<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR390176_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen aan den Rijn</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen aan den Rijn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 28 december 2015, nr. 128684</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 220 tot en met 220 h Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/46623 en 2015/46687</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2016
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de Gemeente Alphen aan den Rijn;</al>
          <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al>
          <al/>
          <al>gelet op aritkelen 220 tot en met 220 h van de Gemeentewet;</al>
          <al/>
          <al>B E S L U I T vast te stellen de volgende:</al>
          <al>
            <vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastingen 2016</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van
                                binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven: </al><lijst>
                <li nr="a"><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
                            </al></li>
                <li nr="b"><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><lijst>
                <li nr="a"><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak
                                        in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
                                        die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als
                                        zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven; </al></li>
                <li nr="b"><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                        die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene
                                        die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is
                                        bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie die zaak ter beschikking is gesteld. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="3"><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op
                                1 januari van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van: </al><lijst>
                <li nr="a"><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                        geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                        grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                        bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                        gebruiken; </al></li>
                <li nr="b"><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                                        daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; </al></li>
                <li nr="c"><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="d"><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                                        Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering
                                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al></li>
                <li nr="e"><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al></li>
                <li nr="f"><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; </al></li>
                <li nr="g"><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="h"><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="i"><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li>
                <li nr="j"><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs; </al></li>
                <li nr="k"><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst
                                        ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
                                        van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                        fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; </al></li>
                <li nr="l"><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                        beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al></li>
                <li nr="m"><al>begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. </al></li>
              </lijst></li>
            <li nr="2"><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt
                                alleen voor zover de gemeente van die zaken het genot heeft
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. </al><al/><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al>
            <lijst>
              <li nr="a"><al>de gebruikersbelasting 0,1588 %</al></li>
              <li nr="b"><al>de eigenarenbelasting </al><lijst>
                  <li nr="1"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                            0,1245 %</al></li>
                  <li nr="2"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,1827 %</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>Indien het totale aanslagbiljetbedrag beneden de € 5,- blijft, wordt
                            geen belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt
                            het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn
                            twee maanden later. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3</lidnr>
            <al>In afwijking van het eerste lid kunnen de aanslagen in gevallen, waarbij
                            de belastingschuldige aan de gemeente een automatische incasso heeft
                            verstrekt, in maximaal tien gelijke maandelijkse termijnen worden
                            voldaan. De eerste termijn vervalt daarbij op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4</lidnr>
            <al>Betaling in termijnen is alleen mogelijk indien het totaal verschuldigde
                            bedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen minimaal € 50,-
                            doch minder dan € 5.000,- bedraagt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5</lidnr>
            <al>In afwijking van hetgeen in het derde lid is bepaald, worden, indien de
                            belastingplicht eerst in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel
                            de belasting later dan in de tweede kalendermaand van het belastingjaar
                            wordt opgelegd, de termijnen van betaling bij automatische incasso
                            beperkt tot het aantal volle termijnen dat nog van de genoemde tien
                            gelijke termijnen resteert. Met dien verstande dat een minimum aantal
                            van zes termijnen overblijft.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>6</lidnr>
            <al>In afwijking van hetgeen in het derde lid is bepaald, worden, indien de
                            belasting eerst in één van de volgende kalenderjaren wordt opgelegd, de
                            termijnen van betaling bij automatische incasso beperkt tot zes gelijke
                            termijnen.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>7</lidnr>
            <al>De in lid 3, 5 en 6 van dit artikel genoemde termijnbedragen worden
                            afgerond op twee decimalen. Afwijkingen en afrondingsverschillen in de
                            te betalen termijnen zijn toegestaan.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding
                        verleend.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015’ van 18 december
                                2014 van de gemeente Alphen aan den Rijn, wordt ingetrokken met
                                ingang van 1 januari 2016, met dien verstande dat zij van toepassing
                                blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                voorgedaan.</al></li>
            <li nr="2"><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van
                                de bekendmaking. </al></li>
            <li nr="3"><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li>
            <li nr="4"><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2016'. </al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al/>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vastgesteld door de raad van Alphen aan den Rijn in de openbare
                   raadsveergadeering van 17 december 2015, </ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>drs. J.A.M. Timmerman, mr. drs. J.W.E. Spies</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>