<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR393746_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bladel</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bladel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-129454.html">Gemeenteblad, december 2015, 129454</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002320&amp;artikel=6">Algemene wet inzake rijksbelastingen, art. 6, 7, 8, 13, 14</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004770&amp;artikel=31">Invorderingswet 1990, art. 31</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=231, 237">Gemeentewet, art. 231 en 237</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=160">Gemeentewet, art. 160</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537&amp;artikel=4:81">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15it.02574</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen gemeente Bladel
            2016
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel;</al>
          <al>gelet op de artikelen 6,7,8,13 en 14 van de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen, artikel 31 van de Invorderingswet 1990 in verbinding met
                        de artikelen 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, en 237 van de
                        Gemeentewet , op artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet,
                        op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, </al>
          <al>besluiten vast te stellen de volgende regeling:</al>
          <al>
            <vet>Uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en de invordering van
                            gemeentelijke belastingen in de
                            gemeente Bladel 2016</vet>
          </al>
          <al/>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Algemene bepaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6,7,8,13 en 14 van de
                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 31 van de Invorderingswet
                            1990, artikel 160, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet , artikel
                            4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen in de
                            belastingverordeningen van de gemeente Bladel op grond waarvan het
                            college van burgemeester en wethouders nadere regels kan geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de onderscheiden
                            gemeentelijke belastingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als
                            gemeentelijke belastingen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel
                            233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling
                            aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien
                            verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag:
                            het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag.
                            Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke
                            belastingen buiten toepassing.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Aangifte</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De belastingplichtige voor de toeristenbelasting; aan wie niet binnen
                            zes maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een
                            aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden
                            binnen een maand na het verstrijken van die zes maanden bij de in
                            artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
                            gemeenteambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking
                            van een aangiftebiljet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake
                            rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens
                            duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het
                            aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden
                            ingeleverd of toegezonden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Gebruik nachtverblijfregister ten behoeve van de heffing van
                            toeristenbelasting</titel>
          </kop>
          <al>Bij de vaststelling van feiten ten behoeve van de heffing van
                        toeristenbelasting kan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde
                        gemeenteambtenaar het door belastingplichtige bijgehouden
                        nachtverblijfregister raadplegen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Voorlopige aanslag</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
                            gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag
                            waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening
                            van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar
                            zijn mening rechtvaardigt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt
                            vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel
                            na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan: a. voor de
                            rioolheffing en de afvalstoffenheffing geschieden op grond van de
                            gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente
                            belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente
                            tijdvak, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening
                            kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen
                            betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere
                            wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van
                            belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat
                            het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager
                            is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de
                            voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag; b. voor de
                            toeristenbelasting geschiedt op grond van het gemiddelde dat voortvloeit
                            uit de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente
                            belastingaanslag over elk van de drie voorafgaande jaren, met dien
                            verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden
                            met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van
                            de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de
                            heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval
                            de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag
                            vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de
                            vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op
                            dit lagere bedrag. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Rente</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vindt de
                            ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990
                            overeenkomstige toepassing.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt geen
                            invorderingsrente in rekening gebracht indien deze in totaal een bedrag
                            van euro 23,00 niet te boven gaat.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De uitvoeringsregeling met betrekking tot de heffing en de invordering
                            van de gemeentelijke belastingen in de gemeente Bladel 2007 van 6
                            november 2007, wordt ingetrokken op het moment dat deze regeling in
                            werking treedt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling gemeentelijke
                        belastingen Bladel 2016.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en
                        wethouders van 15 december 2015.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>Burgemeester en wethouders voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening>De secretaris, drs. E.L.C.M. Mol</ondertekening>
        <ondertekening>De burgemeester, mr. A.H.J.M. Swachten</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting op de uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Algemene bepaling</tussenkop>
        <al>In dit artikel wordt de reikwijdte van de regeling aangegeven.</al>
        <al>In het eerste lid wordt gerefereerd aan de in de algemene toelichting genoemde
                    wetsartikelen.</al>
        <al>Het tweede lid geeft - wellicht ten overvloede - aan dat de regeling ook geldt
                    voor de rechten, zoals bijvoorbeeld ook in artikel 229, tweede lid, van de
                    Gemeentewet is gebeurd voor de toepassing van de eerste, derde en vierde
                    paragraaf van hoofdstuk XV van die wet. Die bepaling geldt echter alleen voor de
                    toepassing van genoemde paragrafen en in beginsel niet voor de toepassing van de
                    uitvoeringsregeling. Om eenzelfde reden is er in het derde lid voor gekozen een
                    regeling te treffen overeenkomstig artikel 233a, tweede lid, van de Gemeentewet.
                    Daarin is - ten overvloede - geëxpliciteerd dat bij de heffing op andere wijze
                    geen gebruik kan worden gemaakt van aangiftebiljetten. In artikel 236
                    Gemeentewet worden de artikelen 6 tot en met 9 AWR namelijk buiten toepassing
                    verklaard voor de heffing op andere wijze.</al>
        <tussenkop>Artikel 2 Aangifte</tussenkop>
        <al>In dit artikel zijn nadere regels over het doen van aangifte opgenomen. Gelet op
                    het bepaalde in artikel 237, eerste lid, van de Gemeentewet geldt als hoofdregel
                    dat bij het uitnodigen voor het doen van aangifte wordt gewerkt met
                    aangiftebiljetten. In dit artikel hebben wij dit tot uitgangspunt genomen.
                    Indien de gemeente aangifte langs elektronische weg mogelijk wil maken, moet
                    daarvoor een regeling in de belastingverordening worden getroffen (artikel 237,
                    vijfde lid, Gemeentewet; zie de Modelverordeningen gemeentelijke belastingen
                    (algemene toelichting) – Aangifte). Door gebruik te maken van digitale
                    mogelijkheden, zoals E- formulieren en E- facturering, kunnen gemeenten de
                    administratieve lasten reduceren.</al>
        <al>Het eerste en tweede lid vormen een uitwerking van artikel 6, derde lid, AWR.
                    Dit bepaalt dat bij ministeriële regeling (lees: collegebesluit) iemand die in
                    de daarbij omschreven omstandigheden verkeert, kan worden verplicht te verzoeken
                    om uitreiking van een aangiftebiljet. De keuze en de omschrijving van het eerste
                    en tweede lid is ontleend aan de bepalingen in belastingverordeningen zoals deze
                    luidden vóór inwerkingtreding van de derde tranche Awb.</al>
        <al>Het eerste lid voorziet in het geval dat aan een belastingplichtige geen
                    aangiftebiljet is uitgereikt of geen aanslag is opgelegd. Aangezien de wijze van
                    heffing in de modelverordeningen die bij wege van aanslag is, speelt het al dan
                    niet uitreiken van een aangiftebiljet geen essentiële rol. Ook zonder
                    aangiftebiljet kan een aanslag worden opgelegd, namelijk indien de gegeven die
                    voor het opleggen van een aanslag van belang zijn, reeds voorhanden zijn.</al>
        <al>Het tweede lid ziet specifiek op de hondenbelasting. Heeft het eerste lid vooral
                    betrekking op de (reguliere) belastingplichtigen die bij het begin van het
                    belastingjaar een of meer honden houden, het tweede lid betreft houders van
                    honden die in de loop van het belastingjaar terzake van één of meer honden
                    belastingplichtig worden, dan wel ten aanzien van wie het aantal honden
                    wijziging ondergaat. Zij zijn op grond van het tweede lid verplicht om hiervoor
                    om uitreiking van een aangiftebiljet te verzoeken.</al>
        <al>Gebeurt dit niet, dan zal de gemeente in een volgend jaar uitgaan van eenzelfde
                    aantal honden als in het lopende jaar (zogenaamde 'gecontinueerde
                    belastingplicht'), tenzij uit controle een ander aantal is gebleken. Eventueel
                    kunnen dan sancties worden toegepast (zie de Modelbeleidsregels bestuurlijke
                    boeten gemeentelijke belastingen).</al>
        <tussenkop>Artikel 3 Gebruik nachtverblijfregister ten behoeve van de heffing van
                    toeristenbelasting</tussenkop>
        <al>Wij hebben in de uitvoeringsregeling geen verplichting opgenomen om een
                    nachtverblijfregister aan te houden. De reden hiervan is dat wij ons afvragen of
                    het college wel een dergelijke verplichting in het leven kan roepen, naast de
                    verplichtingen die iemand op grond van artikel 47 en volgende van de AWR heeft.
                    De verplichting tot het bijhouden van een nachtverblijfregister is gebaseerd op
                    artikel 438 Wet boek van Strafrecht en eventueel nader ingevuld in de Algemene
                    Plaatselijke Verordening (APV). Het is dan mogelijk dat de heffingsambtenaar
                    deze op grond van artikel 47 AWR raadpleegt. Wij hebben dit als beleidsregel in
                    artikel 3 opgenomen.</al>
        <tussenkop>Artikel 4 Voorlopige aanslag</tussenkop>
        <al>De artikelen 13 en 14 van de AWR bepalen dat de inspecteur (lees: de
                    heffingsambtenaar) volgens bij ministeriële regeling (lees: collegebesluit) te
                    stellen regels aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag kan opleggen tot
                    ten hoogste het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden
                    vastgesteld.</al>
        <al>Het opleggen van een voorlopige aanslag kan met name van belang zijn indien de
                    belastingschuld eerst na afloop van het belastingtijdvak/belastingjaar kan
                    worden vastgesteld.</al>
        <al>De gemeente die deze mogelijkheid wil gebruiken, dient daarvoor dus wel door het
                    college regels te laten stellen in welke gevallen een voorlopige aanslag kan
                    worden opgelegd en hoe de hoogte ervan moet worden bepaald. Hetzelfde geldt voor
                    de heffing op andere wijze, zij het dat dan gesproken wordt van "voorlopig
                    gevorderde bedragen". Zie voor de ministeriële regeling artikel 23 van de
                    Uitvoeringsregeling AWR. Dit artikel heeft model gestaan voor artikel 4 van deze
                    modeluitvoeringsregeling.</al>
        <al>Op grond van het eerste lid kan de heffingsambtenaar naar eigen inzicht een
                    voorlopige aanslag opleggen indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal
                    worden vastgesteld, dit rechtvaardigt. Vanzelfsprekend dienen hierbij de
                    algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen.</al>
        <al>In het tweede lid hebben wij voor die gemeentelijke belastingen waarbij in de
                    praktijk het opleggen van een voorlopige aanslag pleegt voor te komen, een
                    regeling getroffen voor het bepalen van het bedrag van de voorlopige aanslag.
                    Indien de betreffende belasting niet geheven wordt, behoeft vanzelfsprekend ook
                    geen regeling te worden getroffen. Gemeenten kunnen ook een eigen regeling
                    formuleren. Wij hebben voor de rioolheffing en afvalstoffenheffing geregeld dat
                    gekeken wordt naar de gegevens van het afgelopen jaar (onderdeel a) en voor de
                    toeristenbelasting naar de gegevens van de afgelopen drie jaren (onderdeel b).
                    Deze mogelijkheid is met name van belang indien wordt meegelift met de nota van
                    een nutsbedrijf en eerst bij de eindafrekening een definitieve aanslag of
                    kennisgeving volgt. Wij wijzen er nogmaals op dat ingevolge artikel 1, derde
                    lid, de onderhavige voorlopige aanslagregeling ook geldt bij de heffing op
                    andere wijze. Wij merken nog op dat het sinds 1 juli 1997 mogelijk is tegen
                    voorlopige aanslagen of voorlopig gevorderde bedragen bezwaar te maken. Verder
                    wijzen wij er op dat een voorlopige aanslag of een voorlopig gevorderd bedrag
                    altijd moet worden gevolgd door een (definitieve) aanslag of door een
                    kennisgeving van het (definitief) gevorderde bedrag.</al>
        <tussenkop>Artikel 5 Rente</tussenkop>
        <al>Bij de invordering van gemeentelijke belastingen is hoofdstuk V van de
                    Invorderingswet 1990 van toepassing. Dit betekent dat invorderingsrente moet
                    worden berekend indien na de laatste betalingstermijn niet of te weinig is
                    betaald. Vanaf 1 januari 2013 vergoedt de gemeente alleen nog in de volgende
                    twee gevallen rente:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>De gemeente vergoedt rente als zij meer dan zes weken te laat is met het
                            terugbetalen van belastinggeld aan de belanghebbende. Als het aan de
                            belanghebbende te wijten is dat de uitbetaling niet tijdig plaatsvindt,
                            bijvoorbeeld als de belanghebbende een onjuist rekeningnummer aan de
                            gemeente heeft verstrekt, dan wordt geen invorderingsrente vergoed. Het
                            tijdvak waarover de invorderingsrente enkelvoudig wordt berekend vangt
                            aan op de dag na de dagtekening van de tot uitbetaling strekkende
                            belastingaanslag of beschikking en eindigt op de dag voorafgaand aan die
                            van de betaling.</al></li>
          <li nr="2."><al>Als een belanghebbende in verband met zijn bezwaarschrift uitstel van
                            betaling heeft gevraagd en dit uitstel door de ontvanger bij beschikking
                            is afgewezen. De gemeente vergoedt rente als de belanghebbende in de
                            bezwaarprocedure in het gelijk wordt gesteld. Het tijdvak waarover de
                            invorderingsrente wordt berekend vangt aan op de dag na de dag waarop de
                            belastingaanslag ingevolge artikel 9 van de IW 1990 invorderbaar is en
                            eindigt zes weken na de dagtekening van de vermindering of de
                            herziening. Als in de gemeentelijke belastingverordening een van artikel
                            9 afwijkende invorderingstermijn is opgenomen, is de vervaldatum van die
                            invorderingstermijn de begindatum voor het vergoeden van
                            invorderingsrente.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het betaalde bedrag vormt het maximum bedrag waarover invorderingsrente wordt
                    vergoed en wordt eventueel verminderd met een nog openstaand bedrag van de
                    belastingaanslag of het gevorderde bedrag</al>
        <al>Met ingang van 1 januari 2013 is het percentage van de invorderingsrente gelijk
                    aan dat van de wettelijke rente zoals dat bij algemene maatregel van bestuur op
                    grond van artikel 120, eerste lid, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is
                    vastgesteld. Het percentage van de wettelijke rente wordt met ingang van 1
                    januari 2013 ook toegepast op belastingaanslagen over eerdere jaren, met dien
                    verstande dat de wettelijke rente wordt berekend vanaf 1 januari 2013 en dat
                    voor de renteperiode die daarvóór ligt, het ‘oude’ rentepercentage van
                    toepassing is.</al>
        <al>Krachtens artikel 30 van de Invorderingswet 1990 moet het bedrag van de
                    invorderingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking worden vastgesteld.</al>
        <al>Artikel 31 van de Invorderingswet 1990 bepaalt dat bij ministeriële regeling
                    regels kunnen worden gesteld voor de bij de berekening van invorderingsrente toe
                    te passen afrondingen en voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente
                    die een bij die regeling bepaald bedrag niet te boven gaat. Een en ander is
                    geregeld in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Daarin wordt onder meer
                    bepaald dat het bedrag van de in rekening te brengen invorderingsrente naar
                    beneden wordt afgerond op gehele euro's. Het bedrag van de te vergoeden
                    invorderingsrente wordt naar boven afgerond op gehele euro’s (artikel 32). Ook
                    wordt bepaald dat bij de enige of laatste betaling een bedrag aan
                    invorderingsrente van € 23,-- of minder niet in rekening wordt gebracht (artikel
                    33).</al>
        <al>Ingevolge artikel 231, derde lid, van de Gemeentewet dient voor ministeriële
                    regeling te worden gelezen: collegebesluit. Het college dient dus over de
                    toepassing van de invorderingsrente regels te stellen. In verband hiermee hebben
                    wij in de modeluitvoeringsregeling ervoor gekozen de ministeriële regeling (de
                    Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990) van overeenkomstig toepassing te
                    verklaren.</al>
        <al>Tenslotte merken wij nog op dat de ministeriële regeling niet voorziet in een
                    minimumbedrag voor te vergoeden invorderingsrente. De gemeente kan dit ook niet
                    in de uitvoeringsregeling opnemen.</al>
        <tussenkop>Artikel 6 Inwerkingtreding </tussenkop>
        <al>In het eerste lid wordt de oude regeling ingetrokken. Indien die niet bestaat,
                    moet deze bepaling niet worden overgenomen. Het tweede bevat de gebruikelijke
                    bepaling van inwerkingtreding.</al>
        <al>Door het hybride karakter van de uitvoeringsregeling (algemeen verbindend
                    voorschrift, beleidsregel en uitvoeringsre<cursief>gels), moet bekendmaking
                        plaatsvinden die zowel voldoet aan artikel 139 en volgende Gemeentewet als
                        aan artikel 3:42</cursief> Algemene wet bestuursrecht. De regeling moet
                    worden bekendgemaakt door opname in het elektronische gemeenteblad.</al>
        <tussenkop>Artikel 7 Citeertitel</tussenkop>
        <al>De citeertitel vergemakkelijkt het verwijzen naar de regeling.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>