<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR392854_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Oostzaan</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oostzaan</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 76043</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Oostzaan</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>*</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>wmo</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels behorende bij de Verordening voorzieningen maatschappelijke
            ondersteuning Oostzaan</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>0</nr><titel>Inleiding</titel></kop><structuurtekst><al>Voor u liggen de beleidsregels behorende bij de Verordening
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Oostzaan. De beleidsregels
                            zijn een uitwerking van de verordening zoals die door de gemeenteraad is
                            vastgesteld. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe in de praktijk
                            vorm wordt gegeven aan de in de verordening gestelde regels. Naast de
                            beleidsregels kent de gemeente het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning Oostzaan. Ook dit besluit is een uitwerking van de
                            verordening, maar dan vooral op het terrein van financiën.</al><al>In de beleidsregels wordt aangegeven hoe een afweging wordt gemaakt om
                            tot een beslissing op een aanvraag te komen en welke zaken daarin een
                            rol moeten spelen. Daarbij is veel aandacht voor het individu en bestaat
                            de mogelijkheid om maatwerk te leveren, mits daar een goede motivering
                            aan ten grondslag ligt. </al><al>De opbouw van de beleidsregels is vergelijkbaar met die van de
                            verordening en het besluit. Hoofdstuk 1 gaat over de algemene
                            toekenning- en weigeringgronden voor voorzieningen. Hoofdstuk 2 gaat
                            over de vorm van te verstrekken voorzieningen. Hoofdstuk 3 geeft aan
                            wanneer men aanspraak kan maken op hulp bij het huishouden, hoofdstuk 4
                            gaat over de woonvoorzieningen, hoofdstuk 5 over de
                            vervoersvoorzieningen en hoofdstuk 6 gaat in op het verkrijgen van
                            hulpmiddelen. Hoofdstuk 8 vermeld hoe een voorziening aangevraagd wordt
                            en aan welke voorwaarde de gemeente moet voldoen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>1.1 Eigen verantwoordelijkheid</label></kop><al>De gemeente stelt de zelfredzaamheid en het organisatorisch vermogen van
                            personen met beperkingen centraal. Dit betekent dat zij een afweging wil
                            maken bij een hulpvraag met betrekking tot de eigen mogelijkheden van de
                            hulpvrager of diens omgeving alvorens ondersteuning te bieden vanuit de
                            compensatieplicht van de gemeente. </al><al>De eigen verantwoordelijkheid hangt nauw samen met de wijze waarop de
                            gemeente in de verordening en de beleidsregels de compensatieplicht
                            inhoud geeft. Omdat de gemeente in bijzondere omstandigheden voor
                            maatwerk wil staan en niet rigide wil zijn, hebben de consulenten Wmo
                            (indicatiestellers) van de gemeente een cruciale rol in de integrale
                            benadering van de hulpvraag. Voorheen had de gemeente in het kader van
                            de Wvg de zorgplicht voor die burgers die ergonomische belemmeringen
                            ondervonden bij hun maatschappelijk functioneren. De Wmo verlangt dat
                            mensen hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het oplossen van hun
                            belemmeringen. Ook de omgeving van de hulpvrager moet deze
                            verantwoordelijkheid zoveel mogelijk mee dragen.</al><al/><al><onderstreept>Hoe kan een burger de eigen verantwoordelijkheid
                                vormgeven?</onderstreept></al><al>Een aantal beperkingen kan een burger zelf compenseren door aanschaf van
                            een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening die
                            overal (in het reguliere economische verkeer) te verkrijgen is,
                            laagdrempelig in de aanschaf en ook wordt aangeschaft door mensen zonder
                            beperkingen. Een elektrische fiets of een verhoogd toilet zijn b.v.
                            algemeen gebruikelijk. De hulpvrager kan een beroep doen op een
                            voorhanden zijnde voorliggende voorziening.</al><al>Indien er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met
                            de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking, is een beroep
                            op de ondersteuning bij de gemeente niet noodzakelijk. De hulpvrager
                            heeft dan zelf de mogelijkheid om ook deze kosten te dragen. Bij het
                            doen van een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger
                            moeten we altijd kijken naar de individuele situatie. Van de
                            ondersteuningsbehoevende verlangen we dat hij bij keuzes die hij maakt,
                            rekening houdt met zijn levensfase en de beperkingen die horen bij de
                            individuele omstandigheden. Een ondersteuningsbehoevende moet naar
                            levensfase anticiperen op zijn eigen participatiebehoeften. Er kunnen
                            altijd individuele omstandigheden zijn, waardoor dit geen reëel
                            verlangen is en een beroep op ondersteuning van de gemeente noodzakelijk
                            is.</al><al>De gemeente ondersteunt, als de eigen mogelijkheden niet leiden tot een
                            aanvaardbare oplossing, de hulpvrager door de beperkingen te
                            compenseren. Vanuit deze compensatieplicht maakt de gemeente andere
                            afwegingen. Indien een burger komt met een hulpvraag, maakt de consulent
                            Wmo van de gemeente een afweging aan de hand van de volgende stappen
                            (volgende pagina).</al><al/><al><vet>1.Vraagverheldering en vraaganalyse</vet></al><al>De consulent Wmo benadert de hulpvraag van de klant niet vanuit het
                            aanbod aan producten. Niet de gevraagde voorziening staat centraal, maar
                            eerst moet helder gesteld zijn wat het probleem van de hulpvrager is.
                            Welke belemmering(en) belemmert de hulpvrager bij zijn
                            participatie?</al><al/><al><vet>2.Begeleiden en sturen eigen verantwoordelijkheid</vet></al><al>Als het probleem in beeld is, worden de mogelijkheden van de hulpvrager
                            bekeken. Kan de hulpvrager zelf (een deel van) het probleem oplossen?
                            Kan de omgeving, de buurt ondersteuning bieden? Wat mogen wij van de
                            klant verwachten? Mensen die dat kunnen, dienen voor problemen die zich
                            voordoen zelf oplossingen te bedenken in de eigen omgeving. De burger
                            dient op een adequate wijze te anticiperen op (komende) veranderingen in
                            diens leefsituatie, waarbij de burger:</al><lijst><li nr="-"><al>eerst naar de eigen mogelijkheden kijkt;</al></li><li nr="-"><al>een beroep doet op het eigen netwerk;</al></li><li nr="-"><al>eigen financiële middelen inzet.</al><al/></li></lijst><al><vet>3. Compensatieplicht voor de gemeente</vet></al><al>Als aanvulling op, dan wel bij het ontbreken van, de mogelijkheid om een
                            beroep te doen op de eigen verantwoordelijkheid, compenseert de gemeente
                            de beperking van de hulpvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>1.2 Toekenning en weigering van voorzieningen </label></kop><al>De eigen verantwoordelijkheid wordt vertaald in toekenning- en
                            weigeringgronden die zijn opgenomen in artikel 2 van de verordening. De
                            verordening vormt zo het raamwerk waarbinnen maatwerk geleverd kan
                            worden. </al></artikel><artikel><kop><label>1.2.1 Toekenning van voorzieningen </label></kop><al><onderstreept>Langdurig noodzakelijk (art. 2, lid 1 onder
                                a)</onderstreept></al><al>De eis dat een voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn heeft onder
                            andere te maken met de afgrenzing met het hulpmiddelendepot dat op de
                            basis van de AWBZ beschikbaar wordt gesteld. Uit het hulpmiddelendepot
                            kan gedurende drie maanden, eenmaal te verlengen met nog eens drie
                            maanden, een hulpmiddel worden verleend. Na die periode bestaat de
                            mogelijkheid het hulpmiddel tegen betaling te huren. Dat wil echter niet
                            zeggen dat de grens van langdurig noodzakelijk op 6 maanden ligt. De
                            grens wordt bepaald door de vraag: gaat het probleem over of is het
                            blijvend? Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren
                            maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat er geen
                            sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een
                            aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting langer is dan 4
                            maanden, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is. Er moet dan
                            worden uitgegaan van langdurige noodzaak.</al><al/><al><onderstreept>Goedkoopst compenserend (art. 2, lid 1 onder
                                b)</onderstreept></al><al>Het criterium goedkoopst compenserend betekent dat een te verstrekken
                            voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Adequaat houdt in dat de
                            voorzieningen moeten voldoen aan dezelfde kwaliteitseisen zoals die in
                            de Europese aanbestedingen zijn vastgelegd. Voldoen meerdere
                            voorzieningen aan deze eisen, dan wordt uit die voorzieningen de
                            goedkoopste gekozen. De kwaliteit is op deze wijze gewaarborgd. </al><al/><al>De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van
                            de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het
                            goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde
                            macro-overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen.
                            Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden
                            combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen
                            brengen. Het is dus in het belang van het systeem om zoveel mogelijk
                            gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook als is een individuele
                            aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief
                            vervoer, mee mag tellen dat als er uitzonderingen gemaakt worden de
                            basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen.</al><al/><al><onderstreept>In overwegende mate op de persoon van de aanvrager
                                afgestemd is (art. 2, lid 1 onder c)</onderstreept></al><al>Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening
                            gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de
                            voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten
                            worden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>1.2.2. Weigering van voorzieningen </label></kop><al><onderstreept>Een algemeen gebruikelijke zaak (art. 2, lid 2 onder a)
                            </onderstreept></al><al>Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een
                            zaak algemeen gebruikelijk indien is voldaan aan de volgende
                            voorwaarden:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>het aan te schaffen object kan voor een
                                    niet-ondersteuningsbehoevende in een financieel vergelijkbare
                                    positie tot het normale aanschaffingspatroon worden
                                    gerekend;</al></li><li nr="2."><al>het is niet speciaal voor de ondersteuningsbehoevende;</al></li><li nr="3."><al>het is verkrijgbaar in reguliere handel;</al></li><li nr="4."><al>het niet duurder is dan soortgelijke producten.</al></li></lijst><al/><al>Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt volgens de Centrale Raad
                            van Beroep beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt
                            waarvan, gelet op de omstandigheden van de hulpvrager, aannemelijk is te
                            achten dat deze daarover, ook als hij of zij niet beperkt was, de
                            beschikking (zou) kunnen hebben.</al><al/><al>In individuele gevallen kan een voorziening, die op zichzelf als
                            algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan
                            de kant van de hulpvrager toch niet als algemeen gebruikelijk worden
                            beschouwd. Er moet dan een uitzondering worden gemaakt. Het gaat
                            bijvoorbeeld om een hulpvrager waarvan het inkomen door aantoonbare
                            kosten van de beperking onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm
                            dreigt te komen.</al><al/><al><onderstreept>De aanvrager heeft het hoofdverblijf binnen de gemeente
                                waar de aanvraag wordt ingediend (art. 2, lid 2 onder
                                b)</onderstreept></al><al>Het feitelijke hoofdverblijf is voor het overgrote deel van de gevallen
                            bepalend voor de aanspraak op individuele Wmo-voorzieningen.
                            Wmo-voorzieningen zijn namelijk bedoeld voor de bewoners van een
                            bepaalde gemeente, ze zijn op maatschappelijke participatie in de eigen
                            omgeving gericht. Dat de feitelijke woonplaats bepalend is voor het
                            recht op individuele Wmo-voorzieningen is niet expliciet in de Wmo
                            vastgelegd. Het kan wel worden afgeleid uit het feit dat het
                            gemeentelijke Wmo-beleid wordt afgestemd op de (financiële)
                            mogelijkheden van de gemeente en de behoeften van de eigen inwoners, zie
                            de artikelen 3 Wmo en 9 Wmo, alsmede artikel 11 Wmo.</al><al/><al>In artikel 2 van de Verordening is voor de verstrekking van individuele
                            Wmo-voorzieningen bepaald dat men, behoudens uitzonderingen, in principe
                            alleen aanspraak heeft op die voorzieningen, als men een feitelijk
                            hoofdverblijf heeft in de gemeente waar men voorzieningen
                            aanvraagt.</al><al>In het Burgerlijk Wetboek is in de artikelen 1:10, 1:11 en 1:12 het een
                            en ander geregeld rond de woonplaats. Uitgangspunt is iemands
                            'woonstede', dus de vaste plek waar iemand woont. Als iemand niet op een
                            vaste plek, zijn hoofdverblijf, woont, is het feitelijk verblijf
                            bepalend. Die woonstede moet bekend worden gemaakt bij B &amp; W, en wel
                            op basis van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.
                            In principe moeten mensen zich in de Gemeentelijke basisadministratie
                            (Gba) inschrijven op het adres waar ze hun woonstede annex hoofdverblijf
                            hebben. De Gba-inschrijving geeft niet altijd aan waar iemand
                            daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft, en is daarom niet doorslaggevend
                            voor het antwoord op de vraag waar iemands hoofdverblijf is. Het gaat in
                            de Wmo om het feitelijke hoofdverblijf. Meestal zal het feitelijke
                            hoofdverblijf ook overeenkomen met wat er in de Gba is geregistreerd,
                            maar als dat niet zo blijkt te zijn moet de gemeente aan de hand van
                            onderzoek naar de feitelijke omstandigheden een oordeel vellen over de
                            vraag of iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente
                            waar de Wmo-aanvraag gedaan is. Soms moet aan de hand van de bevindingen
                            uit het onderzoek 'ad hoc' besloten worden in welke gemeente iemands
                            feitelijke hoofdverblijf is gelegen. Los van de vraag waar iemand zijn
                            of haar hoofdverblijf heeft, zijn er steeds meer mensen die eigenlijk
                            twee feitelijke hoofdverblijven hebben, bijvoorbeeld oudere mensen die
                            ergens in de Randstad een appartement hebben, waar ze in het
                            winterhalfjaar verblijven, en elders in Nederland (of daarbuiten) een
                            huis hebben waar ze de rest van de tijd verblijven. In het kader van de
                            Wmo-uitvoering kan er in juridische zin slechts rekening gehouden worden
                            met één hoofdverblijf.</al><al/><al><onderstreept>oor zover de aanvraag gericht is op een hoger niveau dan
                                het uitrustingsniveau sociale woningbouw (art. 2, lid 2 onder
                                c)</onderstreept></al><al>Iedereen woont naar inkomen. Wie een hoog inkomen heeft zal een groter
                            huis kunnen bewonen dan iemand met een minimuminkomen. Het is niet
                            realistisch hiermee bij de toekenning van voorzieningen rekening te
                            houden. Er wordt geen extra hulp bij het huishouden toegekend voor een
                            inpandig zwembad. Maar ook een garage wordt in principe niet aangepast. </al><al>Uitzondering kan worden gemaakt als de garage gebruikt moet worden als
                            stalling voor een scootmobiel. Maar alle extra of duurdere voorzieningen
                            worden in de regel beheerst: uitgangspunt is niveau sociale woningbouw.
                            En dat niveau biedt geen ruimte voor inpandige zwembaden, ook niet voor
                            garages.</al><al/><al><onderstreept>Voor zover geen sprake is van meerkosten (art. 2, lid 2
                                onder d)</onderstreept></al><al>De Wmo kent immers de compensatieplicht. Maar dan moet er wel wat te
                            compenseren zijn. Iemand die op grond van zijn inkomen verondersteld
                            wordt een auto te hebben zal als hij die auto moet hebben vanwege een
                            beperking niet in een andere situatie terecht komen. Er zijn dan geen
                            meerkosten die gecompenseerd moeten worden. Het onderzoek naar
                            meerkosten is van belang in situatie waarin twijfel bestaat over de
                            noodzaak van een voorziening.</al><al/><al><onderstreept>Voor zover kosten gemaakt zijn voorafgaand aan het moment
                                van beschikken (art. 2, lid 2 onder e)</onderstreept></al><al>Het is een aanvrager niet toegestaan de gemeente voor een fait accompli
                            (voldongen feit) te stellen, waarbij de gemeente geen invloed meer kan
                            uitoefenen op de te verstrekken voorziening. Met andere woorden: wie een
                            voorziening aanschaft en daarna aanvraag, loopt de kans op een
                            afwijzing. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt
                            dat deze regel niet zonder meer mag worden toegepast. De Centrale Raad
                            van Beroep gaat er van uit dat de regel bedoeld is om controle achteraf
                            mogelijk te maken. Bij een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening
                            zou na een verbouwing bijvoorbeeld niet meer vastgesteld kunnen worden
                            of er een goedkoper alternatief heeft bestaan. Dat heeft tot
                            consequentie dat indien achteraf toch nog gecontroleerd kan worden wat
                            de goedkoopst adequate oplossing was, een afwijzing achterwege moet
                            blijven. Uiteraard kan wel de goedkoopst adequate voorziening verstrekt
                            worden, ook al is de aangeschafte voorziening aanzienlijk duurder. Dat
                            is dan de consequentie voor de aanvrager die voor de beschikking zelf
                            iets heeft aangeschaft.</al><al/><al><onderstreept>Voor zover de aanvraag een verloren gegane zaak betreft en
                                daarbij sprake is van schuld (art. 2, lid 2 onder f)</onderstreept></al><al>Dit is een vergaande regel, die altijd goed voorbereid en onderbouwt
                            dient te worden. Toch komt het met enige regelmaat voor dat door
                            onzorgvuldig gebruik of zelfs door misbruik regelmatig reparaties nodig
                            zijn om bijvoorbeeld een scootmobiel rijdend te houden. Bij herhaling
                            van dit soort problemen is het goed eerst met betrokkene te overleggen
                            en duidelijk te maken dat dit in strijd is met de bruikleenoverkomst.
                            Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden
                            tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden
                            ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden
                            overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden.</al><al>Hetzelfde geldt als door grove nalatigheid bijvoorbeeld een voorziening
                            verloren gaat. Gedurende de afschrijvingsperiode hoeft dan geen nieuwe
                            voorziening verstrekt te worden. Zeker bij personen die afhankelijk zijn
                            van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke
                            maatregel zijn. </al><al/><al>Als iemand een persoonsgebonden budget heeft, kan op gelijke wijze bij
                            verloren gaan gedurende de looptijd gehandeld worden.</al><al/><al><onderstreept>Verwijderen van aard- of nagelvaste voorzieningen (art. 2,
                                lid 2 onder g)</onderstreept></al><al>Kosten die gemaakt moeten worden voor het verwijderen van aard- en
                            nagelvaste woonvoorzieningen die met subsidie van de Wmo (of WvG) zijn
                            verkregen, hetzij in eigendom hetzij in bruikleen, zijn voor de
                            aanvrager. </al><al/><al><onderstreept>Eigen verantwoordelijkheid </onderstreept></al><al>Bij het beoordelen of de aanvrager aanspraak heeft op een voorziening
                            kan rekening worden gehouden met de van de aanvrager zelf of van anderen
                            in diens omgeving, zoals echtgenoot, familieleden of huisgenoten,
                            redelijkerwijs te vergen (medewerking aan) oplossingen voor de zich
                            voordoende problematiek. De gemeente kan aanvullende oplossingen bieden.
                            Daarbij wordt aangesloten bij de Wvg-jurisprudentie en voor de hulp bij
                            het huishouden is de normering het protocol gebruikelijke zorg van
                            toepassing (zie bijlage 5).</al><al/><al><onderstreept>Noodzakelijke gegevens (art. 34, lid 3)</onderstreept></al><al>De aanvrager verstrekt die gegevens die noodzakelijk zijn voor de
                            beoordeling van de aanvraag en laat zich (als hierom gevraagd wordt)
                            bevragen en/of onderzoeken. Indien de noodzakelijke gegevens niet worden
                            verstrekt of de aanvrager niet meewerkt aan een onderzoek wordt de
                            aanvraag buiten behandeling gesteld c.q. afgewezen, omdat het recht op
                            een voorziening niet kan worden vastgesteld. </al><al/><al><onderstreept>Legitimatie (art. 34 lid 4)</onderstreept></al><al>Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren kan de
                            gemeente het wenselijk vinden dat personen die een aanvraag indienen
                            voor voorzieningen Wmo zich legitimeren. Dat kan door het overleggen van
                            een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in de Wet op de
                            identificatieplicht. Ten aanzien van vreemdelingen die een aanvraag
                            indienen is het identiteitsbewijs van belang voor het vaststellen van de
                            verblijfsrechterlijke status. De volgende documenten worden door de
                            gemeente in ieder geval als geldig identiteitsbewijs aangemerkt:</al><al/><al>Belanghebbenden met de Nederlandse nationaliteit:</al><lijst><li nr="1."><al>paspoort;</al></li><li nr="2."><al>Europese identiteitskaart.</al></li></lijst><al/><al>Belanghebbenden zonder de Nederlandse nationaliteit:</al><lijst><li nr="1."><al>vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER. Dit
                                    zijn de (nieuwe) documenten die zijn uitgegeven op grond van de
                                    Vreemdelingenwet 2000, welke op 01 april 2001 in werking is
                                    getreden;</al></li><li nr="2."><al>verblijfskaart ministerie van Buitenlandse Zaken (legale
                                    vreemdelingen);</al></li><li nr="3."><al>vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).</al></li></lijst><al/><al>Een rijbewijs wordt niet als een geldig legitimatiebewijs aangemerkt,
                            omdat het rijbewijs geen nationaliteit vermeld.</al><al/><al>Indien geen geldig legitimatiebewijs wordt overlegd kan een aanvraag
                            worden afgewezen, omdat het recht op een voorziening niet kan worden
                            vastgesteld.</al><al/><al><onderstreept>Voorliggende voorzieningen (art. 2 Wmo)</onderstreept></al><al>Artikel 2 van de Wmo bepaalt dat geen aanspraak op een Wmo-voorziening
                            bestaat voor zover met betrekking tot de problematiek, die in het
                            gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot de voorziening, een
                            voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. De
                            aanspraak op grond van een andere wettelijke bepaling heeft in dat geval
                            voorrang op de Wmo.</al><al/><al>De wetgever heeft in de Wmo niet gekozen voor een limitatieve opsomming
                            van de wetten die voorgaan op de Wmo, omdat die van tijd tot tijd
                            verschillen. In de onderstaande, niet-limitatieve opsomming, staan
                            enkele wetten op grond waarvan een persoon wellicht aanspraak kan maken
                            op een voorziening en die voorrang hebben op de Wmo:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>AWBZ;</al></li><li nr="2."><al>Zorgverzekeringwet;</al></li><li nr="3."><al>Wet op de jeugdzorg;</al></li><li nr="4."><al>Regeling tegemoetkoming Onderhoudskosten thuiswonende
                                    gehandicapte kinderen 2000 ( TOG 2000);</al></li><li nr="5."><al>Leerlingenvervoer;</al></li><li nr="6."><al>WIA.</al></li></lijst><al/><al>De Wmo kan als een toereikende en passende voorliggende voorziening
                            worden beschouwd ten aanzien van de Wet werk en bijstand (Wwb). Concreet
                            betekent dit dat als de Wmo oproept een bepaalde voorziening aan te
                            bieden, de kosten hiervan niet kunnen worden vergoed op basis van de Wwb
                            (Tweede Kamer 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 30). De Wwb heeft dus geen
                            voorrang op de Wmo.</al><al/><al><onderstreept>Rechtmatig verblijf (art. 8, lid 1 Wmo)</onderstreept></al><al>Artikel 8 lid 1 Wmo bepaalt dat een vreemdeling, die rechtmatig in
                            Nederland verblijft in de zin van artikel 8 onder a t/m e van de
                            Vreemdelingenwet 2000, in aanmerking kan komen voor het verlenen van een
                            individuele voorziening. Daarbij gaat het om de volgende
                            vreemdelingen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>vreemdelingen met een regulier verblijfsvergunning
                                    (I1.2.3.2)</al></li><li nr="2."><al>vreemdelingen met een verblijfsvergunning op asielgronden;</al></li><li nr="3."><al>gemeenschapsonderdanen;</al></li><li nr="4."><al>vreemdelingen die hun verblijfsrecht ontlenen aan het
                                    Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.</al></li></lijst><al/><al>Vreemdelingen die zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijven
                            kunnen in beginsel geen aanspraak maken op individuele voorzieningen. Op
                            grond van artikel 8 lid 2 Wmo kan daarop een uitzondering worden gemaakt
                            bij Algemene Maatregel van Bestuur. Die AMvB is (nog) niet vastgesteld. </al><al/><al>In een aantal situaties zal het college een Wmo-aanvraag van een
                            vreemdeling moeten melden bij de IND.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>2.1 Verschillende manieren om voorzieningen te
                                verstrekken</label></kop><al>Artikel 6 lid 1 van de Wmo bepaalt het volgende:</al><al><cursief> Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die
                                aanspraak hebben op een</cursief><cursief>individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een
                                voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar
                                en toereikend persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding voor
                                een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de
                                Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertege</cursief><cursief>n overwegende bezwaren bestaan.</cursief></al><al>Gevolg van deze regel is dat er drie vormen van verstrekking van
                            individuele voorzieningen mogelijk zijn. </al><al>De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee wordt
                            bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij
                            of zij kant-en-klaar krijgt. De voorziening wordt verstrekt. </al><al>De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 Wmo verplicht gestelde
                            mogelijkheid een alternatief te ontvangen in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget.</al><al>De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële tegemoetkoming.
                            Bij de voorzieningen die uitsluitend gegeven worden in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming is geen verstrekking in natura mogelijk.
                            Voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming zijn
                            bouwkundige en woontechnische woonvoorzieningen (woningaanpassing),
                            verschillende soorten vervoerskostenvergoedingen, vergoeding voor
                            verhuis- en inrichtingskosten, vergoedingen voor de sportrolstoel en
                            sportrolstoelvoorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>2.2 Onderscheid tussen financiële tegemoetkoming en
                                persoonsgebonden budget</label></kop><al>Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en
                            persoonsgebonden budget, dat in de eerste zin van dit artikel worden
                            gebruikt, is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog ingewikkelder
                            gemaakt doordat soms een financiële tegemoetkoming als forfaitaire
                            financiële tegemoetkoming verstrekt wordt, wat net weer iets anders is.
                            De verschillen tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire
                            financiële</al><al>tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget zijn het beste als volgt
                            aan te geven.</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele
                            voorziening mee</al><al>te realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet
                            gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële
                            tegemoetkoming voor een bouwkundige of</al><al>woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Een financiële
                            tegemoetkoming kan afhankelijk worden gesteld van het inkomen van de
                            aanvrager. De aanvrager betaalt dan</al><al>mee en dat wordt een eigen aandeel genoemd. Samen met dit eigen aandeel
                            zal een</al><al>financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een algemeen
                            gebruikelijk deel</al><al>in het bedrag zit. Dat kan, als dit in deze beleidsregels is geregeld,
                            in mindering worden</al><al>gebracht, ook naast een eigen aandeel. Bij een financiële tegemoetkoming
                            krijgt de aanvrager een bedrag om producten en diensten mee te betalen.
                            Het is mogelijk dat het bedrag niet aan de aanvrager maar rechtstreeks
                            aan de leverancier of dienstverlener wordt uitbetaald. Dat zal met name
                            het geval kunnen zijn bij bedragen die de gebruiker vanwege de hoogte
                            ervan niet gemakkelijk eerst zelf kan betalen. </al><al>De gemeente bepaalt bij een financiële tegemoetkoming waaraan de
                            aanvrager het geld moet uitgeven. Het kan bijvoorbeeld gaan om een
                            financiële tegemoetkoming voor het ophogen van uw bestrating door de
                            aannemer. De gemeente kan aanvrager vragen te verantwoorden hoe de
                            financiële tegemoetkoming is uitgegeven. </al><al>Het gaat bij een financiële tegemoetkoming om voorzieningen die naar hun
                            aard niet in natura kunnen worden verstrekt. Een voorbeeld zijn
                            tegemoetkomingen voor een woning- of auto-aanpassing. Maar het kan ook
                            gaan om een tegemoetkoming voor de kosten van het gebruik van
                            voorzieningen (bijvoorbeeld de kosten van een eigen auto, een taxi of
                            een individuele rolstoeltaxi). Net zoals bij de naturavoorzieningen
                            kunnen gemeenten in principe zelf bepalen voor welke voorzieningen zij
                            financiële tegemoetkomingen verstrekken. Er kan daarbij onderscheid
                            worden gemaakt tussen forfaitaire financiële tegemoetkomingen en
                            niet-forfaitaire financiële tegemoetkomingen.</al><al>Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de
                            werkelijke kosten enlos van het inkomen wordt vastgesteld. Het is dus
                            geen kostendekkend bedrag en zal niet ophet inkomen van de aanvrager
                            worden afgestemd. Te denken valt aan een verhuiskostenvergoeding of een
                            auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier kan eventueel welrekening worden
                            gehouden met een algemeen gebruikelijk deel, zoals bijvoorbeeld het
                            tarief</al><al>van het collectief vervoer.</al><al/><al>Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag bedoeld om zelf hulp bij
                            het huishouden of een voorziening mee aan te schaffen of te betalen. Op
                            dit persoonsgebonden budget kaneen eigen bijdrage in mindering worden
                            gebracht, tenzij het om een rolstoel gaat of als het gaat om
                            voorzieningen voor kinderen jonger dan 18 jaar. </al><al/><al>Ook hier kan eventueel met een algemeen gebruikelijk deel rekening
                            worden gehouden.Het verschil tussen een persoonsgebonden budget en een
                            financiële tegemoetkoming iszoals wel blijkt klein. Helder is wel dat
                            bij een bouwkundige woningaanpassing die aan deeigenaar, niet de
                            bewoner, moet worden uitbetaald, niet gesproken kan worden van een</al><al>persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>2.3 Voorlichting vanuit de gemeente</label></kop><al>Het nieuwe artikel 6a bepaalt dat het college de aanvrager vooraf in
                            duidelijke en begrijpelijke bewoordingen de aanvrager inlicht over de
                            gevolgen van de keuze voor individuele voorziening in natura, een
                            persoonsgebonden budget, waaronder de vergoeding van een
                            arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de
                            loonbelasting 1964, of een financiële tegemoetkoming.</al><al>Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
                            gesteld over de wijze waarop de aanvrager door het college wordt
                            geïnformeerd over de keuze die deze persoon heeft tussen de individuele
                            voorziening in natura, een persoonsgebonden budget, waaronder de
                            vergoeding van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste
                            lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, of een financiële
                            tegemoetkoming.</al></artikel><artikel><kop><label>2.4 Het persoonsgebonden budget</label></kop><al>Artikel 4 van de verordening bepaalt:</al><al><cursief>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                                financiële tegemoetkoming en als</cursief><cursief>persoonsgebonden budget.</cursief></al><al><cursief>De bij wet verplichte keuze tussen een voorziening in natura en
                                een persoonsgebonden budget wordt </cursief><cursief>in ieder geval </cursief><cursief>niet geboden indien</cursief><cursief>:</cursief></al><lijst><li nr="a)"><al><cursief>e</cursief><cursief>r een ernstig vermoeden bestaat dat de aanvrager
                                        problemen zal hebben bij het omgaan met het persoonsgebonden
                                        budget</cursief></al></li><li nr="b)"><al><cursief>de voorzienbare duur van de noodzakelijkheid van de
                                        voorziening korter is dan de normale afschrijvingstermijn
                                        van de voorziening</cursief></al></li><li nr="c)"><al><cursief>er sp</cursief><cursief>rake is van</cursief><cursief> bezwaren van overwegende aard.</cursief></al></li></lijst><al>Dit artikel is een uitwerking van artikel 6 Wmo. In de parlementaire
                            behandeling van de Wmo is aangegeven dat er uitzonderingen mogelijk
                            zijn, vooral als het gaat om personen waarvan verwacht kan worden dat
                            zij niet met het beschikbare geld kunnen omgaan. </al><al/><al>Het gaat hier om uitzonderingen. Mede daarom is het niet mogelijk om een
                            limitatieve opsomming van categorieën van personen te maken. U moet
                            hierbij denken aan personen met een verslavingsproblematiek, die manisch
                            depressief of dementerend zijn, grote schulden of een verstandelijke
                            beperking hebben. Hebben deze personen echter een goede begeleiding die
                            voor hen het beheer en regelwerk doen, dan is voor deze groepen een
                            persoonsgebonden budget beschikbaar.</al><al>Voor dat er een afwijzende beschikking wordt genomen wordt eerst een
                            advies ingewonnen bij een nader te contracteren medisch adviseur.
                            Vanzelfsprekend is in het advies meegewogen wat de mate van beperking
                            is.</al><al/><al>Is betrokkene het niet eens met het advies dan kan indien nodig en in
                            overleg met betrokkene een second opinion aangevraagd worden om vast te
                            stellen of een persoonsgebonden budget de voor de persoon geëigende
                            voorziening is. Een dergelijke second opinion zal worden aangevraagd bij
                            professionele en/of vrijwilligersorganisaties, die betrokkenheid hebben
                            bij deze persoon en waarvan in redelijkheid verwacht mag worden dat zij
                            een reëel inzicht hebben in de bekwaamheid van betrokkene tot het
                            zelfstandig beheren van een persoonsgebonden budget. Afhankelijk van de
                            situatie is het ook goed mogelijk dat familieleden en/of andere
                            persoonlijke relaties van betrokkene hierover geraadpleegd worden.</al><al/><al>Naast deze redenen kan het ook voorkomen dat bij een aanvrager met een
                            zeer progressiefziektebeeld al op voorhand vast staat dat binnen korte
                            tijd de te verstrekken voorziening vervangen zal moeten worden door een
                            andere voorziening. En dat wellicht daarna weer. Het is dan ook de vraag
                            of deze situatie zich wel leent voor een persoonsgebonden budget, omdat
                            al vast staat dat de voorziening maar een beperkte tijd bruikbaar zal
                            blijven. Mocht sprake zijn van dit probleem dan zal allereerst goed
                            overleg met de aanvrager duidelijk moeten maken welke reden de aanvrager
                            heeft voor de wens een persoonsgebonden budget te ontvangen. Wellicht is
                            dat doel ook op een andere manier te bereiken. Levert dit gesprek
                            onvoldoende resultaat op, dan zal afgewogen moeten worden of een
                            gemeente voldoende aan zijn resultaatsverplichting kan voldoen met een
                            voorziening in natura en of er voldoende doorslaggevende argumenten zijn
                            om te kunnen spreken van een “ zwaarwegende reden” geen persoonsgebonden
                            budget te verstrekken. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wmo
                            zijn als voorbeelden genoemd: het niet met geld kunnen omgaan, het
                            hebben van een verslavingsprobleem of zwaarwegende
                            efficiencyoverwegingen. </al><al/><al>Verdere voorwaarden aan die het college stelt aan het PGB staan in
                                <vet>bijlage 5</vet><vet> regeling PGB</vet><vet>. </vet></al></artikel><artikel><kop><label>2.6 Omvang van het persoonsgebonden budget</label></kop><al> De omvang van het persoonsgebonden budget zal bepaald moeten
                            worden.</al><al>Artikel 6 lid 1 Wmo zegt daarover: </al><al><cursief>(…) ontvangen van een hiermee </cursief><vet><cursief><onderstreept>vergelijkbaar</onderstreept></cursief></vet><cursief> en </cursief><vet><cursief><onderstreept>toereikend</onderstreept></cursief></vet><cursief>persoonsgebonden budget (….) </cursief></al></artikel><artikel><kop><label>2.6.1 Omvang PGB bij Hulp bij huishouden</label></kop><al>De bepaling in artikel 6 lid 1 betekent niet dat het tarief voor het
                            persoonsgebonden budget hulp in het huishouden hetzelfde moet zijn als
                            het kostplaatje voor de zorg in natura. Uit de in artikel 4, eerste lid,
                            van de Wmo neergelegde compensatieplicht vloeit voort dat het College
                            gehouden is om personen die aanspraak hebben op een individuele
                            voorziening in de vorm van huishoudelijke verzorging een zodanige
                            voorziening aan te bieden dat hun beperkingen om daarin zelf te voorzien
                            in het concrete individuele geval worden gecompenseerd. </al><al/><al>De Centrale Raad van Beroep oordeelt in zijn uitspraak van 25 juli 2012
                            dat indien de huishoudelijke verzorging blijkt te zijn verleend door een
                            persoon, die ten tijde van die verlening niet werkzaam was voor een
                            zorginstelling van een lager pgb-tarief uitgegaan kan worden dan het
                            tarief waarvoor de gemeente in die periode de zorg in natura heeft
                            gecontracteerd (LJN BX5446). </al><al><cursief>“Indien de huishoudelijke verzorging in de van belang zijnde
                                periode blijkt te zijn verleend door een persoon, die ten tijde van
                                die verlening niet werkzaam was voor een zorginstelling, kan in dat
                                gegeven aanleiding worden gevonden om van een lager pgb-tarief uit
                                te gaan dan het tarief waarvoor de gemeente in die periode de zorg
                                in natura heeft gecontracteerd. Voor een dergelijk geval acht de
                                Raad het, doch uitsluitend voor besluiten die genomen zijn voor de
                                datum van inwerkingtreding van art. 21a van de Wmo op 1 september
                                2012, geoorloofd om voor het bepalen van de hoogte van het
                                pgb-tarief een lager forfaitair bedrag tot uitgangspunt te nemen.
                                Voor de bepaling van de hoogte van dat bedrag acht de Raad het, in
                                aanmerking genomen de wetsgeschiedenis van die bepaling en omdat
                                andere objectieve gegevens voor een aanknopingspunt ontbreken, in de
                                rede liggen dat wordt uitgegaan van het uurloon behorende bij
                                functiegroep 15 van de CAO Thuiszorg, te vermeerderen met
                                vakantietoeslag en de tegenwaarde van verlofuren. Weliswaar is het
                                laatste element afhankelijk van variabelen, maar in hoofdlijnen
                                houdt deze berekeningswijze in dat het CAO-loon in deze functiegroep
                                wordt verhoogd met 20%. Naar aanleiding van de loonbedragen in de
                                CAO Thuiszorg geldend tot 1 maart 2010 houdt dat in dat het
                                forfaitaire bedrag in de periode in geding op - afgerond - € 15,50
                                dient te worden gesteld.´</cursief></al><al/><al>Bij diensten, zoals hulp bij het huishouden, gaat het om de betaling van
                            tijd aan dienstverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per
                            uur of een gedeelte daarvan.</al><al/><al>Het uurbedrag zal door het college van burgemeester en wethouders worden
                            vastgesteld en zal elk jaar aangepast worden aan de economische
                            ontwikkelingen. Het bedrag wordt vastgelegd in het besluit
                            maatschappelijke ondersteuning. Bepaald is in artikel 6 lid 1 Wmo dat
                            het uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien
                            toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag
                            zal moeten zijn.</al><al/><al><onderstreept>Werkgever of opdrachtgever</onderstreept></al><al>Er zijn twee mogelijkheden: je gaat een arbeidsovereenkomst aan met
                            iemand of je gaat een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer met
                            iemand aan. </al><al>In het eerste geval komt iemand bij je in dienst. Dan ontstaan er weer
                            twee situaties: betrokkene werkt op minder dan 3 dagen of betrokkene
                            werkt op meer dan 3 dagen voor je. Als het minder dan 3 dagen zijn mag
                            je bruto uitbetalen en moet iemand zelf zorgen voor afdracht van
                            belasting, voor eventuele verzekering tegen ziekte enzovoorts. Werkt
                            iemand meer dan 3 dagen dan ben je als werkgever ook verantwoordelijk
                            voor de afdracht van belastingen en verplichte premies voor diverse
                            verzekeringen, zoals doorbetaling bij ziekte of werkloosheid. In deze
                            beide situaties moet het minimum (jeugd)loon in ieder geval betaald
                            worden. </al><al>Ga je een overeenkomst opdrachtgever-opdrachtnemer aan dan zal het
                            veelal gaan op een zzp-er, een zelfstandige zonder personeel en ben je
                            niet gebonden aan het minimum (jeugd)loon en hoef je geen afdrachten te
                            doen. Omdat het heel erg ingewikkeld wordt om steeds bij iedereen te
                            weten wat voor relatie er ontstaat, blijft het handigst om met vaste
                            bedragen per uur te werken.</al><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget (PGB) voor hulp in het
                            huishouden is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning.
                            De hoogte van het PGB wordt jaarlijks door het college vastgesteld.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>2.6.2 Omvang PGB bij overige voorzieningen</label></kop><al>Wat betreft de voorzieningen, te weten voorzieningen voor niet
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen en onderhoud en
                            reparatiekosten, vervoersvoorzieningen en onderhoud en reparatie en
                            rolstoelvoorzieningen en onderhoud en reparatiekosten, zal per
                            toekenning een berekening gemaakt moeten worden. Daarbij moet het bedrag
                            voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en dus de bestaande
                            problemen voldoende te compenseren. De kosten van de voorziening als de
                            voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt.
                            Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen
                            bedragen geteld worden voor het onderhoud en de reparaties van de
                            voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen zijn
                            ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel
                            kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden
                            opgevraagd. </al><al>Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van
                            het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten.
                            Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met
                            een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt.
                            Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is
                            immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat
                            kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van
                            uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een
                            voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het
                            geval dan zal beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag
                            zonder korting vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken
                            resultaat onbereikbaar wordt. </al><al>In het persoonsgebonden budget wordt ook het bedrag voor onderhoud- en
                            reparatiekosten berekend. De bedragen zijn opgenomen in het
                            Besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>2.6.3 Wanneer is er recht op een nieuw persoonsgebonden
                                budget?</label></kop><al><onderstreept>Hulp bij het huishouden</onderstreept></al><al>Het persoonsgebonden budget wordt slechts gewijzigd als de indicatie
                            gewijzigd wordt. Dus als een nieuwe indicatie bepaalt dat men recht
                            heeft op meer of minder aan zorg, dan zal ook het persoonsgebonden
                            budget naar boven of naar beneden bijgesteld worden. De hoogte van het
                            pgb tarief per uur wordt jaarlijks vastgesteld in het besluit
                            maatschappelijke ondersteuning Oostzaan. </al><al><onderstreept>Overige voorzieningen</onderstreept></al><al>Het recht op een nieuw persoonsgebonden budget ontstaat wanneer er in
                            een nieuwe indicatie een program van eisen is vastgesteld voor een
                            andere of aanvullende voorziening. Wanneer men een bestaande voorziening
                            wil vervangen, en er geen nieuwe indicatie is vastgesteld, zal de
                            voorziening aan vervanging toe moeten zijn. Daarvoor is een
                            afschrijvingstermijn van 7 jaar bepaald voor hulpmiddelen en
                            scootmobielen. Dus als iemand een nieuwe voorziening wil en de indicatie
                            is niet gewijzigd, dan moet de actuele voorziening ouder dan 7 jaar
                            zijn. Is de voorziening nog niet versleten en aan vervanging toe, dan
                            zal er niet tot vervanging worden overgegaan en er dus geen nieuw
                            persoonsgebonden budget worden verstrekt. </al><al>Maar als de afschrijvingstermijn nog niet verstreken is en de
                            voorziening is wel aan vervanging toe, dan zal de reden daarvan
                            onderzocht moeten worden. Dat onderzoek moet in ieder geval antwoord
                            geven op de volgende vragen:</al><lijst><li nr="a."><al>Is de voorziening gebruikt waarvoor deze gebruikt moet
                                    worden?</al></li><li nr="b."><al>Is de voorziening goed onderhouden conform afspraken?</al></li><li nr="c."><al>Heeft de voorziening de reguliere periodieke service- en
                                    onderhoudsbeurten gehad? (dit dient aangetoond te worden middels
                                    een onderhoudsboekje)</al></li><li nr="d."><al>Hoe intensief is de voorziening gebruikt?</al></li></lijst><al/><al>Is de voorziening intensief gebruikt en heeft hij ook aan de andere
                            voorwaarden voldaan, dan is het mogelijk via de hardheidsclausule een
                            persoonsgebonden budget te ontvangen. Het spreekt voor zich dat als er
                            bij de aanvraag enige twijfel is of het wel de geëigende voorziening
                            voor de aanvraag is, er een nieuwe indicatie moet worden gesteld.</al><al/><al>Indien de afschrijvingstermijn is verstreken en de voorziening nog in
                            goede staat verkeert, wordt geen nieuw persoonsgebonden budget
                            verstrekt. Dit heeft voor de aanvrager het voordeel dat er niet opnieuw
                            een eigen bijdrage hoeft te worden betaald.</al></artikel><artikel><kop><label>2.7 Uitbetaling persoonsgebonden budget</label></kop><al>Als het persoonsgebonden budget berekend is, kan het bij beschikking aan
                            de aanvragerworden bekendgemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat
                            de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor welke periode het
                            persoonsgebonden budget bedoeld is.</al><al/><al>Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget
                            dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan
                            te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig
                            mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd.
                            Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid over de eisen die
                            aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt
                            aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden,
                            waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet
                            bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou
                            kunnen zijn. </al><al/><al>Dit is uitsluitend te voorkomen door eenprogram van eisen onderdeel uit
                            te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening
                            aangeschaft die niet aan dat program van eisen voldoet, dan is gehandeld
                            in strijd met de beschikking.</al><al/><al>Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget
                            beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding
                            voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald
                            moeten worden), maar zou ook in termijnen kunnen, bijvoorbeeld bij een
                            persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden.</al><al/><al>Om de betaling overzichtelijk te houden zou er voor gekozen kunnen
                            worden dit persoonsgebonden budget per half jaar beschikbaar te stellen.
                            Daarbij zal er rekening mee moeten worden gehouden dat bij betaling over
                            een lange perioden uitsluitend betaling achteraf problemen zal
                            opleveren. Betaling per voorschot, of aan het begin van de periode, ligt
                            dan voor de hand.</al><al/><al>Hierbij zullen de volgende regels worden gehanteerd:</al><al>Het bedrag voor de volgende voorzieningen zal in één keer worden
                            uitbetaald als in de beschikking is opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>woonvoorzieningen (bijvoorbeeld een douchestoel);</al></li><li nr="-"><al>vervoersvoorzieningen (bijvoorbeeld scootmobielen);</al></li><li nr="-"><al>rolstoelvoorzieningen.</al></li></lijst><al/><al>In de beschikking zal ook opgenomen moeten worden dat er een eigen
                            bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. De eigen
                            bijdrage/eigen aandeel wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal
                            Administratie Kantoor (CAK). Dat betekent dat de mensen het volledige
                            persoonsgebonden budget krijgen uitbetaald en naderhand een nota
                            ontvangen van het CAK.</al></artikel><artikel><kop><label>2.8 Verantwoording van het persoonsgebonden budget</label></kop><al> De controle van het persoonsgebonden budget zal als volgt plaats
                            vinden:</al><al>Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:</al><al/><al><onderstreept>Hulp bij het huishouden:</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>een overzicht van de loonadministratie met bewijsmiddelen
                                    (declaraties van de persoon of instantie bij wie de aanvrager de
                                    hulp bij het huishouden betrekt en bewijsstukken van betalingen
                                    aan de persoon of instantie bij wie de aanvrager de hulp bij het
                                    huishouden betrekt);</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>de overeenkomst met de persoon of instantie bij wie de aanvrager
                                    de hulp bij het huishouden betrekt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Overige voorzieningen:</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="-"><al>een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening</al><al/></li></lijst><al>Steekproefsgewijs zal het college bepalen bij welke budgethouders deze
                            stukken zullenworden opgevraagd om te controleren of het
                            persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt
                            is. Dat houdt in dat het college uit het bestand per jaar willekeurig
                            een aantal budgethouders vraagt de hiervoor genoemde bescheiden te
                            leveren. Daarnaast kan een budgethouder worden gevraagd het
                            persoonsgebonden te verantwoorden indien er een redelijk vermoeden
                            bestaat dat het persoonsgebonden budget niet is/wordt besteed voor het
                            doel waarvoor het verstrekt is dan wel de budgethouder in het verleden
                            het persoonsgebonden budget niet heeft besteed aan het doel waarvoor het
                            verstrekt is.</al><al/><al>De budgethouder dient vervolgens de administratie binnen vier weken aan
                            het college te overleggen. Het college kan de gegevens opvragen en
                            controleren tot vijf jaar nadat het persoonsgebonden budget is besteed.
                            Met andere woorden de klant dient de administratie minimaal vijf jaar te
                            bewaren. Het niet kunnen overleggen van de administratie kan voor het
                            college een grond tot terugvordering van (een deel van het)
                            persoonsgebonden budget zijn. </al><al/><al>Is het persoonsgebonden budget besteed conform het programma van eisen,
                            dan hoeft er verder niets te gebeuren.</al><al>Is het persoonsgebonden budget niet conform de beschikking en het
                            programma van eisen besteed, dan kan het college overwegen het
                            persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.
                            Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest. Bij opzet
                            moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er
                            bewust onjuist is gedaan. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>3.1 Inleiding</label></kop><al>Hulp bij het huishouden valt onder wat in artikel 4 Wmo benoemd wordt
                            als: “het voeren van een huishouden”. Om een huishouden te voeren is het
                            nodig om een geschikte woning te hebben (wordt besproken in hoofdstuk 4
                            onder woonvoorzieningen) en om die woning voor bewoning geschikt te
                            houden. Wie niet in staat is dit zelf te doen of niet in staat is dit
                            probleem zelf op te lossen of geen mogelijkheid heeft dat huisgenoten
                            dit oplossen zal in aanmerking kunnen komen voor hulp bij het
                            huishouden. </al><al>Hulp bij het huishouden wordt in de Wmo “huishoudelijke verzorging”
                            genoemd en omschreven in artikel 1, lid 1 onder h als: “het ondersteunen
                            bij of overnemen van activiteiten op het gebied van de verzorging van
                            het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een
                            persoon behoort”.</al><al>De hulp bij het huishouden zal als resultaat hebben dat een aanvrager
                            beschikt over een schoon huis dat leefbaar is voor hem en zijn
                            gezinsgenoten. Daarbij richt de hulp bij het huishouden zich op de
                            volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>het schoonmaken van de woonruimte (woonkamer, keuken,
                                    slaapkamer(s) toilet(ten) en badkamer;</al></li><li nr="-"><al>het wassen van datgene wat in het huishouden gebruikt wordt
                                    (beddengoed, kleding enz.);</al></li><li nr="-"><al>het voorbereiden van dagelijkse maaltijden en het schoonhouden
                                    van kookgerei via het doen van de afwas plus bediening en
                                    onderhoud apparatuur;</al></li><li nr="-"><al>het afvoeren van afval;</al></li><li nr="-"><al>Het verzorgen van andere aspecten van het huishouden zoals
                                    planten en dieren voor zover beperkt (gemiddeld en binnenshuis)
                                    en mee te nemen bij de werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>In bijzondere situaties kan ook het opvangen en verzorgen van
                                    kleine kinderen tot het huishouden behoren;</al></li></lijst><al>Bij alle activiteiten wordt uitgegaan van de dagelijkse gang van zaken,
                            gebruikmakend van algemeen gebruikelijke hulpmiddelen (zoals
                            schoonmaakmiddelen, een (af)wasmachine of een droger) op een gemiddeld
                            via een systeem van normtijden vastgesteld niveau.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2 Mogelijke voorzieningen</label></kop><al>Artikel 9 van de verordening geeft een drietal mogelijke mogelijk te
                            verstrekken voorzieningen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>3.2.1 Algemene hulp bij het huishouden</label></kop><al>Uit artikel 10 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van
                            aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief
                            chronisch psychische en psychosociale problemen of problemen bij het
                            uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer
                            huishoudelijke taken onmogelijk maken en de algemene hulp bij het
                            huishouden dit snel en adequaat kan oplossen, men voor deze eerste vorm,
                            algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan
                            komen.</al><al/><al><onderstreept>Stichting Hulpdienst Oostzaan (SHO)</onderstreept></al><al>Bewoners van Oostzaan kunnen een beroep doen op de Stichting Hulpdienst
                            Oostzaan. De SHO biedt cliëntondersteuning en praktische dienstverlening
                            met als doel het bevorderen en/of ondersteunen van het langer
                            zelfstandig wonen. Het betreft ondersteuning op het terrein van wonen,
                            zorg en welzijn. De SHO werkt met vrijwilligers die ondersteuning kunnen
                            bieden bij (onderstaand betreft een niet limitatieve opsomming):</al><lijst><li nr="-"><al>ondersteuning bij het invullen van formulieren of het
                                    organiseren van hulp (Wmo, AWBZ, ZW, etc.);</al></li><li nr="-"><al>ondersteuning bij administratie </al></li><li nr="-"><al>praktische vrijwilligersondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>preventieve huisbezoeken;</al></li><li nr="-"><al>boodschappen- en klussenhulp;</al></li><li nr="-"><al>maaltijdbezorging </al></li><li nr=""><al>kleine tuinklussen</al></li></lijst><al>Gezien de verschillende terreinen van de SHO en hulp bij het huishouden
                            kan het voorkomen dat hulp bij het huishouden en ondersteuning vanuit de
                            SHO naast elkaar lopen en elkaar aanvullen.</al><al>Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat.</al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur
                                    heeft;</al></li><li nr="-"><al>het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                    complexe zorg;</al></li><li nr="-"><al>of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al/><al>Wat betreft het eerste aspect zal beoordeeld moeten worden of het gaat
                            om een kortdurende voorziening. Onder korte duur wordt hierbij verstaan
                            een duur die de 4 tot 6 weken niet te boven gaat. In deze situatie is
                            geen sprake van een keuze voor een persoonsgebonden budget. Wil men –
                            ook al betreft het een korte periode – toch een persoonsgebonden budget,
                            dan zal dat op de normale manier moeten worden aangevraagd. In die
                            situatie zal wel een beschikking worden afgegeven, zal dus ook onderzoek
                            plaatsvinden en zal een eigen bijdrage worden geheven. </al><al/><al>Bij algemene hulp bij het huishouden zal na de melding de hulp
                            onmiddellijk worden ingezet, hetgeen schriftelijk bevestigd zal worden.
                            Dat is de enige administratieve handeling die verricht wordt. In deze
                            melding wordt ook vastgelegd voor welke periode de algemene hulp bij het
                            huishouden wordt gegeven.</al><al/><al>Vervolgens moet vastgesteld worden of het gaat om lichte, niet complexe
                            zorg, zoals bijvoorbeeld tijdelijke hulp bij het huishouden na een
                            ziekenhuisopname. </al><al/><al>Tot slot kan nagegaan worden of het gaat om een incidentele
                            zorgbehoefte, eveneens zoals een periode na een ziekenhuisopname.
                            Hierbij is helder dat de hulp noodzakelijk is: dit wordt aangegeven door
                            de behandelend arts van het ziekenhuis. De duur is beperkt, ook de
                            omvang is beperkt.</al><al>Een uitgebreide aanvraagprocedure zou in die situatie leiden tot een te
                            lange periode dat men op hulp moet wachten. Met de vorm algemene hulp
                            bij het huishouden kan dit snel en adequaat opgelost worden. Men meldt
                            zich met de verwijsbrief van de arts of het maatschappelijk werk van het
                            behandelend ziekenhuis bij de gemeente. Daar wordt gecontroleerd of de
                            verwijzing duidelijk aangeeft wat overgenomen moet worden en wordt
                            nagegaan of er geen huisgenoot is die een en ander over kan nemen. Heeft
                            die controle plaatsgevonden en komt men voor deze hulp in aanmerking,
                            dan wordt deze toegekend en direct in gang gezet. Hierbij is geen sprake
                            van een keuze voor een persoonsgebonden budget.</al><al/><al>Om administratieve procedures te voorkomen, worden er geen eigen
                            bijdragen gevraagd. Er vindt daarom een eenvoudige toets plaats naar de
                            noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, wat in
                            een brief wordt bevestigd. </al><al/><al>Mocht een hulpvrager bij de gemeente aangeven niet met deze vorm van
                            hulp in te kunnen stemmen, dan wordt een normale procedure opgestart met
                            een aanvraagformulier en het gebruikelijke onderzoek. Deze vorm van
                            algemene hulp bij het huishouden wordt alleen gerealiseerd indien men
                            het daar mee eens is.</al><al/><al>Er moet dus altijd overeenstemming bestaan over deze vorm van hulp. </al><al>Te meer daar er geen eigen bijdrage wordt gevraagd, zal deze vorm van
                            hulp altijd uitsluitend voor een kortdurende periode worden toegekend.
                            Daarbij moet gedacht worden aan situatie die maximaal 6 weken duurt,
                            eventueel één keer verlengen met maximaal 6 weken.</al><al/><al>Als de gemeente (nog) geen algemene hulp bij het huishouden heeft?</al><al>Het is logisch dat de algemene hulp bij het huishouden alleen ingezet
                            kan als de gemeente een dergelijke vorm van hulpverlening heeft. Binnen
                            de gemeente Oostzaan is deze vorm van hulp bij het huishouden nog niet
                            aanwezig. Zolang deze vorm van dienstverlening nog niet beschikbaar is,
                            vervalt het primaat van algemene hulp bij het huishouden en is er de
                            mogelijkheid om hulp bij het huishouden in natura of in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget aan te vragen. Dit is conform artikel 10 lid 2
                            van de verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>3.2.2 Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een
                                persoonsgebonden budget</label></kop><al>Hulp bij het huishouden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden
                            budget wordt verstrekt als algemene hulp bij het huishouden niet
                            mogelijk is of niet tot het gewenste resultaat leidt. Dit zal zo zijn
                            als de noodzakelijke hulp de 13 weken te boven gaat, indien het niet om
                            een lichte, niet complexe vraagstelling gaat of als het geen
                            incidenteel, maar een blijvend probleem betreft. Hulp bij het huishouden
                            bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>huishoudelijke activiteiten (HBH1);</al></li><li nr="b."><al>organisatie bij het huishouden (HBH2);</al></li><li nr="c."><al>hulp bij ontregelde huishouding (HBH3).</al></li></lijst><al/><al>De activiteiten en normering voor de hulp in het huishouden staan in
                            bijlage 5.</al></artikel><artikel><kop><label>3.3. Indicatiestelling</label></kop><al>Voor de indicatiestelling van hulp bij het huishouden wordt de richtlijn
                            indicatiestelling hulp bij het huishouden van de MO zaak 2011
                            gehanteerd. Aan de hand van de richtlijn wordt vastgesteld op welke
                            activiteiten er ondersteuning nodig is. Op basis hiervan wordt bepaald
                            welke categorie voor hulp bij het huishouden er geïndiceerd wordt en
                            wordt de omvang van de hulpvraag vastgesteld in uren afgerond op
                            decimalen. </al><al/><al>De beoordeling voor hulp bij het huishouden of voor een persoonsgebonden
                            budget is volledig gelijk: het verschil zit hem uitsluitend in de wijze
                            waarop de vraag wordt ingevuld. Onder hulp in natura wordt verstaan dat
                            de resultaatsverplichting leidt tot het inschakelen van een instelling
                            die de noodzakelijke werkzaamheden voor zijn rekening neemt. Onder
                            een</al><al>persoonsgebonden budget wordt verstaan dat om het resultaat te bereiken
                            door de gemeente een geldbedrag ter beschikking wordt gesteld met welk
                            bedrag betrokkene zelf iemand inhuurt om de werkzaamheden te verrichten.
                            Daarbij bestaat de keuze uit een tweetal mogelijkheden het
                            persoonsgebonden budget in te vullen: men kan een situatie waarbij er
                            een verhouding opdrachtgever – opdrachtnemer ontstaat (waarbij de
                            helpende niet in loondienst komt) of een situatie die in de Wmo
                            omschreven is als “een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5,
                            eerste lid van de Wet op de loonbelasting 1964, waarbij sprake is van de
                            Regeling diensten aan huis. Wat betreft deze beide keuzemogelijkheden
                            dient de gemeente betrokkenen uitgebreid te informeren.</al><al/><al>Om te beoordelen of een aanvraag om hulp bij het huishouden gehonoreerd
                            kan worden wordt een onderzoek verricht naar de volgende vragen:</al><lijst><li nr="·"><al>Wat is de reden dat betrokkene het huishoudelijk werk geheel of
                                    gedeeltelijk niet zelf kan verrichten?</al></li><li nr="·"><al>Is deze reden (medisch/psychisch) te objectiveren?</al></li><li nr="·"><al>Zijn er wettelijk voorliggende voorzieningen om het probleem op
                                    te lossen?</al></li><li nr="·"><al>Heeft betrokkene zelf nog (andere) mogelijkheden om het probleem
                                    op te lossen?</al></li><li nr="·"><al>Zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen die het probleem
                                    (deels) kunnen oplossen?</al></li><li nr="·"><al>Is er sprake van gebruikelijke zorg?</al></li></lijst><al/><al>Als na beantwoording van deze vragen het probleem blijft bestaan zal het
                            de taak van de gemeente zijn het probleem op te lossen.</al><al/><al>Bij een aanvraag voor hulp bij het huishouden dient allereerst te worden
                            nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen. Die
                            ziekte of dat gebrek kunnen liggen op de terreinen als vermeld in
                            artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met
                            een beperking of een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem.
                            De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en
                            in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling.
                            In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een
                            medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij
                            dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk
                            te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor
                            het verlenen van antirevaliderende hulp.</al><al/><al>Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties
                            dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. In
                            situaties dat die problemen (deels) opgelost kunnen worden door het
                            toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning.
                            Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden
                            plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij
                            de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft als de
                            hulpvrager. </al><al/><al><vet>4 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden</vet></al></artikel><artikel><kop><label>3.4.1 Gebruikelijke zorg</label></kop><al>Artikel 11 van de verordening bepaalt dat: </al><al><cursief>als tot de leefeenheid waar deze persoon deel
                                van</cursief><cursief>uitmaakt een of meer huisgenoten
                                behoren die wel </cursief><cursief>of gedeeltelijk
                                </cursief><cursief>in staat zijn het huishoudelijk werk te
                                </cursief><cursief>v</cursief><cursief>errichten</cursief><cursief>men
                                niet</cursief><cursief> of slechts
                                gedeeltelijk</cursief><cursief>in aanmerking komt voor
                                hulp bij het huishouden. Deze beperking heet gebruikelijke
                                zorg</cursief>.</al><al>Bij de Wmo heeft de gemeente een resultaatsverplichting, dat wil zeggen
                            dat het resultaat primair van belang is. Bij gebruikelijke zorg gaat het
                            om een probleem dat is ontstaan doordat degene die gewend is voor het
                            huishouden te zorgen dit al dan niet tijdelijk niet meer kan doen. De
                            eerste stap bij het zoeken van een oplossing is dan om te kijken naar de
                            huisgenoten van degene die het huishouden normaal gesproken doet. Zijn
                            die huisgenoten in staat het huishoudelijk werk, bijvoorbeeld door een
                            herverdeling van taken, over te nemen? </al><al/><al>Dat zal de eerste vraag zijn in dit soort situaties, omdat het in
                            Nederland nu eenmaal zo is dat de gezamenlijke huisgenoten
                            verantwoordelijk zijn voor het huishouden. Dat geldt voor gezinnen met
                            kinderen, al dan niet in de situatie dat beide ouders werken. Maar het
                            geldt ook voor een gezin met een gezinslid met een beperking die het
                            huishoudelijk werk niet meer kan doen. </al><al>Er zal dus allereerst bekeken worden of een herverdeling van taken
                            mogelijk is. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen die ouder is dan 18
                            jaar in staat is huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Onder de 18
                            jaar wordt men wel verondersteld de eigen kamer bij te houden en hand-
                            en spandiensten te verrichten zoals het helpen bij het tafeldekken, de
                            afwas, het doen van beperkte boodschappen enz. De leeftijd van 18 jaar
                            is gekozen als grensleeftijd omdat veel jongeren ouder dan 18 jaar
                            zelfstandig gaan wonen en dan ook daadwerkelijk een eigen huishouden
                            moeten runnen. Met al deze zaken kan rekening worden gehouden als
                            beoordeeld moet worden of huisgenoten het huishoudelijk werk kunnen
                            overnemen.</al><al>Daarbij is het hebben van een baan, het doen van een studie, veel tijd
                            besteden aan hobby’s of vrijwilligerswerk of het hebben van bijbaantjes
                            naast een studie in principe geen reden om geen gebruikelijke zorg te
                            hoeven doen: immers: iedereen, alleenstaand, samenwonend, gehuwd, met of
                            zonder werk, met of zonder veel activiteiten in zijn of haar vrije tijd
                            is verantwoordelijk voor het gezamenlijke huishouden. Hier vormt een
                            beperking geen uitzondering op. Het is immers niet onredelijk te vragen
                            keuzen te maken om het huishouden draaiende te houden. De gemeente zal
                            hierbij moeten beoordelen of het vragen van deze keuzen opwegen tegen
                            het gegeven dat het inzetten van hulp de gemeenschap geld kost, waarbij
                            niet alleen naar de individuele situatie gekeken zal worden maar ook
                            naar de consequenties van een dergelijk beleid voor alle aanvragers in
                            een gelijke situatie.</al><al>In elke individuele situatie zal bekeken moeten worden of ook in die
                            situatie het redelijk is gebruikelijke zorg te veronderstellen. Maar
                            uitzonderingen zullen niet zo snel gemaakt worden, tenzij het gaat om
                            huisgenoten die ook echt de gebruikelijke zorg niet waar kunnen maken
                            omdat zij dagen achtereen afwezig zijn. Bijvoorbeeld voor studie (iemand
                            die 4 dagen per week afwezig is omdat hij op kamers verblijft vanwege
                            zijn studie) of voor werk (een internationaal chauffeur die op maandag
                            vertrekt en op vrijdag weer terugkomt.</al><al/><al>Het gaat uitdrukkelijk alleen om personen die “niet toevallig” bij
                            elkaar wonen: zoals een huis met studenten of iemand die een kamer
                            huurt. In de eerste situatie is ieder verantwoordelijk voor zijn eigen
                            deel en zijn eigen aandeel, in de tweede situatie hoort het
                            huishoudelijk werk (al dan niet deels) bij het huren van de kamer.</al><al/><al>Uitzonderingen zijn er ook. Bijvoorbeeld in de situatie van een
                            klooster. Daar is weliswaar bewust gekozen voor het bij elkaar gaan
                            wonen, maar is ook sprake van een taakverdeling (er worden taken voor
                            elkaar verricht). Hierbij moet dus vooral gekeken worden wat aan eigen
                            taken aan eigen ruimte niet meer gedaan kan worden.</al><al/><al>Bij mensen die zijn opgenomen in een intramurale AWBZ-instelling hoort
                            het huishoudelijk werk nadrukkelijk bij het pakket dat door de AWBZ
                            wordt geboden, zodat hier geen ruimte meer is voor huishoudelijke hulp
                            op basis van de Wmo. Maar aanleunwoningen die men van een
                            woningbouwvereniging huurt en waar men hulp ontvangt vanuit een
                            nabijgelegen AWBZ-instelling vallen wat huishoudelijk werk betreft niet
                            onder de AWBZ en dus onder de Wmo.</al><al/><al>Bewoners van particuliere huizen die hulp bij het huishouden bieden
                            omdat dit contractueel zo is geregeld (vaak naast het leveren van zorg)
                            kunnen wel voor een indicatie in aanmerking komen. </al><al/><al>Als er bij een beoordeling sprake blijkt te zijn van gebruikelijke zorg
                            en er geen situatie bestaat dat hier een uitzondering op gemaakt moet
                            worden, is er een oplossing voorhanden in de vorm van het herverdelen
                            van taken en zal geen hulp geboden worden op basis van de Wmo. </al><al/><al>Als er geen gebruikelijke zorg mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het gaat
                            om een alleenstaande, of omdat de huisgenoten daar zelf ook niet toe in
                            staat zijn vanwege lichamelijke problemen, moet bepaald worden hoeveel
                            hulp er noodzakelijk is om de taken over te nemen of te ondersteunen die
                            niet verricht kunnen worden. Ook hierbij is van belang dat het in de Wmo
                            gaat om het resultaat: er moet een schoon huis zijn, er moet een
                            maaltijd zijn, de was moet gedaan worden, enz.</al><al/><al>Onder de AWBZ is hierbij altijd gewerkt met normtijden. Deze normtijden
                            zijn bij overgang van de AWBZ naar de Wmo ook overgegaan naar de Wmo. De
                            normtijden zijn tot stand gekomen door overleg tussen de instellingen
                            voor thuiszorg en de indicatieorganen. Daarbij wordt uitgegaan van
                            individuele werkenden. Deze normtijden zijn uitgangspunt voor het
                            bepalen van het aantal uren hulp dat men krijgt bij hulp in natura of
                            bij het bedrag wat men ontvangt bij een pgb, te besteden aan een
                            individueel in te huren (alfa)hulp. Maar er zijn modernere middelen
                            waardoor schoonmaken anders kan gebeuren. Daarbij zal altijd tellen:
                            niet het aantal uren dat is geïndiceerd maar of het te bereiken doel:
                            een schoon huis, het hebben van maaltijden, een was die gedaan is enz.
                            bereikt kan worden. Daarbij worden de normen aangelegd zoals die op de
                            dag van vandaag in Nederland gelden. Met anderewoorden: was het vroeger
                            normaal dat elke dag het toilet werd schoongemaakt en dat elke dag de
                            stofzuiger door het huis ging, tegenwoordig is dat niet meer zo en
                            daarom wordt van de huidige normen uitgegaan.</al><al/><al>Het protocol gebruikelijke zorg is onderdeel van de richtlijn opgenomen
                            in bijlage 4. </al></artikel><artikel><kop><label>3.4.2 Voorliggende voorzieningen</label></kop><al>Wettelijk voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen die op basis van
                            andere wettelijke regelingen een oplossing voor het probleem kunnen
                            bieden. Artikel 2 Wmo bepaalt immers: </al><al><cursief>“Er</cursief><cursief>bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor
                                zover met betrekking tot de</cursief><cursief>problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de
                                noodzaak tot </cursief><cursief>o</cursief><cursief>ndersteuning een</cursief><cursief>voorziening op grond van een andere wettelijke regeling
                                bestaat.”</cursief></al><al>Om deze reden is bijvoorbeeld de AWBZ voorliggend op de Wmo. Maar op het
                            terrein van de hulp bij het huishouden zal niet snel een andere
                            wettelijke voorziening voorgaan op de Wmo. Het Volledig Pakket Thuis,
                            waarbij iemand die niet in een AWBZ-instelling is opgenomen maar wel
                            alle zorg ontvangt van een AWBZ-instelling, is voor wat betreft hulp bij
                            het huishouden voorliggend, net als een in een persoonsgebonden budget
                            omgezet ZorgZwaarte Pakket, waar ook de hulp bij het huishouden een
                            onderdeel uitmaakt van het persoonsgebonden budget.</al></artikel><artikel><kop><label>3.4.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen</label></kop><al>Algemene, algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen zullen
                            vaker voorkomen. Het gaat daarbij om mogelijkheden die voor iedere
                            inwoner van Nederland in zijn eigen gemeente beschikbaar is. Te denken
                            valt aan bijvoorbeeld boodschappenservice, de glazenwasser,
                            kinderopvang. </al><al>Daarbij gelden op basis van jurisprudentie een aantal voorwaarden.
                            Allereerst moet de voorliggende voorziening ook daadwerkelijk aanwezig
                            zijn. Dat zal dan ook vast moeten staan. Is daar twijfel over, dan zal
                            dat onderzocht moeten worden: het is niet mogelijk naar een voorliggende
                            voorziening te verwijzen als niet vast staat dat daar ook in dit
                            concrete geval gebruik van kan worden gemaakt. Vervolgens zal ook naar
                            de financiële consequenties gekeken moeten worden. Het is niet helder
                            wanneer de financiële consequenties een oorzaak kunnen zijn van de
                            onmogelijkheid hiernaar te verwijzen, maar uitgegaan kan worden van het
                            standpunt dat de financiële consequenties (zeer) beperkt moeten zijn.
                            Daarbij zal de vergelijking met mensen die geen beperking hebben een
                            belangrijk toetsingsinstrument kunnen zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>3.4.4 Eigen mogelijkheden</label></kop><al>Vervolgens kan beoordeeld worden of iemand zelf nog mogelijkheden heeft
                            het probleem op te lossen. Dat kunnen bijvoorbeeld financiële
                            mogelijkheden zijn. Doordat er eigen bijdragen gevraagd worden zal voor
                            een bepaalde groep gelden dat de te betalen eigen bijdrage even groot is
                            als de kosten van de hulp in natura of het toe te kennen
                            persoonsgebonden budget. In die situatie kan gesteld worden dat iemand
                            financieel zelf in staat is het probleem op te lossen. Het zou kunnen
                            dat men wel het geld heeft, maar niet de capaciteit om een en ander
                            praktisch te regelen. In die situatie zal de resultaatsverplichting van
                            de gemeente zich beperken tot het organiseren van de hulp waarna iemand
                            de hulp verder zelf bekostigt.</al></artikel><artikel><kop><label>3.4.5 Omvang hulp bij het huishouden</label></kop><al>De omvang van de hulp die iemand nodig heeft om een schoon en leefbaar
                            huis te krijgen wordt berekend aan de hand van normtijden zoals
                            opgenomen in bijlage 4. </al><al>De normtijden zijn een uitgangspunt. In bijzondere situaties kan altijd
                            naar boven of naar beneden worden afgeweken, mits aan de
                            resultaatsverplichting voldaan wordt. Het is niet zo dat onbeperkt aan
                            allerlei eisen tegemoetgekomen kan worden. Aan welke eisen wel
                            tegemoetgekomen wordt is een individuele afweging. Uitgangspunt is
                            daarbij een “gemiddelde situatie” welk uitgangspunt in de verordening
                            vorm heeft gekregen in de bepaling van artikel 2, lid 2 aanhef en onder
                            c:</al><al><cursief> “Geen voorziening wordt toegekend (…..) d. voor zover de
                                aangevraagde</cursief><cursief>voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau sociale</cursief><cursief>woningbouw.” </cursief></al><al>Dit wil zeggen dat woningen die over het algemeen veel groter zijn dan
                            woningen in de sociale woningbouw niet per definitie volledig vallen
                            onder de compensatieplicht. In een individuele beoordeling zal afgewogen
                            moeten worden of bijvoorbeeld niet gebruikte ruimten of ruimten die niet
                            noodzakelijkerwijs gebruikt hoeven te worden mee moeten worden genomen
                            in de bepaling van de omvang van de noodzakelijke hulp. Daar staat
                            tegenover dat bij zeer kleine woningen tot een reductie van tijd kunnen
                            leiden.</al><al>De vaststelling van de hulp die noodzakelijk is om aan de
                            resultaatsverplichting te voldoen zal gebeuren in uren, afgerond naar
                            decimalen per week. Voor de vaststelling van de hulp in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget wordt ook gewerkt met uren, afgerond naar
                            decimalen per week.</al><al/><al><vet>3.5 Beschikking, eigen bijdrage en levering van hulp</vet></al></artikel><artikel><kop><label>3.5.1 De beschikking</label></kop><al>Is aan alle voorwaarden voldaan, dan kan bij beschikking meegedeeld
                            worden op welke wijze het bestaande probleem opgelost kan worden.
                            Daarbij wordt aangegeven welke stappen doorlopen zijn en welk
                            eindresultaat leidt tot het gewenste resultaat: een schoon en leefbaar
                            huis.</al><al>Nadat vastgesteld is hoeveel hulp de aanvrager krijgt en hoe dit
                            geleverd (zorg in natura, persoonsgebonden budget) wordt, krijgt de
                            aanvrager een beschikking. </al><al>In de beschikking is opgenomen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>de categorie hulp bij het huishouden (HBH 1, 2 of
                                            3)</al></li><li nr="-"><al>het aantal uren hulp bij het huishouden;</al></li><li nr="-"><al>levering in natura of als persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="-"><al>in geval van natura: leverancier van voorkeur;</al></li><li nr="-"><al>in geval van persoonsgebonden budget: hoogte van het
                                            voorschot.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het
                            huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden
                            aan de leverancier van voorkeur, keuze van de cliënt, die deze gaat
                            verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw
                            van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten
                            worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.2 Eigen bijdrage</label></kop><al>Omdat sprake is van een eigen bijdrage moeten – indien daartoe is
                            besloten – de benodigde gegevens worden doorgegeven aan het CAK, die
                            deze eigen bijdragen int. </al><al>Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien er geen
                            overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking
                            worden toegekend en kan tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze
                            situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen
                            bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>3.5.3 Levering van hulp</label></kop><al>De gemeenten Oostzaan, Wormerland en Zaanstad hebben dertien aanbieders
                            geselecteerd die vanaf 1 januari 2010 hulp bij het huishouden
                            bieden:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>Thuiszorg Service Nederland</al></li><li nr="-"><al>Tzorg </al></li><li nr="-"><al>BV Cordaan </al></li><li nr="-"><al>Hervormd Centrum Pennemes</al></li><li nr="-"><al>Joost Zorgt</al></li><li nr="-"><al>ODION</al></li><li nr="-"><al>Saen Professionals</al></li><li nr="-"><al>St. Doopsgezind Zorgcentrum Het Mennistenerf</al></li><li nr="-"><al>St. De Omring</al></li><li nr="-"><al>Diakonie Wmo</al></li><li nr="-"><al>VIVA! Zorggroep</al></li><li nr="-"><al>Zorgcentrum Saenden</al></li><li nr="-"><al>Zorgcentrum Torenerf</al></li></lijst></li></lijst><al/><al>Met de leveranciers van hulp bij het huishouden is afgesproken dat
                            binnen 5 werkdagen na acceptatie van de indicatie de hulp wordt
                            geleverd. In uitzonderlijke gevallen kan sprake zijn van een
                            spoedsituatie. Dan dient de hulp binnen 24 uur geleverd te zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4 Wmo spreekt van: “a. een huishouden te voeren;” onder welke
                            regel in de verordening zowel de woonvoorziening als de hulp bij het
                            huishouden wordt verstaan. </al><al/><al>Een woonvoorziening is erop gericht de beperkingen die iemand in het
                            normale gebruik van de woning ondervindt te compenseren. Het begrip 'het
                            normale gebruik van de woning' wordt wel gedefinieerd als de
                            'elementaire woonfuncties', ofwel datgene wat iedereen gemiddeld wel in
                            zijn woning moet doen. Daarbij moet gedacht worden aan slapen, eten,
                            lichaamsreiniging, het maken van transfers (horizontaal en verticaal)
                            (verplaatsing door het huis gelijkvloers en naar andere verdiepingen).
                            Ook het verrichten van essentiële huishoudelijke werkzaamheden valt
                            onder normaal gebruik van de woning. </al><al/><al>Uitgangspunt hierbij is dat betrokkene al wel een woning heeft. Omdat de
                            woning evenwel niet geschikt is voor de beperkingen die betrokkene heeft
                            is er behoefte aan een (meer) geschikte woning. Dat kan dezelfde woning
                            zijn, maar dan geschikt gemaakt, of een andere woning, die (meer)
                            geschikt is en eventueel geschikt wordt gemaakt. Het is dus niet zo dat
                            een gemeente een woning moet realiseren. Wel kan een gemeente helpen
                            zoeken naar een geschikte woning. Het hebben van een woning is en blijft
                            de verantwoordelijkheid van iedere Nederlander zelf. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>4.1 Uitsluitingen</label></kop><al>Voor alles zal bepaald moeten worden of één van de uitsluitingen van
                            artikel 19 van de verordening van toepassing is:</al><al><cursief>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het
                                treffen van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                                kamerverhuur, AWBZ-instellingen en specifiek op gehandicapten en
                                ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                                renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                worden.</cursief></al><al/><al>Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn
                            op een permanent zelfstandig woonverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn
                            situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw
                            verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig
                            zijn. Is er sprake van één van deze situaties dan is afwijzing op
                            voorhand mogelijk. Hierbij moet uiteraard wel nagegaan worden of er
                            sprake is van een situatie waarin de hardheidsclausule gebruikt moet
                            worden. </al><al/><al>Een speciale positie nemen vakantiewoningen in. Vakantiewoningen zijn
                            uitgesloten van aanpassing omdat zij niet bestemd zijn voor permanente
                            bewoning. Er zijn evenwel personen die permanent wonen in een
                            recreatiewoning, hoewel dat op basis van het bestemmingsplan niet is
                            toegestaan. Jurisprudentie leert dat woonvoorzieningen in die situatie
                            afgewezen kunnen worden als de recreatiewoning niet voldoet aan de eisen
                            van een woning geschikt voor permanente bewoning. Immers, de maatvoering
                            maakt dan een adequaat aanpassen van de woning onmogelijk. Toch zal ook
                            in deze situatie individuele beoordeling plaats moeten vinden. Situaties
                            waarin bewoning gedoogd wordt zijn nog lastiger. </al><al>Dan is aanpassing in principe mogelijk, zij het ook dan dat de woning
                            wel geschikt moet zijn voor permanente bewoning, omdat aanpassing anders
                            evenmin tot een adequate situatie zal leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>4.2 Vormen van woonvoorzieningen</label></kop><al>Artikel 14 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om
                            een woonvoorziening te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 15 van de verordening bepaalt dat een aanvrager die voldoet aan
                            de criteria “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen” en een
                            aanpassing aan de woning nodig heeft, voor een algemene woonvoorziening
                            in aanmerking kan komen als deze het woonprobleem snel en adequaat op
                            kan lossen.</al><al>Nieuw in de Wmo ten opzichte van de Wvg is de groep met de zogeheten
                            psychosociale problemen. Wat de invloed van deze groep op de uitvoering
                            van de Wmo zal zijn is nog niet duidelijk. De rechterlijke uitspraken
                            zeggen hier niets duidelijks over. Het is ook de vraag of iemand die
                            bijvoorbeeld ruzie heeft met zijn buren in aanmerking moet komen voor
                            een Wmo-verstrekking. Je kunt je wel afvragen of ook bij psychosociale
                            problemen de aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek geen
                            rol zullen blijven spelen. De toekomstige jurisprudentie zal dit uit
                            moeten wijzen. Duidelijk is wel dat het zal gaan om een persoon met
                            beperkingen, zij het dan op psychosociale basis. </al></artikel><artikel><kop><label>4.2.1 Algemene woonvoorzieningen</label></kop><al>De algemene woonvoorziening is net als alle algemene voorzieningen in de
                            modelverordening bedoeld voor situaties die betrekking hebben op
                            oplossingen die van korte duur zijn, lichte, niet complexe voorzieningen
                            of betrekking hebben op incidentele (zorg)behoeften. Om deze
                            voorzieningen snel te realiseren worden geen eigen bijdragen
                            gevraagd.</al><al>Gaat het om een algemene voorziening, dan zal niet nodig zijn een
                            aanvraag voor een voorziening in te dienen. Een melding bij de gemeente
                            is voldoende. Na een beperkte toets zal geregeld worden dat de algemene
                            woonvoorziening op korte termijn wordt gerealiseerd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.2.1 Woonvoorziening in natura en PGB</label></kop><al>Het is logisch dat de algemene woonvoorziening alleen ingezet kan worden
                            als de gemeente een dergelijke vorm van voorzieningen heeft. Binnen de
                            gemeente Oostzaan is deze vorm van voorzieningen nog niet aanwezig.
                            Zolang deze algemene woonvoorzieningen nog niet beschikbaar zijn,
                            vervalt het primaat van de algemene woonvoorziening en is er de
                            mogelijkheid om de woonvoorziening in natura of in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget aan te vragen. Dit is conform artikel 15 van de
                            verordening.</al><al>Onder deze mogelijkheden kunnen de volgende concrete voorzieningen
                            vallen:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                    herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                    inspectie/keuring;</al></li><li nr="f."><al> onderhoud en reparatie van een woonvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>compensatie van tijdelijk dubbele woonlasten;</al></li><li nr="h."><al>compensatie van verlies aan huurinkomsten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>4.3 Primaat verhuizing</label></kop><al>Artikel 17 regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als
                            vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of
                            verhuizing naar een al geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper
                            en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking
                            komt. Het beleid is erop gericht zo goed mogelijk gebruik te maken van
                            de voorraad aangepaste woningen en de aanpassingskosten zoveel mogelijk
                            te beperken.</al><al>In de Wvg-jurisprudentie is het hanteren van het primaat van de
                            verhuizing op zichzelf geaccepteerd door de Centrale Raad van Beroep.
                            Onder de Wmo zal dan ook van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt
                            ter compensatie van woonproblemen. </al><al>Er zijn echter wel grenzen aan het hanteren van het primaat van de
                            verhuizing, vooral op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek
                            waarbinnen een oplossing kan/moet worden gevonden en de verhouding
                            tussen de besparing van de gemeente bij toepassing van het primaat en de
                            negatieve gevolgen voor de aanvrager. In alle gevallen zal een goed
                            gemotiveerd besluit moeten worden genomen, waarin alle relevante
                            factoren, in onderling verband, worden afgewogen. Daarbij gaat het dus
                            om factoren die spelen aan de kant van de gemeente en aan de kant van de
                            belanghebbende. Als op verantwoorde wijze inhoud gegeven is aan
                            toepassing van het primaat van de verhuizing, is daarmee een adequate
                            oplossing geboden en heeft de gemeente aan haar compensatieverplichting
                            voldaan.</al><al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle
                            mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke
                            situatie weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een
                            overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die
                            afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de
                            besluitvorming.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.3.1. De snelheid waarmee het probleem kan worden
                                gecompenseerd</label></kop><al>De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol
                            in het afwegingsproces. In een aantal gevallen kan verhuizen het
                            woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of
                            eenvoudig aan te passen woning beschikbaar is. Het hele traject van het
                            maken van een plan, het vragen van offertes, de uitvoering en keuring
                            vervalt dan of speelt een minder belangrijke rol. Omgekeerd kan het ook
                            zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt
                            als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. Uit
                            de jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het
                            indicatieadvies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een
                            oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3.2 Rekening houden met sociale factoren</label></kop><al>Sociale omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn
                            bijvoorbeeld de voorkeur van de persoon met een beperking, de binding
                            van de persoon met een beperking met de huidige woonomgeving, de
                            nabijheid van voor de persoon met een beperking belangrijke
                            voorzieningen. Ook de waardering van de aanwezigheid van vrienden,
                            kennissen en familie in de nabijheid van de woning van de persoon met
                            een beperking kan een rol spelen in het afwegingsproces, vooral in
                            situaties waarin sprake is van mantelzorg. De sociale omstandigheden
                            moeten in het indicatieonderzoek zoveel mogelijk geobjectiveerd worden.
                            De sociale factor zal minder zwaar wegen in het voordeel van aanpassen,
                            als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper
                            aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning
                            dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is
                            gelegen, kan dat de beslissing in het voordeel van verhuizen
                            beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder vervoersvoorzieningen
                            nodig zijn. Als de aanvrager zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf),
                            moeten de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant
                            meegewogen te worden. Het is immers mogelijk dat de vestiging van het
                            bedrijf op een andere, in commercieel opzicht minder aantrekkelijke,
                            locatie negatieve gevolgen voor het inkomen uit eigen bedrijf kan
                            hebben.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3.3 Rekening houden met woonlasten en financiële draagkracht
                                van de persoon met een beperking</label></kop><al>Rekening houdend met eventuele mogelijkheden op het financiële gebied,
                            maakt het college een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige
                            en de mogelijke nieuwe woning. Alle relevante woonlasten moeten daarbij
                            in aanmerking worden genomen.</al><al>De financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten moeten
                            binnen aanvaardbare financiële grenzen blijven, zie CRvB 18-08-1998, nr.
                            96/9851 (gemeente Meppel, LJN AA8798). In deze uitspraak ging de Raad
                            uit van de draagkrachtregels uit de toenmalige Regeling financiële
                            tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg, die weinig ruimte bood. </al><al> In CRvB 07-10-2008, nr. 07/2433 (gemeente Beverwijk, LJN BG3773) lijkt
                            de Raad minder strikt in de toetsing van de draagkracht. De gemeente
                            hanteerde terecht het primaat van de verhuizing. Bij de vergelijking van
                            de woonlasten bij verhuizing van een koop- naar een huurwoning maakte de
                            gemeente onder meer gebruik van gegevens van het Nibud, zie
                            www.nibud.nl.</al><al/><al>Als de aanvrager eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening andere gevolgen met zich
                            meebrengen dan wanneer deze de woning huurt. Het verhuizen vanuit een
                            koopwoning heeft meer emotionele en financiële consequenties dan
                            verhuizing vanuit een huurwoning.</al><al/><al>Bij het verkopen van een huis komen meer aspecten aan de orde dan bij
                            het verlaten van een huurwoning. Een aantal aspecten zal pleiten voor
                            het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere
                            aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen
                            woning doen doorslaan. Een punt betreft de vraag in hoeverre
                            vermogenswinsten of -verliezen optreden. Een eigenaar heeft doorgaans
                            geld geleend en/of een hypotheek op het huis. Ook indien de aanvrager,
                            al dan niet geheel op eigen kosten, veel aan de woning heeft verbeterd
                            of aanpassingen heeft getroffen, ligt verhuizing soms minder voor de
                            hand. Als de financiële situatie van een eigenaar van een woning, die
                            gehandicapt raakt, door zijn beperking drastisch verandert (doorgaans
                            brengt een beperking negatieve inkomensgevolgen met zich mee), kunnen
                            moeilijkheden optreden met het opbrengen van de woonlasten van de eigen
                            woning, en zal de aanvrager ook problemen hebben met verhuizen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.3.4 Vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe
                                woonruimte</label></kop><al>Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige
                            woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten
                            in de nieuwe woonruimte) anderzijds. </al><al>Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de
                            overwegingen:</al><lijst><li nr="-"><al>Huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al
                                    bewoonde woonruimte;</al></li><li nr="a."><al>de kosten van het verhuizen;</al></li><li nr="b."><al>de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning;</al></li><li nr="c."><al>kosten van het eventueel vrijmaken van de woning;</al></li><li nr="d."><al>een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving.</al></li></lijst><al>De kosten zijn het uitgangspunt bij deze afweging, maar ook andere
                            factoren kunnen een rol spelen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3.5 De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing</label></kop><al>Er kan ook rekening gehouden worden met het feit dat een aan te passen
                            koopwoning naar verwachting minder makkelijk kans heeft om voor
                            hergebruik in aanmerking te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>een revisiebeding, zoals bij huurwoningen, bestaat niet voor
                                    eigen woningen;</al></li><li nr="-"><al>de gemeente heeft geen instrument om de woning vrij te
                                    krijgen;</al></li><li nr="-"><al>het zal niet zo eenvoudig zijn om een geschikte kandidaat voor
                                    die woning te vinden, die zowel financieel als ergonomisch
                                    gezien geschikt is voor de betreffende woonruimte.</al></li></lijst><al>Consequentie hiervan zal zijn dat eigen woningen meestal voor één enkele
                            belanghebbende aangepast worden.</al><al>Aanpassingen aan sociale huurwoningen zijn vaker opnieuw in te zetten
                            dan aanpassingen aan koopwoningen, omdat deze huurwoningen opnieuw
                            kunnen worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de
                            gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging
                            dan ook een rol van belang.</al><al>Ook de medische prognose speelt in dit verband een rol. Indien vaststaat
                            dat iemands toestand naar verwachting zodanig zal verslechteren, en dat
                            als gevolg daarvan de aanpassing slechts voor beperkte tijd zal
                            volstaan, kan dat gegeven een rol spelen in de afweging tussen verhuizen
                            en aanpassen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3.6 Als men niet wil verhuizen, wat dan?</label></kop><al>Vaak zal een aangeboden mogelijkheid te verhuizen naar een andere woning
                            door de aanvrager als negatief worden beoordeeld: vaak zal men graag
                            willen blijven wonen in de vertrouwde woning. Als de bovenomschreven
                            afweging in het voordeel van verhuizing uitvalt, is die wens niet meer
                            doorslaggevend. Dat heeft gevolgen voor het weigeren van aangeboden
                            geschikte woningen of niet (actief) zoeken naar een geschikte woning. Na
                            weigering beoordeelt het college of er vanuit kan worden gegaan dat
                            voldoende is gedaan om een compenserende oplossing te bieden. Dit wordt
                            afgemeten aan de oorzaak voor het weigeren.</al><al>Na het afwegen van deze factoren kan een beslissing worden genomen over
                            het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Valt die
                            afweging uit in het voordeel van verhuizen, dan kan men (wellicht) voor
                            een verhuiskostenvergoeding in aanmerking komen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.3.7 Financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                herinrichtingskosten </label></kop><al>De financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten kan
                            als forfaitaire financiële tegemoetkoming worden toegekend. Dit kan in
                            de volgende situaties:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager gaat vanwege problemen met het normale gebruik van
                                    de woning verhuizen naar een adequate woning;</al></li><li nr="2."><al>de aanvrager vraagt een woonvoorziening aan in de vorm van een
                                    bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, maar na onderzoek
                                    blijkt verhuizing de goedkoopst adequate oplossing te zijn voor
                                    het woonprobleem. Ook mogelijk is dat de betreffende woning niet
                                    kan worden aangepast;</al></li><li nr="3."><al>Voor het vrijmaken van een aangepaste woning door een persoon
                                    die in een aangepaste woning woont. </al></li></lijst><al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen
                            wordt geen tegemoetkoming verstrekt, evenmin voor verhuizingen naar
                            woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning,
                            zoals in artikel 21, aanhef en onder f van de verordening wordt
                            bepaald.</al><al/><al>Een forfaitaire financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                            in de kosten van verhuis- en herinrichtingskosten is bedoeld als
                            goedkoopst-adequaat alternatief voor een dure woning-aanpassing in
                            gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op
                            leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding
                            of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel
                            algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. </al><al>Voor verhuizingen naar AWBZ-instellingen of andere zorginstellingen
                            wordt geen persoonsgebonden budget verstrekt, evenmin voor verhuizingen
                            naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente
                            bewoning, zoals in artikel 21, aanhef onder f en g van de verordening
                            wordt bepaald.</al><al>Een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten kan verstrekt
                            worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het
                            normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de
                            goedkoopst adequate wijze kunnen worden opgelost. Deze eis wordt niet
                            gesteld als het gaat om een verhuizing naar een ADL-woning en evenmin in
                            situaties waarin het gaat om een persoon buiten de Wmo-doelgroep een
                            aangepaste woning te laten vrijmaken. Alleen als het vrijmaken van de
                            woning op verzoek van het college gebeurt, is er aanspraak op een
                            tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten.</al><al/><al>Omdat de doelgroep van de Wmo groter is dan uitsluitend de personen die
                            ten gevolge van een handicap problemen hebben met het normale gebruik
                            van de woning is het de vraag welke psycho-sociale redenen aanleiding
                            zouden kunnen zijn voor het toekennen van een verhuiskostenvergoeding.
                            Psychosociale problemen, die verder zullen moeten gaan dan een
                            burenruzie, zullen geobjectiveerd moeten worden door een arts, een
                            psychiater of een gedragsdeskundige zoals een psycholoog of
                            (ortho)pedagoog. Hierbij zal advies gevraagd worden aan onafhankelijke
                            beoordelaars, niet aan de behandelende deskundigen. </al><al>Het college verstrekt in beginsel geen financiële tegemoetkoming voor
                            verhuizing en herinrichting, indien de verhuizing heeft plaatsgevonden
                            voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden
                            vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning
                            werden ondervonden in de verlaten woning. Als dat laatste niet meer kan,
                            is dat reden voor afwijzing.</al><al>Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding kan gecombineerd worden
                            met andere woonvoorzieningen zoals een bouwkundige of woontechnische
                            aanpassing of een woonvoorziening van niet bouwkundige of woontechnische
                            aard. </al><al>De maximale financiële tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten
                            is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Oostzaan.</al></artikel><artikel><kop><label>4.4 Primaat van de losse woonunit</label></kop><al>Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden
                            welke aanpassingen noodzakelijk zijn.</al><al>Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het
                            primaat van de losse woonunit (artikel 18):</al><al>Indien een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening bestaat uit een
                            aanbouw aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning, zal het
                            college een herplaatsbare losse woonunit verstrekken indien daartegen
                            geen bezwaren van overwegende aard bestaan.</al><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning eigendom is van een
                            verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking
                            te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten
                            gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een dergelijke woning,
                            kan het college beslissen om de woning aan te passen in plaats van een
                            herplaatsbare losse woonunit te verstrekken. Dit omdat daarmee een
                            investering wordt gedaan voor de toekomst. </al><al/><al>Het college kan besluiten tot het plaatsen van een losse woonunit om te
                            voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven
                            moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik
                            immers gering. Bovendien gaat het plaatsen van een woonunit sneller dan
                            het realiseren van uitbouw. Uiteraard moet hiervoor de mogelijkheid tot
                            het plaatsen van een losse woonunit bestaan, bijvoorbeeld doordat er
                            voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er
                            voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook
                            ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Op dit punt geldt dat de
                            wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is:
                            een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. </al><al>Het programmama van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt
                            worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de
                            beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit
                            aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor
                            dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt
                            teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van
                            een losse woonunit.</al><al/><al>Ook bij het toekennen van een losse woonunit staat het resultaat
                            centraal, dat wil zeggen dat beoordeeld zal moeten worden of de losse
                            unit de problemen bij het normale gebruik van de woning voldoende
                            oplost. De weerstand tegen losse woonunits kan groot zijn. Ook op dit
                            punt zal weer een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden. Maar
                            anders dan bij het primaat van de verhuizing zal het in deze situatie
                            minder snel voorkomen dat afgezien zal moeten worden van het plaatsen
                            van een losse unit. In principe zal de oplossing immers gelijk kunnen
                            zijn aan een aanbouw. Het verschil zal primair gelegen zijn in het
                            gegeven dat de woning niet blijvend van een aanbouw voorzien zal zijn.
                            Maar om voor een aanvrager het resultaat te bereiken dat zijn
                            woonprobleem opgelost is, hoeft die oplossing niet langer te bestaan dan
                            de band tussen de woning en de gehandicapte bestaat.</al><al/><al>Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat
                            deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet
                            bouwkundige aanpassing worden gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>4.5 Overige (bouwkundige) voorzieningen</label></kop><al>De aanpassing moet allereerst het normale gebruik van de woning
                            betreffen.</al><al>Het normale gebruik van de woning omvat de elementaire woonfuncties, dat
                            zijn de activiteiten die de gemiddelde Nederlander in zijn woning in elk
                            geval verricht. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging,
                            toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal
                            en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het
                            veilig kunnen spelen in de woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>4.6 Wanneer geen recht op bouwkundige of woontechnische
                                voorziening?</label></kop><al>Het feit dat alleen problemen bij het normale gebruik van de woning
                            worden gecompenseerd, houdt in dat geen rekening wordt gehouden met
                            voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten,
                            therapeutisch baden). Soms zullen deze voorzieningen vergoed worden
                            vanuit de Zorgverzekeringswet, soms zal men de therapeutische effecten
                            ook kunnen bereiken door de therapie elders te ontvangen.</al><al>Evenmin wordt er rekening gehouden met problemen die een incidenteel
                            karakter hebben, dan wel voorzieningen die puur als noodvoorziening
                            hebben te gelden (bijvoorbeeld incidenteel gebruikte en niet-essentiële
                            onderdelen van de woning respectievelijk vluchtvoorzieningen of
                            branddeuren). Ook ten behoeve van het gebruik van hobbyruimtes en
                            studeerkamers worden geen compenserende woonvoorzieningen getroffen,
                            aangezien het daarbij niet gaat om ruimten met een elementaire
                            woonfunctie.</al><al/><al>Bij een indicatiestelling voor woonvoorzieningen wordt integraal
                            beoordeeld in hoeverre hulp bij het huishouden en AWBZ-functies kunnen
                            voorzien in respectievelijk compensatie en oplossing van de ondervonden
                            woonproblematiek. Als iemand in staat is een maaltijd klaar te maken
                            voor zichzelf en het gezin en dat naar verwachting nog jaren kan doen,
                            zal een aangepaste keuken de voorkeur verdienen boven
                            maaltijdvoorziening. Dit kan anders zijn als het gaat om een
                            alleenstaande oudere die geen plezier meer heeft in het koken: dan kan
                            maaltijdvoorziening juist een heel goede oplossing zijn. Hetzelfde geldt
                            voor de lichaamsreiniging. Uitgangspunt is dat men zichzelf kan douchen.
                            Maar wie terminaal is zal wellicht voor korte tijd op bed gewassen
                            worden.</al><al/><al>Verder wordt – conform de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                            – beoordeeld in hoeverre de problematiek kan worden opgelost door
                            redelijkerwijs te vergen inspanningen van huisgenoten en ouders. Ook
                            wordt rekening gehouden met algemeen gebruikelijke oplossingen als een
                            andere organisatie van taken en een herschikking van de inrichting dan
                            wel wijziging van de opstelling van inrichtingselementen in de
                            woning.</al><al/><al>Indien de werkelijke kosten van de voorzieningen na gereedmelding hoger
                            zijn dan de destijds door de gemeente goedgekeurde geraamde kosten, zal
                            voor die hogere kosten geen vergoeding worden toegekend. Als meerkosten
                            kunnen alleen die kosten worden opgevoerd, die het gevolg zijn van
                            omstandigheden, die bij een zorgvuldige voorbereiding van het bouwplan
                            niet waren te voorzien. Zijn de werkelijke kosten daarentegen lager, dan
                            zal de vergoeding zich tot die lagere kosten beperken.</al><al>Voor een duurdere uitvoering dan de standaarduitvoering qua kleur of
                            type voor een woningaanpassing wordt geen financiële tegemoetkoming
                            verleend. De meerprijs van een gewenste uitvoering is voor rekening van
                            de aanvrager.</al><al/><al>Uitzondering op het beginsel dat woonvoorzieningen verstrekt worden ter
                            compensatie van het normale gebruik van de woning vormt de uitraaskamer.
                            Deze voorziening heeft een specifiek doel, namelijk het tot rust doen
                            komen van personen met een specifieke beperking.</al><al/><al><onderstreept>Tweede toilet</onderstreept></al><al>Voor de nachtelijke gang naar het toilet wordt, indien er geen toilet
                            aanwezig is op de bovenverdieping, waar zich de slaapvertrekken
                            bevinden, als uitgangspunt een toiletstoel verstrekt. Een toiletstoel is
                            doorgaans de goedkoopste en adequate voorziening. Als uit een medisch of
                            ergonomisch advies blijkt dat geen gebruik gemaakt kan worden van een
                            toiletstoel, dan wordt een andere (duurdere) voorziening verstrekt. In
                            enkele gevallen is een traplift de meest goedkope adequate voorziening
                            (Arr. Rb Middelburg 15-01-96, reg.nr. 95/638 WVG in de gemeente
                            Reimerswaal). </al><al/><al><vet>4.7 Beperkingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>4.7.1 Hoofdverblijf</label></kop><al>Artikel 20 van de verordening bepaalt in lid 1:</al><al><cursief>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager
                                zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</cursief></al><al/><al>Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente
                            bewoning, waar de betrokkene zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en
                            in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal
                            staan ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de
                            betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft
                            compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de
                            Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een
                            aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een
                            verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de
                            vertrekgemeente. </al><al/><al>In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij
                            moet worden gedacht aan kinderen met een beperking van gescheiden
                            ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en
                            daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de
                            andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie
                            kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden,
                            en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de
                            woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende
                            gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de
                            gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen.</al><al/><al>Artikel 20 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze
                            hoofdregel:</al><al/><lijst><li nr="2."><al><cursief>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                        woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken
                                        van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf
                                        heeft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                                        zorginstellingen erkende instelling</cursief><cursief> en het gaat om het bezoekbaar maken van de woonruimte
                                        van de (tot verhuizing van de aanvrager naar bedoelde
                                        zorginstelling) huisgenoot of ouder van de
                                        aanvrager</cursief><cursief>.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend
                                        in de gemeente waar de aan te passen woning staat.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken
                                        van de in het tweede lid bedoelde woonruimte tot een maximum
                                        bedrag vastgelegd in het Besluit</cursief><cursief>maatschappelijke ondersteuning </cursief><cursief>Oostzaan</cursief><cursief>.</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan het
                                        middels een woonvoorziening bewerkstelligen dat de aanvrager
                                        de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan
                                        bereiken.</cursief></al></li></lijst><al/><al>Deze afwijking is overgenomen uit de Wvg, waarin het zogenaamde
                            bezoekbaar maken een bovenwettelijke voorziening was. Onder de Wmo is
                            deze voorziening eveneens als bovenwettelijke voorziening in de
                            verordening opgenomen.</al><al/><al>Omdat het gaat om een bovenwettelijke bepaling, betreft het uitsluitend
                            de in artikel 20, lid 5 genoemde zaken, te weten, het kunnen bereiken
                            van de woonruimte, de woonkamer en het toilet. Bereiken moet daarbij
                            letterlijk opgevat worden: het gaat niet om gebruiken, maar om bereiken.
                            Op zich mag dat merkwaardig lijken. Bedacht moet worden dat gebruiken
                            vaak hoge kosten met zich meebrengt, wat niet past bij een
                            bovenwettelijke taak. </al><al/><al>Verder moet het gaat om personen die tot de verhuizing naar een AWBZ
                            instelling behoorden tot de huisgenoten. Het gaat dus om het bezoekbaar
                            maken van de woonruimte ten behoeve van partners of ouders als het gaat
                            om kinderen, die in een AWBZ instelling wonen. </al><al/><al>In het Besluit maatschappelijke ondersteuning Oostzaan 2013 zijn de
                            maximale kosten voor het bezoekbaar maken gesteld op € 5.000,-.</al></artikel><artikel><kop><label>4.7.2 Algemene beperkingen (woon)voorzieningen</label></kop><al>Bij (woon) voorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden
                            gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de
                            verordening. Voor een uitleg van deze algemene beperkingen wordt
                            verwezen naar hoofdstuk 1.</al><al/><al>Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon
                            als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van
                            de verordening). Welke woonvoorzieningen daartoe behoren, hangt af van
                            de maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in bijvoorbeeld
                            bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel worden beschouwd. </al><al/><al>Als algemeen gebruikelijk worden in ieder geval de volgende
                            woonvoorzieningen beschouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>thermosstatische en eenhendelkranen (m.u.v. lange hendel);</al></li><li nr="-"><al>verhoogde toiletpotten (alleen +6);</al></li><li nr="-"><al>toiletgelegenheid op de eerste etage;</al></li><li nr="-"><al>douche;</al></li><li nr="-"><al>hangend toilet;</al></li><li nr="-"><al>eenvoudige wandgrepen en beugels (tot en met 60
                                    centimeter);</al></li><li nr="-"><al>centrale verwarming en thermosstatische radiatorkranen;</al></li><li nr="-"><al>afzuigkap;</al></li><li nr="-"><al>douchekop op glijstang;</al></li><li nr="-"><al>keramische kookplaat;</al></li><li nr="-"><al>meterkast met meerdere groepen;</al></li><li nr="-"><al>deugdelijke zonwering;</al></li><li nr="-"><al>wasdroger;</al></li><li nr="-"><al>normale babyfoon/intercom</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het verwijderen van een lavet en deze vervangen door wastafel en
                                    douche;</al></li><li nr="-"><al>een schuur c.q. berging;</al></li><li nr="-"><al>tweede trapleuning;</al></li><li nr="-"><al>antislipbehandeling badkamervloer;</al></li><li nr="-"><al>ophogen van de bestrating als gevolg van verzakking</al><al/></li></lijst><al>De bovenstaande opsomming is niet limitatief.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>4.7.3 Aanvullende beperkingen woonvoorzieningen</label></kop><al>Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal beperkingen,
                            zoals vastgesteld in artikel 21 van de verordening.</al><al><cursief>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit
                                hoofdstuk wordt afgewezen indien:</cursief></al><al><cursief>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg
                                is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                normale gebruik van de woning ten</cursief><cursief>gevolg van ziekte, gebrek of psychosociaal probleem geen
                                aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig
                                was;</cursief></al><lijst><li nr="b."><al><cursief>De aanvrager niet is verhuisd naar de meest geschikte
                                        woning die voor zijn of haar beperkingen op dat moment
                                        beschikbaar is, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk
                                        toestemming is verleend door het college; </cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                        gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
                                        deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen.
                                        Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kunnen slechts
                                        worden toegekend indien zonder deze woningaanpassingen de
                                        woonruimte ontoegankelijk blijft voor de aanvrager en indien
                                        een beroep op de eigenaar van de woning geen resultaat heeft
                                        gehad.</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat
                                        op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</cursief></al></li><li nr="e."><al><cursief>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                                        uitsluitend voor zover de aanvraag een
                                        verhuiskostenvergoeding betreft;</cursief></al></li><li nr="f."><al><cursief>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte
                                        die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                        worden;</cursief></al></li><li nr="g."><al><cursief>de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of
                                        een andere instelling gericht op het verstrekken van
                                        zorg;</cursief></al></li><li nr="h."><al><cursief>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                        woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen.</cursief></al></li></lijst><al/><al>De onder a genoemde beperking ziet vooral op situaties waarbij vanuit
                            een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of
                            minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat
                            naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een
                            belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen
                            van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is,
                            de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer
                            bewoond kan blijven worden, enz. In deze uitzonderingssituaties mag
                            verwacht worden dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de
                            gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst adequate
                            oplossing is.</al><al/><al>Onder b wordt aangegeven dat (uiteraard) bij verhuizing gezocht wordt
                            naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene.
                            Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een
                            (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de
                            geschikte woning. Gebeurt dat niet, dan zal dat aanleiding zijn tot
                            afwijzing. Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft
                            plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een
                            gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen.</al><al/><al>Onder c</al><al>In sommige situaties, bijvoorbeeld in appartementsgebouwen, kunnen de
                            bewoners hun woning alleen maar bereiken via een gemeenschappelijke
                            ruimte, bijvoorbeeld een gemeenschappelijke hal, galerij of trappenhuis.
                            Voor mensen met beperkingen kan het dan zo zijn dat de toegankelijkheid
                            een probleem oplevert, en dat daarvoor voorzieningen moeten worden
                            getroffen. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld een aanpassing van een
                            drempel van een gemeenschappelijke ruimte, of om het plaatsen van een
                            elektrische deuropener op een gemeenschappelijke toegangsdeur met
                            deurdranger. </al><al/><al>Juist omdat het gaat om gemeenschappelijke ruimten zijn gemeenten
                            terughoudend met het plaatsen van dure voorzieningen in die ruimten. In
                            gemeenschappelijke ruimten bestaat nu eenmaal meer kans op oneigenlijk
                            gebruik of vernieling van die voorziening. Om die reden worden in
                            gemeenschappelijke ruimten maar beperkt voorzieningen verstrekt, zoals
                            extra trapleuningen, elektrische deuropeners en hellingbanen. </al><al/><al>Indien bepaalde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten geweigerd
                            worden, kan de gemeente een alternatief bieden voor een
                            toegankelijkheidsprobleem in die ruimten. Dat kan een
                                <onderstreept>tegemoetkoming in verhuis- en
                                herinrichtingskosten</onderstreept> zijn, terwijl daarnaast het
                                <onderstreept>primaat van de verhuizing</onderstreept> wordt
                            gehanteerd. Zo kan verhuisd worden naar een wel toegankelijke woning,
                            bijvoorbeeld door te verhuizen van een Onder c appartementencomplex
                            zonder lift naar een woning op de begane grond, of naar een complex met
                            een lift.</al><al/><al>In gebouwen die speciaal bedoeld zijn voor ouderen en gehandicapten
                            kunnen bepaalde toegankelijkheidsvoorzieningen voor gemeenschappelijke
                            ruimten <onderstreept>algemeen gebruikelijk</onderstreept> zijn, gezien
                            het feit dat het gebouw voor een bepaalde doelgroep is bestemd.</al><al/><al>Onder d. worden uitzonderingen gemaakt voor algemeen gebruikelijke
                            verhuizingen en verhuizingen die te voorzien zijn. Op dit punt wordt
                            sterk aangesloten bij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvragers.
                            Wie weet dat traplopen, wat nu al lastig is, binnen 5 jaar onmogelijk
                            gaat worden, moet op tijd maatregelen nemen en gaan zoeken naar een
                            alternatieve woning. Wachten tot het niet langer kan, gaat aan deze
                            eigen verantwoordelijkheid voorbij en kan daarom aanleiding zijn tot
                            afwijzing. Als richtlijn geldt voor de voorzienbaarheid van
                            belemmeringen in het gebruik van de woning een periode van 5 jaar. </al><al/><al>Onder e worden tevens beperkingen ten aanzien van woonvoorzieningen
                            opgelegd. Bij de uitvoering van deze artikelen zal als volgt te werk
                            worden gegaan.</al><al>Bij een aanvraag om een of meerdere woonvoorzieningen door een persoon
                            met een beperking die voor het eerst zelfstandig gaat wonen, wordt eerst
                            onderzocht of de aanvrager actief naar een woning op zoek is geweest.
                            Ook van mensen met een beperking mag verwachten worden dat zij hun
                            verantwoordelijkheid nemen en actief naar een woning zoeken. Dit geldt
                            ook voor personen zonder beperking. De aanvrager moet aan kunnen tonen
                            dat hij minimaal 6 maanden actief op zoek is geweest. Mocht dat niet of
                            onvoldoende het geval zijn geweest dan kan de zoekperiode met 6 maanden
                            worden verlengd.</al><al/><al>Is de aanvrager actief op zoek naar een aangepaste woning, maar was er
                            gedurende de zoekperiode geen geschikte woning voor hem beschikbaar, dan
                            heeft de aanvrager recht op de noodzakelijke woonvoorzieningen.</al><al/><al>De aanvrager dient voordat hij een huurcontract of koopcontract
                            ondertekent eerst contact op te nemen met de gemeente. Gezamenlijk wordt
                            eerst bekeken of de gewenste woning aan te passen is. Op deze manier
                            voorkomt men teleurstellingen omdat in de praktijk blijkt dat bepaalde
                            aanpassingen niet of alleen tegen zeer hoge kosten aan te realiseren
                            zijn.</al><al/><al>De begrenzing onder G vloeit nog voort uit de Wet Voorziening
                            Gehandicapten (Wvg)</al><al/><al>Hierin was geregeld dat mensen die hun hoofdverblijf hebben in een
                            AWBZ-instelling, geen recht hadden op Wvg-woonvoorzieningen. Deze regel
                            was de logische consequentie van het feit dat de Wvg bedoeld was voor
                            mensen die zelfstandig konden wonen. AWBZ-instellingen zijn bedoeld voor
                            mensen die niet meer zelfstandig kunnen wonen. Kortom, Wvg en AWBZ
                            hadden verschillende doelgroepen. In de Wmo is echter niets geregeld
                            over AWBZ-bewoners. Uitgaande van het feit dat de Wmo niet is bedoeld
                            als beperking of uitbreiding ten opzichte van de Wvg, is het echter
                            logisch dat ook onder de Wmo geen woonvoorzieningen aan AWBZ-bewoners
                            verstrekt worden. Er mag ook worden uitgegaan van het uitgangspunt dat
                            een AWBZ-instelling, gezien het doel van die instelling, geschikt is
                            voor de mensen die daar wonen, zodat de instellingbewoner niet is
                            aangewezen op compensatie van woonproblemen via de Wmo. De AWBZ kan dan
                            als voorliggend worden beschouwd, zie <cursief>artikel 2
                            Wmo.</cursief>Het scherpe onderscheid tussen de
                            doelgroepen Wvg/Wmo en AWBZ vervaagt echter steeds meer in de laatste
                            jaren. Dit is een gevolg van de zogenaamde extramuralisering in de AWBZ.
                            Wonen en zorg worden steeds meer gescheiden, waardoor de grens tussen
                            zelfstandig wonen en een opname in een instelling steeds minder scherp
                            is. Door zorg aan huis te leveren, of door mensen een persoonsgebonden
                            budget voor het inkopen van zorg toe te kennen, kunnen steeds meer
                            mensen met een beperking buiten een instelling blijven of gaan
                            wonen.</al><al>Deze ontwikkeling leidt tot 'grensgeschillen' tussen AWBZ en Wvg/Wmo. </al><al/><al>Onder h valt te denken aan materialen zoals spaanplaat dat
                            formaldehydegas bevat, halfsteens-muren op het westen die veel
                            waterdoorslag geven en dus problemen met vochtigheid binnen, enz.
                            Iedereen, ongeacht eventuele beperking, zal met dit soort materialen
                            dezelfde problemen kunnen ondervinden. Het probleem wordt dus niet
                            veroorzaakt door de combinatie beperking-woning, maar door de gebruikte
                            materialen, reden om een voorziening te weigeren.</al><al/><al><vet>4.8 Overige woonvoorzieningen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>4.8.1.Uitbreiding van ruimten</label></kop><al>Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden de volgende maximale in
                            vierkante meters aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum
                            vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in
                            principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="41*"/><colspec colname="col2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colwidth="31*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Soort vertrek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bij aanbouw</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Bij uitbreiding</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonkamer</al><al>keuken</al><al>1 persoonsslaapkamer</al><al>2 persoonsslaapkamer</al><al>toiletruime</al><al>badkamer</al><al>-wastafelruimte</al><al>-doucheruimte</al><al>entree/hal/gang</al><al>berging</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al><al>10</al><al>10</al><al>18</al><al>2</al><al>2</al><al>3</al><al>5</al><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al><al>4</al><al>4</al><al>4</al><al>1</al><al>1</al><al>2</al><al>2</al><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>N.B. Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang
                            tot een woonruimte dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of
                            tuinpoort dat bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het
                            aanpassen van bestaande paden ten hoogste voor financiële tegemoetkoming
                            inaanmerking komt bedraagt 20m2.</al><al/><al><onderstreept>Restitutie meerwaarde bij verkoop</onderstreept></al><al>In het geval dat de eigen woning wordt aangepast en door deze aanpassing
                            de waarde van het huis stijgt (bijvoorbeeld door een aanbouw) wordt door
                            middel van het antispeculatiebeding van artikel 22 in de verordening
                            voorkomen dat de meerwaarde die het huis door de aanpassing heeft
                            verkregen ten goede komt aan de persoon met beperkingen. De datum van de
                            verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum vaststaat wat de
                            verkoopprijs van de woning is en wat de meerwaarde is ten gevolge van de
                            aanpassing. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in
                            een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien
                            er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                            effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in
                            relatie tot de te verwachten baten. Deze bepaling is van toepassing
                            wanneer de persoon met beperkingen tot 5 jaar nadat de woning is
                            aangepast de woning verkoopt.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.2 Bouwkundige en niet-bouwkundige voorzieningen</label></kop><al>Of de aanvrager in aanmerking komt voor een losse (roerende) of een
                            vaste (onroerende) woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige of
                            woontechnische situatie van de woning en van de ondervonden beperkingen
                            en belemmeringen. Het gaat bij losse woonvoorzieningen bijvoorbeeld om
                            tilliften, badliften, douche/toiletstoelen, douchestretchers,
                            badtransferplanken. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid
                            gekozen worden voor verstrekking van losse woonvoorzieningen. De losse
                            woonvoorziening moet voorzien in een oplossing voor een elementaire
                            woonfunctie, die eventueel ook kan worden geboden middels een
                            bouwkundige voorziening. Meestal zal de losse voorziening een goedkoop
                            en adequaat alternatief zijn voor een vaste voorziening. Een voorbeeld:
                            in plaats van een vaste plafondlift als transferhulpmiddel kan ook een
                            losse tillift wordenverstrekt of een transferplank. Ook zal bij voorkeur
                            met losse voorzieningen worden gewerkt in situaties waarin mensen
                            wachten op opname in een zorginstelling of in andere situaties waarin de
                            voorziening langdurig noodzakelijk is, maar waarin de verstrekking van
                            vaste woonvoorzieningen als risico met zich meebrengt dat deze
                            voorziening op zichzelf niet efficiënt is. Voorbeelden zijn terminale
                            situaties, maar ook situaties waarin mensen in een te slopen pand
                            wonen.</al><al/><al>Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in eigendom als in bruikleen worden
                            verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van het in
                            depot houden en herverstrekken niet opwegen tegen verstrekking van een
                            nieuw hulpmiddel) zullen in eigendom worden verstrekt. Duurdere
                            hulpmiddelen die mogelijk wel kunnen worden herverstrekt, worden in
                            bruikleen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.3 Financiële tegemoetkoming voor woningsanering</label></kop><al>Voor woningsanering kan een financiële tegemoetkoming worden verleend
                            voor het treffen van voorzieningen indien de ondervonden belemmeringen
                            aantoonbaar voortvloeien uit COPD, astma of een allergie, zolang de
                            allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de
                            woning of uit de bouwtechnische staat van de woning. De gespecialiseerd
                            longverpleegkundige stelt bij COPD of astma de noodzaak vast op grond
                            van diagnose door huisarts of longarts. De longverpleegkundige stelt in
                            het kader van een algeheel advies over levenspatroon, leefregels,
                            woninginrichting en ventilatiemogelijkheden de noodzaak tot
                            woningaanpassing vast. Dit adviesrapport kan tezamen met een
                            aanvraagformulier rechtstreeks naar de gemeente worden verzonden. Op
                            grond van deze informatie wordt een beslissing genomen op de
                            aanvraag.</al><al/><al>Geen vergoeding wordt verstrekt indien:</al><lijst><li nr="-"><al>het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de
                                    situatie van de cliënt leidt;</al></li><li nr="-"><al>de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen
                                    weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert.</al></li></lijst><al/><al>De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het
                            slaapvertrek. De woonkamer kan ook worden gesaneerd indien de aanvrager
                            jonger is dan vier jaar.</al><al/><al><onderstreept>Afschrijvingstermijn</onderstreept></al><al>Een vergoeding wordt alleen verstrekt in die gevallen dat de betreffende
                            te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Indien een artikel is
                            afgeschreven (in de regel na 8 jaar) wordt geen financiële
                            tegemoetkoming verleend.</al><al/><al>Hierbij wordt voor de hoogte van de vergoeding als volgt rekening
                            gehouden met de al verlopen afschrijvingsperiode. De vergoeding bedraagt
                            een percentage van de kosten, afhankelijk van de
                            afschrijvingsperiode:</al><lijst><li nr="a."><al>100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar;</al></li><li nr="b."><al>75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;</al></li><li nr="c."><al>50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;</al></li><li nr="d."><al>25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is.</al></li><li nr="-"><al>Bij een verhuizing wordt geen vergoeding verstrekt, omdat bij
                                    verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan
                                    rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Normbedragen</onderstreept></al><al>Het bedrag voor de financiële tegemoetkoming van vloerbedekking is
                            gemaximeerd per strekkende meter, inclusief eventueel ondertapijt,
                            egaliseren, legkosten etc. Het bedrag staat genoemd in het Besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.4 Speciale verlichting en zonwering</label></kop><al>Aanpassing van verlichting. Met name bij mensen met visusbeperkingen
                            (blinden en slechtzienden) zal niet-algemeen gebruikelijke verlichting
                            noodzakelijk kunnen zijn. Het is altijd zaak te kijken naar de vraag in
                            hoeverre de verlichting meerkosten oplevert ten opzichte van algemeen
                            gebruikelijke hoeveelheid verlichting.</al><al/><al>Verder kunnen mensen met visusbeperkingen, maar ook mensen met
                            bijvoorbeeld lichtallergie in aanmerking komen voor voorzieningen die de
                            lichtinval in huis beperken. Het is zaak dergelijke aanvragen kritisch
                            te bekijken. Allereerst is de vraag wat er precies medisch noodzakelijk
                            is, en in welke delen van de woonruimte die noodzaak er is. In ruimten
                            waar men relatief weinig gebruik van maakt is de noodzaak vaak minder
                            groot dan in veelgebruikte ruimten als woonkamers en keukens.</al><al/><al>Verder speelt de vraag of en in hoeverre problemen op dit terrein kunnen
                            worden opgelost door algemeen gebruikelijke oplossingen als gordijnen,
                            lamellen, screens, markiezen en andere zonneschermen. Indien algemeen
                            gebruikelijke voorzieningen een oplossing vormen is het wel zaak na te
                            gaan of de hoeveelheid voorzieningen wel algemeen gebruikelijk is. Als
                            bijvoorbeeld een groot deel van de ramen van een woning voorzien moet
                            worden van zonneschermen, is dat mogelijk niet meer als algemeen
                            gebruikelijk te beschouwen.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.5 De uitraasruimte</label></kop><al>De uitraasruimte is onder de Wmo omschreven in de verordening. Artikel
                            16 aanhef en onder d luidt dan ook:</al><al><cursief>De in artikel </cursief><cursief>14</cursief><cursief> onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:
                            </cursief></al><al><cursief>d. een uitraasruimte.</cursief></al><al/><al>Het gaat om een ruimte die alleen ten behoeve van de persoon met een
                            aantoonbare gedragsstoornis noodzakelijk is, om hem/haar tot rust te
                            doen komen. Dit vloeit ook voort uit de algemene beperking dat
                            individuele Wmo-voorzieningen in hoofdzaak op het individu gericht
                            zijn.</al><al/><al>De uitraasruimte is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om overlast voor
                            huisgenoten te beperken, hoewel dat wel een mogelijk neveneffect kan
                            zijn van verstrekking.</al><al/><al>Met het oog op de beperking, de gedragsstoornis met ernstig ontremd
                            gedrag tot gevolg, zal de ruimte in de regel beperkt van omvang zijn.
                            Aanwezige voorzieningen zijn gericht op het doel van de uitraaskamer,
                            het tot rust laten komen. Doorgaans zal de ruimte daarom prikkelarm en
                            veilig moeten zijn, en tevens zijn uitgerust met voorzieningen die
                            toezicht mogelijk maken. Voor zover dat geen technische apparatuur is
                            kan dat onder de voorziening vallen.</al><al/><al>Op basis van deskundigenadvies (vooral een advies van een onafhankelijk
                            psycholoog of orthopedagoog kan van belang zijn) zal op individuele
                            basis worden vastgesteld aan welke eisen de uitraasruimte moet voldoen.
                            Waar mogelijk zullen bestaande ruimten worden aangepast, bijvoorbeeld de
                            slaapkamer van de persoon voor wie de uitraaskamer nodig is.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.6 Tegemoetkoming in de kosten voor onderhoud, keuring en
                                reparatie van een woonvoorziening</label></kop><al>Onder de voormalige Wvg bestond al de mogelijkheid een financiële
                            tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van
                            elektrische voorzieningen (bijvoorbeeld bij een tillift) te verstrekken.
                            Een dergelijke tegemoetkoming wordt slechts verleend in het kader van de
                            Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning dan wel de
                            voormalige Wvg.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.7 Tegemoetkoming in de kosten van tijdelijk dubbele
                                woonlasten</label></kop><al>Wanneer belanghebbende tijdens uitvoering van de woningaanpassing niet
                            in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk naar een
                            andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                            noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                            verstrekt. Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de
                            mogelijkheden van belanghebbende ligt om te voorkomen dat tijdelijk
                            sprake is dubbele woonlasten kan tot vergoeding van de tijdelijke
                            huisvesting worden overgegaan. Onder woonlasten wordt verstaan de
                            huurprijs van het enkele gebruik van de tijdelijke woning. De periode
                            waarover de vergoeding zich uitstrekt zal (op grond van de planning van
                            de aannemer) individueel worden bepaald, doch bedraagt nooit meer dan 6
                            maanden. Bij tijdelijke huisvesting wordt onderscheid gemaakt tussen
                            zelfstandige en niet-zelfstandige woonruimte zoals bijvoorbeeld verblijf
                            in een AWBZ-instelling.</al></artikel><artikel><kop><label>4.8.8.Tegemoetkoming in de kosten in verband met
                                huurderving</label></kop><al>Voor het vrijhouden van een aangepaste woning c.q. het niet kunnen
                            verhuren van de woning omdat deze nog niet is aangepast, kan een
                            bijdrage aan de verhuurder worden verleend ter hoogte van de gederfde
                            huurinkomsten voor een periode van maximaal 6 maanden. De eerste maand
                            huurderving komt niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking
                            omdat de eerste maand dat de woning leeg staat als normaal wordt
                            beschouwd. Het is een risico waarmee in de exploitatie van de woning
                            rekening is gehouden en verwerkt is in de huur. Het gaat om de netto-
                            huur (zonder servicekosten, verzekeringen etc.) Huurderving kan niet
                            worden toegekend indien reeds een bijdrage wordt verleend voor het
                            aanhouden van de niet geschikt te maken woning en omgekeerd. Door de
                            eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                            huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat aangepaste woningen
                            beschikbaar blijven voor mensen met een beperking.</al></artikel><artikel><kop><label>4.9 Procedure bij bouwkundige of woontechnische
                                woonvoorziening</label></kop><al><onderstreept>1. Vaststellen </onderstreept><onderstreept> programma</onderstreept><onderstreept>ma van eisen</onderstreept></al><al>Nadat de aanvraag is ingediend, wordt een indicatie gesteld, waarbij
                            eenWmo-consulent eventueel aangevuld met een externe adviseur een
                            programmama van eisen voor de goedkoopst adequate bouwkundige of
                            woontechnische woonvoorziening opstelt.</al><al/><al>De woningeigenaar vraagt op basis van dat programmama van eisen enkele
                            (minimaal twee) offertes bij verschillende aannemers op. Op verzoek van
                            de woningeigenaar (en namens de woningeigenaar) kan de gemeente op basis
                            van dat programmama van eisen ook twee offertes bij verschillende
                            aannemers opvragen.</al><al/><al>Indien de aanvrager een woning bewoont die eigendom is van een
                            woningbouwvereniging waarmee afspraken zijn gemaakt over de uitvoering
                            en betaling van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen, geeft
                            de gemeente de door de woningbouwvereniging aangewezen (huis-)
                            aannemer/installateur direct opdracht de woonvoorziening uit te voeren.
                            De financiële tegemoetkoming wordt na ontvangst van de factuur
                            rechtstreeks aan de aannemer/installateur betaald.</al><al/><al><onderstreept>2. Het college beoordeelt welke offerte de goedkoopst
                                adequate oplossing biedt</onderstreept></al><al>De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het
                            verlenen van een financiële tegemoetkoming.</al><al/><al><onderstreept>3. Het college geeft toestemming</onderstreept></al><al>Het college geeft vervolgens toestemming voor de bouwkundige of
                            woontechnische woonvoorziening, op voorwaarde dat niet al zonder
                            toestemming een begin is gemaakt met de werkzaamheden waarop de
                            financiële tegemoetkoming betrekking heeft.</al><al/><al><onderstreept>4. De eigenaar voert uit</onderstreept></al><al>De woningeigenaar is verantwoordelijk voor de uitvoering van de
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening conform het programmama
                            van eisen. Zie paragraaf 4.10 voor wat te doen als woningeigenaar niet
                            wil meewerken aan het aanpassen van de woning.</al><al/><al><onderstreept>5. Het college kan controleren</onderstreept></al><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming voor een
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening indien de door hen
                            aangewezen personen toegang is verstrekt tot de woonruimte waar de
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt/is verricht.
                            Controle kan in beide gevallen achteraf plaatsvinden.</al><al/><al>De genoemde personen moeten ook inzicht krijgen in bescheiden en
                            tekeningen, welke betrekking hebben op de bouwkundige of woontechnische
                            woonvoorziening en de gelegenheid krijgen de bouwkundige of
                            woontechnische woonvoorziening te controleren.</al><al><onderstreept>6. Uitbetaling aan de woningeigenaar en
                                gereedmelding</onderstreept></al><al>De financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald aan de
                            woningeigenaar.</al><al>Gelijk na de voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk binnen 15
                            maanden na het verlenen van toestemming voor het aanpassen van de
                            woning, verklaart diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt
                            uitbetaald (de woningeigenaar) aan het college dat de bedoelde
                            werkzaamheden zijn voltooid (de gereedmelding). Deze gereedmelding is
                            tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de financiële
                            tegemoetkoming.</al><al/><al>De gereedmelding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen
                            van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële
                            tegemoetkoming is verleend.</al><al>Diegene aan wie de financiële tegemoetkoming wordt uitbetaald, dient
                            gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en betalingsbewijzen
                            met betrekking tot dewerkzaamheden ter controle beschikbaar te
                            houden.</al><al/><al>Bij grote bouwkundige of woontechnische woonvoorziening kan op verzoek
                            van de woningeigenaar de financiële tegemoetkoming in termijnen worden
                            betaald. De eerste termijnbetaling na gereedmelding fundering, de tweede
                            termijnbetaling na gereedmelding 1<sup>ste</sup> verdieping, derde
                            termijn nagereedmelding wind- en waterdicht en de vierde termijn na
                            oplevering.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>4.10 Voorwaarden voor verstrekking Pgb en uitbetaling financiële
                                tegemoetkoming</label></kop><al>Om te bewerkstelligen dat de bouwkundige of woontechnische
                            woonvoorziening wordt uitgevoerd conform het programmama van eisen en er
                            aldus een adequate aanpassing wordt verstrekt is een aantal voorwaarden
                            om de toegekende tegemoetkoming ook daadwerkelijk uit te betalen. De
                            voorwaarden moeten ook middels de beschikking aan de aanvrager en
                            eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de aanvrager is, worden
                            bekend gemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is
                            gebonden.</al><al>De volgende voorwaarden zijn van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden
                                    gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop de
                                    financiële tegemoetkoming betrekking heeft, zonder voorafgaande
                                    schriftelijke toestemming van het college;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar
                                    of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de
                                    bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt
                                    aangebracht;</al></li><li nr="c."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt inzicht wordt geboden in
                                    bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de
                                    bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>Aan de onder b. genoemde personen wordt gelegenheid geboden tot
                                    het controleren van de bouwkundige of woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>Terstond na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk
                                    binnen 15 maanden na het toekennen van de financiële
                                    tegemoetkoming verklaart de gerechtigde van de financiële
                                    tegemoetkoming aan het college dat de bedoelde werkzaamheden
                                    zijn voltooid conform het programmama van eisen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>4.11 Kosten van bouwkundige of woontechnische
                                woonvoorziening</label></kop><al>De volgende kosten in het kader van een bouwkundige of woontechnische
                            woonvoorziening kunnen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling
                            van de financiële tegemoetkoming:</al><lijst><li nr="1."><al>De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor
                                    het treffen van de voorziening;</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met
                                    inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en
                                    utiliteitsbouw 1991;</al></li><li nr="3."><al>Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom
                                    met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale
                                    honorarium als bepaald in Standaardvoorwaarden en
                                    Rechtsverhouding Opdrachtgever- Architect 1997 (SR 1997). Alleen
                                    in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor
                                    de bouwkundige of woontechnische woonvoorziening moet worden
                                    ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft
                                    dan veelal de ingrijpender bouwkundige of woontechnische
                                    woonvoorzieningen.</al></li><li nr="4."><al>De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit
                                    noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;</al></li><li nr="5."><al>De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="6."><al>De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare
                                    omzetbelasting;</al></li><li nr="7."><al>Renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke
                                    betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor
                                    zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van
                                    voorzieningen;</al></li><li nr="8."><al>De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet
                                    binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, volgens
                                    bijgaande tabel.</al></li><li nr="9."><al>De door burgemeester en wethouders (schriftelijk) goedgekeurde
                                    kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten
                                    redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen zijn;</al></li><li nr="10."><al>De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en
                                    adviezen met betrekking tot het verrichten van de
                                    aanpassing;</al></li><li nr="11."><al>De kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening;</al></li><li nr="12."><al>Indien de gemeente ook de administratiekosten van de verhuurder
                                    wil vergoeden kan het volgende opgenomen worden:</al></li><li nr="13."><al>De administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het
                                    treffen van een voorziening voor de aanvrager, voor zover de
                                    kosten onder 1 tot en met 11 meer dan € 1.000,- bedragen, 10%
                                    van die kosten, met een maximum van € 350,-.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>4.12 Opstalverzekering</label></kop><al>Bij het vergroten van de woning wordt er van uitgegaan dat de eigenaar
                            van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde
                            aanpast. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende
                            verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op de verordening worden
                            gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>4.13 Stopzetting bouwkundige en woontechnische
                                woonvoorziening</label></kop><al>Indien na toekenning van een bouwkundige of woontechnische
                            woonvoorziening doch voor de gereedmelding van de een bouwkundige of
                            woontechnische woonvoorziening de relatie tussen de aanvrager en de
                            woning niet meer aanwezig is (verhuizing, overlijden, e.d.) wordt de
                            toegekende bijdrage herzien. De mate van herziening is afhankelijk van
                            het stadium waarin de woningaanpassing verkeerd en de al aangegane en
                            niet meer te annuleren verplichtingen. Eventuele al aangegane
                            verplichtingen of betalingen b.v. leges, architectenhonorarium worden
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>4.14 Medewerking woningeigenaar</label></kop><al>Voor het aanpassen van de woning is medewerking van de eigenaar nodig.
                            Indien belanghebbende voor wie de woning aangepast moet worden zelf
                            eigenaar is, zal dat in de meeste gevallen geen problemen opleveren. Het
                            is daarentegen denkbaar dat wanneer de belanghebbende de woning huurt,
                            de eigenaar/verhuurder geen toestemming verleent voor het aanpassen van
                            de woning.</al><al/><al>De wetgever heeft in dit probleem voorzien door opneming van artikel 16
                            van de Woningwet. Op grond van dit artikel rust op de eigenaar van een
                            woning de plicht om die voorzieningen te treffen waarvoor ingevolge de
                            Wmo geldelijke steun is verleend. Uit het karakter van de regeling kan
                            worden afgeleid dat de weigerachtige verhuurder zonder nadere
                            voorwaarden mee moet werken. Voor het eisen van (financiële) garanties
                            van de gemeente en/of de belanghebbende/huurder dat bij vertrek van
                            huurder de aanpassingen teniet gedaan worden, is dan ook geen plaats.
                            Dit ontneemt uiteraard het college niet de mogelijkheid de verhuurder
                            enigszins tegemoet te komen. Het college is hiertoe echter niet
                            verplicht. </al><al/><al>Het college moet zorg dragen voor de bestuursrechterlijke handhaving van
                            deze verplichting (artikel 100 Woningwet). De handhaving omvat het
                            toepassen van Bestuursdwang (artikel 125 Gemeentewet) of het opleggen
                            van een last onder dwangsom (artikel 5:32 Awb).</al><al/><al>De woningeigenaar wordt vanwege overtreding van artikel 16 Woningwet
                            eerst aangeschreven om binnen een bepaalde termijn alsnog toestemming te
                            verlenen om de woning aan te passen. Mocht hieraan niet worden voldaan,
                            dan kan het college overgaan tot het plaatsen van woonvoorzieningen met
                            toepassing van bestuursdwang.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>5.1 Algemeen</label></kop><al>Onder het lokaal verplaatsen per vervoermiddel moet begrepen worden dat
                            personen die niet in staat zijn zich op de algemeen gebruikelijke
                            wijzen, zoals lopend, fietsend, met de stads- of streekbus, met een
                            reguliere auto, in staat gesteld worden zich toch te verplaatsen in de
                            directe woon- en leefomgeving. Dat kan door de voor iedereen beschikbare
                            middelen ook voor deze personen bruikbaar te maken, zoals door middel
                            van lage vloerbussen. Of door een speciaal systeem op te zetten,
                            bijvoorbeeld door een collectief systeem dat van deur tot deur vervoer
                            biedt of door specifieke voorzieningen beschikbaar te stellen, zoals
                            auto aanpassingen of scootmobielen. Het probleem is steeds dat reguliere
                            oplossingen niet voldoen en de resultaatsverplichting bestaat er uit dat
                            men zich, net als iedereen, lokaal kan verplaatsen. Onder lokaal dient
                            de directe woon- en leefomgeving verstaan te worden. Omdat dit slechts
                            beperkt is en vervoersbehoeften ook buiten de directe woon- en
                            leefomgeving bestaan, hoort ook bij de resultaatverplichting dat er
                            aansluiting geboden wordt op systemen die bovenregionaal vervoer bieden.
                            Voor wie daar gebruik van kan maken is dat het reguliere openbaar
                            vervoer, zoals bijvoorbeeld de spoorwegen met de mogelijkheden van
                            begeleiding daarin, voor anderen die niet van de trein gebruik kunnen
                            maken kan dat Valys zijn. Concreet betekent dit dat een station van NS
                            met dienstverlening bereikbaar moet zijn en dat de omvang van het
                            gemeentelijk systeem afgestemd moet zijn op de mogelijkheden van Valys.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>5.2 Vormen van vervoersvoorzieningen</label></kop><al>Artikel 23 van de verordening luidt:</al><al><cursief>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het
                                zich lokaal verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan
                                uit:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                        vervoersvoorziening;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>een vervoersvoorziening in natura;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                        vervoersvoorziening.</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                                        vervoersvoorziening;</cursief></al></li></lijst><al/><al>Dit betekent dat er naast voorzieningen in natura, financiële
                            tegemoetkomingen enpersoonsgebonden budgetten ten behoeve van
                            vervoersvoorzieningen ook algemenevervoersvoorzieningen toegekend kunnen
                            worden. Uit artikel 24 blijkt verder dat er een </al><al>primaat ligt bij die algemene voorzieningen, waaronder een primaat voor
                            het collectief vervoer.</al><al/><al>Dat betekent dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst
                            gekeken wordt of algemene voorzieningen waaronder collectief vervoer
                            daar een snelle en eenvoudige oplossing voor kunnen bieden. Indien dat
                            niet het geval is wordt gekeken of een andere voorziening het probleem
                            kan oplossen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.1 De algemene voorzieningen</label></kop><al>Algemene voorzieningen zijn voorzieningen anders dan collectief vervoer
                            die een probleem snel en effectief op kunnen lossen. Andere algemene
                            voorzieningen op het terrein van de vervoersvoorzieningen dan het
                            collectieve vervoer (bijvoorbeeld een scootmobielpool of een
                            rolstoelpool voor incidenteel gebruik) zijn op dit moment in Oostzaan
                            niet aanwezig. Eventueel kunnen deze op termijn ontwikkeld worden. </al><al>De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur
                                    heeft;</al></li><li nr="-"><al>Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet
                                    complexe zorg;</al></li><li nr="-"><al>Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele
                                    zorgbehoefte.</al></li></lijst><al/><al>Algemene voorzieningen anders dan collectief vervoer op het terrein van
                            de vervoersvoorzieningen zijn nog niet ontwikkeld. Te denken valt aan
                            een scootmobiel pool voor personen die slechts in beperkte mate van een
                            scootmobiel gebruik kunnen/willen maken. Voor hen kan een dergelijke
                            pool een adequate oplossing zijn, terwijl daar tegenover staat dat
                            bespaard wordt ten aanzien van permanent verstrekte scootmobiels. Het
                            gaat dus om (zeer) incidenteel gebruik. Bij de toelatingstoets hoort in
                            ieder geval het antwoord op de vraag of betrokkene veilig van de
                            voorziening gebruik kan maken. Indien nodig is bij aflevering (of
                            ophalen) van de voorziening een beperkte (aanvullende) instructie
                            mogelijk.</al><al>Bij algemene voorzieningen geldt dat wie daar niet mee geholpen denkt te
                            zijn uiteraard altijd een aanvraag kan indienen. Dan geldt echter de
                            reguliere aanvraagprocedure.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.2 Primaat collectief vervoer</label></kop><al>Uit artikel 25 van de verordening blijkt dat er een primaat ligt bij de
                            algemene voorziening in de vorm van het collectief vervoer. Dat betekent
                            dat bij het bestaan van vervoersproblemen altijd eerst gekeken wordt of
                            collectief vervoer geïndiceerd is. Wanneer dat niet geval is komen
                            andere voorzieningen in aanmerking.</al><al>Ingevolge dit primaat komt een persoon die ten gevolge van ziekte of
                            gebrek inclusief chronisch psychische problemen en psychosociale
                            problemen het openbaar vervoer niet kan bereiken of geen gebruik kan
                            maken van het openbaar vervoer allereerst – indien dit medisch mogelijk
                            is – in aanmerking voor collectief vervoer.</al><al/><al><onderstreept>Gebruik openbaar vervoer</onderstreept></al><al>De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen
                            gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de
                            jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd
                            middels het loopafstandcriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan
                            men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een
                            redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar
                            vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar zijn er
                            beperkingen bij het vervoer zelf, zoals het in- en uitstappen, het
                            zitten, het zich staande kunnen houden bij het wegrijden of afremmen,
                            dan komt men ook voor vervoersvoorzieningen in aanmerking.</al><al>Komt men op grond van deze criteria voor een vervoersvoorziening in
                            aanmerking, dan zijn er twee terreinen waarop vervoer mogelijk is. Het
                            eerste terrein is het vervoer op de korte afstand, in de woonomgeving,
                            het “loop” en “fietsvervoer”. Het tweede terrein is op wat langere
                            afstand, de afstand waarvoor een persoon zonder beperkingen het openbaar
                            vervoer zouden kunnen nemen. Als op beide terreinen problemen bestaan
                            moet in verband met het te bereiken resultaat op beide terreinen bekeken
                            worden welke oplossingen noodzakelijk zijn. Alleen bij personen met een
                            zeer beperkte loopafstand (dat is een loopafstand tot maximaal 100
                            meter) moet ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                            op beide terreinen een oplossing worden geboden. Dit wil niet zeggen dat
                            dit niet hoeft bij mensen met een grotere loopafstand, maar tot 100
                            meter is het dwingend voorgeschreven! Boven honderd meter kan een
                            dubbele oplossing</al><al> logischerwijs ook tot de resultaatsverplichting horen, omdat ze beide
                            nodig zijn om het verplaatsingsprobleem op te lossen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.3 Collectief vervoer</label></kop><al>Wie problemen heeft met het overbruggen van 800 meter met het openbaar
                            vervoer komt op basis van artikel 25 van de verordening in aanmerking
                            voor aanvullend openbaar vervoer indien dit medisch gezien adequaat is.
                            Dat zal het in zeer veel gevallen zijn: uit de jurisprudentie van de
                            Centrale Raad van Beroep blijkt dat alleen bij onbeheersbare
                            incontinentie of bij ernstige gedragsproblemen of in andere
                            uitzonderlijke situaties collectief vervoer niet adequaat geacht moet
                            worden. In bijna alle andere situaties is collectief vervoer de eerste
                            voorziening die in aanmerking komt voor verstrekking.</al><al>De Tweede Kamer heeft op 29 maart 2006 tijdens een Algemeen Overleg over
                            het</al><al>bovenregionaal vervoer Valys uitgesproken dat bij aanwezigheid van
                            collectief vervoer geen persoonsgebonden budget hoeft te worden
                            verstrekt aangezien het niet de bedoeling is het collectief vervoer in
                            gevaar te brengen.</al><al>Voor de voorzieningen die vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer,
                            zoals het collectief vervoer, geldt dat uitsluitend rekening gehouden
                            moet worden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.
                            Artikel 28 lid 1 van de verordening bepaalt hierover:</al><al><cursief>1. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien
                                van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in
                                de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van
                                alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het
                                gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de
                                aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de
                                aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</cursief></al><al>De directe woon- en leefomgeving kunnen het beste beschreven worden in
                            te bereiken bestemmingen. Het gaat daarbij om vijf zones, conform de
                            zone-indeling van het Openbaar Vervoer, vanaf de woning waarin men in de
                            Gemeentelijk Basisadministratie staat ingeschreven. Vanaf 1 april 2013
                            geldt een bereik van 23 kilometer vanaf de woning van de geïndiceerde.
                            Daardoor is ook aansluiting op het buitenregionaal vervoer van Valys
                            verzekerd.</al><al>Artikel 28, lid 2 van de verordening geeft, als gevolg van de
                            jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ook nog aan welke omvang
                            in kilometers geboden moet worden:</al><al><cursief>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van </cursief><cursief>1500 kilometer</cursief><cursief> met een bandbreedte tot </cursief><cursief>3000 kilometer</cursief><cursief> mogelijk maken. </cursief></al><al/><al>Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in 2009 geven aan dat ook
                            het</al><al> vervoer naar medische bestemmingen, als daar op basis van bijvoorbeeld
                            de Zorgverzekeringswet of de AWBZ geen vergoeding voor mogelijk is,
                            onder de compensatieplicht in het kader van de Wmo vallen. </al><al>Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep aangegeven dat wie aan kan
                            tonen een grotere vervoersbehoefte te hebben dan de bandbreedte tot 2000
                            km, ook voor het meerdere gecompenseerd kan worden, zij het met de
                            beperking van “lokale verplaatsingen” zodat er geen verschil hoeft te
                            bestaan tussen mensen die met een collectief vervoersysteem onbeperkt
                            kunnen reizen (tegen reguliere kosten) en personen die een andere
                            vervoersmogelijkheid nodig hebben. Het resultaat zal, als dat
                            aantoonbaar is, dus meer moeten bieden dan de maximale bandbreedte. </al><al>Bij het vervoer is de vervoersbehoefte een relevante factor om te
                            beoordelen of een bepaalde voorziening wel adequaat is. Het is daarom
                            van belang de vervoersbehoefte zorgvuldig te inventariseren. Hoewel dit
                            aanvankelijk onder de Wvg ook gebeurde is deze inventarisatie in de loop
                            der jaren steeds minder belangrijk geworden. Onder de Wmo zal dit weer
                            opnieuw zorgvuldig moeten gebeuren.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.4 Collectief vervoerssysteem</label></kop><al>Het Aanvullend openbaar vervoer (AOV) Zaanstreek biedt vervoer van deur
                            tot deur met behulp van taxi's en (rolstoel)busjes in een gebied van 5
                            openbaar vervoerzones (vanaf 1 april 2013 of uiterlijk vanaf het moment
                            dat het nieuwe contract ingaat 23 kilometer) vanaf elk adres in de
                            gemeente. Het vervoerssysteem wordt door de Zaanse gemeenten samen
                            bekostigd.</al><al/><al><onderstreept>Begeleiding bij het collectieve
                                vervoerssysteem</onderstreept></al><al>Als een geïndiceerde voor het collectief vervoerssysteem om medische
                            redenen een begeleider nodig heeft dan kan betrokkene in aanmerking
                            gebracht worden voor een begeleiderindicatie. De begeleider mag dan
                            gratis meereizen. Een geïndiceerde voor het collectief vervoer kan geen
                            gratis begeleider zijn. Als een persoon om sociale redenen mee reist met
                            de geïndiceerde, is hij of zij een medereiziger en betaalt hij/zij het
                            medereizigerstarief.</al></artikel><artikel><kop><label>5.2.5 Individuele vervoersvoorzieningen i.p.v. collectief
                                vervoer</label></kop><al>Als collectief vervoer niet adequaat is zal een andere voorziening
                            gekozen moeten worden om het gewenste resultaat te bereiken. Het kan dan
                            gaan om een voorziening in natura (een bruikleenauto, een
                            autoaanpassing, een gesloten buitenwagen) of een persoonsgebonden
                            budget, als alternatief voor een voorziening in natura of een geldbedrag
                            te besteden aan een vervoersvoorziening (financiële tegemoetkoming voor
                            vervoersvoorzieningen).</al><al/><al>Bij de vaststelling van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is
                            met de hoogte van de tegemoetkoming voor (rolstoel)taxivervoer rekening
                            gehouden met de laatste uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. </al><al>De financiële tegemoetkoming wordt berekend op de individuele situatie
                            van betrokkene. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere
                            verplaatsingsmiddelen die in het kader van de Wmo zijn verstrekt, zoals
                            een scootmobiel of een driewielfiets. Deze verplaatsingsmiddelen zijn
                            bedoeld voor vervoer op korte afstand van, rond en naar het huis,
                            waarvoor het gebruik van het collectief vervoer, de individuele
                            (rolstoel) taxi of de tegemoetkoming in de kosten ervan, niet de
                            goedkoopst adequate oplossing is.</al><al/><al>Voor de berekening van de financiële tegemoetkoming in de kosten voor
                            vervoersvoorzieningen mag het aantal te vergoede kilometers verminderd
                            worden met een aantal kilometers dat verreden kan worden met de
                            verstrekte aanvullende vervoersvoorzieningen (bijvoorbeeld scootmobiel).
                            Op deze wijze wordt de deelname aan het maatschappelijk verkeer
                            voldoende gewaarborgd. </al><al/><al>Voor de verplaatsingen op de korte afstand kan gedacht worden aan een
                            scootmobiel of een driewielfiets. Deze kunnen worden verstrekt in natura
                            of als persoonsgebonden budget om dergelijke voorzieningen aan te
                            schaffen. Als iemand een scootmobiel heeft in combinatie met een
                            financiële tegemoetkoming voor vervoersvoorzieningen dan wordt het
                            aantal kilometers waarvoor een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt
                            gereduceerd met 60%. </al></artikel><artikel><kop><label>5.2.6 Overzicht van verschillende vervoersvoorzieningen,
                                inclusief autoaanpassingen</label></kop><al>Wanneer wordt afgeweken van het primaat van het collectieve vervoer of
                            naast het collectieve vervoer voorzieningen noodzakelijk zijn voor het
                            vervoer op de korte en middenlange afstand kunnen verschillende
                            vervoersvoorzieningen worden verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>Aangepaste fietsen</onderstreept></al><al>Aangepaste fietsen zijn speciaal ontworpen en bestemd voor mensen met
                            een beperking. Verstrekt worden: een driewielfiets, een vierwielfiets,
                            een tandem, een duofiets, de handaangedreven ligfiets. Bij verstrekking
                            in natura wordt de voorziening in bruikleen verstrekt.</al><al/><al><onderstreept>Handbike</onderstreept></al><al>Een handbike is een voorziening die gekoppeld kan worden aan een
                            rolstoel. Door verstrekking van een handbike is een scootmobiel
                            overbodig. De keuze voor een scootmobiel of een handbike is afhankelijk
                            van de beperkingen en de mogelijkheden van de aanvrager om met een
                            handbike om te gaan.</al><al/><al><onderstreept>Scootmobiel</onderstreept></al><al>Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middenlange
                            afstand en kan worden verstrekt in aanvulling op het collectief vervoer.
                            Binnen het kernassortiment zijn verschillende mogelijkheden voor types
                            scootmobiels. Op basis van de individuele situatie van de aanvrager
                            wordt het goedskoopst adequate type geselecteerd. </al><al/><al><onderstreept>De gesloten buitenwagen</onderstreept></al><al>Dit is een specifiek gehandicaptenvoertuig. Het is omschreven in het
                            reglement Verkeersregels en Verkeerstekens en moet aan bepaalde eisen
                            voldoen. Gesloten buitenwagens worden slechts in zeer uitzonderlijke
                            situaties verstrekt. Alleen wanneer is vastgesteld (op basis van medisch
                            advies) dat aanvullend openbaar vervoer en ook taxikostenvergoeding niet
                            adequaat zijn voor de aanvrager en de scootmobiel voldoet niet om
                            medische redenen, zou men voor een gesloten buitenwagen in aanmerking
                            kunnen komen. Eventuele rijlessen voor gebruik van de gesloten
                            buitenwagen komen voor vergoeding in aanmerking.</al><al><onderstreept>Autoaanpassing</onderstreept></al><al>Indien de aanvrager op grond van zijn beperkingen geen gebruik kan maken
                            van het collectief vervoer of een individuele (rolstoel) taxi is een
                            tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassingen mogelijk indien dit de
                            goedkoopst adequate voorziening is.</al><al/><al>Aanpassingen aan de eigen auto zijn voorzieningen die uitsluitend voor
                            personen met een beperking worden gemaakt en alleen door hen gebruikt
                            kunnen worden, zoals de bediening ven de besturing, het in en uit de
                            auto komen en de zithouding. In bijzondere omstandigheden kan de
                            aanvrager in aanmerking komen voor andere faciliteiten waarover auto’s
                            kunnen beschikken (b.v. extra buitenspiegel). Ook kan er sprake zijn van
                            meerkosten bij de aanschaf en aanpassing van een auto in een bijzondere
                            uitvoering (bijvoorbeeld een bus waarin een rolstoel gereden kan
                            worden).</al><al/><al>Een auto is wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Er kan een
                            financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor de aanpassingskosten of
                            de aanschafkosten die boven die van een referentieauto (dat wil zeggen
                            een auto die men normaal zou (kunnen) kopen) uitgaan. </al><al/><al>Er wordt echter geen autoaanpassing verstrekt als vervoer per
                            individuele (rolstoel)taxi mogelijk zou zijn.</al><al>Wanneer is vastgesteld dat in geval van belanghebbende het collectief
                            vervoer niet voldoet en er geen adequaat alternatief voor het gebruik
                            van de eigen auto is kan worden overgegaan tot het verstrekken van
                            autoaanpassingen. De gebruiksduur van autoaanpassingen varieert van 5
                            tot 7 jaar. Voor een relatief dure aanpassing moet de aan te passen auto
                            van een recent bouwjaar zijn, of dient aantoonbaar te zijn dat de te
                            verwachten levensduur van de auto nog zeker 5 jaar is. </al><al>Samengevat zijn er dus 2 situaties waarin auto-aanpassingen worden
                            vergoed:</al><lijst><li nr="a."><al>Collectief vervoer voldoet niet en de aanvrager maakt gebruik
                                    van een auto. De noodzakelijke kosten voor aanpassing worden in
                                    dat geval vergoed.</al></li><li nr="b."><al>Collectief vervoer voldoet wel maar de aanvrager prefereert
                                    gebruik van de eigen auto. Dan kunnen noodzakelijke aanpassingen
                                    met een maximum van € 2000,- worden vergoed, onder voorwaarde
                                    dat men 5 jaar geen gebruik zal maken van het collectief
                                    vervoer. Ook komt men niet in aanmerking voor
                                    gebruikskostenvergoeding van de eigen auto.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Bruikleenauto</onderstreept></al><al>De (aangepaste) bruikleenauto of bus vormt in het gemeentelijke beleid
                            het sluitstuk van de vervoersvoorzieningen. In vrijwel alle gevallen zal
                            het verstrekken van een bruikleenauto niet de goedkoopst adequate
                            oplossing zijn. Deze optie kan dus alleen aan de orde komen als er geen
                            andere adequate oplossingen te bieden zijn.</al><al>Een bruikleenauto is een vervoersmogelijkheid voor zowel de korte als de
                            lange afstand. Indien voor zowel de korte als de lange afstand een
                            voorziening dient te worden getroffen zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of de bruikleenauto goedkoper is dan een combinatie van 1 of 2
                            adequate voorzieningen (bijvoorbeeld taxikostenvergoeding en een
                            scootmobiel). Bij deze afweging kan ook de gezinssituatie van de
                            aanvrager een rol spelen.</al><al/><al>In de eerste plaats moet beoordeeld worden of het collectief vervoer
                            geschikt is. Wanneer het collectief vervoer niet geschikt of adequaat is
                            moet worden bekeken of een individuele taxikostenvergoeding eventueel in
                            combinatie met een scootmobiel een adequate oplossing zou bieden.
                            Vervolgens worden beperkingen en belemmeringen en sociale omstandigheden
                            (gezinssituatie, sociale contacten, vervoersbehoefte) in kaart gebracht.
                            Vastgesteld moet worden dat de aanvrager voor iedere verplaatsing op de
                            auto is aangewezen. Deze situatie zal zich slechts zelden voordoen.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>5.3. Aanvullende vervoersvoorzieningen voor de korte
                                afstand</label><titel/></kop><al>Indien de aanvrager zich niet op de korte afstand (afstanden tot 800
                            meter) in de woonomgeving kan verplaatsen, gelet op zijn beperkte
                            loopafstand, en geen mogelijkheid heeft zich met een algemeen
                            gebruikelijk vervoersmiddel of een rolstoelvoorziening te verplaatsen
                            (bijvoorbeeld met een fiets, brommer, een elektrische fiets, spartamet,
                            (elektrische) rolstoel of andere loopmiddelen) en er aantoonbare
                            substantiële vervoersbehoefte bestaat op de korte afstand, kan
                            aanvullend een vervoersvoorziening voor de korte afstand worden
                            toegekend. Het collectief vervoer is immers minder geschikt voor de hele
                            korte afstanden. Duidelijk dient te zijn dat de voorzieningen voor het
                            dagelijks leven binnen deze straal liggen. Anders zal
                            vervoersvoorziening voor de langere afstand zonder aanvullende
                            voorziening adequaat zijn.</al><al/><al>De aanvullende voorziening kan bestaan uit een hulpmiddel, een
                            financiële compensatie of een andersoortige compensatie om de kosten die
                            de korte verplaatsingen opleveren ( die personen zonder beperking niet
                            hebben omdat zij kunnen lopen) te compenseren. Het gaat bij een
                            hulpmiddel onder meer gaan om een gesloten buitenwagen, scootmobiel of
                            een ander verplaatsingsmiddel. De goedkoopst adequate voorziening voor
                            de korte afstand wordt toegekend.</al><al/><al>Alleen bij personen met een zeer beperkte loopafstand (dat is een
                            loopafstand tot maximaal 100 meter) moet ingevolge de jurisprudentie van
                            de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen een oplossing worden
                            geboden,</al><al/><al><vet>5.4 Beperkingen</vet></al></artikel><artikel><kop><label>5.4.1Algemene beperkingen</label></kop><al>Bij (vervoers)voorzieningen worden een aantal algemene voorwaarden
                            gehanteerd, waarvan de definities terug te vinden zijn in de Wmo en de
                            verordening. Voor een uitleg van deze algemene beperkingen wordt
                            verwezen naar hoofdstuk 1.</al><al/><al>Eén van de algemene voorwaarden is dat een voorziening voor een persoon
                            als aanvrager niet algemeen gebruikelijk is (artikel 2 lid 2 onder a van
                            de verordening). Welke vervoersvoorzieningen daartoe behoren, hangt af
                            van de maatschappelijke ontwikkelingen. Zaken die normaal in
                            bijvoorbeeld bouwmarkten verkrijgbaar zijn, kunnen daartoe al snel
                            worden beschouwd. </al><al>Als algemeen gebruikelijk worden in ieder geval de volgende
                            vervoersvoorzieningen beschouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>auto;</al></li><li nr="-"><al>fiets;</al></li><li nr="-"><al>fiets met lage instap;</al></li><li nr="-"><al>spartamet;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch aangedreven fiets;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch aangedreven fiets en lage instap;</al></li><li nr="-"><al>en lage instap;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch aangedreven moederfiets </al></li><li nr="-"><al>fiets met trapondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>fiets met trapondersteuning en lage instap;</al></li><li nr="-"><al>bromfiets- scooter;</al></li><li nr="-"><al>ligfiets;</al></li><li nr="-"><al>fietskar;</al></li><li nr="-"><al>aanhangfiets;</al></li><li nr="-"><al>autostoeltje.</al></li></lijst><al/><al>Algemeen gebruikelijke autofaciliteiten zijn in ieder geval:</al><lijst><li nr="-"><al>automatische transmissie;</al></li><li nr="-"><al>startkachel</al></li><li nr="-"><al>elektrische ruitenwisser en sproeier achter;</al></li><li nr="-"><al>driepuntsgordels;</al></li><li nr="-"><al>hoofdsteunen;</al></li><li nr="-"><al>lendensteunen voorstoel, verstelbaar;</al></li><li nr="-"><al>kunststof bekleding;</al></li><li nr="-"><al>buitenspiegel, van binnenuit verstelbaar;</al></li><li nr="-"><al>elektrisch bediende portierruiten;</al></li><li nr="-"><al>neerklapbare of inklapbare achterbank (i.v.m. meenemen
                                    rolstoel);</al></li><li nr="-"><al>uitneembare hoedenplan (i.v.m. meenemen rolstoel);</al></li><li nr="-"><al>warmtewerend glas;</al></li><li nr="-"><al>achterruitverwarming;</al></li><li nr="-"><al>verstelbare stuurwielen;</al></li><li nr="-"><al>stoffen bekleding van stoelen;</al></li><li nr="-"><al>gelaagde voorruit;</al></li><li nr="-"><al>interval voor ruitenwissen;</al></li><li nr="-"><al>airconditioning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>5.4.2 Specifieke beperkingen</label></kop><al><cursief>Bezit auto of daarmee vergelijkbare voorziening algemeen
                                gebruikelijk</cursief></al><al>Een auto kan bovendien als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Als
                            iemand bijvoorbeeld altijd de beschikking heeft gehad over een auto kun
                            je daarvan spreken. Ook kan het worden aangetoond door te kijken naar
                            het verband tussen inkomen en autobezit. Tot voor kort hanteerden
                            gemeenten hiervoor vaak een inkomensgrens. Algemene inkomensgrenzen
                            stellen is volgens recente jurisprudentie van de Centrale Raad niet
                            toegestaan en er moet gekeken worden naar de individuele situatie.
                            Iedereen heeft kosten voor vervoer. Ook als je een uitkering hebt, moet
                            je je vervoeren, met een fiets, met de bus of met een goedkope auto, al
                            dan niet tweedehands of via deelgebruik. Vanuit een uitkering worden
                            immers ook uitgaven gedaan, zoals bijvoorbeeld voor vervoer.</al><al>In individuele situaties zal onderzocht moeten worden of een auto als
                            algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. </al><al/><al><vet>5.5 Doel van het vervoer: in beginsel alleen sociaal vervoer in de
                                eigen woon- of leefomgeving</vet></al></artikel><artikel><kop><label>5.5.1 Het leven van alledag in de directe woon- of
                                leefomgeving</label></kop><al>De compensatieplicht voor vervoer is in beginsel gericht op het sociaal
                            vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de
                            directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in de Wmo in beginsel
                            om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen
                            woonomgeving maakt, zoals vervoer om boodschappen te doen, vrienden en
                            familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaal-culturele
                            instellingen.</al><al/><al>Voorzieningen die worden aangevraagd om zich buiten de eigen
                            leefomgeving te kunnenverplaatsen of om voorzieningen mee te nemen,
                            zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen
                            buiten de eigen woon- en leefomgeving of een meeneembare scootmobiel,
                            vallen in principe niet onder de compensatieplicht, omdat het
                            gebruiksgebied buiten de gemeentelijke compensatieplicht vallen. Een
                            zorgvuldige beoordeling zal duidelijk moeten maken of wellicht van de
                            hardheidsclausule gebruikt zal moeten worden om in een individueel geval
                            een uitzondering te maken.</al><al/><al>Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse
                            patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het treffen
                            van een Wmo-vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening
                            gehouden. Het zal niet vaak voorkomen dat een vervoersvoorziening
                            uitsluitend voor recreatieve voorzieningen wordt aangevraagd. Een
                            vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op
                            recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo
                            verstrekt. Te denken valt hierbij aan bewoners van een AWBZ-instelling
                            die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het
                            jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Dit vervoer dient de
                            instelling uit het daarvoor beschikbare budget te bekostigen. Maar als
                            naast het recreatieve doel ook één of meer andere bestemmingen een rol
                            spelen wordt de voorziening normaal tot de compensatieplicht
                            gerekend.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.2 Vervoer in verband met werk</label></kop><al>Bij de beoordeling van aanspraken op vervoersvoorzieningen wordt geen
                            rekening gehouden met vervoersbehoefte in verband met werk. Voor mensen
                            die in dienstbetrekking werken en mogelijk voor zelfstandigen zijn er
                            voorliggende voorzieningen, zoals de voormalige Wet-Rea-voorzieningen
                            die zijn overgeheveld naar WAO/WIA, Wajong, Waz en ZW. Deze regelingen
                            worden uitgevoerd door het UWV. Werknemers die werkzaam zijn in de
                            sociale werkvoorzieningen (Wsw) kunnen voor woon-werkverkeer op basis
                            van de CAO-Wsw een beroep doen op hun werkgever. Het is artikel 2 Wmo
                            dat bepaalt dat dit niet onder de Wmo valt.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.3 Vervoer in het kader van vrijwilligerswerk</label></kop><al>Ook (extra) vervoersbehoefte in verband met vrijwilligerswerk is geen
                            aanleiding voor verstrekking van vervoersvoorzieningen, zo heeft de
                            Centrale Raad van Beroep bepaald. De Centrale Raad van Beroep gaat er
                            van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie
                            waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt. </al></artikel><artikel><kop><label>5.5.4 Vervoer in verband met therapie, dagbehandeling/dagopvang
                                of bezoek aan medische behandelaars</label></kop><al>Het medisch vervoer (huisarts, ziekenhuis) behoort naar zijn aard tot de
                            verplaatsingen die een persoon met een beperking in staat stellen om
                            deel te nemen aan het leven van alledag voor zover gereisd moet worden
                            naar bestemmingen die onder het lokaal vervoer vallen. </al><al/><al>Voor medisch vervoer is er mogelijk aanspraak op een vergoeding via de
                            Regeling zorgverzekering (ziekenvervoer). Er zal altijd moeten worden
                            onderzocht of en in hoeverre de voorliggende voorziening voorziet in de
                            medische vervoersbehoefte.</al><al/><al>Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt in
                            principe niet onder deWmo-compensatieplicht. Veelal zal dit door de AWBZ
                            vergoedt worden en dan geldt artikel 2 Wmo. Als gemeenten (of anderen)
                            dagopvang opzetten dan gaat het om verplaatsingen die niet onder de AWBZ
                            vallen en duidelijk tot doel hebben mensen te laten meedoen, zodat die
                            verplaatsingen onder de compensatieplicht van de Wmo vallen. Aanvragen
                            voor vervoersvoorzieningen met dit doel zullen daarom kritisch moeten
                            worden beoordeeld. Medische noodzaak, het al dan niet (overwegend)
                            therapeutische karakter van dedagopvang en de erkenning/financiering van
                            de dagopvang op basis van de AWBZ spelen volgens de jurisprudentie een
                            rol. Heeft de dagopvang een overwegend therapeutisch karakter, of wordt
                            die erkend of gefinancierd in AWBZ-kader, dan is er aanleiding om het
                            vervoer in verband daarmee niet te beschouwen als vervoer in het kader
                            van het leven van alledag. De AWBZ zal dan verantwoordelijk zijn voor
                            het vervoer.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.5 Vervoer in verband met het volgen van onderwijs</label></kop><al>Vervoer in verband met onderwijs valt evenmin onder de
                            Wmo-compensatieplicht. Er zijn voorliggende voorzieningen, zoals het
                            leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, en voorzieningen
                            die via het UWV worden verstrekt, de voormalige Wet-Rea-voorzieningen.
                            Vanwege de werking van art. 2 Wmo zijn die andere regelingen
                            verantwoordelijk.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.6 Vervoer van kinderen door ouders met een beperking</label></kop><al>Bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen moet rekening worden
                            gehouden met het verzorgen van kinderen door ouders met een beperking.
                            Daarbij kan echter ook rekening worden gehouden met alternatieven voor
                            vervoer door de ouders zelf, zo stelt de Centrale Raad van Beroep. Het
                            naar school brengen van kinderen gebeurt vaak op tourbeurt door ouders
                            en het valt niet in te zien dat ouders met kinderen met een beperking
                            hier niet aan mee zouden kunnen doen.</al></artikel><artikel><kop><label>5.5.7 Vervoer voor AWBZ-instellingsbewoners</label></kop><al>Onder de Wmo is er geen wettelijk onderscheid tussen AWBZ-bewoners en
                            overige Wmo-doelgroep inwoners van de gemeente. Dat houdt overigens niet
                            in dat er op gelijke wijze geoordeeld wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte van AWBZ-bewoners.</al><al/><al>Deze categorie mensen zal in de regel een lagere vervoersbehoefte hebben
                            dan zelfstandigwonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate
                            boodschappen hoeven te doen.</al><al/><al>Soms wonen aanvragers in een complex waarin voorzieningen, zoals een
                            winkel, kapper, recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten, zijn
                            ondergebracht of in de dichte nabijheid zijn gerealiseerd. Te denken
                            valt voornamelijk aan verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen
                            erbij, verpleeghuizen en andere AWBZ-instellingen. Bovendien geldt dat
                            een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag'
                            vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van
                            intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak boodschappen te
                            doen, omdat de instellingen de maaltijden bereid. Ook sommige
                            gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden
                            vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze
                            verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor
                            vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Bijvoorbeeld door in
                            individuele gevallen ervan uit te gaan dat voor bewoners van een
                            intramurale instelling in een aanzienlijk gedeelte van hun bestemmingen
                            in het kader van het leven van alledag is voorzien. Aan bewoners van een
                            intramurale instelling kan bijvoorbeeld op basis van hetBesluit
                            maatschappelijke ondersteuning een gehalveerd persoonsgebonden budget
                            voor vervoerskosten worden verstrekt. </al><al>Uitzonderingen moeten echter mogelijk blijven, als blijkt dat er een
                            grotere vervoersbehoefte is. Zorgvuldige beoordeling van de persoonlijke
                            situatie ligt daarom aan de basis van het oordeel.</al></artikel><artikel><kop><label>5.6 Begeleiding bij het vervoer van AWBZ-bewoners</label></kop><al>Ook hier heeft invulling plaatsgevonden op basis van jurisprudentie.
                            Begeleidingskosten kunnen onder de compensatieplicht vallen. Bij
                            AWBZ-bewoners kan er echter rekening gehouden worden met de agogische
                            taak van personeel van de instelling, in het bijzonder bij
                            gezinsvervangende tehuizen. Ook bij grotere AWBZ-instellingen geldt een
                            beperking bij de zorgplicht c.q. compensatieplicht ten aanzien van de
                            begeleiding. Maar beoordeeld zou ook kunnen worden of het vervoer
                            begeleid zou kunnen worden door vrijwilligers, mits dat gegarandeerd
                            aanwezig is.</al><al/><al>Uitgangspunt is een gelijke compensatieplicht voor AWBZ-bewoners en
                            overige voor bewoners van de gemeente. Categoriale beperking van de
                            omvang van de compensatieplicht voor AWBZ-bewoners is ook mogelijk, maar
                            daarop moeten uitzonderingen mogelijk zijn voor individuele gevallen. De
                            compensatieplicht zal onder de Wmo voor AWBZ-bewoners niet afwijken van
                            de bestaande jurisprudentie.</al><al/><al>De reguliere compensatieplicht voor vervoer houdt in dat er in beginsel
                            compensatieplicht is voor regionaal vervoer voor AWBZ-bewoners, en
                            slechts bij wijze van uitzondering - bij dreigende vereenzaming -
                            compensatieplicht voor bovenregionaal vervoer. Bij jonge, verstandelijk
                            beperkte AWBZ-bewoners van grote instellingen is deze situatie onder de
                            Wvg-jurisprudentie omgedraaid. Daarbij wordt uitgegaan van een dreigend
                            sociaal isolement, tenzij het tegendeel kan worden aangetoond.
                            Uitgangspunt is dat ook bovenregionaal weekendvervoer van en naar het
                            ouderlijk huis onder de compensatieplicht valt.</al><al/><al>Voor wat betreft de frequentie wordt in de Wvg-jurisprudentie uitgegaan
                            van bezoek om en om, dus de ene week bezoek van ouders aan de
                            instelling, de andere week bezoek van de AWBZ-bewoners aan het ouderlijk
                            huis.</al><al>Recreatief vervoer voor AWBZ-bewoners vanuit het ouderlijk huis valt
                            niet onder decompensatieplicht, zo blijkt uit de uitspraken van de
                            Centrale Raad van Beroep. Dat is ook logisch, omdat dit het verplaatsen
                            in de directe woonomgeving (wat immers de instelling is) ver te boven
                            gaat.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>6.1 Verplaatsen in en om de woning: de rolstoel</label></kop><al>Artikel 4 lid 1 Wmo, aanhef en onder b luidt:</al><al><cursief>1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,</cursief></al><al><cursief>onderdeel </cursief><cursief>4°,</cursief><cursief> 5° en</cursief><cursief> 6°, ondervindt in zijn zelfred</cursief><cursief>zaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft</cursief><cursief>het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het
                                gebied van maatschappelijke</cursief><cursief>ondersteuning die hem in staat stellen:</cursief></al><al><cursief>a. (………)</cursief></al><al><cursief>b. zich te verplaatsen in en om de woning;</cursief></al><al><cursief>c. (………)</cursief></al><al/><al>Dit verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen
                            plaatsvinden: met een rollator, lopend met krukken, met een
                            trippelstoel, of met een rolstoel.</al><al>Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. De
                            andere voorzieningen zijn algemeen gebruikelijk of vallen onder andere
                            wettelijke regelingen en zijn daarom op grond van artikel 2 Wmo
                            uitgesloten. </al><al/><al>Er is van af gezien om een begripsomschrijving van een rolstoel te
                            geven. Het is, ook na jaren proberen, nog steeds niet gelukt een
                            kwalitatief goede begripsomschrijving van de rolstoel te formuleren.
                            Daarom blijft staan: onder rolstoel dient te worden verstaan wat daar
                            over het algemeen in het dagelijkse taalgebruik onder wordt verstaan:
                            een rolstoel is een voorziening ter verplaatsing in en om de woning,
                            soms ook in de directe woon- en leefomgeving, waarbij het gaat om 4
                            wielen, soms alle vier even groot, soms 2 grote wielen achter en 2
                            kleine wielen voor, waarbij de rolstoel met de handen aan de achterste
                            wielen kan worden aangedreven. Een rolstoel kan inderdaad met de hand
                            worden aangedreven, maar ook elektrisch. Ook zijn er motoren die op een
                            rolstoel aangebracht kunnen worden om de rijden met de rolstoel te
                            ondersteunen, lichter te maken. Naast rolstoelen voor verplaatsing zijn
                            er ook rolstoelen, speciaal voor verplaatsing bij sportbeoefening, de
                            zogenaamde sportrolstoelen.</al></artikel><artikel><kop><label>6.2 Vormen van rolstoelvoorzieningen</label></kop><al>Artikel 29 van de verordening bepaalt dat er vier mogelijkheden zijn om
                            rolstoelen te verstrekken:</al><lijst><li nr="-"><al>een algemene rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="-"><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>een financiële tegemoetkoming, te besteden aan een sportrolstoel
                                    of een andere aangepaste sportvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>6.2.1 De algemene rolstoelvoorziening</label></kop><lijst><li nr=""><al>De algemene rolstoelvoorziening is met de invoering van de Wmo
                                    een nieuwe vorm van verstrekken. Deze vorm van verstrekken biedt
                                    mogelijkheden voor die aanvragers die een rolstoel niet
                                    dagelijks maar incidenteel nodig hebben. Te denken valt aan
                                    aanvragers die in en om de woning geen hulpmiddelen nodig hebben
                                    of met andere loophulpmiddelen zich kunnen verplaatsen, terwijl
                                    uitsluitend tijdens een dagje uit, of een middagje winkelen de
                                    afstanden die afgelegd moeten worden te groot worden zodat een
                                    rolstoel noodzakelijk is. Dergelijke rolstoelen worden vaak
                                    opgeklapt achter in de auto gelegd en slechts gebruikt bij
                                    bovenomschreven activiteiten.</al><al>Omdat deze aanvragers niet dagelijks een rolstoel nodig hebben
                                    kan de algemene rolstoelvoorziening een adequaat hulpmiddel
                                    zijn. Bij een algemene rolstoelvoorziening kunnen diegenen die
                                    daartoe het recht hebben een rolstoel voor één of meer dagen
                                    lenen om de gewenste activiteiten te kunnen uitvoeren. Het
                                    primaat geldt ook voor deze algemene voorziening.</al><al>De gemeente Oostzaan onderzoekt momenteel het opzetten van een
                                    rolstoelpool. Te denken valt aan de mogelijkheid tot het
                                    opzetten van rolstoelpools, zodat op bepaalde plaatsen zoals
                                    winkelcentra en busstations rolstoelen beschikbaar zijn. Indien
                                    aanvragers liever zelf een dergelijke rolstoel voor incidenteel
                                    gebruik hebben kunnen zij gewezen worden op de mogelijkheid
                                    individueel een dergelijke rolstoel (al dan niet tweedehands)
                                    aan te schaffen.</al><al>Ook deze algemene voorziening kent een simpele “toegangstoets”,
                                    weinig bureaucratie en geen eigen bijdrage (wat voor rolstoelen
                                    uitgesloten is). Op eenvoudige wijze kan vastgesteld worden of
                                    de wens van een dergelijke rolstoel gebruik te mogen maken geen
                                    contra-indicaties kent. In geval van twijfel kan altijd een
                                    normale aanvraagprocedure inclusief een medisch advies worden
                                    gevolgd. Dit kan ook als de aanvrager dit wenst, omdat een eigen
                                    rolstoel noodzakelijk geacht wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>6.2.2 Rolstoel in natura en pgb</label></kop><lijst><li nr=""><al>De algemene rolstoelvoorziening zal een deel van de groep
                                    adequaat kunnen bedienen. Voor hen die (veel) vaker, vooral
                                    (bijna) dagelijks, een rolstoel nodig hebben voor verplaatsing
                                    in en rond de woning kan op basis van het gestelde in artikel
                                    30, lid 2 van de verordening een rolstoel toegekend worden. Dit
                                    kan ingevolge artikel 29 van de verordening, aanhef en onder b
                                    en c als voorziening in natura en als persoonsgebonden
                                    budget.</al><al>Via een medisch onderzoek zal bepaald worden of er een indicatie
                                    is voor een rolstoel en zo ja, in welke vorm. Daarbij is de wens
                                    van de aanvrager bepalend en zal een persoonsgebonden budget
                                    uitsluitend geweigerd worden als daarvan sprake is op basis van
                                    artikel 2 van de verordening en artikel 2.2 van het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Oostzaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>6.2.3 Sportrolstoel</label></kop><lijst><li nr=""><al>Tot slot is het nog mogelijk een sportrolstoel aan te vragen.
                                    Voor een sportrolstoel komt men ingevolge artikel 30, lid 3 van
                                    de verordening in aanmerking als sportbeoefening zonder
                                    sportrolstoel onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op
                                    grond van ziekte</al><al>of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale
                                    problemen. Dit om het ook mogelijk te maken aan
                                    niet-rolstoelgebruikers via een sportrolstoel aan sport te
                                    kunnen doen. </al><al/><al>Het gebruik van een sportrolstoel voor teamsporten is helder.
                                    Daarnaast zijn er ook individuele sporten (marathon
                                    bijvoorbeeld) waar men een sportrolstoel voor aan zal vragen.
                                    Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend. De
                                    aanvraag voor een sportrolstoel om in de natuur te zijn zal dan
                                    ook afgewezen worden, wat kan vanwege het bovenwettelijke
                                    karakter van deze voorziening. Om deze reden wordt wel de eis
                                    gesteld dat men actief lid is van een
                                    gehandicaptensportvereniging (voor mensen met een
                                    beperking).</al><al/><al>Er moet op gewezen worden dat bij veel sportverenigingen (voor
                                    mensen met een beperking) de mogelijkheid geschapen wordt een
                                    sportrolstoel te lenen om uit te proberen of een bepaalde sport
                                    die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit kan nuttig zijn
                                    om te voorkomen dat een aangeschafte rolstoel uiteindelijk niet
                                    of nauwelijks gebruikt wordt.</al><al/><al>Een sportrolstoel wordt uitsluitend als financiële vergoeding
                                    verstrekt. In het bedrag is een deel als bijdrage in de aanschaf
                                    van een sportrolstoel bedoeld en een deel voor onderhoud.</al><al>In uitzonderlijke situaties, waarin bijvoorbeeld een elektrische
                                    rolstoel noodzakelijk is voor sport, kan met behulp van een
                                    beroep op de hardheidsclausule een hoger bedrag worden
                                    verstrekt. Dat zal mogelijk zijn als het inkomen de aanschaf van
                                    een elektrische sportrolstoel met een financiële tegemoetkoming
                                    niet mogelijk maakt. Een uitgebreide individuele beoordeling is
                                    hiervoor noodzakelijk.</al><al/><al>Topsport zal net als bij mensen zonder beperkingen, vaak hoge
                                    uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen. Deze regeling is daar
                                    niet voor bedoeld. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring
                                    noodzakelijk maken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>6.2.4 Andere aangepaste sportvoorzieningen</label></kop><lijst><li nr=""><al>Iemand die op grond van zijn beperking in aanmerking zou komen
                                    voor een sportrolstoel, maar daar op grond van het beoefenen van
                                    een andere sport (waarvoor geen sportrolstoel nodig is) geen
                                    gebruik van kan maken, kan wel in aanmerking komen voor de
                                    hiervoor geldende forfaitaire vergoeding gelijk aan die van de
                                    sportrolstoel.</al><al/><al>In principe kan men hier dan ook spreken van een tegemoetkoming
                                    aangepast sporten. Deze tegemoetkoming is gelimiteerd tot het in
                                    het artikel 14 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    Oostzaan vastgestelde maximale bedrag van € 2.531,-. Dat dit
                                    bedrag niet altijd toereikend is, is bekend, maar moet gezien
                                    worden als een handreiking naar de sporter om de gevraagde
                                    sportvoorziening aan te kunnen schaffen. Door het toekennen van
                                    de tegemoetkoming voor andere sportvoorzieningen dan de
                                    sportrolstoel ontstaat er rechtsgelijkheid voor iedere
                                    (gehandicapte) sporter, ongeacht de sport die beoefend
                                    wordt.</al><al/><al>Aangepaste sportvoorzieningen worden uitsluitend als een
                                    financiële tegemoetkoming verstrekt. In het bedrag is een deel
                                    als bijdrage in de aanschaf bedoeld en een deel voor onderhoud
                                    en reparatie. </al><al>De tegemoetkoming voor de andere aangepaste sportvoorzieningen
                                    dan de sportrolstoel, wordt, net als de tegemoetkoming voor de
                                    sportrolstoel, niet voor recreatieve doeleinden verstrekt maar
                                    met het oog op participatie. Om deze reden wordt ook hier de eis
                                    gesteld dat men actief lid is van een sportverenging (voor
                                    mensen met een beperking).</al><al/><al>Ook hier geldt dat bij de aangepaste sportvoorziening erop
                                    gewezen moet worden dat bij veel sportverenigingen (voor mensen
                                    met een beperking) de mogelijkheid geschapen wordt een
                                    aangepaste sportvoorziening te lenen om uit te proberen of een
                                    bepaalde sport die aantrekkelijk lijkt ook bij iemand past. Dit
                                    kan nuttig zijn om te voorkomen dat een aangeschafte aangepaste
                                    sportvoorziening uiteindelijk niet of nauwelijks gebruikt
                                    wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>6.2.5 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door
                                AWBZ-bewoners</label></kop><lijst><li nr=""><al>Bewoners van AWBZ-instellingen die ingevolge artikel 5 van de
                                    Wet toelating zorginstellingen is erkend komen, ingevolge
                                    artikel 31 van de verordening, slechts voor een rolstoel in
                                    aanmerking indien zij vanuit de AWBZ geen rolstoel krijgen.
                                    Hiervan zal sprake zijn als artikel 15 van het Besluit
                                    zorgaanspraken AWBZ van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 15 Bza luidt:</vet></al><al><cursief>“1.</cursief><cursief>Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde
                                        instelling, omvat de zorg, bedoeld in de artikelen</cursief></al><al><cursief>8, 13 en 14, tevens:</cursief></al><al><cursief>a.</cursief><cursief>geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet
                                        zijnde paramedische zorg;</cursief></al><al><cursief>b.</cursief><cursief>farmaceutische zorg;</cursief></al><al><cursief>c.</cursief><cursief>hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de
                                        instelling gegeven zorg;</cursief></al><al><cursief>d.</cursief><cursief>tandheelkundige zorg;</cursief></al><al><cursief>e.</cursief><cursief>kleding, verband houdende met het karakter en de
                                        doelstelling van de instelling;</cursief></al><al><cursief>f.</cursief><cursief>het individueel gebruik van een rolstoel.</cursief></al><al><cursief>2.</cursief><cursief>De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet
                                        het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en
                                        zakgeld.”</cursief></al><al/><al>En de zorg als bedoeld in de artikelen 8, 13 en 14 bestaat uit:
                                    de functie behandeling, ziekenhuiszorg en revalidatiezorg.</al><al>Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling,
                                    ontvangen in dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis
                                    en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een
                                    rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of
                                    revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal
                                    uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo.</al><al/><al>Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer
                                    voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is
                                    of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie
                                    zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer
                                    facetten van de werking van artikel 15 Besluit zorgaanspraken
                                    van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de
                                    zorgaanbieder of bij het zorgkantoor.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>verkrijgen van voorzieningen, medisch advies en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>7.1 Inleiding</label></kop><al>De Wmo onderscheidt zich van de Wvg doordat niet meer de beschikbare
                            producten beschreven staan en uitgangspunt zijn van de
                            aanvraagprocedure, maar de problemen of beperkingen door de aanvrager
                            ondervonden en het te bereiken resultaat. Dit te bereiken resultaat in
                            relatie tot de vier terreinen die in artikel 4 Wmo zijn omschreven, te
                            weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het voeren van een huishouden,</al></li><li nr="-"><al>zich verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="-"><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</al></li><li nr="-"><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                                    aangaan.</al></li></lijst><al>Het vierde terrein duidt niet alleen op bepaalde
                            oplossingsmogelijkheden, zoals gebruikmaken van bestaande of aanvullende
                            voorzieningen, zoals maatjes of bezoekregelingen met vrijwilligers, maar
                            ook de formulering van het resultaat is van acties op de eerste drie
                            terreinen en als einddoel daarvan gezien moet worden. De Wmo is immers
                            ook samen te vatten in het woord “meedoen”. Prestatieveld 6 van de Wmo
                            ondersteunt daarbij via het verstrekken van individuele voorzieningen,
                            als daar aanleiding toe is. Daartoe zal in een gesprek met de aanvrager
                            (vraagverhelderings-/keukentafelgesprek) beoordeeld moeten worden wat
                            het te bereiken resultaat zal zijn. Daarna kan bekeken worden welke
                            voorzieningen er al beschikbaar zijn, omdat zij in de maatschappij voor
                            iedereen aanwezig zijn (algemeen gebruikelijke en algemene
                            voorzieningen) welke voorzieningen betrokkene zelf kan verwerven en
                            uiteindelijk welke individuele voorzieningen met alles wat er al is
                            noodzakelijk zijn om het beoogde resultaat te bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>7.2 De aanvraag</label></kop><al>De aanvraag is niet automatisch altijd de start van een procedure maar
                            kan in de “kanteling” ook het gevolg van het eerste vraaggesprek (het
                            gesprek rond de keukentafel) zijn. De aanvraag zal dan alleen ingediend
                            worden als het gaat om concrete voorzieningen die getroffen moeten
                            worden. Maar in het aan de aanvraag voorafgaand gesprek kan ook
                            overeengekomen zijn dat in plaats van een scootmobiel aan te vragen het
                            ook mogelijk is een aanvraag in te dienen voor ondervonden beperkingen
                            bij het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, om maar dicht bij de wet
                            te blijven (art. 4 lid 1 aanhef en onder c). </al><al>Een individuele voorziening wordt vooralsnog uitsluitend verstrekt op
                            aanvraag. Op een aanvraag is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
                            toepassing. De werking van de Algemene wet bestuursrecht wordt in de
                            beleidsregels maatschappelijke ondersteuning bekend verondersteld.
                            Cliënten melden telefonisch, schriftelijk of mondeling bij gemeente
                            Oostzaan dat zij een aanvraag voor hulp vanuit de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning willen doen. Ingevolge artikel 32 van de verordening
                            kunnen aanvragen voor voorzieningen uit de verordening (vooralsnog)
                            worden ingediend op de wijze waarop het college heeft bepaald. Op dit
                            moment is dat nog een aanvraagformulier. In de kanteling wordt het
                            werkproces binnen de Wmo opnieuw bekeken en bezien of dit aangepast moet
                            worden. </al><al/><al><onderstreept>Een uitzondering op het gebruik van aanvraagformulieren
                                zijn algemene voorzieningen</onderstreept></al><al>Het karakter van deze algemene voorzieningen: een snelle oplossing in
                            weinig complexe en niet langdurige situaties, zonder administratieve
                            rompslomp, dus met weinig bureaucratie, geen eigen bijdragen en geen
                            beschikkingen, is zodanig dat bij algemene voorzieningen andere wijzen
                            van aanvragen dan uitsluitend schriftelijk mogelijk moet zijn.</al><al>Volstrekt helder daarbij moet zijn:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>wanneer het verzoek voor een algemene voorziening is
                                    gedaan;</al></li><li nr="2."><al>door wie dat verzoek is behandeld;</al></li><li nr="3."><al>welke beperkte toets is uitgevoerd;</al></li><li nr="4."><al>wat daar het effect van is;</al></li><li nr="5."><al>zodat vastligt welke algemene voorziening van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="6."><al>op welke wijze verstrekt;</al></li><li nr="7."><al>voor welke periode.</al></li></lijst><al/><al>Dit kan vastgelegd worden in een eenvoudige rapportage, welke ook aan de
                            aanvrager verstrekt wordt, op ongeveer 1 A4.</al><al/><al>Voor zover het geen algemene voorziening betreft, zal de aanvraag
                            schriftelijk ingediend moeten worden bij de gemeente Oostzaan. </al><al/><al>Als het aanvraagformulier volledig is en alle noodzakelijke gegevens
                            tegelijkertijd verstrekt zijn, kan de aanvraag in behandeling worden
                            genomen. Voor het behandelen van de aanvraag is een termijn van maximaal
                            8 weken beschikbaar. Als het niet lukt binnen de voorgeschreven 8 weken
                            op een aanvraag een beschikking te nemen, dan zal voor het verstrijken
                            van deze termijn betrokkene daarvan op de hoogte moeten worden gesteld,
                            onder vermelding van de nieuwe termijn waarbinnen nu een besluit
                            verwacht kan worden.</al></artikel><artikel><kop><label>7.3 Onderzoek doelgroep</label></kop><al>Het eerste dat bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de
                            aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele
                            uitgangspunten in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten
                            in de verordening.</al><al>In de Wmo zelf liggen de volgende uitgangspunten:</al><al/><al>Artikel 2 Wmo bepaalt: </al><al/><al><cursief>“Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning
                                voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven
                                geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                                voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling
                                bestaat.”</cursief></al><al>Er zal dus altijd moeten worden nagegaan of de aangevraagde voorziening
                            wellicht valt onder andere regelingen. Het gaat hierbij uitsluitend om
                            wettelijke bepalingen.</al><al>Daaronder kan de AWBZ worden gerekend, maar ook de WIA.</al><al/><al>Artikel 4 van de Wmo spreekt van </al><al/><al><cursief>“de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn
                                zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie.”</cursief></al><al/><al>Die persoon uit het eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 is: </al><al/><al><cursief>“4° het ondersteunen van mantelzorgers daar onder begrepen
                                steun bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken
                                tijdelijk niet kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van
                                vrijwilligers;</cursief></al><al><cursief>5˚ het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijke
                                verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem;</cursief></al><al><cursief>6˚ het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking
                                of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een
                                psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het
                                bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het
                                maatschappelijke verkeer;”</cursief></al><al/><al>Het gaat daarbij om </al><lijst><li nr="1."><al>mantelzorgers;</al></li><li nr="2."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                    mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van deelname
                                    aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig
                                    functioneren;</al></li><li nr="3."><al>mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en
                                    mensen met een psychosociaal probleem ten aanzien van
                                    voorzieningen ten behoeve van het behouden en bevorderen van het
                                    zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk
                                    verkeer.</al></li></lijst><al/><al>Als het gaat om het onderdeel “mantelzorgers” in relatie tot
                            voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking
                            kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene
                            die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard
                            op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden. Het is dus niet zo dat
                            een mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan
                            kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen
                            is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager.</al><al/><al>Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een
                            beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een
                            psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te
                            stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te
                            objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te
                            lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de ICF, wat verder is
                            uitgewerkt in bijlagen 1 en 2. </al><al/><al>In de verordening is in de verschillende hoofdstukken een aanvullende
                            eis gesteld dat er sprake moet zijn van “beperkingen op grond van ziekte
                            of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen”. </al><al/><al>Het gaat hierbij om een medisch oordeel. Ook binnen de Wmo zal, net als
                            binnen de Wvg en de AWBZ, de medische noodzaak centraal staan bij het
                            toekennen van voorzieningen.</al><al>Via een medisch onderzoek zal vastgesteld moeten worden of er inderdaad
                            medische noodzaak bestaat. In paragraaf 7.5 wordt hier verder op
                            ingegaan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>7.4 Vraagverheldering </label></kop><al><onderstreept>Het gesprek aan de keukentafel</onderstreept></al><al>Nu nog na, maar in de toekomst wellicht voor de aanvraag zal het
                            vraagverhelderings-gesprek rond de keukentafel plaatsvinden. De term
                            “rond de keukentafel” wordt voorlopig aangehouden, omdat de term nogal
                            beeldend aangeeft hoe het gesprek bedoeld is: rond de keukentafel, met
                            de aanvrager en zijn of haar concrete situatie als uitgangspunt, een
                            reeks gespreksonderwerpen doorlopen waarbij uiteindelijk vastgesteld kan
                            worden wat het te bereiken resultaat is. Aan de hand van de formulering
                            van dat te bereiken resultaat kan beoordeeld worden welke middelen en
                            voorzieningen er zijn om dat resultaat te bereiken en wat daar de
                            gevolgen van zijn. Op dit concrete gesprek wordt verderop ingegaan.</al><al/><al>Uiteraard hoeft niet bij elke aanvraag een uitgebreid
                            vraagverhelderingsgesprek rond de keukentafel plaats te vinden. Wie een
                            aanvraag indient voor vervanging van een versleten rolstoel zal bekend
                            zijn. Ook zal in het verleden ooit gekeken zijn wat de persoonlijke
                            situatie en behoeften zijn. In die situatie kan de aanvraag via een
                            korte procedure worden afgehandeld. Overigens, in de periode waarin
                            wordt overgeschakeld van claimbeoordelingsgesprekken naar gesprekken
                            rond de keukentafel zal het zinvol kunnen zijn, ook bij bekende
                            aanvragers, dat gesprek rond de keukentafel nog te houden, zeker als er
                            vermoedens zijn dat dit tot andere resultaten zou kunnen leiden waar de
                            aanvrager mee gebaat zou kunnen zijn. </al><al/><al>Het eerste punt dat na de aanvraag beoordeeld moet worden is dan ook:
                            moet er een gesprek rond de keukentafel plaatsvinden of is een verkorte
                            aanvraagprocedure een mogelijkheid. Hierbij kunnen als criteria een rol
                            spelen de vraag of de aanvrager al bekend is ofwel of het gaat om een
                            nieuw eerste contact, de vraag of de situatie veranderd lijkt ofwel of
                            er op korte termijn verandering te verwachten is. Als besloten is tot
                            een gesprek rond de keukentafel (huisbezoek) zal daar een afspraak voor
                            gemaakt moeten worden. Gezien het andere karakter van dit gesprek dan
                            tot nu toe altijd bij aanvragen is gehanteerd (in het verleden is vooral
                            beoordeeld of de aanvrager rechthebbend was) zal de aanvrager duidelijk
                            voorgelicht moeten worden over het doel van het gesprek en de manier
                            waarop dit gesprek gevoerd zal gaan worden.</al><al/><al>In het gesprek zal allereerst met de aanvrager geïnventariseerd worden
                            wat de aanvrager wel</al><al>en niet kan en welke behoeften de aanvrager heeft, toegespitst op
                            activiteiten in de woning en in het huishouden, bij het verplaatsen in
                            en om de woning, bij het zich verplaatsen per vervoermiddel in de
                            directe woon- en leefomgeving en bij het ontmoeten van medemensen en het
                            op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. In het gesprek zal
                            duidelijk moeten worden om welke behoeften het precies gaat, zoals het
                            bezoeken van een (bepaalde) kerk, het gaan winkelen, familiebezoek
                            enz.</al><al/><al>Als dit onderdeel van het gesprek afgerond is, dient zeer zorgvuldig
                            samengevat te worden wat het resultaat is, zowel wat betreft datgene dat
                            door de aanvrager (en zijn omgeving) (nog) wel gedaan kan worden, als
                            datgene waartoe men niet meer in staat is. Deze samenvatting dient op
                            papier te worden vastgelegd, zodat hij herlezen kan worden en de
                            deelnemers aan het gesprek rond de keukentafel aan kunnen geven of zij
                            het gesprek daarin herkennen en de aanvrager aan kan geven of hij of zij
                            zichzelf daarin kan herkennen.</al><al/><al><onderstreept>Het formuleren van het te bereiken resultaat
                            </onderstreept></al><al>De volgende stap is het formuleren van het te bereiken resultaat. Dit te
                            bereiken resultaat kan op één of op meerdere terreinen zijn gelegen. Een
                            voorbeeld: wie door een functiebeperking niet in staat is zich lokaal te
                            verplaatsen heeft wellicht de wens weer naar familie te gaan, die in een
                            naburige wijk wonen. Daarnaast kan de wens bestaan om zelf boodschappen
                            te doen, te weten 2 tot 3 maal per week. Bovendien kan een wenselijk te
                            bereiken doel zijn om naar het gemeentehuis te gaan om weer als
                            vrijwilliger bij een politieke partij actief te kunnen zijn. Het te
                            bereiken doel kan dan omschreven worden als: bereiken van bestemmingen
                            in een straal van 500 meter tot 5 kilometer. Daarnaast kan de wens
                            bestaan om familie die woont op 50 kilometer, op 250 kilometer en in het
                            buitenland te bezoeken. Tot slot kan kerkbezoek op 20 kilometer afstand
                            een gewenst te bereiken doel zijn.</al><al/><al>Ook het beoogde resultaat zal weer samengevat en op schrift gesteld
                            moeten worden. Daarbij geldt eveneens dat zowel de aanvrager als de
                            consulent Wmo het beoogde resultaat dient te herkennen en te
                            onderschrijven. </al><al/><al><onderstreept>Inventarisatie van te nemen maatregelen</onderstreept></al><al>Met het geformuleerde te bereiken resultaat kan vervolgens beoordeeld
                            worden in hoeverre dat resultaat te bereiken is door gebruik te maken
                            van het hele scala van algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene
                            voorzieningen, collectieve en individuele voorzieningen, of zaken die
                            verstrekt kunnen worden op basis van andere wettelijke regelingen
                            (artikel 2 Wmo). Het hele scala van individuele voorzieningen, zowel
                            bestaande voorzieningen als ook niet bestaande voorzieningen, die
                            wellicht nog gerealiseerd moeten worden, als ideeën over een oplossing
                            kunnen op een rij worden gezet. Creativiteit en oplossingsgerichtheid,
                            zowel aan de kant van de aanvrager als aan de kant van de consulent Wmo
                            is van belang.</al><al/><al>Artikel 4 Wmo bepaalt in lid 2:</al><al/><al><cursief>Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van
                                burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en
                                behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de
                                capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in de
                                maatregelen te voorzien.</cursief></al><al/><al>Aan de hand van deze bepaling kan beoordeeld worden in hoeverre de
                            aanvrager in staat is, ook financieel gezien, zelf in de individuele
                            voorzieningen te voorzien. Door het eigen bijdrage systeem dat de Wmo
                            kent is het bij hogere inkomens mogelijk dat men een (deel van) de
                            voorziening zelf zal moeten betalen. Dit kan overigens niet gelden voor
                            rolstoelen, omdat de Wmo en de verordening bepalen dat voor rolstoelen
                            geen eigen bijdrage verschuldigd is. </al><al/><al>Vastgelegd kan op dit punt worden tot welke inventarisatie het te
                            behalen resultaat geleid heeft. Schriftelijk vastleggen hiervan is van
                            groot belang, evenals het registreren of zowel aanvrager als consulent
                            Wmo het eens zijn met de opgestelde inventarisatie.</al><al/><al>In feite is dit het eind van het vraagverhelderingsgesprek rond de
                            keukentafel. In gezamenlijkheid is bepaald wat, op basis van de
                            beperkingen van betrokkene, zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, zijn
                            wensen en voorkeuren, het te bereiken resultaat zou moeten zijn en op
                            welke wijze dit te bereiken resultaat ingevuld zou kunnen worden.
                            Daarbij gaat het om de in artikel 4 lid 1 Wmo omschreven terreinen voor
                            wat betreft de eventueel toe te kennen individuele voorzieningen. Deze
                            vier terreinen zijn in deze</al><al>beleidsregels uitgewerkt in de eerdere hoofdstukken.</al><al/><al>Op dit punt zal door de consulent Wmo beoordeeld moeten worden of er
                            sprake is van het vragen van een medisch advies of het advies van een
                            andere deskundige.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>7.5 Het medisch advies of een advies van een andere deskundige
                            </label></kop><al>Bij toekenning van voorzieningen op grond van de Wvg of bij
                            indicatiestelling ten behoeve van de functie Huishoudelijke Verzorging
                            AWBZ was het begrip “medische noodzaak” doorslaggevend. Uit
                            jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep op beide terreinen blijkt
                            dat die medische noodzaak in de ogen van de Centrale Raad van Beroep
                            noodzakelijk is om voorzieningen te verstrekken. Dit heeft tot gevolg
                            dat een medisch advies van een onafhankelijk sociaal medisch adviseur,
                            van cruciaal belang is.</al><al/><al>Onder de Wmo, waar het ook kan gaan om psychische of psychosociale
                            problemen, kan een advies van een andere deskundige dan een medicus
                            noodzakelijk zijn. Dit gold onder de Wvg al bij de “uitraasruimte” waar
                            soms het advies van een psycholoog of (ortho)pedagoog werd gevraagd.
                            Onder de Wmo zal dit vaker nodig kunnen zijn. Maar of het nu een medicus
                            of een andere deskundige is, het deskundigenadvies is in bepaalde
                            situaties van groot belang.</al><al>Daarom is hierover een apart onderdeel opgenomen.</al><al/><al>Het medisch advies is terug te vinden in de verordening in artikel 34,
                            (vooral in lid 1):</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang
                                        kan zijn voor de beoordeling van het recht op een
                                        voorziening, degene door wie een aanvraag is
                                        ingediend:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>op te roepen in persoon te verschijnen op een
                                                door het college, dan wel in onderling overleg, te
                                                bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                                ondervragen;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>op een door het college te bepalen plaats en
                                                tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                                deskundigen te doen ondervragen en/of
                                                onderzoeken</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al><cursief>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen
                                        adviesinstantie om advies indien:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de gevraagde voorziening om medische redenen
                                                zal worden afgewezen;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>het college dat voor het overige gewenst
                                                vindt.</cursief></al></li></lijst></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al><cursief>Een aanvrager of zijn wettelijk vertegenwoordiger is
                                        verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                        adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                                        verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                        aanvraag.</cursief></al></li></lijst><al/><lijst><li nr="4."><al><cursief>Indien het college daarom verzoekt dan is een aanvrager
                                        verplicht zich te legitimeren met een geldig
                                        legitimatiebewijs op grond van de Wet op de
                                        identificatieplicht.</cursief></al></li></lijst><al/><lijst><li nr="5."><al><cursief>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt
                                        door de adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals
                                        neergelegd in de International Classification of Functions,
                                        Disabilities and Impairments, de zogenaamde ICF
                                        classificatie.</cursief></al></li></lijst><al/><lijst><li nr="6."><al><cursief>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen
                                        beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie
                                        van mensen met een beperking of een chronisch psychisch
                                        probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.
                                    </cursief></al></li></lijst><al/><al>Gebruik van artikel 34 uit de verordening </al><al>Lid 1 van dit artikel biedt de basis voor een zorgvuldig onderzoek om te
                            bepalen of er al dan niet sprake is van medische noodzaak. Uit de
                            jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent
                            de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid
                            voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit
                            onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Er zal dus
                            altijd beoordeeld moeten worden of op een andere wijze de medische
                            noodzaak vastgesteld kan worden.</al><al/><al>In lid 2 van dit artikel wordt een aantal situaties genoemd waarin het
                            college de door haar aangewezen adviesinstantie om advies dient te
                            vragen, met andere woorden wanneer vraagt de gemeente medisch
                            advies:</al><al/><lijst><li nr="1."><al> Indien de aanvraag om medische redenen wordt afgewezen wordt
                                    altijd de medisch adviseur om advies gevraagd. Het belang van
                                    deze regel is dat er voor het college een uitgangssituatie
                                    geschapen wordt, waarin medisch geobjectiveerd is vastgesteld
                                    wat er met de aanvrager (medisch) aan de hand is, welke
                                    problemen ervaren worden en wat de prognose is. Met deze
                                    vaststelling is een kader geschapen vanuit welk kader een
                                    verantwoorde compensatie van beperkingen plaats kan vinden.
                                    Zonder een medisch advies zou in deze situatie het besluit
                                    onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechter zou een dergelijk
                                    besluit vernietigen als onvoldoende gemotiveerd. </al></li></lijst><al/><lijst><li nr="2."><al>Tevens kan het college altijd aanleiding zien om medisch advies
                                    te vragen. Dat zal bijvoorbeeld plaatsvinden bij een progressief
                                    ziektebeeld, maar zeker ook bij medisch moeilijk te objectiveren
                                    aandoeningen. Per situatie zal dit beoordeeld worden. Bij
                                    twijfel wordt altijd een medisch advies gevraagd.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="3."><al>Lid 4 van dit artikel bepaalt dat die gegevens die noodzakelijk
                                    zijn voor het beoordelen van de aanvraag verschaft moeten worden
                                    aan het college. Hierbij kan gedacht worden aan medische
                                    gegevens, maar ook aan financiële gegevens of aan medische
                                    indicatiegegevens op grond van de AWBZ. Bij medische gegevens
                                    komt het frequent voor dat informatie van de behandelende sector
                                    noodzakelijk is. Dit kan – zeker als dit schriftelijk moet -
                                    geruime tijd in beslag nemen. Dat werkt vertragend op de
                                    doorlooptermijn van de aanvraag. Ook in dit soort situaties kan
                                    met inschakeling van de aanvrager vaak sneller over de benodigde
                                    gegevens beschikt worden, vooral indien de aanvrager aangeeft
                                    welk (grote) belang hij heeft bij het verstrekken van de
                                    gevraagde informatie aan de medische adviseur.</al></li></lijst><al/><al>Overigens mag het opvragen van medische gegevens bij de behandelende
                            sector uitsluitend</al><al>plaatsvinden met toestemming van de aanvrager. Daarbij dient in de
                            verklaring opgenomen te worden welke adviserende arts de gegevens
                            opvraagt, bij welke behandelaren de gegevens opgevraagd worden, om welke
                            gegevens het gaat en met welk doel.</al><al/><al>Lid 5 bepaalt dat bij de medische advisering de systematiek zoals
                            neergelegd in de International Classification of Functions, Disabilities
                            and Impairments, de zogenaamde ICF classificatie, gebruikt moet
                            worden:</al><al/><al>De ICF is een classificatie van het menselijk functioneren. De
                            classificatie is systematisch geordend in gezondheidsdomeinen en met de
                            gezondheid verband houdende domeinen. Op elk niveau zijn de domeinen
                            verder gegroepeerd op grond van gemeenschappelijke kenmerken, en in een
                            zinvolle ordening geplaatst.<extref doc="#_ftn1">[1]</extref></al><al/><al>Van de zeer uitgebreide ICF<extref doc="#_ftn2">[2]</extref> zijn vooral
                            de lijsten met “functies” en “activiteiten en participatie” van belang.
                            Daarom zijn deze lijsten als bijlage 1 en 2 toegevoegd.</al><al/><al>De adviseur dient van de ICF gebruik te maken op de volgende wijze. Door
                            de adviseur wordt</al><al>allereerst aangegeven om welke stoornissen het bij de aanvrager gaat (de
                            ICF is gericht op</al><al>functiestoornissen). Een lijst van deze functies is opgenomen in bijlage
                            1 bij dit hoofdstuk.</al><al/><al>Hierbij dienen alleen die functies genoemd te worden die relevant zijn
                            voor de aanvraag, omdat een volledig overzicht geen meerwaarde heeft.
                            Indien dat wel het geval is moeten ook niet direct relevante functies
                            worden aangegeven.</al><al/><al>Problemen met functies leiden tot stoornissen bij activiteiten en
                            participatie. Het is op dit niveau dat de compensatie op basis van de
                            Wmo plaats zal moeten vinden. Ook bij de vermelding van deze stoornissen
                            in “activiteiten en participatie” zal gebruik gemaakt worden van het
                            begrippenkader van de ICF. De indeling van activiteiten en participatie
                            is als bijlage 2 bij dit hoofdstuk opgenomen.</al><al/><al>Samengevat betekent dit dat de medisch adviseur in het licht van de
                            aanvraag de stoornis en</al><al>de daaruit volgende beperkingen evenals de mate van die beperkingen
                            dient te vermelden,</al><al>gerelateerd aan de mogelijke compensatie of de te verstrekken
                            voorzieningen, waarbij het vocabulaire van de ICF wordt gebruikt. </al><al/><al>Ook de consulent Wmo dient het begrippenkader van de ICF te kunnen
                            hanteren en toe te kunnen passen in de praktijk. Daarvoor is het vanuit
                            de fysiotherapie het RPS-formulier (bijlage 3) een handig instrument,
                            welke in samenhang met het begrippenkader van de ICF (bijlage 1 en 2)
                            gebruikt kan worden. Met het RPS-formulier kan het functioneren van een
                            aanvrager in kaart worden gebracht, waarbij betrokkene tevens zelf kan
                            aangeven welke functiestoornissen en beperkingen in participatie en
                            activiteiten ervaren worden. Dit wordt in het bovenste gedeelte van het
                            formulier ingevuld. </al><al>In het onderste gedeelte kan de consulent Wmo de ICF-functies uit
                            bijlage 1 in de kolom functiestoornissen plaatsen, vervolgens kunnen de
                            aanwezige beperkingen op het terrein van ICF-activiteiten en
                            ICF-participatie (bijlage 2) in de kolommen activiteiten en participatie
                            geplaatst worden. Tevens is voor de Wmo het van cruciaal belang om de
                            relatie met persoonlijke en omgevingsfactoren in kaart te brengen. Is er
                            bijvoorbeeld familie in de buurt of woont deze ver weg? Is er een
                            partner aanwezig die zou kunnen ondersteunen bij de hulp? Deze beide
                            vragen zijn omgevingsfactoren. Bij persoonlijke factoren kan het
                            bijvoorbeeld gaan om roken, een persoon zijn/haar leefstijl, het inzicht
                            van een persoon, et cetera. </al><al/><al><extref doc="#_ftnref1">[1]</extref> Zie: <extref doc="http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf">http://www.rivm.nl/who-fic/in/ICFwebuitgave.pdf</extref></al><al><extref doc="#_ftnref2">[2]</extref> Zie: <extref doc="http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm">http://www.rivm.nl/who-fic/ICD-O-3.htm</extref></al></artikel><artikel><kop><label>7.6 Motivering van besluiten </label></kop><al>Ingevolge artikel 26, lid 1 Wmo, dat luidt:</al><al/><al><cursief>“ De motivering van een beschikking op een aanvraag om een
                                individuele voorziening vermeldt op welke wijze de genomen
                                beschikking bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de
                                zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van
                                mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van
                                mensen met een psychosociaal probleem.”</cursief></al><al/><al>Op basis van bovenstaande bepaling zal in de beschikking aangegeven
                            moeten worden <cursief>op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt
                                aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                                maatschappelijke participatie van betrokkene.</cursief></al><al/><al>In de verordening (artikel 35) is gesteld dat het verkrijgen van
                            individuele voorzieningen samenhangend afgestemd moet worden op de
                            situatie van de aanvrager. Hiermee wordt de samenhang met onderzoek op
                            het gebied van de AWBZ geborgd. In de beschikking dient te worden
                            aangesloten bij de bevindingen met betrekking tot:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de beperkingen die de aanvrager in zijn functioneren, ondervindt
                                    als gevolg van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychisch en
                                    psychosociale problemen;</al></li><li nr="c."><al>de woning en de woonomgeving van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;</al></li><li nr="e."><al>de sociale omstandigheden van de aanvrager, waaronder de
                                    financiële omstandigheden, het sociaal netwerk en de
                                    mantelzorg.</al></li></lijst><al/><al>Op basis van deze bepalingen zal in de beschikking aangegeven moeten
                            worden op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden
                            en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke
                            participatie van betrokkene. Gaat het om een positieve beschikking, dan
                            zal dit niet zo moeilijk zijn. Door in de beschikking aan te geven welke
                            mogelijkheden betrokkene krijgt door de toegekende voorziening(en) is in
                            feite voldaan aan deze opdracht. </al><al/><al>Is er geen sprake van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte gebrek
                            inclusief chronisch psychisch en psychosociaal problemen, bestaat er om
                            een andere reden geen medische noodzaak voor het verstrekken van de
                            aangevraagde voorziening of de aangevraagde hulp bij het huishouden, ook
                            dan zal ingevolge artikel 26 lid 1 Wmo gemotiveerd moeten worden
                                <cursief>op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt aan het
                                behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                                maatschappelijke participatie </cursief>van betrokkene. Dit is
                            uiteraard ook mogelijk op de wijze zoals bij een positieve beschikking
                            is aangegeven.</al><al/><al>Als een medisch, psychologisch, (ortho)pedagogisch of ander
                            deskundigenadvies is ingewonnen kan een beslissing worden genomen.
                            Daarbij spelen alle stadia van het gesprek rond de keukentafel alsmede
                            een eventueel deskundig advies plus uiteraard de regels van Wmo,
                            modelverordening en modelbesluit alsmede deze beleidsregels een rol. In
                            het besluit worden al deze zaken vermeld (met een eventuele verwijzing
                            naar bijgevoegde integrale teksten). Ook zal dit besluit de zogenaamde
                            dubbele motivering van artikel 26 Wmo dienen te bevatten. Het besluit
                            zal uiteindelijk – bevoegd genomen – aan de aanvrager kenbaargemaakt
                            worden via toezending. Daarbij kan nog de opmerking gemaakt worden dat
                            als het besluit (op onderdelen) negatief is, het aan te bevelen is het
                            besluit persoonlijk toe te lichten via de telefoon of via een kort
                            gesprek. De praktijk leert dat hiermee veel onnodige bezwaarprocedures
                            voorkomen kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>7.7 Wijzigingen in de situatie </label></kop><al>In de verordening is in artikel 36 opgenomen dat men verplicht is om
                            wijzigingen in de situatie te melden:</al><al/><al><cursief>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</cursief></al><al/><al>Ondanks dat deze regel in de verordening staat, is het van belang deze
                            voorwaarde ook in de beschikking of in een bijlage bij de beschikking op
                            te nemen, zodat bij elke toekenning de aanvrager hierop weer attent
                            wordt gemaakt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>7.8 Inwerkingtreding </label></kop><al>De beleidsregels en beleidslijnen behorende bij Verordening
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Oostzaan 2010 worden ingetrokken
                            per 1 januari 2013. Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari
                            2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door het college van burgermeester en wethouders gemeente
                        Oostzaan op 18 december 2012.</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>