<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR39163_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatregelen en handhaving Wet investeren in jongeren            gemeente Uden 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 04-08-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatregelen en handhaving Wet Investeren in Jongeren gemeente Uden 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Investeren in Jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/44</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatregelen en handhaving Wet investeren in jongeren
            gemeente Uden 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van
                        jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van
                        sanctie bij verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        25 mei 2010;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en artikel 12, eerste lid
                        onderdelen b en c van de Wet investeren in jongeren;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de </al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk vastgestelde
                                        verhoging of verlaging; </al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening; </al></li><li nr="e."><al>het college: het college van burgemeester en
                                        wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de WIJ, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere de op hem rustende
                                verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel
                                30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende
                                verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het
                                college misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan
                                daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, de periode
                            waarover de maatregel wordt opgelegd, het bedrag waarmee de
                            inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden
                            om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; </al></li><li nr="b."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het
                                        kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde
                                        termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel
                                        44 van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af
                                van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte de
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren na dat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk
                                mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                                maand geldende WIJ-norm;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, indien de uitkering nog niet is uitbetaald
                                en de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de
                                gesanctioneerde gedraging komt te liggen; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel gaat niet in voordat de gedraging voor het eerst heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending opleveren van
                                meerdere in de WIJ genoemde verplichtingen, wordt een maatregel
                                opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen
                                van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de WIJ genoemde verplichtingen, worden alle
                                van toepassing zijnde maatregelen afzonderlijk opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een traject gericht
                            hierop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                                            naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                            het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren; </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                        categorie; </al></li><li nr="b."><al>50 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                        categorie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en volstaan
                                met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of
                                niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                jongere een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de jongere
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een
                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling van de gemeente
                                Uden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet,
                                niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een maatregel opgelegd
                                van 5 procent van de WIJ-norm, </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien en volstaan
                                met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of
                                niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een
                                periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de
                                jongere een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De hoogte van de maatregel kan worden verdubbeld, indien de jongere
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling van de gemeente
                                Uden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet
                                heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het
                                werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel afgestemd op
                                de hoogte van het benadelingsbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 500,-: 10 procent van de
                                        WIJ-norm; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 500,- tot € 1000,-: 20
                                        procent van de WIJ-norm; </al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2500,-: 50
                                        procent van de WIJ-norm; </al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2500,- of meer: 100 procent
                                        van de WIJ-norm. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt vastgesteld op een maand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het derde lid kan de hoogte van de maatregel worden
                                verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken
                                gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich misdraagt tegenover het College of
                                zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties die zich in
                                opdracht van het College bezig houden met de uitvoering van de wet,
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 41 eerste lid van de
                                wet, wordt met hantering van het agressieprotocol gemeente Uden, een
                                waarschuwingsbrief verzonden, eventueel vergezeld van een
                                uitnodiging voor een ordegesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                College of zijn ambtenaren of medewerkers van andere organisaties
                                die zich in opdracht van het College bezig houden met de uitvoering
                                van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet als bedoeld in artikel 41 eerste lid van de
                                wet, wordt een maatregel opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij verbaal
                                        geweld;</al></li><li nr="b."><al>dertig procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij
                                        discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de WIJ-norm gedurende twee maanden bij
                                        intimidatie;</al></li><li nr="d."><al>veertig procent van de WIJ-norm gedurende twee maanden bij
                                        zaakgericht fysiek geweld;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>dertig procent van de WIJ-norm gedurende drie maanden bij
                                mensgericht fysiek geweld;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>vijftig procent van de WIJ-norm gedurende drie maanden bij een
                                combinatie van zaakgericht en mensgericht fysiek geweld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het College draagt zorg voor een uitvoeringsbeleid en -organisatie
                                die gericht zijn op het zo veel mogelijk voorkomen en bestrijden van
                                misbruik en oneigenlijk gebruik, en het wegnemen van de gevolgen van
                                geconstateerd misbruik en oneigenlijk gebruik. Daartoe behoren in
                                ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van informatie over de verplichtingen die
                                        aan een inkomensvoorziening verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>het controleren op de naleving van deze verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>het gebruik maken van de bevoegdheid tot terugvordering van
                                        te veel of ten onrechte betaalde inkomensvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>het opleggen van maatregelen en het uitsluiten van het recht
                                        op inkomensvoorziening zoals bedoeld in deze
                                        verordening;</al></li><li nr="e."><al>het doen van aangifte van een vermoeden van fraude bij het
                                        Openbaar Ministerie als er sprake is van het niet of
                                        onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht leidend tot
                                        een bruto benadelingsbedrag van € 12.000,00 of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Raad bepaalt de onderwerpen waarover het College aan hem verslag
                                uitbrengt. Daartoe behoren in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal gevallen waarin de inkomensvoorziening ten
                                        onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het aantal gevallen waarin is besloten tot
                                        terugvordering;</al></li><li nr="c."><al>het aantal opgelegde maatregelen in verband met misbruik en
                                        oneigenlijk gebruik;</al></li><li nr="d."><al>het aantal gevallen waarin aangifte bij het Openbaar
                                        Ministerie is gedaan.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening tijdelijke regels Wet Investeren in Jongeren wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en
                            werkt met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatregelen en
                            handhaving Wet investeren in jongeren gemeente Uden 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 8 juli 2010.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening maatregelen en handhaving Wet investeren in
                    jongeren gemeente Uden 2010</tussenkop><tussenkop>Toelichting </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt
                    dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken
                    gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun
                    levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht de gemeente Uden om te investeren in de arbeidsinschakeling van
                    alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moet de
                    gemeente Uden jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het
                    werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan
                    worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de
                    inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ. </al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’. </al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan
                    bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening
                    volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht
                    zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente Uden is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een
                    inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover verplicht zich te
                    houden aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan
                    dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ).
                    Die verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening
                    moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                    Maatregelverordening. </al><al>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk
                    WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de
                    gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan het
                    werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende
                    verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                    aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden
                    gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht
                    (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een
                    werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm
                    van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. </al><al> Dat heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in
                    geval van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare
                    werkloosheid, als deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor
                    een werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere
                    heeft in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig aanmerken van de
                    bovengenoemde gedragingen.</al><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en
                    reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt daarom af waar het de
                    omschreven maatregelwaardige gedragingen betreft. </al><tussenkop>Verlagen is maatwerk </tussenkop><al>Hoewel het algemeen bestuur de regels stelt over het verlagen van de
                    inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van
                    maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31
                    775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient
                    de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt
                    gevormd door de regels die ter zake door het algemeen bestuur zijn gesteld. In
                    de Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                    verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut.
                    Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de
                    omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden gevonden om van de
                    standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is
                    het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel
                    41, tweede lid, WIJ). Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als
                    minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de
                    verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd
                    blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over
                    een te laag inkomen blijft beschikken. </al><tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen
                    dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn.
                    Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                    disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent voor een
                    20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit
                    voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft.
                    Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook
                    het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel in deze
                    verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm. </al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van de
                    maatregel. Dit is bij de verschillende sanctioneerbare gedragingen in een
                    afzonderlijke bepaling benoemd. Bij recidive geldt als regel dat de hoogte
                    verdubbeld wordt. </al><al>De term 'maatregel' Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het
                    feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                    nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                    inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term ‘maatregel’.
                    Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de
                    bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan
                    benadrukt. Om die reden is in de verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een
                    verlaging aan te duiden. </al><tussenkop>Een waarschuwing in plaats van een maatregel? </tussenkop><al>Gemeenten kunnen in hun verordening regelen dat in beginsel eerst altijd een
                    waarschuwing wordt gegeven voordat een maatregel wordt opgelegd. </al><al>In deze verordening is ervoor gekozen om de mogelijkheid te bieden om eerst een
                    waarschuwing te geven in geval van schending van de verplichtingen m.b.t. het
                    werkleeraanbod (artikel 10 lid 2) en bij schending van de inlichtingenplicht
                    zonder benadeling voor de gemeente Uden (artikel 11 lid 2).</al><al> Aandachtspunt is dat nu, ervoor gekozen is de waarschuwing in de verordening
                    ‘in te regelen’, een dergelijke waarschuwing de status van ‘besluit’ krijgt in
                    de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Daartegen staat bezwaar en beroep open
                    (CRvB 5 januari 2009, LJN: BG9682). </al><tussenkop>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </tussenkop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere
                    verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                    inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de
                    totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek naar de
                    arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan
                    het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-,
                    medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in
                    artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid
                    kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de verplichtingen
                    betrekking hebben. </al><tussenkop>Aanvraagfase </tussenkop><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de
                    aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet
                    meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn
                    arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen
                    werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang
                    hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op
                    inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers
                    voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                    blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen
                    recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                    p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de
                    jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden
                    verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige
                    schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod,
                    dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening
                    verlaagd worden conform de gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41,
                    eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat
                    de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de orde kunnen
                    komen. </al><tussenkop>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering
                    bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a
                    WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag
                    van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die
                    verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden
                    herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere verplichtingen schendt die
                    specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het
                    werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om
                    het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan, of het stellen van
                    onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking van
                    het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op inkomensvoorziening (artikel
                    42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een herziening blijft de
                    inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke
                    Maatregelverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te kiezen
                    welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging
                    van die voorziening. </al><al> Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag,
                    bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of van
                    herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in de geest van
                    de regeling om, met het oog op duurzame arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod
                    niet te snel in te trekken. Dit is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht
                    doordat verlaging van de inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen
                    imperatief is voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21
                    WIJ) een bevoegdheid is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan.
                    Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het werkleeraanbod tevens
                    intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien toegekend) en dus
                    het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het is daarom raadzaam om niet
                    lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid
                    waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking van het werkleeraanbod
                    wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever worden
                    geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar de
                    feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig voordoen.
                    Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente Uden niet meer gevergd kan worden
                    dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de verordening
                    Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de gedragingen van de jongere
                    ernstig genoeg zijn om een intrekking van het werkleeraanbod te rechtvaardigen.
                    Het is ook denkbaar dat dit in beleidsregels nader wordt uitgewerkt. </al><tussenkop>Vanaf de tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd, conform de
                    Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht op
                    inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere
                    ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste
                    lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21,
                    onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd,
                    tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f,
                    WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de
                    inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt ook
                    voor deze fase met de nodige aanpassingen. </al><tussenkop>Relatie met Verordening Werkleeraanbod </tussenkop><al>De verordening Werkleeraanbod en de Maatregelverordening vormen twee kanten van
                    dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op om jongeren een
                    werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening
                    Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere
                    verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het
                    werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen
                    niet na, dan vormt de Maatregelverordening het kader voor verlaging van de
                    inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de
                    verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke voorwaarden en
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de
                    inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de Verordening
                    Werkleeraanbod WIJ 2010 vastgelegd in artikel 12. Daarmee wordt dan tevens de
                    grens afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening bij wijze van
                    maatregel. Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere
                    omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. </al><tussenkop>De verplichtingen die tot een maatregel kunnen leiden </tussenkop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het
                    college zijn verbonden zijn de volgende: </al><lijst><li nr="-"><al>de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ);</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod.</al></li></lijst><al> Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV Werkbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </tussenkop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen
                    betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in
                    beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening
                    niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan
                    worden, conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening
                    niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de
                    informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV Werkbedrijf. In
                    dit model is ervoor gekozen om de hoogte van de maatregel te relateren aan de
                    mate van benadeling van de gemeente Uden. Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder
                    de maatregel. </al><al>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod</al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die
                    betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de
                    tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod.</al><al>Deze verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor
                    een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze verplichtingen
                    dient in beginsel te leiden tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al>Voor het categoriseren van de gedragingen die tot een verlaging van de
                    inkomensvoorziening leiden bij schending van de verplichtingen m.b.t. de
                    arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn
                    verschillende mogelijkheden denkbaar. Zo kan er voor gekozen worden om voor
                    schending van alle in artikel 45 genoemde verplichtingen eenzelfde
                    maatregelpercentage geldt.</al><al>In deze verordening is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk
                    aansluiting wordt gezocht met de Maatregelenverordening WWB. De hoogte van de
                    maatregelen is in overeenstemming met de Maatregelenverordening WWB. Dit houdt
                    in dat uiteenlopende maatregelpercentages voor schending van de verschillende
                    verplichtingen worden gehanteerd.</al><al>Om aansluiting te krijgen tussen de Maatregelverordeningen m.b.t. de WWB en de
                    WIJ is het zaak om de verplichtingen die in de Maatregelverordening WWB zijn
                    benoemd te vergelijken met die in artikel 45 WIJ.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen a en f van artikel 45 WIJ kunnen ook
                    worden gerangschikt onder de verplichting ‘mee te werken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling’. Voor de verplichting om mee te
                    werken aan het opstellen van een plan m.b.t. de arbeidsinschakeling (eerste
                    zinsnede onderdeel a) wordt verwezen naar o.a. CRvB 4 september 2007, LJN:
                    BB3443. Voor onderdeel f zijn daarvoor aanknopingspunten te vinden in CRvB 25
                    maart 2008, LJN: BC7877. Voor schending van deze verplichting geldt in de
                    Maatregelenverordening WWB een maatregelpercentage van 20%, omdat dit als een
                    wat lichtere gedraging wordt aangemerkt.</al><al>Ten aanzien van de verplichting genoemd in onderdeel b wordt in de memorie van
                    toelichting als voorbeeld van een schending van deze verplichting genoemd: het
                    belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het stellen van
                    irreële eisen of ongebruikelijke werktijden (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775,
                    nr. 3, p. 48). </al><al> Dat correspondeert in sterke mate met ‘gedragingen die de arbeidsinschakeling
                    belemmeren’, waarover de CRvB 4 juli 2006, LJN: AY2200 heeft overwogen dat
                    daarvan kan worden gesproken als blijkt dat als gevolg van de gedraging kansen
                    op werk of uitzicht op werk is verspeeld. Schending van deze verplichting levert
                    in de Maatregelenverordening WWB een maatregelpercentage van 50% op.</al><al>De verplichtingen, genoemd in de onderdelen c, d en e kunnen worden gerangschikt
                    onder de verplichting ‘gebruik te maken van een door het college aangeboden
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling’. Daarvoor geldt binnen de WWB een
                    maatregelpercentage van 100%.</al><al>Binnen de WIJ wordt voor deze vergrijpen gekozen voor een lagere maatregel,
                    namelijk 50%. Dit lijkt een versoepeling van het beleid, maar hierbij moet wel
                    meegenomen worden dat deze gedragingen binnen de WIJ ook aanleiding kunnen zijn
                    om het Werkleeraanbod in te trekken, waardoor het recht op inkomensvoorziening
                    in zijn geheel vervalt.</al><al>Schematisch overzicht vergelijking verplichtingen uit artikel 45 WIJ en de
                    verplichtingen, opgenomen in de Maatregelenverordening WWB.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Verplichtingen artikel 45 WIJ</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Verplichtingen Artikel 8 en 9 Maatregelverordening WWB</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het opstellen van een plan m.b.t. de
                                        arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het meewerken aan
                                        een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>Tweede categorie onder b 20%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>Geen onredelijke eisen stellen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren
                                    </al></entry><entry colname="col3"><al>Gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren
                                    </al></entry><entry colname="col4"><al>Vierde categorie onder c 50%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan het behoud of bevorderen van de
                                        arbeidsbekwaamheid </al></entry><entry colname="col3"><al>Gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening
                                        gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale
                                        activering </al></entry><entry colname="col4"><al>Vierde categorie onder c 100%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem 100% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. </al></entry><entry colname="col2"><al>Opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen
                                        verrichten </al></entry><entry colname="col3"><al>Idem </al></entry><entry colname="col4"><al>Idem 100% </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. </al></entry><entry colname="col2"><al>Op advies van een arts zich onderwerpen aan een
                                        noodzakelijke behandeling van medische aard </al></entry><entry colname="col3"><al>Meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col4"><al>Tweede categorie onder b 20% </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Afzonderlijke aandacht verdient de verplichting om de inkomensvoorziening te
                    verlagen als de jongere zich zeer ernstig misdraagt (artikel 41, eerste lid,
                    WIJ). Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle
                    gevallen als onacceptabel worden beschouwd (conform artikel 18, tweede lid,
                    WWB). De redactie van artikel 41, eerste lid, WIJ wijkt af van die van artikel
                    18, tweede lid, WWB en laat ruimte open voor de gedachte dat een zeer ernstige
                    misdraging niet afhankelijk zou zijn van de context waarin deze zich afspeelt,
                    zolang deze zich maar tot het college of diens ambtenaren richt. Hiermee is
                    echter niet beoogd is afstand te nemen van de jurisprudentie van de Centrale
                    Raad van Beroep inzake zeer ernstige misdragingen in het kader van
                    bijstandverlening (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 46). </al><al>Zoals de CRvB onder meer in zijn uitspraak van 29 juli 2008, LJN BD7970, heeft
                    overwogen, is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 18, tweede lid, WWB
                    voldaan indien sprake is van het niet of onvoldoende nakomen van een of meer van
                    de in dat artikellid bedoelde verplichtingen met als verzwarende omstandigheid
                    dat sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag jegens
                    het college en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd. Een wegens dergelijk gedrag opgelegde verlaging van de bijstand c.q.
                    inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt als punitieve (bestraffende)
                    sanctie en op het college rust de bewijslast om voldoende aannemelijk te maken
                    dat van agressie in de zin van de genoemde bepaling sprake is geweest (zie ook
                    de uitspraak van 31 december 2007, LJN BC1811). </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod
                    (artikel 22, eerste lid, WIJ). Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een
                    maand heroverwogen worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert,
                    betekent dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                    inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 46/47 voor
                    het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42 WIJ, dat daarvoor de
                    grondslag zou moeten bieden, kent ‘ (tijdelijke) uitsluiting van het recht op
                    een werkleeraanbod bij zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke
                    uitsluitingsgrond voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                    herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding en
                    gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze de
                    verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om onzekerheid op dit
                    punt uit te sluiten, wordt in deze verordening gekozen voor het (verder)
                    verlagen van de inkomensvoorziening op grond van artikel 41, eerste lid, WIJ,
                    zodat feitelijk een tijdelijke uitsluiting ontstaat. </al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ. </al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt bedoeld de
                    van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging. Het equivalent in de
                    WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c, WWB) is in de WIJ zelf niet
                    opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in de memorie van toelichting tweemaal
                    gesproken van ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip
                    wordt bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de
                    inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. Omdat hantering
                    van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag van de inkomensvoorziening’
                    de leesbaarheid niet ten goede komt, is het begrip ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd. </al><al> Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 11).
                    Aangesloten is bij de omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit is het begrip
                    ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van boetes op grond van een
                    vijftiental socialezekerheidswetten, waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met
                    schending van de inlichtingenplicht. Gegeven de toelichting op dit artikel wordt
                    onder bruto benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                    loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld in de
                    Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid WIJ. Voor zover er
                    ten tijde van het maatregelbesluit nog geen sprake is geweest van afdracht aan
                    belastingen etc. , bijvoorbeeld omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening
                    reeds is terugbetaald in hetzelfde kalenderjaar als waarin de
                    inkomensvoorziening ten onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag
                    uiteraard beperkt tot een netto bedrag. </al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte verstrekte
                    uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het werkleeraanbod, eveneens conform
                    artikel 1, onderdeel s van het Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is
                    daarnaast in het tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in
                    deze verordening mede wordt verstaan de kosten die De gemeente Uden maakt voor
                    het ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die kosten zullen
                    niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als het een voorziening betreft
                    die de jongere ten onrechte heeft benut, is het meestal wel mogelijk om een
                    raming te maken van de daaraan verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het
                    bepalen van de hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht. </al><tussenkop>Artikel 2. Afstemming </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de
                    imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel niets afdoet aan
                    intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod.
                    Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het bestuur dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                    bestuur bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan
                    zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                    verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. </al><al>Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus
                    worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen
                    expliciet verwoord, zodat bij de normering van de maatregelen in het vervolg van
                    de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                    x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de
                    mogelijkheid af te wijken. </al><al>Dit betekent dat het bestuur bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: </al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde
                    maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende
                    gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="-"><al> bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld
                            hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard
                            waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld; </al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving. </al><tussenkop>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een
                    besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling
                    3.7 Awb). </al><tussenkop>Artikel 5. Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Hierbij wordt aangesloten bij hetgeen bepaald is in de WWB en IOAW/IOAZ
                    verordeningen. Deze systematiek is gelijk aan hetgeen hierover in de Algemene
                    wet bestuursrecht is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het
                    opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ
                    waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. Gemeenten kunnen uiteraard voor een kortere of langere periode
                    kiezen. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de
                    termijn die gelet op artikel 14e van de Algemene bijstandswet gold in verband
                    met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een
                    termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging
                    (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente Uden vaak tijd nodig zal hebben om
                    de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                    afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als
                    de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt
                    een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig
                    sprake zijn. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            inkomensvoorziening; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de
                    jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment
                    waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                    opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening
                    op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen. </al><tussenkop>Artikel 8. Samenloop </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikel 44 en 35 WIJ). Er zijn twee manieren
                    waarop sprake kan zijn van samenloop:</al><lijst><li nr="1."><al>Één gedraging betekent schending van meerdere verplichtingen In deze
                            situatie wordt gekozen voor de maatregel die van toepassing is op de
                            zwaarstwegende verplichting, wat betekent dat de hoogste van toepassing
                            zijnde maatregel wordt opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Meerdere (min of meer gelijktijdige) schendingen van één of dezelfde
                            verplichtingen In deze situatie worden de van toepassing zijnde
                            maatregelen gezamenlijk opgelegd (gestapeld). Hierbij kan afhankelijk
                            van de situatie worden gekozen voor stapeling binnen één maand, dan wel
                            opvolgende maatregelen.</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45
                    van de wet </tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën </tussenkop><al>Zie Algemene toelichting.</al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en de duur van de maatregel </tussenkop><al>Zie Algemene toelichting. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>Het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze
                            situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. Het college kan
                            in dat geval het recht op inkomensvoorziening opschorten en de jongere
                            in de gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn het
                            verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een maatregel aan de orde
                            zijn. </al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat er ten onrechte of een te
                            hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                            werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                            inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In beide gevallen
                            kan een maatregel aan de orde zijn. Het kan ook voorkomen dat bepaalde
                            gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan de gemeente Uden worden
                            verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van het
                            werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag
                            moet dan worden afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in
                            dergelijke gevallen niet aan de orde. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling de gemeente
                    Uden </tussenkop><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening van
                    belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan
                    het college het recht op inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid,
                    WIJ).</al><al>Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim
                    kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de
                    gestelde termijn aan de gemeente Uden verstrekt, dan kan het college de het
                    besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken (artikel 40,
                    vierde lid, tweede volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt
                    tevens een maatregel opgelegd. </al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de zogeheten
                    'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen,
                    zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor het werkleeraanbod of de
                    inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude kan zijn het niet melden van
                    een niet-rechthebbende partner. </al><tussenkop>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht met benadeling de gemeente
                    Uden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening. Het college zal
                    moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat. De ernst van de
                    gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is
                    het door de gemeente Uden te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening
                    alsmede de kosten van het werkleeraanbod. Hoewel dit niet met zoveel woorden in
                    de tekst van de verordening tot uitdrukking is gebracht, kan uiteraard ook de
                    keus gemaakt worden om het werkleeraanbod niet te betrekken bij de vaststelling
                    van het benadelingsbedrag. </al><al>Uit een oogpunt van uitvoerbaarheid is daar wel iets voor te zeggen. Daar staat
                    tegenover dat het ook denkbaar is dat een jongere wel gebruik heeft gemaakt van
                    een werkleeraanbod, maar geen inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat het
                    aanbod voldoende inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst zijn om bij
                    schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te kunnen opleggen, die
                    wordt afgestemd op de kosten van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                    inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                    onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening
                    van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd, zie
                    artikel 6, tweede lid. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Misdragingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Misdragingen </tussenkop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                    de gemeente bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                    inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                    ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WIJ (zie ook de Algemene
                    toelichting op dit onderdeel). In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken
                    over 'het zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat
                    alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                    aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. Of dit ook ‘a contrario’
                    betekent dat geen maatregel kan worden opgelegd als er sprake is van zeer
                    ernstige misdragingen jegens externe uitvoerders van de WIJ, zoals het
                    UWV-Werk</al><al>bedrijf, re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk. De
                    Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over uitgelaten. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                    heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    jongere. Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                    volgende vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger)
                    worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. discriminatie; c.
                    intimidatie (uitoefenen van psychische druk); d. zaakgericht fysiek geweld
                    (vernielingen); e. mensgericht fysiek geweld; f. combinatie van agressievormen. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit verband
                    is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het is aan te bevelen
                    dat een gemeente over een agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe
                    wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan
                    een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van agressieve
                    klanten, in de vorm van beleidsregels. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Om een objectieve maatstaf te hebben waarlangs bepaald kan worden hoe hoog de op
                    te leggen maatregel moet zijn wanneer een jongeren zich ernstig misdraagt, wordt
                    binnen de gemeente Uden een onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten
                    misdragingen. Deze systematiek en de daaraan gekoppelde maatregelen wordt op
                    dezelfde wijze ingevuld als binnen de overige inkomensregelingen die de gemeente
                    uitvoert (WWB, IOAW en IOAZ).</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Handhaving</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Handhaving</tussenkop><al>Dit artikel fungeert als invulling van artikel 12 lid 1 onder C WIJ. De wijze
                    waarop het college verantwoording aflegt aan de gemeenteraad wordt op dezelfde
                    wijze ingevuld als binnen de WWB, IOAW en IOAZ.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>