<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR3902_1</dcterms:identifier><dcterms:title>nr 12.09 Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2009-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post, 7-1-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand, artikel 8 lid 1 onder c en artikel 30.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08-123</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn, instellingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervangt de Verordening Algemene Bijstandsnormen. Ingetrokken op 21 januari 2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>nr 12.09 Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>RAADSBESLUIT</vet></al><al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Zevenaar:</al><al>Verordening Toeslagen enVerlagingen Wet Werk en Bijstand 2009. 08-123</al><al>Gelet op artikel 8, lid 1 onder c en artikel 30 van de Wet Werk en Bijstand</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>I.De bestaande “Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand” vanaf 1</al><al>januari 2009 in te trekken en</al><al>II. De "Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en Bijstand 2009" vanaf 1</al><al>januari 2009 in werking te laten treden.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zevenaar,</al><al>gehouden op 17 december 2008</al><al>De griffier, De voorzitter,</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben</al><al>dezelfde betekenis als beschreven in paragraaf 1.1 van de Wet werk en bijstand en in de Algemene wet</al><al>bestuursrecht.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>hulpbehoevende: degene die, indien hij niet tezamen met een ander persoon de woning zou</al></li></lijst></li></lijst><al>bewonen, zou zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals verzorging in een bejaardentehuis of in</al><al>een andere inrichting ter verpleging of verzorging. Van hulpbehoevendheid is tevens sprake in</al><al>situaties waarin thuiszorg het alternatief is voor intensieve ambulante zorg of voor dagverpleging in</al><al>een verpleeginrichting;</al><al>c.woonlasten: 1. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende</al><al>huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet op de</al><al>huurtoeslag;</al><al>3.ontbreken van woonlasten: van het ontbreken van woonlasten is sprake als men</al><al>daadwerkelijk geen woonlasten is verschuldigd aan derden. Men woont dan b.v. in</al><al>een kraakpand.</al><al>4.woonlasten voldaan door derden: hiervan is sprake als er woonlasten voldaan</al><al>moeten worden maar men voldoet deze woonlasten niet zelf. Deze woonlasten</al><al>worden voldaan door derden b.v. de onderhoudsplichtige of de ouders.</al><al>5.indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende</al><al>som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde</al><al>hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te</al><al>betalen zakelijke lasten per maand, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan:</al><al>de kosten van opstalverzekering, de rioolrechten, het eigenaars aandeel van de</al><al>waterschapslasten. Het belastingvoordeel in verband met de te betalen</al><al>hypotheekrente wordt in mindering gebracht.</al><al>d.alleenwonende alleenstaande: de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander</al><al>zijn hoofdverblijf heeft;</al><al>e.medebewoner: de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning ook een ander zijn</al><al>hoofdverblijf heeft;</al><al>f.thuisinwonend kind: de medebewoner, die evenals de huurder of de eigenaar van een woning in</al><al>dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en die het kind is van de huurder of de</al><al>eigenaar dan wel van diens echtgeno(o)t(e);</al><lijst><li nr="g."><al>schoolverlater: zoals beschreven in artikel 28 van de wet;</al></li><li nr="h."><al>netto minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van</al></li></lijst><al>de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag;</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CATEGORIEËN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Categorieën</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorie-aanduiding.</al></li><li nr="2."><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>medebewoner en</al></li><li nr="d."><al>gehuwde.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De verordening heeft alleen betrekking op de in lid 2 genoemde belanghebbenden, voor zover zij 21 jaar</al></li></lijst><al>of ouder zijn tot de leeftijd van 65 jaar.</al><al>4.Een toeslag of verlaging volgens deze verordening kan alleen worden gegeven als er recht bestaat op</al><al>algemene bijstand.</al><al>5.De bepalingen in hoofdstuk 3 en 4 van deze verordening laten de toepassing van artikel 18, eerste lid</al><al>van de wet onverlet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Alleenwonende alleenstaande</titel></kop><al>Voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt</al><al>de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag, die is bepaald op het in artikel 25 tweede lid van de wet</al><al>genoemde maximumbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De medebewoner</titel></kop><al>Voor de medebewoner wordt de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag van 10% van het nettominimumloon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De medebewoner met woonlasten van tenminste 18% van het netto-minumloon per maand</titel></kop><al>Voor de medebewoner, die aantoonbare woonlasten heeft die tenminste 18% van het netto minimumloon</al><al>per maand bedragen, wordt in afwijking van artikel 4 de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag van 20 %</al><al>van het netto minimumloon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Thuisinwonend kind</titel></kop><al>Voor het thuisinwonend kind wordt de bijstandsnorm overeenkomstig artikel 4 verhoogd met 10% van het</al><al>netto minimumloon.</al><al>Voor het thuisinwonend kind is artikel 5 niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hulpbehoevendheid</titel></kop><al>Indien de medebewoner of het thuisinwonend kind hulpbehoevend is, of een hulpbehoevende verzorgt, dan</al><al>wordt, in afwijking van artikel 4 en artikel 6, de bijstandsnorm verhoogd met een toeslag van 20% van het</al><al>netto minimumloon.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schoolverlaters</titel></kop><al>Voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde die aangemerkt wordt als een schoolverlater</al><al>wordt de bijstandsnorm, verhoogd met de eventueel toe te kennen toeslag, zoals vastgesteld in hoofdstuk 3</al><al>van deze verordening, verlaagd met 15 % van het netto minimumloon. De verlaging vindt bij voorrang</al><al>plaats op de toegekende toeslag.</al><al>Voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde die een woning bewoont/bewonen waarvoor</al><al>zij geen woonlasten betaalt/betalenof waarvoor de woonlasten worden voldaan door een derde, wordt de</al><al>bijstandsnorm, verhoogd met de eventueel toe te kennen toeslag, verlaagd. De verlaging bedraagt 10% van</al><al>het netto minimumloon.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afwijken van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze</al><al>verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Evaluatie gemeentelijke beleid en bijstelling verordening</titel></kop><al>Het door het college gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.</al><al>Indien deze evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt de verordening aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening Toeslagen en Verlagingen Wet Werk en</al><al>Bijstand 2009".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. De vastgestelde verordening “Toeslagen</al><al>en verlagingen Wet werk en bijstand” vastgesteld met ingang van 1 maart 2004 komt hiermede te vervallen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WET WERK EN BIJSTAND 2009</tussenkop><tussenkop>TOELICHTING VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WET WERK EN BIJSTAND</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>ArtikeI l Begripsomschrijving</tussenkop><al>Artikel l lid 1</al><al>Er is voor gekozen om begrippen, die reeds omschreven zijn in paragraaf 1.1. van de WWB of in de Awb, niet</al><al>afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in het geval van wijzging van betreffende</al><al>definities in de WWB of de Awb ook deze verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Artikel 1 lid 2</al><al>Definities die niet in paragraaf 1.1 van de wet worden genoemd zoals het begrip hulpbehoevende, woonlasten,</al><al>alleenwonende alleenstaande, medebewoner, thuisinwonend kind, schoolverlater en het begrip minimumloon zijn</al><al>in lid 2 van de begripsomschrijving opgenomen. Hieronder volgt nog een nadere toelichting over het begrip</al><al>schoolverlater.</al><al>Schoolverlater</al><al>In artikel 1 lid 2 onder g. wordt verwezen naar artikel 28 van de wet waarin de hoofdgroep staat omschreven. Het</al><al>al dan niet behoren tot deze categorie is bepalend voor de hoogte van de bijstandsuitkering.</al><al>De hoofdgroep omvat degenen die recent onderwijs of beroepsopleiding hebben gevolgd op grond waarvan de zij</al><al>recht hadden op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming in</al><al>de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en</al><al>schoolkosten. Dit onderwijs kan zowel in Nederland als in het buitenland zijn gevolgd. Zij worden als</al><al>schoolverlater aangemerkt als de beëindiging van dit onderwijs of die beroepsopleiding nog geen half jaar geleden</al><al>heeft plaatsgevonden. De periode vangt aan op de eerste dag van de maand volgend op de beëindiging van het</al><al>onderwijs. Voor degenen die het onderwijs met studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten volgden, is dat</al><al>de maand na beëindiging van het recht op studiefinanciering of tegemoetkoming studiekosten.</al><al>Met deze hoofdgroep worden degenen gelijkgesteld die onderwijs of een beroepsopleiding hebben gevolgd</al><al>waavoor - anders dan bij de hoofdgroep het geval is - geen recht bestond op Nederlandse studiefinanciering of</al><al>Nederlandse tegemoetkoming studiekosten, maar die overigens wel met zo'n studie of opleiding vergelijkbaar is.</al><al>Met de term "onderwijs of beroepsopleiding van overeenkomstige aard" is aangegeven dat het in het buitenland</al><al>gevolgde onderwijs qua karakter overeen moet komen met het onderwijs waarbij aanspraak op studiefinanciering</al><al>of tegemoetkoming studiekosten kan bestaan. Dit houdt in dat het een in het betreffende land erkende vorm van</al><al>onderwijs betreft. Voorts dient het onderwijs voor ten minste 19 lesuren per week te zijn gevolgd. .</al><al>Net zoals personen die tot de hoofdgroep behoren, dienen ook zij die onder deze bepaling vallen aan te tonen of,</al><al>en zo ja wanneer, recentelijk gevolgd onderwijs is beëindigd. Indien de beëindiging van het onderwijs niet</al><al>afdoende door de betrokkene kan worden aangetoond, zal de gemeente uitgaan van de dag waarop dat onderwijs</al><al>aantoonbaar niet meer gevolgd kan zijn. Over het algemeen zal dat de dag van vestiging of terugkeer in Nederland</al><al>zijn.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 CATEGORIEËN</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Categorieën</tussenkop><al>Artikel 30 van de WWB schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt</al><al>verlaagd of verhoogd.</al><al>De verordening is alleen van toepassing op personen van 21 jaar of ouder (artikel 21 WWB). Voor personen</al><al>jonger dan 21 jaar is de bijstandsnorm geregeld in artikel 20. Een eventuele aanvulling op de bijstandsnorm voor</al><al>de 18 tot 21-jarigen valt onder de bijzondere bijstand. Dit kan op grond van artikel 12 van de wet. In dit artikel</al><al>staat dat zij bij hogere noodzakelijke kosten van het bestaan, die zij niet kunnen voldoen uit de jongerennorm en</al><al>waarvoor zij geen beroep kunnen doen op hun ouders, recht hebben op een aanvulling via de bijzondere bijstand.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Alleenwonende alleenstaande</tussenkop><al>Artikel 30 lid 2 van de WWB schrijft voor dat in de verordening in elk geval wordt opgenomen, dat de</al><al>alleenwonende alleenstaande (ouder) recht heeft op de maximale toeslag.</al><tussenkop>Artikel 4 De medebewoner</tussenkop><al>Op grond van artikel 25 lid 1 van de wet kan de bijstandsnorm met een toeslag worden verhoogd indien</al><al>belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als</al><al>gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. In ons toeslagenbeleid is het</al><al>uitgangspunt, dat de medebewoner hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de</al><al>bijstandsnorm voorziet als gevolg van het niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. Op grond van</al><al>het feit dat de medebewoner hoe dan ook extra kosten heeft ten opzichte van diegenen die een gezamenlijke</al><al>huishouding vormen maar anderszins niet dusdanige kosten heeft die vergelijkbaar zijn met die van een</al><al>alleenwonende alleenstaande, wordt de toeslag voor een medebewoner gesteld op 10% van het nettominimumloon.</al><tussenkop>Artikel 5 De medebewoner met woonlasten van tenminste 18% van het netto minimumloon per maand</tussenkop><al>In afwijking van artikel 4 bedraagt voor de medebewoner die woonlasten heeft van tenminste 18% van het nettominimumloon</al><al>per maand, de toeslag 20% in plaats van 10%. In deze situatie heeft de medebewoner dusdanig</al><al>hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan dan waarin de bijstandsnorm voorziet, dat de maximale</al><al>toeslag van 20% van het netto-minimumloon verstrekt wordt.</al><al>Wat onder woonlasten moet worden verstaan is omschreven in artikel 1 lid 2 onder d.</al><al>Bij de bepaling van de woonlasten bij kamerhuur wordt volgens de richtlijnen 15% van de te betalen kamerhuur</al><al>gezien als vaste lasten voor water, elektriciteit en verwarming. Deze 15% wordt op de kamerhuur in mindering</al><al>gebracht en het resterende bedrag is voor woonlasten. Van het bedrag dat een kostganger per maand betaalt voor</al><al>kost en inwoning wordt 50% gezien als woonlasten.</al><al>Bij het bepalen van het recht op toeslag wordt in beginsel uitgegaan van de feitelijke kosten. Klanten dienen deze</al><al>kosten aan te tonen aan de hand van betalingsbewijzen op naam.</al><al>Indien de klant niet kan aantonen dat zijn woonlasten meer bedragen dan 18% van het minimumloon per maand,</al><al>dan is artikel 4 van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 6 Thuisinwonend kind</tussenkop><al>Het gaat hier om kinderen die inwonend zijn bij hun ouder(s), waarbij de ouder(s) de huurder of de eigenaar van</al><al>de woning is/zijn. Indien het kind de huurder of eigenaar van de woning is, en de ouders zijn inwonend bij hun</al><al>kind dan kan het kind niet aangemerkt worden als een thuisinwonend kind.</al><al>Op grond van artikel 6 wordt voor het thuisinwonend kind de bijstandsnorm overeenkomstig artikel 4 verhoogd</al><al>met 10% van het netto minimumloon.</al><al>Voor het thuisinwonend kind is artikel 5 niet van toepassing.</al><al>Kinderen die inwonen bij ouders worden geacht hierdoor dusdanige financiële schaalvoordelen te genieten dat het</al><al>gerechtvaardigd is om de toeslag hierop af te stemmen. De schaalvoordelen hebben betrekking op het kunnen</al><al>delen van de woonlasten. Op grond hiervan wordt aan een thuisinwonend kind een toeslag verstrekt van 10%.</al><al>Het verkrijgen van een toeslag van 20% door een inwonend kind op grond van toepassing van artikel 5 is niet</al><al>mogelijk omdat een commercieel contract tussen inwonende kinderen en ouders voor de bepaling van de hoogte</al><al>van de toeslag niet geaccepteerd wordt.</al><al>Indien bijvoorbeeld een moeder en haar zoon gezamenlijk een woning bewonen, dan kan de moeder, indien zij</al><al>huurder of eigenaar is van de woning en hoge woonlasten heeft, voor een toeslag van 20% in aanmerking komen.</al><al>De zoon kan op grond van artikel 6 alleen voor een toeslag van 10% in aanmerking komen. In zijn geval maakt</al><al>het niet uit of hij door middel van een afgesloten (onder-)huurcontract met zijn moeder kan aantonen hogere</al><al>woonlasten te hebben.</al><tussenkop>Artikel 7 Hulpbehoevendheid</tussenkop><al>Indien er sprake is van hulpbehoevendheid kan gesteld worden dat er in verband hiermee hogere algemene</al><al>noodzakelijke kosten van het bestaan zijn, waarvan het niet redelijk is dat deze evenredig worden gedeeld. Te</al><al>denken valt aan extra verwarming; grotere woning in verband met een rolstoel of extra kosten die niet altijd</al><al>(geheel) door voorliggende voorzieningen worden gedekt. Een maximale toeslag voor zowel de hulpbehoevende</al><al>als de verzorgende ligt dan ook voor de hand.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4 CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM OF DE TOESLAG</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Schoolverlaters</tussenkop><al>Degene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond waarvan er recht bestond</al><al>op studiefinanciering in het kader van de Wet op de Studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming in het</al><al>kader van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt een lagere uitkering. De reden</al><al>hiervoor is dat de omstandigheden en mogelijkheden van degenen die recentelijk het onderwijs <cursief>of </cursief>de</al><al>beroepsopleiding hebben beëindigd gedurende een zekere periode zodanig vergelijkbaar zijn met die van</al><al>studerenden, dat voor hen de noodzakelijke bestaanskosten in beginsel op hetzelfde niveau worden gesteld als dat</al><al>voor hen tijdens de studieperiode was gegarandeerd. Bij de vaststelling van de verlaging wordt echter wel</al><al>rekening gehouden met het feit dat de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan stijgen op grond van een</al><al>wijziging van het uitgavenpatroon, in verband met activiteiten in het kader van arbeidsmarktinschakeling</al><al>(aanschaf extra kleding en dergelijke).</al><al>Uitgangspunt van de verlaging is de relatie met het bedrag dat in de studiefinanciering zit voor de kosten van</al><al>levensonderhoud. Omgerekend naar een percentage van de uitkering bedraagt deze</al><al>verlaging, afgerond, 25% van het netto minimumloon. Daar de kosten van het bestaan stijgen, onder meer als</al><al>gevolg van de activiteiten die betrokkene dient te verrichten in het kader van arbeidsinschakeling (sollicitaties,</al><al>aanschaf kleding en dergelijke), wordt de verlaging vastgesteld op 15% van het netto minimumloon.</al><al>Op grond van artikel 1 lid 2 onderdeel g. in combinatie met artikel 8 van deze verordening geldt de verlaagde</al><al>uitkering voor een periode van zes maanden, aansluitend op de datum waarop het onderwijs of de</al><al>beroepsopleiding is beëindigd.</al><al>Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van werkaanvaarding, heeft dit geen invloed</al><al>op de termijn van zes maanden.</al><al>Voor de schoolverlater die in het buitenland een opleiding gaat volgen, geldt in beginsel hetzelfde.</al><al>De verlaging wordt bij voorrang in mindering gebracht op de toe te kennen toeslag.</al><tussenkop>Artikel 9 Woonsituatie</tussenkop><al>Het begrip woonsituatie wordt in de wet niet verder uitgewerkt dan dat het moet gaan om het hebben van lagere</al><al>algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie. In de toelichting op de wet wordt</al><al>gesteld dat verlaging mogelijk is als er wel woonlasten zijn die aan derden voldaan moeten worden maar deze</al><al>woonlasten worden niet door de uitkeringsgerechtigde betaald maar door een derde b.v. de ex-echtgenoot. Er is</al><al>dan sprake van een financieel voordeel voor de uitkeringsgerechtigde. In dit geval zal de vastgestelde uitkering</al><al>(norm verhoogd met de toeslag) verlaagd worden met 10% van het netto-minimumloon.</al><al>Zijn er daadwerkelijk geen woonlasten aan de woonsituatie verbonden, dan wordt de hoogte van de bijstand ook</al><al>verlaagd met 10% van het minimumloon.</al><al>Daarnaast kan de hoogte van de bijstand afgestemd worden op grond van artikel 18, lid 1 van de WWB. In dit</al><al>artikel staat vermeld dat het college de bijstand kan afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en</al><al>middelen van de belanghebbende. Te denken valt aan b.v. kraakpanden waar veeal ook geen kosten betaald</al><al>hoeven te worden voor gas, water en elektriciteit.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Uitvoering</tussenkop><al>Artikel 7 van de wet schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij het college van burgemeester en</al><al>wethouders. </al><tussenkop>Artikel 11 Afwijken van bepalingen hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 11 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kunnen afwijken van</al><al>de bepalingen van deze verordening. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als</al><al>een uitzondering en niet als regel. In verband met precedentwerking moet in een bepaalde situatie duidelijk</al><al>worden aangegeven waarom van de verordening wordt afgeweken. </al><tussenkop>Artikel 12 Evaluatie gemeentelijke beleid en bijstelling verordening</tussenkop><al>Gezien het beslag dat de toeslagen leggen op het gemeentelijk budget zal er regelmatig geëvalueerd worden.</al><al>Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt de verordening aangepast.</al><tussenkop>Artikel 13 Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel van de verordening opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 14 Inwerkingtreding</tussenkop><al>In dit artikel is de inwerkingtreding van deze verordening opgenomen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>