<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR391507_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zuid-Holland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zuid-Holland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2015-48632.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dStaatscourant%26dpr%3dAlle%26spd%3d20160121%26epd%3d20160121%26jgp%3d2015%26nrp%3d48632%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Stc. 2015, 48632</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet gemeenschappelijke regelingen, art. 51</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-06-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikelen 1, 6, 23, 34, 38, 41, 47. Vervallen artikel 46</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ondertekening 13 oktober 2015 betreft de datum die betrekking heeft op Gedeputeerde Staten de overige deelnemers hebben op andere data besloten tot wijziging van deze regeling (negende wijziging).</al><al>Per 14 november 2016 zijn de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van de gemeente Voorschoten toegetreden tot de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland (Stc. 2017, 32124).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Regeling Milieudienst West-Holland, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van
                        Zuid-Holland op 27 december 2000 en als volgt gewijzigd: </al><al>1<sup>e</sup> Wijziging door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland
                        goedgekeurd op 8 april 2003,</al><al>2<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten in werking op
                        1 oktober 2006,</al><al>3<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten in werking op
                        29 mei 2009</al><al>4<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten in werking op
                        1 januari 2011,</al><al>5<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten in werking op
                        1 januari 2012,</al><al>6<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten en provincie
                        in werking op 1 januari 2012,</al><al>7<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten en provincie
                        in werking op 1 november 2013,</al><al>8<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten en provincie
                        in werking op 1 juni 2014,</al><al>9<sup>e</sup> Wijziging bij raadsbesluit deelnemende gemeenten en provincie
                        in werking op 25 december 2015 (Staatscourant 2015, 48632)</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>1. In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>regeling : deze gemeenschappelijke regeling;</al></li><li nr="b."><al>deelnemers : het college van gedeputeerde staten van de
                                    provincie Zuid-Holland en de burgemeesters, raden en colleges van
                                    burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;</al></li><li nr="c."><al>deelnemende gemeente : aan deze regeling deelnemende
                                    gemeente;</al></li><li nr="d."><al>wet : Wet gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="e."><al>werkgebied : grondgebied van de deelnemende gemeenten, alsmede
                                    het grondgebied van andere gemeenten binnen de regio Holland
                                    Rijnland voor zover het taken en bevoegdheden van de provincie
                                    Zuid-Holland zoals genoemd in artikel 6, eerste lid, onder e van
                                    deze regeling betreft;</al></li><li nr="f."><al>omgevingsdienst : rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar
                                    lichaam als bedoeld in artikel 2 van de regeling;</al></li><li nr="g."><al>directeur : functie als bedoeld in artikel 27 van de
                                    regeling;</al></li><li nr="h."><al>gedeputeerde staten : Gedeputeerde Staten van de provincie
                                    Zuid-Holland;</al></li><li nr="i."><al>provincie : provincie Zuid-Holland.</al></li></lijst><al/><al/><al>2. Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere
                            wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden
                            verklaard, komen voor zover mogelijk in die artikelen in de plaats van
                            de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders en de burgemeester,
                            onderscheidenlijk de omgevingsdienst, het algemeen bestuur, het
                            dagelijks bestuur en de voorzitter.</al><al/><al>3. Waar in de regeling artikelen van de Provinciewet of van enige andere
                            wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden
                            verklaard, komen voor zover mogelijk in die artikelen in de plaats van
                            de provincie, provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris
                            van de Koning, onderscheidenlijk de omgevingsdienst, het algemeen
                            bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><label>Het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst
                            West-Holland;</al><al>2. De omgevingsdienst is gevestigd in Leiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>1. Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:</al><al> a. het algemeen bestuur;</al><al>b. het dagelijks bestuur;</al><al>c. de voorzitter.</al><al>2. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van de omgevingsdienst.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al><cursief>(gereserveerd)</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Doel en taken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>De regeling wordt getroffen ter ondersteuning van de belangen van de
                            deelnemers op het gebied van omgeving en milieu, met name ter
                            behartiging van het gemeentelijk belang van de beleidsontwikkeling op
                            het gebied van omgeving en milieu, alsmede gericht op een efficiënte en
                            doelmatige uitvoering van de gemeentelijke en provinciale taken en
                            bevoegdheden als bedoeld in artikel 6, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><al>1. Aan het bestuur van de omgevingsdienst komen, onverminderd het
                            bepaalde in artikel 25, ter behartiging van de belangen waarvoor de
                            regeling is getroffen, de volgende taken en bevoegdheden toe:</al><al>a. het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende
                            werkzaamheden op het gebied van het omgevingsrecht en de uitvoering van
                            programma’s en projecten op het gebied van de omgeving;</al><al>b. het namens de colleges van burgemeester en wethouders dan wel de
                            burgemeester van de deelnemende gemeenten en voor zover daartoe mandaat
                            is verleend, uitvoeren van de bij of krachtens de navolgende wetten
                            toebedeelde taken en bevoegdheden:</al><al>-­Monumentenwet 1988;</al><al>-­Ontgrondingenwet;</al><al>-­Wet inzake de luchtverontreiniging;</al><al>-­Waterwet;</al><al>-­Wet milieubeheer;</al><al>-­Wet geluidhinder;</al><al>-­Wet bodembescherming</al><al>-­Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>-­Wet ruimtelijke ordening;</al><al>-­Woningwet;</al><al>-­Drank- en Horecawet;</al><al>-­Gemeentewet;</al><al>-­Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                            bestuur.</al><al>c. het namens de colleges van burgemeester en wethouders dan wel de
                            burgemeester van de deelnemende gemeenten tevens uitvoeren van taken op
                            grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in het eerste lid,
                            onder b, voor zover daartoe mandaat is verleend. </al><al>d. de taken en bevoegdheden zoals bedoeld in onderdeel a, b en c worden
                            uitgevoerd met inachtneming van het door de betreffende gemeente dan wel
                            het algemeen bestuur van de omgevingsdienst vastgestelde beleid.</al><al>e. het namens gedeputeerde staten en voor zover daartoe mandaat is
                            verleend uitvoeren van de volgende taken en bevoegdheden, met
                            inachtneming van het door de provincie vastgestelde beleid: </al><al>1<sup>0</sup> de taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid,
                            onder b, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn;</al><al>2<sup>0</sup> taken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder b
                            genoemd.</al><al>2. Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten
                            aanzien van de aan de directeur van de omgevingsdienst in mandaat
                            toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend.</al><al>3. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter
                            bescherming van de omgeving en het milieu, de uitvoering van
                            werkzaamheden als bedoeld in eerste lid gaan strekken ter uitvoering van
                            een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het in
                            werking treden van deze regeling strekten, dan wel indien in deze
                            werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen
                            optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun
                            wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de
                            genoemde artikelleden aan de directeur van de omgevingsdienst zijn
                            opgedragen. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><al>1. De omgevingsdienst is bevoegd tot het verrichten van diensten, voor
                            zover deze vallen binnen het kader van de in artikel 5 vermelde
                            belangen, voor andere dan de deelnemende gemeenten en/of derden, met een
                            publiekrechtelijke taak en/of bevoegdheid. </al><al>2. Een besluit tot dienstverlening als bedoeld in het eerste lid wordt
                            genomen door het dagelijks bestuur en vermeldt de wijze van
                            kostenverrekening en de overige voorwaarden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><al>1. Het provinciebestuur dan wel de besturen van de deelnemende gemeenten
                            stellen, voor zover de omgevingsdienst daarin een bijdrage kan leveren
                            of daarin een taak heeft, onderwerpen die een relatie hebben met het
                            milieubeleid bij de omgevingsdienst voor overleg of advies, aan de
                            orde.</al><al>2. De omgevingsdienst kan ongevraagd zijn ziens­wijze kenbaar maken aan
                            het gemeentebestuur of provinciebestuur omtrent onder­werpen die behoren
                            tot de taakstelling van de omgevingsdienst.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Het algemeen bestuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel/></kop><al>1. Het algemeen bestuur bestaat uit twee leden per deelnemende
                                gemeente, die door de raad van de gemeente uit haar midden, de
                                voorzitter inbegrepen, en uit de wethouders worden aangewezen,
                                alsmede uit twee leden, die door gedeputeerde staten uit zijn
                                midden, de voorzitter inbegrepen, worden aangewezen.</al><al>2. De raden van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten
                                kunnen plaatsvervangende leden aanwijzen, die een lid bij
                                verhindering of ontstentenis vervangt.</al><al>3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag
                                waarop de zittingperiode van de raad of gedeputeerde staten afloopt
                                of zodra men ophoudt lid of voorzitter te zijn van de raad of
                                gedeputeerde staten uit wiens midden men is aangewezen, dan wel
                                ophoudt wethouder van de betreffende deelnemende gemeente te
                                zijn.</al><al>4. De raad van een deelnemende gemeente en gedeputeerde staten
                                wijzen in de eerste vergadering van de nieuwe zittingsperiode de
                                leden en plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur aan, dan
                                wel bij tussentijdse vervanging van een lid of plaatsvervangend lid
                                in de eerste vergadering nadat het lid zijn lidmaatschap uit eigener
                                beweging heeft, of van rechtswege is, beëindigd.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Stemverhouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><al>1. Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan de in de
                                begroting van de omgevingsdienst voor het betreffende kalenderjaar
                                opgenomen bijdrage van de deelnemer.</al><al>2. Het aantal stemmen van de provincie is niet hoger dan de
                                deelnemende gemeente met de meeste stemmen. </al><al>3. Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks door het
                                dagelijks bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld
                                aan de hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting van de
                                omgevingsdienst. Het aantal stemmen wordt afgerond naar het
                                dichtstbijzijnde even getal. </al><al>4. Het aantal stemmen per lid in het algemeen bestuur wordt berekend
                                door het aantal stemmen per deelnemer te delen door twee. Indien
                                slechts één lid van een deelnemer aan de stemming deelneemt beschikt
                                dat lid over alle stemmen van de deelnemer.</al><al>5. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van alle
                                deelnemers waarvan de leden zich niet van deelneming aan de stemming
                                moeten onthouden, daaraan heeft deelgenomen.</al><al>6. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de
                                volstrekte meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte
                                stemmen.</al><al>7. Indien gedurende het jaar sprake is van toetredende deelnemers,
                                wordt in afwijking van het derde lid, tussentijds de stemverhouding
                                vastgesteld met inachtneming van de in dit artikel vastgestelde
                                methodiek.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Taken en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><al>1. De ingevolge het derde lid jaarlijks vastgestelde kadernota wordt
                                door het dagelijks bestuur voor 15 april aan de raden van de
                                deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie
                                gestuurd. </al><al>2. Het algemeen bestuur kan zijn taken en bevoegdheden aan andere
                                organen van het bestuur van de omgevingsdienst overdragen voor zover
                                de wet of de aard van de bevoegdheid zich daar niet tegen verzet.
                                Niet gedelegeerd wordt de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                                begroting en van de jaarrekening.</al><al>3. Tot de taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur behoren in
                                elk geval het vaststellen van een meerjarenperspectief en een
                                strategienota, alsmede het jaarlijks vaststellen van een kadernota
                                inhoudende beleidsinhoudelijke en financiële kaders.</al><al>4. De ingevolge het derde lid jaarlijks vastgestelde kadernota wordt
                                door het dagelijks bestuur voor 15 april aan de raden van de
                                deelnemende gemeenten en provinciale staten van de provincie
                                gestuurd. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Werkwijze</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel/></kop><al>1. Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere
                                werkzaamheden een reglement van orde vast. </al><al>2. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste tweemaal en
                                voorts zo dikwijls als het daartoe beslist, alsmede als de
                                voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht, dan wel ten
                                minste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van
                                redenen, schriftelijk verzoekt. </al><al>3. De voorzitter roept de leden schriftelijk op tot de vergadering
                                onder gelijktijdige openbare kennisgeving van dag, tijdstip en
                                plaats van de vergadering. De agenda en de daarbij behorende
                                voorstellen met uitzondering van de in artikel 15 bedoelde stukken
                                worden gelijktijdig met de oproeping en op een bij de openbare
                                kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.</al><al>4. De vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de
                                presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende
                                deelnemers vertegenwoordigd is. </al><al>5. Indien de vergadering niet kan worden geopend, belegt de
                                voorzitter onder verwijzing naar dit artikel opnieuw een vergadering
                                tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen
                                van de oproeping is gelegen. </al><al>6. Op de vergadering bedoeld in het vijfde lid is het vierde lid
                                niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere
                                aangelegenheden dan die waarvoor de in het vierde lid niet geopende
                                vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien
                                blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting
                                hebbende deelnemers vertegenwoordigd is.</al><al>7. Voor zover daarvan in deze regeling niet is afgeweken, zijn de
                                artikelen 22, 26, 28, 31 en 32 van de Provinciewet van
                                overeenkomstige toepassing op het houden en de orde van de
                                vergaderingen van het algemeen bestuur. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel/></kop><al>1. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar.</al><al>2. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de
                                aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig
                                acht.</al><al>3. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren
                                wordt vergaderd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering
                                        geheimhouding opleggen, op grond van de belangen genoemd in
                                        artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het
                                        in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent
                                        de stukken welke aan het algemeen bestuur worden
                                        overgelegd,.</al></li><li nr="2."><al>Op grond van de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet
                                        openbaarheid van bestuur kan de geheimhouding eveneens
                                        worden opgelegd door het dagelijks bestuur en de voorzitter
                                        en door een commissie als bedoeld in de artikel 23, ieder
                                        ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of
                                        aan de leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan
                                        wordt op de stukken melding gemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De krachtens het tweede lid aan leden van het algemeen
                                        bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt,
                                        indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn
                                        eerstvolgende vergadering, die blijkens de presentielijst
                                        door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende
                                        leden, tezamen vertegenwoordigend meer dan de helft van het
                                        aantal stemmen, is bezocht, wordt bekrachtigd.</al></li><li nr="4."><al>De krachtens het tweede lid aan leden van het algemeen
                                        bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding wordt door
                                        hen in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting
                                        heeft opgelegd, dan wel, indien het onderwerp waaromtrent
                                        geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is
                                        voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het
                                        algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een
                                        vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de
                                        helft van het aantal zitting nemende leden, tezamen
                                        vertegenwoordigend meer dan de helft van het aantal stemmen,
                                        is bezocht.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuur van de omgevingsdienst verstrekt aan de raden
                                        van de deelnemende gemeenten, aan gedeputeerde staten en
                                        provinciale staten van de provincie de door een of meer van
                                        hun leden gevraagde inlichtingen.</al></li><li nr="2."><al>De raden van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten
                                        stellen ieder regels vast omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze waarop een door hen benoemd lid van het
                                                algemeen bestuur de door één of meer leden van
                                                gedeputeerde staten of raden gevraagde inlichtingen
                                                dient te verstrekken;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop een door hen benoemd lid ter
                                                verantwoording kan worden geroepen voor het door hem
                                                in dat bestuur gevoerde beleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De raden van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten
                                        zijn bevoegd een door hen aangewezen lid van het algemeen
                                        bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen
                                        van de staten of de raad niet meer bezit.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het dagelijks bestuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenstelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit vijf leden, inclusief de
                                        voorzitter. De leden worden door en uit het algemeen bestuur
                                        aangewezen met dien verstande dat de aan te wijzen leden
                                        deel uitmaken van gedeputeerde staten of van een college van
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de
                                        eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe
                                        samenstelling.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter
                                        vervulling van plaat­sen, die door ontslag, overlijden of
                                        anderszins openvallen, vindt plaats uiterlijk één maand na
                                        dat openvallen.</al></li><li nr="4."><al>De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag van
                                        aftreden van de leden van het algemeen bestuur.</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Stemverhouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Ieder lid in het dagelijks bestuur, inclusief de voorzitter,
                                        heeft één stem in het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="2."><al>Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het
                                        doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de
                                        stemmen staken, wordt opnieuw gestemd.</al></li><li nr="3."><al>Bij het staken van de stemmen andermaal over hetzelfde
                                        voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter. </al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Taken en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel/></kop><al>1. Het dagelijks bestuur is in elk geval bevoegd:</al><al>a. het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst te voeren, voor
                                zover niet bij of krachtens de wet of de regeling het algemeen
                                bestuur of de voorzitter hiermee is belast;</al><al>b. beslissingen van het algemeen bestuur voor te bereiden en uit te
                                voeren;</al><al>c. tot de zorg over en het beheer van de financiële administratie,
                                het geldelijk beheer en de boekhouding van de omgevingsdienst;</al><al>d. tot het stimuleren en coördineren van het overleg tussen de
                                deelnemers en het voorstaan van de belangen van de omgevingsdienst
                                bij andere overheden, instellingen of personen waarmee contact voor
                                de omgevingsdienst van belang is;</al><al>e. regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de
                                omgevingsdienst;</al><al>f. ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan;</al><al>g. tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de omgevingsdienst
                                te besluiten, met uitzondering van de oprichting van en deelname aan
                                privaatrechtelijke rechtspersonen;</al><al>h. te besluiten namens de omgevingsdienst, het dagelijks bestuur of
                                het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of
                                administratieve beroepsprocedures te voeren of handelingen ter
                                voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur,
                                voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen
                                anders beslist;</al><al>i. ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding,
                                alle conservatoire maatregelen te nemen en te doen wat nodig is ter
                                voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.</al><al>2. De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder
                                afzonderlijk, zijn aan het algemeen bestuur verantwoording
                                verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur en verschaffen
                                daartoe aan het algemeen bestuur of aan een lid van het algemeen
                                bestuur dat hierom verzoekt, alle inlichtingen.</al><al>3. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur
                                worden ontslagen indien dit lid het vertrouwen van het algemeen
                                bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de
                                Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt
                                niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur
                                tot het ontslag heeft besloten.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Werkwijze</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel/></kop><al>1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter dit
                                nodig oordeelt of ten minste twee andere leden van het dagelijks
                                bestuur zulks, schrifte­lijk, onder opgave van de te behandelen
                                onderwerpen, verzoeken.</al><al>2. De artikelen 56 tot en met 59 van de Provinciewet zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen en het dagelijks bestuur alsmede de voorzitter
                                    geven aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan
                                    gedeputeerde staten ongevraagd de informatie die voor een juiste
                                    beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst
                                    gevoerde en te voeren beleid nodig is.</al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter
                                    verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan
                                    gedeputeerde staten de inlichtingen die door een of meer leden
                                    van die raden of gedeputeerde staten worden verlangd.</al></li><li nr="3."><al>Het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen
                                    bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het
                                    in de vorige leden bepaalde.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur
                                    aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en van het
                                    dagelijks bestuur.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van
                                    het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="4."><al>Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze
                                    vervangen door een door het dagelijks bestuur uit zijn midden
                                    aan te wijzen lid van dit bestuur.</al></li><li nr="5."><al>De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en
                                    van het dagelijks bestuur uitgaan. De artikelen 32a en 59a van
                                    de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing met dien
                                    verstande dat in plaats komen van griffier en secretaris in die
                                    artikelen, de secretaris van de omgevingsdienst. </al></li><li nr="6."><al>De voorzitter vertegenwoordigt de omgevingsdienst in en buiten
                                    rechte. In­dien de gemeente of de provincie van waaruit de
                                    voorzitter afkomstig is partij is in een geding waarbij de
                                    omgevingsdienst betrok­ken is, oefent een ander door het
                                    dagelijks bestuur aan te wijzen lid van dat bestuur deze
                                    bevoegdheid uit.</al></li></lijst><lijst><li nr="7."><al>In spoedeisende gevallen is de voorzitter bevoegd voorlopige
                                    maatre­ge­len te nemen, die hij in de eerstvolgende vergadering
                                    van het da­gelijks bestuur ter bekrachtiging aanbiedt.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Commissies</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel/></kop><al>1. Het algemeen bestuur is bevoegd commissies in te stellen
                            overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 24 en 25 van de wet.</al><al>2. De Regionale Commissie Bezwaarschriften van de gemeenten Leiden,
                            Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en Servicepunt71 is bevoegd tot het
                            adviseren van deelnemende gemeenten inzake ingediende bezwaarschriften
                            tegen door de omgevingsdienst krachtens mandaat genomen besluiten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>De secretaris</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De directeur van de omgevingsdienst treedt op als secretaris van
                                    het algemeen en het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur
                                    wijst een ambtenaar van de omgevingsdienst aan als waarnemend
                                    secretaris. </al></li><li nr="2."><al>De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en
                                    de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak en heeft
                                    in het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur een raadgevende
                                    stem.</al></li><li nr="3."><al>Alle stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks
                                    bestuur uitgaan, worden door hem mede ondertekend.</al></li><li nr="4."><al>Artikel 59a, derde lid, van de Provinciewet is van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>De omgevingsdienst</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De omgevingsdienst voert haar taken zo doeltreffend en doelmatig
                                    mogelijk uit. Hieronder kan worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het desgevraagd gemeenten ondersteunen en adviseren
                                            omtrent het opstellen van een gemeentelijk of
                                            gemeenschappelijk omgevings- en milieubeleid;</al></li><li nr="b."><al>het verzorgen van de communicatie op het gebied van
                                            omgeving en milieu;</al></li><li nr="c."><al>het in ontvangst nemen, verwerken en behandelen van
                                            klachten op het gebied van omgeving en milieu;</al></li><li nr="d."><al>het verrichten of laten verrichten van metingen en
                                            onderzoek op het gebied van omgeving en milieu;</al></li><li nr="e."><al>het voor gemeenten onderhouden van een
                                            bedrijfsregistratiesysteem en het verzamelen en be- of
                                            verwerken van omgevings- en milieurelevante
                                            gegevens;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Met betrekking tot de taken en werkzaamheden van de
                                    omgevingsdienst worden met de deelnemende gemeenten en de
                                    provincie schriftelijke werkafspraken gemaakt, waarin in ieder
                                    geval wordt vastgelegd welke producten en diensten de
                                    omgevingsdienst aan de deelnemende gemeenten en de provincie
                                    levert.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel/></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Personeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur
                                    van de omgevingsdienst, op voordracht van ten minste twee leden
                                    van het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur stelt de instructie van de directeur
                                    vast.</al></li><li nr="3."><al>De directeur is onder verantwoordelijkheid van het dagelijks
                                    bestuur belast met de ambtelijke leiding van de omgevingsdienst
                                    en de zorg voor een juiste taakvervulling in de
                                    organisatie.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De benoeming, schorsing en ontslag van personeelsleden van de
                                    omgevingsdienst als ambtenaar, dan wel volgens een
                                    arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geschiedt door het
                                    dagelijks bestuur met inachtneming van de door het algemeen
                                    bestuur vastgestelde formatie.</al></li><li nr="2."><al>Op het personeel in dienst van de omgevingsdienst zijn de
                                    rechtspositieregelingen van de gemeente Leiden van
                                    overeenkomstige toepassing. De directeur is bevoegd gemotiveerd
                                    hiervan af te wijken.</al></li><li nr="3."><al>Indien rechtspositionele besluiten van de gemeente Leiden door
                                    het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst als niet toepasbaar
                                    worden beschouwd, stelt het algemeen bestuur, gehoord het
                                    georganiseerd overleg van de omgevingsdienst, op die onderdelen
                                    een eigen regeling vast, welke regeling instemming van het
                                    georganiseerd overleg behoeft.</al></li><li nr="4."><al>Waar in de in het derde lid bedoelde regelingen wordt gesproken
                                    van 'gemeenteraad, burgemeester en wethouders, burgemeester en
                                    hoofd van dienst' wordt voor de toepassing in het kader van deze
                                    gemeenschappelijke regeling respectievelijk gelezen: algemeen
                                    bestuur, dagelijks bestuur, voorzitter en directeur.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12 </nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel/></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel/></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van de omgevingsdienst worden gedekt door verrekening
                                    per deelnemer op basis van gewerkte uren zoals bepaald in door
                                    het algemeen bestuur vast te stellen regels.</al></li><li nr="2."><al>Tot de kosten van de omgevingsdienst worden, naast de directe
                                    uitvoeringskosten, tevens gerekend de overheadkosten en de
                                    kapitaalslasten.</al></li><li nr="3."><al>De tarieven worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast
                                    met de indexering zoals vastgesteld in de begroting van het
                                    desbetreffende jaar.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De door de deelnemers op grond van de gemaakte werkafspraken
                                    verschuldigde bedragen worden door de omgevingsdienst periodiek
                                    gefactureerd en zijn door de deelnemers bij vooruitbetaling
                                    verschuldigd.</al></li><li nr="2."><al>In geval van niet tijdige betaling van de op grond van dit
                                    artikel door de deelnemers verschuldigde bedragen, wordt de
                                    wet­te­lijke rente in rekening gebracht.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De overige uit deze regeling voortvloeiende gezamenlijke
                                    inkomsten en uitgaven worden met de deelnemers verrekend naar
                                    evenredigheid van de bijdrage per deelnemer als bedoeld in
                                    artikel 31, eerste lid. De verrekening wordt door het dagelijks
                                    bestuur op de eerste vergadering van het jaar vastgesteld aan de
                                    hand van de voor dat jaar vastgestelde begroting en rekening van
                                    de omgevingsdienst met de peildatum 1 januari van het voorgaande
                                    jaar. </al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur bepaalt elk jaar bij het vaststel­len van
                                    de be­groting de bijdrage per deelnemer in de voor het
                                    begro­tingsjaar geraamde kosten.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33a</nr><titel/></kop><al>De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de omgevingsdienst
                            te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn
                            verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33b</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt
                                    dat een gemeente weigert de verplichte uitgaven op de begroting
                                    te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan gedeputeerde
                                    staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen
                                    194 en 195 Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>Indien aan het algemeen bestuur van de omgevingsdienst blijkt
                                    dat de provincie weigert de verplichte uitgaven op de begroting
                                    te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over
                                    te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 van de
                                    Provinciewet.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks een ontwerpbegroting op
                                    van inkomsten en uitgaven en legt deze ter besluitvorming voor
                                    aan het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur doet het
                                    algemeen bestuur tijdig voorstellen tot wijziging van de
                                    begroting toekomen.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting, met de daarbij
                                    behorende aanbiedingsbrief en toelichting, acht weken voordat
                                    deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden voor zienswijze
                                    toe aan de raden van de gemeenten en aan provinciale
                                    staten.</al></li><li nr="3."><al>Het totaal van de begroting vormt het autorisatieniveau voor
                                    begrotingswijzigingen. Indien noodzakelijk vinden
                                    begrotingswijzigingen plaats bij de eerste bestuursrapportage
                                    (hierna te noemen: “BURAP”) en/of de tweede BURAP. Het dagelijks
                                    bestuur zendt de ontwerp begrotingswijzigingen acht weken
                                    voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden voor
                                    zienswijze toe aan de raden van de gemeenten en aan provinciale
                                    staten. Het dagelijks bestuur hoeft dit niet te doen als:</al><lijst><li nr="1."><al>De bijdrage van de individuele deelnemers niet wijzigt;
                                            of</al></li><li nr="2."><al>Het totaal aan (budget)mutaties minder dan 5% van de
                                            totale begrotingsomvang (baten) bedraagt; of</al></li><li nr="3."><al>De wijziging(en) het totaal van de begrote lasten niet
                                            te boven gaan of waar deze de begrote lasten wel te
                                            boven gaan er in financiële dekking is voorzien door:</al><lijst><li nr=""><al>a) extra opdracht(en) van een individuele deelnemer en
                                    bijbehorende financiële dekking; of</al></li><li nr=""><al> b) overige taken, zoals wettelijke taken waar extra bijdragen
                                    van derden/deelnemers tegenover staan. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar
                                    voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.</al></li><li nr="5."><al>Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de
                                    vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 58, tweede
                                    lid, van de wet genoemde datum van het jaar voorafgaande aan dat
                                    waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse
                                    Zaken en Koninkrijksrelaties. </al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel/></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur stelt de rekening van inkomsten en uitgaven
                                    vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking
                                    heeft.</al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur biedt daartoe jaarlijks, zo spoedig
                                    mogelijk na beëindiging van elk dienstjaar, de rekening van
                                    inkomsten en uitgaven aan het algemeen bestuur aan. De directeur
                                    doet de rekening van inkomsten en uitgaven aan het dagelijks
                                    bestuur toekomen. De aanbieding aan het algemeen bestuur gaat
                                    vergezeld van een verantwoording en van een verslag van een
                                    onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur zendt een afschrift van de rekening aan de
                                    raden van de deelnemende gemeenten en provinciale staten
                                    toe.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur zendt de rekening van inkomsten en
                                    uitgaven binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder
                                    geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de
                                    rekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse
                                    Zaken en Koninkrijksrelaties.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de
                                    finan­ciële administratie en met betrekking tot het
                                    kasbeheer.</al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur stelt een regeling vast omtrent de
                                    verzekering van de gelden van de omgevingsdienst tegen
                                    benadeling.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Uiterlijk binnen een maand na de vast­stelling van de rekening
                                    doet het dagelijks bestuur aan elke ge­meente en aan de
                                    provincie mededeling van het over het betreffende jaar
                                    verschuldigde aandeel.</al></li><li nr="2."><al>Het exploitatiesaldo van een vastgestelde rekening in een jaar
                                    komt ten bate dan wel laste van de deelnemers, tenzij het
                                    algemeen bestuur anders besluit. De verdeling is gebaseerd op de
                                    inbreng van de deelnemers.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel/></kop><al>Het dagelijks bestuur draagt elk jaar vóór 15 juli zorg voor de
                            samenstel­ling van een verslag met betrekking tot de door de
                            omgevingsdienst over het afgelopen jaar verrichte werkzaam­he­den. Het
                            algemeen bestuur stelt het verslag vast en draagt zorg voor de
                            toezending aan de gemeenten en de provincie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39a</nr><titel/></kop><al>Deelnemers dragen zorg voor de continuïteit van de omgevingsdienst en
                            overleggen met de omgevingsdienst als eerste partij omtrent de
                            voorwaarden voor het uitvoeren van de in de artikelen 6 en 25 genoemde
                            taken en bevoegdheden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39b</nr><titel/></kop><al>Bij opheffing van de omgevingsdienst stelt het algemeen bestuur een plan
                            op dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en
                            verplichtingen van de omgevingsdienst over de deelnemers te verdelen op
                            een in het plan te bepalen wijze.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13</nr><titel>Het archief</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel/></kop><al>1.Het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst draagt zorg voor het in
                            goede, geordende en toegankelijke staat onderbrengen en bewaren van de
                            archiefbescheiden volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen
                            regeling, alsmede draagt het zorg voor de vernietiging van daarvoor in
                            aanmerking komende archiefbescheiden.</al><al>2. De directeur is belast met de bewaring en het beheer van de
                            archiefbescheiden.</al><al>3. De kosten verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid
                            bedoelde zorg komen ten laste van de omgevingsdienst. </al><al>4. Voor de bewaring van de op grond van de Archiefwet 1995 over te
                            brengen archiefbescheiden wordt door het dagelijks bestuur gebruik
                            gemaakt van de archiefbewaarplaats van de gemeente Leiden. </al><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>14</nr><titel>Geschillenregeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Geschillen, voortvloeiende uit deze regeling worden, voordat
                                    door de deelnemers van een daarvoor openstaande wettelijke
                                    voorziening gebruik wordt gemaakt, door het algemeen bestuur
                                    voorgelegd aan een door hem in te stellen
                                    geschillencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De geschillencommissie bestaat uit drie leden en is samengesteld
                                    uit:</al><al>-­de voorzitter van de Regionale Commissie Bezwaarschriften van
                                    de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude en
                                    Servicepunt71.,</al><al>-­een voorzitter van de Commissie voor de bezwaarschriften van
                                    één van de overige deelnemers, </al><al>-­een door hen beiden aan te wijzen derde.</al></li><li nr="3."><al>De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken
                                    besturen en brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot
                                    overeenstemming te brengen.</al></li><li nr="4."><al>Het algemeen bestuur kan een termijn vaststellen, binnen welke
                                    de geschillencommissie advies moet uitbrengen.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>15</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze regeling treedt in werking op een door het algemeen bestuur
                                    te bepalen tijdstip. Elk van de colleges van burgemeester en
                                    wethouders van de deelnemende gemeenten en Gedeputeerde staten
                                    dragen zorg voor de opname in het regis­ter als bedoeld in
                                    artikel 27 van de wet, respectievelijk artikel 52, eerste lid,
                                    onder j van de wet.</al></li><li nr="2."><al>De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.</al></li><li nr="3."><al>Een voorstel tot wijziging van de regeling kan worden gedaan
                                    door het algemeen bestuur of door de besturen van een deelnemer.
                                    In het laatste geval wordt een zodanig voorstel ingediend bij
                                    het algemeen bestuur, die dit voorstel eventueel vergezeld van
                                    een advies, aan de besturen van de deelnemers ter vaststelling
                                    aanbiedt.</al></li><li nr="4."><al>De artikelen 5, 6, 11, 18, 31, leden 1 en 2, 32, 33, 45, 46 en
                                    47 kunnen slechts worden gewijzigd bij eenslui­dende besluiten
                                    van de deelnemende bestuursorganen van de deelnemers.</al></li><li nr="5."><al>De niet in het vierde lid van dit artikel genoemde artikelen
                                    worden gewijzigd bij eensluiden­de besluiten van de besturen van
                                    ten minste twee derde van de deelnemers.</al></li><li nr="6."><al>De bestuursorganen van een deelnemer die, binnen een half jaar
                                    nadat een voorstel tot wijziging bij de deelnemer is ingediend,
                                    ter zake geen beslissing hebben genomen, worden geacht te hebben
                                    ingestemd met de wijziging.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Toetreding kan op verzoek van de beoogde toekomstige deelnemer,
                                    plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de deelnemende
                                    bestuursorganen.</al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur doet daartoe een voorstel en geeft daarin
                                    aan of, en zo ja, welke voorwaarden, waaronder financiële, aan
                                    de toetreding zijn verbon­den.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De toetreding gaat in op een in overleg tussen het alge­meen
                                    bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijd­stip, dat
                                    niet ligt voor het tijdstip dat de in het eerste lid genoemde
                                    besluiten zijn genomen.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>Een deelnemer kan uittreden door toezending van de daartoe
                                    strekkende besluiten van de deelnemende bestuursor­ganen van de
                                    deelnemer aan het algemeen be­stuur, doch slechts nadat het
                                    algemeen bestuur daarin bewilligt.</al></li><li nr="2."><al>De uittreding gaat in op 1 januari van het tweede jaar volgend
                                    op het jaar waarin het algemeen bestuur te kennen heeft gegeven
                                    met de uittreding in te stemmen, tenzij door het algemeen
                                    bestuur een andere datum is bepaald.</al></li><li nr="3."><al>Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en kan
                                    aan de uittreding voorwaarden, waaronder financiële en
                                    personele, verbinden.</al><al>Tot deze financiële voorwaarden behoort in elk geval de
                                    bepaling, dat een uittredende deelnemer van het jaar van
                                    uittreding af aan de omgevingsdienst blijft betalen een bijdrage
                                    in de jaarlijkse (vaste) exploi­tatielasten van de
                                    omgevingsdienst. Deze bijdrage wordt bepaald naar het gemiddelde
                                    van de in de laatste drie jaren, vooraf­gaande aan de
                                    uittreding, door de uittredende deelnemer afgenomen producten en
                                    diensten, uitgedrukt in geld. De bijdrage is niet meer
                                    verschuldigd, zodra het algemeen bestuur beslist, dat de uit de
                                    uittreding voortgekomen kostenstijging op voldoende wijze is
                                    gecompenseerd.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de
                                    over­dracht van enig eigen­dom van de omgevingsdienst.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel/></kop><lijst><li nr="1."><al>De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende
                                    besluiten van de bestuursorganen van alle deelnemers.</al></li><li nr="2."><al>De opheffing wordt van kracht op 1 januari na de datum waarop de
                                    besluitvorming zoals bedoeld in het eerste lid is afgerond. Het
                                    algemeen bestuur kan een andere datum vaststellen, mits deze
                                    niet ligt voor het tijdstip van afronding van de in het eerste
                                    lid bedoelde besluitvorming.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de opheffing.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel/></kop><al><cursief>(vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel/></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling
                            Omgevingsdienst West-Holland.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>