<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR391286_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr. 99122</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035303">Huisvestingswet 2014</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-07-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging t.b.v. woonruimteverdeling in voormalige verzorgingshuizen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2016/128132</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gebaseerd op Regionaal model huisvestingsverordening 2016 van de Stadsregio
                        Amsterdam d.d. 1 oktober 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>Aanbodinstrument: </al></entry><entry><al> een aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.2.3,
                                                eerste lid, waarop door corporaties woonruimte,
                                                aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt
                                                aangeboden;</al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>Aanleunwoning:</al></entry><entry><al>een woning in de nabijheid van of aanleunend aan een
                                                zorginstelling en/of punt van waaruit zorg en/of
                                                voorzieningen worden geleverd;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>Basisadministratie:</al></entry><entry><al>de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2 van de
                                                Wet basisregistratie personen;</al></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>Bezettingsnormen:</al></entry><entry><al>de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                                voorrangsregels;</al></entry></row><row><entry><al>e.</al></entry><entry><al>Bindingscriterium:</al></entry><entry><al>bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5 gesteld
                                                aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                                voorrang bij de verlening van een
                                                huisvestingsvergunning;</al></entry></row><row><entry><al>f.</al></entry><entry><al>Burgemeester en wethouders:</al></entry><entry><al>het College van burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry><al>g.</al></entry><entry><al>Complex:</al></entry><entry><al> een aaneengesloten groep woonruimten die door
                                                burgemeester en wethouders is aangewezen;</al></entry></row><row><entry><al>h.</al></entry><entry><al>COA-voorziening:</al></entry><entry><al>als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan
                                                opvang asielzoekers;</al></entry></row><row><entry><al>i.</al></entry><entry><al>Corporaties:</al></entry><entry><al> toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70,
                                                eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één
                                                of meer gemeenten van de Stadsregio Amsterdam;</al></entry></row><row><entry><al>j.</al></entry><entry><al>DAEB-norm: </al></entry><entry><al>het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van
                                                de Tijdelijke regeling diensten van algemeen
                                                economisch belang toegelaten instellingen
                                                volkshuisvesting genoemde bedrag, of, als
                                                Herzieningswet toegelaten instellingen
                                                volkshuisvesting (kamerstuk dossiernummer 32769) in
                                                werking is getreden: de inkomensgrens bedoeld in
                                                artikel 48, eerste lid, van de Woningwet;</al></entry></row><row><entry><al>k.</al></entry><entry><al>Directe bemiddeling:</al></entry><entry><al>het rechtstreeks aan een woningzoekende aanbieden
                                                van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                                aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></entry></row><row><entry><al>l.</al></entry><entry><al>G.E.B. woning: </al></entry><entry><al>een woning geschikt voor een persoon met een geringe
                                                ergonomische beperking;</al></entry></row><row><entry><al>m.</al></entry><entry><al>Huishouden:</al></entry><entry><al> een alleenstaande dan wel twee personen met of
                                                zonder kinderen, die een gemeenschappelijke
                                                huishouding voeren of wensen te voeren;</al></entry></row><row><entry><al>n.</al></entry><entry><al>Huisvestingsvergunning:</al></entry><entry><al> de vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                                van de wet;</al></entry></row><row><entry><al>o.</al></entry><entry><al>Huurprijs:</al></entry><entry><al> de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd
                                                voor het enkele gebruik van een woonruimte of
                                                standplaats voor een woonwagen, uitgedrukt in een
                                                bedrag per maand berekend volgens het
                                                woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit
                                                huurprijzen woonruimte;</al></entry></row><row><entry><al>p.</al></entry><entry><al>Indicatie:</al></entry><entry><al>een beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van
                                                een woningzoekende, gemaakt door burgemeester en
                                                wethouders of een door hen aan te wijzen adviseur,
                                                ter voorbereiding van een door hen te nemen
                                                beslissing op een aanvraag om een
                                                huisvestingsvergunning;</al></entry></row><row><entry><al>q.</al></entry><entry><al>Inkomen:</al></entry><entry><al>rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en
                                                onder i van de Wet op de huurtoeslag; </al></entry></row><row><entry><al>r.</al></entry><entry><al>Inschrijfduur:</al></entry><entry><al>de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                                lid;</al></entry></row><row><entry><al>s.</al></entry><entry><al>Inschrijving:</al></entry><entry><al>het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></entry></row><row><entry><al>t.</al></entry><entry><al>Instelling voor maatschappelijke opvang: </al></entry><entry><al>een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste
                                                lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning
                                                2015;</al></entry></row><row><entry><al>u.</al></entry><entry><al>Liberalisatiegrens: </al></entry><entry><al>het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste lid,
                                                aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></entry></row><row><entry><al>v.</al></entry><entry><al>Mantelzorg:</al></entry><entry><al>mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                                                onderdeel b van de Wet maatschappelijke
                                                ondersteuning 2015;</al></entry></row><row><entry><al>w.</al></entry><entry><al>Ontvangende regiogemeente: </al></entry><entry><al>de regiogemeente waarnaar een houder van een
                                                urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in
                                                artikel 2.6.4, derde lid;</al></entry></row><row><entry><al>x.</al></entry><entry><al>Onzelfstandige woonruimte: </al></entry><entry><al>woonruimte, niet-zijnde woonruimte bestemd voor
                                                inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke
                                                niet door een huishouden zelfstandig kan worden
                                                bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij
                                                afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten
                                                die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen
                                                worden aangemerkt: keuken en toilet.</al></entry></row><row><entry><al>y.</al></entry><entry><al>Passende woonruimte:</al></entry><entry><al> woonruimte die voldoet aan het in artikel 2.6.3,
                                                eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></entry></row><row><entry><al>z.</al></entry><entry><al>Passendheidscriterium:</al></entry><entry><al> passendheidscriterium op grond van artikel 2.4.4,
                                                tweede lid of vierde lid gesteld aan
                                                woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                                voorrang bij de verlening van een
                                                huisvestingsvergunning;</al></entry></row><row><entry><al>aa.</al></entry><entry><al>Peildatum: </al></entry><entry><al>de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                                datum, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></entry></row><row><entry><al>bb.</al></entry><entry><al>Platform: </al></entry><entry><al>het Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                                                Randstad.</al></entry></row><row><entry><al>cc.</al></entry><entry><al>Rangordecriterium: </al></entry><entry><al>een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                                2.4.8;</al></entry></row><row><entry><al>dd.</al></entry><entry><al>Regiogemeenten:</al></entry><entry><al> de gemeenten die deel uitmaken van de
                                                woningmarktregio;</al></entry></row><row><entry><al>ee.</al></entry><entry><al>Regioraad: </al></entry><entry><al>het algemeen bestuur van de Stadsregio
                                                Amsterdam.</al></entry></row><row><entry><al>ff.</al></entry><entry><al>Rekenhuur:</al></entry><entry><al> de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                                verschuldigd voor het enkele gebruik van een
                                                woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet
                                                op de huurtoeslag;</al></entry></row><row><entry><al>gg.</al></entry><entry><al>Student:</al></entry><entry><al> studenten als bedoeld in artikel 7:274 lid 4 van
                                                het Burgerlijk Wetboek alsmede voltijdspromovendi
                                                bij binnen het gebied van de woningmarktregio
                                                gevestigde universiteiten;</al></entry></row><row><entry><al>hh.</al></entry><entry><al>Studentenwoning:</al></entry><entry><al>woonruimte krachtens de daarop betrekking hebbende
                                                huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al><al>i. in de huurovereenkomst is bepaald dat de
                                                woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst
                                                opnieuw aan een student zal worden verhuurd;
                                                en,</al><al>ii. die woonruimte door het college van burgemeester
                                                en wethouders in de regiogemeente waarin de
                                                woonruimte is gelegen na overleg met de eigenaar is
                                                erkend als studentenwoning;</al></entry></row><row><entry><al>ii.</al></entry><entry><al>Stuurgroep Wonen: </al></entry><entry><al>het overleg bestaande uit een vertegenwoordiging van
                                                burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en
                                                de binnen de woningmarktregio actieve
                                                corporaties;</al></entry></row><row><entry><al>jj.</al></entry><entry><al>SV-urgentieverklaring:</al></entry><entry><al> een urgentieverklaring waarmee een woningzoekende
                                                is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                                aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></entry></row><row><entry><al>kk.</al></entry><entry><al>Traditionele doelgroep:</al></entry><entry><al> de groep (degenen) die volgens de bepalingen in
                                                artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                                bewonersverklaring in aanmerking kon (konden)
                                                komen;</al></entry></row><row><entry><al>ll.</al></entry><entry><al>Urgentieverklaring:</al></entry><entry><al> de beschikking, verleend door burgemeester en
                                                wethouders van een tot de woningmarktregio behorende
                                                gemeente, waarmee een woningzoekenden in een
                                                urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede
                                                lid, van de wet wordt ingedeeld; </al></entry></row><row><entry><al>mm.</al></entry><entry><al>Vergunninghouders</al></entry><entry><al>de vergunninghouders als bedoeld in artikel 28 van
                                                de Huisvestingswet 2014; </al></entry></row><row><entry><al>nn.</al></entry><entry><al>Voorliggende voorziening:</al></entry><entry><al> een voorziening die gelet op haar aard en doel,
                                                wordt geacht voor het oplossen van het
                                                huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend
                                                en passend te zijn;</al></entry></row><row><entry><al>oo.</al></entry><entry><al>Wet:</al></entry><entry><al>de Huisvestingswet 2014;</al></entry></row><row><entry><al>pp.</al></entry><entry><al>Woningmarktregio: </al></entry><entry><al>de woningmarktregio gevormd door de gemeenten
                                                Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen,
                                                Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan,
                                                Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland,
                                                Wormerland, Zaanstad en Zeevang.</al></entry></row><row><entry><al>qq.</al></entry><entry><al>Woning:</al></entry><entry><al>zelfstandige woonruimte;</al></entry></row><row><entry><al>rr.</al></entry><entry><al>Woningruil:</al></entry><entry><al>ruil waarbij twee of meer huishoudens zich
                                                daadwerkelijk vestigen in elkaars woning;</al></entry></row><row><entry><al>ss.</al></entry><entry><al>Woningtype:</al></entry><entry><al> de ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede
                                                lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring
                                                op te nemen categorie woonruimte;</al></entry></row><row><entry><al>tt.</al></entry><entry><al>Woongroep:</al></entry><entry><al> een samenlevingsverband bestaande uit tenminste
                                                drie personen tussen wie geen familierechtelijke
                                                relatie bestaat.</al></entry></row><row><entry><al>uu.</al></entry><entry><al>Woonoppervlak:</al></entry><entry><al> het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals
                                                dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen
                                                woonruimte.</al></entry></row><row><entry><al>vv.</al></entry><entry><al>Woonruimte: </al><al/></entry><entry><al>besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of
                                                meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor
                                                bewoning door een huishouden;</al></entry></row><row><entry><al>ww.</al></entry><entry><al>Woonwagen:</al></entry><entry><al>een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                                een standplaats en dat in zijn geheel of in delen
                                                kan worden verplaatst.</al></entry></row><row><entry><al>xx.</al></entry><entry><al>Zelfstandige woonruimte:</al></entry><entry><al> woonruimte die een eigen toegang heeft en welke
                                                door een huishouden kan worden bewoond zonder dat
                                                dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                                                voorzieningen buiten de woonruimte;</al></entry></row><row><entry><al>yy.</al></entry><entry><al>zelfredzaamheid:</al></entry><entry><al> het naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                                voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te
                                                kunnen wonen;</al></entry></row><row><entry><al>zz.</al></entry><entry><al>Zelfstandige huurwoning:</al></entry><entry><al> zelfstandige woonruimte, welke verhuurd wordt;</al></entry></row><row><entry><al>aaa.</al></entry><entry><al>Zoekgebied:</al></entry><entry><al> het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde
                                                lid en artikel 2.6.4;</al></entry></row><row><entry><al>bbb.</al></entry><entry><al>Zoekprofiel:</al></entry><entry><al>het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste
                                                lid;</al></entry></row><row><entry><al>ccc.</al></entry><entry><al>Zorgwoning:</al></entry><entry><al>een woning geschikt voor een persoon die intensieve
                                                zorg nodig heeft.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Woonruimteverdeling</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.1 Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Werkingsgebied</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de
                                        gemeente Zaanstad.</al></li><li nr="2."><al>In het gebied bedoeld in het eerste lid worden als
                                        woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet
                                        aangewezen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur
                                        tot de liberalisatiegrens.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze
                                        afdeling niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt
                                                voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
                                                onder a tot en met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="d."><al>studentenwoningen.</al></li><li nr="e."><al>woningen in voormalige verzorgingshuizen met een
                                                geïntegreerd concept voor wonen, zorg en
                                                welzijn</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden
                                        zelfstandige huurwoningen welke geen eigendom zijn van
                                        corporaties niet aangewezen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                        huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                        artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een
                                        persoon die niet beschikt over een
                                        huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Toelatingscriteria</titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient de
                                woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de
                                        woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in artikel
                                        1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten
                                        de Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een
                                        wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of zijn
                                        vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland als
                                        bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van deVreemdelingenwet
                                        2000.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanbieden van woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                        eenduidig en transparant te huur aan via een
                                        aanbodinstrument of via meerdere aanbodinstrumenten.</al></li><li nr="2."><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke
                                        eisen de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te
                                        komen voor de aangeboden woonruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op directe bemiddeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Woningzoekenden en inschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als
                                        woningzoekenden inschrijven via een aanbodinstrument. De
                                        inschrijving in een in de woningmarktregio gebruikt
                                        aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                                        woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument.</al></li><li nr="2."><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                        woningzoekende ingeschreven staat.</al></li><li nr="3."><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving
                                        geldt voor de ingeschreven woningzoekende en de leden van
                                        zijn huishouden, niet-zijnde meeverhuizende inwonende
                                        kinderen, wier medeverhuizing noodzakelijk was voor het
                                        verkrijgen van een huisvestingsvergunning voor de bewoning
                                        van de betreffende woonruimte.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                        inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen, voor zover die woonruimte geen eigendom is van een
                                        corporatie en niet via het aanbodinstrument Woningnet te
                                        huur is aangeboden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving via het aanbodinstrument</titel></kop><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                                aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid
                                bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar
                                en te raadplegen via de website van het aanbodinstrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen
                                        burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende
                                        bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de
                                                woningzoekende, verstrekt door diens werkgever,
                                                uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de
                                                meest recente aanslag inkomstenbelasting of een
                                                accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig
                                                werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de
                                                woonplaats vanaanvrager; en,</al></li><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de
                                                woningzoekende en de overige leden van het
                                                huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft niet
                                                de Nederlandse nationaliteit bezitten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig
                                        identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft, te tonen.</al></li><li nr="4."><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
                                        woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste
                                        kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan
                                        van een indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of
                                        de specifieke eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                        aan de verminderde zelfredzaamheid van één of meerdere leden
                                        van het huishouden.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens
                                        te vragen die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na
                                        datum van indiening op de aanvraag voor een
                                        huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn
                                        eenmalig te verlengen met vier weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Gegevens op vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de
                                                woonruimte wil betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag
                                                betrekking op heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na
                                                verlening van de vergunning de woonruimte in gebruik
                                                wordt genomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens
                                        opnemen dat de vergunning slechts geldig is indien het
                                        gehele huishouden waarvoor de vergunning is verleend, de
                                        woonruimte betrekt.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.3 Toewijzing en vergunningverlening
                                corporatiewoningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 4</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van
                                een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de
                                                toelatingscriteria genoemd in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een
                                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel
                                                2.3.6 niet voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komt;</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de
                                                woonruimte in gebruik zal nemen; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten
                                                instelling of haar belang als verhuurder, daaronder
                                                mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de
                                                bescherming van de belangen van de overige huurders
                                                en voor de waarborging van het woongenot,
                                                redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst
                                                met aanvrager heeft kunnen weigeren.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet
                                        binnen degenoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder van de
                                        vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist ofonvolledig
                                        waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en
                                    prijs van woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de
                                        wet worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven
                                        in kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor
                                        woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie
                                        woonruimte wordt voorrang gegeven aan de categorieën
                                        woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de desbetreffende
                                        categorie woonruimte.</al><al/></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                  (labels)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                  (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>senioren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens waarvan één lid tenminste </al><al>de leeftijd van 55 jaar of ouder </al><al>heeft bereikt. Indien er geen huishouden </al><al>dat voldoet aan het in de eerste zin </al><al>bepaalde voor de woonruimte in </al><al>aanmerking komt, wordt voorrang gegeven</al><al>aan het huishouden met een lid dat de</al><al>leeftijd van 55 jaar het dichtst benadert.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>jongeren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens bestaande uit één </al><al>persoon, zijnde een jongere </al><al>met een leeftijd tot 26.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>personen met verminderde </al><al>zelfredzaamheid, te weten:</al><al>- G.E.B. woning</al><al>-aanleunwoning</al><al>-zorgwoning</al><al>-rolstoelwoning</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens in het bezit van een indicatie </al><al>waaruit blijkt dat de specifieke </al><al>eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                                  aan de verminderde zelfredzaamheid van één of
                                                  meerdere </al><al>leden van het huishouden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een laag inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een laag inkomen als </al><al>bedoeld in lid 3.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een hoger inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een hoger inkomen </al><al>als bedoeld in lid 3</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="3."><al>Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de
                                        wet wordt voorts aangewezen: woonruimte in het bijzonder
                                        geschikt voor de huisvesting van grote huishoudens.</al></li><li nr="4."><al>De belanghebbende die op grond van de regionale
                                        huisvestingsverordening een indicatie aanvraagt is verplicht
                                        aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                                        redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van de aanvraag.
                                        Meewerken aan een sociaal/medisch onderzoek, alsmede een
                                        huisbezoek, kan van de belanghebbende redelijkerwijs gevergd
                                        worden.</al></li><li nr="5."><al>Het college trekt een indicatie in, indien uit onderzoek
                                        blijkt dat de aanvrager niet bereid is te verhuizen.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan de indicatie voor een zorgwoning omzetten in
                                        een indicatie voor een aanleunwoning, indien na afgifte van
                                        de indicatie woonruimte is aangeboden zo vaak als in
                                        beleidsregels bepaald.</al></li><li nr="7."><al>Het college kan aan de indicatie aangepaste woning de status
                                        "urgent"; "zeer urgent" of "acuut" verbinden</al></li><li nr="8."><al>Het college kan bij de indicatie aangepaste woning aangeven
                                        dat deze in het bijzonder ziet op bemiddeling naar een
                                        woning in een aangewezen deel van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                                    binding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten
                                        hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen
                                        categorieën woonruimte, voorrang gegeven aan huishoudens
                                        omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de
                                        woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid,
                                        van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                        percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                        voorrang worden gegeven aan woningzoekenden omdat zij
                                        economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de
                                        gemeente behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde
                                        lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Algemene volgordebepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een
                                        aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden
                                        die op het aanbod gereageerd hebben in aanmerking komen voor
                                        een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 2.3.6 tot en met 2.3.8.</al></li><li nr="2."><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheids- en bindingscriteria;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                passendheidscriteria;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria;</al></li><li nr="d."><al>de overige woningzoekenden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de
                                        te huur aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde
                                        lid, opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6a</nr><titel>Bijzondere volgordebepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur
                                        aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                        opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                        volgende negen groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria, in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden in het bezit van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="d."><al>woningzoekenden die in het bezit zijn van een
                                                urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat
                                                uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="e."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="f."><al>woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                                bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="g."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                                                jaar;</al></li><li nr="h."><al>woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit
                                                tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al></li><li nr="i."><al>overige woningzoekenden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Volgorde van houders van een urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in
                                        artikel 2.3.6, tweede lid aanhef en onder a tot en met d
                                        bedoelde groepen of in één van de in artikel 2.3.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, komen
                                        als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de
                                        houders van een urgentieverklaring indien de woonruimte
                                        voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekprofiel.</al></li><li nr="2."><al>Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                                        urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen
                                        voor een huisvestingsvergunning, komt als eerste in
                                        aanmerking het huishouden waarvan de urgentieverklaring als
                                        eerste is verleend of waarvoor voorziening in de behoefte
                                        aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en
                                        wethouders het meest dringend noodzakelijk is.</al></li><li nr="3."><al>De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling
                                        in één van de in artikel 2.5.6 genoemde gronden, worden
                                        geacht te voldoen aan de bindingscriteria.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Volgorde van de overige woningzoekenden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van
                                        een urgentieverklaring, die behoren tot één van de in
                                        artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a tot en met d,
                                        bedoelde groepen of tot één van de in artikel 2.3.6a, tweede
                                        lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, in
                                        aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt
                                        bepaald aan de hand van een in de volgende leden beschreven
                                        rangordecriterium.</al></li><li nr="2."><al>De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste
                                                inschrijfduur komt als eerste in aanmerking voor de
                                                huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="b."><al>Loting. Bij loting wordt door de corporatie op
                                                elektronische of andere geschikte wijze bepaald in
                                                welke volgorde de aan de loting deelnemende
                                                woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in
                                                aanmerking komen. Daarbij heeft elk deelnemende
                                                woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
                                                totale rangorde.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Per kalenderjaar wordt in de gehele woningmarktregio op ten
                                        hoogste 15 % en per gemeente op ten hoogste 20 % van door
                                        corporaties te huur aangeboden woonruimten het
                                        rangordecriterium loting toegepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.9</nr><titel>Directe bemiddeling</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.2, eerste lid, kan de
                                woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien het
                                betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt dat het
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet doelmatig is om
                                hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken. Dit
                                betreft in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>vergunninghouders;</al></li><li nr="b."><al>houders van een urgentieverklaring; en,</al></li><li nr="c."><al>huishoudens bedoeld in artikel 2.3.10.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.10</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in
                                bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct
                                bemiddeld worden:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke
                                        situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan
                                        worden geboden met toepassing van het bepaalde in deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt
                                        per regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent
                                        van de met toepassing van het bepaalde in deze verordening
                                        te verhuren woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingen op grond van dit artikel worden
                                        geregistreerd en jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep
                                        Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep Wonen in ieder geval
                                        medegedeeld hoeveel gevallen het per regiogemeente
                                        betrof.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.45 Experimenten woonruimteverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een
                                        wijze van in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of
                                        op grond van deze verordening is geregeld maar wel in een op
                                        grond van de Huisvestingswet 2014 vast te stellen
                                        verordening geregeld zou kunnen worden.</al></li><li nr="2."><al>De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in
                                        het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige,
                                        doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van
                                        woonruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Experimenten met woonruimten van corporaties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een
                                        experiment organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het
                                        experiment vast, welke tenminste het volgende bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het doel en de inhoud van het
                                                experiment; en,</al></li><li nr="b."><al>het toepassingsbereik van het experiment; en,</al></li><li nr="c."><al>de tijdsduur van het experiment; en,</al></li><li nr="d."><al>de wijze van begeleiding van het experiment
                                                gedurende de duur van het experiment; en,</al></li><li nr="e."><al>de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd
                                                wordt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar
                                        toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het
                                        experiment betrokken zijn.</al></li><li nr="3."><al>Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                                        experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot
                                        goed- dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst
                                        neemt de Stuurgroep Wonen de belangen van een evenwichtige,
                                        rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van
                                        woonruimte in acht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Experiment met overige aangewezen woonruimten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking
                                        met één of meer regiogemeenten een experiment organiseren.
                                        Het bepaalde in artikel 2.4.2, eerste lid, is hierop van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                        vangt pas aan nadat burgemeester en wethouders, na
                                        raadpleging van de Stuurgroep Wonen, de experimentenopzet
                                        hebben goedgekeurd. Bij hun beslissing omtrent goedkeuring
                                        nemen zij de belangen van een evenwichtige, rechtvaardige,
                                        doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in
                                        acht.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2.5 Urgentie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                                    urgentieverklaring</titel></kop><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en
                                wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid,
                                aangevraagd moet worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Aanvraag om een urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><lijst><li nr="a."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager blijkens diens inschrijving in de
                                                basisregistratie zijn woonadres heeft; of,</al></li><li nr="b."><al>bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                                                waar de aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager
                                                niet in de woningmarktregio woont.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de
                                        datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn
                                        eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun
                                        besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde
                                        termijn.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende
                                        gegevens en bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als
                                                woningzoekende is ingeschreven in een
                                                aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het
                                                huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten
                                                grondslag ligt; en</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het
                                                huishouden van aanvrager.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet
                                        van toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling
                                        in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.5.6
                                        inhoudt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Inhoud van de urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor
                                        woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard
                                        meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar
                                        het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor
                                        het oplossen van het huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="3."><al>Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de
                                        urgentieverklaring geldig is.</al></li><li nr="4."><al>De urgentieverklaring bevat verder de volgende
                                        informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam, het adres en de woonplaats van
                                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de geboortedatum van aanvrager;</al></li><li nr="c."><al>het dossiernummer van de aanvraag;</al></li><li nr="d."><al>de termijn gedurende welke de urgentieverklaring
                                                geldig is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Het zoekgebied</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en
                                        wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van
                                        toepassing op een urgentieverklaring waarmee de
                                        woningzoekende is ingedeeld in een in artikel 2.5.8 genoemde
                                        urgentiecategorie.</al></li><li nr="3."><al>Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen
                                        naar een andere regiogemeente dan die waar de
                                        urgentieverklaring is afgegeven, kunnen burgemeester en
                                        wethouders van de ontvangende regiogemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente
                                                omvat. Met de wijziging van het zoekgebied komt een
                                                eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te
                                                vervallen; en,</al></li><li nr="b."><al>de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen
                                                in het voor de ontvangende gemeente, gelet op de
                                                toepasselijke urgentiecategorie, met inachtneming
                                                van het bepaalde in artikel 2.5.3, tweede lid,
                                                gangbare woningtype of woningtypen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid
                                        bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar
                                        hun oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten
                                        van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van
                                        vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied,
                                        bedoeld in het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring
                                        indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de
                                        volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de
                                                in artikel 2.2.1 genoemde eisen;</al></li><li nr="b."><al>er is geen sprake van een urgent
                                                huisvestingsprobleem;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager kon het huisvestingsprobleem
                                                redelijkerwijs voorkomen of kan het
                                                huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere
                                                wijze oplossen;</al></li><li nr="d."><al>het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan
                                                worden opgelost door gebruik te maken van een
                                                voorliggende voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een
                                                verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid
                                                van zijn huishouden;</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                                huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate
                                                opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige
                                                woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="g."><al>de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een
                                                eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden
                                                verleende urgentieverklaring is ingetrokken met
                                                toepassing van artikel 2.5.10, eerste lid, aanhef en
                                                onder a en d;</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of
                                                in de kosten van bewoning van zelfstandige
                                                woonruimte te voorzien;</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan
                                                het indienen van de aanvraag blijkens diens
                                                inschrijving in de basisadministratie niet tenminste
                                                twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                                                urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig
                                                was;</al></li><li nr="j."><al>het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een
                                        urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.5.8, eerste lid,
                                        kunnen burgemeester en wethouders vervolgens het
                                        aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in
                                        het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond
                                        in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de
                                        Wet ruimtelijke ordening voor permanente bewoning bestemde
                                        woonruimte.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het
                                        aangevraagde indien de aanvrager niet valt onder één van de
                                        in artikel 2.5.6 tot en met 2.5.8 opgenomen
                                        urgentiecategorieën.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Wettelijke urgentiecategorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a tot
                                        en met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de
                                        aanvrager tot tenminste één van de volgende
                                        urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening
                                                voor tijdelijke opvang van personen, die in verband
                                                met problemen van relationele aard of geweld hun
                                                woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom
                                                uit die voorziening aanstaande is, indien de
                                                behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente
                                                gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar
                                                het oordeel van burgemeester en wethouders dringend
                                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden waarvan de voorziening in de
                                                behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen
                                                of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van
                                                burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend
                                                noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet
                                        genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door het
                                        college van burgemeester en wethouders waar de
                                        urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan
                                        aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan
                                                opvang asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de
                                                Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een
                                                andere gemeente voorgedragen voor huisvesting;
                                                en,</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden
                                                woonruimte geweigerd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Regionale urgentiecategorie: uitstroom</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                        woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend
                                        op verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang,
                                        een psychiatrische instelling of een erkende hulp- of
                                        dienstverleningsinstelling, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct
                                                voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                                blijkens de inschrijving in de basisadministratie
                                                woonachtig was in de woningmarktregio;</al></li><li nr="b."><al>geen van de in artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en
                                                onder a, c, d, f, h of j genoemde omstandigheden
                                                zich voordoet; en,</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en
                                                wethouders voldoende zelfredzaam is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid
                                        wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in
                                        een in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in
                                        het eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.1. en artikel
                                        2.5.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt
                                        ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige
                                        lid, besloten door burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente waar de locatie van de opvanginstelling waar
                                        de woningzoekende verblijft resideert.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.5.4, eerste lid,
                                        omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied e
                                        regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie
                                        jaren direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling
                                        blijkens de inschrijving in de basisadministratie woonachtig
                                        was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de
                                        problematiek van aanvrager een andere regiogemeente in het
                                        zoekgebied opnemen.</al></li><li nr="5."><al>Het college van burgemeester en wethouders van de
                                        regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen
                                        zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te
                                        nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 2.5.3, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Overige regionale urgentiecategorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                        van de in artikel 2.5.5, eerste en tweede lid, genoemde
                                        omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één
                                        van de volgende urgentiecategorieën behoort:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                                                verkeren;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die op grond van medische of sociale
                                                redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet
                                                behoren tot de in artikel 2.5.7 bedoelde
                                                urgentiecategorie;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                                                behoort tot een door burgemeester en wethouders op
                                                grond van het tweede lid aangewezen complex.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen
                                        waarvan de bewoners in verband met sloop of ingrijpende
                                        renovatie of herstructurering van het gebied waarin de
                                        complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet
                                        meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen.
                                        Burgemeester en wethouders stellen daarbij een datum vast
                                        met ingang waarvan de bewoners van de aangewezen complexen
                                        een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.</al></li><li nr="3."><al>Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef
                                        en onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.5.5, eerste
                                        lid aanhef en onder j en het bepaalde in artikel 2.5.3,
                                        tweede lid, niet van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Geldigheid van de urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het
                                        derde en vierde lid van dit artikel is niet van toepassing
                                        op de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen
                                        waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een
                                        urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.5.6, tweede lid,
                                        of artikel 2.5.7, eerste lid.</al></li><li nr="2."><al>De urgentieverklaring vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al>nadat de houder ervan niet meer behoort tot de
                                                urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring; of,</al></li><li nr="b."><al>na verloop van een termijn van 26 weken na verlening
                                                van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                                        urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen
                                        besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan
                                        die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de omstandigheden bedoeld in artikel 2.5.5, eerste
                                                lid, zich niet voordoen;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt
                                                in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor
                                                verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging
                                        vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een
                                        periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend
                                        is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in
                                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring zou zijn geweigerd;</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring niet meer
                                                behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring of zich
                                                één of meer toepasselijke, in artikel 2.5.5, eerste
                                                lid, opgenomen en op de desbetreffende
                                                urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden
                                                voordoen;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring daartoe
                                                verzoekt; of,</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring passende
                                                woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins
                                                onvoldoende heeft ingespannen om zijn
                                                huisvestingsprobleem op te lossen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring
                                        wijzigen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                                zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige
                                                gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                                                urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar
                                                anders op de aanvraag zou zijn besloten; of</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort tot een
                                                andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding
                                                was voor verlening van de urgentieverklaring.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of
                                        wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en
                                        wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig
                                        persoon.</al></li><li nr="4."><al>Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de
                                        urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de
                                        urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is
                                        voldaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze
                                        verordening zou leiden tot weigering van een
                                        urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring
                                        toe te kennen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>weigering van een urgentieverklaring leidt tot een
                                                schrijnende situatie; en,</al></li><li nr="b."><al>sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de
                                                verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op
                                                het doel van de verordening redelijkerwijs toch een
                                                grond voor de verlening van een urgentieverklaring
                                                zouden kunnen zijn.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin
                                        met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een
                                        urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat
                                        tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt
                                        verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die
                                        leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De
                                        registraties worden tenminste eenmaal per jaar besproken in
                                        de Stuurgroep Wonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Overgangsrecht urgentieverklaringen</titel></kop><al>Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Regionale
                                Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 zoals deze luidt
                                onmiddellijk vóór 1 januari 2016 of daarmee gelijkgesteld is, worden
                                gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.5.1 van deze verordening
                                te verlenen urgentieverklaringen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verdere bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Wijzigingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1.</nr><titel>Overleg bij wijziging</titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze
                                verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met
                                burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten, met de in
                                de woningmarktregio werkzame corporaties en met andere daarvoor naar
                                zijn oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de
                                woningmarktregio werkzaam zijn op het gebied van de
                                volkshuisvesting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.</nr><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2.1.</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verstrekken het
                                portefeuillehoudersoverleg inlichtingen, die nodig zijn voor een
                                juiste afstemming over de wijze waarop burgemeester en wethouders
                                deze verordening uitvoeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3.</nr><titel>Restbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                                toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                                hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                                verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.1 Overgangsbepalingen beschikkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip
                                    van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het
                                    tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening
                                    verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen,
                                    urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan
                                    verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een huisvestingsvergunning een beschikking tot
                                    weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet
                                    onherroepelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een beschikking tot toepassing van een
                                    bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het
                                    bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking
                                    tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet
                                    onherroepelijk is.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2 Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten
                                woonduur naar inschrijfduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016
                                    tot 1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die
                                    hij heeft opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december
                                    2015, omgezet naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of
                                    na die inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of
                                    bij een corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur
                                    omgezet moet worden naar inschrijfduur.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur
                                    naar inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al></li><li nr="3."><al>De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is
                                    ontstaan door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli
                                    2030.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.3 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening gemeente
                            Zaanstad 2016.</al><al/></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.4 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016 en vervalt op 1
                            januari 2020.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>1. Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>1.1. Aanleiding</tussenkop><al>De Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 is met ingang van
                    1 juli 2015 gewijzigd. </al><al>Ingevolge artikel XXIII van de Wet afschaffing plusregio’s vervalt de Regionale
                    Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 per 1 januari 2016. Dit
                    betekent dat voor die datum nieuwe regels over de verdeling van woonruimte en,
                    desgewenst, over woonruimtevoorraadbeheer door de gemeenteraden van de
                    regiogemeenten vastgesteld moeten zijn zodat zij per 1 januari 2016 in werking
                    kunnen treden.</al><al>In regionaal verband is ervoor gekozen om de gemeenteraden van de afzonderlijke
                    regiogemeenten te verzoeken de woonruimteverdeelregels uit de meest recente
                    versie van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 vast
                    te stellen. Stadsregio Amsterdam heeft hiervoor een modeltekst aangeleverd. Op
                    enkele punten verschilt de modeltekst van de tot 1 januari 2016 geldende
                    woonruimteverdeelregels: deze punten betreffen wijzigingen die doorgevoerd zijn
                    in verband met de gewijzigde rol van Stadsregio Amsterdam. Daarnaast zijn nog
                    enkele wijzingen van ondergeschikte aard doorgevoerd. Dit model is de basis voor
                    de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016 (HVV)</al><al>Deze toelichting is in belangrijke mate gebaseerd op de toelichting bij de meest
                    recente versie van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
                    2013. Ook voor de toelichting geldt dat de ten opzichte van de regionale
                    toelichting doorgevoerde wijzingen het gevolg zijn van aangepaste rol van
                    Stadsregio Amsterdam. Het deel dat betrekking heeft op de regels die voor de
                    gemeente Zaanstad van kracht zijn, zijn overgenomen.</al><tussenkop>1.2. Waarom regels over woonruimteverdeling?</tussenkop><al>Binnen de woningmarktregio die gevormd wordt door het gebied van de voormalige
                    Stadsregio Amsterdam overschrijdt de vraag naar sociale huurwoningen elk jaar
                    het aanbod in ruime mate. Dit wordt veroorzaakt door het grote beroep dat
                    woningzoekenden op dit deel van de voorraad doen en de gemiddeld lage
                    mutatiegraad in dit deel van de voorraad. Als gevolg van deze schaarste zitten
                    diverse groepen woningzoekenden in de knel. Om in termen van de Huisvestingswet
                    2014 - en in zekere zin ook in termen van de oude Huisvestingswet - te spreken:
                    zij ervaren de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van de schaarste aan
                    goedkope woonruimte.</al><al>De lokale overheid kan proberen de schaarste aan goedkope woonruimte te beperken
                    door te sturen op beschikbaarheid. Daarvoor kan zij planologische instrumenten
                    inzetten, maar ook de in de HVV opgenomen regels over woonruimtevoorraadbeheer.
                    Verder kan de overheid samen met corporaties in de prestatieafspraken afspraken
                    maken over de omvang van de voorraad aan betaalbare huurwoningen.</al><al>Net als de oude Huisvestingswet biedt de Huisvestingswet 2014 daarnaast de
                    mogelijkheid om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan
                    goedkope woonruimte te bestrijden door in een huisvestingsverordening regels te
                    stellen over de verdeling van woonruimte. Deze regels beschrijven, kort gezegd,
                    welke groepen woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor welke
                    categorieën betaalbare huurwoningen. Ook kan een huisvestingsverordening regels
                    bevatten over de wijze waarop verhuurders hun betaalbare huurwoningen te huur
                    aanbieden.</al><al>Voor een verdere toelichting op de aan de HVV ten grondslag liggende
                    beleidsmatige keuzes wordt verwezen naar het <cursief>Beleidsvoorstel
                        actualisatie regels woonruimteverdeling en
                    woonruimtevoorraad.</cursief></al><tussenkop>1.3. De regionale Intentieovereenkomst betaalbare voorraad</tussenkop><al>De Huisvestingswet 2014 stelt dat de regels over woonruimteverdeling gesteld in
                    een verordening tijdelijk van aard zijn. De regels kunnen de schaarste aan
                    sociale huurwoningen niet oplossen, zij kunnen alleen tijdelijk nadelige
                    effecten hiervan beperken. Bij de onderbouwing van nut en noodzaak wordt daarom
                    opgenomen welke maatregelen genomen worden om schaarste op te heffen. In de
                    Woningmarktregio wordt hierbij verwezen naar o.a. de intentieovereenkomst
                    betaalbare voorraad. </al><al>In deze overeenkomst hebben partijen de gezamenlijke intentie vastgelegd om te
                    zorgen voor beschikbaarheid van een substantiële betaalbare voorraad. De omvang
                    van de betaalbare voorraad is geen vast gegeven, maar afhankelijk van een aantal
                    factoren, waaronder de doelgroep die daarop is aangewezen, de doelmatige
                    benutting van de voorraad, de mate van doorstroming in die betaalbare voorraad
                    en de kansen van andere groepen op de markt, waaronder de huishoudens met een
                    (lager) middeninkomen tot € 43.000. Daarbij is betaalbaarheid van woonlasten
                    voor de minima een aandachtspunt. Uitgangspunt bij de overeenkomst is een
                    evenwichtige spreiding van het aanbod sociale huurwoningen over de
                    woningmarktregio, waarbij de verschillen in de omvang tussen het noordelijk en
                    zuidelijk deel van de woningmarktregio niet verder toe zullen nemen.</al><tussenkop>1.4. De huisvestingsvergunningplicht</tussenkop><al>In artikel 2.1.1. van de verordening is het deel van de huurmarkt aangewezen dat
                    onder de huisvestingsvergunningplicht valt. In alle regiogemeenten geldt de
                    huisvestingsvergunningplicht in ieder geval voor de zelfstandige huurwoningen
                    van corporaties, met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens. </al><al>Rekenhuur is de prijs die bij huur en verhuur per maand is verschuldigd voor het
                    enkele gebruik van een woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet op de
                    huurtoeslag. De liberalisatiegrens is het huurbedrag genoemd in artikel 13,
                    eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag (het maximale
                    huurbedrag waarvoor, als het huishoudinkomen daartoe aanleiding geeft,
                    huurtoeslag kan worden verkregen).</al><al>Als een woning onder de huisvestingsvergunningplicht valt, is het verboden deze
                    woning in gebruik te geven of te nemen zonder een door burgemeester en
                    wethouders af te geven huisvestingsvergunning. Dat verbod, in de verordening
                    opgenomen in artikel 2.1.2, richt zich tot zowel de verhuurder van de woning
                    (die geeft immers in gebruik) als de bewoner/huurder (die neemt immers in
                    gebruik). Om voor een huisvestingsvergunning in aanmerking te komen, moet de
                    woningzoekende achtereenvolgens aan een aantal eisen voldoen. </al><tussenkop>1.5. Huurwoningen van corporaties en de
                    huisvestingsvergunningplicht</tussenkop><al>Betreft het een huisvestingsvergunningplichtige huurwoning van corporaties, dan
                    gelden de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende moet toegelaten worden tot het deel van de woningmarkt
                            waarvoor de huisvestingsvergunningplicht geldt. Om toegelaten te kunnen
                            worden, moet de woningzoekende voldoen aan de toelatingscriteria
                            opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV;</al></li><li nr="b."><al>de woningzoekende moet op grond van de regels opgenomen in paragraaf 2.3
                            van hoofdstuk 2 de HVV als eerste voor een huisvestingsvergunning in
                            aanmerking komen;</al></li><li nr="c."><al>de corporatie moet bereid zijn om met de woningzoekende een
                            huurovereenkomst te sluiten;</al></li><li nr="d."><al>er moeten zich geen andere (dan de bovenstaande) weigeringsgronden
                            voordoen.</al></li></lijst><al>ad a.</al><al>De toelatingscriteria zijn opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV. Deze criteria
                    houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een
                    huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde criterium)
                    en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven (het onder b
                    van artikel 2.2.1 genoemde criterium). Voldoet een kandidaat-woningzoekende niet
                    aan de toelatingscriteria, dan kan hij geen huisvestingsvergunning krijgen.
                    Anders dan de passendheids- of bindingscriteria zijn de toelatingscriteria
                    daarmee weigeringsgronden en geen voorrangsgronden.</al><al>ad b.</al><al>Paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2 van de HVV bevat de regels aan de hand waarvan kan
                    worden bepaald of een woningzoekende inderdaad als eerste in aanmerking komt
                    voor de huisvestingsvergunning. Er zijn twee routes waarlangs dat bepaald
                    wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>de route van het openbaar aanbod. Deze route houdt in dat de corporatie
                            een huurwoning adverteert op een <cursief>aanbodinstrument</cursief>
                            (bijvoorbeeld: WoningNet). Woningzoekenden die zich in een in de
                            woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument hebben ingeschreven, reageren
                            vervolgens op een via een in de woningmarktregio gebruikt
                            aanbodinstrument aangeboden huurwoning. Vervolgens wordt beoordeeld wie
                            van hen als eerste voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komt.
                            Daarbij wordt altijd getoetst aan een <cursief>algemeen
                                volgordecriterium</cursief> (inschrijfduur of loting) en eventueel
                            ook op de desbetreffende woning van toepassing zijnde
                                <cursief>passendheidscriteria </cursief>en<cursief>
                                bindingscriteria</cursief>.</al></li><li nr="2."><al>de route van de directe bemiddeling, zie de artikelen 2.3.9 en 2.3.10
                            van de HVV. Deze route houdt in dat de corporatie een huurwoning
                            rechtstreeks aan een woningzoekende te huur aanbiedt, zonder dat deze
                            woningzoekende gereageerd hoeft te hebben op een aanbod van de woning op
                            een aanbodinstrument. Vaak wordt in dat geval een woning niet eens
                            aangeboden op een aanbodinstrument. Ook bij directe bemiddeling kunnen
                            passendheidscriteria en bindingscriteria van toepassing zijn op een
                            woning.</al></li></lijst><al>ad c.</al><al>Het is belangrijk dat de woningzoekende met wie de corporatie een
                    huurovereenkomst wil sluiten, dezelfde woningzoekende is aan wie een
                    huisvestingsvergunning verleend kan worden. Artikel 2.3.2, eerste lid, aanhef en
                    onder e bevat daarom een grond waarop de vergunning geweigerd kan worden als de
                    corporatie om goede redenen niet bereid is om de huurovereenkomst aan te gaan.
                    Het kan daarbij gaan om de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de woningzoekende heeft een overlast verleden of heeft zich in zijn
                            vorige woning gevaarlijk gedragen (bijvoorbeeld door wiet te telen). Op
                            deze situatie slaat de zinsnede "<cursief>gelet (...) op haar belang als
                                verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor
                                de bescherming van de overige huurders en de waarborging van het
                                woongenot</cursief>";</al></li><li nr="-"><al>de corporatie kan, gelet op de met de aanstaande wijziging van de
                            Woningwet, in te voeren passendheidstoets voor corporaties
                            redelijkerwijs niet gehouden worden met deze woningzoekende een
                            huurovereenkomst te sluiten omdat het huishoudinkomen te hoog is. Op
                            deze situatie slaat de zinsnede <cursief>"gelet op haar taak als
                                toegelaten instelling"</cursief>;</al></li><li nr="-"><al>de woningzoekende heeft een huurschuld en daarvoor geen
                            betalingsregeling getroffen of een getroffen betalingsregeling niet
                            nageleefd.</al></li></lijst><al>ad d.</al><al>Artikel 2.3.2 bevat naast de hiervoor behandelde weigeringsgronden nog andere
                    weigeringsgronden. Zie daarvoor de artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>1.5.1. Inschrijving als woningzoekende en inschrijfduur</tussenkop><al>Bij woningen die via een aanbodinstrument te huur worden aangeboden, geldt een
                    algemeen volgordecriterium. Aan de hand van het algemeen volgordecriterium wordt
                    beoordeeld welke woningzoekende als eerste in aanmerking komt voor de
                    huisvestingsvergunning. Het meest gebruikte algemene volgordecriterium is
                        <cursief>inschrijfduur.</cursief></al><al>Inschrijving als woningzoekende en inschrijfduur zijn geregeld in artikel 2.2.4.
                    Iedereen van 18 jaar en ouder kan zich als woningzoekende inschrijven. Die
                    inschrijving vindt plaats in een aanbodinstrument (bijvoorbeeld: WoningNet). De
                    inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende staat
                    ingeschreven. De inschrijfduur eindigt:</al><lijst><li nr="-"><al>nadat een woningzoekende als huurder een corporatiewoning waarvoor de
                            huisvestingsvergunningplicht geldt in gebruik heeft genomen; of</al></li><li nr="-"><al>wanneer men huisgenoot (niet-zijnde een meeverhuizende inwonend kind) is
                            van zo'n woningzoekende, maar dan alleen als voor het verkrijgen van een
                            huisvestingsvergunning voor de betrokken woning het meeverhuizen
                            noodzakelijk was. Dit slaat op de situatie dat een huishouden een
                            minimale omvang moet hebben om met voorrang voor een woning van een
                            bepaalde grootte in aanmerking te komen. In dat geval verliest een
                            meerderjarig, inwonend persoon (niet-zijnde een kind) zijn of haar
                            inschrijving als de nieuwe woning is betrokken.</al></li></lijst><al>Het aanbodinstrument wordt door of onder verantwoordelijkheid van een corporatie
                    beheerd. Aan de inschrijving als woningzoekenden kunnen door of namens die
                    corporatie voorwaarden worden verbonden zoals de betaling van inschrijfgeld en
                    een periodieke verlengingsvergoeding. Artikel 2.2.5 bevat hier een regeling
                    voor. </al><tussenkop>1.5.2. Passendheidscriteria (labels inzake passendheid)</tussenkop><al>Passendheidscriteria zijn een instrument waarmee woningzoekenden die aan
                    bepaalde eisen voldoen, voorrang krijgen bij het verlenen van een
                    huisvestingsvergunning voor een woning die in het bijzonder voor hen geschikt
                    is. Een voorbeeld is: een woningzoekende met verminderde zelfredzaamheid kan
                    voorrang krijgen bij de verlening van een huisvestingsvergunning voor een
                    gelijkvloers, met een lift toegankelijk, appartement. </al><al>In de Huisvestingswet 2014 biedt artikel 11 de juridische grondslag voor de
                    toepassing van passendheidscriteria in de huisvestingsverordening. Blijkens het
                    artikel moet het gaan om passendheid in verband met "de aard, grootte of prijs"
                    van een woning. </al><al>In artikel 2.34, tweede lid, is beschreven welke categorieën woningen (het
                    artikel spreekt in navolging van de oude Huisvestingswet en de Huisvestingswet
                    2014 over "woonruimte") gelet op hun aard, grootte of prijs met voorrang aan
                    welke categorieën woningzoekenden moeten worden aangeboden.</al><al>Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat
                    betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing
                    zijnde passendheidseis (die de vorm heeft van een “label” dat bij het te huur
                    aanbieden van de woning kenbaar wordt gemaakt), ten opzichte van woningzoekenden
                    die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor
                    een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                    aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de passendheidseis
                    voldoen.</al><tussenkop>1.5.3. Bindingscriteria</tussenkop><al>Artikel 2.3.5 van de HVV bevat een voorrangsregeling voor woningzoekenden met
                    lokale of regionale binding. Aan de hand van het bepaalde in artikel 14, derde
                    lid, van de Huisvestingswet 2014 kan nagegaan worden wanneer een woningzoekende
                    lokale of regionale binding heeft:</al><lijst><li nr="-"><al>een woningzoekende is economisch gebonden aan de woningmarktregio, de
                            gemeente of de kern indien hij met het oog op de voorziening in het
                            bestaan een redelijk belang heeft zich in die woningmarktregio, die
                            gemeente of die kern te vestigen.</al></li><li nr="-"><al>een woningzoekende is maatschappelijk gebonden aan de woningmarktregio,
                            de gemeente of de kern indien hij:</al></li></lijst><al>1°. een redelijk, met de plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft
                    zich in die woningmarktregio, die gemeente of die kern te vestigen, of</al><al>2°. ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is dan wel gedurende de
                    voorafgaande tien jaar ten minste zes jaar onafgebroken ingezetene is geweest
                    van die woningmarktregio, die gemeente of die kern. </al><al>In artikel 2.3.5, eerste lid, van de HVV is bepaald dat maximaal 50% van de
                    verleende huisvestingsvergunningen met voorrang verleend mag worden aan
                    woningzoekenden met regionale binding. Uit het tweede lid volgt dat maximaal 25%
                    van de verleende huisvestingsvergunningen met voorrang verleend mag worden aan
                    woningzoekenden met lokale binding.</al><al>Het ligt voor de hand om per kalenderjaar te sturen op het niet-overschrijden
                    van deze percentages. In uitzonderingssituaties kan een langere periode gekozen
                    worden, waarbij het, gelet op de maximale levensduur van een
                    huisvestingsverordening, voor de hand ligt om deze periode niet langer dan vier
                    jaar te laten zijn. Een uitzonderingssituatie is bijvoorbeeld een grote
                    herstructureringsopgave waarbij het wenselijk wordt geacht om de als gevolg
                    daarvan te herhuisvesten huishoudens nabij hun oorspronkelijke woonomgeving te
                    huisvesten. In die situatie kan het voorkomen dat de percentages in een bepaald
                    kalenderjaar overschreden worden, maar dat deze overschrijding in de daarop
                    volgende kalenderjaren gecompenseerd wordt.</al><al>De in artikel 2.3.5 opgenomen percentages zijn maximumpercentages: bindingseisen
                    mogen dus altijd in mindere mate toegepast worden. Daarbij wordt opgemerkt dat
                    het in mindere mate gebruiken van het toegestane percentage voor regionale
                    binding niet tot gevolg heeft dat het maximale percentage voor lokale binding
                    neerwaarts bijgesteld moet worden. Daarmee wordt bedoeld dat de situatie waarin
                    bijvoorbeeld in 30% van de gevallen met voorrang huisvestingsvergunningen worden
                    verleend aan huishoudens omdat zij regionale binding hebben, niet tot gevolg
                    heeft dat slechts in 15% van de gevallen met voorrang huisvestingsvergunningen
                    verleend mogen worden aan huishoudens met lokale binding.</al><al>Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen, geen
                    uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op
                    een woning van toepassing zijnde bindingseis (die de vorm heeft van een “label”
                    dat bij het te huur aanbieden van de woning kenbaar wordt gemaakt), ten opzichte
                    van woningzoekenden die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in
                    aanmerking komt voor een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die
                    niet voldoen aan een bindingseis, komen eventueel wel voor een
                    huisvestingsvergunning in aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die
                    wél aan de bindingseis voldoen.</al><al>Opgemerkt wordt dat de woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring
                    verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een blijf-van-mijn-lijfhuis of
                    vergunninghouders (statushouders) die de gemeente gelet op de taakstelling moet
                    huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen mogen krijgen, zie lid 3 van
                    artikel 2.3.7 van de HVV en artikel 16 van de Huisvestingswet 2014.</al><tussenkop>1.5.4. Openbaar aanbod via een aanbodinstrument</tussenkop><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woningen aan via een
                    aanbodinstrument of eventueel via meerdere aanbodinstrumenten. Artikel 2.2.3 lid
                    1 van de HVV bepaalt dat dit eenduidig en transparant dient te gebeuren. Bij het
                    aanbod moet worden vermeld aan welke eisen de woningzoekenden moet voldoen. Het
                    gaat daarbij in ieder geval om de op de woning van toepassing zijnde
                    passendheidscriteria en bindingscriteria en of loting dan wel inschrijfduur
                    wordt toegepast als algemeen volgordecriterium. </al><al>Het is denkbaar dat de corporatie zelf ook nog aanvullende eisen kan en mag
                    stellen. Ook die moeten vermeld worden bij de aanbieding van de woning via het
                    aanbodinstrument. Het gaat bijvoorbeeld om de situatie dat een woningzoekende
                    moet verklaren dat hij zich aan de in een complex geldende huisregels zal
                    houden. </al><tussenkop>1.5.5. Openbaar aanbod: rangordebepaling</tussenkop><al>Op een via een aanbodinstrument aangeboden woning reageren woningzoekenden. Op
                    grond van de regels in paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2 van de HVV wordt bepaald
                    welke woningzoekende als eerste voor een huisvestingsvergunning voor de
                    aangeboden woonruimte in aanmerking komt. Dat gebeurt, met uitzondering van
                    woningen die met voorrang voor grote huishoudens (het passendheidscriterium
                    bedoeld in artikel 2.3.4, vierde lid) te huur worden aangeboden, door een aantal
                    stappen te doorlopen:</al><al>Stap 1: verdeel de woningzoekenden in groepen</al><al>De woningzoekenden worden in vier groepen verdeeld, zie artikel 2.3.6 van de
                    HVV:</al><lijst><li nr="-"><al>groep 1 bestaat uit de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            passendheids- en bindingscriteria. </al></li><li nr="-"><al>groep 2 bestaat uit woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            passendheidscriteria.</al></li><li nr="-"><al>groep 3 bestaat uit woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                            bindingscriteria.</al></li><li nr="-"><al>groep 4 bestaat uit de overige woningzoekenden.</al></li></lijst><al>Opgemerkt wordt dat de woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring
                    verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een blijf-van-mijn-lijfhuis of
                    vergunninghouders (statushouders) die de gemeente gelet op de taakstelling moet
                    huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen mogen krijgen, zie lid 3 van
                    artikel 2.3.7 van de HVV.</al><al>Stap 2: voorrang van de houders van een urgentieverklaring</al><al>Uitgangspunt is dat eerst de woningzoekenden uit groep 1 in aanmerking komen
                    voor een huisvestingsvergunning, dan die uit groep 2, dan die uit groep 3 en tot
                    slot die uit groep 4.</al><al>Vaak bestaat een groep uit meerdere woningzoekenden. In dat geval komen eerst de
                    houders van een urgentieverklaring in aanmerking voor de huisvestingsvergunning,
                    zie artikel 2.3.7, eerste lid, van de HVV. Echter, dit geldt alleen als de
                    aangeboden woning voldoet aan het in de urgentieverklaring opgenomen
                    zoekprofiel.</al><al>Zitten er in één groep meer houders van een urgentieverklaring die op grond van
                    artikel 2.3.7, eerste lid, van de HVV als eerste in aanmerking zouden komen voor
                    de huisvestingsvergunning, dan komt als eerste in aanmerking de
                    woningzoekende:</al><lijst><li nr="-"><al>waarvan de urgentieverklaring als eerste is verleend; of</al></li><li nr="-"><al>waarvan de huisvesting naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                            het meest dringend noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Stap 3: rangorde van de overige woningzoekenden</al><al>Zijn er geen houders van een urgentieverklaring die (omdat zij een
                    urgentieverklaring hebben) met voorrang in aanmerking komen voor een
                    huisvestingsvergunning, dan wordt aan de hand van loting of inschrijfduur
                    bepaald welke andere woningzoekende in aanmerking komt voor de
                    huisvestingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.3.8 van de HVV.</al><al>Voor woningen die met voorrang aan grote huishoudens worden aangeboden komen op
                    grond van artikel 2.3.6a, kort gezegd, achtereenvolgens de volgende groepen in
                    aanmerking:</al><lijst><li nr="1."><al>Urgent groot gezin met binding;</al></li><li nr="2."><al>Urgent gezin met binding;</al></li><li nr="3."><al>Urgent groot gezin;</al></li><li nr="4."><al>Urgent gezin;</al></li><li nr="5."><al>Groot gezin met binding;</al></li><li nr="6."><al>Gezin met binding;</al></li><li nr="7."><al>Groot gezin;</al></li><li nr="8."><al>Gezin;</al></li><li nr="9."><al>overige woningzoekenden</al></li></lijst><al>Een groot gezin bestaat (mede) uit drie inwonende kinderen jonger dan 18 jaar,
                    een gezin bestaat (mede) uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                    jaar.</al><al>De bijzondere volgordebepaling van artikel 2.3.6a is opgenomen om de specifieke
                    volgorderegels die gemeenten tot nu toe hanteren, en in WoningNet geprogrammeerd
                    zijn, zo goed als mogelijk te kunnen voortzetten.</al><tussenkop>1.5.6. Directe bemiddeling</tussenkop><al>Bij directe bemiddeling biedt de corporatie een huurwoning rechtstreeks aan een
                    woningzoekende te huur aan, zonder dat deze woningzoekende gereageerd hoeft te
                    hebben op een aanbod van de woning op een aanbodinstrument. Vaak wordt in dat
                    geval een woning niet eens aangeboden op een aanbodinstrument. </al><al>Ook bij directe bemiddeling kunnen passendheidscriteria en bindingscriteria van
                    toepassing zijn op een woning. Als passendheidscriteria of bindingscriteria (of
                    beide) van toepassing zijn op een woning, moet een corporatie de woning
                    aanbieden aan een woningzoekende die aan de passendheidscriteria of
                    bindingscriteria voldoet, tenzij zo'n woningzoekende er niet is. De
                    toelatingscriteria zijn altijd van toepassing bij directe bemiddeling.</al><al>Directe bemiddeling is op grond van artikel 2.3.9 toegestaan voor de huisvesting
                    van woningzoekenden bij wie het niet doelmatig is om hen via een
                    aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken. Dit betreft in ieder
                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>vergunninghouders;</al></li><li nr="b."><al>houders van een urgentieverklaring;</al></li><li nr="c."><al>woningzoekenden bij wie het niet doelmatig is om hen via een
                            aanbodinstrument naar woonruimte te laten zoeken; of,</al></li><li nr="d."><al>huishoudens bedoeld in artikel 2.3.10.</al></li></lijst><al>Bij de onder c. bedoelde categorie woningzoekenden gaat het om mensen die als
                    gevolg van bijzondere, persoonlijke omstandigheden vrijwel altijd met een
                    specifieke maatwerkoplossing aan woonruimte gematcht moeten worden. Bijvoorbeeld
                    mensen met een bijzondere zorgvraag en daarmee samenhangende specifieke
                    woonbehoeften.</al><al>Op grond van artikel 2.3.10 betreft het, op verzoek van corporaties, de
                    bijzondere gevallen, zolang aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie
                            vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met
                            toepassing van het bepaalde in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
                            regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
                            toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren
                            woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en
                            jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de
                            Stuurgroep Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per
                            regiogemeente betrof.</al></li></lijst><tussenkop>1.5.7. Beslissing op de aanvraag om een
                    huisvestingsvergunning</tussenkop><al>Een huisvestingsvergunning, of de beslissing tot weigering of intrekking
                    daarvan, is een beschikking als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen een besluit kan een belanghebbende (in
                    ieder geval: de aanvrager maar ook een woningzoekende die meent ten onrechte de
                    huisvestingsvergunning niet gekregen te hebben<sup/>) bestuursrechtelijke
                    rechtsmiddelen aanwenden. Deze rechtsmiddelen zijn: bezwaar, beroep, hoger
                    beroep en, parallel aan bezwaar, beroep of hoger beroep, de indiening van een
                    verzoek om een voorlopige voorziening.</al><al>Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is, zijn
                    bevoegdheid om een huisvestingsvergunning te verlenen, te weigeren of in te
                    trekken.</al><al>De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.5 van de HVV
                    bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de
                            regiogemeente waar de woning gelegen is;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag moet vergezeld gaan van diverse stukken met nadere
                            informatie;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van alle
                            leden van het huishouden te tonen;</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen nog andere, niet in dit artikel
                            genoemde, informatie opvragen bij aanvrager.</al></li></lijst><al>Overigens bevat afdeling 4.1 van de Awb een algemene, ook voor de
                    huisvestingsvergunning geldende, regeling over beschikkingen. De voor de
                    praktijk belangrijkste artikelen uit dit deel van de Awb zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden met
                            een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                            aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem negatief,
                            besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de regeling
                            over de beslistermijn en de opschorting daarvan. Zie daarvoor ook
                            artikel 2.2.6 van de HVV.</al></li></lijst><al>Voor de goede orde wordt hier vermeld dat naast een reactie van de
                    woningzoekende op een via een aanbodinstrument aangeboden woning óók een
                    aanvraag om een huisvestingsvergunning noodzakelijk is: zonder die aanvraag kan
                    de woningzoekende in ieder geval geen huisvestingsvergunning krijgen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid om te beslissen op aanvragen
                    om een huisvestingsvergunning mandateren aan corporaties. Stadsregio Amsterdam
                    heeft in 2015 een in samenwerking met corporaties en regiogemeenten opgestelde
                    model-mandaatregeling aangeleverd. Die kan aangepast worden voor het verlenen
                    van mandaat voor de behandeling van aanvragen om een huisvestingsvergunning op
                    basis van de nieuwe HVV. </al><al>Gaan burgemeester en wethouders over tot mandatering en accepteert een
                    corporatie het mandaat, dan kan de corporatie namens burgemeester en wethouders
                    de huisvestingsvergunning verlenen. Het is praktisch om het moment waarop de
                    corporatie dat doet, te laten samenvallen met het moment waarop de
                    huurovereenkomst ondertekend wordt. </al><tussenkop>1.6. Huurwoningen in particulier bezit en de
                    huisvestingsvergunningplicht</tussenkop><al>Particulier bezit geldt geen huisvestingsvergunningsplicht.</al><tussenkop>1.7. Experimenten</tussenkop><al>De artikelen 2.4.1 tot en met 2.45.3 bevatten een regeling voor experimenten op
                    het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen dat
                    experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige) bepalingen
                    van de HVV, maar wel, gelet op de Huisvestingswet 2014, in een
                    huisvestingsverordening opgenomen zouden kunnen worden. Het is dus zo dat
                    experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de
                    Huisvestingswet 2014 zelf. </al><al>Artikel 2.4.2 regelt de experimenten die corporaties en gemeenten samen kunnen
                    organiseren. Een experiment duurt maximaal 2 jaar en betreft ten hoogste 10% van
                    de per jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment
                    betrokken zijn. Een experiment mag pas starten als de Stuurgroep Wonen de opzet
                    ervan heeft goedgekeurd.</al><al>Ook andere verhuurders dan corporaties kunnen, gelet op het bepaalde in artikel
                    2.4.3, samen met gemeenten experimenten organiseren. Deze experimenten behoeven
                    de goedkeuring van burgemeester en wethouders van de desbetreffende
                    regiogemeente. Voorafgaand aan een besluit over de goedkeuring van een
                    experiment, raadplegen burgemeester en wethouders de stuurgroep Wonen.</al><tussenkop>1.8. De urgentieregeling</tussenkop><al>De urgentieregels maken het mogelijk dat woningzoekenden waarvoor, zoals artikel
                    12, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 dat noemt "voorziening in de
                    woonruimte dringend noodzakelijk is" met voorrang in aanmerking komen voor een
                    huisvestingsvergunning. Zie voor de werking van die voorrang artikel 2.34.7. Een
                    belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het oplossen van het huisvestingsprobleem
                    dat de woningzoekende zelf niet kan oplossen centraal staat, en niet het
                    inwilligen van eventuele huisvestingswensen van de woningzoekende. Dit komt
                    onder meer tot uiting uit het feit dat voor alle houders van een
                    urgentieverklaring met uitzondering van de SV-urgentieverklaring en de
                    urgentieverklaring in verband met calamiteiten (de urgentiecategorie genoemd in
                    artikel 2.56.8, eerste lid, aanhef en onder a) geldt dat hun voorrang beperkt is
                    tot het meest sobere woningtype waarmee hun huisvestingsprobleem opgelost is,
                    zie artikel 2.5.3, tweede lid, van de HVV. Een tweede belangrijk uitgangspunt is
                    dat de urgentieregeling een uiterste, laatste, redmiddel voor de oplossing van
                    een huisvestingsprobleem is. Dit komt onder meer tot uiting in de algemene
                    weigeringsgronden, opgenomen in artikel 2.5.5 van de HVV.</al><al>Uit artikel 12, eerste en tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 volgt dat áls
                    een gemeenteraad een urgentieregeling wil instellen, hij in de
                    huisvestingsverordening de criteria opneemt aan de hand waarvan de
                    urgent-woningzoekenden ingedeeld worden in urgentiecategorieën. In de HVV zijn
                    die urgentiecategorieën en criteria opgenomen in artikel 2.56.6 tot en met
                    2.56.8. In de regionaal afgestemde beleidsregels wordt beschreven hoe bij de
                    uitvoering aan die criteria invulling wordt gegeven.</al><al>Artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet 2014 bepaalt verder dat áls een
                    gemeenteraad besluit tot instelling van een urgentieregeling, hij in ieder geval
                    de volgende groepen onder de reikwijdte van de urgentieregeling moet laten
                    vallen:</al><lijst><li nr="-"><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                            van personen, die in verband met problemen van relationele aard of
                            geweld hun woonruimte hebben verlaten;</al></li><li nr="-"><al>woningzoekenden die mantelzorg verlenen of ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>vergunninghouders (vroeger ook wel "statushouders" genaamd).</al></li></lijst><al>Deze groepen worden ook wel aangeduid met de term "wettelijke urgenten" (immers:
                    hun urgentiestatus volgt expliciet uit de Huisvestingswet 2014 zelf).</al><al>De indeling van urgent-woningzoekenden in urgentiecategorieën geschiedt bij
                    besluit door (of namens) burgemeester en wethouders. Dit volgt uit artikel 13,
                    eerste lid, van de Huisvestingswet 2014. Zo'n besluit wordt ook wel een
                    "urgentieverklaring" genoemd. De Huisvestingswet 2014 noemt het woord
                    "urgentieverklaring" niet. Om te voorkomen dat telkens in plaats van
                    "urgentieverklaring" een zinsnede als "het besluit waarmee een woningzoekende is
                    ingedeeld in een urgentiecategorie" moet worden gebruikt, is in het eerste
                    artikel van de HVV het begrip "urgentieverklaring" gedefinieerd. Ook weigering,
                    wijziging en intrekking van de urgentieverklaring geschiedt bij besluit van
                    burgemeester en wethouders.</al><al>De route naar een urgentieverklaring is te verdelen in ruwweg vier stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>indiening en volledigheid van de aanvraag (zie 1.8.1)</al></li><li nr="2."><al>toetsing aan de algemene weigeringsgronden (zie 1.8.2)</al></li><li nr="3."><al>toetsing aan de urgentiecategorieën (zie 1.8.3)</al></li><li nr="4."><al>verlening of weigering van de urgentieverklaring (zie 1.8.4)</al></li></lijst><al>Vervolgens kan een urgentieverklaring ingetrokken of gewijzigd worden (zie
                    1.8.5).</al><tussenkop>1.8.1. De aanvraag om een urgentieverklaring</tussenkop><al>De HVV is gebaseerd op het regionale model voor eenhuisvestingsverordening. De
                    aanvraag om een urgentie is regionaal afgestemd:</al><lijst><li nr="-"><al>woont aanvrager binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de
                            urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van zijn
                            woonplaats;</al></li><li nr="-"><al>woont aanvrager niet binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de
                            urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van de
                            regiogemeente waar hij wil gaan wonen.</al></li></lijst><al>Deze laatste situatie (een aanvrager van buiten de woningmarktregio) doet zich
                    in het bijzonder voor bij de zogenoemde "wettelijke urgentiegronden": deze
                    woningzoekenden zullen vaak niet in de woningmarktregio woonachtig zijn.</al><al>Eén urgentiegrond kent een afwijkende bevoegdheidsregeling: dit betreft de in
                    artikel 2.5.7 van de HVV geregelde urgentiegrond "uitstroom", zie daarvoor
                    paragraaf 1.8.3 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze
                    toelichting.</al><al>Op een aanvraag wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2.56.2, tweede lid, van
                    de HVV, binnen acht weken besloten. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken
                    verlengd worden. Uiteraard is een behandeltermijn van acht weken respectievelijk
                    12 weken langer dan in de meeste gevallen, gelet op het urgente karakter van
                    veel huisvestingsproblemen, wenselijk is. </al><al>Het derde lid van artikel 2.5.2 van de HVV somt op welke gegevens en bescheiden
                    in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                            ingeschreven in het aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
                            aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                            aanvrager.</al></li></lijst><al>Desgewenst kunnen burgemeester en wethouders ook andere gegevens en bescheiden
                    opvragen, voor zover deze nodig zijn voor de behandeling van de aanvraag en voor
                    zover aanvrager redelijkerwijs over deze gegevens kan beschikken. Dit volgt uit
                    artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de volledigheid
                    wordt erop gewezen dat afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht diverse
                    bepalingen bevat over de indiening en de behandeling van aanvragen. De
                    belangrijkste zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden met
                            een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                            aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem negatief,
                            besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de regeling
                            over de beslistermijn en de opschorting daarvan.</al></li></lijst><al>Het in artikel 2.5.2, derde lid aanhef en onder a van de HVV genoemde vereiste
                    dat aanvrager ingeschreven moet zijn in een aanbodinstrument is niet van
                    toepassing op de wettelijke urgentiecategorieën. </al><tussenkop>1.8.2. De algemene weigeringsgronden</tussenkop><al>Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich één of
                    meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in artikel
                    2.5.5, eerste en tweede lid, van de HVV. Niet elke algemene weigeringsgrond is
                    van toepassing op elke urgentiecategorie, zoals blijkt uit onderstaand
                    schema.</al><table><tgroup cols="8"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="13*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="12*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="12*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="12*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="12*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1" nameend="col2" namest="col1"><al>Algemene weigeringsgrond in 2.5.5</al></entry><entry colname="col3" nameend="col8" namest="col3"><al>Urgentiecategorie</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>2.5.6 lid 1</al></entry><entry colname="col4"><al>2.5.6 lid 2</al></entry><entry colname="col5"><al>2.5.7</al></entry><entry colname="col6"><al>2.5.8 lid 1 a</al></entry><entry colname="col7"><al>2.5.8 lid 1 b</al></entry><entry colname="col8"><al>2.5.8 lid 1 c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 a</al></entry><entry colname="col2"><al>voldoet niet aan eisen uit 2.2.1.</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>ja</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 b</al></entry><entry colname="col2"><al>geen urgent huisvestings-probleem</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 c</al></entry><entry colname="col2"><al>huisvestings-probleem is op andere wijze oplosbaar</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>ja</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 d</al></entry><entry colname="col2"><al>voorliggende voorziening</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>ja</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 e</al></entry><entry colname="col2"><al>aanwezigheid verwijtbaarheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 f</al></entry><entry colname="col2"><al>verhuizing naar zelfstandige woonruimte lost niets op</al></entry><entry colname="col3"><al>ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>ja</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 g</al></entry><entry colname="col2"><al>eerdere verklaring is ingetrokken</al></entry><entry colname="col3"><al>ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 h</al></entry><entry colname="col2"><al>zelfstandige woonruimte te duur</al></entry><entry colname="col3"><al>ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>ja</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 i</al></entry><entry colname="col2"><al>minder dan 2 jaar woonachtig in gemeente</al></entry><entry colname="col3"><al>nee</al></entry><entry colname="col4"><al>nee</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 1 j</al></entry><entry colname="col2"><al>overschrijding inkomensnorm</al></entry><entry colname="col3"><al>ja</al></entry><entry colname="col4"><al>ja</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>nee</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>nee</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>lid 2</al></entry><entry colname="col2"><al>niet woonachtig in legale, permanente zelfstandige
                                        woonruimte</al></entry><entry colname="col3"><al>nee</al></entry><entry colname="col4"><al>nee</al></entry><entry colname="col5"><al>nee</al></entry><entry colname="col6"><al>ja</al></entry><entry colname="col7"><al>Ja</al></entry><entry colname="col8"><al>ja</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk
                    zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en
                    wethouders: als er zich één of meerdere van deze weigeringsgronden voordoen,
                    moet de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden.</al><al>De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter: indien zich
                    deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd
                    worden.</al><al>Het derde lid van artikel 2.5.5 van de HVV bevat de koppeling met de in de
                    artikelen 2.5.7 tot en met 2.5.8 opgenomen urgentiecategorieën: valt aanvrager
                    niet onder één van die urgentiecategorieën, dan dient de aangevraagde
                    urgentieverklaring geweigerd te worden.</al><al>Voor een verdere inhoudelijke toelichting op de algemene weigeringsgronden van
                    artikel 2.5.5 wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>1.8.3. De urgentiecategorieën</tussenkop><al>Er zijn verdeeld over drie artikelen zeven urgentiecategorieën opgenomen in de
                    HVV:</al><al>De wettelijke urgentiecategorieën van artikel 2.5.6</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die verblijven in een
                            voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met
                            problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten
                            en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de
                            behoefte aan woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel
                            van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is (artikel 2.5.6,
                            eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de voorziening in de
                            behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van
                            mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                            aanvrager dringend noodzakelijk is (artikel 2.5.6, eerste lid, aanhef en
                            onder b);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor een vergunninghouder die, gelet op de in
                            artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door
                            het college van burgemeester en wethouders waar de urgentieverklaring
                            wordt aangevraagd (artikel 2.5.6, tweede lid).</al></li></lijst><al>De regionale urgentiecategorieën van artikel 2.5.7 en 2.5.8</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekende die moet omzien naar
                            woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor
                            maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende
                            hulp- of dienstverleningsinstelling (artikel 2.5.7, eerste lid aanhef en
                            onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                            verkeren (artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekende die op grond van medische of
                            sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de
                            in artikel 2.5.7 bedoelde urgentiecategorie (artikel 2.5.8, eerste lid,
                            aanhef en onder b);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                            behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede
                            lid aangewezen complex waaruit zij moeten verhuizen in verband met sloop
                            of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied (artikel
                            2.5.8, eerste lid, aanhef en onder c).</al></li></lijst><al>Een aangevraagde urgentieverklaring kan pas verleend worden, als de aanvrager
                    valt onder één van deze urgentiecategorieën (en geen van de relevante algemene
                    weigeringsgronden zich voordoet). Uit artikel 2.5.5, derde lid, van de HVV volgt
                    dat de aangevraagde urgentieverklaring wordt geweigerd als de aanvrager in geen
                    van de urgentiecategorieën ingedeeld kan worden. </al><al>De in artikel 2.5.11 opgenomen hardheidsclausule biedt de mogelijkheid om in
                    bijzondere gevallen een urgentieverklaring te verlenen, ook al doet zich één of
                    meer van de weigeringsgronden voor.</al><al>Voor een meer gedetailleerde toelichting op de afzonderlijke urgentiecategorieën
                    wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>1.8.4. Verlening of weigering van de urgentieverklaring</tussenkop><al>Als bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat er zich geen algemene
                    weigeringsgrond voordoet en aanvrager ingedeeld kan worden in één van de in de
                    HVV opgenomen urgentiecategorieën, kan de urgentieverklaring worden verleend.
                    Doet zich wel een algemene weigeringsgrond voor of is aanvrager niet in te delen
                    in één van de urgentiecategorieën, dan wordt de aangevraagde urgentieverklaring
                    geweigerd.</al><al>De beslissing op een aanvraag is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de
                    Algemene wet bestuursrecht. Tegen een besluit kan een belanghebbende (in ieder
                    geval: de aanvrager) bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. Deze
                    rechtsmiddelen zijn: bezwaar, beroep, hoger beroep en, parallel aan bezwaar,
                    beroep of hoger beroep, de indiening van een verzoek om een voorlopige
                    voorziening. </al><al>In artikel 2.5.3 van de HVV wordt beschreven welke gegevens de
                    urgentieverklaring zelf dient te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. Het
                            zoekprofiel bestaat uit een woningtype en het zoekgebied waarop de
                            voorrangswerking van de urgentieverklaring van toepassing is.</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat informatie over aanvrager, het dossier van
                            de aanvrager en de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig
                            is.</al></li></lijst><al>Het in het woningtype op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en
                    aard meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel
                    van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
                    huisvestingsprobleem. Dit meest sobere woningtype kan per regiogemeente
                    verschillen: wat "meest sober" is, hangt immers af van de samenstelling van de
                    woningvoorraad. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de
                    hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op
                    te nemen woningtype bepaald kan worden.</al><al>Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college
                    van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, zie
                    artikel 2.5.4, eerste lid, van de HVV.</al><al>Artikel 2.5.9 van de HVV bevat een regeling voor de geldigheidsduur van de
                    urgentieverklaring. Deze regeling is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>zogenoemde SV-urgentieverklaringen (urgentieverklaringen verleend wegens
                            de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.5.8,
                            eerste lid, aanhef en onder c, van de HVV);</al></li><li nr="-"><al>de aan vergunninghouders verleende urgentieverklaringen
                            (urgentieverklaringen verleend wegens de toepasselijkheid van de
                            urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.5.6, tweede lid); en,</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaringen verleend wegens uitstroom (urgentieverklaringen
                            verleend wegens de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen
                            in artikel 2.5.7, eerste lid).</al></li></lijst><al>Elke verleende urgentieverklaring is geldig:</al><lijst><li nr="-"><al>totdat de woningzoekende niet meer behoort tot de urgentiecategorie
                            waarin hij was ingedeeld bij de beslissing op de aanvrager. Hiervan is
                            onder meer sprake wanneer de woningzoekende woonruimte heeft betrokken
                            en als gevolg daarvan het huisvestingsprobleem geëindigd is;</al></li><li nr="-"><al>tot het moment waarop een termijn van 26 weken na verlening van de
                            urgentieverklaring eindigt. Binnen die 26 weken moet het
                            huisvestingsprobleem in beginsel opgelost zijn. Is dat niet het geval,
                            dan kunnen burgemeester en wethouders de geldigheidsduur van de
                            urgentieverklaring verlengen met ten hoogste 26 weken.</al></li></lijst><tussenkop>1.8.5. Regionale werking van de urgentieverklaring</tussenkop><al>De urgentieverklaring verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel
                    2.5.8 van de HVV opgenomen urgentiecategorie heeft regionale werking. Dit
                    betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de
                    urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in
                    een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven. Het
                    tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.5.4 van de HVV bevat hiervoor de
                    volgende regeling:</al><lijst><li nr="-"><al>de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente
                            waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel
                            aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de
                            urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de
                            ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen
                            zoekprofiel aan te passen.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het
                            verzoek. Het vierde lid van artikel 2.5.4 van de HVV geeft aan welke
                            belangen burgemeester en wethouders daarbij in acht nemen: zij kunnen
                            het verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
                            onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
                            nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een
                            huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten
                            van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
                            goedkope woonruimte.</al></li><li nr="-"><al>als burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien
                            om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring
                            opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente. Het
                            woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het
                            geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen ook, gelet op het bepaalde in het
                            vierde lid, tot de conclusie komen dat het verzoek geweigerd moet
                            worden.</al></li></lijst><al>Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin
                    beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het
                    bepaalde in het vierde lid.</al><al>Zowel een toekenning van het verzoek als een weigering van het verzoek is een
                    besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>1.8.6. Intrekking en wijziging van de urgentieverklaring</tussenkop><al>Onder bepaalde omstandigheden kunnen urgentieverklaringen worden gewijzigd of
                    ingetrokken. Artikel 2.5.10 van de HVV bevat hiervoor een regeling. Dit artikel
                    is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring.</al><al>Het tweede lid van artikel 2.5.10 bevat de intrekkingsgronden. Deze zijn voor
                    burgemeester en wethouders verplichtend geformuleerd, hetgeen betekent dat
                    indien zich een intrekkingsgrond voordoet, de urgentieverklaring ingetrokken
                    dient te worden. Er zijn de volgende intrekkingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Deze
                            grond leidt tot intrekking indien volledigheid of juistheid had geleid
                            tot weigering van de aangevraagde urgentieverklaring. Als bij
                            volledigheid of juistheid een andere urgentieverklaring - of
                            bijvoorbeeld een ander woningtype - zou zijn verleend, is dat een reden
                            om de urgentieverklaring te wijzigen, zie het derde lid.</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring of er doen zich één of meer toepasselijke, in artikel
                            2.5.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
                            toepasselijke weigeringsgronden voor;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring verzoekt om intrekking van de
                            urgentieverklaring;</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring heeft aangeboden passende woonruimte
                            geweigerd of heeft zich anderszins onvoldoende ingespannen om zijn
                            huisvestingsprobleem op te lossen. Van dat laatste is onder meer sprake
                            als hij niet heeft gereageerd op via een aanbodinstrument aangeboden
                            woonruimte, voor zover die woonruimte paste binnen zijn
                            zoekprofiel.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 2.5.10 bevat de wijzigingsgronden. Deze zijn
                    facultatief geformuleerd. Doet zich een wijzigingsgrond voor, dan kunnen
                    burgemeester en wethouders de urgentieverklaring wijzigen. Er zijn de volgende
                    wijzigingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en de
                            urgentieverklaring zou, indien juiste of volledige gegevens verstrekt
                            zouden zijn geweest, niet zijn geweigerd maar anders op de aanvraag
                            besloten; en</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring tot een andere urgentiecategorie
                            behoort dan die welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring.</al></li></lijst><al>Intrekken en wijzigen van een urgentieverklaring is een besluit in de zin van
                    artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>1.8.7. Overgangsrecht urgentieverklaringen</tussenkop><al>Artikel 2.5.12 van de HVV bevat het overgangsrecht voor urgentieverklaringen die
                    verleend zijn voor de inwerkingtreding van de nieuwe HVV: deze
                    urgentieverklaringen blijven ook na inwerkingtreding van de nieuwe HVV gewoon
                    geldig.</al><al>Voor de overige gevallen zijn de regels in de nieuwe HVV onverkort van
                    toepassing, juist omdat er in artikel 2.5.12 niets geregeld wordt voor die
                    situaties. Dat betekent het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>urgentieverklaringen aangevraagd voor 1 januari 2016 worden, als op die
                            aanvragen op 1 januari 2016 nog niet beslist is, afgehandeld met
                            toepassing van de nieuwe HVV. Inhoudelijk maakt dat geen verschil: de
                            regels voor weigering en toekenning zijn immers niet gewijzigd.</al></li><li nr="-"><al>Als er voor 1 januari 2016 bezwaar is ingesteld tegen een
                            urgentieverklaring of een besluit tot weigering, wijziging of intrekking
                            daarvan, en op dat bezwaar is nog niet beslist op 1 januari 2016, dan
                            zijn de regels uit de nieuwe HVV van toepassing op het te nemen besluit
                            op bezwaar.</al></li></lijst><tussenkop>4.2.1 Verstrekken van inlichtingen</tussenkop><al>Ten behoeve van verslaglegging en monitoring was een artikel opgenomen om het
                    dagelijks bestuur van de stadsregio te informeren, zodat deze de wijze van
                    uitvoering van de verordening door de gemeenten kan beoordelen. In deze lokaal
                    vast te stellen verordening is dit gewijzigd in het plegen van afstemming in het
                    portefeuillehoudersoverleg.</al><tussenkop>2. Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Dit hoofdstuk van de toelichting bevat een artikelsgewijze toelichting op de
                    verordening. In bepaalde andere gevallen wordt volstaan met een verwijzing naar
                    de algemene toelichting of wordt een gedeelte van algemene toelichting
                    herhaald.</al><tussenkop>Artikel 1 Definities</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.1.1 Werkingsgebied</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt het werkingsgebied van hoofdstuk 2 (de artikelen 2.1.1 tot
                    en met 2.5.12) van de HVV. Het eerste lid bevat een geografische beschrijving
                    van het werkingsgebied. De daarop volgende leden beschrijven de omvang van de
                    woonruimtevoorraad die binnen dat geografische werkingsgebied onder de werking
                    van hoofdstuk 2 valt.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2 Reikwijdte vergunningplicht</tussenkop><al>Dit artikel bevat de op artikel 7 van de wet gebaseerde beschrijving van de
                    huisvestingsvergunningplicht.</al><tussenkop>Artikel 2.2.1 Toelatingscriteria</tussenkop><al>Dit artikel bevat twee criteria waaraan een huishouden moet voldoen om
                    toegelaten te worden tot het aangewezen deel van de woningmarkt:</al><lijst><li nr="-"><al>ten minste één van de leden van het huishouden is niet minderjarig als
                            bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="-"><al>alle leden van het huishouden mogen rechtmatig in Nederland
                            verblijven.</al></li></lijst><al>Deze toelatingscriteria zijn, via artikel 2.3.2, eerste lid, tevens
                    weigeringsgronden voor de huisvestingsvergunning.</al><tussenkop>Artikel 2.2.2 Aanbieden van woonruimte</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop corporaties hun voor verhuur beschikbare
                    woonruimte aanbieden. Deze aanbieding geschiedt, gelet op het bepaalde in het
                    eerste lid, eenduidig en transparant via een aanbodinstrument of via meerdere
                    aanbodinstrumenten. </al><al>Het tweede lid heeft tot doel te waarborgen dat het voor de woningzoekende
                    duidelijk is aan welke voorwaarden hij dient te voldoen om in aanmerking te
                    komen voor de via een aanbodinstrument aangeboden woonruimte.</al><al>Als woonruimte via directe bemiddeling wordt aangeboden, is het bepaalde in het
                    eerste en tweede lid niet van toepassing.</al><al>Verwezen wordt verder naar paragraaf 1.5.4. van deze toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2.2.3 Woningzoekenden en inschrijving</tussenkop><al>Een woningzoekende kan zich vanaf het moment waarop hij de leeftijd van 18 jaar
                    bereikt, inschrijven als woningzoekende. Dat doet hij in een aanbodinstrument.
                    De inschrijving in één aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                    woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument. Zo wordt bewerkstelligt dat de
                    woningzoekende in de hele woningmarktregio dezelfde inschrijfduur opbouwt.</al><al>Ingevolge het bepaalde in het tweede lid is de inschrijfduur gelijk aan de
                    periode dat men als woningzoekende staat ingeschreven. Ingevolge het bepaalde in
                    het derde lid eindigt de inschrijving nadat een woningzoekende als huurder
                    aangewezen woonruimte in gebruik heeft genomen. </al><al>Als eventueel huisgenoten (niet-zijnde meeverhuizende inwonende kinderen) ook
                    zelfstandig als woningzoekende zijn ingeschreven én hun medeverhuizing is
                    noodzakelijk voor het verkrijgen van de huisvestingsvergunning voor de bewoning
                    van de desbetreffende woonruimte (bijvoorbeeld: in verband met passendheid gelet
                    op de grootte van de woning), eindigt ook hun inschrijving als woningzoekende,
                    zo volgt uit het vierde lid.</al><tussenkop>Artikel 2.2.4 Voorwaarden aan inschrijving via het
                    aanbodinstrument</tussenkop><al>Aan de inschrijving als woningzoekende via een aanbodinstrument kunnen
                    voorwaarden worden verbonden. Te denken valt aan inschrijfgeld of per jaar dat
                    men ingeschreven staat te betalen verlengingsgeld.</al><tussenkop>Artikel 2.2.5 Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de woning gelegen is, zijn
                    bevoegdheid om een huisvestingsvergunning te verlenen, weigeren of
                    intrekken.</al><al>De huisvestingsvergunning wordt verleend op aanvraag. Artikel 2.2.5 van de HVV
                    bevat regels voor het doen van zo'n aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>de aanvraag moet worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de
                            regiogemeente waar de woning gelegen is;</al></li><li nr="-"><al>de aanvraag moet vergezeld gaan van diverse stukken met nadere
                            informatie;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van alle
                            leden van het huishouden te tonen;</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen nog andere, niet in dit artikel
                            genoemde, informatie opvragen bij aanvrager;</al></li></lijst><al>in bepaalde gevallen moet de aanvrager over een indicatie beschikken, waaruit
                    blijkt dat de woning waarvoor hij een huisvestingsvergunning wil verkrijgen, bij
                    uitstek geschikt is voor hem.</al><al>Overigens bevat afdeling 4.1 van de Awb een algemene, ook voor de
                    huisvestingsvergunning geldende, regeling over beschikkingen. De voor de
                    praktijk belangrijkste artikelen uit dit deel van de Awb zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 4:5 Awb. Dit artikel schrijft voor hoe omgegaan moet worden met
                            een onvolledige aanvraag;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:8 Awb. Dit artikel schrijft voor dat in bepaalde gevallen
                            aanvrager moet kunnen reageren op een voorgenomen, voor hem negatief,
                            besluit;</al></li><li nr="-"><al>artikel 4:13 tot en met 4:15 Awb. Deze artikelen bevatten de regeling
                            over de beslistermijn en de opschorting daarvan. Zie daarvoor ook
                            artikel 2.2.7 van de HVV.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.2.6 Beslistermijn</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel bepaalt de reguliere beslistermijn op acht weken.
                    Het tweede lid bepaalt dat die termijn eenmalig met vier weken verlengd kan
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 2.2.7 Gegevens op de vergunning</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1 Reikwijdte paragraaf 2.3</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het bepaalde in paragraaf 2.34 uitsluitend van
                    toepassing op ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van
                    een corporatie.</al><tussenkop>Artikel 2.3.2 Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</tussenkop><al>Ingevolge het bepaalde in het eerste lid wordt de huisvestingsvergunning
                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in artikel
                            2.2.1..Deze criteria houden in dat tenminste één van de leden van het
                            huishouden bevoegd is een huurovereenkomst te sluiten (het onder a van
                            artikel 2.2.1 genoemde criterium) en dat alle leden van het huishouden
                            in Nederland mogen verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde
                            criterium).</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.3.6 niet voor de
                            huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Dit is de koppeling naar de
                            regels over toewijzing van corporatiewoningen via het aanbodinstrument
                            of via directe bemiddeling.</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
                            nemen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als aannemelijk is dat het
                            huishouden zelf niet in de woning gaat wonen maar deze (illegaal) zal
                            onderverhuren; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar
                            belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid
                            voor de bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de
                            waarborging van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een
                            huurovereenkomst met aanvrager heeft kunnen weigeren. Deze
                            weigeringsgrond maakt het mogelijk om bij de beslissing over het al dan
                            niet verlenen van de huisvestingsvergunning rekening te houden met de
                            specifieke positie die een corporatie heeft ten gevolge van de Woningwet
                            en haar positie als verhuurder <cursief>sec</cursief>. </al></li></lijst><al>Alle genoemde weigeringsgronden vormen een zelfstandige weigeringsgrond.</al><al>Zie overigens ook paragraaf 1.5. van deze toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2.3.3 Intrekking vergunning</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de
                            genoemde termijn in gebruik heeft genomen. In het belang van een
                            doelmatig beheer van schaarse woonruimte is het immers van belang dat
                            vrijkomende woonruimte zo spoedig mogelijk weer in gebruik genomen
                            wordt.</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
                            verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden
                            dat zij onjuist of onvolledig waren.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.3.4 Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en
                    prijs van woonruimte</tussenkop><al>Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in de
                    huisvestingsverordening te bepalen dat bepaalde categorieën woningzoekenden met
                    voorrang in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning voor bepaalde
                    categorieën woonruimte. Dit, gelet op de aard, grootte of prijs van die
                    woonruimte. Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 biedt dus niet de
                    mogelijkheid om woningzoekenden uit te sluiten van de mogelijkheid om een
                    huisvestingsvergunning te krijgen. Zie daarvoor overigens ook de tweede alinea
                    van paragraaf 1.5 van deze toelichting.</al><al>Passendheidscriteria zijn voorrangsregelingen, geen uitsluitingsgronden. Dat
                    betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op een woning van toepassing
                    zijnde passendheidseis, ten opzichte van woningzoekenden die daaraan niet
                    voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor een
                    huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    passendheidseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in
                    aanmerking, maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de passendheidseis
                    voldoen.</al><al>Het eerste lid van artikel 2.3.4 beschrijft dat de categorieën woonruimte
                    genoemd in kolom 2 van de in het tweede lid opgenomen tabel, categorieën
                    woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de Huisvestingswet 2014 zijn. Deze
                    categorieën woonruimte zijn als het ware gematcht met de in kolom 1 van de tabel
                    genoemde, categorieën woningzoekenden. Het tweede lid van artikel 2.3.4 bepaalt
                    dan ook dat de woningzoekenden uit kolom 2 met voorrang in aanmerking komen voor
                    een huisvestingsvergunning voor woonruimte uit kolom 1, uiteraard voor zover
                    categorie woningzoekende en categorie woonruimte in dezelfde rij van de kolom
                    staan. Voor de gemeente Zaanstad zijn bij de categorie woonruimte in het
                    bijzonder geschikt voor de huisvesting van personen met verminderde
                    zelfredzaamheid subcategorieën opgenomen.</al><al>Het met voorrang in aanmerking laten komen voor een huisvestingsvergunning maakt
                    onderdeel uit van de voorbereiding van de beslissing tot verlening van een
                    huisvestingsvergunning en is daarmee een bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Het is daarom dat de nadere invulling van de inkomenseis op grond
                    van het derde lid van artikel 2.3.4 door burgemeester en wethouders geschiedt.
                    Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat het voorrang op basis van inkomen,
                    gelet op de prijs van de woonruimte, betreft en geen uitsluiting op basis van
                    inkomen.</al><tussenkop>Artikel 2.3.5 Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                    binding</tussenkop><al>Artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 geeft de mogelijkheid om in
                    de huisvestingsverordening te bepalen dat bij de verlening van
                    huisvestingsvergunningen voor ten hoogste 50% van één of meer daarbij aangewezen
                    categorieën woonruimte, voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die
                    economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de woningmarktregio. </al><al>Voor ten hoogste de helft van dat percentage mag bij de verlening van
                    huisvestingsvergunningen voorrang worden gegeven aan woningzoekenden die
                    economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de gemeente behorende
                    kern, aldus de tweede zin van artikel 14, tweede lid, van de Huisvestingswet
                    2014.</al><al>Bindingscriteria zijn, net als passendheidscriteria, voorrangsregelingen, geen
                    uitsluitingsgronden. Dat betekent dat een woningzoekende die voldoet aan de op
                    een woning van toepassing zijnde bindingseis, ten opzichte van woningzoekenden
                    die daaraan niet voldoen <cursief>met voorrang</cursief> in aanmerking komt voor
                    een huisvestingsvergunning. Andersom: woningzoekenden die niet voldoen aan een
                    bindingseis, komen eventueel wel voor een huisvestingsvergunning in aanmerking,
                    maar dan alleen ná de woningzoekenden die wél aan de bindingseis voldoen.</al><al>In artikel 2.3.5 is van de HVV is van de in artikel 14, tweede lid, van de
                    Huisvestingswet 2014 geboden mogelijkheid gebruikgemaakt. Dat betekent dat ten
                    hoogste 50% van de huisvestingsvergunningen verleend met voorrang aan
                    woningzoekenden met regionale binding verleend mag worden. In de helft van die
                    gevallen, dus: in 25% van de gevallen, mag een huisvestingsvergunning met
                    voorrang verleend worden aan woningzoekenden met lokale binding.</al><al>Let wel, alleen gevallen waarbij de huisvestingsvergunning daadwerkelijk
                    verleend wordt omdat sprake is van binding, tellen mee in de bovengenoemde
                    percentages. </al><al>Opgemerkt wordt verder dat de woningzoekenden in het bezit van een
                    urgentieverklaring verleend in verband met mantelzorg, uitstroom uit een
                    blijf-van-mijn-lijfhuis of vergunninghouders (statushouders) die de gemeente
                    gelet op de taakstelling moet huisvesten, de bindingscriteria niet tegengeworpen
                    kunnen krijgen, zie lid 3 van artikel 2.4.7 van de HVV en artikel 16 van de
                    Huisvestingswet 2014.</al><tussenkop>Artikel 2.3.6 Algemene volgordebepaling</tussenkop><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><tussenkop>Artikel 2.3.6a Bijzondere volgordebepaling</tussenkop><al>Deze volgordebepaling geldt als de woonruimte te huur wordt aangeboden met
                    toepassing het label "grote huishoudens" zoals dat is opgenomen in artikel
                    2.3.4, vierde lid. De volgordebepaling treedt, wanneer de woonruimte wordt
                    aangeboden via het aanbodinstrument, in de plaats van de algemene
                    volgordebepaling opgenomen in artikel 2.3.6.</al><tussenkop>Artikel 2.3.7 Volgorde van de houders van de
                    urgentieverklaring</tussenkop><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><tussenkop>Artikel 2.38 Volgorde overige woningzoekenden</tussenkop><al>Zie paragraaf 1.5.5.</al><tussenkop>Artikel 2.3.9 Directe bemiddeling</tussenkop><al>Zie paragraaf 1.5.6.</al><tussenkop>Artikel 2.3.10 Bijzondere gevallen</tussenkop><al>Zie paragraaf 1.5.6.</al><tussenkop>Artikel 2.4.1 Algemeen</tussenkop><al>De artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.3 bevatten een regeling voor experimenten op
                    het gebied van woonruimteverdeling. Belangrijk is het om vast te stellen dat
                    experimenten weliswaar niet mogelijk zijn op grond van de (overige) bepalingen
                    van de HVV, maar wel, gelet op de Huisvestingswet 2014, in een
                    huisvestingsverordening opgenomen zouden kunnen worden. Het is dus zo dat
                    experimenten niet in strijd mogen zijn met de uitgangspunten van de
                    Huisvestingswet 2014 zelf. </al><tussenkop>Artikel 2.4.2 Experimenten met woonruimten van corporaties</tussenkop><al>Dit artikel regelt de experimenten die corporaties en gemeenten samen kunnen
                    organiseren. Een experiment duurt maximaal 2 jaar en betreft ten hoogste 10% van
                    de per jaar toe te wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment
                    betrokken zijn. Een experiment mag pas starten als de Stuurgroep Wonen de opzet
                    ervan heeft goedgekeurd.</al><tussenkop>Artikel 2.4.3 Experimenten met overige aangewezen woonruimten</tussenkop><al>Ook andere verhuurders dan corporaties kunnen samen met gemeenten experimenten
                    organiseren. </al><tussenkop>Artikel 2.5.1 Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                    urgentieverklaring</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
                    urgentieverklaring moet worden aangevraagd, beslissen op de aanvraag Artikel
                    2.5.2 bepaalt waar de aanvraag ingediend moet worden.</al><al>Eén urgentiegrond kent een eigen bevoegdheidsregeling: dit betreft de in artikel
                    2.5.7 van de HVV geregelde urgentiegrond "uitstroom", zie daarvoor paragraaf
                    1.8.3 van de algemene toelichting en de artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2.5.2 Aanvraag om een urgentieverklaring</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel bevat een regeling voor het indienen van de
                    aanvraag om een urgentieverklaring:</al><lijst><li nr="-"><al>woont aanvrager binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de
                            urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van zijn
                            woonplaats;</al></li><li nr="-"><al>woont aanvrager niet binnen de woningmarktregio, dan vraagt hij de
                            urgentieverklaring aan bij burgemeester en wethouders van de
                            regiogemeente waar hij wil gaan wonen.</al></li></lijst><al>Deze laatste situatie (een aanvrager van buiten de woningmarktregio) doet zich
                    in het bijzonder voor bij de zogenoemde "wettelijke urgentiegronden": deze
                    woningzoekenden zullen vaak niet in de woningmarktregio woonachtig zijn.</al><al>Op een aanvraag wordt, gelet op het bepaalde in artikel 2.5.2, tweede lid, van
                    de HVV, binnen acht weken besloten. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken
                    verlengd worden. Uiteraard is een behandeltermijn van acht weken respectievelijk
                    12 weken langer dan in de meeste gevallen, gelet op het urgente karakter van
                    veel huisvestingsproblemen, wenselijk is. </al><al>Het derde lid van artikel 2.5.2 van de HVV somt op welke gegevens en bescheiden
                    in ieder geval bij de aanvraag ingediend moeten worden:</al><lijst><li nr="a."><al>stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                            ingeschreven in het aanbodinstrument;</al></li><li nr="b."><al>informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
                            aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al></li><li nr="c."><al>informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                            aanvrager.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.3 Inhoud van de urgentieverklaring</tussenkop><al>In artikel 2.5.3 van de HVV wordt beschreven welke gegevens de
                    urgentieverklaring zelf dient te bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte. Het
                            zoekprofiel bestaat uit een woningtype en het zoekgebied waarop de
                            voorrangswerking van de urgentieverklaring van toepassing is.</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaring bevat informatie over aanvrager, het dossier van
                            de aanvrager en de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig
                            is.</al></li></lijst><al>Het in het woningtype op te nemen zoekprofiel bevat qua ligging, grootte, en
                    aard het meest sobere woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het
                    oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
                    huisvestingsprobleem. Dit meest sobere woningtype kan per regiogemeente
                    verschillen: wat "meest sober" is, hangt immers af van de samenstelling van de
                    woningvoorraad. Op gemeentelijk niveau kan daarom beleid opgesteld worden aan de
                    hand waarvan bij de behandeling van concrete aanvragen het in het zoekprofiel op
                    te nemen woningtype bepaald kan worden. Dit geldt voor urgentieverklaringen met
                    uitzondering van de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaring in verband
                    met calamiteiten (de urgentiecategorie genoemd in artikel 2.6.8, eerste lid,
                    aanhef en onder a). Verder wordt opgemerkt dat binnen de gemeente Amsterdam de
                    houders van een wegens een calamiteit verleende urgentieverklaring zelf in
                    WoningNet kunnen zoeken en reageren op woningen die zijn gelabeld voor
                    voorrangskandidaten. De woningcorporaties labelen in hun ogen geschikte woningen
                    voor de urgenten.</al><al>Zie voor de bepaling van het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied artikel
                    2.5.4 van de HVV.</al><tussenkop>Artikel 2.5.4 Het zoekgebied</tussenkop><al>Het in het zoekprofiel op te nemen zoekgebied omvat de gemeente van het college
                    van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring heeft verleend, aldus
                    eerste lid.</al><al>De urgentieverklaring verleend wegens de toepasselijkheid van een in artikel
                    2.5.8 van de HVV opgenomen urgentiecategorie heeft regionale werking. Dit
                    betekent dat een woningzoekende onder bepaalde omstandigheden de
                    urgentieverklaring kan inzetten bij het verkrijgen van woonruimte, gelegen in
                    een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven. Het
                    tweede tot en met vijfde lid van artikel 2.5.4 van de HVV bevat hiervoor de
                    volgende regeling:</al><lijst><li nr="-"><al>de houder van een urgentieverklaring meldt zich bij de regiogemeente
                            waar hij naar toe wil verhuizen. Deze regiogemeente wordt in het artikel
                            aangeduid als "de ontvangende gemeente". De houder van de
                            urgentieverklaring verzoekt burgemeester en wethouders van de
                            ontvangende gemeente om het in de urgentieverklaring opgenomen
                            zoekprofiel aan te passen.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders van de ontvangende gemeente beoordelen het
                            verzoek. Het vierde lid van artikel 2.5.4 van de HVV geeft aan welke
                            belangen burgemeester en wethouders daarbij in achtnemen: zij kunnen het
                            verzoek weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
                            onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
                            nopen. Daarmee grijpt het vierde lid terug op het motief om een
                            huisvestingsverordening vast te stellen: het bestrijden van de effecten
                            van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan
                            goedkope woonruimte. Opgemerkt wordt dat burgemeester en wethouders in
                            deze situatie niet opnieuw beoordelen of de urgentieverklaring zelf
                            terecht is verleend. </al></li><li nr="-"><al>als burgemeester en wethouders gelet op het vierde lid geen reden zien
                            om het verzoek te weigeren, wijzigen zij het in de urgentieverklaring
                            opgenomen zoekprofiel. Het zoekgebied wijzigen zij in hun gemeente. Het
                            woningtype wijzigen zij in het woningtype dat voor hun gemeente in het
                            geval van deze woningzoekende als meest sobere woningtype geldt.</al></li><li nr="-"><al>burgemeester en wethouders kunnen ook, gelet op het bepaalde in het
                            vierde lid, tot de conclusie komen dat het verzoek geweigerd moet
                            worden.</al></li></lijst><al>Het ligt voor de hand om op gemeentelijk niveau beleid vast te stellen waarin
                    beschreven wordt hoe invulling wordt gegeven aan de toets van verzoeken aan het
                    bepaalde in het vierde lid.</al><al>Zowel een toekenning van het verzoek als een weigering van het verzoek is een
                    besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 2.5.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</tussenkop><al>Als de aanvraag volledig en te beoordelen is, wordt getoetst of er zich één of
                    meerdere algemene weigeringsgronden voordoen. Deze zijn opgenomen in artikel
                    2.56.5, eerste en tweede lid, van de HVV. Niet elke algemene weigeringsgrond is
                    van toepassing op elke urgentiecategorie, zie het schema in paragraaf
                    1.8.2.</al><al>De weigeringsgronden genoemd in het eerste lid zijn, voor zover ze toepasselijk
                    zijn op de desbetreffende urgentiecategorie, verplichtend voor burgemeester en
                    wethouders<sup/>: als er zich één of meerdere van deze weigeringsgronden
                    voordoen, moet de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd worden. Het betreft
                    de volgende weigeringsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1
                            genoemde eisen. Dit betekent dat tenminste één lid van het huishouden
                            van aanvrager niet minderjarig is en dat alle leden van het huishouden
                            in Nederland mogen verblijven.</al></li><li nr="b."><al>er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Uit deze
                            weigeringsgrond volgt dat sprake moet zijn van een urgent
                            huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of
                            kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze
                            oplossen. In bepaalde gevallen is wel sprake van een urgent
                            huisvestingsprobleem, maar had aanvrager dit redelijkerwijs zelf kunnen
                            voorkomen. Bijvoorbeeld door in verband met een voorzienbare beperking
                            tijdig te verhuizen naar meer geschikte woonruimte. Of door met eigen
                            vermogen geschikte woonruimte te kopen. </al></li><li nr="d."><al>het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost
                            door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Het begrip
                            'voorliggende voorziening' is gedefinieerd in artikel 1 en kan eventueel
                            in lokaal beleid verder inhoud gegeven worden.</al></li><li nr="e."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is
                            ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of
                            een lid van zijn huishouden. Van deze weigeringsgrond is bijvoorbeeld
                            sprake als aanvrager zijn vorige woning heeft moeten verlaten in verband
                            met door hem ondernomen wietteelt of als aanvrager met zijn gezin is
                            gaan inwonen, terwijl het redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot
                            problemen zou leiden.</al></li><li nr="f."><al>het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet
                            of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar andere
                            zelfstandige woonruimte. Deze weigeringsgrond doet zich bijvoorbeeld
                            voor indien aanvrager als gevolg van specifieke problematiek een urgent
                            huisvestingsprobleem heeft gekregen en redelijkerwijs te verwachten is
                            dat die problematiek hem nog steeds belet om zelfstandig woonruimte te
                            bewonen. Het kan daarbij gaan om problematiek van sociaal-medische
                            aard.</al></li><li nr="g."><al>de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager
                            of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is
                            ingetrokken met toepassing van artikel 2.5.10, tweede lid, aanhef en
                            onder a en d. Bij intrekking wegens de toepasselijkheid van deze
                            intrekkingsgronden (a. onvolledige of onjuiste gegevens verstrekt en d.
                            aangeboden woonruimte geweigerd dan wel zich onvoldoende ingespannen)
                            kan gezegd worden dat aanvrager het ontstane of voortdurende
                            huisvestingsprobleem in belangrijke mate aan zichzelf te wijten
                            heeft.</al></li><li nr="h."><al>de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van
                            bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Indien aanvrager niet
                            in de kosten van bestaan of de kosten van bewoning van zelfstandige
                            woonruimte kan voorzien, is het, via een urgentieverklaring verkrijgen
                            van zelfstandige woonruimte, geen duurzame oplossing van het
                            huisvestingsprobleem.</al></li><li nr="i."><al>de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de
                            aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet
                            tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de
                            urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was. Deze
                            weigeringsgrond spreekt voor zich.</al></li><li nr="j."><al>het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt. Huishoudens met een
                            inkomen boven de DAEB-norm worden verondersteld in beginsel zelf voor
                            hun huisvesting te kunnen zorgen.</al></li></lijst><al>De weigeringsgrond in het tweede lid heeft een facultatief karakter: indien zich
                    deze weigeringsgrond voordoet, kan de aangevraagde urgentieverklaring geweigerd
                    worden. Deze weigeringsgrond stelt burgemeester en wethouders in staat om een
                    urgentieverklaring te weigeren indien het huisvestingsprobleem veroorzaakt wordt
                    door het </al><lijst><li nr="-"><al>bewonen van onzelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="-"><al>bewonen van voor tijdelijke bewoning geschikte woonruimte; of</al></li><li nr="-"><al>in een in strijd met een bestemmingsplan permanent bewonen van een
                            bouwwerk.</al></li></lijst><al>Aanvrager kon immers bij de start van deze vormen van bewoning verwachten dat op
                    een zeker moment als gevolg daarvan een huisvestingsprobleem zou gaan ontstaan.
                    Het ligt overigens voor de hand dat gemeenten die voornemens zijn om van deze
                    weigeringsgrond gebruik te maken, ter zake beleid ontwikkelen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.6 Wettelijke urgentiecategorieën</tussenkop><al>Artikel 2.5.6 bevat de zogenoemde wettelijke urgentiecategorieën. Dit zijn de
                    urgentiecategorieën waarvan in artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet
                    2014 is bepaald dat áls een gemeenteraad besluit tot instelling van een
                    urgentieregeling, hij in ieder geval die categorieën onder de reikwijdte van de
                    urgentieregeling moet laten vallen. Concreet gaat het om:</al><lijst><li nr="a."><al>woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                            van personen, die in verband met problemen van relationele aard of
                            geweld hun woonruimte hebben verlaten;</al></li><li nr="b."><al>woningzoekenden die mantelzorg verlenen of ontvangen;</al></li><li nr="c."><al>vergunninghouders (vroeger ook wel "statushouders" genaamd).</al></li></lijst><al>In het eerste lid zijn de onder a. en b. genoemde categorieën opgenomen. Er
                    wordt op gewezen dat op deze categorieën de algemene weigeringsgronden van
                    artikel 2.5.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j van toepassing
                    zijn. Over de onder a. genoemde categorie wordt opgemerkt dat deze urgentiegrond
                    zich, naast de overige in het eerste lid onder a genoemde omstandigheden, pas
                    voordoet als "de behoefte aan <cursief>in de desbetreffende regiogemeente
                        gelegen woonruimte</cursief>" naar het oordeel van burgemeester en
                    wethouders noodzakelijk is. </al><al>Over de onder b. genoemde categorie wordt opgemerkt dat het enkele bestaan van
                    een mantelzorgrelatie tussen een inwoner van de regiogemeente en een
                    woningzoekende van elders, geen grond is voor toekenning van een
                    urgentieverklaring. Het verlenen of ontvangen van mantelzorg moet een dusdanige
                    impact op het leven van aanvrager hebben, dat naar het oordeel van burgemeester
                    en wethouders sprake is van een voor aanvrager dringend noodzakelijke behoefte
                    aan andere woonruimte. </al><al>De onder c. genoemde categorie is opgenomen in het tweede lid van artikel 2.5.6.
                    Een vergunninghouder (statushouder) komt pas in aanmerking voor een
                    urgentieverklaring als: </al><lijst><li nr="-"><al>de vergunninghouder, gelet op de op burgemeester en wethouders rustende
                            taakstelling, gehuisvest moet worden in de desbetreffende
                            regiogemeente;</al></li><li nr="-"><al>de vergunninghouder door het COA niet bij een andere gemeente is
                            voorgedragen; en,</al></li><li nr="-"><al>de vergunninghouder niet reeds eerder aangeboden woonruimte heeft
                            geweigerd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.7 Regionale urgentiegrond "uitstroom"</tussenkop><al>De woningzoekenden die tot deze urgentiecategorie behoren stromen uit een
                    instelling voor maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een
                    erkende hulp- of dienstverleningsinstelling uit naar de gemeente waar zij
                    voorafgaand aan hun verblijf in die instelling tenminste twee van de drie jaar
                    woonachtig waren. Burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar zo'n
                    instelling staat, beslissen op de aanvraag om een urgentieverklaring. Vervolgens
                    wordt de houder van de urgentieverklaring door burgemeester en wethouders
                    doorgeleid naar de regiogemeente waar hij tenminste twee van de drie jaar direct
                    voorafgaand aan het verblijf in de instelling woonachtig was of, als dat eerste
                    gelet op de problematiek niet wenselijk is, een andere regiogemeente.
                    Burgemeester en wethouders van die gemeente bepalen het voor de woningzoekende
                    passende woningtype.</al><tussenkop>Artikel 2.5.8 Overige regionale urgentiecategorieën</tussenkop><al>De regionale urgentiecategorieën genoemd in artikel 2.5.8 van de HVV
                    betreffen:</al><lijst><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden die in een acute noodsituatie
                            verkeren (artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder a);</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor die op grond van medische of sociale redenen
                            dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.5.7
                            bedoelde urgentiecategorie (artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder
                            b); en,</al></li><li nr="-"><al>een urgentiecategorie voor woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte
                            behoort tot een door burgemeester en wethouders op grond van het tweede
                            lid aangewezen complex waaruit zij moeten verhuizen in verband met met
                            sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het gebied
                            (artikel 2.5.8, eerste lid, aanhef en onder c).</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de de eerste twee genoemde urgentiecategorieën is regionaal
                    afgestemd beleid tot stand gekomen.</al><al> Voor de derde genoemde urgentiecategorie betreft de zogenoemde SV-urgenten. Dit
                    zijn huishoudens die een, in het kader van stedelijke herstructurering, te
                    slopen of ingrijpend te renoveren complexen bewonen. Om hen in aanmerking te
                    laten komen voor een urgentieverklaring, moeten burgemeester en wethouders eerst
                    het complex aanwijzen. Het tweede lid van artikel 2.5.8 van de HVV bevat hier
                    een regeling voor. Zo'n aanwijzing kan pas plaatsvinden als aannemelijk is dat
                    de huidige bewoners van het complex binnen twee jaar moeten verhuizen. Na zo'n
                    aanwijzing komen de bewoners in aanmerking voor een urgentieverklaring, gelet op
                    het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder c.</al><tussenkop>Artikel 2.56.9 Geldigheid van de urgentieverklaring</tussenkop><al>Dit artikel van de HVV bevat een regeling voor de geldigheidsduur van de
                    urgentieverklaring. Deze regeling is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="-"><al>zogenoemde SV-urgentieverklaringen (urgentieverklaringen verleend wegens
                            de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.5.8,
                            eerste lid, aanhef en onder c, van de HVV);</al></li><li nr="-"><al>de aan vergunninghouders verleende urgentieverklaringen
                            (urgentieverklaringen verleend wegens de toepasselijkheid van de
                            urgentiecategorie opgenomen in artikel 2.5.6, tweede lid); en,</al></li><li nr="-"><al>de urgentieverklaringen verleend wegens uitstroom (urgentieverklaringen
                            verleend wegens de toepasselijkheid van de urgentiecategorie opgenomen
                            in artikel 2.5.7, eerste lid).</al></li></lijst><al>Een verleende urgentieverklaring is geldig:</al><lijst><li nr="-"><al>totdat de woningzoekende niet meer behoort tot de urgentiecategorie
                            waarin hij was ingedeeld bij de beslissing op de aanvrager. Hiervan is
                            onder meer sprake wanneer de woningzoekende woonruimte heeft betrokken
                            en als gevolg daarvan het huisvestingsprobleem geëindigd is;</al></li><li nr="-"><al>tot het moment waarop een termijn van 26 weken na verlening van de
                            urgentieverklaring eindigt. Binnen die 26 weken moet het
                            huisvestingsprobleem in beginsel opgelost zijn. Is dat niet het geval,
                            dan kunnen burgemeester en wethouders de geldigheidsduur van de
                            urgentieverklaring verlengen met ten hoogste 26 weken.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.10 Wijzigen en intrekken van de
                    urgentieverklaring</tussenkop><al>Dit artikel van de HVV bevat een regeling voor wijziging en intrekken van de
                    urgentieverklaring. Dit artikel is niet van toepassing op de
                    SV-urgentieverklaring.</al><al>Het tweede lid van artikel 2.5.10 bevat de intrekkingsgronden. Deze zijn voor
                    burgemeester en wethouders verplichtend geformuleerd, hetgeen betekent dat
                    indien zich een intrekkingsgrond voordoet, de urgentieverklaring ingetrokken
                    dient te worden.<sup/> Er zijn de volgende intrekkingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag zijn onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Deze
                            grond leidt tot intrekking indien volledigheid of juistheid had geleid
                            tot weigering van de aangevraagde urgentieverklaring. De omstandigheid
                            dat bij volledigheid of juistheid een andere urgentieverklaring - of
                            bijvoorbeeld een ander woningtype - zou zijn verleend, is gelet op het
                            derde lid een reden om de urgentieverklaring te wijzigen.</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring of er doen zich één of meer toepasselijke, in artikel
                            2.5.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
                            toepasselijke weigeringsgronden voor;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de urgentieverklaring verzoekt om intrekking van de
                            urgentieverklaring;</al></li><li nr="d."><al>de houder van de urgentieverklaring heeft aangeboden passende woonruimte
                            geweigerd of heeft zich anderszins onvoldoende ingespannen om zijn
                            huisvestingsprobleem op te lossen. Van dat laatste is onder meer sprake
                            als hij niet heeft gereageerd op via een aanbodinstrument aangeboden
                            woonruimte, voor zover die woonruimte paste binnen zijn
                            zoekprofiel.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 2.5.10 bevat de wijzigingsgronden. Deze zijn
                    facultatief geformuleerd. Doen er zich een wijzigingsgrond voor, dan kunnen
                    burgemeester en wethouders de urgentieverklaring wijzigen. Er zijn de volgende
                    wijzigingsgronden:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
                            indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                            urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag
                            zou zijn besloten; en</al></li><li nr="b."><al>de houder van de urgentieverklaring behoort niet meer tot de
                            urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                            urgentieverklaring.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.5.11 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Het eerste lid van deze bepaling spreekt voor zich. Het tweede lid bevat een
                    registratie en verantwoordingsverplichting voor burgemeester en wethouders. Het
                    doel hiervan is onder meer na te gaan of in bepaalde gevallen relatief vaak de
                    hardheidsclausule wordt toegepast en of naar aanleiding daarvan de HVV aangepast
                    dient te worden.</al><tussenkop>Artikel 2.5.12 Overgangsrecht urgentieverklaringen</tussenkop><al>Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4.1</tussenkop><al>Dit artikel bevat de overgangsrechtelijke bepalingen voor een aantal
                    beschikkingen op grond van de HVV. Zie voor de urgentieverklaringen ook artikel
                    2.5.12.</al><tussenkop>Artikel 4.2</tussenkop><al>Dit artikel bevat de overgangsrechtelijke bepaling voor de overgang van woonduur
                    naar inschrijfduur. Op de website van WoningNet is informatie te vinden over de
                    voorwaarden waaronder de op grond van de Tijdelijke Regeling Behoud
                    Inschrijfduur en Tijdelijke Regeling Behoud Woonduur tot 1 juli 2015 opgebouwde
                    inschrijf- en woonduur ingezet kan worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>