<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR393315_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel Wet taaleis Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Vechtstroom, 13-1-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel Wet taaleis Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 18b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Taaleis Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit taaltoets Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-01-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Beleid</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels Wet taaleis Participatiewet </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht
                        ;</al><al/><al>gelet op:</al><lijst><li nr="·"><al>Artikel 7, 8a, 10 en 18b Participatiewet</al></li><li nr="·"><al>Artikel 10.1, 4.81 en 4.84 Awb</al></li></lijst><al/><al>b e s l u i t</al><al/><al> vast te stellen de volgende:</al><al/><al><vet>BeleidsregelsWet taaleis Participatiewet </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al/><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al/></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze beleidsregel wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.b en w</al></entry><entry colname="col2"><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                                Stichtse Vecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.uitkering</al></entry><entry colname="col2"><al>de door het college verleende bijstand in het kader
                                                van de Participatiewet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.belanghebbende</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvragers of ontvangers van algemene bijstand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.Wet Taaleis</al></entry><entry colname="col2"><al>de wet tot wijziging van de Participatiewet met
                                                inbegrip van het Besluit taaltoets
                                                Participatiewet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.referentieniveau</al></entry><entry colname="col2"><al>het fundamentele niveau (F-niveau) taal volgens de
                                                richtlijnen van de Rijksoverheid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.inburgering</al></entry><entry colname="col2"><al>de Wet inburgering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.Afstemmingsverordening</al></entry><entry colname="col2"><al>Afstemmingsverordening Stichtse Vecht 2015</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kennis van de Nederlandse taal</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aantonen kennis Nederlandse taal</titel></kop><al>In de volgende situaties kan belanghebbende aantonen te voldoen aan de
                            eis tot beheersing van de Nederlandse taal:</al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer belanghebbende in de leeftijd (tussen 5 en 16 jaar)
                                    tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond kan ervan
                                    uitgegaan worden dat door belanghebbende gedurende acht jaar
                                    Nederlandstalig onderwijs is gevolgd. </al></li><li nr="2."><al>Een diploma inburgering als bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                                    onderdeel a, van de Wet inburgering of een gelijkwaardig diploma
                                    (artikel 2.3 Besluit inburgering) geldt als bewijs dat
                                    belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis
                                    voldoet.</al></li><li nr="3."><al>Een ander document waaruit blijkt dat de belanghebbende de
                                    vaardigheden op minimaal het referentieniveau 1F (A2) beheerst.
                                    Hierbij kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr="a."><al>Diploma Nederlandstalig voortgezet onderwijs,
                                            bijvoorbeeld diploma VSO of PRO, volwassenenonderwijs,
                                            VMBO, MBO, Havo, VWO, HBO of WO of een uittreksel uit
                                            het diploma register van het DUO. Of een diploma
                                            volledig basisonderwijs in de Nederlandse taal. Een
                                            kopie van het bewijs volstaat. </al></li><li nr="b."><al>Een certificaat van een erkende/gecertificeerde
                                            opleiding/onderwijsinstelling, of taalinstituut, waaruit
                                            blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal op 1F (A2)
                                            niveau beheerst. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden
                                            aan een door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
                                            Wetenschap erkende opleiding/onderwijsinstelling of een
                                            onderwijsinstelling die in het bezit is van een
                                            ISO-9001:2008 certificaat of vergelijkbaar certificaat.
                                            Dit kan ook een particulier of Nederlandstalig onderwijs
                                            in het buitenland zijn.</al></li><li nr="c."><al>Bewijs van uitslag taaltoets (certificaat). Deze
                                            taaltoets dient te voldoen aan het Besluit taaltoets
                                            Participatiewet. Of een beschikking van een andere
                                            gemeente, inclusief certificaat/uitslag taaltoets,
                                            waaruit blijkt dat de werkzoekende voldoet aan de Wet
                                            taaleis </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Arbeidsovereenkomst van minimaal een half jaar voor een functie
                                    waarvoor het beheersen van de Nederlandse taal (niveau 1F/A2)
                                    noodzakelijk is. </al></li><li nr="5."><al>Het tekenen van een eigen verklaring zoals tijdens een gesprek
                                    verstrekt door de gemeente, waarin belanghebbende verklaart dat
                                    hij of zij voldoet aan de Wet taaleis Participatiewet (artikel
                                    18b van de Participatiewet 2016). Deze eigen verklaring kan
                                    alleen aangeboden worden door de klantmanager/consulent van de
                                    gemeente als niet getwijfeld wordt dat de belanghebbende de
                                    Nederlandse taal beheerst op niveau 1F (A2). De gemeente behoudt
                                    zich het recht voor de belanghebbende (in een later stadium)
                                    alsnog om een bewijsstuk te vragen, dan wel aan te melden voor
                                    een taaltoets. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De taaltoets</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3. Taaltoets</label></kop><al>De taaltoets wordt uitgevoerd door een instituut dat voldoet aan de
                            voorwaarden, zoals gesteld in het Besluit taaltoets Participatiewet. De
                            taaltoets moet binnen 8 weken vanaf aanvraag uitkering worden afgenomen.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Niet verwijtbaarheid en daarom geen taaltoets</label></kop><al>Van een taaltoets wordt in de volgende situaties afgezien:</al><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende bezig is met de inburgeringsplicht </al></li><li nr="2."><al>De volgende situaties zijn voorbeelden van niet verwijtbaarheid,
                                    waarbij (tijdelijk) sprake kan zijn dat de belanghebbende niet
                                    wordt gehouden aan de Wet taaleis Participatiewet:</al><lijst><li nr="o"><al>dyslexie, </al></li><li nr="o"><al>analfabetisme, </al></li><li nr="o"><al>leerproblemen, </al></li><li nr="o"><al>cognitieve problemen, </al></li><li nr="o"><al>psychosociale problemen; </al></li><li nr="o"><al>gezondheidsredenen en/of medische gronden, </al></li><li nr="o"><al>audio- en visuele beperkingen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Eerder een taalcursus is gevolgd en vastgesteld is door de
                                    educatie-instelling dat door in de persoon gelegen factoren,
                                    belanghebbende niet in staat is om de Nederlandse taal op
                                    referentieniveau machtig te worden</al></li><li nr="4."><al>Indien met belanghebbende een re-integratietraject is
                                    afgesproken en hij of zij zich hiervoor inzet, geldt dit als
                                    dringende reden om af te zien van een verlaging van de
                                    uitkering. </al></li><li nr="5."><al>Uit zijn aard kortdurende bijstand.</al></li><li nr="6."><al>Volledige ontheffing van de arbeidsplicht of een algemene
                                    ontheffing heeft op grond van psychische, fysieke of sociale
                                    problematiek. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Kennisgeving, bereidverklaring en aanbod taaltraject</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5. Kennisgeving en bereidverklaring</label></kop><al>Is de uitkomst van de toets dat belanghebbende niet (volledig) aan de
                            taaleis voldoet, dan wordt als volgt gehandeld: </al><lijst><li nr="1."><al>Zo spoedig mogelijk nadat de uitkomst van de taaltoets is
                                    ontvangen wordt belanghebbende indien hij niet (volledig)
                                    voldoet aan de taaltoets voor een gesprek uitgenodigd. In de
                                    uitnodiging wordt aangegeven dat belanghebbende tijdens het
                                    gesprek kan aangeven of hij bereid is tot het leren van de
                                    Nederlandse taal (Bereidverklaring). Tijdens het gesprek zal,
                                    als de belanghebbende aangeeft de Nederlandse taal niet te
                                    willen leren, beoordeeld worden of dit verwijtbaar is. </al></li><li nr="2."><al>Binnen 8 weken nadat de uitkomst van de taaltoets bekend is,
                                    moet een kennisgeving worden verstuurd. Dit vindt plaats
                                        <onderstreept>nadat</onderstreept> het eventuele gesprek
                                    heeft plaatsgevonden. In deze kennisgeving staat de uitkomst van
                                    de taaltoets, het resultaat van het gesprek en het al dan niet
                                    (aankondigen) van verlaging van de uitkering vermeld. Indien
                                    belanghebbende een bereidverklaring heeft afgegeven wordt in de
                                    kennisgeving vermeld dat de verlaging niet geldt, zolang
                                    belanghebbende voldoet aan de voortgang van het leren van de
                                    Nederlandse taal die van hem verwacht mag worden (voldoende
                                    inspanning).</al></li><li nr="3."><al>Indien belanghebbende zich niet bereid verklaart te starten met
                                    het leren van de Nederlandse taal gaat de verlaging van de
                                    uitkering in op datum van de kennisgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Aanbod taaltraject</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende wordt tijdens het gesprek gewezen op de
                                    mogelijkheden van taaltrainingen die aangeboden en gesubsidieerd
                                    worden vanuit de Wet Educatie gelden. Hierbij kan zowel gebruik
                                    worden gemaakt van het formele als het informele aanbod. </al></li><li nr="2."><al>Inspanningen van belanghebbende worden individueel beoordeeld.
                                    Van voldoende inspanning is in ieder geval sprake als
                                    belanghebbende aantoonbaar part-time werk, gesubsidieerd werk of
                                    een werkervaringsplaats heeft, dan wel vrijwilligerswerk, een
                                    tegenprestatie doet of deelneemt aan een re-integratietraject,
                                    waarvan het college oordeelt dat beheersing van de Nederlandse
                                    taal nodig is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>De voortgang van het taaltraject</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7. Het volgen van de voortgang van het taaltraject</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende moet binnen 1 maand na de kennisgeving melden dat
                                    gestart is met het leren van de Nederlandse taal.</al></li><li nr="2."><al>Om de 6 maanden vindt op basis van informatie van belanghebbende
                                    en/of de aanbieder van het taalonderwijs een beoordeling plaats
                                    of belanghebbende voldoende inspanning verricht met het leren
                                    van de Nederlandse taal, mede in relatie tot gemaakte afspraken.
                                </al></li><li nr="3."><al>Tijdens reguliere contactmomenten zal periodiek gevraagd worden
                                    naar de voortgang (inspanning) van de afgesproken
                                    activiteiten.</al></li><li nr="4."><al>Als beoordeeld wordt dat er onvoldoende inspanning is verricht
                                    (voortgang is), zal de belanghebbende opnieuw een taaltoets
                                    moeten doen alvorens een eventuele verlaging kan worden
                                    toegepast. </al></li><li nr="5."><al>Een eventuele verlaging gaat in per datum van de nieuwe
                                    kennisgeving, dus niet met terugwerkende kracht tot de
                                    kennisgeving van het redelijk vermoeden. Er wordt dan gestart
                                    met de laagste categorie van afstemming.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Verlaging van de uitkering bij verwijtbaar onvoldoende inspanning/voortgang</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8. Samenloop</label></kop><al>Het college dient bij een verlaging rekening te houden met de
                            proportionaliteit van de verlaging</al><al>1.Als sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in
                            de afstemmingsverordening of artikel 18, vierde lid, van de
                            participatiewet genoemde verplichtingen, wordt alleen het regime van
                            artikel 18b toegepast. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Dringende reden om af te zien van toepassing van een verlaging</label></kop><al>1.Dringende reden om af te zien van een verlaging kan gelegen liggen in
                            het maatschappelijk belang en de zorgplicht van de overheid in relatie
                            tot individuele omstandigheden en kinderen in het gezin. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Relatie met andere wetgeving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10. Relatie met Wet inburgering</label></kop><al>Wanneer belanghebbende begonnen is met een leertraject in het kader van
                            de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’
                            van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld is in de Wet taaleis. (Zie
                            artikel 4 van deze beleidsregels)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</label></kop><lijst><li nr="5."><al>Inzake de onderwerpen die vallen onder de discretionaire
                                    bevoegdheid van het college, waarin</al><al>deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als “Beleidsregels
                                    Wet taaleis Participatiewet”.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de college vergadering van 5 januari 2016.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de beleidsregels Wet taaleis Participatiewet</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Eerste Kamer heeft op 17 maart 2015 ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet
                    taaleis WWB’ (hierna: Wet taaleis). Dit wetsvoorstel is een uitvloeisel van een
                    aantal afspraken uit het regeerakkoord “Bruggen slaan”. </al><al>Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal is nadrukkelijk
                        <cursief>géén </cursief>uitsluitingsgrond of toegangsvoorwaarde voor
                    bijstand. De taaleis is alleen van toepassing, als er recht op bijstand bestaat
                    en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden. De taaleis legt een
                    inspanningsverplichting op aan belanghebbende. Voldoende is, dat de
                    belanghebbende zich inspant om de Nederlandse taal voldoende machtig te worden.
                    Doel van die inspanningsverplichting is om de volgende vaardigheden in de
                    Nederlandse taal op referentieniveau 1F (A2) te verwerven:</al><lijst><li nr="·"><al>Spreekvaardigheid;</al></li><li nr="·"><al>Luistervaardigheid;</al></li><li nr="·"><al>Gespreksvaardigheid;</al></li><li nr="·"><al>Schrijfvaardigheid;</al></li><li nr="·"><al>Leesvaardigheid. </al></li></lijst><al>Met de Wet taaleis Participatiewet krijgt de gemeente de verplichting om van
                    bijstandsgerechtigden te verlangen dat zij actief werken aan hun
                    taalvaardigheid. Zonder Nederlands te begrijpen en te spreken is het immers veel
                    moeilijker om aan het werk te komen en daarmee uit de bijstand te komen.
                    Bovendien draagt kennis van de taal bij aan maatschappelijke participatie. </al><al>De Participatiewet kent een brede arbeids- en re-integratieverplichting. Gezien
                    het belang van de beheersing van de Nederlandse taal voor arbeidsinschakeling is
                    ervoor gekozen om de Participatiewet uit te breiden met een taaleis. In artikel
                    18b is de inlichtingenplicht uitgebreid met de verplichting om aan te tonen dat
                    de aanvrager de Nederlandse taal beheerst.</al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Dit artikel bevat de begripsbepalingen die op deze beleidsregels van toepassing
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 2.</vet></al><al><vet>Aantonen kennis Nederlandse taal</vet></al><al><vet>Lid 1.</vet></al><al>Wanneer betrokkene in de leeftijd (tussen 5 en 16 jaar) tenminste acht jaren in
                    Nederland heeft gewoond kan ervan uitgegaan worden dat betrokkene gedurende acht
                    jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd. Dit hoeft niet verder bewezen te
                    worden, omdat dat duidelijk is vanuit Suwi-net. Voor bestaande klanten kan pas
                    vanaf 1-7-2016 gebruik worden gemaakt van Suwi-net, omdat tot dat moment de
                    basis om Suwinet te mogen gebruiken ontbreekt. Voor nieuwe klanten kan dit vanaf
                    1-1-2016.</al><al><vet>Lid 2.</vet></al><al>De definitie voor wat als een gelijkwaardig diploma geldt is opgenomen in
                    artikel 2.3 van het Besluit inburgering.</al><al><vet>Lid 3.</vet></al><al>Voorbeelden van particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland
                    zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>een Belgisch diploma met een voldoende voor het vak Nederlands +
                            cijferlijst (beide documenten voorzien van legalisatie);</al></li><li nr="·"><al>een Surinaams diploma met voldoende voor het vak Nederlands +
                            cijferlijst (beide documenten voorzien van legalisatie);</al></li><li nr="·"><al>een diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school, met
                            Nederlands als 1e of 2e taal en een voldoende voor het vak
                            Nederlands;</al></li><li nr="·"><al>een getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate,
                            International General Certificate of Secondary Education of
                            International Baccalaureaat met een voldoende voor het vak
                            Nederlands.</al></li></lijst><al>Ook rapporten en diploma’s kunnen zijn opgenomen in Suwi-net. Voor bestaande
                    klanten kan pas vanaf 1-7-2016 gebruik worden gemaakt van Suwi-net, omdat tot
                    dat moment de basis om Suwinet te mogen gebruiken ontbreekt. Voor nieuwe klanten
                    kan dit vanaf 1-1-2016.</al><al><vet>Lid 5.</vet></al><al>Op een later moment kan blijken dat de verklaring gedaan door belanghebbende
                    toch niet juist is. Op dat moment kan de gemeente besluiten alsnog een taaltoets
                    te laten uitvoeren.</al><al><vet>Artikel 3. Taaltoets</vet></al><al>Dit artikel geeft aan, aan welke voorwaarden de instelling moet voldoen die de
                    taaltoets uitvoert. </al><al><vet>Artikel 4. Niet verwijtbaar en daarom geen taaltoets</vet></al><al>Bij de keuze om geen taaltoets af te nemen is sprake van maatwerk. Uit zijn aard
                    kortdurende bijstand kan zich bijvoorbeeld voordoen bij op handen zijnde
                    emigratie of bij een ongeneeslijke terminale ziekte. Indien men
                    Inburgeringsplichtig is, moet men eveneens een taaltraining volgen die opleidt
                    tot minimaal niveau 1F.</al><al><vet>Artikel 5. Kennisgeving, bereidverklaring en aanbod taaltraject</vet></al><al>Met dit artikel wordt beoogd een aantal stappen in een keer uit te voeren
                    namelijk het versturen van de kennisgeving met aankondiging van een verlaging en
                    het meteen toepassen van het afzien van een verlaging zolang aan de voorwaarden
                    daarvoor wordt voldaan. Van belang is het dan wel dat er op zeer korte termijn
                    nadat de uitkomst van een toets bekend is, een gesprek plaatsvindt met de
                    belanghebbende indien niet volledig voldaan wordt aan de taaleis. De
                    beschikking, waarin opgenomen een eventuele aankondiging van een verlaging moet
                    immers binnen 8 weken nadat de uitslag van de toets bekend is worden
                    verstuurd.</al><al>De gemeente zal voor de belanghebbende het tijdspad kunnen bepalen waarbinnen de
                    Nederlandse taal geleerd moet worden. Dit tijdspad wordt afgestemd op de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende en
                    zal dus per situatie verschillend zijn. </al><al>De eventuele verlaging van de uitkering gaat op datum van kennisgeving van het
                    redelijk vermoeden in. Dit geldt niet voor de situatie dat pas later niet
                    voldaan wordt aan de inspanningsverplichting (zie artikel 7).</al><al><vet>Artikel 6. Aanbod taaltraject</vet></al><al>De volgende partijen kunnen een aanbod verzorgen: Taal+ (NLEducatie), Prago,
                    Volksuniversiteit en het taalpunt. Deze partijen worden vanuit de Web-gelden
                    gesubsidieerd. Er zijn daarbij geen of zeer beperkte kosten voor de
                    taaltraining. Het taalpunt kan mede beoordelen bij welke training de
                    belanghebbende het best past. </al><al><vet>Artikel 7. Het volgen van de voortgang van het taaltraject</vet></al><al>Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet taaleis wordt afgeleid dat minimaal
                    eens in de zes maanden een controle van de voortgang plaatsvindt. Er zijn
                    meerdere opties om de voortgang te volgen evenals meerdere
                    beoordelingsinstrumenten. Alleen in de situatie dat er een mogelijke verlaging
                    aan de orde is moet er een taaltoets conform eisen van het Besluit taaltoets
                    Participatiewet worden ingezet.</al><al>De belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor regelmatige terugkoppeling van
                    de voortgang. Belanghebbende kan dit aantonen door overlegging van
                    presentielijsten van aanbieders, overzicht van de vorderingen zoals bijgehouden
                    in het monitoringssysteem van de aanbieder en/of beoordeling van de trainer.
                    Over monitoring zijn afspraken gemaakt met de aanbieders van de taaltrainingen
                    vanuit de Wet Educatie. Voor wat betreft gesprekken over de voortgang wordt
                    zoveel mogelijk aangesloten bij reguliere afspraken van consulenten met
                    belanghebbende. Als beoordeeld wordt dat de inspanning onvoldoende is, moet
                    eerst een taaltoets worden afgenomen, alvorens een eventuele verlaging kan
                    worden toegepast. </al><al>Onvoldoende inspanning kan blijken uit regelmatige absentie van belanghebbende
                    op de taaltraining, onvoldoende resultaten op basis van de tussentijdse toetsen,
                    stopzetten van de part-time werkzaamheden.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop</vet></al><al>Naast de verplichting om te voldoen aan de taaleis gelden de arbeids- en
                    re-integratieverplichtingen ingevolge de artikelen 9 en 18 lid 4
                    Participatiewet. In de praktijk kan er samenloop bestaan tussen de verplichting
                    om de Nederlandse taal te leren en de arbeids- en re-integratieverplichtingen. </al><al><vet>Artikel 9. Dringende reden om af te zien van toepassing van een
                        verlaging</vet></al><al>Voor de uitleg van deze “dringende reden” kan aangesloten worden bij de uitleg
                    van eenzelfde bepaling in artikel 18 lid 10 Participatiewet. Hierbij wordt ook
                    gekeken naar de situatie in het gezin.</al><al><vet>Artikel 10. Relatie met Wet inburgering</vet></al><al>Voor inburgeringsplichtigen op grond van de Wet inburgering geldt dat zij al een
                    verplichting hebben om de Nederlandse taal machtig te worden. Op grond van de
                    Wet inburgering heeft een inburgeraar 3 of 5 jaar de tijd om te voldoen aan het
                    in die wet vereiste taalniveau (A2). Wanneer een belanghebbende begonnen is met
                    een leertraject in het kader van de Wet inburgering, kan dit worden aangemerkt
                    als ‘voldoende inspanning’ van de kant van de belanghebbende, zoals bedoeld is
                    in de Wet Taaleis. De belanghebbende krijgt dus niet met twee verschillende
                    trajecten te maken. De Wet inburgering voorziet ook in sancties als niet aan de
                    inburgeringsplicht wordt voldaan.</al><al>Wel dient de gemeente te monitoren in welke mate voortgang wordt gemaakt met het
                    inburgeringstraject.<sup/>Desgevraagd moet de aanvrager het volgen van een
                    dergelijk traject aantonen aan de hand van documenten. Dat geldt ook voor het
                    meten van de voortgang. Laat de aanvrager na de betreffende documenten te
                    overleggen, dan heeft dit nog geen gevolgen voor het recht op algemene bijstand.
                    Gevolg is wel, dat bij het niet verstrekken van een bewijs dat men een
                    inburgeringstraject volgt of voortgang maakt, er een verplichting ontstaat om
                    een toets af te leggen in het kader van de Wet Taaleis.</al><al><vet>Artikel 11. Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien</vet></al><al>Het college besluit in gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien. </al><al><vet>Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>