<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR390955_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening 2015.1</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boekel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-127462.html">officiële regelingen</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening 2015.1</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=6">Participatiewet, artikel 6, tweede lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=7">Participatiewet, artikel 7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8a">Participatiewet, artikel 8a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=10">Participatiewet, artikel 10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=34">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikel 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikel 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=36">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, artikel 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=34">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/026195 AB/017249</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening 2015.1</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Participatieverordening 2016</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Boekel;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 3 november 2015</al><al/><al>gelet op:</al><al/><al>artikel 6, tweede lid, artikelen 7, 8a 10 van de Participatiewet, de
                        artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werknemers, de artikelen 34,35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen en artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende</al><al/><al><vet>Participatieverordening 2015.1</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Bijstand</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemene en bijzondere bijstand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Doelgroep</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a
                                            Participatiewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Doelgroep loonkostensubsidie</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a
                                            Participatiewet, van wie is vastgesteld dat zij met
                                            voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen
                                            van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden
                                            tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid,
                                            onderdeel e Participatiewet);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Grote afstand tot de
                                            arbeidsmarkt</cursief></al><al><cursief>(doeltrede 3 en 4)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet
                                            mogelijk binnen één jaar;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Individuele studietoeslag</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een toeslag voor personen, die studeren en van wie is
                                            vastgesteld dat ze niet in staat zijn om het wettelijk
                                            minimumloon te verdienen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>IOAW</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>IOAZ</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Korte afstand tot de
                                            arbeidsmarkt</cursief></al><al><cursief>(doeltrede 5 en 6)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk
                                            binnen één jaar;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Voorziening</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>De re-integratie instrumenten die het college kan
                                            inzetten en waarvan de inzet noodzakelijk wordt geacht
                                            om de arbeidsinschakeling of maatschappelijke
                                            participatie te bevorderen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Vermogen</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al>:</al></entry><entry colname="col3"><al>Waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                            dienst gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken
                                            (artikel 34 Participatiewet), met uitzondering van het
                                            in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen,
                                            bedoeld in artikel 50, eerste lid Participatiewet.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Alle niet nader omschreven begrippen in deze verordening worden gebruikt
                        zoals zij zijn gedefinieerd in de Algemene wet bestuursrecht,
                        Participatiewet of overige in deze verordening aangehaalde wetten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen
                            voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen
                            van belanghebbende. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking
                            op zorgtaken van die belanghebbende en de mogelijkheid dat hij behoort
                            tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening
                            beschut werk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting
                                    als bedoeld in artikelen 9 en 17 Participatiewet, de artikelen
                                    13 en 37 IOAW of de artikelen 13 en 37 IOAZ niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort
                                    tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                    geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                    gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij
                                    het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, onder 2º Participatiewet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                    voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren
                                    gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet
                                    aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in
                                    aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van de aangeboden
                            voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beleidsregels, als bedoeld in het tweede lid, hebben in ieder geval
                            betrekking op de: </al><lijst><li nr="a."><al>voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>weigeringsgronden van een voorziening;</al></li><li nr="c."><al>aanvraag van, en de besluitvorming over een voorziening;</al></li><li nr="d."><al>betaling van subsidies of andere wijzen van tegemoetkoming en
                                    het verlenen van voorschotten op deze subsidies;</al></li><li nr="e."><al>wijze van verlening en vaststelling van subsidies;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                    verlenen van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in uitvoeringsregels één of meer subsidie- of
                            budgetplafonds vaststellen voor één of meerdere voorzieningen, binnen de
                            door de Raad vastgestelde begrotingsruimte. Het college moet dan na gaan
                            welke alternatieve voorzieningen er beschikbaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, onder andere de volgende voorzieningen gericht op
                            re-integratie en participatie inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>De wettelijke voorzieningen:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Participatievoorziening beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b
                            Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>No-riskpolis, zoals bedoeld in artikel 8a, lid 2 sub b
                            Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Loonkostensubsidie, zoals bedoeld in artikel 10d Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Begeleiding op de werkplek, zoals bedoeld in artikel 10da
                            Participatiewet;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ondersteuning bij leer-werktrajecten, zoals bedoeld in artikel 10f
                            Participatiewet.</al><lijst><li nr="b."><al>De (aanvullende) regionale voorzieningen uit het Functioneel
                                    Ontwerp Werkgeversdienstverlening regio Noordoost-Brabant:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Werkervaring;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Proefplaatsing.</al><lijst><li nr="c."><al>(Aanvullende) lokale voorzieningen:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Scholing;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Persoonlijke ondersteuning;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Sociale activering;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indienstnemingssubsidie;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels vast over de inzet en kaders van de in
                            lid 1 genoemde voorzieningen voor zover de wet niet bepaalt dat regels
                            bij verordening moeten worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden alleen
                            ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid naar het oordeel van het college niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels vastleggen welke niet in deze
                            verordening opgenomen voorzieningen het college aanvullend kan
                            aanbieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassing van de
                            werkplek nodig heeft dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet
                            kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie en
                            wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies
                            in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                            onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                            hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid Participatiewet, bedoelde werkzaamheden
                            mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende
                            voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de
                            werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                            werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur, een en ander uitgezonderd van
                            voorzieningen die door het UWV worden vergoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk en
                            legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                            stelt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                            scholingstraject aanbieden gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het scholingstraject heeft tot doel de afstand tot het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkleinen of te overbruggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel
                            7, derde lid, onderdeel a Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon of via de werkgever van de persoon die behoort tot de
                        doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van
                        de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van (structurele)
                        begeleiding als hij naar het oordeel van het college zonder persoonlijke
                        ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te
                        verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>No-riskpolis en low-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt een werkgever een low-risk polis aan als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                    arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort
                                    tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a
                                    Participatiewet; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                    heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d Participatiewet
                                    ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is;</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Low-riskpolis biedt de werkgever in elk geval met inachtneming van
                            een eigen risico van twee weken, een vergoeding van de loonschade
                            gedurende de ziekteperiode van de werknemer tot het einde van de
                            dekkingsduur, ter hoogte van maximaal het loon dat de werkgever op grond
                            van artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Wetboek verplicht zou zijn te
                            betalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in lid 2 zal verrekend worden met de door de
                            gemeente verstrekte loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                            Participatiewet, zodanig dat de som van de loonkostensubsidie en
                            aanvullende vergoeding voor de loonschade even hoog is als de hoogte van
                            de vergoeding als bedoeld in lid 2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in lid 2 wordt pas uitbetaald over de
                            ziekmeldingen vanaf 1 september 2015.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval de werkgever een dienstverband aangaat zoals bedoeld in lid 1,
                            onderdeel a met een werknemer die behoort tot de doelgroep
                            banenafspraak, biedt het college een werkgever geen Low-riskpolis maar
                            een No-riskpolis van het UWV of de landelijke No-riskpolis aan, waarbij
                            de werkgever conform artikel 29b Ziektewet een vergoeding van de
                            loonschade ontvangt gedurende de ziekteperiode van de werknemer.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vergoeding van de loonschade (dekkingsduur) loopt niet langer door
                            dan de duur van de overeengekomen arbeidsovereenkomst tussen werkgever
                            en werknemer.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college vergoedt de Low-riskpolis tot 5 jaar na indiensttreding van
                            de werknemer bij de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij gelijktijdige toepassing van de voorziening loonkostensubsidie en de
                            Low- of de No-riskpolis gaat, in geval van arbeidsongeschiktheid als
                            gevolg van ziekte, toepassing van de Low-riskpolis, dan wel de
                            No-riskpolis van het UWV of de landelijke No-riskpolis voor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan zich hierin laten adviseren door een externe
                            organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in
                                    artikel 7, eerste lid, onderdeel a Participatiewet, en</al></li><li nr="b."><al>die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk
                                    minimumloon te verdienen, en</al></li><li nr="c."><al>die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, en</al></li><li nr="d."><al>de criteria die zijn opgenomen in het landelijk besluit
                                    loonkostensubsidie Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><al>Het college gebruikt de door het Regionaal Werkbedrijf Noordoost-Brabant
                        vastgestelde methodiek voor het vaststellen van de loonwaarde van een
                        persoon. In bijlage I wordt de methodiek nader toegelicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Individuele studietoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a
                            Participatiewet kan een aanvraag individuele studietoeslag indienen.
                            Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>18 jaar of ouder is; en</al></li><li nr="b."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                    studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op
                                    grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                    onderwijsbijdrage en schoolkosten; en</al></li><li nr="c."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen heeft; en</al></li><li nr="d."><al>met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het
                                    wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                                    arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b Participatiewet, wordt
                            schriftelijk ingediend middels een door het college vastgesteld
                            formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een externe organisatie vragen te adviseren of een
                            persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het
                            wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden heeft tot
                            arbeidsparticipatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in
                            aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een individuele studietoeslag bedraagt per maand maximaal 25% van de
                            norm voor gehuwden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De studietoeslag wordt in maandelijkse termijnen uitgekeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de uitvoering van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt voor de uitvoering van deze verordening beleidsregels
                            vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in
                            deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het
                            college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond
                            van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2014 die moet worden
                            beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening, doch
                            niet langer dan 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode,
                            besluiten of een voorziening wordt voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2014 blijft van
                            toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in
                            het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                                bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2015, behoudens
                                situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor
                                belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>De Participatieverordening 2015, vastgesteld op 26 februari 2015
                                wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding als bedoeld in het
                                eerste lid. </al></li><li nr="3."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening
                                2015.1.</al><al/></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten in de openbare vergadering vande raad van de gemeente
                        Boekel, gehouden op 10 december 2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>M.R.P. Philipse P.M.J.H. Bos</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I</nr><titel>bij artikel 10. Wijze waarop loonwaarde wordt
                        vastgesteld</titel></kop><tussenkop>Instrument</tussenkop><al>Het college maakt gebruik van CompetenSYS om de loonwaarde van een persoon te
                    bepalen. Hieronder wordt de werkwijze van deze methodiek omschreven.</al><tussenkop>Methodiek</tussenkop><al>CompetenSYS Loonbalans bestaat uit een laagdrempelige basis scan waarmee gericht
                    gezocht kan worden naar functies waar een zo hoog mogelijke loonwaarde bereikt
                    wordt. Deze basisscan zorgt voor een uitgebreide diagnose. De uitkomst van de
                    loonwaarde meting is een betrouwbaar percentage van de tegemoetkoming aan de
                    werkgever. CompetenSYS Loonbalans meet de prestatie die de werknemer levert op
                    de werkvloer en de manier waarop deze prestatie zich verhoudt tot de
                    normprestatie die een reguliere werknemer in een normfunctie levert. </al><al>CompetenSYS Loonbalans start een loonwaardemeting vanuit een Taakanalyse en een
                    gedegen onderzoek op de werkplek. De hoofdtaken die de deelnemer verricht worden
                    in de CompetenSYS-systematiek uitgeschreven qua inhoud en eisen op de te meten
                    items Productiviteit, Kwaliteit en Inzetbaarheid. Op basis van de Taakanalyse
                    wordt een normfunctie gezocht, in eerste instantie binnen het bedrijf; indien
                    noodzakelijk wordt op zoek gegaan naar functies die in CAO’s of
                    branche-documenten beschreven staan. De gerealiseerde arbeidsprestatie van de
                    deelnemer wordt per taak afgezet tegen de arbeidsprestatie die gangbaar is in de
                    normfunctie. Bij iedere loonwaarde meting wordt eveneens de werkgever betrokken
                    middels een interview en scoreanalyse. Het uiteindelijke advies is door
                    werkplekonderzoek afgestemd op de specifieke functie-inhoud.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>ALGEMEEN</label><nr/><titel/></kop><al>Het kabinet wil dat alle mensen als volwaardige burgers mee kunnen doen aan onze
                    samenleving. Bij voorkeur via een reguliere baan, maar als dat (nog) een brug te
                    ver is, door op een andere manier te participeren in de samenleving. Het kabinet
                    wil kansen creëren, ook voor mensen met een arbeidsbeperking.</al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening: </al><lijst><li nr="·"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en
                            10, eerste lid, Participatiewet); </al></li><li nr="·"><al>scholing of opleiding als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, Participatiewet); </al></li><li nr="·"><al>participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 10b
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>no-riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b,
                            Participatiewet).</al><al/></li></lijst><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft personen:</al><lijst><li nr="·"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                                werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                                vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                                onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit
                                arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                                minste het wettelijk minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                                nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="·"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                                IOAW);</al></li><li nr="·"><al>met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                                IOAZ);</al></li><li nr="·"><al>zonder uitkering;</al></li><li nr="·"><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                                college aangeboden voorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Maatwerk</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet
                        moet de gemeenteraad in de verordening aangeven welke voorzieningen worden
                        ingezet, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de
                        functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de
                        gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele
                        beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het
                        VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling
                        van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het
                        volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten
                        en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                        eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het
                        voorgaande uitvoering gegeven.</al><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2,
                        tweede lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                        houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                        college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht
                        moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn)
                        mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de
                        afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn
                        op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals
                        het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van
                        vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via een
                        werkervaringsplaats).</al><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en
                        in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook
                        verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen
                        van de arbeidsovereenkomst bij detachering. Bij deze laatste wijze van
                        beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                        arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                        worden genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                        artikel 3, eerste lid, van deze verordening. Een voorziening wordt
                        bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid
                        aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering
                        gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid,
                        onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid,
                        onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat het
                        inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren
                        ten minste het wettelijk minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                        in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt.</al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                        re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                        uitkeringsgerechtigde, noch van een niet uitkeringsgerechtigde kunnen die
                        kosten worden teruggevorderd. Terugvordering dient te geschieden op grond
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>In lid 4 staat dat de gemeente, om de financiële risico’s te beheersen, een
                        verdeling kan maken van de middelen over de verschillende voorzieningen. Het
                        uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om
                        aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan
                        de gemeente bij uitvoeringsbesluit subsidie- en budgetplafonds
                        instellen.</al><al>Het ontbreken van financiële middelen alleen kan geen reden zijn voor de
                        afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere,
                        goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen
                        algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                        een plafond ingebouwd wordt; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een
                        ander instrument wordt uitgeweken. Het college zal hier terughoudend mee
                        zijn, omdat het perspectief van de belanghebbende voorop moet staan.</al><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader
                        van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                        subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden
                        vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven welke instrumenten het college onder andere
                        in kan zetten ter bevordering van re-integratie en participatie. In lid 2
                        staat dat het college beleidsregels vaststelt over de inzet en kaders van de
                        in dit artikel genoemde voorzieningen als de wet niet voorschrijft dat dit
                        in de verordening moet. Als de wet dit wel voorschrijft zijn deze regels in
                        de verordening opgenomen. </al><al>Dat betekent concreet dat regels over beschut werk, scholing, persoonlijke
                        ondersteuning en de no-riskpolis zijn opgenomen in de verordening. Van de
                        overige voorzieningen zijn nadere regels, voor zover aan de orde, in de
                        beleidsregels opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                        doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking
                        een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig
                        heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                        verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente
                        een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke
                        mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In
                        het tweede lid is bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote
                        afstand tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij
                        uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                        hebben. Voor dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand
                        tot de arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een
                        grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen
                        behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                        beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                        Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit
                        de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies inwinnen voor de
                        beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte
                        omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie hebben.</al><al><cursief>Stap 2: advies </cursief><cursief>UWV</cursief></al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon
                        tot de doelgroep beschut werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke
                        criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                        Participatiewet).</al><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de
                        doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                        totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het
                        advies niet te volgen.</al><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
                        worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                        werkgevers werken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is
                        vooraf algemene richtlijnen te geven. Wel spreekt voor zich dat het moet
                        gaan om scholing die gericht is op arbeidsinschakeling of op een verbetering
                        van de uitgangspositie op de arbeidsmarkt (eerste en tweede lid). Normaal
                        gesproken zal de scholing deel uitmaken van een integraal
                        re-integratietraject.</al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's
                        Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen voorziening
                        ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling (artikel 7, derde
                        lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor de volledigheid
                        opgenomen in het derde lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In artikel 7 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Het gaat dan om begeleiding waarbij de werknemer op vaste tijden en
                        gedurende een langere periode ondersteund wordt bij het verrichten van zijn
                        taken. Het moet ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet
                        de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die
                        ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                        verrichten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>No-riskpolis en low-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                        werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                        behoeve van wie de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking
                        komt voor de No-riskpolis.</al><al>De No-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b Participatiewet).
                        De no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers
                        weg te nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De
                        no-riskpolis zorgt ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de
                        loonkosten, wanneer een werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een
                        werkgever komt niet in aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van
                        de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b
                        Participatiewet).</al><al>Omdat niet iedereen van de doelgroep zoals genoemd in lid 1 sub c tot de
                        doelgroep banenafspraak behoort kan voor deze doelgroep geen gebruik worden
                        gemaakt van de landelijke No-riskpolis. In aanvulling op de landelijke
                        afspraken wordt een gemeentelijke polis (Low-riskpolis) ingesteld. In lid 2
                        staat dat de hoogte van de vergoeding 70% van het dagloon is. Dit kan
                        oplopen tot maximaal 70% van het maximum premiedagloon (ex artikel 17 lid 1
                        Wet financiering sociale verzekeringen). In de eerste 52 weken is de
                        vergoeding minimaal het wettelijk minimumloon, ook als dit meer is dan 70%
                        van het dagloon.</al><al>Met ingang van 1 januari 2016 is het UWV verantwoordelijk voor de
                        No-riskpolis. De No-riskpolis kan maximaal voor de duur van één jaar worden
                        ingezet. Nadat belanghebbende één jaar zelfstandig het wettelijk minimumloon
                        heeft verdiend, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis over naar
                        het UWV en kan artikel 29b Ziektewet van toepassing zijn.</al><al><cursief>Dit artikel en toelichting bij dit artikel wordt nog uitgebreid of
                            aangepast zodra er in het regionale werkbedrijf van de arbeidsmarktregio
                            Noordoost-Brabant een besluit is genomen over een regionale voorziening
                            voor no-risk. Dit is mede afhankelijk van de mogelijkheden die de
                            verzekeringsmarkt de gemeenten nog zal bieden.</cursief></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort</titel></kop><al>In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld
                        of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke
                        aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het wettelijk minimumloon bedraagt en ten behoeve
                                van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als
                                bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de IOAW, en</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de IOAZ.</al></li></lijst><al>In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan het college
                        is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie
                        behoort. Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te
                        stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet
                        (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In artikel 6,
                        tweede lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden.
                        Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel
                        e, van de Participatiewet en het landelijke besluit loonkostensubsidie
                        Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie
                        vastgelegd.</al><al>De persoon van wie is vastgesteld dat hij behoort tot de doelgroep
                        loonkostensubsidie wordt opgenomen in het doelgroepenregister dat wordt
                        beheerd door het UWV.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vaststelling loonwaarde</titel></kop><al>In artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald dat als een
                        persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever
                        voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college
                        de loonwaarde van die persoon vaststelt. Hiervoor is geen aanvraag vereist.
                        De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking
                        waartegen zowel belanghebbende als diens (potentiële) werkgever bezwaar en
                        beroep kunnen instellen.</al><al>De methodiek die het college gebruikt om de loonwaarde van die persoon te
                        bepalen is de methodiek die is vastgesteld door het Regionaal Werkbedrijf
                        Noordoost-Brabant.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Individuele studietoeslag</titel></kop><al>De invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                        Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                        mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                        minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als
                        ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de
                        arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand
                        gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. De individuele studietoeslag is
                        een extra steuntje in de rug voor mensen met een arbeidshandicap om te gaan
                        studeren. De drempel om te lenen voor de studie is een voor deze groep een
                        stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                        stimuleert mensen om toch de stap te zeten om naar school te gaan of een
                        studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het
                        feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met
                        een bijbaan. De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een
                        vorm van bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de
                        Participatiewet). De individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan
                        bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van
                        wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te
                        verdienen.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De invoeringswet Participatiewet legt het college de verplichting op om in
                        een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                        studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de
                        individuele studietoeslag.</al><al><cursief>Discretionaire bevoegdheid</cursief></al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire
                        bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college aan personen die
                        voldoen aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de
                        Participatiewet, een individuele studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe
                        niet is gehouden.</al><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
                        de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele
                        studietoeslag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                        individuele omstandigheden van een persoon – een individuele studietoeslag
                        verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de
                        aanvraag:</al><lijst><li nr="·"><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="·"><al>Recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op
                                grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten;</al></li><li nr="·"><al>Geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van
                                de Participatiewet heeft;</al></li><li nr="·"><al>En een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse
                                arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                                minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                heeft.</al></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                        WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                        studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding,
                        leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de
                        Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                        individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op
                        een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht
                        heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als
                        aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                        beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                        opleiding te overleggen. De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de
                        Participatiewet zijn niet van toepassing bij verlening van de individuele
                        studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet). De aanvraag
                        moet worden ingediend bij het college. Een individuele studietoeslag kan
                        niet als lening worden verstrekt als een persoon met de studietoeslag
                        schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is namelijk niet
                        van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van
                        de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van
                        toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                        Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden
                        verstrekt in de vorm van een voorschot.</al><al><cursief>Indienen verzoek</cursief></al><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door
                        personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet. Dit betreft personen die het college ondersteunt bij
                        arbeidsinschakeling: </al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b
                                en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid,
                                onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                                tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                                gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                                bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                                loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; </al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet; </al></li><li nr="·"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet; </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de IOAW; </al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering op grond van de IOAZ; en</al></li><li nr="·"><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al></li></lijst><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                        individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                        Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de
                        voorwaarden te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de
                        Participatiewet. Onder aanvraag wordt verstaan: op een verzoek van een
                        persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een
                        aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van
                        de Awb). </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als
                        bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 1 van deze verordening dat het verzoek moet
                        worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een
                        verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                        van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de
                        Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het
                        adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                        beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De
                        aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                        de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                        krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan
                        hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
                        studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.</al><al><cursief>Vaststellen arbeidscapaciteit </cursief></al><al>Er moet vastgesteld worden of een persoon niet in staat is tot het verdienen
                        van het wettelijk minimumloon met voltijdse arbeid, maar wel mogelijkheden
                        tot arbeidsparticipatie heeft. In beginsel stelt het college dit zelf vast.
                        Het derde lid stelt het college in staat om daartoe ook extern advies in te
                        winnen wanneer dit noodzakelijk wordt geacht.</al><al><cursief>Eenmaal per periode verlenen</cursief></al><al>Dit artikel bepaald dat iemand slechts eenmaal per zes maanden een toeslag
                        aanvragen. Het recht op individuele studietoeslag wordt namelijk slechts
                        getoetst op het moment van aanvraag. Het niet voldoen aan de voorwaarden op
                        enig moment na toekenning, heeft geen gevolgen voor het recht op een
                        individuele studietoeslag. Door maximaal voor een periode van zes maanden
                        toe te kennen, wordt verzekerd dat het voldoen aan de voorwaarden
                        (bijvoorbeeld het nog steeds volgens van een opleiding) elke zes maanden
                        opnieuw getoetst kan worden.</al><al><cursief>Hoogte individuele studietoeslag</cursief></al><al>In dit artikel is de hoogte van de individuele studietoeslag geregeld.
                        Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de voorwaarden
                        toegekend. Een individuele studietoeslag bedraagt 25% van de bijstandsnorm
                        voor een echtpaar (is gerelateerd aan het wettelijk minimumloon). Hiermee is
                        aansluiting gezocht bij de vergoeding die het UWV thans uitkeert aan
                        Wajongers.</al><al>Is er sprake van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de
                        voorwaarden voor een individuele studietoeslag, dan komen zij beide
                        afzonderlijk hiervoor in aanmerking.</al><al><cursief>Betaling individuele studietoeslag</cursief></al><al>Dit artikel regelt de maandelijkse betaling van de individuele
                        studietoeslag. Na zes maanden wordt het recht opnieuw bepaald.</al><al><cursief>Uitvoering</cursief></al><al>Dit artikel stelt het college in staat om nadere voorwaarden te stellen om
                        in aanmerking te komen voor een individuele studietoeslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijzondere situaties</titel></kop><al>In de verordening zijn de hoofdlijnen rondom Participatie vastgelegd. Er
                        kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet
                        voorziet. Dit artikel bepaalt dat het college in dergelijke situaties
                        beslist in afwijking van de verordening. Dit past bij de
                        individualiseringsgedachte van de Participatiewet. Redelijkheid is hierbij
                        het uitgangspunt. Bij de besluitvorming wordt in de geest van de wet en de
                        verordening gehandeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 14 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voor
                        komen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de
                        oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit
                        deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                        re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van
                        deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een
                        persoon op grond van de oude </al><al>re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening,
                        maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende
                        voorziening zou dan op grond van artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                        moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 14, eerste lid,
                        geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde
                        duur. Een dergelijke voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur
                        van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                        Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                        Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2014. Wordt niet meer aan die
                        voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld
                        als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het
                        moment van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al><cursief>Voortzetten toegekende voorzieningen</cursief></al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Reïntegratieverordening Wet werk en
                        bijstand 2014 worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na
                        inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van die periode kan het
                        college besluiten of een voorziening wordt voortgezet (artikel 10, derde
                        lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten
                        overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de
                        hand als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te
                        voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening.
                        Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding
                        van deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al><cursief>Voortzetting is niet mogelijk</cursief></al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk
                        als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer
                        voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van de
                        Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2014 of als de voorziening is
                        toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na inwerkingtreding van de
                        verordening. Een voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet
                        dan de duur van de oorspronkelijke toekenning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>