<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR39259_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren gemeente Uden            2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 4 augustus 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod Wet Investeren in Jongeren gemeente Uden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/44</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren gemeente Uden
            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger
                        dan 27 jaar bij verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        25 mei 2010;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en artikel 12, eerste lid
                        en onderdeel c van de Wet investeren in jongeren;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren; </al></li><li nr="b."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, niet zijnde arbeid
                                    in het kader van de Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                    maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen de openbare
                                    orde of goede zeden; </al></li><li nr="c."><al>startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in
                                    artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet
                                    educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen
                                    voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs
                                    als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs; </al></li><li nr="d."><al>het College: het College van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht College</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod,
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie
                                van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit een voorbereidingsperiode op
                                een zelfstandig beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 17, zesde
                                lid van de wet. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het College stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                werkleeraanbod onderzoekt het College de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de jongere. Het College beziet daarbij tevens in
                                hoeverre de wensen van de jongere bij de invulling van het
                                werkleeraanbod kunnen worden betrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling en noodzakelijk te achten
                                en beschikbare voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening en het in artikel 4 genoemde
                                beleidsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><al>Het College biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                            naar het oordeel van het College direct inzetbaar zijn op de
                            arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of ondersteuning
                            bij de arbeidsinschakeling aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 5 kan het College één of meerdere voorzieningen,
                            bedoeld in de artikel 8 van de Re-integratieverordening WWB
                            aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inzet van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het College voor voorzieningen
                                die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
                                beoogd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
                                werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen
                                van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
                                vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de
                                jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing
                                of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij
                                een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van
                                de jongere te boven gaat of onvoldoende bijdraagt aan de vergroting
                                van de kans op arbeidsinschakeling van de jongere. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het College bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het College het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het College kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                            uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het College aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekking werkleeraanbod</titel></kop><al>Het College kan het werkleeraanbod intrekken of herzien, indien
                            wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de
                            jongere dan wel indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem
                            rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet en hem dit
                            te verwijten valt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Subsidie en vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere
                                een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten
                                en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de
                                jongere. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie,
                                de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het College kan een subsidieplafond vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het College kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                College. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het College kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening tijdelijke regels Wet Investeren in Jongeren wordt
                                ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking
                                en werkt met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening werkleeraanbod
                                Wet investeren in jongeren gemeente Uden 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren
                    gemeente Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht de gemeente Uden om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                    alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moet de
                    gemeente jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente Uden is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en
                    eventueel een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te
                    houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan
                    kan het werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de inkomensvoorziening
                    verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform
                    de regels die in een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel
                    12, eerste lid onderdeel b WIJ). Dat is de Maatregelverordening WIJ. </al><tussenkop>Duurzame arbeidsparticipatie </tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de voorwaarden
                    die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een werkleeraanbod. Dat is
                    meer dan een recht op een eenmalige voorziening. Zo nodig is het een recht op
                    een reeks voorzieningen gericht op de kortste weg naar duurzame
                    arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg verloopt, is een individueel
                    gegeven dat wordt bepaald door de afstand van de jongere tot de arbeidsmarkt en
                    de beschikbaarheid van voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt
                    verstaan de arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op
                    eigen kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat
                    past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert
                    (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). Tot dat punt is bereikt is de
                    gemeente Uden verplicht de jongere (bij herhaling) een werkleeraanbod te doen
                    gericht op arbeidsinschakeling. Er is nadrukkelijk voor gekozen om niet bij
                    voorbaat te bepalen hoe lang de algemeen geaccepteerde arbeid zou moeten duren
                    voordat over ‘duurzame arbeidsparticipatie’ kan worden gesproken (Handelingen TK
                    2008-2009, nr. 76, p. 6006). De jongere dient op het punt gebracht te worden dat
                    hij geen ondersteuning van het College meer nodig heeft. </al><tussenkop>Inhoud werkleeraanbod </tussenkop><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het werkleeraanbod kan
                    allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan tot vakgerichte scholing
                    of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit
                    voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een
                    sollicitatietraining, een cursus gericht op de ontwikkeling van
                    werknemersvaardigheden, een stageplaats, schuldhulpverlening, sociale
                    activering, nazorg en gesubsidieerde arbeid. Afgezien van participatieplaatsen
                    kan het gehele instrumentarium dat gemeenten hebben ontwikkeld voor de
                    re-integratie in het kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden. </al><al>Bij jongeren zal de situatie waarin de afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig
                    groot is dat die alleen met de maximale drie jaar additionele arbeid te
                    overbruggen is zich niet in die mate voordoen dat de regering
                    participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a WWB noodzakelijk acht. Ook
                    uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door het Rijk wordt bekostigd (zie
                    ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a WIJ). Het College kan de jongere
                    weliswaar adviseren een dergelijke vorm van onderwijs te volgen of weer te gaan
                    volgen als dit zinvol wordt geacht, maar het is geen voorziening die de gemeente
                    kan inzetten om vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor de
                    arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die daartoe in
                    staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen aanleiding om werken en/of
                    leren te belonen met een financiële vrijlating van inkomsten uit deeltijdarbeid
                    of van een premie i.v.m. arbeidsinschakeling bij de inkomensvoorziening. Dat
                    geldt evenzeer voor een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, tenzij deze
                    bestemd is voor aantoonbaar gemaakte kosten. </al><al>Het College bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de
                    vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de duurzame
                    arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste prioriteit hebben als de
                    jongere daartoe in staat is. Zijn er echter belemmeringen op de weg daar
                    naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te
                    bereiken. Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het
                    werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan bijdragen
                    aan duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan De gemeente Uden overgelaten om te
                    beoordelen in hoeverre de jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke
                    kwalificatie te behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot
                    de arbeidsmarkt bevordert. </al><tussenkop>Maatwerk </tussenkop><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt
                    afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel
                    18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven
                    van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste lid WIJ). Het College is verplicht
                    die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt aan het
                    werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen
                    bij het werkleeraanbod betrokken zijn. </al><tussenkop>Werken en leren niet direct mogelijk </tussenkop><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren niet
                    direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op termijn perspectief
                    biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat voorzieningen worden ingezet
                    in de vorm van zorg- of hulpverlening, waarbij ook aandacht kan worden besteed
                    aan belemmerende factoren, zoals psychische, sociale en cognitieve problemen.
                    Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat
                    gericht is op duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van
                    het College in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijk, sociale
                    of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod, dan kan
                    daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17, tweede lid WIJ). Zorgtaken
                    kunnen worden aangemerkt als reden van sociale aard, voor zover daarmee geen
                    rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening. </al><tussenkop>Alleenstaande ouders </tussenkop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke medische en/of
                    fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste
                    komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt
                    ingevuld door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de
                    arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of
                    bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders dan in
                    de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een maximale termijn
                    van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het werkleerrecht (van 18
                    tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste gevallen reeds in de
                    werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een werkleeraanbod
                    en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e jo.
                    artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan
                    bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB, zodat de (jongere)
                    zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als zelfstandige. In het
                    zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald dat het College de
                    mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de jongere die als zelfstandige
                    wil beginnen een werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een
                    voorbereidingsperiode op het bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt
                    maximaal twaalf maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de
                    jongere. </al><tussenkop>Gehandicapten </tussenkop><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot de
                    doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit bij hun
                    mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral
                    voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie
                    zal beoordeeld moeten worden welk aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar
                    mogelijkheden en beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de
                    individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                    belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden
                    afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de groep jongeren die
                    weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot
                    mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in het geheel
                    niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op
                    een inkomensvoorziening bestaan. </al><tussenkop>Beleid werkleeraanbod in verordening </tussenkop><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die de gemeente Uden nodig heeft om door
                    maatwerk invulling te geven aan de “gemeentelijke” verantwoordelijkheid, worden
                    aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin gemeente daartoe
                    voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen gesteld. Gezien de
                    verantwoordelijkheid die de raad in het kader van dit wetsvoorstel heeft, en
                    mede met het oog op de rechtszekerheid, is bepaald dat het beleid inzake de
                    voorzieningen in een verordening moet worden vastgelegd. </al><tussenkop>Relatie met re-integratieverordening WWB </tussenkop><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de re-integratie in het kader
                    van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen en vrijlating van inkomsten
                    uit arbeid, tevens worden ingezet voor de vormgeving van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Relatie met Maatregelverordening </tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het College plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door deze verordening
                    gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover. De jongere is verplicht
                    het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                    gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt dat
                    een grond voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten
                    dus op elkaar aan. In verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod
                    herhaald dat onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod
                    ingetrokken kan worden. </al><al>Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening vervalt, is
                    het van belang dat wordt afgebakend wanneer de inkomensvoorziening verlaagd en
                    wanneer deze ingetrokken wordt. Uitgangspunt van de wetgever is daarbij geweest
                    dat bij schending van verplichtingen primair een maatregel aangewezen is en pas
                    in tweede instantie intrekking van het werkleeraanbod en daarmee tevens van de
                    inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is derhalve
                    regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het is aan de
                    gemeenten overgelaten om beleid vast te stellen over de grensafbakening tussen
                    maatregel en intrekking werkleeraanbod. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen </tussenkop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in
                    de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                    ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd
                    zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat
                    deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is
                    afkomstig uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB
                    gedefinieerd (art. 6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van
                    ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                    verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28). </al><tussenkop>Artikel 2. Opdracht College </tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het College verwoord, zoals deze
                    voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel deze
                    opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste lid, WIJ
                    kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de
                    opdracht aan het College nader te omschrijven.</al><al>In het tweede lid is tevens verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook
                    samengesteld kan zijn uit een combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    ondersteuning bij arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder
                    voorziening wordt verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere
                    dichterbij de arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen
                    hebben, variërend van schuldhulpverlening tot training van
                    werknemersvaardigheden. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                    ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf.
                    Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van
                    herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht wordt
                    aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze bepaling
                    opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een zgn. ‘kan’-bepaling
                    is:het het College bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen
                    gericht op ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of beroep. </al><al> Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom uit
                    een oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang van
                    maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen.
                    Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de
                    jongere bij de invulling te betrekken. Met het oog op motivering en
                    kansbenutting zal het het College daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is
                    niet gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en
                    deze kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van
                    het aanbod is voorbehouden aan het College. </al><tussenkop>Artikel 3. Aanspraak op ondersteuning </tussenkop><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het College, zoals verwoord in artikel 2,
                    eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in aanmerking
                    voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen. Dit vloeit reeds
                    voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van de herkenbaarheid en
                    eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm van de ondersteuning is,
                    bepaalt het College zelf (bijv. Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p.
                    22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan die
                    recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de zin van
                    de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt verstaan de
                    jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste lid, WIJ kadert de
                    doelgroep af. </al><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden van
                    een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening en het
                    beleidsplan. </al><tussenkop>Artikel 4. Arbeidsinschakeling </tussenkop><al>Het staat het College vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een keuze te
                    maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Deze
                    zijn nevengeschikt. </al><al>De kortste weg naar duurzame arbeidsparticipatie is echter het doel van het in
                    te zetten werkleeraanbod. In dat verband kan de raad als beleidslijn opnemen dat
                    jongeren die direct inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen
                    geaccepteerde arbeid wordt aangeboden, of ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling, als bijv. arbeid niet direct beschikbaar is. Het blijft
                    uiteraard een kwestie van maatwerk of daar in het concrete geval ook toe
                    besloten wordt. De woorden ‘in beginsel’ moeten in die context worden gelezen. </al><tussenkop>Artikel 5. De voorzieningen </tussenkop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan het College voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen
                    zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan
                    jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. </al><tussenkop>Artikel 6. Inzet van de voorzieningen </tussenkop><al>In het eerste lid is het maatwerk-principe gerelateerd aan de inzet van
                    voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                    toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is het doel
                    van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de aard van de
                    voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven (tussen)doelen, met als
                    eindbestemming de duurzame arbeidsparticipatie. </al><al> Lid 3: </al><al>Gelet op het belang dat door de wetgever en de gemeente Uden wordt gehecht aan
                    het behalen van een startkwalificatie, wordt een voorziening ingevuld met
                    scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert als de
                    jongere daarover niet beschikt. Dit kan een opleiding zijn die tot een
                    startkwalificatie leidt, maar ook een andere scholing of opleiding die de
                    jongere dichterbij het perspectief van duurzame arbeidsinschakeling brengt. </al><tussenkop>Artikel 7. Combinatie arbeid en zorg </tussenkop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde
                    belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend
                    kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld
                    door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                    bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de
                    jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ). Daaraan wordt in artikel 8
                    van deze verordening toegevoegd dat het College bij de invulling van het
                    werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande ouder betrekt, ongeacht de
                    leeftijd van het kind. Evt. kosten voor kinderopvang die niet toereikend door
                    voorliggende voorzieningen worden gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 14
                    worden vergoed en ten laste van het participatiebudget worden gebracht. </al><tussenkop>Artikel 8. Gehandicapten </tussenkop><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ.
                    Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het
                    aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                    werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand
                    van de individuele situatie zal het College beoordelen welk aanbod past bij de
                    jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de
                    groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort
                    sociale activering tot mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel (nog)
                    niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat
                    (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode
                    wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                    dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan. </al><tussenkop>Artikel 9. Uitvoering door derden </tussenkop><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het College de uitvoering
                    van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten en de daarvoor
                    noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan laten
                    verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden gemandateerd aan
                    bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om
                    de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de
                    inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                    opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders die de
                    raad vaststelt kan het College nadere afspraken maken met deze derden. </al><tussenkop>Artikel 10. Verplichtingen van de jongere </tussenkop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een
                    werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de
                    jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de verordening
                    of die concreet aan een voorziening zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen
                    van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering vormen van de in de WIJ
                    opgenomen verplichtingen. Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het
                    traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><tussenkop>Artikel 11. Intrekking werkleeraanbod </tussenkop><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname van
                    deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de overweging dat
                    intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het voeren van beleid
                    m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het recht op werkleeraanbod
                    wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden ingetrokken, onder de
                    voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking tot intrekking van het
                    werkleeraanbod in verband met schending van de verplichtingen verbonden aan het
                    werkleeraanbod, wordt het aan het College overgelaten om te bepalen onder welke
                    voorwaarden daartoe kan worden besloten. Het is niet aan de raad om daarover
                    voorschriften te geven, niettemin dient het intrekken van het werkleeraanbod met
                    terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de Algemene toelichting is
                    opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een situatie is
                    ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt
                    voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin
                    soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere
                    jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij
                    kunnen bijv. ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die wachten
                    op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van de
                    voorziening. </al><al>Het verdient aanbeveling als het College bij de invulling van het “gemeentelijk”
                    beleid met deze kaders rekening houdt en slechts tot intrekking besluit nadat de
                    individuele situatie zorgvuldig afgewogen is. </al><tussenkop>Artikel 12. Budgetplafonds </tussenkop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                    verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan of de begroting
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om geen werkleeraanbod te doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in
                    artikel 13, eerste lid WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod
                    beïnvloed worden door budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen
                    voor bepaalde voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan
                    welke andere instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond wordt ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te komen. </al><tussenkop>Artikel 13. Subsidies </tussenkop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit wordt ook
                    als voorziening worden aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de
                    subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of
                    andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke
                    voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een subsidie is een
                    wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een
                    specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag biedt. In het eerste lid worden
                    loonkostensubsidies en subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een
                    grondslag voorzien. </al><al>De hoogte van de subsidies en de voorwaarden waaronder subsidie wordt verleend
                    worden in beleidsregels geregeld.</al><al>Op grond van het tweede lid kan het College nadere regels kan stellen over
                    enkele zaken over de subsidiëring. Hoewel uitgangspunt is dat het beleid over
                    het werkleeraanbod door de raad wordt vastgesteld, is reeds eerder aangegeven
                    dat waar het om uitvoeringsbeleid gaat, dit door het het College ter hand kan
                    worden genomen. </al><al> De gemeente Uden kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds
                    vaststellen. </al><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een vereiste dat
                    een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v. Awb. In lid 3 is de
                    bevoegdheid van het College vastgesteld om plafonds in te stellen. </al><al>Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar
                    de bedragen die in het beleidsplan of in de begroting voor de verschillende
                    soorten subsidie worden gereserveerd. Een subsidieplafond dient wel
                    bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1
                    Awb). </al><tussenkop>Artikel 14. Vergoedingen </tussenkop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                    werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                    voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke
                    reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel,
                    kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en
                    noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten
                    laste worden gebracht van het participatiebudget. </al><tussenkop>Artikel 15. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule </tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen raad en het College past het dat de raad
                    beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt. Het College is
                    belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met de nadere
                    uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien of waarin
                    onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot onbillijkheden
                    van overwegende aard leidt, dan is het aan het College om besluiten te nemen
                    waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van handhaving van het
                    gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van de jongere. Dat kan
                    onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen die afwijken van
                    deze verordening. </al><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van jongeren
                    van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie bij
                    verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 25 mei
                    2010;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en artikel 12, eerste lid
                    onderdelen b en c van de Wet investeren in jongeren;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de </al><tussenkop>Verordening maatregelen en handhaving Wet investeren in jongeren gemeente
                    Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere
                                    van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de op
                                    grond van dat hoofdstuk vastgestelde verhoging of verlaging;
                                </al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond van
                                    artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het niet
                                    of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten
                                    onrechte is verleend als inkomensvoorziening; </al></li><li nr="e."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                            kosten van het werkleeraanbod. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 42 van de WIJ, verlaagt het college, overeenkomstig
                            deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende
                            inkomensvoorziening, indien de jongere de op hem rustende
                            verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel
                            30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen,
                            niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college misdraagt.
                        </al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom
                            afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </tussenkop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                    WIJ-norm. </al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de
                    reden van de maatregel, de duur van de maatregel, de periode waarover de
                    maatregel wordt opgelegd, het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt
                    verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                    standaardmaatregel. </al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid
                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></li><li nr="2."><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="b."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of
                                    van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11,
                                    vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet
                                    heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                    verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af van
                            het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                    gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                    gevolg van die gedraging ten onrechte de inkomensvoorziening is
                                    verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                    inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren
                                    na dat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                            van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling
                            gedaan. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op
                            de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                            jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                            geldende WIJ-norm;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht worden opgelegd, indien de uitkering nog niet is uitbetaald en de
                            ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde
                            gedraging komt te liggen; </al></li><li nr="3."><al>De maatregel gaat niet in voordat de gedraging voor het eerst heeft
                            plaatsgevonden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending opleveren van meerdere
                            in de WIJ genoemde verplichtingen, wordt een maatregel opgelegd. Indien
                            voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende
                            hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van
                            één of meerdere in de WIJ genoemde verplichtingen, worden alle van
                            toepassing zijnde maatregelen afzonderlijk opgelegd.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen
                    of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een traject gericht
                    hierop</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën </tussenkop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen van de
                    verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden onderscheiden in de
                    volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met
                                    betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het
                                    onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden
                                    tot arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                    medische aard. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere
                                    te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                    of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;
                                </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen
                                    van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                    werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                    beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                    categorie; </al></li><li nr="b."><al>50 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                    categorie. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en volstaan met
                            het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
                            van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                            schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de jongere zich
                            binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                            maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                            gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                            maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                            zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
                        </al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling van de
                    gemeente Uden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet, niet
                            heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                            werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                            verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd van 5
                            procent van de WIJ-norm, </al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en volstaan met
                            het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet
                            behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
                            van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere een
                            schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="4."><al> De hoogte van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de jongere
                            zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                            maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                            verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                            maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                            zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.
                        </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling van de gemeente
                    Uden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht,
                            bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet heeft geleid tot het ten
                            onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten
                            onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening,
                            wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
                        </al></li><li nr="2."><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 500,-: 10 procent van de
                                    WIJ-norm; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 500,- tot € 1000,-: 20 procent
                                    van de WIJ-norm; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2500,-: 50 procent
                                    van de WIJ-norm; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2500,- of meer: 100 procent van
                                    de WIJ-norm. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het derde lid kan de hoogte van de maatregel worden
                            verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig
                            maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een
                            besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                            besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                            artikel 6, tweede lid. </al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 4. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Misdragingen </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich misdraagt tegenover het College of zijn
                            ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die zich in opdracht
                            van het College bezig houden met de uitvoering van de wet, onder
                            omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                            wet als bedoeld in artikel 41 eerste lid van de wet, wordt met hantering
                            van het agressieprotocol gemeente Uden, een waarschuwingsbrief
                            verzonden, eventueel vergezeld van een uitnodiging voor een
                            ordegesprek.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            College of zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die
                            zich in opdracht van het College bezig houden met de uitvoering van de
                            wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                            uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 41 eerste lid van de wet,
                            wordt een maatregel opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij verbaal
                                    geweld;</al></li><li nr="b."><al>dertig procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                    discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de WIJ-norm gedurende twee maanden bij
                                    intimidatie;</al></li><li nr="d."><al>veertig procent van de WIJ-norm gedurende twee maanden bij
                                    zaakgericht fysiek geweld;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>dertig procent van de WIJ-norm gedurende drie maanden bij mensgericht
                            fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>vijftig procent van de WIJ-norm gedurende drie maanden bij een
                            combinatie van zaakgericht en mensgericht fysiek geweld.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 5. Handhaving</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Handhaving</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het College draagt zorg voor een uitvoeringsbeleid en -organisatie die
                            gericht zijn op het zo veel mogelijk voorkomen en bestrijden van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik, en het wegnemen van de gevolgen van
                            geconstateerd misbruik en oneigenlijk gebruik. Daartoe behoren in ieder
                            geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van informatie over de verplichtingen die aan
                                    een inkomensvoorziening verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>het controleren op de naleving van deze verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>het gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvordering van te
                                    veel of ten onrechte betaalde inkomensvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>het opleggen van maatregelen en het uitsluiten van het recht op
                                    inkomensvoorziening zoals bedoeld in deze verordening;</al></li><li nr="e."><al>het doen van aangifte van een vermoeden van fraude bij het
                                    Openbaar Ministerie als er sprake is van het niet of onvoldoende
                                    nakomen van de inlichtingenplicht leidend tot een bruto
                                    benadelingsbedrag van € 12.000,00 of meer.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De Raad bepaalt de onderwerpen waarover het College aan hem verslag
                            uitbrengt. Daartoe behoren in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal gevallen waarin de inkomensvoorziening ten onrechte
                                    of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het aantal gevallen waarin is besloten tot terugvordering;</al></li><li nr="c."><al>het aantal opgelegde maatregelen in verband met misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="d."><al>het aantal gevallen waarin aangifte bij het Openbaar Ministerie
                                    is gedaan.</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Intrekking oude verordening</tussenkop><al>De Verordening tijdelijke regels Wet Investeren in Jongeren wordt
                    ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 16. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt met
                    terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2010. </al><tussenkop>Artikel 17. Citeertitel </tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen en handhaving Wet
                    investeren in jongeren gemeente Uden 2010.</al><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2010.</al><al>De Raad voornoemd</al><al>de griffier de burgemeester</al><tussenkop>Toelichting Verordening maatregelen en handhaving Wet investeren in
                    jongeren gemeente Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Toelichting </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht de gemeente Uden om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                    alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moet de
                    gemeente Uden jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het
                    werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                    worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente Uden is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een
                    inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te
                    houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan
                    dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ).
                    Die verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening
                    moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                    Maatregelverordening. </al><al>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan het
                    werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht
                    (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. </al><al> Dat heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in
                    geval van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare
                    werkloosheid, als deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor
                    een werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere
                    heeft in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen.</al><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><tussenkop>Verlagen is maatwerk </tussenkop><al>Hoewel het algemeen bestuur de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31
                    775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient
                    de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt
                    gevormd door de regels die ter zake door het algemeen bestuur zijn gesteld. In
                    de Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                    verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut.
                    Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de
                    omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden gevonden om van de
                    standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is
                    het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel
                    41, tweede lid, WIJ). Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als
                    minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de
                    verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd
                    blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over
                    een te laag inkomen blijft beschikken. </al><tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van de
                    maatregel. Dit is bij de verschillende sanctioneerbare gedragingen in een
                    afzonderlijke bepaling benoemd. Bij recidive geldt als regel dat de hoogte
                    verdubbeld wordt. </al><al>De term 'maatregel' Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het
                    feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                    nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                    inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’.
                    Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de
                    bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan
                    benadrukt. Om die reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een
                    verlaging aan te duiden. </al><tussenkop>Een waarschuwing in plaats van een maatregel? </tussenkop><al>Gemeenten kunnen in hun verordening regelen dat in beginsel eerst altijd een
                    waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. </al><al>In deze verordening is ervoor gekozen om de mogelijkheid te bieden om eerst een
                    waarschuwing te geven in geval van schending van de verplichtingen m.b.t. het
                    werkleeraanbod (artikel 10 lid 2) en bij schending van de inlichtingenplicht
                    zonder benadeling voor de gemeente Uden (artikel 11 lid 2).</al><al> Aandachtspunt is dat nu, ervoor gekozen is de waarschuwing in de verordening
                    ‘in te regelen’, een dergelijke waarschuwing de status van ‘besluit’ krijgt in
                    de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Daartegen staat bezwaar en beroep open
                    (CRvB 5 januari 2009, LJN: BG9682). </al><tussenkop>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </tussenkop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                    inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de
                    totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek naar de
                    arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan
                    het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-,
                    medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in
                    artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid
                    kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de verplichtingen
                    betrekking hebben. </al><tussenkop>Aanvraagfase </tussenkop><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet
                    meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn
                    arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen
                    werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang
                    hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op
                    inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers
                    voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                    blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen
                    recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                    p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de
                    jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden
                    verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod,
                    dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                    verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat
                    de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen
                    komen. </al><tussenkop>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering
                    bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a
                    WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag
                    van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden
                    herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere verplichtingen schendt die
                    specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het
                    werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om
                    het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan, of het stellen van
                    onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking van
                    het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op inkomensvoorziening (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een herziening blijft de
                    inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke
                    Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te kiezen
                    welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging
                    van die voorziening. </al><al> Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag,
                    bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of van
                    herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in de geest van
                    de regeling om, met het oog op duurzame arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod
                    niet te snel in te trekken. Dit is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht
                    doordat verlaging van de inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen
                    imperatief is voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21
                    WIJ) een bevoegdheid is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan.
                    Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het werkleeraanbod tevens
                    intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien toegekend) en dus
                    het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het is daarom raadzaam om niet
                    lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid
                    waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking van het werkleeraanbod
                    wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever worden
                    geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar de
                    feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig voordoen.
                    Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente Uden niet meer gevergd kan worden
                    dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de verordening
                    Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de gedragingen van de jongere
                    ernstig genoeg zijn om een intrekking van het werkleeraanbod te rechtvaardigen.
                    Het is ook denkbaar dat dit in beleidsregels nader wordt uitgewerkt. </al><tussenkop>Vanaf de tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd, conform de
                    Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht op
                    inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere
                    ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                    lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd,
                    tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                    WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                    inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt ook
                    voor deze fase met de nodige aanpassingen. </al><tussenkop>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Maatregelverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de
                    verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke voorwaarden en
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de
                    inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de Verordening
                    Werkleeraanbod WIJ 2010 vastgelegd in artikel 12. Daarmee wordt dan tevens de
                    grens afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van
                    maatregel. Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><tussenkop>De verplichtingen die tot een maatregel kunnen leiden </tussenkop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het
                    college zijn verbonden zijn de volgende: </al><lijst><li nr="-"><al>de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod.</al></li></lijst><al> Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV Werkbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </tussenkop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen
                    betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in
                    beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening
                    niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                    worden, conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening
                    niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV Werkbedrijf. In
                    dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren aan de
                    mate van benadeling van de gemeente Uden. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder
                    de maatregel. </al><al>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod</al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod.</al><al>Deze verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor
                    een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze verplichtingen
                    dient in beginsel te leiden tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al>Voor het categoriseren van de gedragingen die tot een verlaging van de
                    inkomensvoorziening leiden bij schending van de verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn
                    verschillende mogelijkheden denkbaar. Zo kan er voor gekozen worden om voor
                    schending van alle in artikel 45 genoemde verplichtingen eenzelfde
                    maatregelpercentage geldt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk
                    aansluiting wordt gezocht met de Maatregelenverordening WWB. De hoogte van de
                    maatregelen is in overeenstemming met de Maatregelenverordening WWB. Dit houdt
                    in dat uiteenlopende maatregelpercentages voor schending van de verschillende
                    verplichtingen worden gehanteerd.</al><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelverordeningen m.b.t. de WWB en de
                    WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de Maatregelverordening WWB zijn
                    benoemd te vergelijken met die in artikel 45 WIJ.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen a en f van artikel 45 WIJ kunnen ook
                    worden gerangschikt onder de verplichting ‘mee te werken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling’. Voor de verplichting om mee te
                    werken aan het opstellen van een plan m.b.t. de arbeidsinschakeling (eerste
                    zinsnede onderdeel a) wordt verwezen naar o.a. CRvB 4 september 2007, LJN:
                    BB3443. Voor onderdeel f zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden in CRvB 25
                    maart 2008, LJN: BC7877. Voor schending van deze verplichting geldt in de
                    Maatregelenverordening WWB een maatregelpercentage van 20%, omdat dit als een
                    wat lichtere gedraging wordt aangemerkt.</al><al>Ten aanzien van de verplichting genoemd in onderdeel b wordt in de memorie van
                    toelichting als voorbeeld van een schending van deze verplichting genoemd: het
                    belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het stellen van
                    irreële eisen of ongebruikelijke werktijden (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775,
                    nr. 3, p. 48). </al><al> Dat correspondeert in sterke mate met ‘gedragingen die de arbeidsinschakeling
                    belemmeren’, waarover de CRvB 4 juli 2006, LJN: AY2200 heeft overwogen dat
                    daarvan kan worden gesproken als blijkt dat als gevolg van de gedraging kansen
                    op werk of uitzicht op werk is verspeeld. Schending van deze verplichting levert
                    in de Maatregelenverordening WWB een maatregelpercentage van 50% op.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen c, d en e kunnen worden gerangschikt
                    onder de verplichting ‘gebruik te maken van een door het college aangeboden
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling’. Daarvoor geldt binnen de WWB een
                    maatregelpercentage van 100%.</al><al>Binnen de WIJ wordt voor deze vergrijpen gekozen voor een lagere maatregel,
                    namelijk 50%. Dit lijkt een versoepeling van het beleid, maar hierbij moet wel
                    meegenomen worden dat deze gedragingen binnen de WIJ ook aanleiding kunnen zijn
                    om het Werkleeraanbod in te trekken, waardoor het recht op inkomensvoorziening
                    in zijn geheel vervalt.</al><al>Schematisch overzicht vergelijking verplichtingen uit artikel 45 WIJ en de
                    verplichtingen, opgenomen in de Maatregelenverordening WWB.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Verplichtingen artikel 45 WIJ</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Verplichtingen Artikel 8 en 9 Maatregelverordening WWB</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het opstellen van een plan m.b.t. de
                                        arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het meewerken aan
                                        een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>Tweede categorie onder b 20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen onredelijke eisen stellen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren
                                    </al></entry><entry colname="col4"><al>Vierde categorie onder c 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                                        arbeidsbekwaamheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening
                                        gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                        activering </al></entry><entry colname="col4"><al>Vierde categorie onder c 100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem 100% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. </al></entry><entry colname="col2"><al>Opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen
                                        verrichten </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem 100% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. </al></entry><entry colname="col2"><al>Op advies van een arts zich onderwerpen aan een
                                        noodzakelijke behandeling van medische aard </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>Tweede categorie onder b 20% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of diens ambtenaren richt. Hiermee is
                    echter niet beoogd is afstand te nemen van de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van
                    bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46). </al><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen met als verzwarende omstandigheid
                    dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens
                    het college en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de bijstand c.q.
                    inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende)
                    sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken
                    dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest (zie ook
                    de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een
                    maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert,
                    betekent dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                    inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46/47 voor
                    het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de
                    grondslag zou moeten bieden, kent ‘ (tijdelijke) uitsluiting van het recht op
                    een werkleeraanbod bij zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke
                    uitsluitingsgrond voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                    herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en
                    gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit
                    punt uit te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder)
                    verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                    zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat. </al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ. </al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld de
                    van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de
                    WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet
                    opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal
                    gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip
                    wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de
                    inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering
                    van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                    de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd. </al><al> Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 11).
                    Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met
                    schending van de inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt
                    onder bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                    loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                    Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er
                    ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan
                    belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening
                    reeds is terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de
                    inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag
                    uiteraard beperkt tot een netto bedrag. </al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte
                    uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform
                    artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is
                    daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in
                    deze verordening mede wordt verstaan de kosten die De gemeente Uden maakt voor
                    het ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen
                    niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft
                    die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een
                    raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het
                    bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. </al><tussenkop>Artikel 2. Afstemming </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de
                    imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel niets afdoet aan
                    intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod.
                    Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het bestuur dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    bestuur bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. </al><al>Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus
                    worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen
                    expliciet verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van
                    de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al>Dit betekent dat het bestuur bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde
                    maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende
                    gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="-"><al> bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld
                            hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving. </al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                    3.7 Awb). </al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen bepaald is in de WWB en IOAW/IOAZ
                    verordeningen. Deze systematiek is gelijk aan hetgeen hierover in de Algemene
                    wet bestuursrecht is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode
                    kiezen. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                    termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in verband
                    met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                    termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente Uden vaak tijd nodig zal hebben om
                    de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                    afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als
                    de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt
                    een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig
                    sprake zijn. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                    jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment
                    waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                    opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening
                    op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen. </al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikel 44 en 35 WIJ). Er zijn twee manieren
                    waarop sprake kan zijn van samenloop:</al><lijst><li nr="1."><al>Één gedraging betekent schending van meerdere verplichtingen In deze
                            situatie wordt gekozen voor de maatregel die van toepassing is op de
                            zwaarstwegende verplichting, wat betekent dat de hoogste van toepassing
                            zijnde maatregel wordt opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Meerdere (min of meer gelijktijdige) schendingen van één of dezelfde
                            verplichtingen In deze situatie worden de van toepassing zijnde
                            maatregelen gezamenlijk opgelegd (gestapeld). Hierbij kan afhankelijk
                            van de situatie worden gekozen voor stapeling binnen één maand, dan wel
                            opvolgende maatregelen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45
                    van de wet </tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën </tussenkop><al>Zie Algemene toelichting.</al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel </tussenkop><al>Zie Algemene toelichting. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>Het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze
                            situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het college kan
                            in dat geval het recht op inkomensvoorziening opschorten en de jongere
                            in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het
                            verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een maatregel aan de orde
                            zijn. </al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er ten onrechte of een te
                            hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                            werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                            inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In beide gevallen
                            kan een maatregel aan de orde zijn. Het kan ook voorkomen dat bepaalde
                            gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan de gemeente Uden worden
                            verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van het
                            werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag
                            moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in
                            dergelijke gevallen niet aan de orde. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling de gemeente
                    Uden </tussenkop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                    het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid,
                    WIJ).</al><al>Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim
                    kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de
                    gestelde termijn aan de gemeente Uden verstrekt, dan kan het college de het
                    besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                    vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt
                    tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de zogeheten
                    'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen,
                    zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor het werkleeraanbod of de
                    inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude kan zijn het niet melden van
                    een niet-rechthebbende partner. </al><tussenkop>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling de gemeente
                    Uden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening. Het college zal
                    moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat. De ernst van de
                    gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is
                    het door de gemeente Uden te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening
                    alsmede de kosten van het werkleeraanbod. Hoewel dit niet met zoveel woorden in
                    de tekst van de verordening tot uitdrukking is gebracht, kan uiteraard ook de
                    keus gemaakt worden om het werkleeraanbod niet te betrekken bij de vaststelling
                    van het benadelingsbedrag. </al><al>Uit een oogpunt van uitvoerbaarheid is daar wel iets voor te zeggen. Daar staat
                    tegenover dat het ook denkbaar is dat een jongere wel gebruik heeft gemaakt van
                    een werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat het
                    aanbod voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst zijn om bij
                    schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te kunnen opleggen, die
                    wordt afgestemd op de kosten van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                    inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                    onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening
                    van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie
                    artikel 6, tweede lid. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Misdragingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Misdragingen </tussenkop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                    de gemeente bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                    inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                    ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene
                    toelichting op dit onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken
                    over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat
                    alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                    aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’
                    betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer
                    ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                    UWV-Werk</al><al>bedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De
                    Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                    heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                    volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger)
                    worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c.
                    intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld
                    (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het is aan te bevelen
                    dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe
                    wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan
                    een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve
                    klanten, in de vorm van beleidsregels. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Om een objectieve maatstaf te hebben waarlangs bepaald kan worden hoe hoog de op
                    te leggen maatregel moet zijn wanneer een jongeren zich ernstig misdraagt, wordt
                    binnen de gemeente Uden een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten
                    misdragingen. Deze systematiek en de daaraan gekoppelde maatregelen wordt op
                    dezelfde wijze ingevuld als binnen de overige inkomensregelingen die de gemeente
                    uitvoert (WWB, IOAW en IOAZ).</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Handhaving</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Handhaving</tussenkop><al>Dit artikel fungeert als invulling van artikel 12 lid 1 onder C WIJ. De wijze
                    waarop het college verantwoording aflegt aan de gemeenteraad wordt op dezelfde
                    wijze ingevuld als binnen de WWB, IOAW en IOAZ.</al><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                    verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar bij verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 25 mei
                    2010;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet en artikel 12, eerste lid en
                    onderdeel c, van de Wet investeren in jongeren;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de </al><tussenkop>Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren gemeente
                    Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investering in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel
                            d, van de wet;</al></li><li nr="c."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet op
                            de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in
                            artikel 3, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="e."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de
                                    huurtoeslag; </al></li><li nr="2."><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente, de in
                                    verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                    zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                    bedrag voor onderhoud; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging ter
                            voorkoming van opname in een verpleeg- of verzorgingshuis. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>1.Deze verordening geldt alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch
                    jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden geldt deze verordening alleen indien
                    beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar zijn.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Toeslagen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                            procent van de gehuwden norm voor de jongere in wiens woning geen ander
                            zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                            procent van de gehuwden norm voor de jongere die met een ander zijn
                            hoofdverblijf heeft;</al></li></lijst><al>3.lid 2 wordt niet toegepast in geval van de aanwezigheid van een
                    verzorgingsbehoeftige.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</tussenkop><tussenkop>Artikel 4. Verlaging gehuwden</tussenkop><al>1.De verlaging als bedoeld in artikel 31 van de wet bedraagt 10 procent van de
                    gehuwdennorm voor gehuwden die met één ander hun hoofdverblijf in dezelfde
                    woning hebben.</al><al>2.Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al><tussenkop>Artikel 5. Verlaging woonsituatie</tussenkop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 32 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan
                            voor de jongere geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond wordt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6. Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</tussenkop><al>De toeslag als bedoeld in artikel 30 van de wet wordt voor een jongere van 21 of
                    22 jaar, in afwijking van artikel 3 op nihil gesteld, als deze geen woonlasten
                    heeft.</al><tussenkop>Artikel 7. Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de jongere
                    in ieder geval kan blijven beschikken over een inkomen van 75% van de
                    toepasselijke norm als bedoeld in de wet.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Intrekking oude verordening</tussenkop><al>De Verordening tijdelijke regels Wet Investeren in Jongeren wordt
                    ingetrokken.</al><tussenkop>Artikel 9. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt met
                    terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2010. </al><tussenkop>Artikel 10. Citeertitel </tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening toeslagen en verlagingen Wet
                    investeren in jongeren gemeente Uden 2010.</al><al>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2010.</al><al>De Raad voornoemd</al><al>de griffier de burgemeester</al><tussenkop>Toelichting Verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in
                    jongeren gemeente Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    Wet Werk en Bijstand (WWB), waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                    afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                    ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’
                    in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.
                    Deze uitkering, de zogenaamde inkomensvoorziening, volgt in grote lijnen de WWB
                    voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering
                    die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB bestaat de inkomensvoorziening uit een rijksgeregeld deel (de
                    norm) die binnen bepaalde grenzen verhoogd of verlaagd kan worden op grond van
                    gemeentelijk beleid (toeslag en verlaging). Dit beleid moet door het Algemeen
                    college in een verordening worden vastgelegd. </al><tussenkop>Relatie met de WWB </tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WIJ is de WWB in beginsel afgesloten voor
                    jongeren tot 27 jaar en kunnen deze jongeren in beginsel geen algemene bijstand
                    meer ontvangen. Daartoe is de WWB op een aantal onderdelen aangepast en zou de
                    Toeslagenverordening WWB een navenante wijziging moeten ondergaan. Op grond van
                    het overgangsrecht (artikel 86 WIJ) blijft de WWB voor jongeren die op 30
                    september 2009 algemene bijstand ontvingen echter van toepassing totdat de
                    algemene bijstand wordt beëindigd maar uiterlijk tot 1 juli 2010. Om die reden
                    is een aanpassing van de Toeslagenverordening WWB aan de WIJ (nog) niet aan de
                    orde. Dit zal eerst met ingang van 1 juli 2010 zijn beslag krijgen. Omdat niet
                    uitgesloten kan worden dat zich in de tussentijd ontwikkelingen zullen voordoen
                    die nopen tot een inhoudelijke wijziging van de verordening, is het thans nog te
                    prematuur om een wijzigingsvoorstel voor de Toeslagenverordening WWB aan te
                    bieden. </al><al>Bij het inrichten van de WIJ is op het punt van de inkomensvoorziening
                    uitdrukkelijk ervoor gekozen zoveel mogelijk aansluiting te zoeken met de WWB,
                    op onderdelen als de normensystematiek, de middelentoets, verlaging van bijstand
                    en terugvordering en verhaal. Hoewel die aansluiting niet in alle opzichten
                    volledig is gerealiseerd, is ten aanzien van het te voeren toeslagen- en
                    verlagingenbeleid sprake van een identiek wettelijk kader als thans in de WWB.
                    Normen die specifiek betrekking hebben op jong meerderjarigen zijn uit de WWB
                    overgeheveld naar de WIJ. </al><al> Omdat het oogmerk van de WIJ niet is geweest de normen van de
                    inkomensvoorziening voor jongeren te verlagen is, gelet op de gewenste
                    aansluiting met de WWB en uit overwegingen van uitvoerbaarheid, in deze
                    verordening WIJ aansluiting gezocht bij de Toeslagenverordening WWB. </al><tussenkop>Een verordening toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren </tussenkop><al>Evenals in de WWB heeft de wetgever in de WIJ de raad en het college
                    afzonderlijke taken toebedeeld. Het college is verantwoordelijk voor de
                    uitvoering van de WIJ, terwijl de raad de opdracht heeft gekregen in een vijftal
                    verordeningen regels vast te stellen, ondermeer met betrekking tot het verhogen
                    en verlagen van de normen die voor de inkomensvoorziening gelden (artikel 12,
                    eerste lid, sub e, WIJ). Deze regels moeten exclusief in een verordening worden
                    vastgelegd, ter wille van de rechtszekerheid, aldus de Memorie van Toelichting
                    (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 37). </al><al>De verordening heeft een categoriaal karakter, dat wil zeggen dat voor een
                    aantal categorieën uitkeringsgerechtigden de hoogte van de toeslag dan wel
                    verlaging van de norm of de toeslag in de verordening is beschreven. Het is
                    daarbij niet nodig c.q. mogelijk om alle mogelijke situaties uitputtend te
                    beschrijven. In niet geregelde gevallen is het college immers bevoegd én
                    verplicht om de inkomensvoorziening bij wijze van individualisering afwijkend
                    vast te stellen (artikel 35, vierde lid, WIJ). </al><tussenkop>Normen, toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Uit overwegingen van uitvoerbaarheid heeft de wetgever ervoor gekozen om de
                    normensystematiek die thans is vastgelegd in de WWB zoveel mogelijk over te
                    nemen in de WIJ. Dat betekent enerzijds dat onderscheid is gemaakt tussen de
                    normen die gelden voor jongmeerderjarigen (jongeren van 18 tot 21 jaar) en
                    oudere jongeren (21 tot 27 jaar). Anderzijds zijn de normen voor beide
                    leeftijdsgroepen identiek aan de normen die thans in de WWB voor beide groepen
                    gelden. Hetzelfde geldt voor de normen die van toepassing zijn bij het verblijf
                    in een inrichting. De overgang naar de WIJ leidt op dit onderdeel dus niet tot
                    een wijziging van de financiële positie van de jongeren die afhankelijk worden
                    van een inkomensvoorziening.</al><tussenkop>Normen </tussenkop><al>In Hoofdstuk 4 van de WIJ (‘Recht op inkomensondersteuning’) zijn de normen
                    vastgelegd die gelden voor de verschillende leefsituaties (artikelen 26 t/m 29
                    WIJ). Voor personen van 21 jaar tot en met 27 jaar bestaat een drietal
                    basisnormen (artikelen 26, 27 en 28 WIJ), te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm);</al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst><al>Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt de huidige WWB-normering,
                    die is afgestemd op de kinderbijslag (artikelen 26, sub a en 27, sub a, WIJ).
                    Deze normen kunnen eventueel worden aangevuld met bijzondere bijstand, voor
                    zover de middelen van de ouders niet toereikend zijn dan wel de onderhoudsplicht
                    van de ouders niet te gelde gemaakt kan worden. Artikel 12 WWB blijft voor deze
                    groep onverkort van toepassing. </al><al>Voor jongeren waarvan één van de partners zich in de leeftijdsgroep 18 tot 21
                    jaar bevindt en de ander in de groep 21 tot 27 jaar, gelden eveneens identieke
                    normen als thans in de WWB voor partners in de leeftijd van 21 tot 65 jaar. </al><tussenkop>Toeslagen en verlagingen </tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar geldt dat de normen verhoogd
                    en/of verlaagd kunnen worden onder dezelfde voorwaarden als thans in de WWB is
                    vastgelegd. Kort gezegd betreft het de verplichting om de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders te verhogen met een toeslag als deze een
                    woning bewonen zonder medebewoner.</al><al> Omdat de kosten van het bestaan dan niet gedeeld kunnen worden met een ander
                    bedraagt de toeslag het maximale bedrag, zijnde 20% van de norm voor gehuwden in
                    die leeftijdscategorie. Kunnen de bestaanskosten wel met een ander gedeeld
                    worden dan kan de toeslag worden verlaagd. </al><al>De bevoegdheid om de uitkering te verlagen bij medebewoning geldt ook voor de
                    norm voor gehuwden. Voorts kan de norm of toeslag worden verlaagd als de
                    woonsituatie, los van medebewoning, lagere bestaanskosten met zich meebrengt.
                    Daarnaast is verlaging van de norm of toeslag mogelijk als de jongere een
                    schoolverlater is. </al><al>Ten slotte kan het college bij een 21- of 22-jarige alleenstaande de toeslag
                    verlagen om de uitkering in de pas te laten lopen met het wettelijk
                    minimumjeugdloon. De laatstgenoemde verlagingen kunnen niet in combinatie met
                    elkaar worden toegepast. Binnen de gestelde randvoorwaarden staat het de
                    gemeenten in beginsel vrij om eigen beleid te voeren over de hoogte van de
                    toeslagen en verlagingen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om de norm
                    en/of toeslag te verlagen.</al><al>Ook voor gehuwde jongeren waarvan één van de partners in de leeftijdsgroep van
                    18 tot 21 jaar en de ander in de leeftijd van 21 tot 27 jaar zit, geldt dat de
                    norm verlaagd kan worden. De WIJ sluit dit, evenmin als de WWB, uit. Dit geldt
                    evenzeer voor het geval beide partners in de leeftijdsgroep 18 tot 21 jaar
                    zitten. Ook de voor hen geldende norm kan verlaagd worden. Niettemin wordt dit
                    niet opportuun geacht. De normen voor deze categorie jongeren zijn immers al
                    lager vastgesteld, vanwege de (vaak theoretische) onderhoudsplicht van ouders.
                    Het verder verlagen van deze normen kan er spoedig toe leiden dat deze jongeren
                    onder het bestaansminimum terechtkomen. Bovendien maakt categoriale verlaging op
                    deze groep jongeren de toch al behoorlijk complexe normensystematiek nog
                    ingewikkelder. </al><tussenkop>Gehuwde jongeren van 21 tot 27 jaar met niet-rechthebbende partner </tussenkop><al>Voor jongeren van 21 tot 27 jaar met een oudere partner, geldt dat de norm
                    gelijk is aan de norm die voor een alleenstaande of alleenstaande ouder geldt
                    (artikel 28, eerste lid, sub e, resp. 28, tweede lid, sub e, WIJ). Personen van
                    27 jaar of ouder komen immers niet in aanmerking voor een inkomensvoorziening in
                    het kader van de WIJ. De norm alleenstaande of alleenstaande ouder geldt ook als
                    de andere partner om andere redenen (bijv. in geval van detentie) geen recht
                    heeft op een inkomensvoorziening (artikel 28, derde lid, WIJ). De mogelijkheid
                    om de norm voor een alleenstaande (ouder) te verhogen met een toeslag is in de
                    WIJ evenwel beperkt tot de jongere die <cursief>feitelijk
                    </cursief>alleenstaande (ouder) <cursief>is </cursief>(artikel 30, eerste lid,
                    in verbinding met 26, sub b en 27, sub b, WIJ). Naar de letter bestaat dus voor
                    de gehuwde met niet-rechthebbende partner geen recht op toeslag. </al><al>Niettemin mag, gegeven de wens van de wetgever om e.e.a. zoveel mogelijk conform
                    de WWB te regelen en met een beroep op de jurisprudentie die gevormd is onder de
                    WWB en Abw, worden aangenomen dat ook gehuwde jongeren die voor de normering
                    worden gelijkgesteld met een alleenstaande (ouder), onder omstandigheden recht
                    kunnen hebben op een toeslag, mede gelet op het individualiseringsbeginsel, dat
                    binnen de WIJ klaarblijkelijk ook een rol speelt op het punt van normen,
                    toeslagen en verlagingen (artikel 35, vierde lid, WIJ; zie m.b.t. de bijstand
                    bijvoorbeeld CRvB 12 december 1995, JABW 1996/40). </al><al>Heeft de niet-rechthebbende partner geen of een zeer laag inkomen en is geen
                    sprake van medebewoning, dan zal de toeslag, naar analogie van de WWB, in
                    beginsel zelfs 20% van de gehuwdennorm moeten bedragen (CRvB 4 maart 2003, LJN:
                    AF6326). </al><al>Als de niet-rechthebbende partner een WWB-uitkering ontvangt, is er geen
                    aanleiding om een toeslag te verstrekken. Dat geldt evenzeer voor de
                    bijstandsgerechtigde partner. Beiden kunnen immers nimmer een uitkering
                    ontvangen die tezamen meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden. </al><al> Omdat beide partners dan aanspraak hebben op de norm die voor een alleenstaande
                    geldt, betekent dit tegelijkertijd dat een verlaging in verband met medebewoning
                    formeel gezien niet mogelijk is, omdat deze beperkt is tot de gehuwdennorm (als
                    bedoeld in artikel 28, eerste/tweede lid onderdeel d WIJ). In voorkomende
                    gevallen is het in dat geval mogelijk met toepassing van artikel 18, eerste lid,
                    WWB de bijstandsnorm van de bijstandsgerechtigde partner te verlagen. </al><al>Voor de situatie dat beide partners ten laste komende kinderen hebben, is een
                    specifieke regeling getroffen. Dan geldt voor de jongere partner de
                    gehuwdennormdie bij zijn leeftijd past (artikel 28, vierde lid, WIJ).
                    Omdat daar expliciet over gehuwdennorm wordt gesproken, is verlaging van die
                    norm wegens medebewoning, wel mogelijk. De algemene bijstand die de
                    bijstandsgerechtigde partner ontvangt, moet vervolgens daarop in mindering
                    worden gebracht. </al><tussenkop>Berekening toepasselijke uitkering </tussenkop><al>In de WIJ is evenmin als in de WWB voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel
                    de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de
                    toeslag dient plaats te vinden. Het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag blijft ook in de WIJ de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit
                    overigens alleen bij de combinatie verlaging wegens woonsituatie en
                    leeftijdsverlaging (een andere verlaging is niet mogelijk in combinatie met de
                    leeftijdsverlaging) tot verschillende uitkomsten. </al><al>Bovenstaande in acht nemend kan de hoogte van de normuitkering voor jongeren als
                    volgt worden berekend: </al><lijst><li nr="1."><al>norm; </al></li><li nr="2."><al>a. optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders)
                            of b. korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                            (alleen bij gehuwden);</al></li><li nr="3."><al>korten met verlaging wegens woonsituatie; </al></li><li nr="4."><al>a. korten met verlaging schoolverlater of b. korten met verlaging voor
                            21- en 22-jarige alleenstaanden op (het restant van) de toeslag. </al></li></lijst><al>De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden toegepast. De
                    Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt. </al><al>Leidt de uitkomst tot een lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. </al><tussenkop>Zelfstandigen </tussenkop><al>Jongeren met een zelfstandig bedrijf of beroep komen niet in aanmerking voor een
                    werkleeraanbod of inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e,
                    resp. artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    de WWB. Dat geldt voor de voorbereidingskosten, de periodieke bijstand voor
                    levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Aandachtspunt bij de algemene bijstand
                    voor levensonderhoud is wel dat voor die jongeren de normensystematiek uit de
                    WIJ van toepassing is (zie artikel 58 WIJ). </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1 </tussenkop><al>Evenals in de Verordening toeslagen en verlagingen WWB is het begrip
                    ‘gehuwdennorm’ omschreven, omdat het uitkeringsgebouw in de WIJ, inclusief
                    toeslagen en verlagingen, voor 21- tot 27-jarigen daaraan is gerelateerd.
                    Volstaan is met een verwijzing naar artikel 28, eerste lid sub d, WIJ. De daar
                    genoemde gehuwdennorm is gelijk aan de gehuwdennorm genoemd in artikel 21, sub
                    c, WWB. </al><al>Evenmin als in de WWB wordt het begrip ‘woning’ in de WIJ omschreven. Gelet op
                    de analogie met de WWB mag aangenomen worden dat daarmee hetzelfde begrip is
                    bedoeld als in de WWB, te weten het begrip ‘woning’, bedoeld in de Wet op de
                    huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige
                    woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige woonruimte is verhuurd,
                    alsmede de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). Aangesloten is bij de
                    begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de Algemene Bijstandswet in
                    het Besluit landelijke normering (tot 1996) was opgenomen. Deze omschrijving
                    wordt in veel verordeningen nog gebruikt. Het is aan het college overgelaten om
                    de onderhoudskosten vast te stellen. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens verwezen
                    naar artikel 3, zesde lid WWB, waarin deze woonruimtes met een woning worden
                    gelijkgesteld. </al><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door
                    hem/haar verzorgde persoon bij ontsteltenis van de verzorging zou zijn
                    aangewezen op een verpleeg-of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke
                    indicatie zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden
                    aangenomen, bij voorkeur een verklaring van deze strekking die is afgegeven door
                    een onafhankelijke arts.</al><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de WIJ. Zo wordt in deze verordening meerdere
                    malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid, WIJ omschrijft dit
                    begrip. Onder jongere wordt verstaan: een hier te lande woonachtige Nederlander
                    (of daarmee gelijkgestelde vreemdeling) 16 jaar of ouder doch jonger dan 27
                    jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder jongeren echter
                    verstaan de jongeren in de leeftijd van 21 jaar of ouder maar jonger dan 27 jaar
                    (zie ook artikel 2). </al><tussenkop>Artikel 3 </tussenkop><al>Op grond van artikel 35, tweede lid, sub a, WIJ is het Algemeen college
                    verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt
                    voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van norm of
                    toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet
                    er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                    toeslag blijft op zijn plaats. </al><al> Evenals in de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand in deze verordening als
                    uitgangspunt gekozen voor de zgn. forfaitaire variant voor het vaststellen van
                    de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                    bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden bepalend zijn
                    voor de hoogte van de toeslag maar de enkele veronderstelling dat het delen van
                    kosten mogelijk is. </al><al>De meeste gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest
                    efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig is. In de
                    jurisprudentie is de forfaitaire variant algemeen aanvaard (zie bijvoorbeeld
                    CRvB 10 juli 2008, LJN: BD3700). In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                    voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de uitzonderlijke
                    situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van inkomen beschikt (denk aan
                    de niet rechthebbende partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van de
                    toeslag vanwege medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan
                    immers daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                    geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en 02/3129
                    NABW). </al><al>In het derde lid wordt geregeld dat lid 2 niet wordt toegepast in geval van de
                    aanwezigheid van een verzorgingsbehoeftige. Dit geldt ook in de situatie dat er
                    meerdere medebewoners zijn en een ander de hulp verleent. De aanwezigheid van
                    een verzorgingsbehoeftige levert immers voor niemand enig financieel voordeel op
                    wat betreft de kosten van levensonderhoud.</al><tussenkop>Artikel 4 </tussenkop><al>Artikel 4 vormt het spiegelbeeld van artikel 3. Waar de norm voor een
                    alleenstaande (ouder) wordt verhoogd met 10% als een woning gedeeld wordt met
                    een ander, is dit ook gerealiseerd voor gehuwde jongeren in dezelfde situatie.
                    De jongeren kunnen in dat geval namelijk ook kosten delen met een ander en
                    daarom is een verlaging op zijn plaats. </al><al>In het tweede lid wordt geregeld dat zorgbehoevenden eveneens niet worden
                    meegeteld als personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>Als aan een woning geen woonkostenverbonden zijn, is sprake van lagere
                    bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 WIJ opent om die reden de
                    mogelijkheid om de norm of de toeslag te verlagen. Dat is in artikel 5
                    gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat de norm of toeslag met 20%
                    wordt verlaagd als de jongere geen woonlasten betaalt. Dat kan zich voordoen bij
                    krakers, of als de woonkosten worden betaald door een derde, bijv. de ouders of
                    de ex-partner. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de
                    jongere een eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het
                    eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar omstandigheden vast te
                    stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>Wordt de norm of toeslag verlaagd omdat de jongere geen woonlasten heeft en is
                    hij daarnaast medebewoner, zodat de toeslag ook nog eens op die grond verlaagd
                    wordt, dan kan dit spoedig als een te ver gaande vorm van verlaging van de
                    uitkering worden aangemerkt, gelet op het totale effect van de dubbele verlaging
                    (zie CRvB 27 mei 2008, LJN: 2698). Op grond van het individualiseringsbeginsel
                    zal de verlaging dan beperkt moeten worden. </al><al> In het tweede lid is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                    uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten
                    hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen
                    regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend
                    worden vastgesteld, met toepassing van artikel 35, vierde lid, WIJ bij wijze van
                    individualisering. </al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 33 WIJ is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de WTOS. Van deze
                    mogelijkheid is geen gebruik gemaakt in deze verordening. Uit de bestaande
                    Verordening toeslagen en verlagingen WWB is de schoolverlatersverlaging eerder
                    bewust geschrapt.</al><tussenkop>Artikel 6 </tussenkop><al>Artikel 34 WIJ geeft het college bevoegdheid om een verlaging toe te passing
                    indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een
                    drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Om dit te voorkomen is net als in
                    de huidige Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand geregeld
                    dat de toeslag voor een 21- of 22-jarige op nihil wordt vastgesteld als deze
                    geen woonlasten heeft. In de rechtspraak wordt het ontbreken van een toeslag
                    zonder rekening te houden met concrete omstandigheden immers als onredelijk
                    gezien.</al><tussenkop>Artikel 7 </tussenkop><al>De verschillende verlagingen in de verordening zien op verschillende
                    omstandigheden bij de jongere en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                    aangemerkt. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat het college
                    de inkomensvoorziening vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten
                    vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het dagelijks college op grond van
                    artikel 35, vierde lid, WIJ de inkomensvoorziening hoger moeten
                    vaststellen.</al><al>Daarom is er voor gekozen om net als in de Verordening toeslagen en verlagingen
                    WWB een minimum bedrag vast te stellen van 75% van de toepasselijke basisnorm,
                    waarop het college de uitkering tenminste moet vastleggen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>