<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR392107_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015, wijziging 1</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-05-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-78271.html">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015, wijziging 1</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005181&amp;artikel=8&amp;g=2018-06-13">artikel 8 van de Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-05-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Oisterwijk 2015, wijziging 1</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Bouwverordening gemeente Oisterwijk, eerste wijziging</vet></al><al>gemeente Oisterwijk 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 1.1 begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld in dit
                                        artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw-
                                        en woningtoezicht;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                        uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                        bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                                        a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct
                                                aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse
                                                van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet
                                                direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van
                                                de bouw;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen
                                        liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 1.2 Termijnen </al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                paragraaf 1.2.5, onder e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
                                II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het
                                Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                            </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en </al></li><li nr="c."><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd. </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt. </al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen. </al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig
                                aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                                aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn
                                overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van
                                ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de
                                weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="1."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="2."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                                het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming op
                                        een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al></li><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg; </al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; </al></li><li nr="3."><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd gezag
                        de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                        voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al><lijst><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan
                                        als dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw
                                        behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter
                                        achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en
                                        over de volle breedte daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                        afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod tot
                                overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn. </al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor
                        reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                        hoofdtransportleidingen </al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, dan die welke
                                deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze
                                afstand moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de
                                draden ten gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van
                                1.000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.
                                Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                        achtergevelrooilijn </al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                        terreinen</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al></li></lijst><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="2."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="3."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="4."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="5."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="7."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="8."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="9."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="10."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="11."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="12."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval
                        van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                        gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al></li><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste de
                                volgende afmetingen hebben:</al></li></lijst><al><onderstreept>langsparkeren</onderstreept></al><al>lengte: 6,00 m</al><al>breedte: 2,00 m</al><al>breedte parkeerweg: 3,50 m (bij eenrichtingsverkeer)</al><al><onderstreept>Onder een hoek:</onderstreept></al><al>lengte: 5,00 m</al><al>breedte: 2,50 m</al><al>breedte parkeerweg: 6,00 m bij 90 graden</al><al> 4,50 m bij 60 graden</al><al> 4,00 m bij 45 graden</al><al> 3,50 m bij 30 graden</al><lijst><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                        ingebruikneming van een bouwwerk</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                        staking van bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                        de bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                        zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen (vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Overbevolking </al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9.1 De advisering door een commissie van advies</al><al>De advisering over welstand gebeurt door een commissie van advies aan het
                        college ex artikel 84, eerste lid van de Gemeentewet en welstandscommissie
                        als bedoeld in artikel 12b van de Woningwet (verder: commissie).</al><al>Artikel 9.2 Adviestaak</al><lijst><li nr=""><al>1.De commissie adviseert het college ten aanzien van:</al></li><li nr="-"><al>stedenbouwkundige, landschappelijke en architectonische aspecten die
                                van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van een project;</al></li><li nr="-"><al>initiatieven en plannen betreffende de openbare ruimte;</al></li><li nr="-"><al>vooroverleggen/principeverzoeken (vooruitlopend op de hieronder
                                genoemde aanvragen om omgevingsvergunning);</al></li><li nr="-"><al>aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in
                                artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht.</al><al>2.De commissie baseert haar advies op de genoemde criteria in een
                                beeldkwaliteitsplan en/of stedenbouwkundig plan, dat als onderdeel
                                van de welstandsnota door de gemeenteraad is vastgesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 9.3 Samenstelling van de commissie</al><lijst><li nr="1."><al>De raad stelt per project (indien gewenst) een commissie samen.</al></li><li nr="2."><al>De commissie kan bestaan uit (een lid van) de monumentencommissie,
                                een stedenbouwkundig supervisor en/of uit een projectgebonden
                                supervisieteam.</al></li></lijst><al>Artikel 9.4 Benoeming en zittingsduur</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie wordt benoemd voor een periode van maximaal drie jaar.
                                De commissieleden kunnen eenmaal voor een periode van ten hoogste
                                drie jaar worden herbenoemd.</al></li><li nr="2."><al>De commissie voor een project/ontwikkeling wordt opgeheven als de
                                omgevingsvergunningen voor het bouwen van betreffende project
                                verleend zijn en het beeldkwaliteitsplan en/of stedenbouwkundig plan
                                als onderdeel van de welstandsnota is vervallen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.5 Jaarlijkse verantwoording</al><al>De commissie stelt jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden voor de
                        gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de criteria uit het
                                betreffende beeldkwaliteitsplan en/of stedenbouwkundig plan;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>het aantal uitgebrachte adviezen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.6 Termijn van advisering</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie brengt het advies over de in artikel 9.2, eerste lid,
                                genoemde aspecten uit binnen twee weken nadat door of namens het
                                college daarom is verzocht.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in het verzoek om advies de commissie een langere
                                termijn dan genoemd in lid 1 van dit artikel geven voor het
                                uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                afdoening van de aanvraag om een omgevingsvergunning langer is dan
                                de in artikel 3.9, eerste lid van de Wat algemene bepalingen
                                omgevingsrecht genoemde termijn van acht weken.</al></li></lijst><al>Artikel 9.7 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid
                                van de commissie is openbaar. De agenda voor de vergadering van de
                                commissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege
                                uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel
                                op een andere geschikte wijze. Indien het college - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doet tot niet-openbare
                                behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op
                                grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten
                                grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om vergunning heeft
                                verzocht, wordt deze door of namens de commissie in staat gesteld
                                tot het geven van een toelichting op het bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld</al></li><li nr="4."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college van
                                burgemeester en wethouders in een bijzonder geval aan die
                                belanghebbenden in toelichtende zin spreekrecht is toegekend.</al></li></lijst><al>Artikel 9.8 Afdoening onder verantwoordelijkheid</al><lijst><li nr="1."><al>De commissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in
                                afwijking van artikel 9.3, onder verantwoordelijkheid van de
                                commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden.
                                Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen
                                waarvan volgens hen het oordeel van de commissie als bekend mag
                                worden verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de
                                commissie.</al></li></lijst><al>Artikel 9.9 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </al><lijst><li nr="1."><al>De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het
                                college gevoegd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.10 Afwijkingsbevoegdheid van het college</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan afwijken van een advies van de commissie.</al></li><li nr="2."><al>Het besluit van het college op aanvragen om een omgevingsvergunning
                                als bedoeld in artikel 2, eerste lid, waarbij van het advies van de
                                commissie wordt afgeweken, is ten aanzien daarvan goed gemotiveerd
                                en wordt schriftelijk aan de commissie medegedeeld.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                        voorschriften</al><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al>(vervallen)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                        terreinen</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van
                                bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening gemeente Oisterwijk 2012, vastgesteld bij
                                raadsbesluit d.d. 5 april 2012.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening gemeente
                                Oisterwijk 2015'.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><divisie><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als bedoeld
                            in artikel 2.1.3 van de bouwverordening</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                            als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Funderingsplan</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Constructieve en aanverwante gegevens</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bouwveiligheidsplan</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Eisen ten aanzien van tekeningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eisen ten aanzien van berekeningen</titel></kop><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 2</al><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 3 </al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 4</al><al>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 5</al><al>Bijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen </al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 6</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 7</al><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 8</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 9</al><al>Reglement van orde van de commissie van advies (welstand)</al><al>Inhoud</al><al><vet>1.</vet><vet> Taakomschrijving commissie</vet></al><lijst><li nr="1.1."><al>Wettelijk verplichte taken</al></li><li nr="1.2."><al>Selectie commissieleden</al></li></lijst><al><vet>2.</vet><vet> Samenstelling commissie</vet></al><lijst><li nr="2.1."><al>De commissie</al></li><li nr="2.2."><al>Ontslag</al></li></lijst><al><vet>3.</vet><vet> Vergaderingen</vet></al><lijst><li nr="3.1."><al>Frequentie van vergaderen en werkwijze</al></li><li nr="3.2."><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al></li><li nr="3.3."><al>Externe deskundigen</al></li></lijst><al><vet>4.</vet><vet> Besluitvorming</vet></al><al>4.1.Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al><vet>5.</vet><vet> Afwijking van het welstandsadvies, afwijken van de
                            criteria</vet></al><lijst><li nr="5.1."><al>Afwijken van het advies op inhoudelijke grond/second opinion</al></li><li nr="5.2."><al>Afwijken van het advies om andere redenen</al></li><li nr="5.3."><al>Afwijken van de criteria</al></li></lijst><al><vet>6.</vet><vet> Verantwoording</vet></al><lijst><li nr="6.1."><al>Jaarlijkse verantwoording</al></li><li nr="6.2."><al>Verslag college aan de raad</al></li></lijst><al><vet>7.</vet><vet> Onvoorziene gevallen</vet></al><al><vet>8.</vet><vet> Toezicht</vet></al><al><vet>1.</vet><vet> Taakomschrijving commissie</vet></al><al><onderstreept>1.1.</onderstreept><onderstreept> Wettelijk verplichte
                            taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1.1.1."><al>De commissie van advies is een welstandscommissie als bedoeld in
                                artikel 1 van de Woningwet juncto artikel 6.2 van het Besluit
                                omgevingsrecht (BOR) en brengt op basis hiervan advies uit aan het
                                college ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing
                                van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag voor een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die
                                hiervoor zijn opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr="1.1.2."><al>De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor
                                van de door haar verrichte werkzaamheden.</al></li><li nr="1.1.3."><al>Aanvragen om omgevingsvergunning worden in de regel binnen twee
                                weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</al></li></lijst><al><onderstreept>1.2.</onderstreept><onderstreept> Selectie
                            commissieleden</onderstreept></al><al>1.2.1.De leden van de commissie worden geselecteerd op de noodzakelijk
                        geachte deskundigheid en zijn onafhankelijk.</al><al><vet>2.</vet><vet> Samenstelling commissie</vet></al><al><onderstreept>2.1 </onderstreept><onderstreept> De
                        commissie</onderstreept></al><al>2.1.1 De commissie kan bestaan uit (een lid van) de monumentencommissie, een
                        stedenbouwkundig supervisor en/of uit een projectgebonden
                        supervisieteam.</al><al>2.1.2 De leden van de commissie mogen geen deel uitmaken van en niet
                        werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van één van de bestuursorganen van
                        de gemeente Oisterwijk. </al><al>2.1.3 In de commissie kan een ingezetene van buiten de gemeente Oisterwijk
                        zitting hebben.</al><al>2.1.4 De commissie kan worden bijgestaan door een door het college aan te
                        wijzen secretaris die geen stemrecht heeft.</al><al><onderstreept>2.2</onderstreept><onderstreept> Ontslag</onderstreept></al><al>2.2.2 Het college ontslaat de leden van de commissie: </al><lijst><li nr="a."><al>bij disfunctioneren;</al></li><li nr="b."><al>op hun verzoek. Het verzoek moet schriftelijk worden ingediend bij
                                het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="c."><al>wanneer zij door ziekten of gebreken blijvend ongeschikt zijn de
                                functie te vervullen;</al></li><li nr="d."><al>bij aanvaarding van een ambt of betrekking dat onverenigbaar is met
                                het lidmaatschap van de commissie welstand en monumenten;</al></li><li nr="e."><al>wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
                                wegens misdrijf zijn veroordeeld, dan wel door uitspraak wegens
                                misdrijf zijn veroordeeld, dan wel bij uitspraak een maatregel is
                                opgelegd, die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;</al></li><li nr="f."><al>wanneer zij bij rechterlijke uitspraak onder curatele zijn gesteld,
                                in staat van faillissement zijn verklaard, surseance van betaling
                                hebben verkregen of wegens schulden zijn gegijzeld.</al></li></lijst><al>2.2.3 Voor leden die tussentijds aftreden worden plaatsvervangers benoemd
                        tot het moment waarop het college over hun aanstelling heeft beslist.</al><al>2.2.4 Het ontslag van een lid van de commissie op eigen verzoek gaat een
                        maand na ontvangst van het schriftelijk verzoek aan het college in of zoveel
                        eerder als een opvolger is benoemd.</al><al><vet>3.</vet><vet> Vergaderingen</vet></al><al><onderstreept>3.1.</onderstreept><onderstreept> Frequentie van vergaderen en
                            werkwijze</onderstreept></al><lijst><li nr="3.1.1."><al>De frequentie van vergaderen is afhankelijk van (de omvang van) het
                                project waarvoor de betreffende commissie is samengesteld en het
                                aantal (te verwachten) aanvragen om omgevingsvergunning.</al></li><li nr="3.1.2."><al>De welstandsprocedure begint met een selectie van aanvragen om
                                omgevings-vergunning. Team Vergunningen toetst een bouwplan eerst
                                aan de voorschriften van het bestemmingsplan en de bouwverordening.
                                Ten behoeve van de welstandstoets beoordeelt de ambtenaar of het
                                bouwplan is voorzien van de benodigde bescheiden om het te kunnen
                                toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is vastgelegd in de Ministeriële
                                regeling omgevingsrecht (Mor).</al></li></lijst><al>3.1.3 De vergaderingen van de commissie zijn openbaar. De voorzitter kan
                        besluiten om vooraf aan de openbare vergadering zaken voor te bespreken
                        achter gesloten deuren.</al><al>3.1.4 De voorzitter kan besluiten achter gesloten deuren te vergaderen
                        wanneer hier zwaarwichtige redenen aan ten grondslag liggen. Een besluit
                        hiertoe dient, voorafgaande aan de behandeling van het desbetreffende
                        agendapunt, door de meerderheid van het aantal aanwezige leden te worden
                        genomen. Het college is te allen tijde gerechtigd de besloten vergaderingen
                        als toehoorder bij te wonen. </al><al>3.1.5 De voorzitter kan omtrent het in een besloten vergadering behandelde
                        en omtrent de inhoud van de stukken, die aan de commissie welstand en
                        monumenten worden overgelegd, geheimhouding opleggen (artikel 86
                        Gemeentewet). Geheimhouding wordt zowel door de leden, die bij de
                        behandeling aanwezig waren, als eventueel tot de vergadering toegelaten
                        personen, in acht genomen tot de voorzitter de geheimhouding opheft.</al><al>3.1.6 De besluiten die het college van burgemeester en wethouders naar
                        aanleiding van de adviezen van de commissie welstand en monumenten neemt
                        worden zo spoedig mogelijk aan de commissie medegedeeld. </al><al><onderstreept>3.2.</onderstreept><onderstreept> Openbaarheid van vergaderen
                            en mondelinge toelichting</onderstreept></al><lijst><li nr="3.2.1."><al>De vergaderingen van de commissie welstand en monumenten zijn
                                openbaar. Indien het college - al dan niet op verzoek van de
                                aanvrager - een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan
                                dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10
                                van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                                de adviezen.</al></li><li nr="3.2.2."><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning hierom bij het
                                indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning heeft verzocht,
                                wordt deze door of namens de commissie in staat gesteld tot het
                                geven van een toelichting op het bouwplan. De aanvrager van de
                                omgevingsvergunning dient hiervoor een uitnodiging te ontvangen voor
                                de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                behandeld.</al></li><li nr="3.2.3."><al>Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij door het college in
                                een bijzonder geval aan die belanghebbenden in toelichtende zin
                                spreekrecht is toegekend.</al></li></lijst><al><onderstreept>3.3</onderstreept><onderstreept> Externe
                            deskundigen</onderstreept></al><al>3.3.1.De voorzitter is bevoegd, uit eigen beweging of daartoe uitgenodigd
                        door de commissie, ambtenaren, adviseurs en/of deskundigen te horen en/of in
                        te schakelen, echter onder de voorwaarde dat toestemming van het college
                        nodig is indien hieraan kosten voor de gemeente zijn verbonden.</al><al><vet>4.</vet><vet> Besluitvorming</vet></al><al><onderstreept>4.1.</onderstreept><onderstreept> Vorm waarin het advies wordt
                            uitgebracht</onderstreept></al><lijst><li nr="4.1.1."><al>De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk.</al></li><li nr="4.1.2."><al>Met betrekking tot aanvragen om omgevingsvergunning brengt de
                                commissie heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan het
                                college, over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een
                                bouwwerk, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                                verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke
                                eisen van welstand” (art. 12, lid 1 van de Woningwet). Dit wordt
                                beoordeeld aan de hand van de criteria die daartoe door de
                                gemeenteraad zijn vastgesteld.</al></li><li nr="4.1.3."><al>Een welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben:</al></li><li nr="-"><al><cursief>Voldoet</cursief> De commissie is van oordeel dat het plan
                                volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is
                                met redelijke eisen van welstand. Desgewenst motiveert de commissie
                                haar advies schriftelijk. </al></li><li nr="-"><al><cursief>V</cursief><cursief>oldoet mits</cursief> (<cursief>voldoet
                                    niet tenzij</cursief>) De commissie is van oordeel dat het plan
                                op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria, tenzij tegemoet
                                gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De
                                commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan
                                bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt,
                                krijgt de aanvrager voor zover dit nog past binnen de beschikbare
                                vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan
                                de bezwaarpunten tegemoet te komen. Het college kan ook besluiten om
                                de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen in de
                                omgevingsvergunning.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Voldoet niet</cursief> De commissie is van oordeel dat het
                                bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een negatief
                                standpunt houdt in dat indien het college het advies overneemt, het
                                bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de
                                commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke
                                motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende
                                plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria
                                en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die
                                punten.</al></li><li nr="-"><al><cursief>Aanhouden</cursief> De commissie kan het advies aanhouden -
                                waarbij team Vergunningen aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is
                                binnen de resterende vergunningstermijn - wanneer meer informatie of
                                een nadere toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk
                                is.</al></li></lijst><al><vet>5.</vet><vet> Afwijken van het welstandsadvies, afwijken van de
                            criteria</vet></al><al>Het college volgt in het oordeel in principe het advies van de commissie.
                        Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: </al><al>Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de
                        commissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het beleid,
                        zal zij het college in haar advies daarover informeren.</al><al><onderstreept>5.1.</onderstreept><onderstreept> Afwijken van het advies op
                            inhoudelijke grond / second opinion</onderstreept></al><al>Het college kan op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de
                        commissie indien het college tot het oordeel komt dat de commissie de van
                        toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie
                        naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien het college
                        bij een aanvraag om omgevingsvergunning op inhoudelijke grond tot een ander
                        oordeel komt dan de commissie, vraagt het college voordat het besluit op de
                        vergunningaanvraag wordt genomen, maar binnen de daarvoor geldige
                        afhandelingtermijn, een second opinion aan bij een andere adviescommissie.
                        Het advies van deze commissie speelt een zware rol bij de verdere
                        oordeelsvorming van het college. Indien het advies van de reguliere
                        commissie en de second opinion tegengesteld zijn en het college op
                        inhoudelijke grond afwijkt van het advies van de reguliere commissie wordt
                        dit in de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning gemotiveerd. De
                        reguliere commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al><al><onderstreept>5.2.</onderstreept><onderstreept> Afwijken van het advies om
                            andere redenen</onderstreept></al><al>Het college krijgt volgens artikel 2.10 lid 1 d van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een
                        bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te
                        verlenen indien het college van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn,
                        bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt
                        in de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning gemotiveerd. De
                        commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Het college zal uiterst
                        terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke
                        kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of
                        maatschappelijke belangen. </al><al><onderstreept>5.3.</onderstreept><onderstreept> Afwijken van de
                            criteria</onderstreept></al><al>De commissie kan bij haar advisering afwijken van het welstandsbeleid. Dit
                        kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij
                        plannen die weliswaar niet voldoen aan enige gebiedsgerichte of
                        objectgerichte welstandscriteria maar wel aan redelijke eisen van welstand,
                        dit te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria. Deze
                        afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning
                        eveneens gemotiveerd.</al><al><vet>6.</vet><vet> Verantwoording</vet></al><al><onderstreept>6.1.</onderstreept><onderstreept> Jaarlijkse
                            verantwoording</onderstreept></al><al>6.1.1.De commissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt:</al><al>• op welke wijze toepassing is gegeven aan de criteria uit de welstandsnota; </al><al>• de aard van de beoordeelde plannen en </al><al>• het aantal uitgebrachte adviezen.</al><al>De commissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het
                        gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing
                        van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al><onderstreept>6.2.</onderstreept><onderstreept> Verslag college aan de
                            raad</onderstreept></al><al>6.2.1.Het college legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor
                        waarin zij uiteenzetten:</al><al>• op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de commissie;</al><al>• in welke gevallen waarin niet is of wordt voldaan aan artikel 12, eerste
                        lid, zij zijn overgegaan tot oplegging van een last onder bestuursdwang of
                        oplegging van een last onder dwangsom.</al><al><vet>7.</vet><vet> Onvoorziene gevallen</vet></al><al>In alle aangelegenheden betreffende de commissie waarin dit reglement niet
                        voorziet, alsmede bij gerezen geschillen aangaande voornoemde commissie,
                        beslist het college, de commissie gehoord. </al><al><vet>8.</vet><vet> Toezicht</vet></al><al>Het college is belast met het toezicht op het functioneren van de commissie.
                        De commissie verstrekt alle door het college verlangde inlichtingen
                        betreffende haar werkzaamheden. </al><al>Bijlage 10</al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 11</al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 12 </al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</al><al>(vervallen)</al><al>Bijlage 13 Kaart grens bebouwde kom</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 1</titel></kop><al>Toelichting verordening</al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen.</al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    b)</al><al>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    d)</al><al>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    e)</al><al>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, lid 2)</al><al>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><tussenkop>Binnen de bebouwde kom</tussenkop><al>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><tussenkop>Buiten de bebouwde kom</tussenkop><al>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen. Maximum
                    bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief 2).</al><tussenkop>Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</tussenkop><al>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21, tweede lid,
                    eerste alinea)</al><al>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20, tweede lid,
                    tweede alinea)</al><al>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn (artikelen
                    2.5.22)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2</titel></kop><tussenkop>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</tussenkop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 bij de toelichting op de bouwverordening</titel></kop><al>Maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op
                    de brandveiligheid</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4</titel></kop><al>Stroomschema aanvraag gebruiksvergunning</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 5</titel></kop><al>Activiteiten samenhangende met slopen en bedreigingen</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6</titel></kop><al>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van de
                    opsteller van het sloopveiligheidsplan</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 7 </titel></kop><al>Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 8</titel></kop><al>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</al><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 9</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                        vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de bouwverordening</titel></kop><tussenkop>1 Inleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Regeling omgevingsrecht (Mor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    vervalt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab). Hiervoor
                    komt in de plaats de Regeling omgevingsrecht (Mor). Hierin staan de
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.</al><al>Besluit omgevingsrecht (Bor)</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) vervalt
                    het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken
                    (Bblb). De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken verdwijnt geheel.
                    De vergunningvrije bouwwerken staan in bijlage II van het Bor.</al><al>Bevoegd gezag</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    is in de bouwverordening waar nodig ‘burgemeester en wethouders’ gewijzigd in
                    ‘bevoegd gezag’ en is in artikel 1.1 de begripsomschrijving voor bevoegd gezag
                    opgenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van de tekst van het gewijzigde artikel 1,
                    eerste lid, onderdeel e van de Woningwet. De bevoegdheden voor het verlenen,
                    wijzigen en intrekken van vergunningen, als bedoeld in de bouwverordening,
                    blijven gelijk. De meldingen vallen buiten de reikwijdte van de Wabo. Dit
                    betekent dat de sloopmelding in hoofdstuk 8 van de bouwverordening niet wordt
                    afgestemd met de Wabo. De diverse meldingen en mededelingen aan het
                    bouwtoezicht, die moeten worden gedaan door de vergunninghouder, of namens deze
                    door degene die bouwt of sloopt, blijven eveneens ongewijzigd. De melding in het
                    kader van het Gebruiksbesluit wordt gedaan bij het bestuursorgaan waar de
                    aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend. In het geval dit bestuursorgaan
                    niet burgemeester en wethouders is, zendt het bestuursorgaan de melding door
                    naar het bevoegd gezag.</al><al>Besluit indieningsvereisten</al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                    inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en
                    gewijzigd bij Stb. 2005, 368). Gemeenten mogen zelf geen (aanvullende) eisen
                    meer stellen aan een aanvraag om bouwvergunning. In dit besluit is voorts de
                    opsomming van door burgemeester en wethouders in het register aan te tekenen
                    gegevens overgeheveld van de wetstekst zelf naar dit besluit.</al><al>Besluit bouwwerken</al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                    wetstekst zelf naar dit besluit (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003, 315
                    en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van de
                    mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                    uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                    zijn. </al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                    bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                    licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder de
                    Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al><al>Bouwbesluit 2012</al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2011, 416 en Stb. 2011, 676). In dit besluit zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                    opgenomen.</al><al>Bouwtoezicht</al><al>De Woningwet geeft in artikel 92 expliciet de opdracht aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Woningwet. Op grond
                    van artikel 5.10, lid 3 Wabo wijzen burgemeester en wethouders ambtenaren aan
                    die belast zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens hoofdstuk I tot en met III van de Woningwet.</al><al>Artikel 5.10 Wabo heeft betrekking op alle vormen van toezicht (op rijks-,
                    provinciaal en gemeentelijk niveau). Alle bestuurslagen kunnen in beginsel
                    bevoegd gezag zijn onder de Wabo. Dit werkt ook door in de
                    toezichtsbevoegdheden. Ook ambtenaren op provinciaal of op rijksniveau kunnen
                    onder omstandigheden als “bouwtoezicht” worden aangemerkt.</al><al>De Wabo is, zoals de Woningwet dit al vele jaren is, een lex specialis ten
                    opzichte van de Awb. De Wabo-toezichthouders moeten ambtenaren zijn, zoals dit
                    ook het geval is met de Woningwet. De ingehuurde toezichthouders die geen
                    ambtenaar zijn, zijn onrechtmatig aangewezen. Zij verrichten hun werkzaamheden
                    voor de gemeente onrechtmatig, wat consequenties heeft voor hun bevoegdheden,
                    het bewijsrecht e.d. </al><al>Artikel 1.2, lid 1, onder g van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de
                    Uitwerkings-overeenkomst (CAR-UWO) maakt het echter mogelijk om toezichthouders
                    die aangesteld moeten zijn als ambtenaar om hun toezichthoudende taken te mogen
                    uitoefenen, onbezoldigd aan te stellen zonder dat de CAR-UWO op hen van
                    toepassing wordt. Op basis daarvan kunnen gemeenten dus toezichthouders inhuren
                    via particuliere bureaus en aanstellen als onbezoldigd ambtenaar.</al><al>De toezichthouder kan een aanstelling als buitengewoon opsporingsambtenaar
                    krijgen, als deze voldoet aan de daartoe gestelde eisen. </al><al>Bouwwerk en gebouw</al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de als
                    bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                    bepaald door de begripsomschrijving in de MBV en de jurisprudentie.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                    bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1
                    van de Woningwet.</al><al>Vergunningvrij bouwen</al><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                    staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                    gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de volgende
                    onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een activiteit,
                            zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of vergunningplichtig;</al></li><li nr="-"><al>De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder verruimd
                            waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden onderscheiden: 1.
                            een categorie waarop de bebouwingsregeling van het bestemmingsplan of de
                            beheersverordening (of andere planologische regelingen) wel van
                            toepassing is (art. 3) en 2. een categorie waarop de bebouwingsregeling
                            van het planologisch regime niet van toepassing is. Een en ander hangt
                            samen met het in de Wabo opgaan van planologische
                            afwijkingsbesluiten;</al></li><li nr="-"><al>Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden onder
                            een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht;</al></li><li nr="-"><al>Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was alleen
                            bij woningen en woongebouwen);</al></li><li nr="-"><al>Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan- of
                            uitbouw;</al></li><li nr="-"><al>Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Sinds 1 juli 2008 geldt de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In afwijking van de
                    daarvoor geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) moet op grond van de
                    nieuwe wet ook een bestemmingsplan worden vastgesteld voor de bebouwde kom.</al><al>Ook bestaat de mogelijkheid een beheersverordening vast te stellen, indien voor
                    het betreffende gebied geen grote veranderingen worden verwacht. Een
                    beheersverordening vervangt een bestemmingsplan. Op grond van overgangsrecht
                    dient uiterlijk op 1 juli 2013 een bestemmingsplan nieuwe stijl of
                    beheersverordening te gelden voor alle gebieden van de gemeente.</al><al>De bouwverordening voorziet in hoofdstuk 2 in de stedenbouwkundige bepalingen
                    voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt. Artikel 9 van de Woningwet bevat
                    een afstemmingsregeling tussen bestemmingsplan en bouwverordening. Zolang geen
                    bestemmingsplan of beheersverordening voor de bebouwde kom van kracht is, kan
                    het oude artikel 1.3 worden gehandhaafd. Het vaststellen van een bestemmingsplan
                    voor de bebouwde kom kan gevolgen hebben voor dit artikel en de daarop
                    gebaseerde kaartbijlagen. Wanneer voor de bebouwde kom een bestemmingsplan wordt
                    vastgesteld, dient te worden bezien of en in hoeverre artikel 1.3 van de
                    bouwverordening daarop moet worden afgestemd of wellicht overbodig is
                    geworden.</al><tussenkop>2 Omgevingsvergunning voor het bouwen</tussenkop><al>Algemeen</al><tussenkop>Regeling omgevingsrecht.</tussenkop><al>In hoofdstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben op
                    de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen. De indieningsvereisten
                    staan in de Regeling omgevingsrecht. Deze Regeling vervangt het Besluit
                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.</al><tussenkop>Wet BIBOB</tussenkop><al>De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (BIBOB),
                    Stb. 2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                    1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Deze wet houdt in dat na
                    ontvangst van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, door het
                    bevoegd gezag wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitadvies
                    wordt gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                    van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                    aanvrager -zowel natuurlijke als rechtspersonen- en naar de herkomst van de
                    gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies kan voor
                    het bevoegd gezag aanleiding zijn de omgevingsvergunning te weigeren.</al><al>Het vragen van een advies door het bevoegd gezag is facultatief. Indien een
                    advies bij het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de
                    behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen met
                    maximaal acht weken op.</al><tussenkop>Awb</tussenkop><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft algemene regels voor het rechtsverkeer
                    tussen burger en overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de
                    overheid is in de Awb opgenomen. De Awb is bij de voorbereiding van besluiten
                    van belang voor de te volgen procedure. Dit geldt onder meer voor de gevallen
                    waarin Afdeling 3.4 over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van
                    toepassing is.</al><tussenkop>Wro</tussenkop><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter vervanging
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Beoogd was om met de invoering van
                    de Wro de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening, inclusief de
                    regeling betreffende het parkeren, geleidelijk zijn werkingskracht te laten
                    verliezen. Met de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) werd
                    aanvankelijk de mogelijkheid om stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de
                    bouwverordening geschrapt. Hiervan werd in eerste instantie afgezien omdat
                    destijds te veel vragen bestonden of en over de wijze waarop het parkeren in het
                    bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. Dit betrof met name het
                    parkeernormenartikel (2.5.30). </al><al>De betreffende bepaling uit de Invoeringswet is nooit inwerking getreden. Het
                    geleidelijk laten verliezen van de werkingskracht van de stedenbouwkundige
                    voorschriften uit de bouwverordening is echter op 29 november 2014 door de
                    Reparatiewet BZK 2014 geregeld door een aantal wijzigingen in de Woningwet. Zie
                    hiervoor de toelichting bij paragraaf 2.5.</al><al>Op 1 november 2014 is het ‘Besluit tot wijziging diverse algemene maatregelen
                    van bestuur in verband met permanent maken Crisis- en herstelwet’
                    (Wijzigingsbesluit) in werking getreden (Stb. 2014, 333) . Hierdoor werd het
                    Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. Daarin werd (de reeds bestaande
                    mogelijkheid) expliciet vastgelegd om ‘interpreterende’ beleidsregels vast te
                    stellen voor de uitoefening van een bevoegdheid in een bestemmingsplan. Deze
                    mogelijkheid kan worden gebruikt bij het regelen van het ‘parkeren’ in het
                    bestemmingsplan.</al><al>Artikel 3.1.2 Bro maakt duidelijk dat een bestemmingsplan regels kan bevatten
                    waarvan de uitleg bij het gebruik van een bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld
                    van later vast te stellen beleidsregels. Deze bepaling is toegevoegd om buiten
                    twijfel te stellen dat net als in een ‘gewone’ verordening ook in een
                    bestemmingsplan regels kunnen worden gesteld die een zekere interpretatieruimte
                    laten die later aan de hand van beleidsregels kan worden ingevuld. Hierbij is
                    echter wel de nodige voorzichtigheid geboden, gelet op de vereiste
                    rechtszekerheid in de bestemmingsplanjurisprudentie: de bestemmingsplanregels
                    moeten voldoende concreet zijn.</al><al>Met de wijziging van het Bro wordt tegemoet gekomen aan de wens uit de praktijk
                    om de in een bestemmingsplan op te nemen parkeernorm via beleidsregels verder
                    uit te werken en om te kunnen (blijven) werken met een parkeerfonds, net zoals
                    dat nu gebeurt via de regeling in de bouwverordening. </al><al>Bij het opnemen van een parkeernormenregeling in een bestemmingsplan kan gewerkt
                    worden met de mogelijkheid om af te wijken van een parkeereis door het verlenen
                    van een (binnenplanse) omgevingsvergunning. Dan wordt aan een voorwaardelijke
                    verplichting een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid verbonden waaraan
                    voorwaarden worden verbonden. Bijvoorbeeld dat van een gestelde parkeereis op
                    eigen terrein kan worden afgeweken indien de parkeerbehoefte elders kan worden
                    opgevangen. Veel gemeenten werken al met een parkeerfonds. Die praktijk kan op
                    deze wijze, ook bij een parkeernormenregeling die is opgenomen in een
                    bestemmingsplan, worden gecontinueerd.</al><al>In het Wijzigingsbesluit is niet expliciet voorzien in de mogelijkheid
                    zogenoemde voorwaardelijke verplichtingen in een bestemmingsplan op te kunnen
                    nemen omdat het werken met voorwaardelijke verplichtingen in een bestemmingsplan
                    inmiddels gemeengoed is geworden. De mogelijkheid om hiermee te werken is
                    inmiddels in een ruime hoeveelheid jurisprudentie bevestigd.</al><al>Nu duidelijk is dat een regeling over het parkeren ook in het bestemmingsplan
                    kan worden opgenomen, en de grondslag in de Woningwet voor de stedenbouwkundige
                    bepalingen in de bouwverordening door de Reparatiewet BZK 2014 definitief is
                    weggenomen (zie de toelichting bij paragraaf 2.5), zullen de stedenbouwkundige
                    voorschriften uit de bouwverordening, net als andere delen van de
                    bouwverordening, geleidelijk via overgangsrecht ‘uitsterven’. Daarmee zal de
                    bouwverordening als instrument op termijn verdwijnen.</al><al>Het is dan ook raadzaam voor gemeenten om ervoor te zorgen dat de
                    stedenbouwkundige regelingen en dan met name de parkeernormenregeling uit de
                    bouwverordening voor 1 juli 2018 worden ondergebracht in de bestemmingsplannen
                    binnen de gemeente. Informatie over de manier waarop dat kan kunt u vinden via
                    Platform31 ( www.platform31.nl ) of Rho (www.rho.nl). Zie bijvoorbeeld het
                    supplement ‘Op Dezelfde leest’: “Parkeren en bestemmingsplan” van 2011/2.</al><al>Voor nieuwe bestemmingsplannen hebben gemeenten echter geen tijd tot 1 juli 2018
                    om dit te regelen. Hier moet nu meteen al een keuze in het bestemmingsplan
                    gemaakt worden ten aanzien van de regeling van de nu vervallen onderwerpen in de
                    bouwverordening. Voor op korte termijn vast te stellen bestemmingsplannen
                    ontbreekt vaak de voorbereidingstijd daarvoor. Dit is met name het geval bij de
                    regeling van het parkeren. Vandaar dat een modelbepaling is ontworpen, die
                    vergelijkbaar is met de huidige parkeernormenbepaling in de bouwverordening en
                    die in het bestemmingsplan kan worden opgenomen. Deze is te vinden op de website
                    van Rho adviseurs: www.rho.nl. ‘Parkeernormregelingen’ zijn verder te vinden op
                    www.ruimtelijkeplannen.nl.</al><tussenkop>WOB en de openbaarheid van gegevens aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    bouwen</tussenkop><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ligt op grond van art.
                    3.8 Wabo voor een ieder ter inzage. Bij het indienen van een verzoek om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen kan de aanvrager gemotiveerd verzoeken
                    bepaalde gegevens niet openbaar ter inzage te leggen. De gegevens die op grond
                    van de Wabo ter inzage liggen zijn de zakelijke gegevens die nodig zijn bij de
                    beoordeling van het ingediende bouwplan.</al><al>De gegevens die de gemeente inwint op grond van de Wet BIBOB liggen niet ter
                    inzage. Deze gegevens hebben een persoonlijk karakter. Zij betreffen de
                    antecedenten van de aanvrager, van degene die bouwt en van degene die in het te
                    bouwen bouwwerk bepaalde activiteiten onderneemt. Deze gegevens zijn gevoelig
                    voor misbruik en liggen niet ter inzage.</al><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) introduceert de
                    omgevingsvergunning. De bouwvergunning en de sloopvergunning op grond van
                    hoofdstuk 8 MBV maken deel uit van de omgevingsvergunning en worden in de MBV
                    aangeduid als omgevingsvergunning voor het bouwen (art. 2.1 Wabo) en
                    omgevingsvergunning voor het slopen (art. 2.2, lid 1, onder a. Wabo). De Wabo
                    heeft gevolgen voor de vergunningen en ontheffingen van de bouwverordening. De
                    MBV is met de 13e serie van wijzigingen zogenaamd Wabo-proof gemaakt. De
                    gefaseerde behandeling van een vergunningaanvraag en de vergunningverlening
                    zoals bekend onder de Woningwet, is ook onder de Wabo mogelijk ten aanzien van
                    de omgevingsvergunning.</al><tussenkop>Paragraaf 2.1 Gegevens en bescheiden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging</tussenkop><al>Inleiding</al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de MBV hebben tot doel te bevorderen dat
                    niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1 bevat het verbod tot
                    bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een uitvoerige toelichting
                    geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek wordt beschreven, de van
                    toepassing zijnde normen en de relatie wordt aangeduid met de voorschriften uit
                    de Woningwet en de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                    beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                    2.4.1. Beide toelichtingen dienen in combinatie met elkaar gelezen te
                    worden.</al><al>Lid 1</al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het milieuhygiënisch
                    bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt uitgevoerd - ook
                    wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                    onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het
                    vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie
                    onverdacht is, kan het bevoegd gezag op basis van het derde lid besluiten af te
                    wijken van de verplichting tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek.
                    Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                    bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                    onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                    beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                    wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de gemeente. De
                    mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog steeds als
                    dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente maakt bekend, bij
                    voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het aanvragen van een reguliere
                    bouwvergunning, dat en waar een dergelijke beoordeling kan plaatsvinden. Meestal
                    is dit een afdeling of dienst milieu of een intergemeentelijke milieudienst dan
                    wel een private organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde
                    werkzaamheden heeft uitbesteed.</al><al>Lid 2</al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op 1
                    januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting niet
                    voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang gelijk
                    te stellen was met meldingplichtig bouwen. </al><al>In het tweede lid van artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen
                    ten aanzien van het bouwen dat, hoewel vergunningplichtig, naar aard en omvang
                    gelijk te stellen is aan omgevingsvergunningsvrij bouwen als genoemd in het
                    Besluit omgevingsrecht. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen
                    van een tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in
                    deze gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                    aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                    toepassing zijn op aanvragen om een omgevingsvergunning het bouwen, namelijk in
                    het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk
                    vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van een
                    geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij genoemd artikel 52a,
                    eerste lid Woningwet).</al><al>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek is
                    vereist geen rol te spelen.</al><al>Lid 3</al><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen.</al><al>Lid 4</al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent niet dat in alle gevallen kan worden afgeweken van de plicht tot het
                    indienen van een onderzoeksrapport. De gemeente kan hiervoor beleid
                    ontwikkelen.</al><al>Lid 5</al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                    gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                    bouwvergunning</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                    woonwagens en standplaatsen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 2.2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</tussenkop><al>De toelichting bij deze artikelen vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                    bouwvergunningverlening</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen bodemonderzoek</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                    bouwvergunning</tussenkop><al>Hoofdstuk IV van de Woningwet is vervallen bij de Invoeringswet Wabo. Dit
                    betekent dat ook artikel 58 over de mededeling van een van rechtswege verleende
                    bouwvergunning is vervallen. Daarmee is de grondslag voor artikel 2.2.6
                    vervallen. Dit onderwerp is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo. </al><tussenkop>Paragraaf 2.3 Welstandstoetsing</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 2.4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                    gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op te
                    nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde lid
                    van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften
                    betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit
                    derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is
                    toegestaan.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort, staan
                    in de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li nr="-"><al>Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet een
                            onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd,
                            aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling omgevingsrecht.</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                            waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                            worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                            verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was getreden, en
                            die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden als bedoeld in
                            artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene bestuursrecht volgt
                            dat het bevoegd gezag wel gehouden is de volledigheid en actualiteit te
                            toetsen van de gegevens en bescheiden die de aanvrager niet bij de
                            aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in het bezit van het bevoegd gezag
                            zijn.</al></li><li nr="-"><al>Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                            bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan worden
                            opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de vergunningverlening,
                            wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb in de
                            gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr="-"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                            bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen dat
                            de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden verstrekt
                            voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt hierbij een
                            termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens en bescheiden
                            worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.</al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen in
                    deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid zijn
                    immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke grondslagen van
                    de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij de wetswijziging
                    vermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de uitgangspunten van de
                    Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften in de bouwverordening met
                    betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Dit in
                    tegenstelling tot de Wet bodembescherming waarbij het herstel van de functionele
                    eigenschappen van de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang. Deze
                    wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw- en
                    sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><tussenkop>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</tussenkop><al>De inhoud van dit artikel zal met de eerste wijziging (2013) van het Bouwbesluit
                    2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip
                    ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan
                    worden geconcretiseerd.</al><al>Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet
                    wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar
                    voor de gezondheid van personen ontstaat.</al><al>Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                    verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft
                    hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen
                    verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij
                    'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per
                    (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een
                    meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren
                    verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6)
                    wordt naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning
                    (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend
                    of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><tussenkop>Bouwwerken die de grond niet raken</tussenkop><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><tussenkop>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                    bodemverontreiniging</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij
                    niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet
                    onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                    gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten die daartoe
                    zijn aangewezen volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien
                    van de te nemen saneringsmaatregelen.</al><tussenkop>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk?</tussenkop><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet
                    het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van
                    een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan
                    zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de
                    gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal
                    echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden
                    dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder
                    artikel 2.4.2 van de MBV.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</tussenkop><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het
                    bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad,
                    zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak
                    van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het
                    verontreinigingprobleem kan worden ondervangen.</al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                    verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor
                    het bouwen.</al><al>In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven
                    worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de
                    bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende
                            laag wordt aangebracht;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                            afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al></li><li nr="-"><al>de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                            wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van
                            het bouwwerk in stand wordt gehouden.</al></li></lijst><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                    verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.
                    Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de
                    aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem
                    tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. </al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                    bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan.</al><tussenkop>Paragraaf 2.5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 29 november 2014 is de zogenaamde ‘Reparatiewet BZK 2014’ in werking getreden
                    (Stb. 2014, 458). De Reparatiewet nam onder meer de wettelijke grondslag weg
                    voor de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (artikel 8 lid 5, 9
                    en 10 Woningwet en artikel 8.17 onder B IWro zijn komen te vervallen). </al><al>De Reparatiewet BZK 2014 regelde verder dat gemeenten de stedenbouwkundige
                    bepalingen uit hun bouwverordening voor 1 juli 2018 moeten hebben opgenomen in
                    bestemmingsplannen of beheersverordeningen (artikel 133 Woningwet werd
                    toegevoegd). Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de
                    bouwverordening geleidelijk via overgangsrecht zullen ‘uitsterven’. Daarmee zal
                    de bouwverordening als instrument op termijn verdwijnen.</al><tussenkop>Overgangsregeling </tussenkop><al>Er geldt een overgangstermijn die loopt tot 1 juli 2018. Dat is geregeld in
                    artikel 133 Woningwet. Vanaf die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen
                    in de bouwverordening van rechtswege hun (aanvullende) werking voor bestaande
                    bestemmingsplannen en beheersverordeningen, kunnen deze niet meer als vangnet
                    dienen en moeten deze (en met name de parkeernormenbepaling) zijn ondergebracht
                    in het bestemmingsplan (of de beheersverordening). </al><al>Het nieuwe recht treedt echter al eerder in werking wanneer voor 1 juli 2018 een
                    (nieuw) bestemmingsplan (of beheersverordening) wordt vastgesteld.
                    Stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening zijn namelijk (ook van
                    rechtswege) niet meer van toepassing wanneer ontwerpbestemmingsplannen na 29
                    november 2014 (definitief) worden vastgesteld door de gemeenteraad.</al><al>Artikel 133 Woningwet regelt ook dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder
                    a, van de Wabo, ingediend voor 29 november 2014, alsmede op enig bezwaar of
                    beroep, ingesteld tegen een besluit over een dergelijke aanvraag, de artikelen
                    1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en
                    12, derde lid, zoals deze luidden op het tijdstip waarop de aanvraag werd
                    ingediend, van toepassing blijven.</al><tussenkop>Overigens </tussenkop><al>Het laten vervallen van de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening
                    is steeds de bedoeling van de wetgever geweest. Beoogd was om met de invoering
                    van de Wet ruimtelijk ordening (Wro) in 2008 de stedenbouwkundige voorschriften
                    uit de bouwverordening, inclusief de regeling betreffende het parkeren,
                    geleidelijk zijn werkingskracht te laten verliezen. Met de Invoeringswet Wet
                    ruimtelijke ordening (IWro) werd aanvankelijk de mogelijkheid om
                    stedenbouwkundige bepalingen op te nemen in de bouwverordening geschrapt.
                    Uiteindelijk werd hiervan afgezien omdat te veel vragen bestonden of en over de
                    wijze waarop het parkeren in het bestemmingsplan zou kunnen worden geregeld. De
                    betreffende bepaling is nooit inwerking getreden. De Reparatiewet 2014 regelde
                    dit dus alsnog op een iets andere manier.</al><al>Wat betekent dit voor de gemeente? </al><al>• Er is een overgangstermijn voor bestaande bestemmingsplannen tot 1 juli 2018.
                    Na die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening van
                    rechtswege hun (aanvullende) werking voor bestaande bestemmingsplannen, kunnen
                    deze niet meer als vangnet dienen en moeten deze (en met name de
                    parkeernormenbepaling) zijn ondergebracht in het bestemmingsplan. Dit kan
                    bijvoorbeeld door een paraplu bestemmingsplan. </al><al>• Wanneer de gemeenteraad een nieuw bestemmingsplan vaststelt, treedt de nieuwe
                    regeling in werking. Op dat moment zijn de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                    bouwverordening niet meer van toepassing. Dat kan dus al (ruim) eerder dan 1
                    juli 2018 het geval zijn. </al><al>• Tussen 29 november 2014 en 1 juli 2018 kunnen er dus twee regimes naast elkaar
                    bestaan: de regeling in de bouwverordening en (steeds meer)
                    bestemmingsplanregelingen. Het is zaak daar bij de beoordeling van aanvragen
                    omgevingsvergunningen goed rekening mee te houden. Dit blijkt immers niet uit de
                    tekst van deze regelingen zelf. Het verdient verder aanbeveling hierover in de
                    communicatie helderheid te geven.</al><tussenkop>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</tussenkop><al>Artikel 9 Woningwet is op 29 november 2014 komen te vervallen. De
                    overgangsregeling uit artikel 133 Woningwet regelt dat deze bepaling tot 1 juli
                    2018 onder bepaalde condities van toepassing kan blijven. Daarom wordt daar hier
                    kort op ingegaan.</al><al>Artikel 9 van de Woningwet luidde tot 29 november 2014 als volgt:</al><al>Artikel 9 </al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen
                            met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan blijven
                            eerstbedoelde voorschriften buiten toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De voorschriften van de bouwverordening blijven van toepassing indien
                            het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die
                            hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan
                            anders bepaalt.</al></li></lijst><al>Deze paragraaf van de MBV geldt tot 1 juli 2018 en alleen dan als er na 29
                    november 2014 geen bestemmingsplan is vastgesteld en indien er geen
                    bestemmingsplan voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                    niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht kan
                    worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                    eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                    gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende bestemmingsplan
                    exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. De Woningwet geeft wel enige
                    duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij het desbetreffende
                    bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het bestemmingsplan. De
                    Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat
                    dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het
                    geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot
                    geval bekeken moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                    stedenbouwkundige bepalingen (inclusief het afwijken hiervan) uit de
                    bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al><al>Zie in dit kader ook de uitspraak ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4647
                    (Zandvoort). Hierin wordt bepaald dat de bouwverordening slechts een aanvullende
                    werking heeft indien het bestemmingsplan geen voorschriften bevat die hetzelfde
                    onderwerp regelen. Het is niet zo dat de voorschriften van de bouwverordening
                    alleen buiten toepassing blijven indien het bestemmingsplan dat uitdrukkelijk
                    bepaalt.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de bouwverordening
                    wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden uitgevoerd: </al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften over een onderwerp dat ook in de
                            bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt het antwoord ontkennend, dan
                            dient vervolgens de vraag te worden gesteld,</al></li><li nr="b."><al>of het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                            aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                            gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord op
                            deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                            voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                            werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                            gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of nagenoeg
                            geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient aanvullende
                            werking van de bouwverordening alsnog op grond van artikel 9, eerste lid
                            van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><tussenkop>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</tussenkop><al>De Wro en het Bro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de bouwverordening. In
                    de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is hierop ingegaan.. </al><al>Hieronder wordt apart ingegaan op de verschillende stedenbouwkundige bepalingen.
                    Zoals gezegd, gelden deze bepalingen in steeds minder gevallen. Ze vervallen
                    namelijk van rechtswege wanneer een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of
                    (als dat niet gebeurt) per 1 juli 2018.</al><tussenkop>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige bepalingen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</tussenkop><al>De artikelen 6.30, lid 1, 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit
                    artikel. Vanaf de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is
                    de inhoud van artikel 2.5.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</tussenkop><al>Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het
                    bepaalde van artikel 2.5.3A. Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1
                    november 2008 is de inhoud artikel 2.5.3A van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop><al>Artikel 6.49 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.5.4 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin de
                    weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                    gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                    voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan verdient
                    het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld, aanwezig
                    is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><lijst><li nr="-"><al>bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een
                            afstand van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                            bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al></li><li nr="-"><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter
                            uit de as van de weg.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen gedefinieerd wordt als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn opgenomen.
                    Vergunningvrije bouwwerken worden niet getoetst aan het bestemmingsplan, zie
                    art. 3.25 Wro.</al><tussenkop>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Door de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                    mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige werken. In
                    onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de 'totaal- benadering' zoals die
                    ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit betekent dat een vergunningvrij
                    bouwwerk niet vergunningvrij is als het onderdeel uitmaakt van een
                    (meeromvattend) vergunningplichtig bouwplan. Deze 'totaal-benadering' houdt
                    echter niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                    onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                    samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie van
                    vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p. 18). De
                    redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen aan
                    een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet logisch om het verbod tot
                    overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. De
                    voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, onderdeel 7, van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kent betreft een uitbreiding van het
                    bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van de daar bedoelde veranderingen mag er
                    geen sprake zijn van een uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Elke vergroting
                    van een bouwwerk, waardoor een bestaande afwijking van de rooilijnvoorschriften
                    zou toenemen, blijft dus vergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                    bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen, als bedoeld
                    in artikel 3, onderdeel 7, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht kunnen
                    worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten,
                            plinten, enigszins uitstekende schoorsteenwanden en
                            hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                            mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden,
                            bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken,
                            dakgoten, uithangbordjes en kleine luifels. Indien uitsteeksels aan
                            gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden dan hiervoor onder 1
                            en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus in het algemeen
                            overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                            bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                            toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen
                            2.5.1 t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan
                            verdient het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen
                            met de tekst van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden)
                            onder tussenvoeging van de woorden ', te weten:'. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel 2.5.29
                    nog de mogelijkheid van afwijking voor het geval, dat er geen bestemmingsplan of
                    beheerverordening in voorbereiding is en geen van de omstandigheden als genoemd
                    in art. 3.3 Wabo aan de orde is.</al><al>Lid 1, ad b</al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen in
                    afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn als het gaat om het op eigen voorterrein plaatsen van
                    beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><tussenkop>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht. De vermelding van artikel 2, Bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht in artikel 2.5.9 is vooral van belang om het misverstand, dat de
                    bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd
                    zijn in artikel 2, Bijlage II, Besluit omgevingsrecht uit te sluiten.</al><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8.</al><tussenkop>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</tussenkop><al>Lid 4, onder a</al><al>Bij deze afwijking van het bouwverbod kan worden gedacht aan bijvoorbeeld
                    complexen van bij elkaar behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en
                    gevangenissen.</al><al>Lid 4, onder f</al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><al>Lid 4, onder g</al><al>Deze afwijking van het bouwverbod is in het algemeen van toepassing voor
                    gebouwen, die een ruim voorterrein vragen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Lid 1, onder a</al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><tussenkop>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Hoewel het begrip 'rooilijn' algemeen wordt gedefinieerd als 'de lijn die -
                    behoudens toegelaten afwijkingen - bij het bouwen aan de wegzijde
                    (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde (achtergevelrooilijn)
                    niet mag worden overschreden', is - om misverstand te voorkomen - een direct
                    verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat worden
                    als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van rijkswege
                    beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije bouwwerken bij
                    wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van artikel 5, Bijlage II van
                    het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><tussenkop>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                    aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel 2, Bijlage II
                    van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn. Ingeval deze
                    onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het niet logisch om
                    het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn hierop van toepassing
                    te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al><tussenkop>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent artikel
                    2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De vermelding
                    hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook
                    betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn, uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het verbod
                    de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht te worden
                    genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er aandacht aan te
                    besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                    bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                    bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                    omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met winkelbebouwing. </al><tussenkop>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</tussenkop><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                    'buitenruimte' in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots voldoen
                    aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                    voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen van
                    de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al>Lid 3 b, onder 1</al><al>Deze afwijkingsmogelijkheid is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al>Lid 3 b, onder 2</al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende 'uitloop' beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al>Lid 3 b, onder 3</al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><tussenkop>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                    bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                    laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven als
                    minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen worden
                    aangebracht.</al><al>Lid 2, onder a en b</al><al>Wanneer wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, moet onder meer
                    rekening worden gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele
                    dienstwoningen. Bovendien dient onderscheid te worden gemaakt tussen de
                    gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen
                    voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook
                    woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal minder ver
                    worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, dan in het andere
                    geval.</al><tussenkop>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. Het bevoegd gezag kan de
                    omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid,
                    indien de smalle open ruimte voldoende voor onderhoud bereikbaar is. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld gedacht worden aan een opening in de zijgevel van het gebouw.</al><tussenkop>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het recht
                    om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele beperkingen in
                    de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde voorschriften
                    spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een erfafscheiding is in
                    principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2, Bijlage II, Bor,
                    althans indien de daarin vermelde beperkingen ten aanzien van onder meer de
                    hoogtematen in acht worden genomen. Hogere erfafscheidingen vallen
                    vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en behoeven derhalve preventieve
                    toetsing aan de voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel
                    van de bouwverordening. Eventueel kan het bevoegd gezag op grond van het tweede
                    lid van laatstgenoemd artikel de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                    het verbod als bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het
                    bouwen van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een
                    terrein dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><tussenkop>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het vergunningplichtige bouwwerk en de
                    veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede lid ziet meer op de
                    openbare veiligheid. De ondergrondse hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor
                    elektriciteit als voor aardgas, olie, chemische producten e.d.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen in hoeverre het
                    bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                    toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd als
                    een verbod, waarvan eventueel kan worden afgeweken. Redenen om af te wijken
                    zullen in het algemeen zijn gericht zowel op de veiligheid van de gebruikers van
                    het bouwwerk als op het voorkomen van storingen in de goede werking van de
                    lijnen en leidingen ten gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het
                    bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het aanbeveling
                    om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn of de
                    hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                    opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                    Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30 meter,
                    dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met uitzondering van
                    bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een dergelijk
                    recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan geldt de daarin
                    vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een bestemmingsplan geen
                    betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones vastgelegd,
                    die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al><tussenkop>Besluit externe veiligheid buisleidingen</tussenkop><al>Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling
                    externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking
                    getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden
                    aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in
                    lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De besluiten gaan
                    voor op de gemeentelijke bouwverordening.</al><al>Het Bevb regelt onder andere dat de gemeenteraad er zorg voor draagt dat binnen
                    vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het Bevb een bestemmingsplan in
                    overeenstemming is met dit besluit. Wanneer de betreffende buisleidingen correct
                    in bestemmingsplannen zijn opgenomen, vervalt de werking van deze
                    stedenbouwkundige bepaling uit de bouwverordening. Voor niet in een
                    bestemmingsplan geregelde leidingen, blijft deze bepaling uiteraard onverkort
                    van kracht. Dit vloeit voort uit artikel 9 Woningwet. Zie hierover de algemene
                    toelichting bij paragraaf 5.</al><tussenkop>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van voorschriften
                    voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de afstanden tot
                    tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is aangegeven, dat het
                    stelsel alleen voor wvergunningplichtige bouwwerken is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook op
                    voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste fysische
                    gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is dan ook geen
                    onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in de
                    achtergevelrooilijn.</al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil van
                    eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare belemmeringhoeken
                    voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende
                    glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden
                    de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringhoek in een
                    stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste
                    glaslijn van het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                    bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is wel
                    gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde kom
                    (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten (belemmeringhoek:
                    maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij deze Toelichting
                    behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                    vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal een
                    tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende invloed op de
                    maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle gracht is dit echter
                    niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke onderbreking van een
                    voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de uitmonding van een dwarsweg
                    (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><tussenkop>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al>Lid 2</al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats van de
                    ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur 18).</al><al>Lid 4</al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie figuur 19.</al><al>Lid 2</al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al><tussenkop>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnen</tussenkop><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><tussenkop>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</tussenkop><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><tussenkop>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</tussenkop><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in het
                    hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen tot hun
                    goot.</al><tussenkop>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</tussenkop><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van 'straatpeil'.</al><tussenkop>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop><al>Ad a</al><al>De strekking van dit voorschrfit is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder e.</al><tussenkop>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><al>Wanneer gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheden uit dit lid dient
                    bijzondere aandacht te worden besteed aan het bepaalde in de artikel 2.5.2.
                    Daarbij kunnen ook welstandsoverwegingen worden betrokken.</al><al>Ad e, onder 1</al><al>Afgeweken zou kunnen worden wanneer het een gebouw betreft, dat aansluit bij
                    bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften hoger is dan
                    thans is toegelaten. Door de afwijking van de toegestane bouwhoogte kan dan een
                    gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                    beleid</tussenkop><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in relatie met de overige stedenbouwkundige afwijkingen
                    uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de in het
                    bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking en anderzijds de
                    afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 MBV
                    is te beschouwen als een bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook
                    de behoefte aan regels inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt
                    voorbereid. Bedoeld is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en
                    gebruiken te hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                    bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen van
                    toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                    projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                    bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van 3.9
                    Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                    aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren, maar er
                    voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd of
                    een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een dergelijke situatie
                    vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV, waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle besluiten de
                    eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                    onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                    planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis opgenomen dat het bouwplan
                    waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte 'in
                    overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                    afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                    structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                    bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                    zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                    ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                    bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                    Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de betekenis
                    die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt rekening gehouden
                    met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke en landschappelijke
                    waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                    hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante afstanden
                    treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                    ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                    Wabo.</al><tussenkop>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) behoort het onderwerp
                    parkeren te worden geregeld in de (nieuwe) bestemmingsplannen.</al><al>Op 29 november 2014 is daarom de grondslag voor de stedenbouwkundige bepalingen
                    in de bouwverordening, waaronder dit parkeerartikel, komen te vervallen. Artikel
                    133 Woningwet geeft gemeenten de mogelijkheid om ‘het parkeren’ tot 1 juli 2018
                    te regelen in het bestemmingsplan. Daarna (of al voor die tijd wanneer een nieuw
                    bestemmingsplan wordt vastgesteld,) komt dit artikel van rechtswege te
                    vervallen. Een uitgebreide toelichting hierover, staat bij paragraaf 2.5.</al><tussenkop>Parkeren in bestemmingsplannen </tussenkop><al>In nieuw vast te stellen bestemmingsplannen dient het parkeren meer te worden
                    geïntegreerd in het bestemmingsplan als geheel, bij de bestemmingskeuze en de
                    specifieke planregels. </al><al>Niettemin is het ook mogelijk om een aparte parkeernormenbepaling op te nemen in
                    de algemene planregels en daarbij te verwijzen naar beleidsregels. Dit is vooral
                    geschikt in standaardsituaties. </al><al>Gelet op de eenduidigheid van de regeling kan er desgewenst voor worden gekozen
                    om ook in bestaande bestemmingsplannen een dergelijke algemene
                    parkeernormenbepaling op te nemen door een partiële (paraplu)herziening van alle
                    bestaande bestemmingsplannen in de gemeente. </al><al>Wanneer men een dergelijke algemene parkeernormenbepaling opneemt in
                    bestemmingsplannen en men verwijst hierbij naar beleidsregels dan is het zaak
                    dat er beleidsregels zijn. Deze worden vastgesteld door BenW. </al><al>In deze beleidsregels kan worden verwezen naar de CROW parkeernormen (publicatie
                    noemen) en/of naar de nomen in het eigen beleid van de gemeente, bijvoorbeeld
                    neergelegd in een Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (GVVP). </al><al>Het is hoe dan ook verplicht de beleidsregels te publiceren. Dit kan op de
                    website van de gemeente. </al><al>Meer informatie over de wijze waarop ‘het parkeren’ kan worden geregeld in
                    bestemmingsplannen is te vinden bij Platform31 ( www.platform31.nl ) of Rho
                    (www.rho.nl). Zie bijvoorbeeld het supplement ‘Op Dezelfde leest’: “Parkeren en
                    bestemmingsplan” van 2011/2. Op de website van Rho adviseurs kan een
                    modelparkeernormenbepaling worden gevonden, waarin gebruik wordt gemaakt van de
                    mogelijkheid van beleidsregels (www.rho.nl </al><al>‘Parkeernormregelingen’ zijn verder te vinden op www.ruimtelijkeplannen.nl. </al><al>Voor het geval dat nog steeds in bestaande bestemmingsplannen wordt
                    teruggevallen op de bouwverordening volgt hieronder de toelichting op de
                    parkeerbepaling in de bouwverordening.</al><al>Lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te overvloedig
                    minimumaantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per bouwvergunning te
                    bepalen normstelling hangt af van onder meer de grootte van het gebouw, de
                    ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers, c.q. bewoners of
                    gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer en de frequentie
                    daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen, en de mogelijke
                    uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting wenselijk op het
                    voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is neergelegd het lokale
                    verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                    aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de bestemming
                    van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen
                    de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3, verkrijgbaar bij de Stichting
                    Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de
                    Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl).
                    Overigens kan een verantwoorde parkeernorm alleen per te verlenen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                    verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen een verantwoorde parkeernorm worden
                    bepaald. Bij de toepassing van het onderhavige lid is - op grond van
                    praktisch-bouwkundige overwegingen - enige flexibiliteit in elke vastgestelde
                    parkeernorm onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                    omgevingsvergunning voor het bouwen bij voorbeeld een afwijking naar boven van
                    10% als toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                    zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al>Lid 2</al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aan te
                    brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door alleen parkeervakken
                    met afmetingen voor het kleinste type personenauto te maken. Ook het Bouwbesluit
                    1992 sprak in het - niet in werking getreden - artikel 218, lid 1, over
                    'parkeerplaatsen van voldoende afmetingen'. Het Bouwbesluit 2003 laat regeling
                    van het onderhavige onderwerp geheel over aan bestemmingsplan en/of
                    bouwverordening. Een bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften
                    voor parkeervakken is de wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te
                    leggen van parkeerplaatsen voor rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al>In de praktijk is gebleken dat de minimale afmeting voor een parkeerruimte,
                    zoals die in de (model) bouwverordening is opgenomen, niet meer toereikend is.
                    Om te voorkomen dat dit in de periode tot 1 juli 2018 tot (parkeer)problemen kan
                    leiden zijn de minimale afmetingen van een parkeerruimte aangepast aan de
                    geldende CROW-normen.</al><al>Lid 3</al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                    parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak te
                    maken is onder meer bedoeld voor omgevingsvergunningplichtige verbouwingen van
                    winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kunnen daarbij financiële voorwaarden
                    worden gesteld.</al><tussenkop>Paragraaf 2.6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het bepaalde van paragraaf 2.6.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van
                    paragraaf 2.6 en die van de hierbij behorende bijlagen 10 tot en met 12 van
                    rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                    brandmeldinstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                    hulpverleningsdiensten</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 2.7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>Artikel 6.14 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop><al>Artikel 6.10, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><al>Artikel 6.10, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop><al>Artikel 6.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.4 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    riolering</tussenkop><al>Artikel 6.4 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.5 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van buitenriolering op erven en
                    terreinen</tussenkop><al>Artikel 6.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.6 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>Artikel 1.1, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 2.7.7 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>3 De melding</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 De wijze van melden</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Welstandscriteria</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                    van een bouwwerk</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</tussenkop><al>Dit artikel is vervallen, omdat de inhoud is geregeld in artikel 2.33 van de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>Artikel 1.23 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</tussenkop><al>Artikel 1.24 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.4 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                    van) de bouwwerkzaamheden</tussenkop><al>Artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.5 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                    onderzoekingen</tussenkop><al>De wijzigingen van de Woningwet die in werking treden met het Bouwbesluit 2012
                    maken het niet meer mogelijk deze eis in de bouwverordening op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</tussenkop><al>Artikel 8.7 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.7 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</tussenkop><al>Artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.8 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</tussenkop><al>Artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.9 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</tussenkop><al>De artikelen 8.2, 8.4, 8.5, 8.6 en 8.7 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit
                    artikel. Vanaf de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is
                    de inhoud van artikel 4.10 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.11 Bouwafval</tussenkop><al>De artikelen 8.8 en 8.9 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel. Vanaf
                    de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.11 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</tussenkop><al>Artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.12 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</tussenkop><al>De wijzigingen van de Woningwet die in werking treden met het Bouwbesluit 2012
                    maken het niet meer mogelijk deze eis in de bouwverordening op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</tussenkop><al>Artikel 1.25 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 4.14 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de nutsvoorzieningen
                    en het weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 5.1 Staat van open erven en terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</tussenkop><al>Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.1.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                    Brandblusvoorzieningen</tussenkop><al>De artikelen 6.30, lid 1, 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit
                    artikel. Vanaf de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is
                    de inhoud van artikel 5.1.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</tussenkop><al>Artikel 6.49 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.1.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 5.2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen in wier onderwerp door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het bepaalde van paragraaf 5.2.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van
                    paragraaf 5.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in gebouwen
                    niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                    kantoorgebouwen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallatie in
                    woongebouwen van bijzondere aard</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                    logiesverblijven en logiesgebouwen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidsinstallaties in
                    kantoorgebouwen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</tussenkop><al>Artikel 6.14 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</tussenkop><al>Artikel 6.10 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</tussenkop><al>Artikel 6.10, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</tussenkop><al>Artikel 6.18, lid 5 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.4 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                    riolering</tussenkop><al>Artikel 6.4 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.5 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                    en terreinen</tussenkop><al>Artikel 6.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.6 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net van de nutsvoorzieningen</tussenkop><al>Artikel 1.1, lid 1 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.3.7 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 5.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.4.1 Preventie</tussenkop><al>Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 5.4.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>6 Brandveilig gebruik</tussenkop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het bepaalde van hoofdstuk 6.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van
                    hoofdstuk 6 en die van de hierbij behorende bijlagen 2 tot en met 5 van
                    rechtswege vervallen. </al><tussenkop>Paragraaf 6.1 Gebruiksvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 6.2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                    brandgevaar</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 6.3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen
                    bij brand</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 6.4 Hinder in verband met de brandveiligheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>7 Overige gebruiksbepalingen</tussenkop><al>Algemeen</al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening voorschriften
                    bevat over het gebruik van woningen, andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw
                    zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in elk geval moeten
                    worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in de
                    bouwverordening worden geregeld over het gebruik. In artikel 122 van de
                    Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier
                    onderwerp door onder meer een algemene maatregel van bestuur wordt voorzien van
                    rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb.
                    2008, 327) voorziet in dit onderwerp. De overige gebruiksbepalingen staan in dit
                    hoofdstuk.</al><tussenkop>Paragraaf 7.1 Overbevolking en slaapplaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</tussenkop><al>Artikel 7.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.1.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</tussenkop><al>Artikel 7.18 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.1.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 7.2 Staken van het gebruik</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</tussenkop><al>Artikel 7.20 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.2.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                    aan hygiëne</tussenkop><al>Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.2.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 7.3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</tussenkop><al>Artikel 2.2, eerste lid van het Bor geeft de raad de mogelijkheid om van het in
                    dat artikel onder onderdeel a genoemde aantal personen af te wijken. De raad kan
                    indien afwijking van dit artikel is gewenst, een nieuw artikel 7.3.1
                    Vergunningsplicht nachtverblijf in de bouwverordening vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 7.3.2 Hinder</tussenkop><al>Artikel 7.15 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.3.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 7.4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                    Reinheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.4.1 Preventie</tussenkop><al>Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.4.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 7.5 Watergebruik</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</tussenkop><al>Artikel 7.17 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.5.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 7.6 Installaties</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</tussenkop><al>Artikel 1.16 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 7.6.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>8 Slopen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 8.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</tussenkop><al>De artikelen 1.25 en 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud
                    van artikel 8.1.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</tussenkop><al>Artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.1.6 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</tussenkop><al>Artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.1.7 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 8.2 Uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</tussenkop><al>Paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.2.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning </tussenkop><al>Artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.2.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Paragraaf 8.3 Verplichtingen tijdens het slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</tussenkop><al>Artikel 8.2 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.3.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                    bescheiden</tussenkop><al>Artikel 1.32 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.3.2 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</tussenkop><al>Artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.3.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</tussenkop><al>Artikel 1.33 van het Bouwbesluit 2012 voorziet in dit artikel. Vanaf de
                    inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.3.4 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                    asbest</tussenkop><al>De wijzigingen van de Woningwet die in werking treden met het Bouwbesluit 2012
                    maken het niet meer mogelijk deze eis in de bouwverordening op te nemen.</al><tussenkop>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                    tuinbouwkassen</tussenkop><al>De toelichting op dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Paragraaf 8.4 Vrij slopen</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</tussenkop><al>De artikelen 8.8 en 8.9 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel. Vanaf
                    de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud van
                    artikel 8.4.1 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>9 Het welstandstoezicht</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                    betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8, zesde
                    lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                    samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie.</al><tussenkop>Welstandscriteria en welstandsnota</tussenkop><al>Alleen als in een welstandsnota aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag een
                    vergunningplichtig bouwwerk beoordelen op aspecten van welstand en kan de
                    welstandscommissie hierover adviseren. Ook bouwwerken waarvoor geen
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, moeten aan minimale
                    welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen burgemeester
                    en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat 'in ernstige mate in strijd is
                    met redelijke eisen van welstand' aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
                    De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota zijn opgenomen. Zonder nota met
                    criteria is geen welstandstoezicht mogelijk.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in de
                    nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald dat deze
                    criteria 'zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene categorieën
                    bouwwerken en dat de criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een
                    bouwwerk is gelegen'. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend
                    deel van de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                    verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien van
                    de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in een
                    bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het kader van
                    landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of architectuurbeleid. De
                    bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de toekomst zullen in de meeste
                    gevallen de basis vormen voor een passend welstandsbeleid. In het ene gebied is
                    aanleiding om een behoudend beleid te voeren, in een ander gebied is juist
                    verandering en vernieuwing aan de orde. In het ene gebied is nauwelijks sprake
                    van ruimtelijke dynamiek en kan een terughoudend welstandsregime acceptabel
                    zijn, in een ander gebied gaat juist alles op de schop en is een intensieve
                    beïnvloeding van de ruimtelijke kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                    gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende gebied
                    een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de vaststellingsprocedure wordt
                    gevolgd.</al><al>Indien het bevoegd gezag de welstandscriteria in bijzondere gevallen buiten
                    toepassing laat als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                    afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door het
                    bevoegd gezag te worden gemotiveerd.</al><tussenkop>Relatie bestemmingsplan en welstand</tussenkop><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet gaat uit van de voorrangsregel uit
                    artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets zich dient te richten naar
                    de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt.</al><al>Het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van de Woningwet omschreven
                    als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                    artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie heeft
                    uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven bestaan (ABRS 25
                    april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 en ABRS 18 februari
                    2000, Gst.2000, 7119).</al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                    welstandseisen geregeld in artikel 12, derde lid van de Woningwet. Daarin is
                    tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening
                    boven de welstandseisen prevaleren. In artikel 12b, eerste lid van de Woningwet
                    is bovendien expliciet vastgelegd dat óók de welstandscommissie deze
                    voorrangsregeling moet betrekking bij de advisering. Het bestemmingsplan is
                    immers het wettelijk instrument waarmee, langs de in de Wet op de ruimtelijke
                    ordening aangegeven en met bijzondere waarborgen omklede weg, aan gronden een
                    bestemming is gegeven en de daarbij behorende bebouwings- en
                    gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit betekent dat de welstandstoets niet
                    mag leiden tot beperkingen die een reële verwezenlijking van de aan de grond
                    toegekende bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl.
                    ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356 m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die
                    situatie zich voordoet is kleiner naarmate het bestemmingsplan meer
                    mogelijkheden biedt de toegekende bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid Woningwet)
                    naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig bestemmingsplan en
                    welstand.</al><tussenkop>Artikel 9.1 De advisering door een commissie van advies</tussenkop><al>Onder het regime van de Woningwet is inschakeling van een welstandscommissie bij
                    een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen verplicht indien een
                    welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is aangegeven wat
                    verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De commissie adviseert, het
                    bevoegd gezag beslist.</al><al>De gemeenteraad kan er voor kiezen om in plaats van een welstandscommissie een
                    stadsbouwmeester te benoemen. In dat geval dient de bouwverordening
                    voorschriften te bevatten over de rol en de functie van de
                    stadsbouwmeester.</al><al>De adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale dan wel
                    provinciale welstandscommissies. De gemeenteraad kan er voor kiezen om voor de
                    welstandsadvisering gebruik te maken van een provinciale welstandsorganisatie,
                    die het resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een
                    privaatrechtelijke samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een
                    provinciale welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                    welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                    artikel 9.3.</al><al>De gemeente Oisterwijk heeft gekozen voor een lokale commissie welstand, die per
                    project van samenstelling kan wisselen.</al><tussenkop>Artikel 9.2 Adviestaak</tussenkop><al>In dit artikel zijn de onderdelen benoemd waarover de commissie het college
                    adviseert. De commissie baseert haar advies op de in een beeldkwaliteitsplan
                    en/of stedenbouwkundig plan genoemde criteria, die als onderdeel van de
                    welstandsnota door de raad zijn vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 9.3 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Onafhankelijkheid</al><al>Voor elk afzonderlijk lid van deze commissie geldt het
                    onafhankelijkheidsvereiste. Daaraan wordt in elk geval voldaan indien de leden
                    van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het gemeentebestuur. Ook is het
                    raadzaam bij de selectie van de leden van de welstandscommissie alert te zijn op
                    mogelijk tegenstrijdige belangen. Deelneming van leden van het college of van
                    het bevoegd gezag dat besluiten neemt over een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen aan de welstandscommissie voor de eigen
                    gemeente of voor de gemeente waarover het bevoegd gezag besluiten neemt, is in
                    dit verband uitgesloten.</al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In de welstandscommissie behoeven niet uitsluitend 'deskundigen' zitting te
                    hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                    kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                    commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                    beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega's. Onder
                    niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke bevolking
                    verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de kwaliteit van de
                    gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het gemeentebestuur in de
                    welstandscommissie kunnen worden benoemd. Er is geen wettelijke verplichting om
                    niet-deskundige leden op te nemen in de welstandscommissie.</al><tussenkop>Artikel 9.4 Benoeming en zittingsduur</tussenkop><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van de
                    leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een eenmalige
                    mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in de commissie
                    die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt beoogd de
                    doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen. Kennelijk is
                    op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de zittingsduur in
                    concrete situaties de continuïteit van de commissies in gevaar kan brengen.</al><tussenkop>Artikel 9.5 Jaarlijkse verantwoording</tussenkop><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te signaleren waar de welstandsnota
                    als beleidskader onvoldoende houvast heeft kunnen bieden bij de
                    welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter verantwoording waarom in
                    specifieke gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. De jaarlijkse
                    verslagverplichting van de welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b,
                    derde lid van de Woningwet.</al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling van
                    het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                    welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van het
                    jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente. Ervan
                    uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in september/oktober wordt
                    behandeld, zou het 'verslagjaar' van de welstandscommissie kunnen lopen van juni
                    tot juni.</al><al>Jaarverslag college</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                    welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                    welstandszorg te vergroten, is ook aan het college ingevolge artikel 12c van de
                    Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent de toepassing van het
                    welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In dit jaarverslag zou ten
                    minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze het college is omgegaan met de welstandsadviezen;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>in welke gevallen het college een besluit heeft genomen tot toepassing
                            van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom op grond van
                            ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand als bedoeld in
                            artikel 13a van de Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan
                            zijn overgegaan.</al></li></lijst><al>Voornoemd verslag kan tevens deel uitmaken van een algemeen jaarverslag over
                    ruimtelijke ordening en bouwregelgeving. Tezamen met het jaarverslag van de
                    welstandscommissie wordt hierdoor het gemeentelijk welstandstoezicht
                    inzichtelijk gemaakt en het publieke debat bevorderd.</al><al>In de Woningwet is een algemene verslagverplichting voor burgemeester en
                    wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                    bouwregelgeving.</al><tussenkop>Artikel 9.6 Termijn van advisering</tussenkop><al>De termijnen voor de behandeling van bouwplannen ter verkrijging van een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen staan in de Wabo. Deze termijnen zijn
                    beduidend korter dan voorheen in de Woningwet. Hierdoor ontstaat voor de
                    welstandsadvisering een korte periode. In dit artikel is de advisering binnen de
                    Wabo-termijn vastgelegd in een voorschrift. Een verlenging van de adviestermijn
                    is slechts mogelijk indien op grond van de Wabo de beslistermijn voor de
                    vergunningverlening is verlengd of indien afdeling 3.4 van de Awb van toepassing
                    is.</al><al>De mogelijkheid van beoordeling van een zogenaamd schetsplan in een informele
                    voorprocedure blijft mogelijk, omdat de termijnen pas aanvangen bij de ontvangst
                    van verzoek om vergunning.</al><al>Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                    waarvan een discussie over alternatieven kan worden verwacht, is het raadzaam
                    gebruik te maken van de mogelijkheid tot verlenging van de beslistermijn.</al><tussenkop>Artikel 9.7 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                    toelichting</tussenkop><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur, dat
                    nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van de
                    Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden uitgevoerd in
                    openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de belanghebbende een
                    beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, als er dusdanige
                    aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de aanvrager in zijn recht staat
                    openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de welstandsvergadering
                    bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking hebben op de geagendeerde
                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen ter inzage te leggen bij
                    de agenda en daarvan melding te maken in de bekendmaking.</al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                    vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol van
                    betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de advisering op het
                    terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de openbaarheid van
                    welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en kennis over het
                    welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer.</al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                    onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de aanvrager
                    van de omgevingsvergunning en anderzijds andere belanghebbenden.</al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                    toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient te
                    worden geboden aan de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn aanvraag toe
                    te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de aanvrager kan - indien nodig
                    - wellicht eerder tot alternatieve bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de
                    noodzaak om een hernieuwde adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                    geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                    spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel 1:2
                    Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen tijdens de vergadering van
                    de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een eventuele
                    rechterlijke procedure tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen geen 'recht
                    van spreken' hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn.</al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                    vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet dan
                    zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om zich op
                    de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend, dan kan de
                    termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige voorbereiding door
                    eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                    waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht voor
                    informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat meestal
                    door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt uitgevoerd.
                    De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat zijn met
                    beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg kunnen werken,
                    terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure vooroverleg stimulering
                    verdient.</al><tussenkop>Artikel 9.8 Afdoening onder verantwoordelijkheid</tussenkop><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan het
                    onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie afdoen van het
                    welstandadvies. De meest voorkomende vorm van het ‘onder verantwoordelijkheid
                    afdoen’, komt neer op de afdoening van een welstandsadvies bij plannen waarvan
                    de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.
                    Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor afdoening onder
                    verantwoordelijkheid met betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken.
                    Negatief adviseren wordt in dit geval meestal uitgesloten.</al><al>Voordat de Wabo in werking trad, regelde artikel 48 Woningwet (oud) de aanvraag
                    welstandsadvies van het college aan de welstandscommissie. Daarbij werd
                    onderscheid gemaakt tussen de reguliere bouwvergunning en de lichte
                    bouwvergunning. In het eerste geval was het vragen van welstandsadvies
                    verplicht, in het tweede geval niet. (‘Een aanvraag voor een lichte
                    bouwvergunning kunnen zij voor advies aan de welstandscommissie (..)
                    voorleggen). Verder bood het Besluit bouwvergunningvrije en
                    licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) de mogelijkheid om zgn. loket-
                    of sneltoetscriteria vast te stellen. De combinatie van deze mogelijkheden werd
                    door veel gemeenten gebruikt om de beoordeling van aanvragen voor een licht-
                    bouwvergunningspichtig bouwwerk over te laten aan een niet tot de
                    welstandscommissie behorende ambtenaar. </al><al>Op 1 oktober 2010 zijn de Wabo en het Bor in werking getreden. Dit heeft
                    gevolgen gehad voor deze werkwijze.</al><al>De welstandscommissie is de door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke
                    commissie die aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt ten aanzien van de
                    vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag
                    omgevingsvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand
                    (art. 1, onder n. Woningwet).</al><al>Op basis van artikel 2.10, lid 1 onder d Wabo moet de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel worden geweigerd indien het
                    uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft
                    om strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria
                    zoals vermeld in de welstandsnota, bedoeld in art. 12a, eerste lid, onder a van
                    de Woningwet.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om een aanvraag om een
                    omgevings-vergunning voor het bouwen ter advisering voor te leggen aan de
                    welstandscommissie of de stadsbouwmeester (art. 2.26, lid 3 in samenhang met
                    art. 6.2 Bor). Dit hoeft niet wanneer er voor het desbetreffende bouwwerk geen
                    redelijke eisen van welstand gelden (omdat de gemeenteraad op basis van art. 12,
                    lid 2 Woningwet heeft bepaald dat geen redelijke eisen van welstand van
                    toepassing zijn) of bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning reeds op
                    een andere grond moet worden geweigerd.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo zijn artikel 48 Woningwet en het Bblb komen
                    te vervallen. Onder de Wabo is een bouwwerk omgevingsvergunningplichtig of
                    vergunningvrij; een tussen-categorie bestaat niet meer. Dit betekent dat iedere
                    aanvraag voor een omgevingsvergunnings-plichtig bouwwerk door het college ter
                    advisering aan de welstandscommissie moet worden voorgelegd. Dit betekent ook
                    dat het college geen ambtenaar (meer) kan mandateren om te toetsen aan zgn.
                    loketcriteria.</al><al>De (model-)bouwverordening biedt in artikel 9.7 de mogelijkheid voor de
                    welstandscommissie om de advisering over een aanvraag om welstandsadvies onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie over te laten aan een of meerdere daartoe
                    aangewezen leden van die commissie. Het aangewezen lid of de aangewezen leden
                    kunnen alleen adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                    welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al><al>Geen mandatering</al><al>Hierbij is overigens geen sprake van mandatering in de zin van de Awb. Artikel
                    10:1 Awb definieert mandaat immers als: de bevoegdheid om in naam van een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. De welstandscommissie is geen bestuursorgaan.
                    Bovendien neemt het geen besluiten (in de zin van de Awb) maar adviseert de
                    commissie het college. Om misverstanden te voorkomen, wordt artikel 9.7 van de
                    modelbouwverordening bij de eerstvolgende wijziging aangepast. </al><al>Samengevat:</al><al>Sinds de inwerkingtreding van de Wabo is "flitsen" alleen mogelijk als:</al><lijst><li nr="-"><al>voor het betreffende bouwplan geen welstandscriteria gelden of,</al></li><li nr="-"><al>het daartoe aangewezen lid van de welstandscommissie aanwezig is,
                            en</al></li><li nr="-"><al>het oordeel van de welstandscommissie over het betreffende bouwplan als
                            bekend mag worden verondersteld.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 9.9 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</tussenkop><al>Het eerste lid van artikel 9.9 legt een algemeen bestuursrechtelijk uitgangspunt
                    vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat in artikel 12b, eerste lid van de
                    Woningwet is opgenomen. In de praktijk is het niet ongebruikelijk dat bij
                    positieve welstandsadvisering een expliciete motivering achterwege blijft.
                    Volgens vaste jurisprudentie verandert dit direct zodra bezwaar tegen de
                    (voorheen) bouwvergunning wordt ingediend.</al><tussenkop>Artikel 9.10 Afwijkingsbevoegdheid van het college</tussenkop><al>In dit artikel is –wellicht ten overvloede- vastgelegd dat het college goed
                    gemotiveerd kan afwijken van het advies van de commissie. De commissie wordt
                    hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al><tussenkop>10 Overige administratieve bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</tussenkop><al>Met de komst van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is de
                    woonvergunning overbodig geworden. Artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo
                    bepaalt dat gebruikssituaties die strijdig zijn met het bestemmingsplan
                    omgevingsvergunningplichtig zijn. Zodra bestaande gebouwen in strijd met het
                    bestemmingsplan voor bewoning in gebruik genomen worden, geldt derhalve het
                    vereiste van een omgevingsvergunning en kan in dat verband worden gehandhaafd.
                    Op grond van artikel 9.15, letter W van de Invoeringswet Wabo, vervalt artikel
                    60 van de Woningwet. Daardoor wordt artikel 10.1 MBV overbodig.</al><tussenkop>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                    woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</tussenkop><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's).</al><al>Dit artikel maakt het mogelijk dat het bevoegd gezag bij toepassing van de
                    voorschriften van de bouwverordening afwijken van een daarin aangewezen
                    NNI-publicatie of ander voorschrift, voor zover zij zich daarbij houden aan de
                    herziene tekst van die zelfde publicatie of dat zelfde voorschrift. Bij een
                    dergelijke herziening wordt door de daartoe bevoegde instantie immers in het
                    algemeen een zorgvuldige procedure in acht genomen, waarbij een commissie van
                    deskundigen - onder meer afkomstig uit gemeentelijke kring - wordt ingeschakeld,
                    een voorafgaande publicatie van een voorlopige editie plaatsvindt met bijgevoegd
                    verzoek om commentaar enz. Met het onderhavige voorschrift wordt bereikt dat
                    niet onmiddellijk na het verschijnen van een gecorrigeerde, aangevulde of nieuwe
                    uitgave van een norm, voornorm, praktijkrichtlijn of ander voorschrift de
                    bouwverordening moet worden gewijzigd om de actuele versie van de aangewezen
                    uitgave van kracht te doen zijn.</al><tussenkop>11 Handhaving</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                    bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande bouwwerken
                    vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of
                    oplegging van een last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe
                    nog (de tussenstap van) een specifieke aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit
                    2003 geldt voor alle bouwwerken (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening
                    krijgt deze systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het
                    welstandsvereiste voor bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met
                    het generieke handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb
                    kan worden afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw of ander
                    bouwwerk gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003,
                    dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in
                    overeenstemming is met de bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk
                    niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld
                    naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota.</al><al>Tenzij sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb
                    met zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                    tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld
                    zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient
                    vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het
                    Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw of ander bouwwerk in
                    strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw of
                    ander bouwwerk weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                    gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen
                    kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb
                    de toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                    vijfde lid, van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen.</al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                    samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep
                    en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen).</al><al>Op grond van artikel 125 van de Gemeentewet blijft de mogelijkheid bestaan om
                    met toepassing van bestuursdwang of op grond van artikel 5:32 van de Awb met een
                    last onder dwangsom, handhavend op te treden tegen illegale bouw- en
                    sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen van deze werkzaamheden.
                    Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van een vereiste vergunning wordt
                    gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel voldoende aanleiding om spoedshalve
                    bestuursdwang toe te passen overeenkomstig artikel 5:24, vijfde lid Awb. Het
                    direct met bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is
                    er immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                    toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                    worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                    uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003,
                    893).</al><tussenkop>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                    steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                    de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet langer
                    mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 12.1 Strafbare feiten</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</tussenkop><al>Het gaat hier om oud en niet meer van toepassing zijnde overgangsrecht van de
                    modelverordening 1965 naar de modelverordening 1992.</al><tussenkop>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven
                    en terreinen</tussenkop><al>De afdelingen 6.8 en 6.10 van het Bouwbesluit 2012 voorzien in dit artikel.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het Bouwbesluit 2012 per 1 april 2012 is de inhoud
                    van artikel 12.3 van rechtswege vervallen.</al><tussenkop>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    gebruiksvergunning</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</tussenkop><al>De toelichting bij dit artikel vervalt.</al><tussenkop>Artikel 12.6 Slotbepaling</tussenkop><al>Algemeen</al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                    artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen, zijnde
                    algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het besluit in
                    het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen verkrijgbaar
                    gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde verordening. Een
                    (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                    Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen op de
                    gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                    bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan echter een
                    ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of
                    burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                    inwerkingtreding van de verordening op een nader tijdstip te bepalen.</al><al>De verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van het
                    arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                    Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige mededeling
                    ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de
                    bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan de
                    inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt;
                    zie artikel 95 van de Woningwet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>