Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Eemsmond

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2016 gemeente Eemsmond

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieEemsmond
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNadere regels maatschappelijke ondersteuning 2016 gemeente Eemsmond
CiteertitelNadere regels maatschappelijke ondersteuning 2016 gemeente Eemsmond
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemsmond 2015

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201601-01-2017Nieuwe regeling

18-12-2015

Gemeenteblad 2016 Nr. 4295

2015-00745

Tekst van de regeling

Intitulé

Nadere regels maatschappelijke ondersteuning 2016 gemeente Eemsmond

Inleiding

 

De nadere regels maatschappelijke ondersteuning en het besluit maatschappelijke ondersteuning vormen een nadere uitwerking van de Verordening Wmo 2015 en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en zijn hiermee onlosmakelijk verbonden. Waar een onderdeel uit de nadere regels onbedoeld afwijkt van hetgeen geregeld is in Verdragen, jurisprudentie, Wet of verordening, dan is de betreffende bepaling onverbindend. Waar in dit document de Wmo2015 wordt aangehaald, wordt gesproken over de Wet. Waar de Verordening Wmo 2015 wordt aangehaald, wordt gesproken over (de) Verordening.

 

Met dit document en het besluit maatschappelijke ondersteuning worden tevens alle bedragen vastgesteld die gemoeid zijn met de uitvoering van de Wet en de Verordening Maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

In de Wet is het uitgangspunt dat de gemeente zorg draagt voor de maatschappelijke ondersteuning en zorg draagt voor de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Wanneer een inwoner met een beperking op eigen kracht, met behulp van de inzet van sociale netwerken en het gebruik van algemene en/of voorliggende voorzieningen onvoldoende zelfredzaam is of onvoldoende kan participeren, draagt de gemeente zorg voor maatschappelijk ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening.

 

Het college van burgemeester en Wethouders van de gemeente Eemsmond;

besluit vast te stellen ''Nadere regels Maatschappelijke ondersteuning 2016''

 

Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling.

Voor de begripsbepalingen wordt verwezen naar de Wet, het besluit Wmo 2015 en de Verordening Wmo 2015.

Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning

Artikel 2. Melding hulpvraag

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.

Artikel 4. Onderzoek

  • 1.

    Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

  • 2.

    Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 3.

    Bij het onderzoek is vaststelling van de identiteit aan de hand van een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht voldoende.

  • 4.

    Indien de cliënt bekend is bij de gemeente, kan worden afgezien van het onderzoek zoals genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel.

  • 5.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2., vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

Artikel 5. Gesprek

  • 1.

    Het college onderzoekt, conform hetgeen is gesteld in artikel 2.3.2. van de Wet, in een gesprek met de cliënt of diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

    • c.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • d.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • e.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • f.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

    • g.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekerings Wet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • h.

      de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

    • i.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wet verschuldigd zal zijn, en

    • j.

      de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 4.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de Wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

  • 4.

    Het verslag met uitkomsten van het onderzoek, aangevuld met de opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt vormen de basis voor het maatwerkplan.

  • 5.

    Het college neemt het verslag mede als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 6.

    Het verslag kan als bijlage van en door ondertekening van een aanvraagformulier direct als aanvraag worden ingediend.

  • 7.

    In het onderzoek wordt, indien van toepassing, gebruik gemaakt van de bepalingen van het Protocol Gebruikelijke Zorg, CIZ 2005 voor HO en Protocol Gebruikelijke Zorg CIZ versie 7.1 voor begeleiding en persoonlijke verzorging.

Artikel 7. Aanvraag

  • 1.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

  • 2.

    Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier.

Artikel 8. Advisering, informatieplicht en medewerking aan de beoordeling

  • 1.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen deskundige om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    De persoon met beperking die een melding heeft gedaan of voor wie dat is gedaan dan wel een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om aan het college desgevraagd medewerking te verlenen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de Wet en de verordening en deze nadere regels. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het voldoen aan een oproep om op een aangegeven tijdstip en plaats te verschijnen, dan wel het college op een van te voren aangegeven moment toegang tot zijn woning te verlenen;

    • b.

      het meewerken aan een onderzoek door één of meer daartoe aangewezen deskundigen, daaronder zo nodig begrepen een lichamelijk of andersoortig onderzoek om de belemmeringen te kunnen vaststellen.

  • 3.

    De persoon met beperking die een aanvraag heeft ingediend of aan wie een voorziening is toegekend, is verplicht om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening, dan wel op de aard, de hoogte of de duur daarvan.

Artikel 9. De beschikking

  • 1.

    Voor algemene voorzieningen verleent het college geen beschikking, een algemene voorziening kan wel deel uit maken van het persoonlijk plan of ondersteuningsplan waarop een beschikking wordt afgegeven.

  • 2.

    Voor een maatwerkvoorziening verstrekt het college een beschikking.

  • 3.

    In de beschikking wordt de informatie- en medewerkingsplicht opgenomen als bedoeld in artikel 2.3.8 van de Wet.

  • 4.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als persoons gebonden budget (pgb) wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat het beoogde resultaat van de te verstrekken voorziening is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      de beoogde resultaten welke andere (algemene) voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • d.

      gedurende welke periode een eigen bijdrage verschuldigd is;

    • e.

      hoe hoog het bedrag van de kostprijs van de voorziening is.

  • 6.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking een programma van eisen vastgelegd waaraan de voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn. In dit programma van eisen is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    • f.

      op welke wijze de persoon met beperking de voorziening moet terugbetalen of teruggeven als deze voor afloop van de afschrijvingstermijn niet meer wordt gebruikt.

  • 7.

    Voor maatwerkvoorzieningen als Huishoudelijke ondersteuning (+) en begeleiding/dagbesteding is geen sprake van een programma van eisen, maar een ondersteuningsplan- en/ of budgetplan.

  • 8.

    Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Pgb

Algemeen

Artikel 10. Persoonsgebonden budget (pgb)

1.Een persoon met een beperking heeft niet de mogelijkheid te kiezen voor een persoonsgebonden budget als daartegen onderbouwde bezwaren zijn. Daarvan is in ieder geval sprake als:

  • a.

    de voorziening een collectieve vervoerspas betreft;

  • b.

    er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de persoon met beperking niet in staat is tot een verantwoorde besteding van het persoonsgebonden budget.

Nadere verplichtingen budgethouder

Artikel 11. Nadere verplichtingen budgethouder

  • 1.

    De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren.

  • 2.

    In geval van een elektrische vervoersvoorziening en/ of elektrische rolstoel is de budgethouder verplicht een all-risk verzekering af te sluiten gedurende de gebruiksduur van het hulpmiddel.

  • 3.

    Ingeval het gebruik van de voorziening welke met een persoonsgebonden budget is aangeschaft, is beëindigd en de gebruiksduur van de voorziening niet geheel is verstreken, is de budgethouder verplicht de voorziening te retourneren dan wel de restwaarde, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen middelen, aan de gemeente te vergoeden. Voor de berekening van de afschrijving wordt waar mogelijk aansluiting gezocht bij de afschrijvingssystematiek als gehanteerd in de Aanbesteding hulpmiddelen 2014.

  • 4.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt rekening gehouden met afschrijvingstermijnen die naar geldende maatschappelijke normen voor de verstrekte voorziening gebruikelijk zijn. Mocht na die tijd blijken dat de voorziening nog in goede staat verkeert, dan wordt de gebruiksduur verlengd.

  • 5.

    Voor de vaststelling van afschrijvingstermijnen van hulpmiddelen, wordt gebruik gemaakt van de afschrijvingstermijnen zoals deze van toepassing zijn binnen de geldende overeenkomst met de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier.

Artikel 12. Hoogte van het Pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb voor een verstrekking wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de deze voorziening in natura zou zijn verstrekt.

    • a.

      Als de naturaverstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering.

    • b.

      Als de naturaverstrekking een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • c.

      De kostprijs voor onderhoud en verzekering wordt gelijkgesteld aan de tarieven die worden gehanteerd door gecontracteerde hulpmiddelenleverancier.

  • 2.

    De hoogte van een pgb voor een ‘’dienst’’ wordt bepaald op ten hoogste het tarief als opgenomen in het besluit maatschappelijke ondersteuning 2016, waarbij geldt dat het maximum tarief voor een Pgb, niet zijnde inzet uit het sociaal netwerk, is voor:

    • i.

      Begeleiding Individueel, Begeleiding Groep en Kortdurend Verblijf 100% van de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening in natura;

    • ii.

      Uitgangspunt voor HO is 70% van het gemiddelde uurtarief van HO ZIN 2016, indien dit niet voldoet is er de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken tot een tarief tot 100% van het gemiddelde uurtarief van HO ZIN 2016;

    • iii.

      Uitgangspunt voor HO plus is 70% van het gemiddelde uurtarief HO plus 2016, indien dit niet voldoet is er de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken tot een tarief tot 100% van het gemiddelde uurtarief van HO Zin 2016.

  • 3.

    Het tarief voor een pgb:

    • a.

      is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen, en

    • c.

      bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.

  • 4.

    Cliënten moeten zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder of voorziening duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

  • 5.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk is een vast bedrag per uur. Het vaste uurbedrag is gelijk aan het geldende Wettelijk minimumloon voor deze persoon inclusief de reservering vakantiegeld.

  • 6.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociale netwerk wordt, indien gereisd moet worden om de ondersteuning te kunnen verlenen, vermeerderd met een vergoeding van de reiskosten. De vergoeding bedraagt € 0,157 per kilometer tot een maximale afstand voor de enkele reis van 25,5 kilometer.

  • 7.

    Het tarief voor een pgb dat besteed wordt bij iemand uit het sociaal netwerk wordt vermeerderd met een compensatie van 12,5% voor het verlies van pensioenrechten, wanneer:

    • a.

      er daadwerkelijk sprake is van het niet opbouwen van pensioenrechten als gevolg van het (tijdelijk) opzeggen van arbeidsuren in verband met het bieden van ondersteuning;

    • b.

      de compensatie alleen betrekking heeft op de periode waarover de ondersteuning daadwerkelijk wordt geleverd.

  • 8.

    Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de Sociale Verzekerings Bank (SVB).

  • 9.

    De pgb-houder kan, wanneer de inzet gedaan wordt door iemand uit het sociaal netwerk en vervanging door een professional gedaan moet worden, een voorziening aanvragen voor vervanging tijdens vakantie. De hoogte van deze reservering wordt vastgesteld op 1 uur per gewerkte 12 uur.

Eigen Bijdrage

Artikel 13. Bijdrage voor algemene voorzieningen

  • 1.

    Er kan door de gemeente een eigen bijdrage voor een algemene voorziening worden gevraagd.

  • 2.

    Voor de volgende algemene voorzieningen kan de cliënt aan de aanbieder een bijdrage in de kosten verschuldigd zijn:

    • a.

      collectief vervoer;

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning;

    • c.

      maaltijdvoorziening;

    • d.

      kortdurend verblijf- of respijtzorg met laag intensieve ondersteuning;

    • e.

      was- en strijkservice;

    • f.

      klussendienst.

  • 3.

    De bijdrage in de kosten van de algemene voorziening in de vorm van:

    • a.

      Het collectief vervoer bedraagt de opstapprijs van € 0,89 te vermeerderen met een bedrag van € 0,157 per kilometer (tarief 2016);

    • b.

      dagbesteding met laag intensieve ondersteuning bedraagt ten hoogste de kostprijs te vermeerderen met de kosten van eventuele consumpties in de vorm van (brood)maaltijden en dranken.

    • c.

      Een maaltijdvoorziening bedraagt ten hoogste de feitelijke kosten;

    • d.

      kortdurend verblijf- of respijtzorg: nog niet van toepassing;

    • e.

      was- en strijkservice: nog niet van toepassing;

    • f.

      de klussendienst bedraagt € 5,00 per uur plus de materiaalkosten.

Artikel 14. Eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen.

  • 1.

    Voor een maatwerkvoorziening is een eigen bijdrage verschuldigd.

  • 2.

    Voor de eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen wordt verwezen naar de bedragen die hiervoor zijn vastgesteld door de centrumgemeente Groningen.

  • 3.

    De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening bedraagt niet meer dan de kostprijs van de voorziening. Onder de kostprijs wordt tevens verstaan de huursom per periode, te vermeerderen met de kosten van onderhoud en verzekering.

  • 4.

    In afwijking van lid 1 is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelvoorzieningen

    • b.

      kindvoorzieningen, niet zijnde een woningaanpassing.

  • 5.

    Voor de kostprijzen van de vastgestelde maatwerkvoorzieningen wordt aansluiting gezocht bij de kostprijzen zoals deze worden gehanteerd door de gecontracteerde aanbieders.

Nadere regels eigen bijdrage per maatwerkvoorziening

Artikel 15. Vervoer

  • 1.

    Voor collectief vervoer is een bijdrage verschuldigd die gelijk is aan het tarief van het openbaar vervoer.

  • 2.

    De bijdrage in de kilometervergoeding voor het Wmo-vervoer als maatwerkvoorziening wordt geïnd door de vervoerder.

Artikel 16. Huishoudelijke Ondersteuning (plus)

  • 1.

    De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning plus in Zorg In Natura (ZIN) is het gemiddelde tarief per uur gebaseerd op de gemiddelde afgesproken inzet van 2,5 uur per periode van 4 weken, dat de gemeente aan de zorgaanbieders betaalt voor deze vormen van huishoudelijke ondersteuning.

    • a.

      Het gemiddelde tarief ZIN voor Huishoudelijke ondersteuning is € 18,00 per uur;

    • b.

      Het gemiddelde tarief ZIN voor Huishoudelijke ondersteuning plus is € 22,20 per uur.

  • 2.

    De kostprijs van huishoudelijke ondersteuning en huishoudelijke ondersteuning plus in de vorm van een pgb is de hoogte van het persoonsgebonden budget.

  • 3.

    Voor Huishoudelijke Ondersteuning uitgevoerd in het eigen netwerk geldt het Wettelijk minimumloon.

  • 4.

    De te betalen eigen bijdragen voor ZIN worden door het CAK geïnd op basis van het aantal feitelijk gewerkte en gedeclareerde uren en het gemiddelde uurtarief.

Artikel 17. Begeleiding en Ondersteuning

  • 1.

    De kostprijs van Begeleiding wordt gesteld op het bedrag van de goedkoopste aanbieder in die productcategorie.

  • 2.

    De productcategorieën en laagste tarief zijn:

    • ·

      Begeleiding Individueel Basis, € 35

    • ·

      Begeleiding Individueel Speciaal, € 50

    • ·

      Begeleiding Groep Basis, € 25

    • ·

      Begeleiding Groep Speciaal, € 35

    • ·

      Kortdurend Verblijf € 70

    • ·

      Vervoer Dagbesteding € 7,50

  • 3.

    De kostprijs van Begeleiding in de vorm van een Pgb is de hoogte van het persoonsgebonden budget.

Eigen Bijdrage en Pgb

Artikel 18. Nadere regels eigen bijdrage bij een pgb

  • 1.

    Voor voorzieningen die verstrekt worden in de vorm van een pgb wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang het pgb verstrekt wordt.

  • 2.

    De te betalen eigen bijdrage voor een pgb wordt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK) geïnd op basis van het totale toegekende budget.

  • 3.

    De eigen bijdrage mag de kostprijs niet overstijgen.

Eigendom en bruikleen

Artikel 19. Voorzieningen in eigendom en/of bruikleen

Voor voorzieningen die verstrekt worden in eigendom wordt een eigen bijdrage opgelegd, tot maximaal de kostprijs van de voorziening.

  • a.

    Voor voorzieningen in bruikleen wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de voorziening gebruikt wordt.

  • b.

    Indien gekozen wordt voor een eenmalig pg b in plaats van een voorziening in bruikleen, wordt een eigen bijdrage opgelegd gedurende een periode die overeenkomt met de gemiddelde levensduur van de voorzieningensoort waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • c.

    De eigen bijdrage mag nooit hoger zijn, dan de kostprijs van de voorziening.

Nadere regels per maatwerkvoorziening

Artikel 20. Algemene bepaling

De omvang van maatwerkvoorzieningen voor diensten wordt zoveel mogelijk vastgesteld in resultaten, uren, etmalen en/of dagdelen.

Huishoudelijke ondersteuning (plus)

Artikel 21. Huishoudelijke ondersteuning

  • 1.

    Een persoon met beperkingen heeft recht op huishoudelijke ondersteuning als hij door zijn belemmeringen, rekening houdend met de beschikbaarheid van de verplichte gebruikelijke hulp en onverplichte mantelzorg, niet of onvoldoende in staat is tot het verzorgen van het huishouden van zichzelf of van de leefeenheid waartoe hij behoort.

  • 2.

    Er kan ook een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning verstrekt worden als deze kortdurend, al dan niet in verband met het tijdelijk ontbreken van mantelzorg, noodzakelijk is.

Het resultaat van de huishoudelijke ondersteuning is een ''schoon- en leefbaar huis.

Artikel 22. Soort, omvang en vorm van de huishoudelijke hulp

1.Huishoudelijke hulp als maatwerkvoorziening wordt verstrekt als huishoudelijke ondersteuning of huishoudelijke ondersteuning plus. Daarbij geldt dat:

  • a.

    Huishoudelijke ondersteuning een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen;

  • b.

    Huishoudelijke ondersteuning plus een maatwerkvoorziening is waarbij geheel of gedeeltelijk activiteiten op het gebied van het huishouden worden overgenomen met inbegrip van hulp bij de organisatie van het huishouden.

  • c.

    In de beschikking dient gemotiveerd te worden weergegeven op welke aandachtsgebieden wordt beschikt. Zie voor deze aandachtsgebieden de bijlage.

  • d.

    De indicatie in aandachtgebieden dient door aanbieder en cliënt in samenspraak te worden uitgewerkt in een plan gericht op het komen tot het resultaat ''een schoon- en leefbaar huis''.

Begeleiding Individueel, Begeleiding Groep en Kortdurende Opvang

Artikel 23. Criteria individuele begeleiding Basis en speciaal

1.Een cliënt kan in aanmerking komen voor individuele begeleiding als:

  • a.

    De cliënt ondersteuning nodig heeft bij of met het oefenen met vaardigheden en handelingen, of

  • b.

    De cliënt ondersteuning nodig heeft inzake het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, of

  • c.

    De cliënt ondersteuning nodig heeft bij het aansturen van zijn of haar gedrag, of

  • d.

    Toezicht op de cliënt nodig is

Artikel 24. Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

1.Een cliënt kan gedurende maximaal drie etmalen per week in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als:

  • a.

    de cliënt is aangewezen op ondersteuning met permanent toezicht, en

  • b.

    de mantelzorger door het overstijgen van het gebruikelijke, redelijkerwijs van hem te verwachten toezicht overbelast dreigt te worden.

Artikel 25. Algemene voorziening dagbesteding met beperkte ondersteuning

Het college draagt zorg voor de aanwezigheid van algemene voorzieningen met het oog op het bieden van structuur, sociale contacten alsmede het ontlasten van eventuele mantelzorgers

Artikel 26. Maatwerkvoorziening Begeleiding Groep basis en speciaal

  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor begeleiding groep als:

    • a.

      de aanvrager als gevolg van een beperking onvoldoende zelfredzaam is om een dagbesteding, waaronder het volgen van een opleiding of het leveren van een arbeidsprestatie, voor zichzelf of met behulp van zijn netwerk te organiseren; of

    • b.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 2.

    Een cliënt kan, indien hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, in aanmerking komen voor arbeidsmatige dagbesteding, als:

    • a.

      de cliënt ondersteuning nodig heeft inzake het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie in het dagelijks leven, en

    • b.

      de aanvrager geen of zeer geringe loonvormende arbeidsprestatie kan leveren door het ontbreken van werkvaardigheden als gevolg van beperkingen en daaruit voortvloeiend een ondersteunings- en/of toezichtsvraag heeft, of

    • c.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

  • 3.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor begeleiding groep speciaal als:

    • a.

      de aanvrager als gevolg van een aandoening of beperking zwaar regieverlies ondervindt met als gevolg langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijkse leven, en

    • b.

      er sprake is van een dermate complexe beperking, dat gedurende de dagbesteding directe nabijheid van gespecialiseerde zorg, ondersteuning en/of toezicht nodig is, of

    • c.

      daarmee overbelasting van eventuele mantelzorgers wordt voorkomen.

Beschermd Wonen

Artikel 27. Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen

Het college verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de gemeente Groningen, de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het persoonsgebonden budget in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de nadere regels van de centrumgemeente. Dit artikel is van toepassing op alle instellingen voor maatschappelijke opvang en voor opvang van personen die de huiselijke situatie hebben verlaten in verband met risico´s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en waar voltijdopvang noodzakelijk is.

Vervoersvoorzieningen

Artikel 28. Vervoersvoorziening

  • 1.

    Een persoon met een beperking kan aanspraak maken op een vervoersvoorziening als hij belemmeringen ondervindt in de zelfredzaamheid, het lokaal participeren en gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening voor een vervoersvoorziening beperkt zich tot de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.

Artikel 29. Soorten vervoersvoorzieningen

1.De door het college te verstrekken vervoersvoorzieningen kunnen bestaan uit:

  • a.

    collectief vervoer;

  • b.

    een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel;

  • c.

    een scootmobiel;

  • d.

    autoaanpassingen;

  • e.

    een pgb voor aantoonbare meerkosten voor het gebruik van een eigen auto, indien voor de belanghebbende het collectief vervoer geen adequate oplossing vormt.

Artikel 30. Collectief vervoer

  • 1.

    Collectief vervoer is een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie.

  • 2.

    Met het collectief vervoer kan een persoon met beperkingen zich lokaal verplaatsen van deur tot deur, waarbij geldt dat, indien dit door het college beschikt is, medisch noodzakelijke persoonlijke begeleiding bij het gebruik van het collectieve vervoer gratis is;

  • 3.

    Het college kan, indien daar in specifieke gevallen noodzaak toe bestaat, het aantal verplaatsingen maximeren.

  • 4.

    Met het collectief vervoer kunnen pashouders vanaf 1 januari 2015 reizen in een gebied van 25,5 kilometer rondom het woonadres. Boven dit geldende maximaal te reizen aantal kilometers geldt het commerciële tarief van de door de gemeenten gecontracteerde vervoerder.

  • 5.

    Op jaarbasis kan in beginsel maximaal 2500 kilometer worden verreden.

  • 6.

    Het tarief bedraagt een opstaptarief van € 0,89 en € 0,157 per kilometer.

  • 7.

    De stad Groningen en specialistische instellingen als bijvoorbeeld Beatrixoord en Visio te Haren vallen als puntbestemming binnen het bereik van het collectief vervoer.

  • 8.

    Indien begeleiding groep en/of Kortdurend Verblijf als maatwerkvoorziening is geïndiceerd, en belanghebbende niet in staat is om op eigen kracht de voorziening te bereiken dan:

    • a.

      dient bij een ZIN-voorziening de aanbieder van begeleiding groep en/of Kortdurend Verblijf zorg te dragen voor vervoer en mag geen gebruik gemaakt worden van de collectief vervoerspas;

    • b.

      Geldt voor pgb dat een bedrag wordt toegevoegd aan het pgb van € 7,50 (zonder rolstoel) of € 19,00 (indien gebruik dient te worden gemaakt van een rolstoel tijdens het vervoer) per etmaal.

Artikel 31. Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel

  • 1.

    Een vervoersvoorziening bij een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan bestaan uit:

    • a.

      de aanpassing van een fiets;

    • b.

      een niet algemeen gebruikelijke fiets;

    • c.

      een rolstoelfiets of handbike;

  • 2.

    Een persoon met beperking kan in aanmerking komen voor een voorziening als bedoeld in het vorige lid indien:

    • a.

      zijn beperking het gebruik van een gewone fiets of een aankoppelfiets onmogelijk maakt en

    • b.

      hij zijn vervoersbehoefte merendeels met een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel kan invullen.

  • 3.

    Voor een kind kan een vervoersvoorziening tevens bestaan uit een individueel aangepast fietszitje of fietsaanhanger als een standaard voorziening niet mogelijk is.

Artikel 32. Eigen vervoer

  • 1.

    Voor zover de belanghebbende vanwege beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of van het collectief vervoer voor sociaal en/of recreatief vervoer en daardoor aangewezen is op eigen vervoer dan kan belanghebbende in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op een bedrag van € 0,157 per kilometer, tot maximaal 2500 kilometer op jaarbasis.

  • 2.

    Het Pgb mag niet worden ingezet voor eigen vervoer van en naar Begeleiding Groep en/of Kortdurend Verblijf.

Rolstoel

Artikel 33. Rolstoel voorziening

  • 1.

    Een persoon met beperkingen kan voor een rolstoel in aanmerking komen als een rolstoel noodzakelijk is voor dagelijks zittend verplaatsen.

  • 2.

    De door het college te verstrekken rolstoelvoorziening kan bestaan uit:

    • a.

      een handbewogen rolstoel;

    • b.

      een elektrische rolstoel;

    • c.

      individuele aanpassingen aan de rolstoel;

    • d.

      rolstoelaccessoires;

    • e.

      een rolstoel of vastframe handbike voor sportdoeleinden.

  • 4.

    Een persoon met beperkingen kan in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget voor de aanschaf van een sportrolstoel of een vastframe handbike indien het sporten zonder deze voorziening onmogelijk is.

Woonvoorzieningen

Artikel 34. Woonvoorziening

  • 1.

    Een persoon met beperking kan voor een woonvoorziening in aanmerking komen als deze voorziening noodzakelijk is voor het compenseren van de belemmeringen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte. Bij de aanvraag om een woonvoorziening dient de mogelijkheid tot verhuizing als oplossing te worden beoordeeld (primaat van verhuizen).

  • 2.

    Een woonvoorziening wordt verstrekt in natura of in de vorm van een pgb ten behoeve van de woonruimte waar de persoon met beperking woonachtig is of zal zijn en die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.

  • 3.

    Woonvoorzieningen worden onder andere onderscheiden in:

    • a.

      verhuiskosten;

    • b.

      een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing;

    • c.

      roerende woonvoorzieningen;

    • d.

      overige woonvoorzieningen.

  • 4.

    Een traplift wordt beschouwd als een roerende woonvoorziening.

Artikel 35. Verhuiskosten

  • 1.

    De hoogte van het bedrag van de verhuiskosten wordt vastgesteld aan de hand van offertes. De verhuiskosten worden verstrekt indien:

    a.de woonruimte voldoet aan het programma van eisen, zoals die zijn gesteld in de beschikking en

  • 2.

    Geen vergoeding voor verhuiskosten wordt verstrekt indien :

    • a.

      een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      een persoon met beperking verhuist naar een instelling voor langdurige zorg en de gemeente op grond van de Wet voor deze persoon niet langer voor de ondersteuning verantwoordelijk is;

    • c.

      een persoon niet verhuisd is naar een voor de persoon meest geschikte of eenvoudig aanpasbare woning.

Artikel 36. Bouwkundige of woontechnische woningaanpassing en roerende woonvoorzieningen

  • 1.

    Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt vastgesteld als de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte, dan wel bij roerende woonvoorzieningen op basis van de geldende prijsafspraken op basis van de aanbesteding hulpmiddelen. De uitkering wordt, indien noodzakelijk, verhoogd met de kosten voor onderhoud, keuring en reparatie voor zover de voorziening geen vast onderdeel vormt van de woning.

Overige woonvoorzieningen

Artikel 37. Tijdelijke huisvesting

  • 1.

    Als richtlijn geldt dat de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, die door de persoon met een beperking moet worden gemaakt in verband met het aanpassen van zijn eigen woonruimte of door de persoon met een beperking nog te betrekken woonruimte maximaal € 500,00 per maand voor de periode van maximaal 6 maanden.

  • 2.

    De vergoeding als bedoeld in het eerste lid, wordt alleen uitgekeerd over de periode dat de woonruimte ten gevolge van het verrichten van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager voor aantoonbare dubbele woonlasten komt te staan.

  • 3.

    Op deze vergoeding is de eigen bijdrage niet van toepassing.

Artikel 38. Huurderving

De tegemoetkoming voor huurderving voor woningeigenaren bedraagt de kale huur van de woonruimte per maand gedurende maximaal 7 maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt.

Artikel 39. Terugbetaling bij verkoop

De eigenaar die een woningaanpassing heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij verkoop van deze woning binnen de periode waarop het pgb van toepassing is verklaard, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden. Het restbedrag van de kostprijs van de voorziening dient te worden terugbetaald.

Intrekking beschikking en terugvordering

Artikel 40. Intrekking en wijziging van een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit geheel of gedeeltelijk intrekken of ten nadele van de persoon met beperking wijzigen als:

    • a.

      niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden of verplichtingen zoals opgenomen bij of krachtens de Wet;

    • b.

      de persoon met beperking of Wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • c.

      de voorziening onjuist was of ten onrechte is verstrekt en de belanghebbende dit wist of behoorde te Weten;

    • d.

      uit onderzoek blijkt dat de persoon met beperking geen gebruik maakt van een aan hem verstrekte voorziening en naar alle waarschijnlijkheid de komende twee maanden ook geen gebruik zal maken van deze voorziening;

    • e.

      de persoon met beperking zijn verplichtingen op grond van de Wet, de verordening en dit besluit onvoldoende nakomt en daardoor het recht op of de noodzaak van de gevraagde voorziening niet of niet langer kan worden vastgesteld;

    • f.

      het Persoonsgebonden Budget niet of niet volledig of voor een ander doel is aangewend waarvoor het is verstrekt;

    • g.

      het persoonsgebonden budget drie maanden na toekenning nog niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening.

  • 2.

    De intrekking of wijziging van het besluit tot verlening van een voorziening werkt terug tot en met het tijdstip waarop deze voorziening is verleend of de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich heeft voorgedaan, tenzij anders is bepaald.

Artikel 41. Terugvordering

  • 1.

    In geval een besluit tot verstrekking van een voorziening geheel of gedeeltelijk is ingetrokken of ten nadele van de persoon met beperking is gewijzigd, kan het college het ten onrechte betaalde persoonsgebonden budget dan wel de in natura verstrekte voorziening terugvorderen.

  • 2.

    Alle ingevolge deze verordening terug te vorderen bedragen kunnen worden verhoogd met de Wettelijke rente.

Kwaliteitseisen

Artikel 42. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    De aanbieder draagt er zorg voor dat de voorziening van goede kwaliteit is.

  • 2.

    Een voorziening wordt in elk geval:

    • a.

      veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt,

    • b.

      afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,

    • c.

      verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;

    • d.

      verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

  • 3.

    De kwaliteit van voorzieningen die met een pgb worden ingekocht, moeten zoveel mogelijk aan de dezelfde kwaliteitseisen voldoen als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Voor de onderwerpen Begeleiding, Kortdurend Verblijf en Vervoer naar deze voorzieningen voor Zorg in Natura staan de kwaliteitseisen in het procesdocument “contractering uitvoerders Ommelander Samenwerkingsmodel’’.

  • 5.

    Voor de kwaliteitseisen voor zorgboerderijen (Pgb) wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het document "Met klein groei je groot. Inhoud en kwaliteit kleinere aanbieders Groningen".

  • 6.

    De Kwaliteitseisen voor Huishoudelijke ondersteuning en hulpmiddelen zijn opgenomen in de betreffende aanbestedingsdocumenten.

Overige Bepalingen

Artikel 43. Waardering mantelzorgers.

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit een nader door het college te bepalen speciaal georganiseerde activiteit in het teken van en voor de mantelzorgers.

Artikel 44. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen.

Het college heeft aan artikel 14 van de Verordening Wmo 2015 invulling gegeven middels separate regeling in het minimabeleid.

Artikel 45. Meldcode (huiselijk) geweld en kindermishandeling

  • 1.

    De aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, stelt een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden.

  • 2.

    De aanbieder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

  • 3.

    Het college kan aangeven uit welke elementen een meldcode in ieder geval dient te bestaan.

Artikel 46. Calamiteiten en geweld

  • 1.

    De aanbieder doet bij de toezichthoudende ambtenaar onverwijld melding van:

    • a.

      iedere calamiteit die bij het verlenen van een voorziening heeft plaatsgevonden;

    • b.

      geweld bij de verstrekking van de voorziening.

  • 2.

    Onder calamiteit wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt of cliënt van de instelling heeft geleid.

  • 3.

    Onder hulpverlener wordt verstaan iedere medewerker van een aanbieder.

Artikel 47. Verklaring omtrent gedrag van medewerkers

Het college kan van een aanbieder, niet zijnde een aanbieder die hulpmiddelen of woningaanpassingen levert, eisen dat deze in het bezit is van een verklaring omtrent gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens voor beroepskrachten en andere personen die beroepsmatig met zijn cliënten in contact kunnen komen, welke niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging werken.

Artikel 48. Klachtregeling.

  • 1.

    Indien er over de uitvoering van dienstverlening van gecontracteerde aanbieders klachten bestaan, dan is in eerste aanleg de klachtenprocedure van de betreffende aanbieder van toepassing;

  • 2.

    De gemeente wordt door de aanbieder schriftelijk in kennis gesteld van de aard van de klacht en de wijze van klachtafhandeling;

  • 3.

    Indien afhandeling van de klacht via de klachtprocedure niet tot resultaat leidt, dan kan de klager zich wenden tot de gemeente voor verdere afhandeling.

Artikel 49. Betrekken ingezetenen bij beleid.

De gemeente betrekt in het beleidsproces het advies van de Wmo Adviesraad. De Wmo Adviesraad kan aan het college gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen. De verordening Wet maatschappelijke ondersteuning adviesraad gemeente Eemsmond is op dit artikel van toepassing.

Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 50. Inwerkingtreding en citeertitel.

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Eemsmond 2016.

  • 3.

    De nadere regels en besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 worden ingetrokken per 1 januari 2016.

Nota-toelichting  

Artikelen 2 tot en met 9. Procedure bepalingen

Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 moeten gemeenten onder meer regelen op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De Wmo 2015 regelt in de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 al de nodige zaken, waar bij het opstellen van de nadere regels rekenschap van gegeven moet worden. Een reden om een deel van deze wettelijke bepalingen het desondanks toch in het besluit op te nemen, kan gevonden worden in een meer volledig beeld te willen schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt.

Globale beschrijving werkwijze

Vanaf de melding begint de termijn van zes weken onderzoek te lopen. De gemeente maakt een afspraak voor een gesprek in het kader van het onderzoek. Dit gesprek vindt zo mogelijk plaats samen met de gemachtigde, mantelzorger en desgewenst familie, indien aanwezig. Het gesprek is tevens de start voor het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte en persoonskenmerken. Voorafgaand aan het onderzoek moet de gemeente de cliënt wijzen op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning (amendement100) en op de mogelijkheid een persoonlijk ondersteuningsplan op te stellen. Daarvoor krijgt de cliënt 7 dagen de tijd die binnen de afhandelingstermijn van 6 weken van het onderzoek valt (amendement 70). De gemeente betrekt dat plan bij het gesprek.

Mantelzorgers worden waar mogelijk bij het onderzoek betrokken. Het college krijgt de opdracht om behalve de mogelijkheden ook de grenzen aan de belastbaarheid en zijn behoefte aan ondersteuning te bepalen (artikel 2.3.2. d). (amendementen 60 en 87) Een gesprek is niet altijd nodig, bijvoorbeeld wanneer de cliënt al bekend is bij de gemeente en het een vervolg(aan)vraag betreft. Denk aan een aanpassing aan een reeds geleverde rolstoel. Het registreren van de melding is in dit geval wel van belang omdat de termijn van zes plus twee weken (voor afhandeling van de aanvraag) dan gaat lopen. Van het gesprek of onderzoek wordt altijd een verslag gemaakt. Dit is onderdeel van een zorgvuldige dossiervorming en procedure. Cliënt kan tijdens het gesprek middels een aanvraag formulier een ondertekende aanvraag indienen, zodat het verslag niet als nog ondertekent hoeft te worden. Het verslag moet een weergave zijn van de uitkomsten van het onderzoek. De cliënt kan aangeven dat hij dit verslag niet wenst te ontvangen. De gemeente kan het verslag tevens opvatten als een plan waarin het arrangement van voorzieningen en afspraken is neergelegd. In dat geval zullen gemeente en cliënt het verslag beiden moeten ondertekenen. Het wetsvoorstel regelt niet hoe lang het onderzoek geldig is. Indien na het gesprek en het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, moet de cliënt daarvoor een aanvraag indienen. Mits ondertekent, kan het verslag eventueel ook als aanvraag dienen.

Het college moet binnen twee weken op de aanvraag beslissen, wanneer de melding zes weken voor de aanvraag is gedaan . Uitstel is mogelijk, op voorwaarde dat de cliënt daarvan tijdig op de hoogte is gesteld. Een periode van twee weken is mogelijk omdat het onderzoek reeds is afgerond. Artikel 2.6.3. van de Wmo 2015 maakt het mogelijk dat het college de vaststelling van de beschikking kan mandateren aan een aanbieder (amendement nr. 63)

Artikel 2 Melding

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding registreert en onderzoekt.

Dit artikel bepaalt dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan.

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Niet iedere melding hoeft bevestigd te worden. Een persoon kan met een bepaalde inlichting voldoende zijn geholpen, of kan worden doorverwezen indien direct blijkt dat zijn hulpvraag niet onder de Wmo valt.

Zodra uit het vooronderzoek blijkt dat de melding wel onder de Wmo valt en niet kan worden afgehandeld met een eenvoudige verwijzing, wordt de melding geregistreerd. Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken.

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.

In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

Artikel 3. Clientondersteuning.

Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. In artikel 1.1.1, eerste lid van de wet is in de definitie van cliëntondersteuning bepaald dat deze onafhankelijk is. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos en onafhankelijk is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis en onafhankelijke cliëntondersteuning.

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.

De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.

Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid.

Artikel 5. Gesprek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening, dan wel in de nadere regels, in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.

In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.

In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek.

Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

Artikel 6. Verslag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen.

Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Wanneer duidelijk is dat een aanvraag zal worden ingediend, kan dat alvast middels de invulling en ondertekening van een aanvraag formulier, Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.

Artikel 7. Aanvraag

Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Een aanvraag hoeft niet te worden ondertekend. Wel kan een aanvrager tekenen voor toestemming in formatie bij derden op te vragen.

Soms kan van een aanvraag van een maatwerkvoorziening worden afgezien wanneer de gemeente de maatwerkvoorziening middellijk of onmiddellijk zonder eigen bijdrage ter beschikking van de cliënt stelt. Een voorbeeld is het weghalen van drempels in een huurwoning van een corporatie met wie de gemeente een overeenkomst heeft gesloten om de drempel op verzoek van de huurder weg te halen. Wanneer gebruik gemaakt wordt van een rolstoelpool zou daar ook van een aanvraag kunnen worden afgezien.

In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

Artikel 8. Advisering

Het is goed denkbaar dat het proces van hulpvraag tot beslissing mogelijk is zonder externe advisering. Soms is de ondersteuningsvraag en de voorziening die daarvoor is aangewezen voldoende duidelijk. Het college kan in andere gevallen advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het verplicht. Het college hecht aan het belang van een onafhankelijke advisering, zodat voorkomen wordt dat het aanbod van de instelling bepalend wordt voor het advies. Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliёnt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. De informatieplicht heeft onder meer betrekking op de gezondheidssituatie, werk, het inkomen of een verhuizing. Indien de situatie is veranderd kan dit invloed hebben op de verstrekte voorziening. In de toekenningbeschikking staat de informatieplicht uitdrukkelijk opgenomen.

Artikel 9. Inhoud beschikking

Uitgangspunt van de wet is dat de cliёnt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliёnt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.

Vijfde lid, onder a, en zesde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder b.

Vijfde, onder b, en zesde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

Het achtste lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

Pgb.

Artikel 10. Persoonsgebonden budget.

Het eerste lid geeft aan in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken. Bij de volgende drie situaties zijn deze overwegende bezwaren in ieder geval aan de orde.

a. Indien een indicatie is afgegeven voor collectief vervoer kan in plaats hiervan geen persoons- gebonden budget worden verstrekt. Het overwegende bezwaar is dat als de mensen de keuze hebben tussen collectief vervoer en persoonsgebonden budget het draagvlak onder het collectief vervoer zodanig zal verminderen dat dit niet in de huidige vorm kan blijven voortbestaan. Dit zou de instandhouding van het vervoersysteem in gevaar kunnen brengen en de vervoersvoorziening voor de gemeente onnodig kostbaar, zo niet onbetaalbaar, maken. Alleen wanneer niet deelgenomen kan worden aan het collectief vervoer kan een individuele aanvullende vervoersvoorziening worden verstrekt, zoals een PGB.

b. Bijvoorbeeld mensen in een ernstige schuldensituatie of verslavingsproblematiek zonder hulp van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1 van de wet of wanneer deze hulp niet nog beschikbaar komt.

c. Wanneer de gemeente de ondersteuning van de aanbieder lumpsum heeft ingekocht, vormt de inkoop met een pgb extra inkomsten voor die aanbieder boven op de lumpsum. Zonder pgb zou de aanbieder zonder extra inkomsten in natura moeten leveren. Wanneer met een pgb dezelfde ondersteuning van deze aanbieders wordt ingekocht of zal worden ingekocht verstrekt de gemeente geen pgb: zij heeft deze immers al via de lumpsum in natura ingekocht. Wanneer de budgethouder bij een andere aanbieder wil inkopen of andere ondersteuning wil inkopen dan kan dat weer met een pgb.

Artikel 11 Nadere verplichtingen budgethouder.

Naast deze verplichtingen zijn ook de voorwaarden die SVB stelt aan de budgethouder van toepassing in verband met de invoering van het trekkingsrecht voor Pgb.

Artikel 12. Hoogte van het Pgb.

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).

Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.

Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg in natura omdat er minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.

Voor huishoudelijke ondersteuning (plus) geldt dat indien de belanghebbende bij een instelling of zzp-er diensten wil inkopen met een pgb dan geldt dat het pgb tarief 70% bedraagt van het van toepassing zijnde gemiddelde ZIN-tarief. Hierbij moet worden opgemerkt dat de belanghebbende hiermee, conform vigerende jurisprudentie, wel gelijkwaardige en kwalitatief goede zorg moet kunnen inkopen. Het feitelijke percentage kan hierdoor verschillen van 70 tot 100% van het geldende ZIN-tarief.

Ten aanzien van het vijfde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet)

Eigen Bijdrage.

Artikel 13. Bijdrage voor algemene voorzieningen

De gemeente legt geen eigen bijdrage op voor algemene voorzieningen. Instellingen die algemene voorzieningen aanbieden, kunnen wel een bijdrage in de kosten vragen die niet hoger is dan de kostprijs. Wanneer een client deze eigen bijdrage in de kosten niet kan betalen, kan hij een beroep doen op bijzondere bijstand.

Artikel 14. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, en pgb’s.

Lid 2: Centrumgemeente Groningen voert het Beschermd Wonen namens de 23 gemeenten uit. De heffing van de Eigen Bijdrage verloopt via centrumgemeente Groningen.

Lid 4: De Wmo biedt geen mogelijkheid om op deze voorzieningen een Eigen Bijdrage te heffen.

Nadere regels Eigen Bijdrage per maatwerkvoorziening.

Artikel 15 tot en met 18.

In deze artikelen wordt een aantal maatwerkvoorzieningen nader toegelicht. Het betekent dat op genoemde voorzieningen, met uitzondering van de voorzieningen uit artikel 14 lid 4 van dit besluit, een eigen bijdrage wordt geheven. De hoogte van de kostprijs wordt vastgelegd in het financieel besluit en dit bedrag zal als grondslag dienen voor de berekening van de Eigen Bijdrage voor die voorziening.

Nadere regels per voorziening.

Artikel 20. Algemene bepaling

Zie toelichting artikel 5, het gesprek: “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In de Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

Begeleiding Individueel, Begeleiding Groep en Kortdurende Opvang.

Artikel 23, 24 en 26.

Voor een eerste uitwerking van deze begrippen, wordt verwezen naar het contracteringsdocument van het Ommelander Samenwerkingsmodel. De operationalisering van deze begrippen wordt verder uitgewerkt in beleidsregels.

Artikel 27. Beschermd Wonen.

Centrumgemeente Groningen voert het Beschermd Wonen namens de 23 gemeenten uit. Om dit op een goede manier uit te voeren, verwijzen wij naar de nadere regels van de centrumgemeente Groningen als het gaat om het Beschermd Wonen.

Artikel 28: Vervoer

Een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen moet de mogelijkheid bieden om op jaarbasis maximaal 1500-2000 kilometer af te leggen. In de gemeente is de bovengrens, gelet op het landelijke karakter van het gebied, gesteld op 2500 km. Van deze begrenzing kan (tijdelijk) worden afgeweken indien er sprake is van een meer omvangrijke vervoersbehoefte als gevolg van bijvoorbeeld bezoek aan een partner in terminaal ziek stadium.

Er zijn situaties bekend waarbij het collectief vervoer dagelijks zeer frequent wordt gebruikt. Dit intensieve vervoer is en moeilijk planbaar en zeer kostbaar voor alle betrokken partijen. In voorkomende gevallen kan het dan ook nodig zijn om een gebruiker te maximeren in zijn dagelijkse vervoersfrequentie. Dit middel kan alleen toegepast worden indien duidelijk is dat de vervoersbehoefte beter planbaar is en het aannemelijk is dat er geen directe noodzaak bestaat voor de zeer frequente ritten.

Bij de vaststelling van de omvang van de vervoersbehoefte dient rekening te worden gehouden met de voorzieningen die belanghebbende zelf kan treffen ter voorziening in zijn vervoersbehoefte en in hoeverre ten dele gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen als het reguliere OV.

Artikel 29. Soorten vervoersvoorzieningen.

Onder b. De term ‘door spierkracht voortbewogen vervoermiddelen’ moet niet te letterlijk worden opgevat. Zo kan hieronder bijvoorbeeld ook een driewielfiets met hulpmotor vallen.

Onder e. Bij meerkosten gaat het om de extra kosten die toe te wijzen zijn aan ziekte of handicap. Waar de richtlijnen van het NIBUD toegepast kunnen worden, wordt dit gedaan.

Artikel 31. Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel

Een groot deel van de door spierkracht voortbewogen vervoersmiddelen zijn algemeen gebruikelijk en door personen met een beperking te gebruiken. Zo zijn onder andere de tandemmet, de spartamet, de snorfiets, de fiets met trapondersteuning en de fiets met lage instap algemeen gebruikelijk.

Artikel 33. Rolstoel.

Geen rolstoel wordt verstrekt als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen in voldoende mate een oplossing bieden voor het dagelijkse verplaatsingsprobleem. Bij de verstrekking van een rolstoel wordt onder meer rekening gehouden met de verplaatsingsbehoefte en de fysieke mogelijkheden van de persoon.

Artikel 34. Woonvoorziening.

Bij problemen in en rond de woning gaan we behoudens uitzonderingen uit van het voeren van een huishouding in een zelfstandige woonruimte. Onder zelfstandige woonruimte wordt verstaan een woonruimte met eigen (afsluitbare) voordeur en huisnummer, een eigen badkamer en eigen kookgelegenheid.

Bij een aanvraag voor een woonvoorziening wordt ook beoordeeld of verhuizing naar een andere woning een oplossing kan bieden. Het eerste lid geeft het zogenaamde primaat van verhuizen weer. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat de persoon in aanvaardbare mate moet worden gecompenseerd. Bij de beoordeling van het primaat van verhuizen wordt rekening gehouden met alle individuele omstandigheden. Bij de afweging wordt onder meer betrokken de woonomgeving, de financiële gevolgen van de verhuizing, sociale omstandigheden en de beschikbaarheid van een andere woning. Ook moet duidelijk zijn dat de beperkingen door een verhuizing kunnen worden gecompenseerd binnen een medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad en de mogelijkheid om te verhuizen naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning.

Artikel 35.Verhuiskosten.

 Indien er een medische noodzaak is om te verhuizen wordt in de beschikking een programma van eisen toegevoegd waaraan de nieuwe woning dient te voldoen. Hiermee wordt voorkomen dat verhuisd wordt naar een ongeschikte woning.

Artikel 39 terugbetaling bij verkoop.

Met dit artikel wordt beoogd om kapitaalvernietiging te voorkomen. Deze zogenaamde anti-speculatie bepaling verplicht de woningeigenaar bij verkoop tot terugbetaling van de eventuele meerwaarde ten gevolge van de woningaanpassing verminderd met de afschrijving. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum vaststaat wat de verkoopprijs van de woning is. Het restbedrag wordt gerelateerd aan de afschrijvingstermijn van de voorziening.

 

Een schoon en leefbaar huis

Iedereen moet gebruik kunnen maken van een schoon en leefbaar huis. Een leefbaar huis staat voor opgeruimd en functioneel. Een schoon huis betekent dat ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn worden schoongemaakt. Het gaat om de woonkamer, de keuken, sanitaire ruimtes, de als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes en de gang/trap. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden.

 

Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaardbaar niveau van schoon te realiseren. Daarbij is het aan de betrokkene om keuzes te maken en per keer prioriteiten te stellen. Daarnaast dient indien nodig de was te worden verzorgd.

 

Algemeen aanvaardbaar schoon is een begrip dat gedurende de jaren ook is veranderd. Mede als gevolg van nieuwe technologieën (droger, afwasmachine etc) maar ook door andere tijdsbesteding gaan mensen tegenwoordig anders qua tijd en beleving om met het huishouden dan bijv dertig jaar geleden. Daarom moet de persoon zich er soms bij neer leggen dat zijn verwachtingen t.a.v. de ondersteuning bij het huishouden afwijkt van zijn persoonlijke normen.

 

Als iemand regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem of haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en dat keuzes worden gemaakt.

 

Huishoudelijke ondersteuning die kan worden ingezet om het resultaat een schoon en leefbaar huis te bereiken kan bestaan uit één of meer van onderstaande activiteiten:

  • 1.

    Lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden

  • 2.

    Verzorging kleding en linnengoed

  • 3.

    Boodschappen doen voor dagelijks leven

  • 4.

    Maaltijdverzorging

  • 5.

    Opvang en/of verzorging van kinderen

  • 6.

    Dagelijkse organisatie van het huishouden

  • 7.

    Instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden

  • 8.

    Sturing of stimulering bij het deels uitvoeren van activiteiten

  • 9.

    Advisering van informele verzorging.

     

Ad 1. Lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden

Bij lichte schoonmaakwerkzaamheden gaat het concreet om activiteiten als afwassen, stof afnemen, bedden opmaken. Bij zware schoonmaakwerkzaamheden gaat het bijvoorbeeld om stofzuigen, schoonmaken van badkamer, keuken en toilet, bedden verschonen en het schoonmaken van vloeren.

 

Ad 2. Verzorging kleding en linnengoed

De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat worden schoongemaakt. Dit betekent het wassen, drogen en in bepaalde situaties strijken van bovenkleding . Het gaat hierbij uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding moet hiermee rekening worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te kunnen maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke – moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droogruimte of een droger. Onder dit resultaatgebied valt niet het doen van kledinginkopen.

 

Ad 3. Boodschappen doen voor dagelijks leven

In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse activiteiten nodig. De ondersteuning is beperkt tot die levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks en/of wekelijks in elk huishouden worden gebruikt. Het is algemeen aanvaard dat mensen deze boodschappen geclusterd doen door één maal per week de voorraad in huis te halen. Daarbij wordt aangesloten door uit te gaan van één maal per week boodschappen doen. In de meeste gevallen kan gebruik worden gemaakt van een algemene voorziening (zoals de plaatselijke boodschappendienst).

 

Ad 4. Maaltijdverzorging

Ook het bereiden van maaltijden valt onder dit resultaat. In de meeste situaties kan van een algemene voorziening, zoals maaltijdservice voor de warme maaltijd, gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop die een oplossing kunnen bieden.

 

Ad 5. Opvang en/of verzorging van kinderen

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er voor zorg dragen dat er op tijden dat zij beiden werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan worden ingevuld op de manier waarop zij dat willen (oppas, grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Kan/kunnen de ouder(s) deze rol tijdelijk niet vervullen dan kan bij voltijds werkzaamheden maximaal 40 uur per week, aanvullend op de eigen mogelijkheden, worden geïndiceerd voor de duur van maximaal 3 maanden. De Wet heeft in deze vooral een taak om tijdelijk in te springen, zodat ruimte ontstaat om een goede oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

 

Ad 6. Dagelijkse organisatie

Het organiseren van de huishoudelijke taken en het beheren van de middelen mbt de huishoudelijke taken.

 

Ad 7. Instructie, advies en voorlichting gericht op het huishouden

Instructies geven en adviseren op de volgende gebieden:

• huishoudelijk werk

• wassen en strijken

• boodschappen

• koken

 

Ad 8.Sturing of stimulering bij het deels uitvoeren van activiteiten

De betrokkene stimuleren om huishoudelijke taken weer te gaan doen door het gezamenlijk oppakken van huishoudelijke taken. En waar nodig de betrokkene sturing geven in het oppakken van huishoudelijke taken.

 

Ad. 9.Advisering van informele verzorging

De informele verzorging (sociaal netwerk) adviseren over de taken die zij (samen met betrokkene) zouden kunnen uitvoeren.

 

Sociaal netwerk

Sociale netwerken zijn het geheel aan sociale relaties dat een persoon omringt (Harting & Assema, 2007). Het gaat om naaste contacten, zoals familie en vrienden, maar ook minder hechte relaties met bijvoorbeeld kennissen, buren en collega’s.

Het is een verzamelnaam voor een netwerk van betekenisvolle figuren (familie, vrienden en kennissen) dat functioneert als ondersteuningsbron voor het eigen welzijn en welbehagen en dat van de personen in het netwerk.