<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR393427_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag gemeente Lochem 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal Gemeenteblad, 27-1-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Individuele studietoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8, 1e lid onder c en derde lid en art. 36b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-017610</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag gemeente Lochem 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening </vet><vet>individuele
                        studietoeslag</vet><vet>gemeente Lochem 2015</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Lochem;</al><al/><al>gelet op de artikel 8, eerste lid, onder c, en derde lid, en artikel 36b van
                        de Participatiewet;</al><al/><al>overwegende dat:</al><al/><al>Op grond van artikel 8, eerste lid onder c, en derde lid, van de
                        Participatiewet de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking
                        tot het verstrekken van een individuele studietoeslag als bedoeld in artikel
                        36b van de Participatiewet. </al><al/><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>“Verordening </vet><vet>i</vet><vet>ndividuele studietoeslag</vet><vet>
                        gemeente Lochem 2015</vet><vet>”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van Lochem</al></li><li nr="b."><al>wet: de Participatiewet</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid van de wet, wordt
                        ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een nader door haar te bepalen externe instantie laten
                            adviseren met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse
                            arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon,
                            maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op artikel 36b, eerste lid van de wet, in
                            beleidsregels vastleggen wie, wanneer en op grond van welke voorwaarden
                            recht heeft op een individuele studietoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van een half jaar in
                        aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt € 300 per half jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag genoemd in het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd conform
                            de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal
                            Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op
                            hele euro’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking ervan.</al><al>Deze verordening is met terugwerkende kracht van toepassing met ingang van 1
                        januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als: Verordening Individuele
                        studietoeslag 2015.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 december 2015.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.Veenbergen S.W. van ‘t Erve</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening Individuele studietoeslag</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt de gemeente de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt.
                    Een diploma kan een bewijs zijn tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is
                    en veel in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK
                    2013-2014, 33 161, nr. 125, p.2).</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5,onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><tussenkop>Verordeningsplicht</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder gevalbetrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag(artikel 8, derde lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Discretionaire bevoegdheid</tussenkop><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college. Dit betekent dat het college aan personen die voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, een individuele
                    studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe niet is gehouden. Het college kan in
                    beleidsregels aangeven of bepaalde groepen niet in aanmerking komen voor een
                    studietoeslag. Het college kan in plaats daarvan - en in aanvulling op artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet - in beleidsregels aangeven wie, wanneer
                    en op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele
                    studietoeslag.</al><tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag</tussenkop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden vaneen persoon - een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en een persoon is van wie is vastgesteld dat hij
                            met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het
                            wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                            heeft.</al></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet
                    geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele
                    studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een individuele
                    studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de
                    toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een
                    bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. Een
                    individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is
                    namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                    tweede lid, van de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is
                    niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid,
                    van de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan
                    worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Indienen verzoek</tussenkop><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling: </al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                            35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c,
                            van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezen uitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen,
                            en.</al></li><li nr="-"><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al></li></lijst><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld
                    in artikel 36b,eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend, bepaalt
                    artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een
                    door het college vastgesteld formulier. Dit kan zowel schriftelijk als digitaal.
                    Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1van
                    de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die
                    wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de
                    aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                    gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de
                    gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als
                    een verzoek om individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3 Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</tussenkop><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    college</al><al>op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden, een
                    individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon op
                    de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="-"><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft opeen tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de
                            Wet tegemoetkoming onderwijs bijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="-"><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="-"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium wint kan het college advies
                    inwinnen bij externe organisatie, bijvoorbeeld het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV). Dat laatste ligt voorde hand omdat dit orgaan Het
                    gaat om advies met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse
                    arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch
                    wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al><al>Het college kan ook zelf vaststellen of een persoon met voltijdse arbeid niet in
                    staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie heeft. Dit geldt uiteraard ook voor de andere te toetsen
                    voorwaarden voor het recht op individuele studietoeslag.</al><al>Doel van de studietoeslag is om mensen die niet in staat zijn om te werken naast
                    hun studie als gevolg van een arbeidshandicap een financiële ondersteuning te
                    bieden. Dat moet dan ook de insteek zijn bij de beoordeling van wie hiervoor in
                    aanmerking komt. Het is de vraag of de formele omschrijving hierboven toereikend
                    is in dit verband. Het is denkbaar dat er weliswaar sprake is van een
                    arbeidsbeperking die het niet mogelijk maakt om het wettelijk minimumloon te
                    verdienen, maar waardoor het niettemin wel mogelijk is om in combinatie met een
                    studie een bijbaan te hebben. Waar deze mogelijkheid er is, is het met het oog
                    op het toekomstige arbeidsperspectief juist wenselijk, deze mogelijkheid te
                    benutten. Wanneer in zo’n situatie een toeslag wordt verstrekt, is deze
                    contraproductief.</al><al>Tegen deze achtergrond is de mogelijkheid ingebouwd om in beleidsregels nadere
                    voorwaarden testellen over wie, wanneer en op grond van welke nadere voorwaarden
                    recht heeft op een individuele studietoeslag.</al><tussenkop>Artikel 4 Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                    verlenen</tussenkop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking
                    komen voor een individuele studietoeslag.</al><al>Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. Voor de
                    beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele
                    studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een
                    persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan
                    komen voor een individuele studietoeslag (artikel 3 van deze verordening).
                    Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag. Aansluiting bij
                    de halfjaarlijkse inschrijf- en startmomenten die doorgaans gelden voor
                    opleidingen is ook doeltreffend omdat een persoon enkel op het moment van
                    aanvraag moet voldoen aan de uit artikel 36b van de Participatiewet
                    voortvloeiende voorwaarden voor aanspraak te maken op een individuele
                    studietoeslag. Stel dat een persoon slechts eenmaal per twaalf maanden in
                    aanmerking kan komen voor een individuele studietoeslag, dan wordt</al><al>deze toeslag toegekend voor een periode van twaalf maanden waarbinnen de
                    mogelijkheid bestaat dat deze persoon al lang geen studie meer volgt. Immers,
                    alleen op moment van aanvraag moet een persoon voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36b van de Participatiewet. Als hij op enig moment na de aanvraag hier
                    niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het recht op een individuele
                    studie-toeslag.</al><tussenkop>Artikel 5 Hoogte individuele studietoeslag</tussenkop><al>In artikel 5 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de
                    voorwaarden toegekend. Een individuele studietoeslag bedraagt € 300,-. Daarbij
                    is als richtlijn gehanteerd dat te verstrekken toelage zich reëel moet verhouden
                    tot gemiddeld verdiensten uit een bijbaan die met een studie gecombineerd
                    wordt.</al><al>Is sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden voor
                    een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking voor een
                    individuele studietoeslag.</al><al>In artikel 5, tweede lid, van deze verordening, is een indexeringsbepaling
                    opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden
                    vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. Het is van belang de nieuwe
                    bedragen (na indexatie) intern duidelijk te communiceren.</al><tussenkop>Artikel 6. Betaling individuele studietoeslag</tussenkop><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag geregeld.</al><al>Fiscaal is er geen onderscheid tussen verschillende frequenties van betaling: in
                    alle gevallen is de studietoeslag een belaste uitkering. Met de frequentie van
                    een half jaar wordt gekozen voor een balans tussen belasting voor de uitvoering
                    (slechts twee betaalmomenten per jaar) en controle (maximale periode
                    vaststelling recht bedraagt een half jaar).</al><al>Na deze periode kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Dit volgt uit artikel 4 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking.</al><al>Deze verordening is van toepassing met terugwerkende kracht met ingang van 1
                    januari 2015</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>