<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR39399_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit vaststelling Distelverordening Zeeland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2010, 23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Distelverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 145 en 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-18</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RMW 165</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit vaststelling Distelverordening Zeeland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>BESLUIT van Provinciale Staten van Zeeland van 18 juni 2010, nr.
                            RMW 165, houdende de vaststelling van de Distelverordening Zeeland 2010
                            (Provinciaal Blad nr. 23 van 2010).</cursief></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel 1</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>eigenaar of ander zakelijke gerechtigde mede degene, die de eigenaar
                                of ander zakelijke gerechtigde bij het beheer vertegenwoordigt.</al></li><li nr="b."><al>landbouwgrond: grond als agrarisch bestemd in het vigerende
                                bestemmingsplan, waarop daadwerkelijk enige vorm van landbouw wordt
                                uitgeoefend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2</label></kop><al>De gebruiker, eigenaar of ander zakelijke gerechtigde van gronden is
                        verplicht op eigen gronden, voor zover het betreft landbouwgronden en een
                        strook van 30 m daaraan grenzend, te voorkomen dat de distelsoorten Cirsium
                        arvense (akkerdistel) en Sonchus arvensis (akkermelkdistel) tot bloei
                        komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Indien burgemeester en wethouders van de gemeente, waar de gronden zijn
                        gelegen, constateren, dat de bij artikel 2 opgelegde verplichting niet of
                        niet behoorlijk wordt nagekomen, kunnen zij gebruik maken van de hun in
                        artikel 125 Gemeentewet gegeven bevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 </label></kop><al>Een gedraging in strijd met artikel 2 van deze verordening is een strafbaar
                        feit en wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste één maand of een
                        geldboete van de tweede categorie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de door burgemeester en wethouders van
                                de gemeente waar de gronden zijn gelegen aan te wijzen
                                ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd de bevoegdheid van de bij artikel 141 van het Wetboek
                                van Strafvordering aangewezen personen zijn met de opsporing van
                                overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze verordening
                                belast de daartoe door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                ambtenaren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Distelverordening Zeeland 2010”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum
                        van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label></kop><al>Met de onderhavige vaststelling van de Distelverordening Zeeland 2010 wordt de
                    voorgaande Distelverordening Zeeland 1993 (Provinciaal Blad 1993, nr. 33) op een
                    aantal punten aangepast. De wijzigingen zijn van technisch juridische aard. </al><al>De directeur LNO bestaat niet meer. In plaats daarvan zou verwezen kunnen worden
                    naar de directeur van de regionale directie Zuid van het ministerie van
                    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Advisering door deze directeur lijkt niet
                    langer noodzakelijk. Bovendien was de advisering in de oude verordening
                    facultatief, zodat deze advisering thans kan vervallen.</al><al>Verder is artikel 152 Gemeentewet omgenummerd tot artikel 125 Gemeentewet. Dit
                    artikel is de wettelijke basis voor het college van B&amp;W om bestuursdwang toe
                    te passen. Op grond van de Awb kan in aanvulling daarop ook een dwangsom worden
                    opgelegd.</al><al>Onderstaand zal artikelsgewijs een toelichting worden gegeven op de inhoud van
                    de verordening.</al><divisie><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>In onderdeel a van de definities wordt ook degene die de eigenaar of ander
                        zakelijke gerechtigde bij het beheer vertegenwoordigt onder eigenaar of
                        ander zakelijke gerechtigde geschaard. Dit kunnen particulieren zijn, maar
                        ook privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen.</al><al>Onderdeel b geeft een definitie voor landbouwgrond. Het gaat hier om grond
                        met een agrarische bestemming als bedoeld in het vigerende bestemmingsplan.
                        Het betreft alle vormen van land- en tuinbouw inclusief boomgaarden.
                        Braakliggende gronden vallen derhalve niet onder de werking van de
                        verordening tenzij ze grenzen aan landbouwgronden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al>Artikel 2 bevat de algehele gebodsbepaling om te voorkomen dat de
                        distelsoorten Cirsium arvense (akkerdistel) en Sonchus arvensis
                        (akkermelkdistel) die groeien op landbouwgronden en een strook van 30 meter
                        daaraan grenzend tot bloei komen. Deze verplichting bestaat voor alle
                        genoemde categorieën: gebruikers, eigenaren, of andere zakelijk
                        gerechtigden, dan wel diegene die de laatste twee categorieën bij het beheer
                        vertegenwoordigt. De gekozen formulering is er namelijk op gericht de
                        bestrijdingsplicht zo breed mogelijk neer te leggen. In geval van
                        overtreding ligt het voor de hand om op basis van de omstandigheden van het
                        geval diegene aan te schrijven die de strijdigheid kan opheffen. Dat daarbij
                        de primaire gebruiker van een perceel (erfpachter-gebruiker) de eerst
                        aangewezen persoon is, lijkt logisch. Er zijn situaties denkbaar waarin het
                        nodig en effectief kan zijn meer partijen aan te schrijven. Uiteindelijk kan
                        altijd op de eigenaar worden teruggevallen. Steeds zullen de specifieke
                        omstandigheden dit bepalen, waarbij ook het specifieke handhavingsbeleid van
                        het bevoegd gezag nog van invloed kan zijn. De huidige formulering zorgt
                        voor deze benodigde flexibiliteit.</al><al>De term “eigen grond” duidt erop dat de bestrijdingsplicht alleen geldt voor
                        gronden die de gebruiker of zakelijk gerechtigde zelf in gebruik heeft, of
                        waarvan men zelf eigenaar is. De bestrijdingsplicht geldt daarmee voor
                        landbouwgronden die men zelf in gebruik heeft of waarvan men zelf eigenaar
                        is, respectievelijk voor een strook grond van 30 meter die grenst aan
                        landbouwgronden, voor zover men deze strook zelf in gebruik heeft dan wel
                        hier eigenaar van is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 </label></kop><al>Om te kunnen zorgen dat handhaving van de gebodsbepalingen effectief kan
                        (blijven) plaatsvinden, is ervoor gekozen om burgemeester en wethouders als
                        toezichthoudend orgaan aan te wijzen. Zij zijn daarmee het orgaan dat
                        verantwoordelijk is voor handhaving van de verordening.</al><al>Artikel 125 Gemeentewet regelt de bevoegdheid tot het toepassen van
                        bestuursdwang, waarna de Algemene wet bestuursrecht (Awb) regelt hoe dit
                        moet worden toegepast. De Awb bepaalt vervolgens ook dat het bestuursorgaan
                        bevoegd tot toepassing bestuursdwang eveneens bevoegd is tot het opleggen
                        van een last onder dwangsom (5:32 Awb). Door in de verordening artikel 125
                        Gemeentewet te noemen, wordt de basis gelegd voor zowel de toepassing van
                        bestuursdwang, als het opleggen van een dwangsom.</al><al>Voor de betreffende termijnen is de Awb kaderstellend. Aan de hand van de
                        omstandigheden van het geval en de betrokken belangen, zal steeds bepaald
                        moeten worden hoe snel actie is vereist, in overeenstemming met het
                        handhavingsbeleid van het bevoegd gezag en binnen het kader van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 </label></kop><al>Dit artikel maakt strafrechtelijke handhaving mogelijk</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 </label></kop><al>Voor het toezicht op de naleving van de regeling worden toezichthouders
                        aangewezen. Buitengewone opsporingsambtenaren worden niet aangewezen maar
                        ontlenen hun opsporingsbevoegdheid aan hun aanwijzing als toezichthouder en
                        daarnaast aan hun beëdiging. De opsporingsbevoegdheid beperkt zich tot die
                        zaken waarvoor zij toezichthouder zijn. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>