepaling en groei loonwaarde bepaalt of een verlenging
                                mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager voor de loonkosten van de werknemer andere
                                inkomsten heeft ontvangen, zoals uitkeringen uit een no-riskpolis,
                                dan wordt de subsidie in evenredigheid lager vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De gemeente heeft in de Verordening loonkostensubsidie
                                Participatiewet gemeente Smallingerland 2015 bepaald welke
                                organisatie de loonwaardepaling uitvoert.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De loonwaardebepaling wordt in de functie en de werksituatie
                                beoordeeld waarvoor loonkostensubsidie wordt aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De loonwaardebepaling heeft als uitgangspunt; het geldende loon in
                                arbeid naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van
                                een gemiddelde werknemer met soortgelijke opleiding en ervaring, die
                                niet tot de doelgroep behoort. Uitgangspunten bij deze beoordeling
                                zijn een gesprek met de werknemer, de werkgever, het werktempo, de
                                kwaliteit en inzetbaarheid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het subsidiebedrag volgt uit de formule: WML x loonwaardepercentage
                                x deeltijdfactor.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De verleende subsidie wordt achteraf per maand bevoorschot.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Voorwaarden loonkostensubsidie t.b.v. een garantiebaan op grond
                                van de Wet Banen Afspraak c.q. het Sociaal Akkoord van 11 april 2013
                                en voor personen als bedoeld in artikel 10c eerste lid onderdeel a.
                                en b. van de Participatiewet</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen genoemd in artikel 8 lid 2 t/m 6, artikel 9 en
                                    artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                    loonkostensubsidie voor de garantiebanen op grond van de Wet
                                    Banenafspraak en/of het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 indien
                                    op schriftelijke aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel
                                    7 , eerste lid . onderdeel a door het college is vastgesteld dat
                                    die persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, met
                                    dien verstande dat de subsidieperiode wordt vast- gesteld voor
                                    een jaar en jaarlijks ambtshalve opnieuw kan worden vastgesteld
                                    voor een jaar in plaats van drie jaar. </al></li><li nr="2."><al>De bepalingen genoemd in artikel 8 lid 2 t/m 6 , artikel 9 en
                                    artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                                    loonkostensubsidie voor personen waarvan door het college is
                                    vastgesteld dat die persoon behoort tot de doelgroep als bedoeld
                                    in artikel 10 c eerste lid onderdeel a. en b. van de
                                    Participatiewet , met dien verstande dat de subsidieperiode
                                    wordt vastgesteld voor een jaar en jaarlijks ambtshalve opnieuw
                                    kan worden vastgesteld voor een jaar in plaats van drie jaar.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al><cursief>12.1. Doelgroep en doel van de proefplaatsing</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, onderdeel a, onder 1,2,3,5 en 6, van de wet en die behoort
                                    tot de doelgroep loonkostensubsidie voor wie de plicht tot
                                    arbeidsinschakeling geldt, verder in dit artikel 12 genoemd
                                    kandidaat ,maximaal 3 maanden bij een werkgever onbeloonde
                                    werkzaamheden laten verrichten met als doel: </al></li><li nr="a."><al>te komen tot een reële vaststelling van de loonwaarde en</al></li><li nr="b."><al>te beoordelen of er een goede match valt te maken tussen
                                    kandidaat, het werk en de werkgever met als doel duurzame
                                    uitstroom naar regulier werk .</al><al/></li></lijst><al><cursief>12.2. Voorwaarden</cursief><cursief> met betrekking tot de
                                proefplaatsing.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Een proefplaatsing kan alleen plaatsvinden als de werkgever de
                                    intentie heeft de persoon als bedoeld in artikel 12.1 lid 1 na
                                    de periode van de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van
                                    tenminste 26 weken aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de proefplaatsing wordt vastgesteld op basis van
                                    afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur,
                                    complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van
                                    de kandidaat en zolang als nodig is voor de werkgever en het </al><al> college om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de
                                    kandidaat </al><al/></li></lijst><al><cursief>12.3. Toestemming</cursief><cursief> en aanvullende
                                ondersteuning</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Gedurende de proefplaatsing krijgt de kandidaat toestemming te
                                    werken met behoud van uitkering. </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De werkgever krijgt geen vergoeding voor salariskosten.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de werkgever gedurende de proefplaatsing geen
                                    onkostenvergoeding verstrekt, kan aan de kandidaat een
                                    onkostenvergoeding worden verstrekt. </al><al/></li></lijst><al><cursief>12.4. Overeenkomst</cursief><cursief> tot
                                proefplaatsing</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de
                                    kandidaat wordt tenminste het doel van de proefplaatsing
                                    vastgelegd, namelijk dat na deze periode een arbeidscontract met
                                    een minimumperiode van 26 weken wordt aangeboden, alsmede wie de
                                    begeleider van de kandidaat is.</al></li><li nr="2."><al>De overeenkomst wordt vastgelegd in een intentieverklaring
                                    tussen werknemer en werkgever. </al></li></lijst><al/><al><cursief>12.5 Concurrentieverhouding</cursief><cursief>.</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het college plaatst een kandidaat alleen wanneer door plaatsing
                                    de concurrentie- verhoudingen niet onverantwoord worden
                                    beïnvloed en wanneer door plaatsing geen verdringing van
                                    regulier werk plaatsvindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Werknemersvoorzieningen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr><titel>Doelgroep werknemersvoorzieningen</titel></kop><al>De werknemersvoorzieningen genoemd in artikel 2 t/m 4 kunnen worden
                            ingezet voor personen , verder in dit artikel 13 genoemd kandidaat , die
                            behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie op grond van artikel 6 ,
                            eerste lid 1 , sub e van de Participatiewet .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2.</nr><titel>Vervoersvoorziening</titel></kop><al>De kandidaat met een arbeidsbeperking die een baan vindt en die door
                            zijn/haar beperking niet zelfstandig kan reizen en/of niet zelfstandig
                            gebruik kan maken van het openbaar vervoer, kan bij de gemeente een
                            vervoersvoorziening aanvragen.</al><lijst><li nr="1."><al>Om voor een vervoersvoorziening in aanmerking te komen moet aan
                                    alle onderstaande voorwaarden worden voldaan:</al></li><li nr="a."><al>noodzakelijkheid;</al></li><li nr="b."><al>alleen voor woon/werk verkeer;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de
                                    duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week.
                                    Een vervoersvoorziening kan ook worden toegekend gedurende een
                                    proefplaatsing;</al></li><li nr="d."><al>een eventuele vervoersvergoeding van de werkgever wordt in
                                    mindering gebracht op de toe te kennen vervoersvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de kandidaat kan geen aanspraak maken op een voorliggende
                                    voorziening, bijvoorbeeld vervoersvoorziening WMO, UWV of via
                                    een zorgverzekeraar; en</al></li><li nr="f."><al>de gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing,
                                    kwalitatief verantwoord;</al></li><li nr="g."><al>de kosten van de vervoersvoorziening moeten proportioneel zijn,
                                    dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet
                                    opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de
                                    beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere
                                    meegewogen:</al></li><li nr="o"><al>de kosten van de vervoersvoorziening. Alleen de meerkosten boven
                                    de kosten voor het gebruik van regulier openbaar vervoer worden
                                    vergoed;</al></li><li nr="o"><al>de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd
                                    (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd);</al></li><li nr="o"><al>de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal
                                    uren dat de persoon gaat werken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.3</nr><titel>Werkplekaanpassing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Is voor de kandidaat met een arbeidsbeperking een aanpassing van
                                    de werkplek noodzakelijk om zijn/haar werk uit te voeren, dan
                                    kan hiervoor een aanvraag worden ingediend bij de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De werkplekaanpassing wordt in principe in bruikleen beschikbaar
                                    gesteld aan de werkgever. In specifieke gevallen kan besloten
                                    worden de werkplekaanpassing in eigendom te verstrekken. Om voor
                                    een werkplekaanpassing in aanmerking te komen moet aan alle
                                    onderstaande voorwaarden worden voldaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>noodzakelijkheid (de werkplekaanpassing is nodig om de
                                    werkzoekende/werknemer zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren;
                                </al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst voor de
                                    duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal 12 uur per week.
                                    Het toekennen van een werkplekaanpassing gedurende de
                                    proefplaatsing behoort tot de mogelijkheden op voorwaarde dat er
                                    zekerheid is dat na de proefplaatsing er een arbeidsovereenkomst
                                    volgt; </al></li><li nr="c."><al>er is geen sprake van een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld
                                    een bouwbesluit waaruit blijkt dat de desbetreffende werkgever
                                    zelf verantwoordelijk is voor de werkplekaanpassing; </al></li><li nr="d."><al>algemeen gebruikelijke werkplekaanpassingen die tot de
                                    standaarduitrusting van de werkgever behoren worden ook niet
                                    vergoed. Hiervan is sprake indien van de werkgever, op basis van
                                    wat gangbaar is in het bedrijfsleven, verwacht mag worden dat
                                    hij de investering zelf doet; en </al></li><li nr="e."><al>de gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing,
                                    kwalitatief verantwoord;</al></li><li nr="f."><al>De kosten van de werkplekaanpassing dienen proportioneel zijn,
                                    dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet
                                    opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de
                                    beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere
                                    betrokken: </al></li><li nr="o"><al>de kosten van de werkplekaanpassing. Deze zijn gemaximeerd op
                                    50% van de toegekende loonkostensubsidie op jaarbasis; </al></li><li nr="o"><al>de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd
                                    (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); </al></li><li nr="o"><al>de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal
                                    uren dat de persoon gaat werken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.4</nr><titel>Meeneembare voorzieningen en doventolk</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Is een meeneembare voorziening en/of doventolk noodzakelijk voor
                                    de werkzoekende/werknemer met een arbeidsbeperking om zijn/haar
                                    werk uit te voeren, dan wordt aansluiting gezocht bij:</al><lijst><li nr="a."><al>De ‘Landelijke regeling meeneembare voorzieningen 2015;
                                            en</al></li><li nr="b."><al>De ‘Landelijke regeling tolkvoorziening voor mensen met
                                            een zintuiglijke beperking 2015’.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Aanpassingen in deze landelijke regelingen werken door in dit
                                    besluit .</al></li><li nr="3."><al>Een professional stelt vast of een meeneembare voorziening en/of
                                    doventolk noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>Om voor een werkplekaanpassing in aanmerking te komen moet aan
                                    alle onderstaande voorwaarden worden voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>noodzakelijkheid; </al></li><li nr="b."><al>er sprake is van een dienstverband/arbeidsovereenkomst
                                            voor de duur van ten minste 6 maanden en voor minimaal
                                            12 uur per week. Het toekennen van een meeneembare
                                            voorziening en/of doventolk gedurende de proefplaatsing
                                            behoort tot de mogelijkheden op voorwaarde dat er
                                            zekerheid is dat na de proefplaatsing er een
                                            arbeidsovereenkomst volgt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Jobcoaching</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.1</nr><titel>. Doelgroep van jobcoaching</titel></kop><al>Jobcoaching kan worden ingezet op de volgende twee doelgroepen:</al><lijst><li nr="1."><al>Personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie op
                                    grond van artikel 6, eerste lid 1, sub e Participatiewet ,
                                    verder in dit artikel 14 genoemd kandidaat .</al></li><li nr="2."><al>Personen met een structurele functionele beperking die in staat
                                    zijn het wettelijk minimum loon te verdienen, waarvoor geen
                                    loonkostensubsidie wordt ingezet maar voor wie de inzet van job
                                    coaching noodzakelijk is ,verder in dit artikel genoemd
                                    kandidaat. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.2.</nr><titel>Doel jobcoaching</titel></kop><al>Jobcoaching heeft als doel dat een kandidaat wordt begeleid naar een
                            situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding bij een reguliere
                            werkgever werkzaam kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.3.</nr><titel>Soorten jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jobcoaching kan worden verricht door een</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>eigen jobcoach: de gemeente heeft zelf een jobcoach in dienst;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>externe jobcoach: een zelfstandige of in dienst van een extern
                                bureau;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>interne jobcoach: in dienst van de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is uitgesloten dat er voor dezelfde kandidaat tegelijkertijd een
                                eigen jobcoach wordt ingezet en een subsidie voor de interne
                                jobcoach wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.4</nr><titel>Kerntaken en verantwoordelijkheden van de jobcoach</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een jobcoach begeleidt de kandidaat als bedoeld in artikel 1
                                gedurende een maximale periode bij het verrichten van zijn taken op
                                de werkplek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De jobcoach begeleidt naast de kandidaat als bedoeld in artikel 1
                                ook de werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.5.</nr><titel>Aanvang van de jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De jobcoach wordt ingezet vanaf het moment van plaatsing op regulier
                                werk (vanaf de eerste dag dat het arbeidscontract in werking
                                treedt). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvullend op bovenstaande is het ook mogelijk, wanneer van
                                toepassing, de jobcoach in te zetten bij een proefplaatsing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.6.</nr><titel>Voorwaarden voor jobcoaching</titel></kop><al>Behoort een persoon tot de doelgroep, dan moet de dienstbetrekking aan
                            de volgende voorwaarden voldoen voordat job coaching kan worden
                            ingezet:</al><lijst><li nr="1."><al>de duur van de dienstbetrekking bedraagt ten minste 6 maanden.
                                </al></li><li nr="2."><al>er sprake is van een dienstbetrekking van minimaal 12 uur.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14.7. Duur, intensiteit en wijze van inzet van jobcoaching</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de inzet van de jobcoach worden in beginsel de
                                    begeleidingsniveaus “1” en “2” ingezet.</al></li><li nr="2."><al>Jobcoaching kan voor maximaal vier keer een half jaar worden
                                    toegekend.</al></li><li nr="3."><al>In specifieke gevallen kan de periode genoemd in het tweede lid
                                    worden verlengd met twee keer een half jaar.</al></li><li nr="4."><al>In beginsel wordt per half jaar geëvalueerd of jobcoaching nog
                                    langer noodzakelijk is. De jobcoach kan echter te allen tijde de
                                    jobcoachintensiteit verhogen of verlagen.</al></li><li nr="5."><al>Mocht het begeleidingsniveau “2” niet voldoende blijken te zijn
                                    dan zijn de extra kosten voor eigen rekening van de werkgever.
                                </al></li><li nr="6."><al>De kosten van job coaching zijn eveneens voor eigen rekening van
                                    de werkgever wanneer job coaching na 3 jaar nodig blijft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al> De uitkeringsgerechtigde die arbeid verricht in deeltijd waarmee een
                            inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de
                            uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm komt </al><al> in aanmerking voor vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in
                            artikel 31, lid 2 onder n van de Participatiewet en als bedoeld in
                            artikel 8 lid 2 van de Ioaw en in artikel 8 lid 3 van de Ioaz ,indien
                            het College heeft vastgesteld dat de uitkeringsgerechtigde binnen 6
                            maanden volledig in de </al><al> bestaanskosten kan voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitstroompremie genoemd in artikel 9 lid 2 sub f ( 1<sup>e</sup>
                                volzin) van de verordening wordt</al><al> vastgesteld op € 1.000,- per kalenderjaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt verstrekt aan
                                :</al></lid><lid><lidnr>a)</lidnr><al>de uitkeringsgerechtigde die langer dan 12 maanden onafgebroken een
                                uitkering op grond van de Participatiewet, de Ioaw of de Ioaz
                                ontvangt en arbeid in dienstbetrekking , niet zijnde gesubsidieerd
                                werk of een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 lid 1 en
                                artikel 7 lid 1 van de Wet sociale werkvoorziening , aanvaardt
                                gedurende minimaal 6 maanden en gedurende deze periode geen
                                aanspraak maakt op een uitkering op grond van de Participatiewet,
                                Ioaw of Ioaz en niet in aanmerking komt voor een vrijlating van
                                inkomsten als bedoeld in artikel 31 , tweede lid onder n van de
                                Participatiewet of </al></lid><lid><lidnr>b)</lidnr><al>de uitkeringsgerechtigde die langer dan 12 maanden onafgebroken een
                                uitkering op grond van de Participatiewet, Ioaw of Ioaz ontvangt en
                                alleenstaande ouder of arbeidsgehandicapt is en arbeid in
                                dienstbetrekking ,niet zijnde gesubsidieerd werk of een
                                dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 lid 1 en artikel 7 lid 1
                                van de Wet sociale werkvoorziening , aanvaardt gedurende minimaal 6
                                maanden met een omvang van tenminste 10 uur per week en niet in
                                aanmerking komt voor een vrijlating van inkomsten als bedoeld in
                                artikel 31, tweede lid onder n van de Participatiewet</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Premie deeltijdwerk </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op grond van artikel 9 lid 2 sub f ( 1e volzin) van de verordening
                                wordt aan iedere uitkeringsgerechtigde, maximaal tweemaal per
                                kalenderjaar, een premie verstrekt van 8% van de (netto) inkomsten
                                uit arbeid die in dat kalenderjaar op de uitkeringsnorm in mindering
                                zijn gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Personen die in het zelfde kalenderjaar gebruik maken van de
                                inkomensvrijlating als bedoeld in artikel 15 van dit besluit of
                                artikel 31 lid 2 onder z Participatiewet zijn uitgesloten van de
                                premie als </al><al> bedoeld in lid 1 van dit artikel..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Premie participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De premie voor het verrichten van onbeloonde additionele
                                werkzaamheden genoemd in artikel 9 lid 2 sub f ( 2<sup>e</sup>
                                volzin ) van de verordening wordt vastgesteld op maximaal €
                                300,-</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal
                                gewerkte uren per week in de voorafgaande 6 maanden en bedraagt</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij een gemiddelde uren inzet van 8 tot 16 uur per week 50% van het
                                in het eerste lid genoemde bedrag; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij een gemiddelde uren inzet van 16 tot 24 uur per week 75% van het
                                in het eerste lid genoemde bedrag; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>bij een gemiddelde uren inzet van meer dan 24 uur per week 100% van
                                het in het eerste lid genoemde bedrag;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het recht op een premie als bedoeld in het eerste lid wordt elke zes
                                maanden beoordeeld en vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat de
                                belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                verbonden verplichtingen in de voorafgaande zes maanden heeft
                                geschonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Scholing</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Voor de voorziening scholing, genoemd in artikel 9 lid 2 sub
                                        d van de verordening gelden de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>De scholing is een onderdeel van een
                                                re-integratietraject</al></li><li nr="b."><al>De scholing is noodzakelijk voor
                                                arbeidsinschakeling</al></li><li nr="c."><al>De scholing is gericht op het behalen van een
                                                startkwalificatie arbeidsmarkt of bestaat uit een
                                                kortdurende beroepsgerichte scholing </al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor niet-uitkeringsgerechtigden en Anw-ers geldt daarnaast
                                        de aanvullende voorwaarde dat zij zich beschikbaar dienen te
                                        stellen voor de arbeidsmarkt voor ten minste 20 uur per
                                        week.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Eigen bijdrage voor niet-uitkeringsgerechtigden en
                                Anw-ers</titel></kop><al>Voor het berekenen van de eigen bijdrage in de kosten van het
                            re-integratietraject voor de niet- uitkeringsgerechtigden en Anw-ers is
                            de berekeningswijze van de draagkracht op grond van het gemeentelijk
                            besluit bijzondere bijstand van overeenkomstige toepassing met
                            uitzondering van het percentage genoemd in artikel 8 lid 1 sub d. Voor
                            het vaststellen van de draagkracht geldt een percentage van 50%. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in dit besluit, indien toepassing van dit
                            besluit tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Wijzigen bedragen</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks de bedragen in dit Besluit wijzigen </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>.Situaties waarin het besluit niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van dit besluit betreffende, waarin dit
                            besluit niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.Inwerkingtreding</nr></kop><al>Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016 en vervangt het
                            Participatiebesluit laatstelijk vastgesteld op 20 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit besluit wordt aangehaald als: Participatiebesluit Smallingerland
                            2016 </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Drachten, 18 december 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en Wethouders, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Secretaris</ondertekening><ondertekening>Egbert Bos</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>burgemeester</ondertekening><ondertekening>Tjeerd van Bekkum</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al/><al>De Participatiewet stelt de eigen verantwoordelijkheid van de burger
                            voor het vinden van werk voorop, maar onderkent dat er situaties zijn
                            waarin dat niet lukt. In die situaties draagt de gemeente de zorg voor
                            de re-integratie van bepaalde groepen burgers (artikel 7
                            Participatiewet) .</al><al>De gemeenteraad heeft voor de uitvoering van die re-integratietaak,
                            conform de wettelijke opdracht, de Re-integratieverordening Werk en
                            Bijstand Gemeente Smallingerland vastgesteld. </al><al>De nadere uitwerking van die verordening is aan het college gedelegeerd.
                            Ook deze nadere regelgeving blijft in algemene en globale bewoordingen.
                            Immers eerst in het concrete geval van het aanbieden van een voorziening
                            worden alle omstandigheden duidelijk, gezien ook de opdracht om maatwerk
                            te leveren. Al die omstandigheden moeten na een diagnose worden vertaald
                            in een trajectplan met een beschikking als laatste uitkomst.</al><al>Via dit besluit kan toch op een betrekkelijk eenvoudige wijze kennis
                            worden genomen welke voorzieningen/re-integratie instrumenten in onze
                            gemeente in ieder geval worden aangeboden</al><al/><al>EG-verordening</al><al>Volgens de in de overweging genoemde EG-verordening wordt subsidie voor
                            loonkosten door een overheidsorgaan aan werkgevers die langdurig
                            werklozen in dienst nemen, gezien als staatssteun, waarvoor bijzondere,
                            beperkende regels gelden. Bij de ontwikkeling van trajecten met
                            gesubsidieerde arbeid zal hiermee dus rekening worden gehouden.</al><al>Tevens geldt een verwijsplicht naar genoemde verordening en de
                            vindplaats daarvan in het publicatieblad van de EG., als in de
                            gemeentelijke regelgeving sprake is van de mogelijkheid tot toekenning
                            van loonkostensubsidies.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al/><al><vet>Aanhef en artikel 1</vet></al><al/><al>In de aanhef is expliciet gewezen op de eerder besproken EG verordening.
                            In dit artikel wordt aan de verplichting tot verwijzing voldaan.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al>Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning is er
                            geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de
                            belanghebbende dat het liefst zou zien. Het is aan het college om te
                            zorgen voor een voldoende aanbod van re-integratie-instrumenten, maar
                            het college heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de
                            vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid van
                            sociaal-economische factoren.</al><al>Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet
                            het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien
                            worden de instrumenten alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is
                            gebleken dat door de inzet van die instrumenten het vinden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt.
                            Re-integratie moet in principe bovendien de kortste weg naar arbeid
                            zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd tussen de inzet van het
                            instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de inspanningen die
                            het kost om dat doel te bereiken.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject
                            ligt bij het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de
                            effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de
                            grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de
                            wensen van de belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de
                            motivatie van de belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot
                            het traject wordt besloten, de inhoud van het trajectplan besproken met
                            de belanghebbende, waarna door partijen met het persoonlijk actieplan
                            schriftelijk wordt ingestemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Vrijwilligerswerk met behoud van uitkering kan een nuttig instrument
                            zijn om werkritme op te doen of te laten behouden. Het kan worden
                            ingezet als uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk
                            is. Van belang is de voorwaarde dat deze voorziening een onderdeel dient
                            te zijn van een re-integratietraject.</al><al>Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties die geen
                            winstoogmerk hebben en dient te bestaan uit zinvolle maatschappelijk
                            activiteiten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al>Werkoriëntatie heeft als belangrijk doel het opdoen van vaardigheden in
                            een vakgebied en het is ook een nuttig instrument om werkvaardigheden
                            aan te leren, waardoor de uitstroom naar betaald werk mogelijk wordt.
                            Voor jongeren is dit instrument mogelijk de eerste kennismaking met de
                            arbeidsmarkt. De werkoriëntatie is bedoeld voor de doelgroep die op
                            korte of middellange termijn perspectief op betaald werk hebben. Er is
                            bewust gekozen om geen exacte termijnen te noemen voor dit
                            arbeidsperspectief. Niet alleen zou dat ten onrechte de suggestie wekken
                            dat dat altijd vooraf exact vast te stellen is, het arbeidsperspectief
                            is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen omstandigheden.
                            Ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat het arbeidsperspectief
                            wijzigt. </al><al>Het instrument maakt onderdeel uit van een trajectplan. Het doel van het
                            trajectplan is altijd de actieve arbeidsinschakeling van betrokkene. In
                            vrijwel alle gevallen is er door het gespecialiseerde
                            re-integra-tiebedrijf op grond van een onderzoek een diagnose gesteld
                            waarbij is vastgelegd welk arbeidsperspectief betrokkene heeft en of
                            werkoriëntatie geïndiceerd is. De voorziening Werkoriëntatie heeft een
                            duur van zes maanden maar kan worden verlengd met maximaal 6 maanden
                            indien wordt onderbouwd dat duurzame uitstroom kansrijk is indien de
                            werkoriëntatie wordt verlengd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al>Gesubsidieerd werk is bedoeld om door het opdoen van werkervaring het
                            perspectief op regulier betaald werk te vergroten. Mensen waarvoor het
                            extra belangrijk is om langdurige werkloosheid te voorkomen, of die
                            extra moeilijk toegang krijgen tot die arbeidsmarkt, zoals jongeren met
                            onvoldoende opleiding, biedt dit instrument een goed perspectief.</al><al>Uitdrukkelijk komt naar voren, door de beperking in tijd, dat
                            gesubsidieerd werk geen einddoel is maar gezien moet worden als een
                            middel om te komen tot reguliere arbeid. Een van de voorwaarden voor de
                            loonkostensubsidie is een actieve houding van de werkgever. Deze mag
                            zeker profijt hebben van de gesubsidieerde arbeid maar als
                            tegenprestatie wordt verwacht dat hij meedenkt en voorwaarden-scheppend
                            zal zijn voor de medewerker die werkt aan zijn plek op de reguliere
                            arbeidsmarkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al>De voorziening loonkostensubsidie is onderdeel van de voorziening
                            gesubsidieerd werk </al><al>De voorziening loonkostenvoorziening is van toepassing voor de categorie
                            uitkeringsgerechtigden. Voorwaarde voor het toekennen van een
                            loonkostensubsidie is dat de uitkering ingevolge de Participatiewet of
                            ingevolge de Ioaw/Ioaz wordt beëindigd. Deze voorwaarde geldt echter
                            niet voor de alleenstaande ouder die is belast met de zorg voor één of
                            meerdere kinderen onder12 jaar .In deze situatie is een combinatie
                            tussen parttime arbeid en een uitkering mogelijk. De maximale duur van
                            de loonkostensubsidie is 24 maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 </label></kop><al>De maximale hoogte van de loonkostensubsidie is gelijk aan het wettelijk
                            minimumloon voor werk-nemers van 23 jaar en ouder voor een voltijds
                            dienstverband. Bij een part-time arbeidsovereenkomst wordt de subsidie
                            naar rato van het aantal uren vastgesteld met inachtneming van de
                            voorwaarden genoemd in artikel 6 van dit besluit.</al><al>De maximale hoogte van de loonkostensubsidie is voor werknemers tot 23
                            jaar gelijk aan het geldende wettelijk minimumjeugdloon per maand per
                            voltijds dienstverband.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 </label></kop><al>In artikel 8 zijn de voorwaarden opgenomen die gelden voor de
                            voorziening loonkostensubsidie voor de participatievoorziening beschut
                            werk op grond van artikel 10 d van de Participatiewet </al><al>In artikel 10c van de Participatiewet is bepaald dat op schriftelijke
                            aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 7 , eerste lid ,
                            onderdeel a , het college kan vaststellen of die persoon tot de
                            doel-groep loonkostensubsidie behoort. Ook kan het college ambtshalve
                            beslissen of een persoon als bedoeld in artikel 7 , eerste lid ,
                            onderdeel onder 1,2,3,5 of 6 tot de doelgroep loonkostensubsidie
                            behoort. </al><al/><al>Indien het college heeft vastgesteld dat een persoon tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoort dan verstrekt het college een
                            loonkostensubsidie aan de werkgever die met een uitkeringsgerechtigde </al><al>waarvan het college heeft vastgesteld dat deze persoon uitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden
                            heeft tot arbeidsparticipatie een dienstverband is aangegaan die wordt
                            aangemerkt als een participatievoorziening beschut werk als bedoeld in
                            artikel 11 van de verordening. De subsidieperiode wordt vastgesteld voor
                            een jaar en jaarlijks ambtshalve opnieuw vastgesteld voor de duur van
                            drie jaar. De jaarlijkse loonwaardebepaling bepaalt of een verlenging
                            van de loonkostensubsidie noodzakelijk is. </al><al>De subsidieontvanger dient te voldoen aan alle verplichtingen die bij
                            een regulier dienstverband </al><al>van toepassing zijn. De subsidieontvanger is verplicht voortijdige
                            beëindiging van de arbeidsovereenkomst en voorts iedere andere wijziging
                            die van invloed kan zijn op het vast te stellen subsidiebedrag direct
                            aan het college te melden.</al><al>De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan de afspraken over de
                            begeleiding en/of scholingsafspraken voor de werknemer. Dit kan ook
                            betekenen dat de subsidieontvanger zorg </al><al>draagt voor de inzet van begeleiding en scholing.</al><al>Het volume voor het aantal plekken ( fte ) voor de
                            participatievoorziening beschut werk is gemaximeerd op het aantal
                            waarvoor het Rijk middelen beschikbaar stelt . Voor 2015 is dat 3.88 fte
                            en voor 2016 is dat 12.13 fte. Structureel ( 2024) worden er door het
                            Rijk middelen beschikbaar gesteld voor 146.98 fte. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al>De hoogte van de loonkostensubsidie voor de participatievoorziening
                            beschut werk wordt bepaald in overeenstemming met artikel 10d lid 4. Het
                            college stelt de loonwaarde van deze persoon vast en de hoogte van de
                            loonkostensubsidie is het verschil tussen het wettelijk minimumloon en
                            de loonwaarde van deze persoon maar ten hoogste 70% van het wettelijk
                            minimumloon, vermeerderd met een bij ministeriële regeling te bepalen
                            vergoeding voor werkgeverslasten ( in 2015 is dat 23% ). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de wijze van de
                            vaststelling van de loonkostensubsidie , de betaling en de vaststelling
                            van de loonwaarde t.b.v. de participatievoorziening beschut werk op
                            grond van artikel 10 b en 10 d van de Participatiewet </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><al>In lid 1 van dit artikel is bepaald dat artikel 8 lid 2 t/m 6, artikel 9
                            en artikel 10 van overeenkomstige toepassing zijn op de
                            loonkostensubsidie voor de garantiebanen op grond van de Wet
                            Banenafspraak en/of het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 indien op
                            schriftelijke aanvraag van een persoon als bedoeld in artikel 7 , eerste
                            lid . onderdeel a door het college is vastgesteld dat die persoon tot de
                            doelgroep loonkostensubsidie behoort met dien verstande dat de
                            subsidieperiode wordt vastgesteld voor een jaar en jaarlijks ambtshalve
                            opnieuw kan worden vastgesteld voor een jaar in plaats van drie jaar. </al><al>In lid 2 van dit artikel is bepaald dat de artikel 8 lid 2 t/m 6 ,
                            artikel 9 en artikel 10 zijn van overeenkomstige toepassing zijn op de
                            loonkostensubsidie voor personen waarvan door het college is vastgesteld
                            dat die persoon behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 10 c
                            eerste lid onderdeel a. en b. van de Participatiewet , met dien
                            verstande dat de subsidieperiode wordt vastgesteld voor een jaar en
                            jaarlijks ambtshalve opnieuw kan worden vastgesteld voor een jaar in
                            plaats van drie jaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12 </label></kop><al> Met de inwerkingtreding van de Participatiewet is het mogelijk het
                            instrument proefplaatsing in te zetten. Het college kan een persoon die
                            tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort en voor wie de plicht tot
                            arbeidsinschakeling geldt, maximaal 3 maanden bij een werkgever
                            onbeloonde werkzaamheden laten verrichten om tot een reële vaststelling
                            van de loonwaarde te komen. De Participatiewet heeft de proefplaatsing
                            redelijk dichtgetimmerd; er is weinig beleidsruimte. Een maximale
                            proefperiode van drie maanden staat vast. Het mag korter, mits er binnen
                            die periode een reële vaststelling van de loonwaarde heeft plaats
                            gevonden. Er is nu nog geen wettelijke mogelijkheid een langere
                            proefperiode aan te bieden. Wel leeft de wens bij gemeenten om in
                            uitzonderlijke gevallen een langere proefperiode in te zetten. De
                            Werkkamer heeft daarom de minister geadviseerd om dit wettelijk mogelijk
                            te maken. Wanneer dit eventueel gebeurt is niet bekend. De
                            Participatiewet bepaalt ook wie in aanmerking komt voor een </al><al> proefplaatsing, namelijk de doelgroep loonkostensubsidie. </al><al> Het UWV heeft aangegeven dat zij zich voor hun proefplaatsing
                            aansluiten bij de door de Participatiewet gestelde maximale duur van
                            drie maanden. Dit om tegemoet te komen aan de wens tot een regionaal
                            uniform aanbod aan werkgevers. Wettelijk gezien heeft het UWV echter de
                            mogelijkheid om de proefplaatsing te verlengen tot maximaal 6
                            maanden.</al><al/><al>Artikel 12.1</al><al/><al>In artikel 7, eerste lid onderdeel a Participatiewet is het volgende
                            bepaald:</al><al>Het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling </al><lijst><li nr="1."><al>Personen die algemene bijstand ontvangen,</al></li><li nr="2."><al>Personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid onderdeel
                                    b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b,
                                    van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment
                                    dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                    aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                                    behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend,</al></li><li nr="3."><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid,</al></li><li nr="4."><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van
                                    de Algemene nabestaandenwet,</al></li><li nr="5."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers,</al></li><li nr="6."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen, en</al></li><li nr="7."><al>niet-uitkeringsgerechtigden</al><al/></li></lijst><al>en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening,
                            waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling,
                            noodzakelijk acht, bepaalt en biedt deze voorziening aan;</al><al>In artikel 10d, derde lid is bepaald dat proefplaatsing zich beperkt tot
                            de personen genoemd onder 1,2,3,5 en 6 <onderstreept>en</onderstreept>
                            die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.</al><al/><al>In dit artikel wordt benadrukt dat het doel van de proefplaatsing is om
                            te komen tot een reële vaststelling van de loonwaarde van de betreffende
                            persoon en daarnaast de mogelijkheid van arbeidsinschakeling bij de
                            betreffende werkgever te beoordelen .</al><al/><al>Artikel 12.2</al><al>Een proefplaatsing wordt alleen aangegaan als de werkgever de intentie
                            heeft dat hij voornemens is om de kandidaat een arbeidsovereenkomst van
                            minimaal 26 weken aan te bieden. De duur van de proefplaatsing is in
                            beginsel afhankelijk van de tijd die de loonwaardebepaling in beslag
                            neemt. Om uiteenlopende redenen kan er besloten worden om de
                            proefplaatsing langer voort te zetten, mits dit binnen de drie maanden
                            blijft. Deze keuze ligt bij het college.</al><al/><al>Artikel 12.3</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al>Artikel 12.4</al><al>Een proefplaatsing wordt alleen aangegaan ( zie ook artikel 2 ) als de
                            werkgever in een schriftelijke intentieverklaring aangeeft dat hij
                            voornemens is om de kandidaat een arbeidsovereenkomst van minimaal 26
                            weken aan te bieden.</al><al/><al>Artikel 12.5</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13</label></kop><al>Werknemersvoorzieningen zijn voorzieningen of kosten die moeten worden
                            gemaakt om een werknemer optimaal te faciliteren in het uitvoeren van de
                            functie. Deze voorzieningen maken onderdeel uit van het instrumentarium
                            dat de Participatiewet beschikbaar stelt om te stimuleren dat mensen met
                            een afstand tot de arbeidsmarkt duurzaam geplaatst worden bij
                            werkgevers.</al><al/><al>De voorzieningen vallen uiteen in vier categorieën:</al><lijst><li nr="§"><al>Werkplekaanpassing (niet landelijk geregeld).</al></li><li nr="§"><al>Vervoer (niet landelijke geregeld).</al></li><li nr="§"><al>Werknemer gebonden voorziening of ‘meeneembare voorziening’
                                    (landelijk geregeld).</al></li><li nr="§"><al>Intermediaire of tolk voor doven, slechthorenden of doofblinden
                                    (landelijk geregeld).</al><al/></li></lijst><al>Artikel 13.1</al><al>De werknemersvoorzieningen genoemd in artikel 2 tot en met 4 van deze
                            beleidsregel kunnen worden ingezet voor de doelgroep loonkostensubsidie
                            . Het gaat dus om personen die niet in staat zijn om het wettelijk
                            minimumloon te verdienen (WML) maar wel mogelijkheden hebben tot
                            arbeidsparticipatie. Hieronder vallen zowel personen met als zonder
                            BAB-indicatie en personen die zijn aangewezen op een beschutte
                            werkplek.</al><al/><al>Artikel 13.2</al><al>Dit artikel regelt welke voorwaarden gelden wanneer een
                            vervoersvoorziening wordt aangevraagd, zoals bijvoorbeeld een taxi,
                            aanpassingen aan een auto of bruikleen van een aangepaste auto. Een
                            professional bepaalt per geval op basis van maatwerk waar behoefte aan
                            is. Daarnaast maakt de professional een redelijkheidsoverweging. De
                            kosten van de voorziening moeten in redelijke verhouding staan tot de
                            baten. Tot slot geldt dat alleen de meerkosten boven de kosten voor het
                            gebruik van regulier openbaar vervoer worden vergoed.</al><al/><al>Artikel 13.3</al><al>Bij werkplekaanpassingen gaat het om aanpassingen die niet algemeen
                            gebruikelijk zijn en die deel uit maken van de werkplek of de omgeving
                            daarvan en die nodig zijn om het werk te kunnen doen. Bijvoorbeeld
                            aanpassing aan een machine, deurpost, werkblad, maar ook een aangepast
                            toilet of traplift in het bedrijf. Een professional bepaalt per geval op
                            basis van maatwerk waar behoefte aan is. Daarnaast maakt de professional
                            een redelijkheidsoverweging. De kosten van de voorziening moeten in
                            redelijke verhouding staan tot de baten. Als bindende richtlijn geldt
                            dat de kosten voor een werkplekaanpassing maximaal 50 procent mogen
                            bedragen van de toegekende loonkostensubsidie. </al><al/><al>Artikel 13.4</al><al>Wanneer een meeneembare voorziening noodzakelijk is om het werk goed te
                            kunnen doen, dan sluiten we aan bij de ‘Landelijke regeling meeneembare
                            voorzieningen 2015’<sup>1</sup> . Bij meeneembare voorzieningen gaat het
                            om hulpmiddelen die meestal niet deel uitmaken van de werkplek, en die
                            niet algemeen gebruikelijk zijn, maar die wel nodig zijn om het werk te
                            kunnen doen, zoals een brailleleesregel of orthopedische werkschoenen. </al><al/><al><sup>1</sup></al><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i267427.pdf">Landelijke regeling meeneembare voorzieningen 2015</extref></al><al/><al><vet>Tolk</vet></al><al>Wanneer een tolkvoorziening voor doven, slechthorenden of doofblinden
                            noodzakelijk is om het werk goed te kunnen doen, dan sluiten we aan bij
                                <cursief>de ‘Landelijke regeling tolkdiensten voor doven en
                                slechthorenden
                            2015’</cursief><cursief>.</cursief><sup>2</sup></al><al><sup/></al><al><sup>2</sup></al><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i267428.pdf">Landelijke regeling tolkdiensten voor doven en slechthorenden 2015</extref><sup/></al><al><sup/></al><al>Voorzieningen die minder dan € 128 (incl. BTW) kosten, worden niet
                            vergoed. Blijkt dat er in een jaar meerdere voorzieningen nodig zijn die
                            gezamenlijk dit bedrag overstijgen, dan worden de kosten volledig
                            vergoed. De gemeente kan besluiten vanuit het Participatiebudget kosten
                            lager dan € 128 (incl. BTW) te vergoeden om te voorkomen dat dit een
                            plaatsing in de weg staat.</al><al> Werkwijze bij het aanvragen van meeneembare voorziening/tolk:</al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente bepaalt of de persoon tot de doelgroep behoort.</al></li><li nr="a)"><al>Belanghebbende vult het VNG aanvraagformulier :
                                        <cursief>‘Verzoek voorzieningen bij een visuele, auditieve
                                        of motorische handicap’</cursief><sup>3</sup> in en stuurt
                                    deze naar het UWV. Dit kan bij voorkeur ingescand per mail, maar
                                    ook per post. Let op, de gemeente ondertekent en stempelt de
                                    brief!</al></li><li nr="b)"><al>UWV neemt het verzoek in behandeling. De reactietermijn is
                                    maximaal 2 weken bij een tolkvoorziening en maximaal 8 weken bij
                                    een meeneembare voorziening.</al></li><li nr="c)"><al>Belanghebbende kan voor het onderzoek uitgenodigd worden voor
                                    een gesprek met een arbeidsdeskundige of arts van het UWV.</al></li><li nr="d)"><al>Na besluit ontvangt belanghebbende een toekennings- of
                                    afwijzingsbeschikking. Ook de gemeente ontvangt een
                                    bericht.</al></li><li nr="e)"><al>In geval van een toekenning tolkvoorziening kan belanghebbende
                                    zelf een tolk inschakelen. Deze moet geregistreerd staan bij de
                                    stichting RTG (www.stichtingrtg.nl). De gemeente kan hier bij
                                    assisteren.</al></li><li nr="f)"><al>In geval van een meeneembare voorziening koopt het UWV de
                                    voorziening in bij één van haar leveranciers. De leverancier
                                    bezorgt de voorziening kosteloos bij belanghebbende.</al></li></lijst><al/><al><sup>3</sup></al><al><extref doc="/cvdr/images/Smallingerland/i267313.pdf">Aanvraagformulier</extref><sup/></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14</label></kop><al> Gemeenten hebben met de Participatiewet een breed palet aan
                            instrumenten gekregen om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te
                            ondersteunen. Eén van deze instrumenten is jobcoaching. Job coaching is
                            bedoeld voor mensen die, veelal door een beperking, een grote </al><al> afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Zonder begeleiding, vooral in de
                            eerste fase van hetdienstverband, blijkt het voor deze doelgroep
                            moeilijk een baan te behouden. Een jobcoach is iemand die de betrokkene
                            helpt bij zijn werk. Hij gaat bijvoorbeeld mee om kennis te maken met
                            het bedrijf en nieuwe collega’s, helpt met inwerken en houdt in de gaten
                            of alles goed loopt. Daarnaast kijkt hij of er aanpassingen en
                            hulpmiddelen nodig zijn op de werkplek en helpt met de aanvraag
                            hiervan.</al><al> De gemeente bepaalt of en voor hoeveel uur een jobcoach wordt ingezet.
                            Op regionaal niveau kunnen gemeenten de inzet van jobcoaches afstemmen.
                            Jobcoaching kan door de gemeente worden ingekocht, of op basis van een
                            subsidie aan de werkgever door de werkgever worden gegeven en/of door de
                            werkgever worden georganiseerd. </al><al>Aanspraak op begeleiding op de werkplek vindt plaats op grond van
                            artikel 10 da Participatiewet voor personen die tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoren. Op grond van artikel 10, eerste lid
                            Participatiewet kunnen ook andere personen die niet tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie behoren voor job coaching in aanmerking komen</al><al> De wet ‘Harmonisatie instrumenten Participatiewet’ treedt op 1 januari
                            2016 inwerking.</al><al> Deze wet voorziet in een uniforme no-riskpolis via het UWV voor
                            gemeenten en werkgevers en een gelijke mobiliteitsbonus voor de
                            doelgroep banenafspraak voor de periode 2016-2020. </al><al> Dit vanuit de wens van een gelijk speelveld tussen gemeenten en UWV
                            voor de doelgroep banenafspraak en eenduidigheid voor werkgevers. De wet
                            voorziet niet in harmonisatie voor het instrument jobcoaching. Steeds
                            meer gemeenten hebben eigen (gecertificeerde) jobcoaches in dienst en
                            anderen zijn (deels) van plan dit te doen. Het instrument job coaching
                            is daarmee veel sterker verbonden met de gemeentelijke (en regionale)
                            processen dan bijvoorbeeld de no risk-polis. Gezien de pluriformiteit
                            van uitvoering door gemeenten is het niet mogelijk om hier een
                            landelijke afspraak over te maken. Het advies van de Werkkamer en de VNG
                            is om harmonisatie na te streven door aansluiting te zoeken bij het
                            uitvoeringsbeleid van UWV of de G4.</al><al> De invulling van deze beleidsregel is gebaseerd op het G4-voorstel. Er
                            zijn echter enkele essentiële verschillen, waaronder:</al><lijst><li nr="§"><al>Het G4-voorstel gaat uit van een gemiddeld jobcoachtarief van 55
                                    euro (ex. btw) Er wordt daar vooral gewerkt met eigen jobcoaches
                                    in dienst van de gemeenten. In onze regio is dit tarief
                                    vooralsnog berekend op een gemiddelde van 75 euro (ex. btw).
                                    Ervan uitgaande dat het extern inhuren van jobcoaches meer
                                    kost.</al></li><li nr="§"><al>Het G4-voorstel heeft de maximale jobcoachinzet als vast
                                    percentage gekoppeld aan het aantal arbeidsuren. Een kandidaat
                                    met een contract van 24 uur heeft dus recht op het dubbele
                                    aantal jobcoachuren ten opzichte van een kandidaat met een
                                    contract van 12 uur. Ons voorstel laat deze richtlijn los en
                                    biedt de jobcoach de ruimte meer op de behoefte van de kandidaat
                                    en werkgever in te spelen.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label> Artikel 14.1</label></kop><al> Job coaching kan worden ingezet voor de doelgroep loonkostensubsidie
                            .<sup>4</sup> Het gaat dus om personen die niet in staat zijn om het
                            wettelijk minimumloon te verdienen (WML). Hieronder vallen zowel
                            personen met als zonder BAB-indicatie en personen die zijn aangewezen op
                            een beschutte werkplek.Daarnaast kan job coaching ook worden
                            ingezet voor personen die wel in staat zijn het WML te verdienen, maar
                            voor wie de inzet van job coaching (als werkvoorziening) noodzakelijk
                            is. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om personen met een medische
                            urenbeperking. </al><al/><al><sup>4</sup><sup>Artikel 6, eerste lid 1, sub e Participatiewet.</sup></al><al/></divisie><divisie><kop><label> Artikel 14.2</label></kop><al> Jobcoaching heeft tot doel om de kandidaat als bedoeld in artikel 1 te
                            ondersteunen bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken.
                            Aan het einde van een geslaagde job coaching kan de kandidaat
                            zelfstandig zijn werk uitvoeren en/of is de werkgever zelf in staat de
                            kandidaat te begeleiden op zijn werkplek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14.3</label></kop><al> In dit artikel is aangegeven welke soorten jobcoach we
                            onderscheiden.</al><lijst><li nr="§"><al><cursief>Eigen jobcoach</cursief> (de jobcoach is in dienst bij
                                    de gemeente en begeleidt vanuit deze positie kandidaten).</al></li><li nr="§"><al><cursief>Interne jobcoach</cursief> (de kandidaat krijgt een
                                    jobcoach via de werkgever: de werkgever krijgt een bedrag om
                                    deze in te zetten).</al></li><li nr="§"><al><cursief>Externe Jobcoach</cursief> (een jobcoach die werkt bij
                                    een erkend jobcoach bedrijf met bepaalde standaarden).</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label> Artikel 14.4</label></kop><al> Een jobcoach ondersteunt/begeleidt een persoon met structurele
                            functionele beperkingen gedurende een maximale periode bij het
                            verrichten van zijn taken op zijn/haar werkplek. Verder is van belang
                            dat de ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de kandidaat zonder
                            die </al><al> ondersteuning in redelijkheid niet zijn/haar werkzaamheden zou kunnen
                            verrichten. De jobcoach heeft geen rol bij de bemiddeling naar werk. Er
                            zijn voorbeelden waarbij de jobcoach deze rol wel heeft. Gemeenten zijn
                            uiteraard vrij om de jobcoach ook hiervoor in te zetten wanneer gewenst.
                            In deze beleidsregels is hier echter geen rekening mee gehouden. </al><al> Bijvoorbeeld niet bij bepaling van de inzet in duur en intensiteit.
                            Deze inzet in duur en intensiteit is gebaseerd op de inzet van de
                            jobcoach vanaf de eerste dag waarop de arbeidsovereenkomst inwerking
                            treedt of de proefplaatsing start.</al><al/><al>Hieronder zijn de taken en verantwoordelijkheden van de jobcoach in
                            schema gezet.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colwidth="54*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Doelen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Activiteiten </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Het introduceren van de kandidaat</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>In het bedrijf</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>In het team ( directe collega's)</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Structureren van het werk</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Adviseren over inrichting werk</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Adviseren over (aanpassing) organisatie van het
                                                werk</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Inwerken en trainen van de
                                                kandidaat:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanleren handelingen</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Trainen benodigde vaardigheden</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Aanleren sociale vaardigheden (bedrijfscultuur) * *
                                            </al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Opsporen en verhelpen storingen in
                                                  arbeidssituatie (bij calamiteit of
                                                crisis)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bij de kandidaat</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij de werkgever</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Begeleiden kandidaat op het werk (o.a.
                                                  afspraken maken en bewaken)</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="5"><al/></entry><entry colname="col2"><al>In contact met collega's</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>In contact met leidinggevende</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij de verwerking van algemene
                                                bedrijfsinformatie</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij interne voorlichting / cursussen</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij calamiteiten</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij verhogen van arbeidsontwikkeling
                                                (loonwaarde)</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Afstemming met de thuissituatie en
                                                  doorverwijzing naar hulp- en
                                                zorgstructuren</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Afstemmen met sociaal netwerk
                                                (familie/vrienden)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Doorverwijsfunctie naar hulp- en zorgstructuren
                                            </al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Advisering van werkgever bij verzuim en ziekte</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Begeleiden van de direct leidinggevende in de
                                                  omgang met de kandidaat zodanig dat deze de
                                                  begeleidende rol over kan nemen. </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bij het aanleren van vaardigheden</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij calamiteiten en in conflictsituaties</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij het omgaan met collega's en in
                                                overlegsituaties</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij nieuwe situaties in het werk (bijvoorbeeld bij
                                                verandering van werkproces)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van de
                                                kandidaat</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al><vet>Evaluatie en coördinatie</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Evaluatie van de werkafspraken (tussen kandidaat en
                                                werkgever)</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Coördinatie van en activiteiten gericht op
                                                voortzetting van contract bij werkgever</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>N.B.</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat de taken en verantwoordelijkheden, zoals deze
                            in bovenstaand tabel beschreven zijn, het volledige takenpakket van de
                            jobcoach betreffen. Dat betekent uiteraard niet dat deze bij elke
                            werknemer, waarvoor job coaching ingezet wordt, toegepast moeten worden.
                            Dat is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de
                            werknemer en de werkgever en ter beoordeling door de jobcoach. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14.5</label></kop><al>In dit artikel is beschreven op welk moment de jobcoach in beeld
                            komt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 14.6</label></kop><al>Er zijn een aantal eisen aan de dienstbetrekking of proefplaatsing om
                            voor job coaching in aanmerking te komen. Er moet sprake zijn van een
                            arbeidsovereenkomst voor minimaal 6 maanden met een minimale arbeidsduur
                            van 12 uur per week. Job coaching kan ook tijdens een proefplaatsing
                            worden ingezet. Er moet dan wel de intentie zijn om na de proefplaatsing
                            een arbeidsovereenkomst af te sluiten die voldoet aan de hierboven
                            genoemde eisen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.7</nr></kop><al>Om de jobcoach een kader te geven is het G4-voorstel als basis genomen
                            en aangepast naar onderstaande tabel. In onze regio hebben we bepaald
                            dat iedere kandidaat gedurende een looptijd van maximaal twee jaar
                            begeleid kan worden. In uitzonderingsgevallen kan hieraan nog een jaar
                            toegevoegd worden. Daarnaast bedraagt de begeleiding over 1 en 2
                            maximaal 96 uren. Per definitie wordt de begeleiding zo ingezet dat deze
                            aflopend is. Dit is logisch omdat kandidaat en werkgever steeds
                            zelfredzamer behoren te worden. Het sleutelwoord blijft maatwerk. De
                            jobcoach behoudt de vrijheid om de begeleiding naar eigen inzicht aan te
                            passen aan het niveau dat nodig is om te komen tot een duurzame
                            plaatsing. </al><al>De tabel met de begeleidingsregimes biedt Friese gemeenten een
                            hanteerbaar model om grip te krijgen op de kosten. De looptijd van de
                            begeleiding en kosten per kandidaat zijn gemaximeerd. Dit biedt kaders
                            om budgetprognoses te maken. Gemeenten hebben met de komst van de
                            Participatiewet te maken met nieuwe doelgroepen. Feit blijft dat het
                            niet mogelijk is om van te voren te weten hoeveel kandidaten, voor
                            hoeveel uren begeleiding nodig gaan hebben. Daarnaast hebben de Friese
                            gemeenten te maken met krappe begrotingen. Dit dwingt gemeenten tot de
                            keuze om een maximaal budget voor job coaching beschikbaar te stellen
                            dat niet genoeg zal zijn voor iedere persoon uit de doelgroep. </al><table><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colwidth="12*"/><colspec colname="col4" colwidth="14*"/><colspec colname="col5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colwidth="15*"/><colspec colname="col7" colwidth="14*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Begeleiding</al></entry><entry colname="col2"><al>1<sup>e</sup> jaar</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>2<sup>e</sup> jaar</al></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>Totaal</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Budget</al></entry><entry colname="col3"><al>Uren</al></entry><entry colname="col4"><al>Budget</al></entry><entry colname="col5"><al>Uren</al></entry><entry colname="col6"><al> Budget</al></entry><entry colname="col7"><al>Uren</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niveau 1</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 2.700</al></entry><entry colname="col3"><al>36</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 1.400</al></entry><entry colname="col5"><al>18</al></entry><entry colname="col6"><al>€ 4.100</al></entry><entry colname="col7"><al>54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Niveau 2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 4.500</al></entry><entry colname="col3"><al>60</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 2.700</al></entry><entry colname="col5"><al>36</al></entry><entry colname="col6"><al>€ 7.200</al></entry><entry colname="col7"><al>96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Tabel 1: begeleidingsregimes 1 en 2. Bedragen zijn excl. Btw.</al><al/><al>De gemeente is vrij in het bepalen van het beoordelingskader met
                            betrekking tot welk begeleidingsniveau (1 of 2) van toepassing is op een
                            kandidaat. En de vraag of het volledige dan wel een deel van het bedrag
                            beschikbaar wordt gesteld (uurtarief * benodigde uren inzet). </al><al>De volgende tarieven zijn regionaal uniform:<sup>5</sup></al><lijst><li nr="§"><al>De maximale vergoeding per uur voor een externe jobcoach is
                                    €75,- (ex. Btw).</al></li><li nr="§"><al>De werkgever ontvangt voor de interne jobcoach op basis van
                                    declaratie een maximale vergoeding per uur van €75,- (ex.
                                    Btw).</al></li></lijst><al/><al><sup>5 </sup><sup>Niet van toepassing op overeenkomsten die voorafgaand aan publicatie van deze beleidsregels. Deze overeenkomsten blijven gehandhaafd.</sup></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>In dit artikel 15 wordt bepaald dat door het College de wettelijke
                            vrijlating van inkomsten uit arbeid alleen wordt toegepast indien het
                            College heeft vastgesteld dat de uitkeringsgerechtigde binnen 6 maanden
                            volledig in de bestaanskosten kan voorzien.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 Uitstroompremie </label></kop><al>Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van de in de Participatiewet (31,
                            lid 2 sub j.) bepaalde mogelijkheid om een premie te verstrekken. Het
                            college van BenW kan een premie verstrekken indien dat naar het oordeel
                            van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling. De premie moet of
                            in één bedrag worden uitgekeerd of maximaal in 2 termijnen om te
                            voorkomen dat de premie fiscaal gezien wordt als een periodieke
                            uitkering en daarom doorwerkt in de inkomensafhankelijke regelingen. </al><al>Op grond van artikel 9 lid 2 sub f van de verordening hebben
                            uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                            ,alleenstaande ouders en arbeidsgehandicapten die zich hebben
                            ingespannen om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten bijvoorbeeld
                            door middel van het doorlopen van een re-integratietraject en in voltijd
                            en/of indeeltijd zijn gaan werken recht op een premie. Het doorlopen van
                            een re-integratietraject is echter geen absolute voorwaarde.</al><al>Onder een uitkeringsgerechtigde met een grote afstand tot de
                            arbeidsmarkt wordt in dit besluit verstaan iedere uitkeringsgerechtigde
                            die langer dan 12 maanden onafgebroken een uitkering ontvangt op grond
                            van de WWB of op grond van de Ioaw of Ioaz.</al><al/><al>Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan iedere alleenstaande ouder
                            met kinderen tot 18 jaar die een uitkering ontvangt op grond van de
                            Participatiewet of op grond van de Ioaw of Ioaz. </al><al>Onder een arbeidsgehandicapte wordt verstaan iedere arbeidsgehandicapte
                            waarvan door een medisch- en/of arbeidskundig onderzoek is vastgesteld
                            dat hij of zij in verband met ziekte of gebrek </al><al>een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid en dus
                            niet volledig beschikbaar is voor arbeid en een uitkering ontvangt op
                            grond van de Participatiewet of op grond van de Ioaw of Ioaz. </al><al/><al>De uitkeringsgerechtigde met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, de
                            alleenstaande ouder of de arbeidsgehandicapte die arbeid in
                            dienstbetrekking aanvaardt, niet zijnde gesubsidieerd werk of een
                            dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2 lid 1 en artikel 7 lid 1 van
                            de Wet sociale werkvoorziening, waarmee volledig in de kosten van
                            bestaan kan worden voorzien en die nietin aanmerking komt voor een
                            vrijlating van inkomsten als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder n
                            van de Participatiewet, ontvangt een eenmalige premie van € 1.000,- en
                            de alleenstaande ouder, de arbeidsgehandicapte die arbeid in
                            dienstbetrekking, niet zijnde gesubsidieerd werk, met een omvang van
                            tenminste 10 uur per week aanvaardt waarmee niet volledig in de kosten
                            van bestaan kan worden voorzien en die nietin aanmerking komt voor
                            een vrijlating van inkomsten als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder
                            n van de Participatiewet, ontvangt ook een eenmalige premie van €
                            1.000,- .</al><al/><al>Indien er sprake is van gesubsidieerd werk of een dienstbetrekking op
                            grond van de Wet sociale werk-voorziening dan komt de
                            uitkeringsgerechtigde niet in aanmerking voor een premie. De toekenning
                            van de premie vindt plaats op aanvraag maar om het aanvragen van een
                            premie gemakkelijk te maken wordt een eenvoudige en pro-actieve
                            procedure toegepast. Uitbetaling van de premie vindt pas plaats indien
                            door de uitkeringsgerechtigde wordt aangetoond dat hij of zij gedurende
                            minimaal 6 maanden onafgebroken in voltijd of in deeltijd heeft gewerkt. </al><al>Op basis van nieuwe omstandigheden in de voortgang van de re-integratie
                            van de belanghebbende kan een volgend jaar opnieuw een premie worden
                            verstrekt. Om opnieuw voor een uitstroompremie in aanmerking te komen
                            dient er derhalve sprake te zijn van een positieve ontwikkeling.
                            Bijvoorbeeld indien de omvang van de dienstbetrekking wordt uitgebreid.
                            Dit geldt dan alleen voor een alleen-staande ouder of een
                            arbeidsgehandicapte. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de
                            premie een structureel karakter draagt. Voor elke nieuwe premie moet een
                            nieuw besluit worden genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17 Premie deeltijdarbeid </label></kop><al>In dit artikel wordt geregeld dat een premie deeltijd wordt verstrekt
                            ter hoogte van 8% van de (netto) inkomsten uit arbeid die op de
                            uitkering in een kalenderjaar in mindering zijn gebracht. Deze premie is
                            bedoeld om deeltijdwerk te stimuleren en te bereiken dat de inkomsten
                            niet volledig worden ingehouden op de uitkering indien de mogelijkheid
                            van de inkomstenvrijlating niet kan worden toegepast. De premie
                            deeltijdarbeid wordt ambtshalve uitgevoerd. Tweemaal per kalenderjaar
                            wordt berekend hoeveel inkomsten uit arbeid over dat halfjaar zijn
                            genoten. Van deze inkomsten wordt 8% aan de uitkeringsgerechtigde
                            uitbetaald. De uitkeringsgerechtigde wordt daarvan schriftelijk op de
                            hoogte gesteld. De uitkeringsgerechtigden hoeven deze premie dus niet
                            zelf aan te vragen. </al><al>De keuze om tweemaal per kalenderjaar de premie te betalen is gebaseerd
                            op de wens om zo vaak mogelijk uit te betalen, zodat mensen een verband
                            ervaren met het werken en de premie. Dat er niet gekozen is om vaker dan
                            tweemaal te betalen, zit hem in een wettelijke voorwaarde dat maximaal
                            tweemaal per jaar betaald mag worden. Als dat aantal wordt overschreden
                            is er sprake van een belast inkomen. De hoogte van de premie (8% van de
                            inkomsten) komt grofweg overeen met één maandinkomen per jaar, uitgaande
                            van een gelijkmatige spreiding van inkomen over het jaar. Dit wordt
                            geacht voldoende stimulerend te zijn om te gaan, en blijven, werken naar
                            vermogen. Aan de andere kant is deze niet zo hoog dat er een onnodige
                            armoedeval gecreëerd wordt. Omdat het een procentuele beloning is,
                            draagt deze systematiek tot aan een inkomen op bijstandsniveau bij aan
                            het toeleiden tot uitstroom. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                            werk in loondienst en andere vormen van werk zoals freelance werk of
                            werk als alfahulp om arbeid in de meest brede zin van het woord te
                            belonen. Daarmee wordt invulling gegeven aan de wens om aan te sluiten
                            bij de flexibilisering van de arbeidsmarkt.</al><al>Personen die een uitkering ontvangen op grond van het Besluit
                            Bijstandverlening Zelfstandigen 2004 (Bbz) komen niet in aanmerking voor
                            een premie deeltijdarbeid .</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 18</label></kop><al>In dit artikel wordt de hoogte van de premie vastgesteld voor het
                            verrichten van onbeloonde werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a WWB.
                            ( de Wet stimulering arbeidsparticipatie). </al><al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde gedurende 6 maanden met behoud van
                            uitkering werkzaamheden in het kader van een participatieplaats verricht
                            moet het college een premie verstrekken indien hij naar het oordeel van
                            het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans
                            op inschakeling in het arbeidsproces. Dit is vastgelegd in artikel 10a
                            zesde lid van de WWB. </al><al>Wij achten het redelijk de premie voor het verrichten van onbeloonde
                            werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a vast te stellen op € 300,- per
                            zes maanden indien de werkzaamheden gemiddeld meer dan 24 uur per week
                            bedragen. Dit is dus € 600,- op jaarbasis. Indien minder uren wordt
                            gewerkt dan is de premie ook lager. Op grond van artikel 8, tweede lid,
                            aanhef en onder c, van de WWB dient aandacht te worden besteed aan de
                            hoogte van de premie in relatie tot de armoedeval. De staatssecretaris
                            heeft tijdens de behandeling van het wetsontwerp Wet stimulering
                            arbeidsparticipatie ( Wet Stap ) aangegeven dat bij een dergelijke
                            premie geen armoedeval-effecten zijn te verwachten (Tweede Kamer,
                            Handelingen 2008-2009, 31577, nr. 21, p. 1700). De Wet Stap kent geen
                            overgangsrecht en heeft dus in beginsel onmiddellijke werking. Dit houdt
                            in dat indien iemand op dit moment reeds langer dan 6 maanden
                            additionele arbeid heeft verricht deze op grond van artikel 10a WWB een
                            recht kan doen gelden op een premie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 19</label></kop><al>In het kader van een re-integratietraject kan de voorziening scholing
                            worden toegepast bijvoorbeeld een sollicitatietraining, een
                            computeropleiding of een beroeps- of arbeidsmarktgerichte scholing.
                            Hieronder wordt verstaan de vakgerichte opleidingen zoals die er zijn
                            voor technische, administratieve, onderwijs, ICT-, zorg- en economische
                            beroepen. Het re-integratiebedrijf heeft deze opleidingen niet zelf in
                            huis maar speelt een bemiddelende rol bij de aanbieding van deze
                            scholing en kan de kosten van deze scholingen ook apart declareren. De
                            inkoop van scholing dient transparant te zijn. Hierover worden bij de
                            aanbesteding van de re-integratietrajecten nadere regels vastgesteld. </al><al>Met de in artikel 9 lid 1 sub c bedoelde startkwalificatie wordt bedoeld
                            het succesvol afronden van een beroepsopleiding op niveau 2 in het MBO
                            of met het behalen van een diploma van het HAVO of het VWO. In beginsel
                            wordt enkel scholing ingezet die opleidt naar beroepssectoren, waarnaar
                            volgens deze rapportages op de korte of middellange termijn vraag naar
                            is. </al><al>Voor niet uitkeringsgerechtigden en ANW gerechtigden geldt dat
                            uitsluitend scholingskosten vergoed worden indien zij beschikbaar
                            stellen voor tenminste 20 uur per week.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al>Voor de kosten van het ingekochte re-integratietraject alsmede de kosten
                            van scholing is de niet-uitkeringsgerechtigde en de Anw-er met een netto
                            inkomen dat hoger is dan 100% van het netto wettelijk minimumloon een
                            eigen bijdrage verschuldigd. De eigen bijdrage wordt bepaald op basis
                            van de draagkrachtberekeningsystematiek op grond van het gemeentelijk
                            besluit bijzondere bijstand met achtneming van een draagkrachtpercentage
                            van 50%. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21</label></kop><al>Indien de toepassing van dit besluit tot onbillijkheden leidt, kunnen
                            burgemeester en wethouders ten gunste van de belanghebbende afwijken van
                            de bepalingen van dit besluit. Van deze mogelijkheid dient terughoudend
                            gebruik gemaakt te worden, om het scheppen van precedenten tegen te
                            gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 22 </label></kop><al>Het college kan jaarlijks de bedragen in dit besluit gewijzigd
                            vaststellen. In artikel 8 en 9 zijn vaste bedragen opgenomen. Als deze
                            bedragen moeten worden gewijzigd moet hiervoor een besluit tot wijziging
                            van het Participatiebesluit worden vastgesteld. Het is praktischer in
                            het Participatiebesluit te bepalen dat deze bedragen jaarlijks door het
                            college kunnen worden aangepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 23</label></kop><al>Mocht zich een situatie voordoen waarin deze verordening niet voorziet,
                            dan beslist het college met inachtneming van het doel en de overwegingen
                            die aan dit besluit ten grondslag ligt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 24</label></kop><al>Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 25 </label></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Het college van BenW</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>