<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR391601_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerend zaakbelastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-01-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Gilze en Rijen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-124310.html">Gemeenteblad, Jaargang 2015, nr. 124310, 30 december 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerend zaakbelastingen 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Agendapunt 8d.</al><al>Vergadering</al><al>d.d. 5 november 2015.</al><al><vet>DE RAAD VAN DE GEMEENTE GILZE EN RIJEN;</vet></al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 oktober
                        2015;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de <vet>"Verordening op de heffing en de invordering
                        va</vet><vet>n onroerend </vet><vet>zaakbelastingen
                        </vet><vet>201</vet><vet>6</vet><vet>"</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerende zaakbelastingen' worden voor binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al></lid><lid><lidnr/><al> a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></lid><lid><lidnr/><al> b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al></lid><lid><lidnr/><al> a gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
                            in gebruik is gegeven;</al></lid><lid><lidnr/><al> b het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basis registratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2 Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                            gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                            van:</al><al> a voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                            daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                            glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                            van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                            gebruiken;</al><al> b glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                            teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al><al> c onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al> d één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van
                            de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                            voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                            Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                            gebouwde eigendommen;</al><al> e natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al><al> f openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al> g waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al><al> h werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al><al> i werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                            toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
                            merken;</al><al> j onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                            de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het
                            geven van onderwijs;</al><al> k straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                            eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het
                            belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing
                            van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                            monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al><al> l plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                            zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van de delen van zodanige onroerende
                            zaken die dienen als woning;</al><al> m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                            delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><lijst><li nr="2"><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het
                                    eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting
                                    geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot
                                    heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li><li nr="3"><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van
                                    de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten
                                    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende
                                    zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                    dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al></lid><lid><lidnr/><al> a de gebruikersbelasting 0,1710%</al></lid><lid><lidnr/><al> b de eigenarenbelasting</al></lid><lid><lidnr/><al> 1 voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1052%</al></lid><lid><lidnr/><al> 2 voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,2120%</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de heffingsmaatstaf beneden € 2.500,00 blijft, wordt geen
                            belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor
                            de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende
                            zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                            betalingsincasso van de bank- Rekening van de belastingschuldige kunnen
                            worden afgeschreven, geldt in afwijking van het eerste lid dat de
                            aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen waarvan de
                            eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van
                            de volgende termijnen een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid geldt dat, ingeval het totaalbedrag van
                            de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende zaakbelastingen
                            of andere heffingen minder is dan € 100,00 of meer dan € 2.500,00 de
                            betaalwijze zoals in het eerste lid is geregeld van kracht is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
                            de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                            overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd
                            met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en
                        invordering van de onroerende zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De "Verordening onroerende zaakbelastingen 2015" van 6 november 2014
                            wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                            ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                            op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening onroerende
                            zaakbelastingen 2016".</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 5 november 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. J.W. Timmermans dr. A.J.W. Boelhouwer</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>