<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR389957_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende subsidie Plattelands-ontwikkelingsprogramma Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland 2014-2020</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-4937.html">Provinciaal Blad 2016, 4937</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland 2014-2020</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 145 Pw</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-08-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-09-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-03-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 2.6.5, 2.7.6, 2.7.8, 2.8.6, 2.8.8, 3.2.2, 3.4.2, 3.5.2</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1946606</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende subsidie Plattelands-ontwikkelingsprogramma Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland 2014-2020
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Verordening subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014 – 2020
                        provincie Flevoland (Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland
                        2014-2020)</al>
          <al>Provinciale Staten van Flevoland,</al>
          <al>gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 10 november 2015 ,
                        registratienummer 1793842</al>
          <al>overwegende dat subsidies op grond van het Plattelandsontwikkelingsprogramma
                        2014 – 2020 slechts kunnen worden verstrekt op basis van een provinciale
                        verordening;</al>
          <al>gelet op artikel 145 van de Provinciewet,</al>
          <al>
            <vet>BESLUITEN:</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de “<vet>Subsidieverordening POP3 provincie Flevoland
                            2014-2020</vet>”</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 1 Algemeen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.1 Definities</titel>
            </kop>
            <al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al> bruto jaarloon: het in enig jaar aan een werknemer betaalde
                                    salaris, inclusief een niet-prestatie gebonden
                                    eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende
                                    maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het
                                    salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit
                                    is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief
                                    vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere
                                    beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en
                                    aanvullende werkgeverslasten</al></li>
              <li nr="b."><al> grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond;</al></li>
              <li nr="c."><al> inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om
                                    kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele negatieve
                                    neveneffecten van de herverkaveling tegen te gaan;</al></li>
              <li nr="d."><al> landbouwer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon dan wel een
                                    groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de
                                    rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale
                                    recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale
                                    toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52
                                    VWEU in samenhang met de artikelen 349 en 355 VWEU, en die een
                                    landbouwactiviteit uitoefent;</al></li>
              <li nr="e."><al> landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde
                                    lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door
                                    een landbouwer worden beheerd;</al></li>
              <li nr="f."><al> netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers
                                    genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van
                                    de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen of diensten,
                                    minus alle operationele kosten en de kosten voor de vervanging
                                    van uitrusting met een korte levensduur die in de
                                    overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op
                                    operationele kosten, gerealiseerd door de gesubsidieerde
                                    activiteit, worden als netto inkomsten gerekend;</al></li>
              <li nr="g."><al> niet-productieve investering: investering die niet leidt tot
                                    een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van
                                    het landbouwbedrijf of een andere onderneming;</al></li>
              <li nr="h."><al> ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling
                                    als bedoeld in VO (EU) 1305/2013</al></li>
              <li nr="i."><al> VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het
                                    Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende
                                    gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor
                                    Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
                                    Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                                    Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme
                                    Zaken en Visserij en algemene bepalingen inzake het Europees
                                    Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds,
                                    het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en
                                    Visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006
                                    van de Raad;</al></li>
              <li nr="j."><al> VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het
                                    Europees Parlement en de Raad 17 december 2013 inzake steun voor
                                    plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
                                    plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van
                                    Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;</al></li>
              <li nr="k."><al> VO (EU) 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de
                                    Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in
                                    de landbouw- en de bosbouwsector in plattelandsgebieden op grond
                                    van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de
                                    werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar
                                    worden verklaard;</al></li>
              <li nr="l."><al> Voorbereidingskosten: alle kosten die worden gemaakt
                                    voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag en die
                                    aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van (de ontwikkeling van)
                                    het projectplan noodzakelijk voor de subsidieaanvraag.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.2 Toepassingsbereik</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor
                                activiteiten ten behoeve van het in de Europese Unie gelegen deel
                                van het Koninkrijk der Nederlanden, waarvan de resultaten
                                aantoonbaar ten goede komen aan het platteland van Nederland of de
                                agrarische sector.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Tot het platteland van Nederland behoort het gehele grondgebied van
                                het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der
                                Nederlanden met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met meer
                                dan 30.000 inwoners.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.3 Openstelling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen een openstellingsbesluit
                                vaststellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten stellen per openstellingsbesluit vast: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> één of meerdere subsidieplafonds;</al></li>
                <li nr="b."><al> per plafond een periode waarbinnen een aanvraag om subsidie
                                        moet zijn ontvangen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> In het openstellingsbesluit kunnen Gedeputeerde Staten nadere
                                regels stellen met betrekking tot: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de categorieën van activiteiten die voor subsidie in
                                        aanmerking komen;</al></li>
                <li nr="b."><al> de thema’s waarop een activiteit betrekking moet
                                        hebben;</al></li>
                <li nr="c."><al> de categorieën van begunstigden;</al></li>
                <li nr="d."><al> de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking
                                        komen;</al></li>
                <li nr="e."><al> de territoriale begrenzing van de openstelling;</al></li>
                <li nr="f."><al> een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele
                                        kosten;</al></li>
                <li nr="g."><al> de maximale hoogte van de subsidie;</al></li>
                <li nr="h."><al> de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie
                                        overgelegd moeten worden;</al></li>
                <li nr="i."><al> het indienen van een voortgangsrapportage.</al></li>
                <li nr="j."><al> overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen
                                        worden opgelegd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> In het openstellingsbesluit stellen Gedeputeerde Staten vast: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de selectiecriteria;</al></li>
                <li nr="b."><al> het aantal punten dat per selectiecriterium behaald kan
                                        worden;</al></li>
                <li nr="c."><al> de wegingsfactor per selectiecriterium;</al></li>
                <li nr="d."><al> het minimaal aantal punten dat een aanvraag op basis van de
                                        selectiecriteria moet behalen om voor subsidie in aanmerking
                                        te kunnen komen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.4 Samenstelling subsidieplafond en
                                subsidiepercentages</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Een subsidieplafond bestaat uit: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> financiering afkomstig uit ELFPO;</al></li>
                <li nr="b."><al> financiering afkomstig uit ELFPO en provinciale middelen,
                                        of</al></li>
                <li nr="c."><al> provinciale middelen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien een subsidieplafond deels of geheel bestaat uit financiering
                                afkomstig uit ELFPO bestaan de in deze regeling genoemde
                                subsidiepercentages voor 50% financiering afkomstig uit ELFPO en
                                voor 50% uit nationale overheidsfinanciering.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.5 Doelgroep</titel>
            </kop>
            <al>Indien op grond van deze regeling subsidie kan worden verstrekt aan
                            landbouwondernemingen, wordt de subsidie uitsluitend verstrekt aan
                            ondernemingen die voldoen aan de definitie van kleine, middelgrote of
                            micro-ondernemingen (mkb) als opgenomen in bijlage 1 bij Verordening
                            651/2014 (AGV).</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.6 Samenwerkingsverbanden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Indien bij of krachtens deze regeling is bepaald dat een subsidie
                                kan worden verstrekt aan een samenwerkingsverband, komen slechts
                                voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> waarvan de deelnemers natuurlijke personen of
                                        rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in
                                        eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn,
                                        en</al></li>
                <li nr="b."><al> die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden
                                        krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening
                                        (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de
                                        Raad.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een
                                samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie
                                tevens: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een door alle partijen ondertekende
                                        samenwerkingsovereenkomst van de deelnemende partijen,
                                        waarin onder meer door alle partijen wordt verklaard dat
                                        iedere partij hoofdelijk aansprakelijk is voor
                                        onverschuldigd betaalde subsidiebedragen;</al></li>
                <li nr="b."><al> de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en
                                        financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten
                                        van de deelnemende partijen.</al></li>
                <li nr="c."><al> gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen
                                        door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om
                                        de aanvraag om subsidie in te dienen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> berusten de verplichtingen die daaruit voortvloeien
                                        hoofdelijk op iedere deelnemer aan het
                                        samenwerkingsverband;</al></li>
                <li nr="b."><al> is de penvoerder verplicht de projectadministratie als
                                        bedoeld in artikel 1.17, onder g, te voeren;</al></li>
                <li nr="c."><al> kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen
                                        overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere
                                        deelnemer aan het samenwerkingsverband. Bij terugvordering
                                        van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen zal de
                                        penvoerder van het project als eerste worden
                                        aangesproken.’</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.7 Wijze van indienen van en vereisten aan een
                                subsidieaanvraag</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Een aanvraag om subsidie: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> wordt ingediend bij Gedeputeerde Staten;</al></li>
                <li nr="b."><al> wordt ingediend met gebruik making van de meest recente
                                        versie van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld
                                        formulier</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Een aanvraag om subsidie bevat tenminste: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een begroting van de kosten van de activiteit;</al></li>
                <li nr="b."><al> een toelichting op de begroting;</al></li>
                <li nr="c."><al> een financieringsplan van de kosten van de activiteit;</al></li>
                <li nr="d."><al> een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde
                                        activiteiten bij andere bestuursorganen, private
                                        organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding
                                        van de stand van zaken daarvan;</al></li>
                <li nr="e."><al> een overzicht van inkomsten die met de uitvoeringen van de
                                        activiteit gegenereerd worden;</al></li>
                <li nr="f."><al> een projectplan waarin tenminste is opgenomen: </al><lijst>
                    <li nr="1°"><al> de doelstellingen van het project;</al></li>
                    <li nr="2°"><al> een probleemanalyse waaruit onder andere de
                                                noodzaak van het project blijkt en tevens de ter
                                                uitvoering van het project te maken kosten;</al></li>
                    <li nr="3°"><al> de wijze van uitvoering van het project;</al></li>
                    <li nr="4°"><al> de wijze waarop de resultaten van het project
                                                worden getoetst;</al></li>
                    <li nr="5°"><al> de verwachte realisatietermijn van het
                                                project;</al></li>
                    <li nr="6°"><al> de verwachte resultaten van het project.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de
                                investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve
                                omgevings-effecten, bevat de aanvraag om subsidie een verkenning
                                naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de
                                investering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan
                                één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per
                                        jaar;</al></li>
                <li nr="b."><al> een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van
                                        het project.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een
                                verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in
                                moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening
                                (EU) 702/2014.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 Algemene wet bestuursrecht,
                            wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al> voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in
                                    dezelfde openstellingsperiode;</al></li>
              <li nr="b."><al> voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van
                                    enige regeling reeds subsidie is verstrekt tot het op grond van
                                    Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of
                                    – bedrag;</al></li>
              <li nr="c."><al> de activiteit niet overwegend plaatsvindt in provincie
                                    Flevoland, tenzij de activiteit of de resultaten ervan
                                    aantoonbaar ten goede komt of komen aan ingezetenen van
                                    provincie Flevoland, of de activiteit of de resultaten daarvan
                                    aantoonbaar op enigerlei wijze het belang van de provincie
                                    Flevoland dient of dienen;</al></li>
              <li nr="d."><al> met de uitvoering van de activiteit, niet zijnde de uitvoering
                                    van voorbereidings¬handelingen voor de uitvoering van de
                                    activiteit, is gestart voordat de aanvraag om subsidie is
                                    ingediend;</al></li>
              <li nr="e."><al> in het openstellingsbesluit de benodigde nationale
                                    overheidsfinanciering als bedoeld in artikel 1.4, tweede lid,
                                    niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet
                                    voorzien is van een bijdrageverklaring of een
                                    subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale
                                    overheidsfinanciering;</al></li>
              <li nr="f."><al> een aanvraag minder scoort dan het minimum aantal punten als
                                    bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, onderdeel d;</al></li>
              <li nr="g."><al> de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in
                                    artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014;</al></li>
              <li nr="h."><al> ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot
                                    terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van
                                    de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun
                                    onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is
                                    verklaard.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.9 Personeelskosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Werkelijk gemaakte personeelskosten worden per uur berekend door
                                het meest recente bruto jaarloon te delen door 1.720 uren op basis
                                van een werkweek van 40 uur, vermeerderd met een opslag van 43,5%
                                voor de werkgeverslasten en een opslag van 15% voor de indirecte
                                kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien er sprake is van een parttime dienstverband, worden de
                                personeelskosten per uur naar rato berekend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per
                                persoon per jaar.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.10 Kosten aankoop van gronden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn
                                subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in
                                verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten
                                van de aankoop de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale
                                subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is
                                bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen in uitzonderlijke gevallen in een
                                openstellingsbesluit een hoger percentage vaststellen voor de
                                aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden in het kader van
                                activiteiten ten behoeve van milieubehoud. Indien de bebouwde of
                                niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of
                                onderdeel uit maken van Kader Richtlijn Water opgaven buiten de EHS
                                én in het concrete geval ontbreken redelijke alternatieven om de
                                milieudoelen te behalen, kan het subsidiepercentage, mits onderbouwd
                                in de toekenningsbeschikking, verhoogd worden tot 30% van de totale
                                subsidiabele kosten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.11 Berekeningswijze bijdragen in natura</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten,
                                grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten
                                met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn
                                verricht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Bijdragen in natura zijn subsidiabel: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan
                                        de totale subsidiabele kosten in het project exclusief de
                                        bijdragen in natura;</al></li>
                <li nr="b."><al> indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet
                                        hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende
                                        markt wordt aanvaard;</al></li>
                <li nr="c."><al> indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van
                                        de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van
                                gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het
                                tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is
                                getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde
                                deskundige of een hiertoe gemachtigde officiële instantie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Bijdrage in natura in de vorm van verstrekking van gronden is
                                subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit gronden of onroerende
                                goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een
                                huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer
                                bedraagt dan € 1,-.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6</lidnr>
              <al> Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de
                                bijdrage slechts subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd voor
                                de uitvoering van de activiteit gecontroleerd kan worden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7</lidnr>
              <al> De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,-
                                per uur.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8</lidnr>
              <al> De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd
                                op € 22,- per uur.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.12 Subsidiabiliteit van de kosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Kosten zijn slechts subsidiabel indien zij gemaakt zijn nadat de
                                aanvraag om subsidie is ingediend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> In afwijking van het eerste lid komen voorbereidingskosten ook voor
                                subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar
                                voordat de aanvraag om subsidie is ingediend, tenzij in het
                                openstellingsbesluit anders is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> De voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;</al></li>
                <li nr="b."><al> kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en
                                        economisch gebied;</al></li>
                <li nr="c."><al> kosten van haalbaarheidsstudies;</al></li>
                <li nr="d."><al> personeelskosten of inbreng eigen arbeid, voor zover deze
                                        kosten betrekking hebben op werkzaamheden zoals bedoeld
                                        onder de leden a, b en c van dit artikel.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.13 Niet-subsidiabele kosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Subsidie wordt in ieder geval niet verstrekt voor de volgende
                                kosten: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit
                                        waarop de subsidie betrekking heeft zijn toe te
                                        rekenen;</al></li>
                <li nr="b."><al> kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot
                                        het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale
                                        subsidiepercentage of – bedrag;</al></li>
                <li nr="c."><al> kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen,
                                        gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering
                                        of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes
                                        en sancties; </al></li>
                <li nr="d."><al> vervangingsinvesteringen;</al></li>
                <li nr="e."><al> legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel
                                        gesteld worden;</al></li>
                <li nr="f."><al> reguliere investeringen in de onderneming van de
                                        subsidieontvanger;</al></li>
                <li nr="g."><al> kosten voor de vervaardiging van producten die melk en
                                        zuivelproducten imiteren of vervangen;</al></li>
                <li nr="h."><al> verrekenbare of compensabele BTW;</al></li>
                <li nr="i."><al> kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet
                                        noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project of
                                        bovenmatig zijn.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de
                                landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> landbouwproductierechten,</al></li>
                <li nr="b."><al> betalingsrechten;</al></li>
                <li nr="c."><al> dieren;</al></li>
                <li nr="d."><al> zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen alsmede het
                                        planten daarvan.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.14 Adviescommissie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen één of meer adviescommissies
                                instellen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen die voor subsidie
                                in aanmerking komen worden voorgelegd aan een adviescommissie.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.15 Prioritering subsidieaanvragen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden op een
                                prioriteitenlijst gerangschikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> De rangschikking wordt bepaald door toepassing van alle in het
                                openstellingsbesluit geselecteerde selectiecriteria met de in
                                hetzelfde openstellingsbesluit aangegeven weging van die criteria.
                                Het totaal aantal punten dat na toepassing van deze criteria wordt </al>
              <al/>
              <al> behaald, bepaalt de rangschikking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> De aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van de
                                prioriteitenlijst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Indien meerdere aanvragen op dezelfde plaats op de
                                prioriteitenlijst worden gerangschikt en door honorering van deze
                                aanvragen het subsidieplafond wordt overschreden, wordt door middel
                                van loting bepaald welke aanvraag als eerste wordt gehonoreerd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.16 Beslistermijn</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde Staten beslissen binnen 22 weken na afloop van de periode
                            waarbinnen een aanvraag om subsidie ontvangen moet zijn.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.17 Verplichtingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> De subsidieontvanger is verplicht: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op
                                        grond van de Aanbestedingswet, dienen de voorschriften uit
                                        de Aanbestedingswet in acht genomen te worden;</al></li>
                <li nr="b."><al> te voldoen aan de communicatieverplichtingen zoals
                                        omschreven in Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 808/2014 van
                                        de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van
                                        uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1305/2013
                                        ;</al></li>
                <li nr="c."><al> in geval van investeringen de investering op het moment van
                                        indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie
                                        gebruiksklaar te hebben;</al></li>
                <li nr="d."><al> een investering gedurende vijf jaar gebruiksklaar in stand
                                        te houden, indien de activiteit een investering in
                                        infrastructuur of een productieve investering omvat;</al></li>
                <li nr="e."><al> binnen twee maanden na ontvangst van de subsidiebeschikking
                                        te starten met de uitvoering van de activiteit, tenzij in
                                        het openstellingsbesluit of in de beschikking tot
                                        subsidieverlening anders is bepaald;</al></li>
                <li nr="f."><al> de activiteiten binnen drie jaar na ontvangst van de
                                        subsidiebeschikking te hebben voltooid, tenzij in de
                                        beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;</al></li>
                <li nr="g."><al> een administratie te voeren die te allen tijde de
                                        informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de
                                        realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een
                                        juiste subsidieverstrekking , hetgeen inhoudt dat alle
                                        inkomsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd
                                        met de onderliggende bewijsstukken: </al><lijst>
                    <li nr="1°"><al> een sluitende urenadministratie;</al></li>
                    <li nr="2°"><al> een deugdelijk en volledig inkoopdossier;</al></li>
                    <li nr="3°"><al> bewijsstukken, als onderdeel van de administratie
                                                aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en
                                                dat daaruit de aard van de geleverde goederen en
                                                diensten duidelijk blijkt;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="h."><al> de administratie en de daartoe beherende bescheiden te
                                        bewaren tot 31 december 2028;</al></li>
                <li nr="i."><al> eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de
                                        activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot
                                        subsidieverlening anders is bepaald;</al></li>
                <li nr="j."><al> de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen
                                        indien de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend
                                        niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden
                                        verricht;</al></li>
                <li nr="k."><al> de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen
                                        indien niet, niet tijdig of niet geheel zal worden voldaan
                                        aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden
                                        zijn;</al></li>
                <li nr="l."><al> medewerking te verlenen aan met het toezicht op deze
                                        regeling belaste toezichthouders.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in
                                het eerste lid, onder i, bevat tenminste: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de uitgevoerde activiteiten;</al></li>
                <li nr="b."><al> de eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de
                                        oorzaak daarvan;</al></li>
                <li nr="c."><al> de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben
                                        bijgedragen aan de in het projectplan beschreven
                                        doelstellingen;</al></li>
                <li nr="d."><al> de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen
                                        worden;</al></li>
                <li nr="e."><al> de eventuele maatregelen die genomen worden om een
                                        eventuele achterstand in te lopen;</al></li>
                <li nr="f."><al> de financiële voortgang waarin tenminste is opgenomen: </al><lijst>
                    <li nr="1°"><al> een actueel kostenoverzicht in relatie tot de
                                                begroting;</al></li>
                    <li nr="2°"><al> een financieringsoverzicht alsmede een overzicht
                                                van toegezegde financiering van derden;</al></li>
                    <li nr="3°"><al> de financiële planning voor de resterende looptijd
                                                van de activiteit.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.18 Niet doel gebonden verplichtingen</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde Staten kunnen aan een subsidieontvanger verplichtingen als
                            bedoeld in artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht opleggen</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.19 Verrekening vermogensvoordeel</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de
                                Algemene wet bestuursrecht kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de
                                subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> De hoogte van de vergoeding is het gedeelte van de waarde van het
                                vermogen van de subsidie-ontvanger, dat evenredig is aan het
                                gedeelte van zijn totale inkomsten dat gedurende de laatste tien
                                jaar de subsidie is geweest. Bij de bepaling van de waarde van de
                                vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van hun waarde op het tijdstip
                                waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij
                                verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag
                                dat als schadevergoeding door de subsidie-ontvanger is
                                ontvangen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> De waarde van de onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun
                                waarde in het economisch verkeer, vastgesteld door een
                                onafhankelijke deskundige, die daartoe door Gedeputeerde Staten in
                                overleg met de subsidie-ontvanger wordt aangewezen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> De waarde van roerende goederen wordt bepaald op basis van hun
                                boekwaarde, geldmiddelen, waaronder begrepen de banksaldi, worden
                                gewaardeerd op hun nominale waarde.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.20 Verrekening netto inkomsten gedurende
                                uitvoering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van
                                hoofdstuk 2 of op hoofdstuk 3 worden </al>
              <al/>
              <al> netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit
                                gegenereerd worden, overeenkomstig </al>
              <al/>
              <al> artikel 65 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de
                                subsidiabele kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> [Vervallen.]</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> [Vervallen.]</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.21 Verrekening netto inkomsten na uitvoering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 1, 7 of 8 van
                                hoofdstuk 2 of op hoofdstuk 3 worden </al>
              <al/>
              <al> netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd
                                worden overeenkomstig artikel </al>
              <al/>
              <al> 61 van Vo (EU) 1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele
                                kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> [Vervallen.]</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> [Vervallen.]</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> [Vervallen.]</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.22 Verlaging in verband met het niet voldoen aan de
                                verplichting tot instandhouding van een investering in
                                infrastructuur of een productieve investering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in
                                infrastructuur of op een productieve investering, verlagen
                                Gedeputeerde Staten de vastgestelde subsidie indien binnen vijf jaar
                                na vaststelling van de subsidie: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst
                                        naar een locatie buiten het grondgebied van het in de
                                        Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der
                                        Nederlanden</al></li>
                <li nr="b."><al> een verandering in de eigendom van een
                                        infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een
                                        onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig
                                        voordeel behaalt;</al></li>
                <li nr="c."><al> een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen
                                        of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de
                                        oorspronkelijke doelstelling of doelstellingen van de
                                        investering of investeringen worden ondermijnd.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van
                                de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit
                                wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.23 Bevoorschotting op basis van realisatie
                                (tussentijdse betalingen)</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag voorschotten op basis van
                                realisatie verlenen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Het voorschot wordt verleend op basis van werkelijke kosten en
                                betalingen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Een aanvraag om een voorschot bevat tenminste facturen en
                                betaalbewijzen, een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in
                                artikel 1.17, sub i, en voor zover van toepassing: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> bewijsstukken inzake de gemaakte personeelskosten</al></li>
                <li nr="b."><al> bewijsstukken inzake geleverde inbreng in natura;</al></li>
                <li nr="c."><al> bewijsstukken inzake afschrijvingskosten.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> De aanvraag om een voorschot heeft betrekking op minimaal 25% van
                                de subsidie of minimaal € 50.000,-</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een aanvraag om
                                voorschot.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.24 Verlagen voorschot (sanctie)</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten stellen bij een verzoek om voorschot als
                                bedoeld in artikel 1.23 vast welk bedrag op grond van deze regeling,
                                het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening kan
                                worden verstrekt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Indien het gevraagde bedrag aan voorschot meer dan 10% hoger is dan
                                het onder het eerste lid berekende bedrag, wordt het onder het
                                eerste lid berekende bedrag verlaagd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag
                                aan voorschot en het onder het eerste lid berekende bedrag.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Het voorschot wordt maximaal verlaagd tot nihil.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Het voorschot wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger
                                aantoont dat het verzoek om voorschot buiten zijn schuld facturen,
                                betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet
                                subsidiabel zijn of of indien Gedeputeerde Staten anderszins van
                                oordeel is dat de betrokken begunstigde geen schuld treft.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.25 Voorschotten vooruitlopend op realisatie</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek voorschotten vooruitlopend op
                                realisatie verlenen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Een voorschot vooruitlopend op realisatie kan slechts worden
                                verleend indien er sprake is van investeringsgerelateerde steun of
                                subsidie op grond van paragraaf 3.4.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen een voorschot verlenen voordat kosten
                                zijn gemaakt en betaald door subsidieverkrijger, indien er een
                                bankgarantie of een gelijkwaardige garantie voor 100% van het
                                voorschot is gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Een door een overheidsinstantie ter beschikking gestelde
                                garantiefaciliteit wordt beschouwd als gelijkwaardig aan de in het
                                derde lid bedoelde garantie, indien de instantie zich ertoe verbindt
                                het door die garantie gedekte bedrag te betalen wanneer er geen
                                recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Een voorschot kan maximaal 50% van de oorspronkelijk verleende
                                subsidie bedragen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om een
                                voorschot.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.26 Wijzigingsverzoeken</titel>
            </kop>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="1."><al> Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de beschikking tot
                                    subsidieverlening wijzigen.</al></li>
              <li nr="2."><al> Een wijzigingsverzoek kan niet worden gehonoreerd indien de
                                    wijziging: </al><lijst>
                  <li nr="a."><al> leidt tot een activiteit die op grond van het
                                            openstellingsbesluit niet subsidiabel is;</al></li>
                  <li nr="b."><al> leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van
                                            de selectiecriteria dan het minimum aantal punten om
                                            voor subsidie in aanmerking te komen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> zou leiden tot een lagere plaats op de
                                            prioriteitenlijst dan de plaats waarop het
                                            subsidieplafond is bereikt.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.27 Subsidievaststelling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Subsidieontvanger is verplicht zijn aanvraag tot vaststelling van
                                de subsidie uiterlijk op de in de verleningsbeschikking genoemde
                                uiterste datum voor het indienen van bedoelde aanvraag in te
                                dienen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> De aanvraag om vaststelling bevat tenminste: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een inhoudelijk en financieel verslag;</al></li>
                <li nr="b."><al> facturen en betaalbewijzen;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3</lidnr>
              <al> Bij een aanvraag tot subsidievaststelling wordt mededeling gedaan
                                van alle aan het project gelieerde inkomsten, waaronder mede
                                begrepen eventueel toegekende andere subsidies die op de
                                gesubsidieerde activiteit of activiteiten betrekking hebben.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4</lidnr>
              <al> Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede
                                lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger
                                een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al> Het inhoudelijk verslag bevat ten minste: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een beschrijving van de activiteiten die in het kader van
                                        het project zijn verricht;</al></li>
                <li nr="b."><al> een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben
                                        bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het
                                        projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot
                                        subsidieverlening;</al></li>
                <li nr="c."><al> de kennis en informatie die met het project zijn opgedaan,
                                        en</al></li>
                <li nr="d."><al> de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in
                                        onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, ingeval is
                                        bepaald dat openbaarmaking plaatsvindt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de
                                aanvraag tot vaststelling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7</lidnr>
              <al> Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om
                                uitbetaling van de subsidie bevat, gebaseerd op facturen en
                                betaalbewijzen, gemaakte personeelskosten of geleverde inbreng in
                                natura, dan is artikel 1.24 van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.28 Wettelijke rente bij terugvordering.</titel>
            </kop>
            <al>Indien artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is,
                            worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.
                            De rente wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de in de
                            terugvorderingsopdracht voor de begunstigde vastgestelde
                            betalingstermijn, die niet meer dan 60 dagen mag bedragen, en de datum
                            van de terugbetaling dan wel verrekening.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.29 Verlagingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten verlagen de verleende of vastgestelde subsidie
                                indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd bij de uitvoering van
                                controles als bedoeld in artikel 48 en 49 van de
                                Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 809/2014 van de Commissie van 17
                                juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor
                                Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad
                                wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem,
                                plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht
                                verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een
                                subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de
                                Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen
                                worden of zouden kunnen worden benadeeld, hetzij door de
                                vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen
                                middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen
                                worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.30 Intrekking of wijziging subsidieverlening of
                                subsidievaststelling</titel>
            </kop>
            <al>[Vervallen.]</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 2 Maatregelen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 1 Trainingen, workshops, ondernemerscoaching en
                                demonstraties</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en het
                                    verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep
                                    van landbouwondernemers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> De activiteiten hebben als doel het informeren over innovaties
                                    en modernisering, en de toepassing ervan te bevorderen rond één
                                    of meerdere van de volgende thema’s: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaarde strategie, met nieuwe
                                            marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of
                                            meerwaardecreatie;</al></li>
                  <li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen of
                                            het verminderen van marktfalen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een vermindering van de emissie van
                                            milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en
                                            oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen
                                            en grondstoffen;</al></li>
                  <li nr="d."><al> klimaatmitigatie;</al></li>
                  <li nr="e."><al> klimaatadaptatie;</al></li>
                  <li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier;</al></li>
                  <li nr="g."><al> behoud en versterking van de biodiversiteit en de
                                            omgevingskwaliteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen
                                    Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels
                                    stellen omtrent: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de doelgroep;</al></li>
                  <li nr="b."><al> het minimale aantal deelnemende landbouwers;</al></li>
                  <li nr="c."><al> een maximumbedrag dat per deelnemer zal worden
                                            vergoed.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm
                                van kennisoverdracht of voorlichting levert.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.3 Aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag om
                                    subsidie een omschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat
                                    de organisatie beschikt over voldoende gekwalificeerd en
                                    getraind personeel om de activiteit uit te voeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien het voornemen is om voor deelname aan een
                                    kennisoverdrachtsactiviteit bij de deelnemers een bijdrage in
                                    rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden
                                    bij de subsidieaanvraag.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.4 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> personeelskosten van bij de uitvoering van de activiteit
                                        betrokkenen, voor de uren die aantoonbaar ten behoeve van
                                        het project zijn gemaakt;</al></li>
                <li nr="b."><al> kosten en reiskosten van procesbegeleiders en
                                        adviseurs;</al></li>
                <li nr="c."><al> materiaalkosten;</al></li>
                <li nr="d."><al> huur van ruimten en gebruik bijbehorende faciliteiten;</al></li>
                <li nr="e."><al> kosten van drukwerk, mailings en de inrichting van websites
                                        gekoppeld aan de activiteit.</al></li>
                <li nr="f."><al> kosten van afschrijving, huur of lease voor fysieke
                                        investeringen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van
                                        een demonstratieactiviteit;</al></li>
                <li nr="g."><al> bijdrage in natura.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.5 Niet subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.13 zijn de navolgende kosten
                                niet subsidiabel:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis;</al></li>
                <li nr="b."><al> kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van
                                        normale programma's of leergangen van het reguliere
                                        onderwijs;</al></li>
                <li nr="c."><al> Inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de
                                        kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.6 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten voor de
                                    thema’s zoals benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid aanhef en
                                    onder a, b en e.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten voor de
                                    thema’s zoals benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid aanhef en
                                    onder c, d, f en g.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Indien er bij een subsidieaanvraag sprake is van een combinatie
                                    van thema’s, als benoemd onder artikel 2.1.1 tweede lid, geldt
                                    het percentage van het thema met het laagste subsidiepercentage
                                    zoals bepaald in de leden 1 en 2 van dit artikel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.7 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de over te dragen kennis praktisch
                                            toepasbaar is en aansluit op de behoefte en
                                            ontwikkelingen in de Landbouw;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de aanvrager beschikt over voldoende
                                            gekwalificeerd en regelmatig getraind personeel en dit
                                            inzet voor de activiteit.</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosteneffectiviteit van de activiteit;</al></li>
                  <li nr="2."><al> Gedeputeerde Staten stellen tevens minimaal één
                                            selectiecriterium vast dat betrekking heeft op:</al></li>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de doelgroep zelf bijdraagt aan de
                                            activiteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> het innovatieve karakter van de over te dragen
                                            kennis;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de doelgroep nog niet op de hoogte is
                                            van de over te dragen kennis of deze nog niet
                                            toepast;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de mate waarin de activiteit betrekking heeft op
                                            toepassing van bestaande kennis uit andere
                                            sectoren;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kwaliteit van het projectplan;</al></li>
                  <li nr="f."><al> Het geplande aantal deelnemers aan de activiteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al> Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als
                                    bedoeld in de eerste twee leden dient gelet te worden op
                                    economische doelmatigheid en milieuefficiëntie.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.8 Verplichting</titel>
              </kop>
              <al>Indien een prijs moet worden betaald om de
                                kennisoverdrachtsactiviteit te kunnen bezoeken is de
                                subsidieontvanger verplicht om bij de berekening van de prijs die
                                aan bezoekers in rekening wordt gebracht rekening te houden met de
                                te ontvangen subsidie.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 2 Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van
                                agrarische ondernemingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of
                                            demonstreren van innovaties in agrarische
                                            ondernemingen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> voor de bredere uitrol van innovaties binnen de
                                            agrarische sector</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de activiteit
                                    betrekking heeft op tenminste één van de volgende thema’s: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaardestrategie, met nieuwe marktconcepten,
                                            nieuwe verdienmodellen, meerwaardecreatie;</al></li>
                  <li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen,
                                            verminderen van marktfalen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een emissievermindering van milieubelastende
                                            stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater
                                            (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en
                                            bestrijdingsmiddelen) en minder uitputting van
                                            hulpbronnen en grondstoffen (zoals water, fosfaat en
                                            bodemvruchtbaarheid);</al></li>
                  <li nr="d."><al> klimaatmitigatie (vermindering van de uitstoot van
                                            broeikasgassen door een zuiniger energiegebruik,
                                            reductie van het gebruik van fossiele energie door
                                            omschakeling op hernieuwbare energie, productie van
                                            hernieuwbare energie);</al></li>
                  <li nr="e."><al> klimaat adaptatie (door het tegengaan dan wel het
                                            verminderen van de effecten van grotere watertekorten en
                                            -overschotten en toenemende verzilting);</al></li>
                  <li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn/diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier;</al></li>
                  <li nr="g."><al> behoud en versterking van biodiversiteit en
                                            omgevingskwaliteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.2.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.2.3 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de
                                            marktwaarde van de activa;</al></li>
                  <li nr="d."><al> kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> personeelskosten;</al></li>
                  <li nr="d."><al> bijdragen in natura;</al></li>
                  <li nr="e."><al> afschrijvingskosten;</al></li>
                  <li nr="f."><al> niet verrekenbare of compensabele BTW.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.2.4 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.2.5 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan één of
                                            meerdere van de in artikel 2.2.1, tweede lid genoemde
                                            thema’s;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de investering bijdraagt aan innovatie
                                            en modernisering van het landbouwbedrijf of de
                                            landbouwsector.</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosteneffectiviteit van de activiteit;</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de steun daadwerkelijk nodig is om de
                                            activiteit mogelijk te maken en de verwachte bijdrage
                                            van de activiteit aan grootschalige toepassing van de
                                            innovatie door landbouwers;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kwaliteit van het projectplan.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 3 Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische
                                ondernemingen van jonge landbouwers</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.1 Lijst van investeringen</titel>
              </kop>
              <al>In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst
                                op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van
                                landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die alleen of
                                hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit
                                van een landbouwbedrijf.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.2 Activiteiten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn
                                    opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 2.3.1.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt
                                    uitsluitend subsidie verstrekt indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de investering op eigen grond van de
                                            landbouwonderneming plaatsvindt; of</al></li>
                  <li nr="b."><al> er voor de investering het recht van opstal is verleend
                                            indien een derde eigenaar is van de grond waarop de
                                            investering plaatsvindt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.3 Begunstigden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de
                                    aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende
                                    landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding
                                    afgerond heeft of over ten minste 3 jaar werkervaring op een
                                    landbouwonderneming beschikt en die: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een
                                            landbouwbedrijf vestigt, en</al></li>
                  <li nr="b."><al> hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers
                                            daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het
                                            landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op
                                            het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële
                                            risico’s worden genomen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het
                                    tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> op basis van de statuten of een schriftelijke door alle
                                            maten of vennoten ondertekende overeenkomst tenminste
                                            een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van
                                            ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van
                                            meer dan € 25.000,-, en</al></li>
                  <li nr="b."><al> ten minste mede belast is met de dagelijkse
                                            bedrijfsvoering.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al> Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het
                                    tweede lid, onderdeel b, is geen sprake indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het
                                            betreffende landbouwbedrijf is;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde
                                            lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan
                                            worden opgezegd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al> Indien de investering, waarvoor subsidie wordt gevraagd, wordt
                                    gedaan om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor
                                    landbouwproductie, wordt subsidie verstrekt aan jonge
                                    landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een
                                    landbouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum
                                    waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft
                                    gevestigd. </al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.4 Aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> In aanvulling op artikel 1.7, tweede lid, bevat de aanvraag om
                                    subsidie: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de gemaakte keuze voor de wijze waarop de subsidie
                                            berekend wordt;</al></li>
                  <li nr="b."><al> KvK nummer van het landbouwbedrijf;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de notariële akte van overdracht van aandelen of van de
                                            oprichting van de bv en het aandelenregister of de door
                                            alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van
                                            alle maten;</al></li>
                  <li nr="d."><al> een projectplan als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid
                                            onder f, waarin opgenomen een beschrijving van de
                                            investeringen per categorie waaruit blijkt dat de
                                            betreffende investering voldoet aan de omschrijving van
                                            de categorie genoemd in de lijst.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de
                                    subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van
                                    het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden bevat
                                    de aanvraag om subsidie tevens een accountantsverklaring.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op artikel 1.3 nadere
                                    regels stellen omtrent de in het tweede lid bedoelde
                                    accountantsverklaring. </al>
                <al/>
                <al/>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.5 Weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd
                                indien er op grond van deze paragraaf reeds subsidie is verstrekt
                                voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6
                                paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling
                                jonge Agrariërs van de Minister van Landbouw, Natuur en
                                Voedselkwaliteit reeds een subsidie is verstrekt aan de
                                aanvrager.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.6 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie wordt verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten van architecten en ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosten van adviseurs duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> bijdragen in natura;</al></li>
                  <li nr="d."><al> niet verrekenbare BTW;</al></li>
                  <li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> [Vervallen.]</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.7 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het
                                    landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien er naast jonge landbouwers ook niet-jonge landbouwers
                                    bedrijfshoofd zijn in het landbouwbedrijf wordt de subsidie
                                    bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet-jonge
                                    landbouwer; de verlaging bedraagt maximaal 80%.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de
                                    subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de
                                    onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste
                                    lid, 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het
                                    percentrage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in
                                    eigendom is van jonge landbouwers.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al> De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5</lidnr>
                <al> Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie
                                    minder bedraagt dan € 10.000,- wordt</al>
                <al/>
                <al> de subsidie niet verstrekt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6</lidnr>
                <al> Het minimum bedrag aan subsidiabele kosten per fysieke
                                    investering, als bedoeld in artikel 2.3.1 is € 20.000,-.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3.8 Rangschikking</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst
                                    als bedoeld in artikel 2.3.1 een punten aantal vast.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren het punten aantal als bedoeld in
                                    het eerste lid voor de rangschikking als bedoeld in artikel
                                    1.15.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.15 kunnen
                                    Gedeputeerde Staten tevens de bijdrage aan een in een
                                    openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoel hanteren.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 4 Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling,
                                modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Subsidie kan worden verstrekt voor: de verbetering van de
                                        verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven;</al></li>
                <li nr="b."><al> de verplaatsing van landbouwondernemingen gericht op
                                        verbetering van de landbouwinfrastructuur.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a
                                en b wordt verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> landbouwers;</al></li>
                <li nr="b."><al> grondeigenaren die geen landbouwer zijn;</al></li>
                <li nr="c."><al> pachters;</al></li>
                <li nr="d."><al> stichtingen voor kavelruil;</al></li>
                <li nr="e."><al> landbouworganisaties;</al></li>
                <li nr="f."><al> provincies;</al></li>
                <li nr="g."><al> waterschappen;</al></li>
                <li nr="h."><al> gemeenten;</al></li>
                <li nr="i."><al> natuur- en landschapsorganisaties.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.3 Subsidiabele kosten verbetering van de
                                    verkavelingsstructuur</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel a
                                wordt verstrekt voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> proceskosten verkaveling;</al></li>
                <li nr="b."><al> procedurekosten verkaveling;</al></li>
                <li nr="c."><al> investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te
                                        maken;</al></li>
                <li nr="d."><al> investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.4 Subsidiabele kosten verplaatsing van
                                    landbouwbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1 onderdeel b
                                wordt verstrekt voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Procedurekosten bedrijfsverplaatsing;</al></li>
                <li nr="b."><al> Investeringen op de nieuwe bedrijfslocatie;</al></li>
                <li nr="c."><al> Investeringen om kavels beter bereikbaar te maken;</al></li>
                <li nr="d."><al> Investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.5 Subsidiabele kosten van investeringen</titel>
              </kop>
              <al>De kosten van investeringen voor verbetering van de
                                verkavelingsstructuur of verplaatsing van landbouwbedrijven kunnen
                                bestaan uit:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing
                                        van onroerende goederen;</al></li>
                <li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en
                                        installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;</al></li>
                <li nr="c."><al> tweedehands installatiegoederen, indien noodzakelijk voor
                                        het project en de kosten aantoonbaar de marktwaarde niet
                                        overstijgen;</al></li>
                <li nr="d."><al> bijdragen in natura;</al></li>
                <li nr="e."><al> algemene kosten met betrekking tot investeringen;</al></li>
                <li nr="f."><al> plan- en advieskosten;</al></li>
                <li nr="g."><al> leges voor vergunningen en procedures;</al></li>
                <li nr="h."><al> haalbaarheidsstudies;</al></li>
                <li nr="i."><al> personeelskosten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.6 Hoogte subsidie verbetering
                                    verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.3 bedraagt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> 100% van de subsidiabele kosten van investeringen ten
                                        behoeve van inpassingsmaatregelen;</al></li>
                <li nr="b."><al> 40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten
                                        behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van
                                        kavels.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.7 Hoogte subsidie verplaatsing van
                                    landbouwbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie voor kosten als bedoeld in artikel 2.4.4 bedraagt:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> 100% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een
                                        bedrijfsverplaatsing voor zover dit niet leidt tot een
                                        verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of
                                        rentabiliteit van de onderneming;</al></li>
                <li nr="b."><al> 40% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een
                                        bedrijfsverplaatsing, voor zover dit leidt tot een verhoging
                                        van de productiecapaciteit, de waarde of rentabiliteit van
                                        de onderneming.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.8 Hoogte subsidie voor juridische en algemene
                                    kosten in het kader van verbetering verkavelingsstructuur of
                                    verplaatsing van landbouwbedrijven</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie voor juridische en algemene kosten bedoeld in artikel
                                2.4.3 onder a en b en in artikel 2.4.4 onder a bedraagt 100% van de
                                subsidiabele kosten.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.9 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosteneffectiviteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de noodzaak van de verbetering van de
                                            verkavelingsstructuur of de bedrijfsverplaatsing;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de integraliteit van de verbetering van de
                                            verkavelingsstructuur of de bedrijfsverplaatsing;</al></li>
                  <li nr="c."><al> het aantal hectaren waar de activiteit betrekking op
                                            heeft;</al></li>
                  <li nr="d."><al> het aantal partijen dat bij de activiteit betrokken
                                            is;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verbetering van het milieu, de waterhuishouding of de
                                            natuur;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verbetering van de leefbaarheid;</al></li>
                  <li nr="g."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de
                                            verkeersveiligheid.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 5 Niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur,
                                landschap en hydrologische maatregelen PAS</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor niet productieve
                                    hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen
                                    voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap,
                                    biodiversiteit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet productieve
                                    hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen
                                    als bedoeld in het eerste lid, met een aangetoonde directe link
                                    met de landbouw.</al>
                <al/>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> landbouwers;</al></li>
                <li nr="b."><al> grondeigenaren;</al></li>
                <li nr="c."><al> grondgebruikers;</al></li>
                <li nr="d."><al> landbouworganisaties;</al></li>
                <li nr="e."><al> natuur- en landschapsorganisaties;</al></li>
                <li nr="f."><al> provincies;</al></li>
                <li nr="g."><al> waterschappen;</al></li>
                <li nr="h."><al> gemeenten;</al></li>
                <li nr="i."><al> samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.3 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> afschrijvingskosten zoals bedoeld in artikel 69 lid 2
                                            van Verordening (EU) Nr. 1303/2013;</al></li>
                  <li nr="d."><al> niet verrekenbare of niet compensabele BTW;</al></li>
                  <li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.4 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.5 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosteneffectiviteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen
                                            zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende
                                            plannen: </al><lijst>
                      <li nr="1."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.2.
                                                  Wro;</al></li>
                      <li nr="2."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.4.
                                                  Waterwet;</al></li>
                      <li nr="3."><al> plan als bedoeld in artikel 19
                                                  Natuurbeschermingswet 1998;</al></li>
                      <li nr="4."><al> natuurbeheerplannen;</al></li>
                      <li nr="5."><al> landschapsbeheerplannen;</al></li>
                    </lijst></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen
                                            is gegarandeerd;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan herstel voor
                                            natuur, landschap, biodiversiteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 6 Niet-productieve investeringen water</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve
                                    investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op
                                    de (her)inrichting, of transformatie en het beheer van het
                                    watersysteem voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor niet-productieve
                                    investeringen als bedoeld in het eerste lid met een directe link
                                    met de landbouw.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> landbouwers;</al></li>
                <li nr="b."><al> grondeigenaren;</al></li>
                <li nr="c."><al> grondgebruikers;</al></li>
                <li nr="d."><al> landbouworganisaties;</al></li>
                <li nr="e."><al> natuur- en landschapsorganisaties;</al></li>
                <li nr="f."><al> provincies;</al></li>
                <li nr="g."><al> waterschappen;</al></li>
                <li nr="h."><al> gemeenten</al></li>
                <li nr="i."><al> samenwerkingsverbanden van bovenstaande partijen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6.3 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten van tweedehands installaties tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor de navolgende
                                    kosten: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> afschrijvingskosten;</al></li>
                  <li nr="d."><al> niet verrekenbare of niet compensabele BTW;</al></li>
                  <li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6.4 Hoogte subsidie en
                                    ELFPO-subsidiepercentage</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In afwijking van artikel 1.4, tweede lid, kunnen de in deze
                                    paragraaf genoemde subsidiepercentages voor 100% uit ELFPO
                                    subsidie bestaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6.5 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosteneffectiviteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens één of meerdere
                                    selectiecriteria vaststellen die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelen
                                            zoals vastgesteld in een of meer van de navolgende
                                            provinciale plannen van de waterschappen of de
                                            provincie: </al><lijst>
                      <li nr="1."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 2.2.
                                                  Wro;</al></li>
                      <li nr="2."><al> provinciaal plan als bedoeld in artikel 4.4.
                                                  Waterwet;</al></li>
                      <li nr="3."><al> beheerplan van de waterbeheerder als bedoeld in
                                                  artikel 4.6. Waterwet;</al></li>
                      <li nr="4."><al> plan als bedoeld in artikel 19
                                                  Natuurbeschermingswet 1998;</al></li>
                      <li nr="5."><al> wateronderdelen van natuurbeheerplannen;</al></li>
                    </lijst></li>
                  <li nr="b."><al>de mate waarin de activiteit bijdraagt aan het
                                            verminderen van nutriëntenemissies of eutrofiëring;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de KRW
                                            doelen;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de urgentie van de maatregelen om de doelen als bedoeld
                                            onder a tot en met c te realiseren;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de mate van samenwerking bij de uitvoering van de
                                            activiteit;;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de mate waarin onderhoud van de inrichtingsmaatregelen
                                            is gegarandeerd;</al></li>
                  <li nr="g."><al> het innovatieve karakter van de activiteit;</al></li>
                  <li nr="h."><al> de mate waarin de activiteit samenhangt met andere
                                            initiatieven die bijdragen aan verbetering van de
                                            biodiversiteit, natuur of landschap.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 7 Samenwerking voor innovaties</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband
                                            of;</al></li>
                  <li nr="b."><al> gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op
                                            een een innovatie of;</al></li>
                  <li nr="c."><al> uitvoering van een innovatieproject.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> De activiteiten zijn gericht op het praktijk-rijp maken van
                                    kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende
                                    thema’s: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaarde strategie, met nieuwe
                                            marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of
                                            meerwaardecreatie;</al></li>
                  <li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen of
                                            het verminderen van marktfalen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een vermindering van de emissie van
                                            milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en
                                            oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen
                                            en grondstoffen;</al></li>
                  <li nr="d."><al> klimaatmitigatie;</al></li>
                  <li nr="e."><al> klimaatadaptatie;</al></li>
                  <li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier;</al></li>
                  <li nr="g."><al> behoud en versterking van de biodiversiteit en de
                                            omgevingskwaliteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, tweede lid en artikel
                                    2.7.2 kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit
                                    nadere regels stellen omtrent: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;</al></li>
                  <li nr="b."><al> het minimale aantal bij het samenwerkingsverband
                                            betrokken partijen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> het thema waarop de activiteit betrekking heeft.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.2 Samenwerkingsverband</titel>
              </kop>
              <al>Het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.7.1, eerste lid,
                                bestaat tenminste uit twee partijen die van belang zijn voor het
                                verwezenlijken van de doelstelling van de projectvraag en bevat
                                tenminste één landbouwer of een organisatie die hen
                                vertegenwoordigt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.3 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers van het
                                samenwerkingsverband of de initiatiefnemer van het
                                samenwerkingsverband in wording.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.4 Aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te
                                        passen of uit te voeren innovatieve project;</al></li>
                <li nr="b."><al> een beschrijving van de verwachte resultaten en van de
                                        bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het
                                        duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;</al></li>
                <li nr="c."><al> een uitwerking van de beoogde activiteiten voor
                                        kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de
                                        hiertoe geëigende netwerken;</al></li>
                <li nr="d."><al> Een beschrijving van de interne procedures van het
                                        samenwerkingsverband waarmee transparante werking en
                                        besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee
                                        belangenconflicten worden voorkomen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.5 Weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie
                                geweigerd:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> indien er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele
                                        kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling
                                        (LEADER) subsidie is verstrekt;</al></li>
                <li nr="b."><al> voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van
                                        bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.6 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten voor het werven van deelnemers en het
                                            schrijven van een projectplan;</al></li>
                  <li nr="b."><al> coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten voor het verspreiden van resultaten van het
                                            project;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li>
                  <li nr="g."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="h."><al> de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en
                                            economisch gebied;</al></li>
                  <li nr="i."><al> haalbaarheidsstudies;</al></li>
                  <li nr="j."><al> operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van
                                            een innovatie in de praktijk.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> bijdragen in natura;</al></li>
                  <li nr="d."><al> afschrijvingskosten;</al></li>
                  <li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.7 Niet subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie
                                verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de
                                aanvraag om subsidie is ingediend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.8 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de
                                    voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdelen b en c, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e;</al></li>
                  <li nr="b."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van niet-productieve investeringen betreft;</al></li>
                  <li nr="c."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van productieve investeringen betreft;</al></li>
                  <li nr="d."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel a, en de kosten als bedoeld
                                            in artikel 2.7.6, tweede lid onderdeel e, voor zover het
                                            kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige
                                            samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een
                                            projectplan.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en
                                    de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een grote onderneming is;</al></li>
                  <li nr="b."><al> 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een middel grote onderneming
                                            is;</al></li>
                  <li nr="c."><al> 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.7.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een kleine onderneming is;</al></li>
                  <li nr="d."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.7.6 eerste lid onderdeel i.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> De percentages genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c
                                    kunnen worden verhoogd met 15% indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één
                                            kleine- of middelgrote onderneming en geen van de
                                            partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en</al></li>
                  <li nr="b."><al> een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het
                                            samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling
                                            minimaal 10% van de kosten draagt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.9 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet
                                            op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht
                                            en gecommuniceerd;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosteneffectiviteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens selectiecriteria vaststellen
                                    die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> het innovatieve karakter van de activiteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit aansluit bij gerelateerde
                                            nationale of Europese programma’s;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de verbinding tussen praktijk en onderzoek;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de rol van de benodigde partners in het innovatieproces
                                            en de kennisverspreiding.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al> Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als
                                    bedoeld in de vorige leden dient gelet te worden op economische
                                    doelmatigheid en milieuefficiëntie.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7.10 Verplichtingen aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit
                                openbaar te maken en te verspreiden via de geëigende netwerken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 8 Samenwerking in het kader van het EIP</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.1 Begrippen</titel>
              </kop>
              <al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> EIP: het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de
                                        productiviteit en duurzaamheid in de landbouw;</al></li>
                <li nr="b."><al> Operationele groepen: samenwerkingsverbanden die deel uit
                                        maken van het een EIP, de groep bestaat uit minimaal twee
                                        actoren, waarvan minimaal één landbouwer deel uitmaakt of
                                        een organisatie die hun vertegenwoordigt en de groep is
                                        gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van
                                        innovaties.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de oprichting van een operationele groep of;</al></li>
                  <li nr="b."><al> gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op
                                            een innovatie of;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de uitvoering van een project door de operationele
                                            groep.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> De activiteiten zijn gericht op het praktijk-rijp maken van
                                    kennis en innovatie alsmede één of meerdere van de volgende
                                    thema’s: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie
                                            naar een meerwaarde strategie, met nieuwe
                                            marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of
                                            meerwaardecreatie;</al></li>
                  <li nr="b."><al> beter beheer van productierisico’s, versterking van de
                                            positie van de primaire producent in de handelsketen of
                                            het verminderen van marktfalen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> maatregelen die leiden tot een geringer
                                            grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als
                                            resultaat een vermindering van de emissie van
                                            milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en
                                            oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen
                                            en grondstoffen;</al></li>
                  <li nr="d."><al> klimaatmitigatie;</al></li>
                  <li nr="e."><al> klimaatadaptatie;</al></li>
                  <li nr="f."><al> verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en
                                            verminderd risico voor de volksgezondheid bij de
                                            interactie tussen mens en dier;</al></li>
                  <li nr="g."><al> behoud en versterking van de biodiversiteit en de
                                            omgevingskwaliteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3, derde lid kunnen
                                    Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels
                                    stellen omtrent: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;</al></li>
                  <li nr="b."><al> het minimale aantal partijen;</al></li>
                  <li nr="c."><al> het thema waarop de activiteit betrekking heeft.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.3 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers aan de operationele groep
                                of de initiatiefnemer van de operationele groep in wording.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.4 Aanvraag</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 bevat de aanvraag:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te
                                        passen of uit te voeren innovatieve project;</al></li>
                <li nr="b."><al> een beschrijving van de verwachte resultaten en van de
                                        bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit of het
                                        duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;</al></li>
                <li nr="c."><al> een uitwerking van de beoogde activiteiten voor
                                        kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de
                                        hiertoe geëigende netwerken;</al></li>
                <li nr="d."><al> Een beschrijving van de interne procedures van het
                                        samenwerkingsverband waarmee transparante werking en
                                        besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee
                                        belangenconflicten worden voorkomen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.5 Weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie geweigerd
                                indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten
                                        reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling (LEADER)
                                        subsidie is verstrekt;</al></li>
                <li nr="b."><al> voor kosten gericht op de reguliere bedrijfsvoering van
                                        bestaande reguliere samenwerkingsactiviteiten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.6 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende kosten: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> kosten van het werven van deelnemers en het schrijven
                                            van een projectplan;</al></li>
                  <li nr="b."><al> coördinatie kosten voor het samenwerkingsverband;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosten voor het verspreiden van resultaten van het
                                            project;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of
                                            leasing van onroerende goederen;</al></li>
                  <li nr="e."><al> de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines
                                            en installaties tot maximaal de marktwaarde van de
                                            activa;</al></li>
                  <li nr="f."><al> de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de
                                            marktwaarde;</al></li>
                  <li nr="g."><al> de kosten van adviseurs, architecten en
                                            ingenieurs;</al></li>
                  <li nr="h."><al> adviezen duurzaamheid op milieu en economisch
                                            gebied;</al></li>
                  <li nr="i."><al> haalbaarheidsstudies;</al></li>
                  <li nr="j."><al> operationele kosten voor het testen en ontwikkelen van
                                            een innovatie in de praktijk.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten
                                    bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de kosten van verwerving of ontwikkeling van
                                            computersoftware;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de kosten van verwerving van octrooien, licenties,
                                            auteursrechten en merken;</al></li>
                  <li nr="c."><al> bijdragen in natura;</al></li>
                  <li nr="d."><al> afschrijvingskosten;</al></li>
                  <li nr="e."><al> personeelskosten.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.7 Niet subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van artikel 1.12, tweede lid, wordt geen subsidie
                                verstrekt voor voorbereidingskosten die gemaakt zijn voordat de
                                aanvraag om subsidie is ingediend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.8 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de
                                    voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> 70% van subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdelen b en c, en de kosten als
                                            bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid onderdeel e;</al></li>
                  <li nr="b."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van niet-productieve investeringen betreft;</al></li>
                  <li nr="c."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel d tot en met j, en de kosten
                                            als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, voor zover het
                                            kosten van productieve investeringen betreft;</al></li>
                  <li nr="d."><al> 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel a, en de kosten als bedoeld
                                            in artikel 2.8.6, tweede lid onderdeel e, voor zover het
                                            kosten betreft voor de oprichting van een projectmatige
                                            samenwerking en het gezamenlijk formuleren van een
                                            projectplan.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en
                                    de voortbrenging van landbouw producten bedraagt de hoogte van
                                    subsidie: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> 25% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een grote onderneming is;</al></li>
                  <li nr="b."><al> 35% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een middel grote onderneming
                                            is;</al></li>
                  <li nr="c."><al> 45% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel a tot en met h en j, en de
                                            kosten als bedoeld in artikel 2.8.6, tweede lid, indien
                                            de subsidieontvanger een kleine onderneming is;</al></li>
                  <li nr="d."><al> 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel
                                            2.8.6, eerste lid onderdeel i.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> De percentages genoemd in het tweede lid, onder a tot en met c
                                    kunnen worden verhoogd met 15% indien: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één
                                            kleine- of middelgrote onderneming en geen van de
                                            partijen meer dan 70% van de kosten draagt, en</al></li>
                  <li nr="b."><al> een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het
                                            samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling
                                            minimaal 10% van de kosten draagt.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.9 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld
                                    in artikel 1.15 tenminste de volgende criteria: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> de mate waarin de activiteit bijdraagt aan één of
                                            meerdere beleidsdoelen;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de slagingskans van de activiteit waarbij wordt gelet
                                            op de wijze waarop het innovatieproces wordt ingericht
                                            en gecommuniceerd.</al></li>
                  <li nr="c."><al> de kosteneffectiviteit.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen tevens selectiecriteria vaststellen
                                    die betrekking hebben op: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> het innovatieve karakter van de activiteit;</al></li>
                  <li nr="b."><al> de mate waarin de activiteit aansluit bij gerelateerde
                                            nationale of Europese programma’s;</al></li>
                  <li nr="c."><al> de verbinding tussen praktijk en onderzoek;</al></li>
                  <li nr="d."><al> de rol van de benodigde partners in het innovatieproces
                                            en de kennisverspreiding.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3</lidnr>
                <al> Gedeputeerde Staten kunnen de criteria als bedoeld in de eerste
                                    twee leden nader uitwerken in een openstellingsbesluit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4</lidnr>
                <al> Bij de keuze en nadere uitwerking van de selectiecriteria als
                                    bedoeld in de vorige leden dient gelet te worden op economische
                                    doelmatigheid en milieuefficiëntie</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8.10 Verplichtingen aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit
                                openbaar te maken via het EIP-netwerk (Artikel 57, derde lid van
                                Verordening (EU) Nr. 1305/2013) en andere geëigende netwerken.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 3 Leader</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 1 Algemeen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.1.1 Algemeen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1</lidnr>
                <al> In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: </al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al> LAG: lokale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van Vo
                                            (EG) nr. 1303/2013;</al></li>
                  <li nr="b."><al> Lokale ontwikkelingsstrategie (LOS): een vanuit de
                                            gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie
                                            als bedoeld in artikel 33 van Vo (EG) nr.
                                            1303/2013.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2</lidnr>
                <al> In een openstellingsbesluit inzake Leader kan door Gedeputeerde
                                    Staten afgeweken worden van de artikelen 1.3 en 1.15 van deze
                                    verordening.</al>
                <al/>
                <al/>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 2 Capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.2.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie kan worden verstrekt voor capaciteitsopbouw, opleiding en
                                netwerkvorming in het kader van de voorbereiding en de uitvoering
                                van de LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.2.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de penvoerder van een nieuw op te richten LAG;</al></li>
                <li nr="b."><al> de penvoerder van een LAG die in de periode 2007-2013 een
                                        Leaderstatus had;</al></li>
                <li nr="c."><al> rechtspersonen;</al></li>
                <li nr="d."><al> ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.2.3 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de kosten van opleidingen van plaatselijke
                                        belanghebbenden;</al></li>
                <li nr="b."><al> kosten van haalbaarheidsstudies of studies over het
                                        betreffende gebied;</al></li>
                <li nr="c."><al> de kosten voor het opstellen van een LOS;</al></li>
                <li nr="d."><al> kosten van adviseurs voor het opstellen van de LOS;</al></li>
                <li nr="e."><al> kosten voor het raadplegen van belanghebbenden voor het
                                        opstellen van de LOS.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.2.4 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.2.5 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in
                                artikel 1.15 één of meerdere van de volgende criteria:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> aantal en diversiteit van de betrokken
                                        samenwerkingspartners waarmee aangetoond kan worden dat er
                                        voldoende draagvlak is voor het initiatief;</al></li>
                <li nr="b."><al> kwaliteit van het bijgevoegde procesplan waarmee aangetoond
                                        kan worden dat de aanvrager in staat is tot het opstellen
                                        van een LOS en het oprichten van een LAG;</al></li>
                <li nr="c."><al> de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de
                                        doelen van POP3;</al></li>
                <li nr="d."><al> de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de
                                        doelen van het provinciaal beleid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 3 Uitvoering van LEADER-projecten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.1 Subsidiabele activiteiten</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties
                                die passen binnen de LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt verstrekt aan</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> publieke rechtspersonen,</al></li>
                <li nr="b."><al> private rechtspersonen,</al></li>
                <li nr="c."><al> ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid, met name
                                        eenmanszaken, vennootschappen onder firma, commanditaire
                                        vennootschappen, maatschappen,</al></li>
                <li nr="d."><al> de LAG,</al></li>
                <li nr="e."><al> de penvoerder van de LAG.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.3 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd artikel 1.12 kan subsidie worden verstrekt voor alle
                                kosten gemaakt ter voorbereiding of uitvoering van projecten die
                                passen binnen de LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.4 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op
                                basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG
                                dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in
                                de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.5 Subsidievereiste</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie
                                geweigerd</al>
              <lijst>
                <li nr="c."><al> indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele
                                        kosten reeds subsidie op grond van hoofdstuk 2 is
                                        verstrekt;</al></li>
                <li nr="d."><al> indien het project niet past binnen een door Gedeputeerde
                                        Staten goedgekeurde LOS.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.3.6 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <al>Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een
                                door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn
                                daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4
                                aspecten:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de
                                        LOS;</al></li>
                <li nr="b."><al> De mate waarin het project past binnen de werkwijze van
                                        LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend,
                                        gebiedsgericht);</al></li>
                <li nr="c."><al> De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en
                                        organisatorisch oogpunt;</al></li>
                <li nr="d."><al> De mate van efficiency en doelmatigheid van het
                                        project.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 4 Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van
                                de lokale groep</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog
                                        op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken
                                        van geschikte partners en gebieden daarvoor;</al></li>
                <li nr="b."><al> de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten;</al></li>
                <li nr="c."><al> de onder a. en b. bedoelde samenwerkingsactiviteiten kunnen
                                        plaatsvinden binnen Nederland (inter-territoriale
                                        samenwerking) of tussen gebieden in verschillende lidstaten
                                        of met gebieden in derde landen (transnationale
                                        samenwerking).</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de penvoerder van de LAG;</al></li>
                <li nr="b."><al> rechtspersonen;</al></li>
                <li nr="c."><al> ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.3 Subsidievereiste</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd artikel 1.8 wordt subsidie wordt uitsluitend verstrekt
                                indien het samenwerkingsproject past binnen een door Gedeputeerde
                                Staten goedgekeurde LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.4 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Subsidie in verband met de voorbereiding van
                                        samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: </al><lijst>
                    <li nr="i."><al> de kosten van haalbaarheidsstudies voor
                                                inter-territoriale of transnationale
                                                samenwerking;</al></li>
                    <li nr="ii"><al> de kosten voor het opstellen van een
                                                projectplan;</al></li>
                    <li nr="iii."><al> operationele kosten en personeelskosten voor de
                                                organisatie van een samenwerkingsproject;</al></li>
                    <li nr="iv."><al> reis- en verblijfkosten;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al> Subsidie in verband met de uitvoering van
                                        samenwerkingsactiviteiten wordt verstrekt voor: </al><lijst>
                    <li nr="i."><al> uitvoeringskosten;</al></li>
                    <li nr="ii."><al> operationele kosten en personeelskosten voor de
                                                organisatie van een samenwerkingsproject;</al></li>
                    <li nr="III."><al> reis- en verblijfkosten;</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.5 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op
                                basis van een advies daarover door de LAG. Het advies van de LAG
                                dient te zijn gebaseerd op de berekeningsmethode als vastgelegd in
                                de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.4.6 Selectiecriteria</titel>
              </kop>
              <al>Selectie van de subsidie vindt plaats door de LAG op basis van een
                                door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS. De selectiecriteria zijn
                                daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende 4
                                aspecten:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> De mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de
                                        LOS;</al></li>
                <li nr="b."><al> De mate waarin het project past binnen de werkwijze van
                                        LEADER (bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend,
                                        gebiedsgericht);</al></li>
                <li nr="c."><al> De mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en
                                        organisatorisch oogpunt;</al></li>
                <li nr="d."><al> De mate van efficiency en doelmatigheid van het
                                        project.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>§ 5 Lopende kosten, promotie en voorlichting</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.5.1 Subsidiabele activiteit</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie kan worden verstrekt voor:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> beheer van de uitvoering van de LOS;</al></li>
                <li nr="b."><al> promotie en voorlichting van de LOS.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.5.2 Aanvrager</titel>
              </kop>
              <al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> de penvoerder van de LAG;</al></li>
                <li nr="b."><al> rechtspersonen;</al></li>
                <li nr="c."><al> ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.5.3 Subsidievereiste</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 wordt subsidie uitsluitend
                                verstrekt indien het project past binnen een door Gedeputeerde
                                Staten goedgekeurde LOS.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.5.4 Subsidiabele kosten</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="a."><al> Subsidie in verband met beheer van de uitvoering van de LOS
                                        kan worden verstrekt voor: </al><lijst>
                    <li nr="i."><al> operationele kosten en personeelskosten;</al></li>
                    <li nr="ii"><al> opleidingskosten;</al></li>
                    <li nr="iii."><al> kosten voor public relations;</al></li>
                    <li nr="iv."><al> in afwijking van het bepaalde in artikel 1.13:
                                                kosten voor financiële diensten, waaronder begrepen
                                                kosten voor bankdiensten en financieringen;</al></li>
                    <li nr="v."><al> kosten voor monitoring en evaluatie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="b."><al> Subsidie in verband met promotie en voorlichting wordt
                                        verstrekt voor: </al><lijst>
                    <li nr="i."><al> kosten voor het faciliteren van de uitwisseling
                                                tussen belanghebbenden;</al></li>
                    <li nr="iii."><al> kosten voor het promoten van en verstrekken van
                                                informatie over de LOS</al></li>
                    <li nr="iv."><al> kosten voor de ondersteuning van potentiële
                                                begunstigden bij de ontwikkeling van concrete
                                                projecten en het voorbereiden van aanvragen</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 3.5.5 Hoogte subsidie</titel>
              </kop>
              <al>De steun bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum
                                van 25% van de totale publieke uitgaven voor de
                                ontwikkelingsstrategie.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.1</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Met het toezicht op deze regeling zijn belast aangewezen
                                    ambtenaren van RVO.nl en de NVWA.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen naast de toezichthouders als bedoeld
                                    in het eerste lid, andere toezichthouders aanwijzen die zijn
                                    belast met het toezicht op de besteding van de verstrekte
                                    subsidies en de naleving van aan subsidieontvangers opgelegde
                                    verplichtingen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.2</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1</lidnr>
              <al> Gedeputeerde Staten kunnen deze verordening wijzigen, als dit
                                    nodig is door aanpassing van hogere regelgeving of als het gaat
                                    om wijzigingen van ondergeschikte aard.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2</lidnr>
              <al> De wijziging vindt slechts plaats na overleg met de
                                    Staatssecretaris van Economische Zaken en de overige
                                    provinciebesturen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.3</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum
                                van uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst. Deze
                                verordening wordt aangehaald als Subsidieverordening POP3 provincie
                                Flevoland 2014-2020.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de vergadering van Provinciale Staten van 16 december
                        2015</al>
          <al>Provinciale Staten van Flevoland,</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting bij Regeling subsidies Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014
                        - 2020</titel>
        </kop>
        <al>TOELICHTING</al>
        <al>ALGEMEEN</al>
        <al>§1. Inleiding</al>
        <al>§1.1 Algemene inleiding</al>
        <al>Op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de
                    Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het
                    Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking
                    van verordening (EU) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU L 347/487), verder: de POP
                    verordening, heeft Nederland in december 2014 haar
                    Plattelands-ontwikkelingsprogramma 2014 – 2020 (POP3) bij de Europese Commissie
                    ingediend. Dit programma is op 13 februari 2015 door de Commissie goedgekeurd.
                    Het POP3 programma is primair gebaseerd op voorgenoemde verordening, maar naast
                    deze verordeningen zijn ook enkele andere verordeningen relevant voor het POP3
                    programma. Het gaat daarbij met name om de verordening (EU) nr. 1306/2013 van
                    het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering,
                    het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot
                    intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr.
                    485/2008 van de Raad (PbEU L 347) en verordening (EU) nr. 1303/2013 van het
                    Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke
                    bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees
                    Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
                    plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij
                    en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling,
                    het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor
                    maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr.
                    1083/2006 van de Raad (PbEU L347/320) en alle bij genoemde verordeningen
                    behorende uitvoeringsverordeningen en controleverordeningen. Hoewel genoemde
                    verordeningen rechtstreeks doorwerken in de Nederlandse rechtsorde, kunnen
                    subsidies op grond van het goedgekeurde POP3 programma slechts worden verstrekt
                    op basis van een door een op nationaal of provinciaal niveau vastgestelde
                    subsidieregeling. De onderhavige provinciale regeling “Regeling POP3 subsidies”
                    vormt, samen met nog vast te stellen openstellingsbesluiten, de wettelijke basis
                    voor het door provincies verstrekken van POP3 subsidies (anders dan subsidies
                    voor agromilieu- en klimaatdiensten).</al>
        <al>In deze regeling worden in hoofdstuk 1 de in de regeling gehanteerde begrippen
                    gedefinieerd. Daarbij is uitgangspunt dat waar mogelijk is aangesloten bij de
                    definities uit EU-verordeningen. Indien een begrip niet gedefinieerd is, wordt
                    er vanuit gegaan dat de betekenis in het normale spraakgebruik voldoende
                    duidelijk is. In hoofdstuk 2 wordt per door het bestuursorgaan open te stellen
                    maatregel de bij openstelling nader te bepalen en uit te werken voorwaarden en
                    beperkingen weergegeven. In hoofdstuk drie worden de Leadermaatregelen
                    beschreven en in hoofdstuk 4 volgen de slotbepalingen.</al>
        <al>POP3 kent een gelaagde structuur. Op basis van genoemde EU-verordeningen en het
                    goedgekeurde POP-programma is de Regeling POP-subsidies ontwikkeld. Dit betekent
                    dat de EU-verordeningen én de afspraken die bestaan tussen lidstaat Nederland en
                    de Europese Commissie over de uitvoering van POP3 in Nederland (het goedgekeurde
                    POP3 programma), bij eventuele strijdigheid van deze Regeling met een
                    EU-verordening of het POP-programma, voor gaan.</al>
        <al>§1.2 Openstellingsbesluit</al>
        <al>De maatregelen opgenomen in deze Regeling POP3 subsidies kunnen door een
                    Provincie opengesteld worden door middel van een openstellingsbesluit. In een
                    openstellingsbesluit zal - naast het aanwijzen van de maatregel(en) waarvoor
                    subsidie kan worden aangevraagd en het vaststellen van subsidieplafond(s) –
                    onder meer aangegeven kunnen worden welke van de in deze regeling genoemde
                    ‘facultatieve’ selectiecriteria, naast de in sommige gevallen altijd te hanteren
                    selectiecriteria, in het concrete geval gehanteerd zullen worden, welke
                    wegingsfactoren op de selectiecriteria van toepassing zullen zijn en welke
                    minimale puntenscore door een project behaald dient te worden om zo wie zo voor
                    subsidie in aanmerking te kunnen komen.</al>
        <al>§1.3 Selectie van projecten door middel van tenders</al>
        <al>De selectie van projecten zal – met uitzondering van Leaderprojecten waarbij
                    tendering niet verplicht is voorgeschreven – plaats vinden via een zogenaamde
                    ‘tender-methode’: alle binnen de in het openstellingsbesluit genoemde tijdvak
                    ingediende projecten worden, indien ze voldoen aan de
                    subsidiabiliteitsvoorwaarden, gescoord. Subsidiabiliteitsvoorwaarden
                    (‘instapeisen’) zijn de voorwaarden waaraan een aanvraag altijd moet voldoen,
                    bijvoorbeeld: als alleen agrarisch ondernemers aan kunnen vragen, wordt een
                    aanvraag die niet van een agrarisch ondernemer afkomstig is, direct op grond van
                    het niet voldoen aan de subsidiabiliteitsvoorwaarde ‘aanvrager is agrarisch
                    ondernemer’ afgewezen. Aanvragen die voldoen aan de
                    subsidiabiliteitsvoorwaarden, worden gescoord op basis van de in de betreffende
                    openstelling gehanteerde selectiecriteria en de weging van die criteria als
                    aangegeven in het openstellingsbesluit. Ten behoeve van de uitvoering van deze
                    procedure kan een selectiecommissie ingesteld worden. Op basis van de procedure
                    ontstaat er een lijst met alle ingediende projecten die aan de
                    subsidiabiliteitscriteria voldoen, voorzien van een score (cijfer). Projecten
                    die meer dan het minimaal voorschreven aantal punten behalen, kunnen voor
                    subsidie in aanmerking komen. Indien de kosten voor het aantal projecten dat
                    voor subsidie in aanmerking komt hoger zijn dan het beschikbare subsidieplafond,
                    worden subsidie toegekend op basis van de behaalde scores (projecten met hogere
                    scores gaan voor). Indien er meerdere projecten met hetzelfde puntenaantal zijn
                    en niet al die projecten kunnen gehonoreerd worden omdat het subsidieplafond dan
                    overschreden zou worden, dan kan door middel van loting bepaald worden welke
                    projecten uit die groep voor subsidie in aanmerking komen.</al>
        <al>§2. Maatregelen</al>
        <al>Het POP3 bestaat voornamelijk uit maatregelen die door de Provincies zullen
                    worden uitgevoerd. De volgende voor onderhavige regeling relevante provinciale
                    maatregelen en submaatregelen zijn in het programmadocument van Nederland
                    opgenomen :</al>
        <al>1. Maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting</al>
        <al>(artikel 14 Verordening (EU) Nr.1305/2013) Het is nodig om voorlichting en
                    andere kennisoverdrachtacties te ondersteunen omdat reeds ontwikkelde (veelal
                    technische) innovaties vaak moeilijk voorbij de eindfase van de innovatiecyclus
                    komen. Zonder deze maatregel blijft grootschalige toepassing van noodzakelijke
                    innovaties uit of wordt deze vertraagd. Dit geldt in het bijzonder wanneer de
                    toepassing van een innovatie niet vanzelfsprekend zelfstandig door het
                    bedrijfsleven en de markt worden opgepakt. Daarnaast dient de maatregel bij te
                    dragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor
                    toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor
                    onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk.</al>
        <al>2. Maatregel inzake investeringen</al>
        <al>(artikelen 17 lid 1 (a), (c) en (d) Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze
                    maatregel bestaat uit een vijftal submaatregelen: a. fysieke investeringen nodig
                    voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede
                    uitrol van innovaties; b. fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische
                    ondernemingen van jonge landbouwers; c. investeringen in infrastructuur d.
                    niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en
                    hydrologische maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof); en e.
                    niet-productieve investeringen voor water . Deze maatregelen dragen bij het
                    versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het
                    concurrentievermogen van de landbouw en het bevorderd het gebruik van
                    innovatieve landbouwtechnologieën. Er wordt een link gelegd met duurzaamheid en
                    innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water,
                    bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit
                    en landschap.</al>
        <al>3. Maatregel inzake samenwerking</al>
        <al>(artikel 35 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013) Deze maatregel richt zich op het
                    ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van
                    koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie,
                    procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of
                    uiteindelijk in systeeminnovatie. Deze maatregel is op samenwerkingsvormen en
                    bestaat uit de volgende submaatregelen: (1) samenwerking met betrekking tot
                    proefprojecten en de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, processen en
                    technieken in de landbouw- en de voedingsmiddelensector en (2) de oprichting en
                    werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit
                    en duurzaamheid in de landbouw.</al>
        <al>4. Maatregel inzake LEADER –lokale ontwikkeling</al>
        <al>(artikelen 32 tot en met 35 van Verordening (EU) Nr. 1303/2013 en artikelen 42
                    tot en met 44 van Verordening (EU) Nr. 1305/2013, LEADER beoogt bij te dragen
                    aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. De interactie tussen
                    landbouw en samenleving wordt steeds belangrijker. Er ligt een opgave om samen
                    te werken aan de sociaaleconomische ontwikkeling van het platteland en aan een
                    duurzaam beheer van de ruimte. De agrarische sector zal zich in moeten zetten
                    voor maatschappelijk draagvlak. De sector moet daarbij invulling geven aan haar
                    “license to produce”. Dat kan bijvoorbeeld door de relatie tussen het platteland
                    en de stad en tussen de boer en de burger te verstevigen. LEADER kan hier een
                    bijdrage aan leveren, want:</al>
        <al>• LEADER heeft een toegevoegde waarde bij projecten waarvoor draagvlak en
                    samenwerking tussen private en publieke partijen een voorwaarde voor succes
                    zijn;</al>
        <al>• LEADER projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en
                    werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de
                    leefomgeving van de agrarische sector, jonge boeren en hun gezinnen;</al>
        <al>• LEADER kan ondersteunen in ‘krimp’ gebieden waar alle actoren de opgave hebben
                    om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland;</al>
        <al>• LEADER is een krachtige aanpak voor de opgaven voor integrale
                    plattelandsontwikkeling waarbij verschillende belanghebbenden zijn betrokken en
                    de landbouwsector een belangrijke speler is;</al>
        <al>• LEADER sluit goed aan bij de huidige tijdsgeest die vraagt om een actievere
                    inzet van burgers en bedrijven.</al>
        <al>Het resterende deel van de maatregelen genoemd in het POP3 programma betreft de
                    agromilieu- en klimaatmaatregelen, waarvoor een separate provinciale regeling
                    ontwikkeld is, of zal door de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd.
                    Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de maatregelen inzake risicobeheer (artikelen
                    36 en 37 van de POP-verordening).</al>
        <al>§ 3 Subsidieverlening op basis van selectiecriteria en tendering</al>
        <al>POP3 subsidie kan slechts worden verstrekt indien een aangevraagde subsidie
                    aantoonbaar effectief en efficiënt zal zijn. Om te kunnen bepalen of een te
                    verlenen subsidie effectief en efficiënt zal zijn, zijn selectiecriteria
                    geformuleerd. De in deze regeling opgenomen selectiecriteria per regeling zijn
                    deels criteria die altijd toegepast dienen te worden en deels criteria die bij
                    een bepaalde openstelling van toepassing verklaard kunnen worden. Het is dus
                    mogelijk dat in een bepaalde openstelling niet alle in deze regeling genoemde
                    selectiecriteria gehanteerd worden. Het is daarentegen niet mogelijk dat niet in
                    deze regeling genoemde selectiecriteria ‘toegevoegd’ worden bij een
                    openstelling: de bij de maatregelen in hoofdstuk 2 opgenomen criteria kunnen bij
                    openstelling wel nader ingevuld of geconcretiseerd worden, maar er kunnen geen
                    extra criteria toegevoegd worden. In geval van Leader zijn de selectiecriteria
                    waarvan gebruik gemaakt wordt opgenomen in de goedgekeurde Lokale Ontwikkelings
                    Strategie (LOS).</al>
        <al>Selectie van projecten zal – met uitzondering van Leader-projecten –
                    plaatsvinden door middel van een tender. Alle gedurende een openstellingsperiode
                    ingediende projecten worden – indien de aanvraag volledig is én aan de gestelde
                    subsidiabiliteitscriteria (= eisen waaraan in ieder geval voldaan dient te zijn
                    om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen, bijvoorbeeld: een jonge agrariër
                    dient bij aanvraag nog geen 40 jaar te zijn. De aanvraag zal worden afgewezen
                    zonder inhoudelijk naar de aanvraag te kijken, indien de aanvrager niet aan dit
                    criterium voldoet) wordt voldaan - op basis van in het openstellingsbesluit
                    bekend gemaakte selectiecriteria en wegingsfactoren van die selectiecriteria
                    beoordeeld. Zie verder §1.3.</al>
        <al>De doelgroep van een subsidie is afhankelijk van de maatregel die het betreft en
                    de beleidsmatige doelstellingen die met de subsidieverlening worden nagestreefd.
                    In deze regeling wordt bij veel maatregelen een breed scala aan mogelijke
                    aanvragers genoemd. In een openstelling kan de doelgroep beperkt worden tot die
                    groepen die - gelet op de beleidsmatige doelstellingen die met de betreffende
                    openstelling nagestreefd worden - voor subsidie in het kader van de betreffende
                    openstelling in aanmerking komen. Er kan indien gewenst een selectie van de in
                    deze regeling genoemde doelgroepen plaatsvinden, toevoegen van extra – niet in
                    deze regeling bij de betreffende maatregel genoemde – doelgroepen is niet
                    mogelijk.</al>
        <al>Om in het kader van een tenderregeling gelijke kansen voor alle aanvragers te
                    garanderen is het noodzakelijk dat bij sluiting van de tender alle voor het
                    beoordelen van de aanvraag noodzakelijke gegevens bekend zijn. Een aanvraag
                    dient te worden ingediend op een door GS beschikbaar gesteld aanvraagformulier.
                    Daarbij wordt expliciet voorgeschreven dat altijd het laatst beschikbaar gekomen
                    aanvraagformulier gehanteerd dient te worden, om hierover misverstanden te
                    voorkomen. Een onvolledig ingediende aanvraag dient voor de sluitingsdatum van
                    de openstellingstermijn aangevuld te zijn om voor beoordeling in aanmerking te
                    komen. Enige uitzondering die hierop gemaakt zou kunnen worden is het toestaan
                    van het aanvullen van gegevens die niet noodzakelijk zijn voor een inhoudelijke
                    beoordeling van de aanvraag (zie verder bij de artikelsgewijze toelichting,
                    artikel 1.7). Het indienen van ‘pro forma’ aanvragen zonder dat inhoudelijke
                    aanvulling van de aanvraag voor de gestelde sluitingsdatum plaatsvindt, is
                    derhalve in het kader van deze regeling niet zinvol.</al>
        <al>Subsidie zal geheel of gedeeltelijk geweigerd worden indien één van de
                    weigeringsgronden van toepassing is. Het kan hierbij gaan om een
                    weigeringsgronden als genoemd in artikel 1.8 van deze regeling, in het van
                    toepassing zijnde artikel van hoofdstuk 2 of 3 of in het van toepassing zijnde
                    openstellingsbesluit.</al>
        <al>§ 4 Subsidiabele kosten en bijdragen in natura</al>
        <al>In onderhavige regeling wordt per maatregel aangegeven welke kosten subsidiabel
                    gesteld kunnen worden. Sommige kosten kunnen alleen onder voorwaarden
                    subsidiabel gesteld worden. Zo mag in bepaalde projecten de kosten voor aankoop
                    van grond, bebouwd of niet-bebouwd, subsidiabel gesteld worden, maar deze kosten
                    zijn – tenzij er sprake is van een uitzonderlijke situatie - voor maximaal 10%
                    van de totale subsidiabele kosten die in het project gemaakt worden
                    subsidiabel.</al>
        <al>Bij sommige maatregelen kunnen bijdragen in natura subsidiabel gesteld worden.
                    Bijdragen in natura zijn alle in het project ingebrachte bijdragen voor werken,
                    goederen, diensten, grond of onroerende goederen die NIET door facturen en
                    betaalbewijzen of daaraan gelijk te stellen documenten gestaafd worden. Deze
                    bijdragen dienen aan strikte eisen te voldoen, om de hoogte van de uitgaven toch
                    controleerbaar te maken. De waarde die wordt toegekend aan de bijdrage in natura
                    mag niet meer bedragen dan de kosten die gewoonlijk op de desbetreffende markt
                    worden aanvaard. Voor enkele kostensoorten (inbreng eigen arbeid,
                    vrijwilligerswerk) zijn standaardtarieven ontwikkeld die bij de inbreng van dat
                    soort kosten gehanteerd moeten worden.</al>
        <al>Bijdragen in natura zijn slechts subsidiabel indien de verstrekte subsidie
                    minder dan 100% van de subsidiabele kosten bedraagt én binnen het project ook
                    voldoende andere subsidiabele kosten gemaakt worden. De uit te betalen subsidie
                    – berekend als % van de subsidiabele kosten inclusief de bijdrage in natura -
                    kan nooit hoger zijn dan de subsidiabel gestelde kosten zonder die bijdrage in
                    natura.</al>
        <al>§ 5 Verplichtingen subsidieverkrijgers</al>
        <al>Subsidieverkrijgers dienen aan alle in het subsidietoekenningsbesluit gestelde
                    verplichtingen te voldoen. In artikel 1.17 worden de algemene verplichtingen
                    weergegeven waaraan – indien de betreffende verplichting op het betreffende
                    project van toepassing is – altijd moet worden voldaan. Naast deze algemene,
                    subsidiegerelateerde, verplichtingen, kunnen ook specifieke verplichtingen
                    opgelegd worden en op grond van artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de
                    subsidieverkrijger ook niet doelgebonden verplichtingen opleggen.</al>
        <al>§ 6 Financiële aspecten subsidie</al>
        <al>Een subsidie geeft een direct financieel voordeel aan de subsidieverkrijger.
                    Naast dit directe financiële voordeel ten gevolge van de subsidie, kan er ook
                    sprake zijn van een financieel voordeel in de vorm van netto inkomsten die
                    tijdens of na het uitvoeren van het project verkregen worden. Ook kan er sprake
                    zijn van een vermogensvoordeel ten gevolge van de subsidie. In sommige gevallen
                    dienen dit soort voordelen verrekend of vergoed te worden. De artikelen 1.19,
                    1.20 en 1.21 geven daar de voorschriften voor. Het gaat hierbij overigens alleen
                    over rechtstreeks gegenereerde netto-inkomsten, waarmee géén rekening is
                    gehouden op het tijdstip van goedkeuring van de actie. Met veel inkomsten,
                    bijvoorbeeld kostenreductie dank zij de investering of inkomsten door het
                    verkopen van bedrijfsgebouwen in het kader van een bedrijfsverplaatsing of het
                    vragen van een bijdrage van agrarisch ondernemers die aan een cursus deel zullen
                    nemen, zal bij de toekenning al rekening gehouden worden. Indien er verrekend
                    zou moeten worden, gelden er verschillende uitzonderingen op het voorschrift tot
                    verrekening. Zo hoeft bijvoorbeeld niet verrekend te worden indien het gaat om
                    een concrete actie waarvan de totale subsidiabele kosten ten hoogste € 50.000
                    bedragen. Ook concrete acties waarvoor voorschriften inzake staatssteun gelden,
                    vallen buiten de plicht tot verrekening.</al>
        <al>In sommige gevallen kan een toegekende subsidie worden verlaagd. Dit is
                    bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van onregelmatigheden. Verlaging is
                    ook na afronding van een project mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                    niet wordt voldaan aan de instandhoudings¬verplichting: een investering in
                    infrastructuur of een productieve investering dient in principe gedurende 5 jaar
                    na vaststelling van de subsidie – gebruiksklaar - in stand te worden gehouden.
                    Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, zal de subsidie evenredig
                    verlaagd worden.</al>
        <al>Een ander financieel aspect betreft de bevoorschotting. Er bestaan twee soorten
                    voorschotten, te weten een voorschot dat voor afronding van een project wordt
                    verstrekt op basis van reeds uitgevoerde onderdelen van het project
                    (‘bevoorschotting op basis van realisatie’). Dit soort voorschotten zijn – in
                    POP-terminologie - tussentijdse betalingen waarbij nààst een
                    voortgangsrapportage inzake het project, facturen en betaalbewijzen van de reeds
                    verrichte projectonderdelen, of – indien van toepassing – bewijsstukken ten
                    aanzien van de ingebrachte bijdrage(n) in natura - moeten worden overgelegd. Een
                    dergelijk voorschot zal worden verlaagd indien bij de aanvraag voor de
                    tussentijdse betaling té veel onjuiste facturen en betaalbewijzen overlegd
                    worden. Op grond van EU-regelgeving dient een tussentijds voorschot te worden
                    verlaagd met het bedrag van de onjuiste facturen en betaalbewijzen, indien het
                    bedrag aan onjuiste facturen en betaalbewijzen meer bedraagt dan 10% van het
                    bedrag aan ingediende facturen en betaalbewijzen van kosten die wel subsidiabel
                    gesteld zijn. Dit betekent dat niet alleen de onjuiste facturen/betaalbewijzen
                    niet worden vergoed, er wordt daarnaast een correctie van de betaling opgelegd
                    ter hoogte van het bedrag dat onjuist gedeclareerd is. Deze maatregel is een
                    verplichting opgelegd door de EU en is er op gericht aanvragers te bewegen
                    voldoende zorgvuldigheid te betrachten bij het indienen van declaraties. Van de
                    verplichte correctie van de betalingsaanvraag kan worden afgezien, indien de
                    aanvrager aan kan tonen dat zijn declaratie buiten zijn schuld onjuist was.
                    Overigens is de bepaling inzake het verlagen van een betaling òòk van toepassing
                    indien het verzoek om betaling geen verzoek tot tussentijdse betaling betreft,
                    maar een verzoek om eindafrekening indien bij dat verzoek om eindafrekening
                    facturen en betaalbewijzen overgelegd worden.</al>
        <al>Naast tussentijdse betalingen, bestaan er ook voorschotten die worden
                    aangevraagd vooruitlopend op de uitvoering van het project. De EU-regelgeving
                    biedt slechts de mogelijkheid dit soort voorschotten te verlenen voor
                    investeringsgerelateerde steun en voor plaatselijke groepen voor zover het
                    daarbij gaat om functionerings- en dynamiseringskosten. Het voorschot kan
                    maximaal 50% van de toegekende overheidsbijdrage bedragen. Een dergelijk
                    voorschot kan slechts worden verleend indien er door de subsidieverkrijger een
                    bankgarantie of daaraan gelijk te stellen zekerheid wordt verstrekt van 100% van
                    het te verlenen voorschot.</al>
        <al> ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al>
        <al>Hoofdstuk 1</al>
        <al>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</al>
        <al>In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen gedefinieerd die in deze regeling
                    worden gehanteerd. De definities sluiten daar waar mogelijk aan bij de
                    definities zoals gehanteerd in de van toepassing zijnde EU-regelgeving. Mocht er
                    strijdigheid bestaan tussen de definitie van een begrip in de van toepassing
                    zijnde EU-verordeningen en de begripsbepaling in deze regeling, dan wel
                    begrippen niet in de begripsbepalingen van deze regeling gedefinieerd zijn, dan
                    worden de begrippen geacht te zijn gedefinieerd conform de van toepassing zijnde
                    EU-definities.</al>
        <al>Artikel. 1.2 Toepassingsbereik</al>
        <al>POP-subsidie kan slechts worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen
                    aan een duurzame ontwikkeling van het platteland van Nederland of de agrarische
                    sector. Het gaat hierbij slechts om het deel van Nederland dat in de Europese
                    Unie gelegen is, de overzeese gebieden van Nederland vallen niet onder deze
                    regeling. Onder het platteland van Nederland wordt daarbij verstaan: het
                    grondgebied van Nederland met uitzondering van aaneengesloten woonkernen met
                    meer dan 30.000 inwoners. Woonkernen met meer dan 30.000 inwoners worden geacht
                    ‘stedelijk gebied’ te zijn. Activiteiten worden geacht ten goede te komen aan
                    een duurzame ontwikkeling van het platteland indien de activiteit zelf of de
                    resultaten van de activiteit ten goede komen aan het platteland en/of de
                    agrarische sector.</al>
        <al>Artikel 1.3 Openstelling</al>
        <al>In het openstellingsbesluit worden de subsidieplafonds vastgelegd, maar kunnen
                    daarnaast ook de in deze regeling genoemde onderdelen, zoals bijvoorbeeld de
                    doelgroep, de subsidiabele activiteiten of thema’s, subsidiabele kosten en
                    selectiecriteria, nader ingevuld worden zodat bij openstelling duidelijk is
                    waarvoor in het kader van de openstelling precies subsidie aangevraagd kan
                    worden en hoe aanvragen beoordeeld zullen worden. Zo wordt in deze regeling
                    bijvoorbeeld aangegeven dat ‘landbouwers’ de begunstigden kunnen zijn, maar in
                    een openstellingsbesluit kan dit nader gespecificeerd worden tot
                    ‘varkenshouders’ , ‘biologische boeren’ of ‘landbouwers waarvan het bedrijf
                    tenminste grootte x heeft’. En de subsidiabele activiteit kan in deze regeling
                    zijn omschreven als ‘kennisoverdracht’, maar dat kan in een openstellingsbesluit
                    nader gericht worden tot bv. ‘kennisoverdracht inzake klimaatadaptatie’. Ook kan
                    een Provincie er voor kiezen om, vanwege beleidsmatige overwegingen, bepaalde
                    kostensoorten die op grond van deze regeling subsidiabel gesteld zouden kunnen
                    worden, in een specifiek geval toch niet subsidiabel te stellen. Bijvoorbeeld:
                    afschrijvingskosten kunnen op grond van sommige artikelen subsidiabel gesteld
                    worden, maar Provincies kunnen er voor kiezen om die kosten, bijvoorbeeld
                    vanwege de hoge uitvoeringslasten die gemoeid zijn met het berekenen en
                    beoordelen van die kosten, niet subsidiabel te stellen.</al>
        <al>Dit betekent dat de in deze regeling genoemde mogelijkheden de maximale
                    mogelijkheden weergeven, welke ingeperkt kunnen worden in een
                    openstellingsbesluit. In die zin is openstelling per ‘submaatregel’ mogelijk.
                    Wat niet mogelijk is, is dat er in een openstellingsbesluit nieuwe, niet in deze
                    regeling genoemde, onderdelen – bijvoorbeeld een andere doelgroep of een andere
                    subsidiabele activiteit - toegevoegd worden.</al>
        <al>Voor de selectiecriteria geldt dat de criteria genoemd in deze regeling meestal
                    algemene criteria zijn, die in het algemeen nader uitgewerkt zullen worden in
                    een openstellingsbesluit. Met name het criterium ‘de bijdrage aan in een
                    openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoelen’ biedt de provincies de
                    mogelijkheid bij openstelling van een maatregel voldoende sturingsmogelijkheden
                    te hebben om te kunnen sturen op het bereiken van de provinciale
                    beleidsdoelstellingen.</al>
        <al>Bij alle maatregelen wordt het selectiecriterium ‘kosteneffectiviteit’ gebruikt.
                    Met dit selectiecriterium wordt beoogd toepassing gegeven aan artikel 49 van Vo
                    1305/2013, waarin onder meer is bepaald dat de selectiecriteria borg dienen te
                    staan voor een beter gebruik van financiële middelen. Met deze
                    kosteneffectiviteit wordt bedoeld: in welke mate draagt de subsidie bij aan het
                    realiseren van (beleids)doelstellingen. Voorbeeld: als er sprake is van een
                    project dat onderdeel is van een groter programma of samenhangt met enkele
                    andere (niet door de overheid of niet vanuit POP te subsidiëren) projecten, kan
                    – kijkend naar de opbrengst van het programma of de opbrengst van het project in
                    samenhang met die andere projecten (= spin off van het te subsidiëren project) -
                    er sprake zijn van een relatief kleine subsidie die, door de spin off, grote
                    (beleids)effecten sorteert. Als voorbeeld: een project van € 100.000 dat een
                    noodzakelijk onderdeel oplevert voor een programma dat in zijn totaliteit voor €
                    1 miljoen aan ‘opbrengst’ voor een bepaald beleidsdoel genereert, zal naar
                    verwachting hoger op dit selectiecriterium scoren dan een verder vergelijkbaar
                    project met € 100.000 aan subsidiabele kosten, waarbij er geen sprake is van een
                    spin off effect.</al>
        <al>Artikel 1.4 Samenstelling subsidieplafond en subsidiepercentages</al>
        <al>Een subsidieplafond is het totaalbedrag dat bij een openstelling voor
                    subsidieaanvragers beschikbaar wordt gesteld. POP-subsidies bestaan – in het
                    algemeen – uit 50% nationaal overheidsgeld en een bijdrage van 50% die afkomstig
                    is uit het door de EU aan Nederland beschikbaar gestelde bedrag aan middelen uit
                    het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Provincies zijn
                    in het kader van onderhavige regeling aangewezen als beheerder van het
                    ELFPO-budget. Provincies kunnen in een openstellingsbesluit slechts ELFPO-budget
                    beschikbaar stellen, kunnen naast het ELFPO-budget ook de benodigde nationale
                    cofinanciering beschikbaar stellen of kunnen – indien daar in het POP programma
                    voor de betreffende maatregel in is voorzien - alleen nationale
                    overheidsmiddelen beschikbaar stellen (‘aanvullende nationale
                    financiering’).</al>
        <al>Indien een Provincie slechts ELFPO-middelen beschikbaar stelt, dient een
                    aanvrager de verplicht voorgeschreven nationale overheidsfinanciering op een
                    andere manier te verkrijgen. In die gevallen zal een aanvraag slechts voor
                    (ELFPO)subsidie in aanmerking kunnen komen indien bij de subsidieaanvraag een
                    bewijs wordt overgelegd waaruit blijkt dat de nationale financiering die
                    benodigd is voor het project beschikbaar is of zal komen. Dit omdat er anders
                    geen sprake is van een sluitende begroting. Het te overleggen bewijs kan
                    bijvoorbeeld een reeds gedane subsidietoezegging of bijdrageverklaring
                    zijn.</al>
        <al>Artikel 1.5 Doelgroep</al>
        <al>In hoofdstuk 2 worden per maatregel de doelgroep of doelgroepen gedefinieerd. In
                    dit artikel wordt bepaald dat een landbouwonderneming in het kader van deze
                    regeling een MKB-bedrijf dient te zijn. Grote landbouwondernemingen, met meer
                    dan 250 werknemers, komen in het kader van deze regeling niet voor subsidie in
                    aanmerking.</al>
        <al>Artikel 1.6 Samenwerkingsverbanden</al>
        <al>In sommige gevallen kan een subsidie worden verstrekt aan een
                    samenwerkingsverband. Indien een samenwerkingsverband, niet zijnde een formeel
                    samenwerkingsverband in de vorm van een rechtspersoon, subsidie wenst aan te
                    vragen, zijn er aan het samenwerkingsverband eisen gesteld die in dit artikel
                    worden benoemd. Naast de in dit artikel benoemde vereisten, kunnen ook in de
                    artikelen in hoofdstuk 2 of 3 én in het openstellingsbesluit aanvullende eisen
                    aan samenwerkingsverbanden worden gesteld.</al>
        <al>Artikel 1.7 Wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag</al>
        <al>Een subsidieaanvraag kan slechts worden ingediend door gebruik te maken van het
                    door Gedeputeerde Staten beschikbaar gestelde aanvraagformulier. Alleen een
                    volledig ingevuld aanvraagformulier, voorzien van alle voorgeschreven bijlagen,
                    zal in behandeling genomen worden. Aanvragen waarbij slechts een gedeelte van de
                    voorgeschreven informatie wordt aangeleverd en niet alle voorgeschreven
                    informatie voor de sluitingsdatum van de tender is aangeleverd (zoals ‘pro forma
                    aanvragen’) zullen niet in behandeling genomen worden. Dit om rechtsongelijkheid
                    tussen aanvragers te voorkomen. Enige uitzondering hierop vormen gegevens en
                    bijlagen die weliswaar wel aanwezig dienen te zijn bij een aanvraag voor
                    subsidietoekenning, maar niet essentieel zijn voor de inhoudelijke beoordeling
                    van de aanvraag. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan een Kamer van Koophandel
                    nummer. Een subsidieaanvrager kan derhalve de mogelijkheid worden geboden
                    dergelijke gegevens ook na sluiting van de tender, maar binnen een door
                    Gedeputeerde Staten te stellen termijn, aan te vullen.</al>
        <al>De aanvraag dient in ieder geval een projectplan te bevatten, waarin ook wordt
                    aangegeven wat de doelstelling(en) van het project is/zijn, of er een relatie is
                    met andere projecten / of het project onderdeel uitmaakt van een groter
                    programma en wat de doelstellingen daarvan zijn en hoe de resultaten van het
                    project worden getoetst. Met de ‘doelstelling’ wordt bedoeld: het beleidsdoel
                    wat nagestreefd wordt (bijvoorbeeld: meer fietsers in de gemeente). De
                    doelstelling is in het algemeen van een hoger abstractieniveau dan het
                    projectresultaat (bijvoorbeeld: projectresultaat zal zijn dat er 25 km fietspad
                    is aangelegd of verbeterd). Aanvragers worden geacht in het projectplan aan te
                    geven hoe bezien/bepaald wordt of de doelstelling (meer fietsers in de gemeente)
                    is bereikt.</al>
        <al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een investering, dient op grond van
                    artikel 45 Verordening (EU) nr. 1305/2013 1e lid “de investering voorafgegaan te
                    worden door een beoordeling van de te verwachten milieueffecten overeenkomstig
                    het recht dat specifiek is voor deze soort investering, in gevallen waarin de
                    investering waarschijnlijk nadelige gevolgen zal hebben voor het milieu”. Dit
                    betekent dat investeringen waarvoor voorafgaand aan de investering een milieu-
                    of omgevingsvergunning verkregen moet zijn, die vergunning verkregen moet zijn
                    voor er vanuit ELFPO voor die investering betalingen gedaan kunnen worden.
                    Indien er geen milieu- of omgevingsvergunning verplicht is, bijvoorbeeld omdat
                    de betreffende investering op grond van de Omgevingswet slechts gemeld hoeft te
                    worden, dient de aanvrager een beperkte effectverkenning met een eigen oordeel
                    aan te leveren, op grond waarvan blijkt dat er geen sprake is van een
                    investering die waarschijnlijk negatieve gevolgen voor zal hebben voor het
                    milieu. De zwaarte van de verkenning zal afhangen van het soort/type
                    investering.</al>
        <al>Een belangrijk aandachtspunt voor de Europese Commissie is het punt
                    ‘redelijkheid van kosten’. Indien er bij een project geen sprake is van een
                    aanbestedingstraject zal door het Betaalorgaan in het algemeen worden vereist
                    dat een aanvrager – ter onderbouwing van de redelijkheid van de kosten waarvoor
                    subsidie wordt aangevraagd en als toelichting op de begroting– drie offertes aan
                    de aanvraag toevoegt, op basis waarvan het Betaalorgaan de redelijkheid van de
                    opgevoerde kosten kan bepalen.</al>
        <al>Onderdeel van de aan te leveren gegevens is ook het aanleveren van informatie
                    over subsidies of vergoedingen / bijdragen die voor dezelfde subsidiabele
                    activiteiten van andere bestuursorganen, private organisaties of personen
                    afkomstig zijn. Deze gegevens zijn enerzijds van belang om te kunnen beoordelen
                    of er sprake is van een sluitende begroting, anderzijds kan op basis van deze
                    gegevens ook worden bezien of er wellicht sprake zou kunnen zijn van cumulatie
                    van subsidies of cumulatie met andere vormen van steun.</al>
        <al>Aanvragen zullen vaak elektronisch ingediend kunnen worden. Als elektronisch
                    indienen kan, verdient elektronisch indienen van aanvragen sterk de voorkeur. Op
                    grond van de Algemene wet bestuursrecht is het echter niet mogelijk elektronisch
                    indienen van aanvragen te verplichten.</al>
        <al>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</al>
        <al>In bepaalde gevallen zal een subsidieaanvraag (geheel of gedeeltelijk) afgewezen
                    worden. Indien er gewerkt wordt met een tendersysteem (zie onder §1.3) en het in
                    geval van dreigende overschrijding van het subsidieplafond en het toepassen van
                    loting in de groep van ‘projecten met dezelfde score’, is het onwenselijk dat
                    aanvrager(s) voor dezelfde activiteit meerdere aanvragen indienen (om zo de kans
                    bij een eventuele loting te vergroten). Indien voor dezelfde activiteit en door
                    dezelfde aanvrager(s) meerdere aanvragen worden gedaan, zal – tenzij een eerder
                    ingediende aanvraag ingetrokken zou worden - alleen de eerst ingediende aanvraag
                    meegenomen worden in de tenderprocedure. De overige versies van dezelfde
                    aanvraag voor dezelfde activiteit en door dezelfde aanvrager(s) zullen afgewezen
                    worden.</al>
        <al>Er zijn projecten waarvan het effect in meerdere provincies ‘neerslaat’ of neer
                    kan slaan. In dat geval kunnen provincies in onderling overleg besluiten over de
                    financiering van het project. Die besluitvorming zou er bijvoorbeeld toe kunnen
                    leiden dat één provincie subsidie verstrekt, maar een deel van de benodigde
                    financiering (naar rato) van een andere provincie verkrijgt. In geval van
                    investeringen zal het in het algemeen zo zijn dat de plaats van de investering
                    leidend is: subsidie voor een investering door een bedrijf in provincie x, maar
                    het grondgebied waar de investering geplaatst wordt is in provincie y, zal
                    aangevraagd kunnen worden bij provincie y. Door middel van fysieke controles dan
                    het daadwerkelijke gebruik van de investering gecontroleerd kunnen worden.</al>
        <al>Op grond van de EU-regelgeving dienen subsidies in het algemeen een stimulerend
                    effect te hebben. Een stimulerend effect van een subsidie is niet aanwezig
                    indien de subsidiabele onderdelen van het project al zijn afgerond voor een
                    subsidieaanvraag ingediend is. Maar ook indien een project al is begonnen voor
                    de subsidieaanvraag is ingediend, is het de vraag of er sprake is van een
                    stimulerend effect door de subsidie. Een project mag dan ook pas gestart worden
                    als een subsidie aanvraag is ingediend. Uitzondering hierop vormen de zogenaamde
                    voorbereidende activiteiten voor het project. Kosten voor voorbereidende
                    activiteiten (= voorbereidingskosten) zijn algemene kosten ter voorbereiding van
                    het project, zoals het inschakelen van adviseurs en het (laten) uitvoeren van
                    haalbaarheidsstudies. De kosten moeten aantoonbaar zijn gemaakt ten behoeve van
                    het specifieke project. Het kan hierbij overigens NIET gaan om de inzet van
                    eigen personeel van een organisatie, indien de voorbereidende activiteiten
                    feitelijk reguliere werkzaamheden voor dit personeel betreffen.
                    Voorbereidingskosten zijn op grond van artikel 1.12 subsidiabel, mits ze zijn
                    gemaakt binnen een redelijke termijn voorafgaand aan het project. Die redelijke
                    termijn is in zijn algemeenheid gesteld op 1 jaar voor de aanvraag is ingediend,
                    maar in een openstellingsbesluit kunnen GS van die termijn van 1 jaar
                    afwijken.</al>
        <al>Omdat in geval van POP-subsidies er sprake kan zijn van een POP-subsidieplafond
                    dat slechts uit ELFPO-budget bestaat en een POP-subsidie waarbij ELFPO wordt
                    toegekend alleen rechtmatig verleend wordt indien er ook eenzelfde bedrag aan
                    nationale overheidsfinanciering voor het project beschikbaar gesteld wordt, is
                    als specifieke weigeringsgrond vermeld het feit dat een aanvraag – op het moment
                    van beschikken - niet is voorzien van een bijdrageverklaring dan wel een
                    subsidiebeschikking voor de benodigde nationale overheidsfinanciering.</al>
        <al>Overigens is ook de weigeringsgrond genoemd in artikel 4.35, 1e lid, onder a van
                    de Algemene Wet Bestuursrecht is in dit geval onverminderd van toepassing. Dit
                    betekent dat indien de uitvoering van de activiteit naar het oordeel van
                    gedeputeerde staten technisch, financieel, organisatorisch of economisch niet
                    haalbaar is, de subsidie geweigerd kan worden.</al>
        <al>Artikel 1.9 Personeelskosten</al>
        <al>Indien in een project eigen personeel wordt ingezet, kunnen de kosten van dat
                    personeel berekend worden volgens de methode beschreven in dit artikel. Deze
                    berekeningswijze is, voor wat betreft het aantal uren bij een voltijds
                    dienstverband, verplicht voorgeschreven vanuit de van toepassing zijnde
                    EU-verordeningen. De toeslag voor werkgeverslasten en de opslag voor indirecte
                    kosten zijn zogenaamde standaardschalen van eenheidskosten. Indirecte kosten
                    zijn daarbij alle kosten die niet direct toe te rekenen zijn aan de uitvoering
                    van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, bijvoorbeeld bureaukosten.
                    Overigens zijn personeelskosten (waarbij sprake is van de inzet van personeel
                    waaraan salaris wordt uitbetaald) iets anders dat de kosten van eigen arbeid
                    (aanvrager stopt zelf tijd in een project, maar indien de aanvrager niet in
                    loondienst is en dus geen ‘loon’ krijgt, is er geen sprake van personeelskosten)
                    én iets anders dan kosten van vrijwilligers. Deze laatste twee kostenposten zijn
                    geregeld in artikel 1.11.</al>
        <al>Aan de te vergoeden kosten voor personeel kan in een openstellingsbesluit een
                    maximum gesteld worden. Maar ook als er geen maximum gesteld wordt, geldt als
                    algemeen uitgangspunt de redelijkheid van kosten. Loonkosten zijn dan ook
                    gemaximeerd tot een uurtarief dat redelijk is gelet op de aard van de te
                    verrichten werkzaamheden én het aantal te declareren uren is gemaximeerd op het
                    aantal uren dat redelijkerwijs, gelet op de verrichtte of te verrichten
                    werkzaamheden, aan de werkzaamheden besteed wordt. Hierbij is tevens van
                    toepassing dat personeel, op jaarbasis, nooit meer uren kan declareren dan
                    genoemd aantal van 1720 uur.</al>
        <al>Bij de berekening van personeelskosten wordt uitgegaan van het meest recente
                    bruto jaarloon. Bij de aanvraag van subsidie zal dit de kosten betreffen van het
                    jaarloon voorafgaand aan de subsidieaanvraag, van een personeelslid van het
                    niveau waarop personeel ingezet wordt in het project. Bij afrekening gaat het om
                    de daadwerkelijk gemaakte kosten.</al>
        <al>Artikel 1.10 Kosten aankoop van gronden</al>
        <al>Indien het in het kader van een project noodzakelijk is om gronden aan te kopen,
                    mogen de kosten voor de aankoop van die gronden maximaal 10% van de totale
                    subsidiabele kosten van het project bedragen, tenzij er een uitzondering op deze
                    10% regeling van toepassing is op grond van de leden 2 of 3 van dit artikel.
                    Praktijkvoorbeeld: Een project omvat de aanleg van een fietspad met
                    EU-subsidiabele inrichtingskosten van € 810.000 waarvoor in totaal 2 ha grond
                    moet worden aangekocht ad € 140.000,- De totale projectkosten bedragen dus €
                    950.000,- Als de aankoopkosten tot 10% over de totale subsidiabele kosten mogen
                    bedragen, vormen de aanlegkosten van € 810.000 dus 90% van de totale
                    subsidiabele kosten. De totale subsidiabele kosten bedragen in dit voorbeeld dan
                    teruggerekend (100/90 x € 810.000,- =) € 900.000, waarvan € 90.000,-
                    grondkosten. De overige € 50.000,- grondkosten zijn niet EU-subsidiabel.</al>
        <al>Artikel 1.11 Berekeningswijze bijdragen in natura</al>
        <al>Indien bij een maatregel genoemd in hoofdstuk 2 of 3 bijdragen in natura
                    subsidiabel gesteld worden, worden in dit artikel de voorwaarden genoemd waaraan
                    moet worden voldaan om een bijdrage in natura vergoed te kunnen krijgen.</al>
        <al>Artikel 1.12 Subsidiabiliteit van de kosten</al>
        <al>Kosten zijn slechts subsidiabel als de kosten worden gemaakt nadat een aanvraag
                    om subsidie ingediend is. Uitzondering daarop vormen de zogenaamde
                    voorbereidingskosten, zijnde kosten die aantoonbaar gemaakt zijn om te komen tot
                    een projectplan. Het gaat hierbij met name om kosten van bijvoorbeeld adviseurs
                    of haalbaarheidsstudies. Indien eigen personeel ten behoeve van een project
                    wordt ingezet, zijn de voorbereidingsactiviteiten die het personeel heeft
                    uitgevoerd slechts subsidiabel, indien die activiteiten aantoonbaar ten behoeve
                    van het project gemaakt zijn én niet het reguliere werk van het betreffende
                    personeel betreffen.</al>
        <al>Artikel 1.13 Niet subsidiabele kosten</al>
        <al>Bij de maatregelen genoemd in hoofdstuk 2 en 3 worden de subsidiabele kosten
                    benoemd. Bepaalde kostenposten zullen, bijvoorbeeld op grond van EU-regelgeving
                    of op basis van provinciale beleidsafwegingen, nooit subsidiabel gesteld worden.
                    In dit artikel worden deze kosten benoemd.</al>
        <al>Artikel 1.14 Adviescommissie</al>
        <al>Subsidieaanvragen zullen, met uitzondering van aanvragen onder Leader, worden
                    geselecteerd op grond van een tendersysteem aan de hand van tevoren vastgelegde
                    selectiecriteria. Indien de selectiecriteria daartoe aanleiding geven,
                    bijvoorbeeld omdat de criteria niet eenvoudig objectiveerbaar zijn, kunnen
                    Gedeputeerde Staten besluiten ten behoeve van de beoordeling van ingediende
                    projecten die aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen, een adviescommissie
                    in het leven te roepen, conform artikel 82 Provinciewet. Er kan daarbij sprake
                    zijn van een ambtelijke adviescommissie, van een adviescommissie bestaande uit
                    deskundigen of een combinatie van beide. Indien gekozen wordt voor een
                    deskundigen adviescommissie, zal de commissie voldoen aan de voorwaarden zoals
                    genoemd in afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht.</al>
        <al>Artikel 1.15 Prioritering subsidieaanvragen</al>
        <al>Zoals beschreven in §1.3 worden projecten die worden geselecteerd door middel
                    van het toepassen van tendering op basis van in het openstellingsbesluit
                    aangegeven selectiecriteria en weging daarvan – al dan niet na advisering door
                    een adviescommissie -, van een puntentotaal voorzien. Projecten worden op basis
                    van dit puntentotaal gerangschikt op een prioriteitenlijst. Projecten die niet
                    voor subsidie in aanmerking komen omdat niet is voldaan aan één of meerdere
                    subsidiabiliteitscriteria of de voorgeschreven minimale totaalscore niet wordt
                    behaald, worden niet op de prioriteitenlijst opgenomen. Subsidie wordt slechts
                    verstrekt aan projecten opgenomen op de prioriteitenlijst, voor zover het
                    subsidieplafond subsidiëring toelaat. Bij overschrijding van het subsidieplafond
                    en een gelijk aantal punten op de selectiecriteria, treedt de procedure van
                    loting, als beschreven in §1.3, in werking.</al>
        <al>Artikel 1.17 Verplichtingen</al>
        <al>Aan een subsidieverkrijger worden verschillende verplichtingen opgelegd. In dit
                    artikel staan de algemeen van toepassing zijnde verplichtingen genoemd. Om te
                    voorkomen dat projecten die nog niet uitvoeringsgereed zijn al wel meedoen in
                    een tender en beslag leggen op een deel van het beschikbare budget, wordt een
                    termijn ‘binnen twee maanden na subsidietoekenning starten met het project’
                    gehanteerd. Van deze termijn kan overigens in het openstellingsbesluit of de
                    toekenningsbeschikking afgeweken worden.</al>
        <al>Een vanuit het oogpunt van controle belangrijke verplichting is de verplichting
                    tot het voeren van een inzichtelijke administratie. Die administratie dient tot
                    5 jaar na de formele afsluiting van het POP3 op 31 december 2023, dus tot 31
                    december 2028, bewaard te worden.</al>
        <al>Onder een sluitende urenadministratie en een volledig inkoopdossier wordt
                    verstaan wat deze begrippen in het normale taalgebruik betekenen, namelijk een
                    administratie zoals bijvoorbeeld een tijdschrijfsysteem van waaruit het
                    ingezette aantal uren ten behoeve van het project inzichtelijk is resp. een
                    dossier waarin alle documenten die betrekking hebben op de aankoop van een
                    bepaalde investering overzichtelijk bijeen gebracht zijn.</al>
        <al>In geval van investeringen is het niet alleen van belang dat aangetoond wordt
                    dat een investering daadwerkelijk gedaan is (‘de machine is gekocht’), maar is
                    ook van belang dat de investering daadwerkelijk gebruikt kan worden en dus
                    gebruiksklaar is (‘de machine is aangesloten’). Of de investering vervolgens ook
                    daadwerkelijk gebruik wordt is niet controleerbaar en dus ook geen vereiste. Wel
                    wordt vereist dat de investering gedurende 5 jaar gebruiksklaar in stand
                    gehouden wordt en dus ook vijf jaar aantoonbaar bruikbaar blijft.</al>
        <al>Artikel 1.19 Verrekening vermogensvoordeel Voor zover het verstrekken van een
                    subsidie leidt tot vermogensvorming, kan op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht, artikel 4.41, tot verrekening van het vermogensvoordeel worden
                    overgegaan, mits dit – in geval van een subsidie op basis van een wettelijk
                    voorschrift - bij wettelijk voorschrift is bepaald. Dit artikel strekt ertoe die
                    bevoegdheid te creëren.</al>
        <al>Artikel 1.20 Verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering</al>
        <al>Op grond van artikel 65, lid 8 van verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij
                    projecten die tijdens de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren waarmee
                    tijdens de goedkeuring van die actie geen rekening is gehouden, in bepaalde
                    gevallen een verrekening van die inkomsten plaats te vinden. Onder
                    netto-inkomsten worden ook begrepen besparingen die worden behaald als gevolg
                    van de investeringen (zie de definitie in artikel 1.1). In artikel 65, lid 8 van
                    verordening (EU) nr. 1303/2013 worden verschillende uitzonderingen benoemd,
                    onder meer is bepaald dat verrekening niet hoeft plaats te vinden indien de
                    totale subsidiabele kosten minder dan € 50.000,- bedragen.</al>
        <al>Artikel 1.21 Verrekening netto inkomsten na uitvoering</al>
        <al>Op grond van artikel 61 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 dient bij projecten
                    die na de uitvoering ervan netto-inkomsten genereren, in bepaalde gevallen een
                    verrekening van die inkomsten plaats te vinden. In genoemd artikel worden
                    verschillende uitzonderingen benoemd, onder meer is bepaald dat verrekening niet
                    hoeft plaats te vinden indien de totale subsidiabele kosten minder dan €
                    1.000.000,- bedragen.</al>
        <al>Artikel 1.23 Bevoorschotting op basis van realisatie (tussentijdse
                    betalingen)</al>
        <al>Dit artikellid biedt subsidieverkrijgers de mogelijkheid om tussentijds, voor
                    afronding van het project, deelbetalingen (een tussentijdse betaling of
                    voorschot op basis van realisatie) aan te vragen voor reeds gemaakte kosten. Om
                    uitvoeringskosten te beperken, wordt de mogelijkheid tot het aanvragen van een
                    tussentijdse betaling beperkt tot aanvragen van minimaal 25% van de verleende
                    subsidie of minimaal € 50.000.</al>
        <al>Artikel 1.24 Verlagen voorschot</al>
        <al>Verlagen van een betalingsaanvraag (dat kan een voorschot zijn, maar ook een
                    subsidievaststelling/eindbetaling) is van toepassing als in de betalingsaanvraag
                    kosten zijn opgenomen waarvan niet kan worden vastgesteld dat ze subsidiabel
                    zijn. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan onvoldoende onderbouwing van gemaakte
                    kosten (bv ontbrekende facturen en/of betaalbewijzen), om kosten voor
                    activiteiten die niet zijn verricht in het kader van het project, om kosten voor
                    activiteiten die wel in het kader van het project zijn verricht, maar waarvan de
                    kosten in de openstelling of in het besluit tot subsidieverlening niet
                    subsidiabel gesteld zijn of kosten die dubbel opgevoerd worden (in één
                    declaratie of al betaalbaar gesteld zijn in een eerdere declaratie). De
                    betreffende – niet subsidiabele - kosten worden vanzelfsprekend niet vergoed.
                    Indien de onjuist gedeclareerde kosten meer dan 10% bedragen van de totaal in de
                    betreffende aanvraag gedeclareerde wel subsidiabele kosten, wordt het te
                    verstrekken voorschot ook nog eens gecorrigeerd met het bedrag van de opgevoerde
                    kosten die niet subsidiabel zijn. Die verlaging kan overigens nooit leiden tot
                    een negatief bedrag. Deze regel is door de Europese Commissie ingesteld om
                    zorgvuldigheid bij aanvragers te stimuleren. Indien een aanvrager aan kan tonen
                    dat hij geen schuld heeft aan de onjuiste declaratie, kan van de korting worden
                    afgezien.</al>
        <al>Een rekenvoorbeeld:</al>
        <al>Er is een subsidietoekenning verstrekt van € 200.000. Er wordt een
                    betalingsverzoek ingediend (voorschot op basis van realisatie) van € 100.000 (er
                    wordt voor € 100.000 aan facturen en betaalbewijzen overlegd). Bij controle
                    blijkt dat € 20.000 aan facturen en betaalbewijzen NIET betaalbaar gesteld kan
                    worden, omdat de facturen en betaalbewijzen geen in het kader van het project
                    subsidiabel gestelde kosten betreffen. Er is dus sprake van € 20.000 aan
                    ‘onjuiste’ facturen, € 80.000 aan facturen is wel subsidiabel. Er is daarmee
                    sprake van een fout van 25% (20.000 ‘fout’ en 80.000 ‘goed’). Het te betalen
                    voorschot van € 80.000 (bedrag van de juiste facturen), wordt nu verlaagd met €
                    20.000 (het totaal bedrag aan onjuiste facturen) en dus wordt een voorschot
                    uitbetaald van € 60.000.</al>
        <al>Artikel 1.25 Voorschotten vooruitlopend op realisatie</al>
        <al>In een beperkt aantal gevallen is het mogelijk om voor de uitvoering van een
                    project daadwerkelijk gestart is en kosten aantoonbaar gemaakt zijn, een
                    voorschot (‘voorschot vooruitlopend op realisatie’) aan te vragen. De
                    verordening [(EU) 1305/2013, artikel 42 lid 2 en art. 45 lid 4] beperkt de
                    mogelijkheid voor dergelijke voorschotten tot investeringsprojecten en
                    functionerings- en dynamiseringskosten bij Leader. Het voorschot bedraagt
                    maximaal 50% van de totaal toegekende overheidssteun en kan slechts toegekend
                    worden indien er voor 100% van het voorschot een garantie is verstrekt. Een
                    dergelijke garantie kan worden verstrekt door een bank of daaraan gelijkgestelde
                    instelling. Ook een overheidsgarantie kan, mits aan de voorwaarden is voldaan,
                    als garantiestelling geaccepteerd worden.</al>
        <al>Artikel 1.26 Wijzigingsverzoeken</al>
        <al>De ervaring leert dat projecten gedurende de looptijd vaak op één of meerdere
                    punten gaan afwijken van hetgeen in het oorspronkelijke projectplan werd
                    vermeld. Een subsidieverkrijger kan bij Gedeputeerde Staten in dat geval een
                    wijzigingsverzoek indienen. Bij de beoordeling van het wijzigingsverzoek zal
                    Gedeputeerde Staten in ieder geval beoordelen in hoeverre de voorgestelde
                    aanpassing zou leiden tot een project dat, indien het project in die aangepaste
                    versie oorspronkelijk zou zijn ingediend, niet voor subsidie in aanmerking
                    gekomen zou zijn. Indien nodig kunnen Gedeputeerde Staten zich hierbij laten
                    adviseren door de adviescommissie als bedoeld in 1.14. Voor zover van toepassing
                    / mogelijk, is het van belang dat een wijzigingsverzoek ingediend én goedgekeurd
                    is, voor de aanvrager de uitvoering van het project daadwerkelijk aanpast.
                    Aanpassingen die doorgevoerd worden voor een wijzigingsverzoek is goedgekeurd,
                    voert de aanvrager voor eigen rekening en risico door.</al>
        <al>Artikel 1.27 Subsidievaststelling</al>
        <al>Een aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient tijdig bij Gedeputeerde
                    Staten te worden ingediend. Een aanvraag tot subsidievaststelling dient
                    uiterlijk op de datum die vermeld is in de subsidietoekenning te worden
                    ingediend. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan deze termijn indien
                    nodig worden verdaagd. Bij de aanvraag dienen alle bescheiden te worden overlegd
                    die noodzakelijk zijn om de inhoudelijke uitvoering van het project, de
                    financiële aspecten ervan en de behaalde resultaten te kunnen beoordelen. Soms
                    zal ten behoeve van de aanvraag van subsidievaststelling een formulier zijn
                    voorgeschreven dat gebruikt moet worden. Er moet bij de aanvraag in ieder geval
                    een onderverdeling gemaakt worden naar de onderscheiden subsidiabele kosten.
                    Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een onderscheid dat is gemaakt in de
                    subsidiebeschikking of, indien daarnaar in de subsidiebeschikking verwezen
                    wordt, in de begroting bij de aanvraag. De subsidieverkrijger dient een eigen
                    beoordeling te geven van hetgeen het project heeft opgeleverd. Deze beoordeling
                    gaat verder dan het feitelijk beschrijven van de activiteit(en) die is/zijn
                    verricht. Het is van belang dat de subsidieverkrijger aangeeft in hoeverre de
                    activiteit(en) daadwerkelijk heeft/hebben bijgedragen aan de (meer abstracte)
                    doelstellingen van het project.</al>
        <al> Artikel 1.29 verlagingen</al>
        <al>Indien er sprake is van onregelmatigheden, moet de verleende of zelfs een reeds
                    vastgestelde subsidie – op grond van EU-voorschriften - worden verlaagd.
                    Onregelmatigheden zijn, kort gezegd, ‘een handeling of een nalaten, waardoor de
                    begroting van de Gemeenschappen wordt of zou kunnen worden benadeeld’. Het is
                    een koepelterm die feitelijk aanduidt dat er ‘iets’ anders is gegaan dan is
                    afgesproken. Dat ‘iets’ kan van alles zijn, van een gebrekkige administratie tot
                    investeringen waarvoor wel subsidie is verkregen, maar die helemaal niet gedaan
                    blijken te zijn.</al>
        <al> Hoofdstuk 2</al>
        <al>§1 Trainingen, workshops en ondernemerscoaching en demonstraties</al>
        <al>Art 2.1.1. Activiteiten</al>
        <al>Het gaat om steun voor activiteiten gericht op meerdere landbouwers tegelijk. De
                    activiteiten hebben een collectief karakter. Het gaat met name om activiteiten
                    gericht op landbouwers, zoals trainingen, workshops, ondernemerscoaching en
                    demonstratieprojecten. Daarbij vindt kennisuitwisseling plaats rond een
                    specifiek onderwerp. Het doel is om deze landbouwers te informeren over nieuwe
                    kennis en innovaties in de landbouw die leiden tot toepassing ervan en bijdragen
                    aan de verduurzaming van deze sector. Demonstratieactiviteiten vinden plaats op
                    proefstations, agrarische bedrijven of elk willekeurige andere locatie waar
                    nieuwe kennis kan worden gedemonstreerd, onder het motto ‘eerst zien dan
                    geloven’. Het zal hier bijvoorbeeld gaan om demonstratievelden, nieuwe
                    apparatuur en stalconcepten. In het kader van dit artikel komen ook activiteiten
                    in aanmerking die betrekking hebben op de opzet en het in stand houden van
                    studiegroepen waarbij een grote groep van landbouwers onderling en met adviseurs
                    en andere partijen, waar nuttig, kennis en ervaring kunnen uitwisselen rond een
                    specifiek thema of over een vakgebied.</al>
        <al>Art 2.1.6 Hoogte van de subsidie</al>
        <al>De subsidie bedraagt 60% bij projecten die zich hoofdzakelijk richten op het
                    beperken van kosten, risico’s en nadelige gevolgen van externe effecten. Een
                    subsidie van 80% is mogelijk voor projecten die hoofdzakelijk bijdragen aan
                    verduurzaming/beperken van effecten op het milieu. Het gaat derhalve om het
                    verschil in kennisontwikkeling van productieve en niet-productieve aard, c.q.
                    bedrijfsbelang en maatschappelijk belang.</al>
        <al>Artikel 2.1.7 selectiecriteria</al>
        <al/>
        <al>De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument voor provincies
                    waarmee zij met het POP3-programma de nodige accenten kunnen geven om goed in te
                    kunnen spelen op de regionale en lokale context. Er is onderscheid gemaakt
                    tussen criteria die in elk geval gebruikt dienen te worden omdat deze in de
                    EU-regelgeving of het POP3-programma onder de betreffende maatregel zijn benoemd
                    of daarvan een logisch gevolg zijn, en aanvullende criteria waaruit gekozen kan
                    worden. Om voldoende flexibiliteit te behouden is mede bepaald dat GS de
                    criteria nader kan omschrijven. Dit beperkt zich niet alleen tot de
                    beleidsdoelen waarop een aanvraag gericht dient te zijn.</al>
        <al/>
        <al>Kosten voor het ontwikkelen van nieuwe kennis zijn in het kader van dit
                    onderdeel van de regeling NIET subsidiabel. Niet uit te sluiten is dat bij wel
                    subsidiabele activiteiten in het kader van deze maatregel óók sprake is van
                    ‘nieuwe kennis’ die ontwikkeld wordt. Het onderscheid zit tussen de ontwikkeling
                    van nieuwe kennis (uitgesloten) en de overdracht van kennis die voor de
                    doelgroep nog nieuw is. Mogelijk dat als neven effect van die kennisoverdracht
                    nieuwe ideeën (kennis) worden gegenereerd, maar dat is geen bezwaar.</al>
        <al/>
        <al>§2 Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische
                    ondernemingen</al>
        <al>Investeringen waarvoor op grond van deze verordening subsidie kan worden
                    verstrekt, moeten gericht zijn op modernisering van de onderneming. De
                    investeringen kunnen een maatschappelijk doel dienen, maar zullen ook bijdragen
                    aan het rendement van de onderneming. Dit is de reden dat er een eigen bijdrage
                    van 60% gevraagd wordt.</al>
        <al>Een voorbeeld van een investering die primair een maatschappelijk doel dient
                    zijn maatregelen om de afspoeling van nutriënten en bestrijdingsmiddelen van het
                    boerenerf naar grond- en oppervlaktewater te reduceren met bassins waarin
                    erfafspoelwater opgevangen en gezuiverd wordt.</al>
        <al>Naast subsidie voor innovatieve fysieke investeringen kan ook subsidie worden
                    verstrekt voor de eerste toepassing van nieuwe technieken, producten of
                    processen, bijvoorbeeld voor mestscheiders of mestmonovergisters.</al>
        <al>Paragraaf 2.2 is verder bedoeld voor investeringen in de toepassing van
                    innovatieve technieken, processen of producten die nodig zijn voor projecten
                    gericht op het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties waarvoor op
                    basis van paragraaf 2.1 subsidie kan worden verstrekt. Dat kan bijvoorbeeld een
                    innovatieve stal zijn, waarvan de investering een te zwaar beroep op het
                    innovatiebudget zou doen.</al>
        <al>Om voor subsidie in aanmerking te komen moet de investering betrekking hebben op
                    één of meerdere van de thema’s zoals genoemd in artikel 2.2.1 lid 2.</al>
        <al>§3 Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge
                    landbouwers</al>
        <al>Jonge landbouwers hebben, doordat de start of overname van een bedrijf veel
                    financiële middelen vraagt, na de start/overname vaak te kampen met een tekort
                    aan financiële middelen, waardoor geen investeringen in het bedrijf mogelijk
                    zijn. Deze zogenaamde investeringsdip zorgt ervoor dat vooral deze groep
                    achterblijft met verduurzaming van hun bedrijven. Om deze reden wordt deze
                    specifieke groep gesteund. Investeringen die voor subsidie in aanmerking komen
                    zijn fysieke investeringen in modernisering van agrarische ondernemingen van
                    jonge landbouwers. Het zal voornamelijk gaan om de aanschaf van modernere
                    installaties en machines waarmee de jonge landbouwer een achterstand kan
                    inlopen. Reguliere vervangingsinvesteringen, dwz. vervanging van ‘versleten’
                    goederen door identieke goederen, komen niet in aanmerking. Ook investeringen
                    die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op verbetering van de rentabiliteit van
                    bedrijven komen niet voor subsidie in aanmerking. De modernisering moet
                    bijdragen aan verbetering van het milieu, klimaatbestendigheid, dierenwelzijn,
                    volks-en diergezondheid, landschap/ruimtelijke kwaliteit of biodiversiteit.</al>
        <al/>
        <al>§4 Investeringen in infrastructuur</al>
        <al>Algemeen</al>
        <al>Om de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw te
                    handhaven en te versterken is een blijvende investering in de landbouwstructuur
                    noodzakelijk. Door deze investeringen kan de efficiëntie van de sector worden
                    verhoogd. Dit kan worden bereikt door de juiste aanpassingen van percelen. Naast
                    verbetering van de bedrijfsefficiëntie draagt de herstructurering van
                    landbouwbedrijven tevens bij aan de realisatie van internationale doelen rondom
                    water, Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), biodiversiteit en Natura-2000.
                    Deze maatregel betreft een combinatie van mogelijkheden ter verbetering van de
                    verkaveling, de toegankelijkheid en de landbouwinfrastructuur enerzijds en
                    verbetering van de ligging van landbouwbedrijven uit het oogpunt van milieu-,
                    water- en natuurdoelen anderzijds. Verder komen er ook mogelijkheden voor de
                    verbetering van de energie-infrastructuur van land- en tuinbouwbedrijven om
                    geproduceerde energie te kunnen delen met andere bedrijven en instellingen.</al>
        <al>Hoewel het realiseren van infrastructuur zowel positieve als negatieve effecten
                    op natuur en milieu kàn hebben, afhankelijk van de omvang en de locatie van
                    projecten, zal deze maatregel overwegend positieve effecten hebben op het
                    milieu. Alle projecten moeten namelijk voldoen aan de (inter)nationale wet- en
                    regelgeving, zoals onder meer de voorwaarde dat project moet passen binnen
                    vigerende bestemmingsplannen, waardoor negatieve effecten beperkt blijven. Een
                    verplaatsing van bedrijven uit natuuroverwegingen heeft een positief effect op
                    natuur. Een efficiëntere bedrijfsvoering kan leiden tot vermindering van de
                    emissies (zoals broeikasgassen, ammoniak, nutriënten en bestrijdingsmiddelen).
                    Dit heeft een direct positief effect op de kwaliteit van bodem, water en lucht.
                    Het schoner worden van het leefmilieu, betere luchtkwaliteit, meer groen, minder
                    geuremissies, minder verkeersbewegingen, heeft op zijn beurt weer indirecte
                    positieve effecten op het woon- en leefklimaat.</al>
        <al>Deze submaatregel is gericht op investeringen in het landelijk gebied die
                    bijdragen aan de verbetering van de verkaveling van de landbouwbedrijven en de
                    daarbij behorende toegankelijkheid, bodemgesteldheid, waterhuishouding en/of de
                    verplaatsing van landbouwbedrijven. Het gaat daarbij om de volgende concrete
                    acties: a) projecten gericht op draagvlakontwikkeling, inhuur van
                    kavelruil-coördinatoren en andere experts, faciliteren aankoop ruilgronden
                    opstellen en uitvoeren van verkavelingsplannen en verkavelings-procedures,
                    vacatiegelden voor gebiedscommissies, kadaster- en notariskosten,
                    projectmanagement; In verband met de verbetering van de verkavelingsstructuur
                    van landbouwbedrijven: b) investeringen om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar
                    te maken zoals: graven en dempen van sloten, met elkaar verbinden van percelen,
                    aanpassen van drainage, aanleg of verbetering van dammen en kavelpaden,
                    aanpassen van het wegenstelsel, aanpassen van de waterhuishouding; c)
                    investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen om negatieve gevolgen van
                    het verkavelingsplan op de omgeving te voorkomen zoals: aanbrengen van
                    beplantingen, aanpassen van de wegen- en padenstructuur ten behoeve van het
                    algemeen belang, aanpassen van de waterhuishouding ten behoeve van het algemeen
                    belang;</al>
        <al>In verband met bedrijfsverplaatsing van landbouwbedrijven:</al>
        <al>d) het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen, het
                    vervangen van een bestaand gebouw of voorziening door een nieuw, modern gebouw
                    of nieuwe moderne voorziening, zonder dat daarbij de betrokken productie of
                    technologie fundamenteel wordt gewijzigd; Bij deze concrete actie gaat het
                    uitsluitend om de verplaatsing van agrarische bedrijven met als doel verbetering
                    van de landbouwstructuur, meestal in combinatie met milieu-, water- en
                    natuurdoelen (bijvoorbeeld vanwege de nabijheid van Natura 2000 gebieden).</al>
        <al/>
        <al>§5 Niet productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en
                    hydrologische maatregelen PAS</al>
        <al> De wettelijke basis van deze maatregel wordt gevormd door Verordening (EU) Nr.
                    1305/2013, in het bijzonder artikel 5 lid 4 aanhef in combinatie met artikel 17
                    lid 1 (d) en de op deze maatregel van toepassing zijnde gedelegeerde – en
                    uitvoeringshandelingen. De maatregel is gericht op niet-productieve
                    investeringen voor herstel - en inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap en
                    biodiversiteit. De investeringen dienen altijd een link te hebben met de
                    landbouw. Indien er niet productieve investeringen worden gedaan met een link
                    met agrarische activiteiten (bijvoorbeeld: aanleg van een dam om waterpeil in
                    natuurgebied te verhogen maar tegelijkertijd het waterpeil van nabijgelegen
                    landbouwgronden niet te laten stijgen), dan is het wél mogelijk om mitigerende
                    maatregelen die gelijktijdig met de investering genomen dienen te worden en die
                    zijn gericht op het voorkomen van schade aan of verbeteren van het milieu of de
                    biodiversiteit, mede te financieren (in genoemd voorbeeld: de dam wordt voorzien
                    van een vistrap, om de visstand niet negatief te beïnvloeden).</al>
        <al>Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke
                    stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben.
                    Daarbij wordt gedacht aan inrichtingsmaatregelen voor specifieke soorten, aanleg
                    en inrichting van landschapselementen zoals bijvoorbeeld houtwallen, singels en
                    poelen, inrichting van weidevogelkerngebieden, inrichtingsmaatregelen voor
                    hydrologische maatregelen PAS en daarvoor noodzakelijke ICT- of technische
                    voorzieningen.</al>
        <al>Bij de hydrologische maatregelen in Natura-2000-gebieden in het kader van de
                    Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) maatregelen kan gedacht worden aan
                    natuurversterkende maatregelen, die een link te hebben met de landbouw, zoals de
                    aanleg van regenwaterbuffers en stuwen, (waterconserverende) drainagesystemen en
                    natte bufferzones, het omleggen van beken en het verhogen van waterpeilen.</al>
        <al>Onderdeel van de subsidiabele kosten kan zijn de aankoop van grond. In dat geval
                    zijn de voorwaarden van artikel 1.10 onverkort van toepassing.
                    Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering’ van
                    de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing
                    zijn. Indien tweedehands installaties onderdeel uitmaken van de subsidiabele
                    kosten, zijn de kosten daarvan subsidiabel tot maximaal de marktwaarde van die
                    installaties.</al>
        <al>De subsidiabele kosten in een project worden voor 100% gesubsidieerd. Indien de
                    provincie slechts het ELFPO-budget ter beschikking stelt, dient de aanvrager bij
                    de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte nationale
                    overheidsfinanciering ten behoeve van het project beschikbaar is (zie artikel
                    1.4 2e lid in combinatie met artikel 1.8 sub e). Het kan daarbij bijvoorbeeld
                    gaan om de inbreng van 50% van de totaal subsidiabele kosten door de aanvrager
                    zelf, indien de aanvrager een waterschap is.</al>
        <al/>
        <al>§6 Niet-productieve investeringen water</al>
        <al> De wettelijke basis wordt gevormd door Verordening (EU) Nr. 1305/2013, in het
                    bijzonder artikel 5 lid 4 aanhef in combinatie met artikel 17 lid 1 (d) en de
                    toepasselijke gedelegeerde – en uitvoeringshandelingen.</al>
        <al>De submaatregel is gericht op niet-productieve investeringen in het landelijk
                    gebied die betrekking hebben op de (her)inrichting/transformatie en het beheer
                    van het watersysteem voor landbouw -, water - en klimaatdoelen. Deze
                    submaatregel is inzetbaar voor het gehele plattelandsgebied van Nederland.. De
                    investeringen dienen altijd een link te hebben met de landbouw. Ook in dit geval
                    zijn mitigerende acties mede subsidiabel (zie paragraaf 5).</al>
        <al>Niet productieve investeringen zijn die investeringen die geen aanmerkelijke
                    stijging van de waarde of rentabiliteit van een bedrijf tot gevolg hebben. Het
                    gaat dan bijvoorbeeld om investeringen gericht op verbetering van de
                    waterkwaliteit – en kwantiteit om daarmee een bijdrage te leveren aan
                    doelstellingen zoals beschreven in de Kaderrichtlijn Water en de
                    Nitraatrichtlijn, herstel natuurlijk toestand watersystemen, het duurzaam
                    optimaliseren van de waterhuishouding en om maatregelen gericht op voorkomen
                    en/of beperken van watertekorten, wateroverlast, verzilting en bodemdaling
                    waaronder het vergroten van het watervasthoudend vermogen van landbouwgrond en
                    daarvoor noodzakelijke ICT- of technische voorzieningen.</al>
        <al>Voorbeelden van maatregelen zijn aanleg- en inrichting van natuurvriendelijk
                    oevers die bijdragen aan doelen KRW en tevens een buffer vormen voor emissies
                    naar oppervlaktewater, herstel watersystemen in of met invloed op landbouwgrond
                    naar hun natuurlijke toestand, waaronder beekherstel, hermeandering waterlopen,
                    herstellen migratiemogelijkheden, vernatting gronden , aanleg van bufferzone’s
                    langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en
                    watersystemen in of met invloed op landbouwgrond vergroten, b.v. peilgestuurde
                    drainage, aanleg van helofytenfilters (natuurlijke waterzuiveringsystemen) en
                    waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem.</al>
        <al>In het geval subsidie wordt verstrekt voor de kosten van tweedehands
                    installaties, wordt subsidie verstrekt tot maximaal de marktwaarde van de
                    activa.</al>
        <al>De concrete acties in het kader van deze submaatregel vinden plaats binnen de
                    nationale regelgeving en procedures voor de bescherming van milieu en landschap.
                    Dit houdt onder meer in dat subsidie aanvragen moeten voldoen aan alle
                    toepasselijke wetgeving.</al>
        <al>Onderdeel van de subsidiabele kosten kan zijn de aankoop van grond. In dat geval
                    zijn de voorwaarden van artikel 1.10 onverkort van toepassing.
                    Inrichtingsmaatregelen op de (aangekochte) grond vallen onder ‘verbetering’ van
                    de gronden, waarop de voorwaarden voor de aankoop van grond niet van toepassing
                    zijn.</al>
        <al>De subsidiabele kosten in een project worden voor 100% gesubsidieerd. Indien de
                    provincie slechts het ELFPO-budget ter beschikking stelt, dient de aanvrager bij
                    de aanvraag bewijsstukken te overleggen dat ook de verplichte nationale
                    overheidsfinanciering ten behoeve van het project beschikbaar is (zie artikel
                    1.4). Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om de inbreng van 50% van de totaal
                    subsidiabele kosten door de aanvrager zelf, indien de aanvrager een waterschap
                    is.</al>
        <al>§7 Samenwerking voor innovaties</al>
        <al>Artikel 2.7.1. Subsidiabele activiteiten</al>
        <al>Voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw zijn
                    bruggen nodig tussen kennis en technologie met betrekking tot het onderzoek
                    enerzijds en landbouwers, bosbeheerders, plattelandsgemeenschappen, bedrijven,
                    ngo's en adviesdiensten anderzijds. Daarbij gaat het om innovatie en
                    modernisering van de agrarische sector rond de in dit artikel genoemde
                    thema’s.</al>
        <al>Om dit te realiseren wordt de oprichting bevorderd van projectgerichte
                    samenwerkings¬verbanden. Deze zijn grotendeels vergelijkbaar met de operationele
                    groepen van het EIP in paragraaf 8. Aangezien het geen verplichting is om als
                    samenwerkingsverband onder paragraaf 7 deel te nemen aan het Europese
                    EIP-netwerk voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw is deze
                    uitvoeringsmaatregel geformuleerd. Deze samenwerkingsverbanden werken vervolgens
                    op projectbasis aan een innovatieopgave die een antwoord moet geven aan een
                    concrete vraag of kans uit de praktijk. Daarbij gaat het om de uitvoering van
                    het gezamenlijke innovatieproject door het samenwerkingsverband. Het betreft met
                    name het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties,
                    met als doel dat die uiteindelijk deel uit gaan maken van een groter
                    ontwikkelingsproces dat gericht is op grootschalige toepassing ervan in de
                    praktijk. Dit proces kan bijvoorbeeld gestart worden door kleine actieve
                    samenwerkingsverbanden (living labs) met een schil van koplopers (early
                    adapters). Zolang de activiteiten nog gericht zijn op het praktijkrijp maken van
                    de kennis en innovatie, vallen ze onder deze maatregel. Waar wanneer het gaat om
                    het doelgericht communiceren over en demonstreren van reeds praktijkrijpe
                    (geheel beproefde) innovaties vallen ze onder paragraaf 1.</al>
        <al> Stapeling van middelen is niet toegestaan, de begunstigde moet daarom aangeven
                    of voor dit project steun is ontvangen in het kader van maatregel 19 (LEADER) of
                    andere maatregelen. Indien dat het geval is dan moet aangegeven worden hoeveel
                    steun is ontvangen en voor welke onderdelen steun is gegeven. Ook moet dan
                    worden aangegeven hoe de afstemming met de LEADER-groep heeft
                    plaatsgevonden.</al>
        <al>Artikel 2.7.9. Selectiecriteria</al>
        <al>De selectiecriteria zijn een belangrijk sturingsinstrument voor Provincies
                    waarmee zij met het POP3-programma de nodige accenten kunnen geven om goed in te
                    kunnen spelen op de regionale en lokale context. Er is onderscheid gemaakt
                    tussen criteria die in elk geval gebruikt dienen te worden omdat deze in het
                    POP3-programma onder de betreffende maatregel zijn benoemd of daarvan een
                    logisch gevolg zijn, en aanvullende criteria waaruit gekozen kozen kan worden.
                    Om voldoende flexibiliteit te behouden is mede bepaald dat Gedeputeerde Staten
                    de opgesomde criteria nader kunnen omschrijven. Dit beperkt zich niet alleen tot
                    de beleidsdoelen waarop een aanvraag gericht dient te zijn.</al>
        <al>§8 Samenwerking in het kader van het EIP</al>
        <al>Artikel 2.8.1. Subsidiabele activiteiten</al>
        <al>Het belangrijkste verschil met 2.7.1 is dat samenwerkingsverbanden zich dienen
                    aan te melden bij en gebruik kunnen maken van het landelijke en Europese
                    EIP-netwerk voor de bevordering van de productiviteit en duurzaamheid in de
                    landbouw. Binnen dit kader worden deze samenwerkingsverbanden operationele
                    groepen (OG’s) genoemd.</al>
        <al>Artikel 2.8.3. Aanvrager</al>
        <al>Subsidie wordt verstrekt aan de operationele groep of een operationele groep in
                    wording. De subsidie wordt daarbij verstrekt aan de penvoerder als bedoeld in
                    artikel 1.6 lid 2c.</al>
        <al/>
        <al>Artikel 2.8.8. Hoogte van de subsidie</al>
        <al>Voor Operationele groepen binnen het kader van het EIP geldt voor fysieke
                    investeringen een subsidiepercentage dat 20% hoger is dan bij
                    samenwerkingsverbanden buiten het EIP-kader zoals beschreven onder paragraaf 7.
                    Dit geldt ook wanneer binnen dit kader gebruik wordt gemaakt van paragraaf 2
                    (fysieke investeringen voor innovatie).</al>
        <al>Artikel 2.8.9. Selectiecriteria Zie toelichting artikel 2.7.9.</al>
        <al> Hoofdstuk 3 Leader</al>
        <al>Er zijn door de Europese Commissie meerdere maatregelen ontwikkeld op basis
                    waarvan Leader-initiatieven ondersteund kunnen worden. Dit betreft:
                    ondersteuning van de Locale Actie Groep (LAG) in de uitvoering, ondersteuning
                    van projecten, ondersteuning van samenwerkingsprojecten van LAG’s onderling en
                    het ondersteuning van organisaties die de status van LAG willen bemachtigen. De
                    inhoudelijke voorwaarden waaraan projecten moeten voldoen en de voor de selectie
                    van projecten te hanteren selectiecriteria zijn neergelegd in de Lokale
                    Ontwikkelings Strategie (LOS) van het betreffende LAG. .</al>
        <al>§ 2 Voorbereidingskosten (submaatregel 19.1)</al>
        <al>Artikel 3.2.1 subsidiabele activiteiten De subsidiabele activiteiten moeten zijn
                    gericht op het oprichten van een LAG en de daarbij horende LOS.</al>
        <al>Artikel 3.2.3 subsidiabele kosten</al>
        <al>De subsidiabele worden onderscheiden in kosten voor raadplegen en opleiden van
                    belanghebbenden. Voor het opstellen van de LOS zijn alle daarmee samenhangende
                    kosten subsidiabel, waardoor ook operationele en personeelskosten subsidiabel
                    kunnen worden gesteld.</al>
        <al>Artikel 3.2.4 hoogte van de subsidie</al>
        <al>Subsidie voor deze maatregel ondersteund de oprichting van de LAG. Er is 100%
                    subsidie toegelaten.</al>
        <al>§ 3 Uitvoering van LEADER-projecten (submaatregel 19.2)</al>
        <al>Artikel 3.3.3 subsidiabele kosten</al>
        <al>Onder deze kosten zijn ook algemene kosten begrepen in verband met de uitgaven
                    zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs, advies over
                    duurzaamheid op milieu- en economisch gebied, met inbegrip van het uitvoeren van
                    haalbaarheidsstudies. Kosten voor het uitvoeren van haalbaarheidsstudies blijven
                    subsidiabele uitgaven, ook indien er – mede op basis van de resultaten van de
                    haalbaarheidsstudie - geen verdere uitgaven zijn.</al>
        <al>§ 4 Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de lokale
                    groep (submaatregel 19.3)</al>
        <al>De activiteiten onder deze maatregel zijn gericht op het vormen van
                    samenwerkingsactiviteiten tussen lokale groepen. Er moet aansluiting zijn op de
                    LOS anders wordt de subsidie geweigerd.§ 4 lopende kosten, promotie en
                    voorlichting (maatregel 19.4) De activiteiten onder deze submaatregel zijn niet
                    beperkt opgenomen. Wel is er budgettair een beperking opgelegd. Er mag maximaal
                    25% van het totaal beschikbare budget voor de maatregel worden ingezet voor deze
                    submaatregel. Ook voor deze activiteiten geldt dat de LAG de mogelijkheid in de
                    LOS moet hebben geschapen om voor subsidie in aanmerking te komen.</al>
        <al> Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</al>
        <al>Artikel 4.1</al>
        <al>In artikel 4.1 wordt bepaald dat als toezichthouders op deze regeling zijn
                    aangewezen de aangewezen ambtenaren van RVO en de NVWA. Deze ambtenaren zijn
                    daartoe aangewezen op grond van de Betaalorgaanstatus van RVO resp. het
                    verrichten van controles ten behoeve van RVO. Daarnaast kunnen GS besluiten nog
                    andere toezichthouders te benoemen. Subsidieverkrijgers zijn verplicht altijd
                    alle medewerking te verlenen aan aangewezen toezichthouders. Overigens zijn
                    subsidieverkrijgers ook verplicht medewerking te verlenen aan controlebezoeken
                    die door aangewezen ambtenaren van de Europese Unie uitgevoerd worden. Het gaat
                    hierbij om EU auditors, bijvoorbeeld van de Europese Commissie of van de
                    Europese Rekenkamer.</al>
        <al/>
        <al>Aldus besloten in de vergadering van Provinciale Staten van 16 december
                    2015</al>
        <al>Provinciale Staten van Flevoland,</al>
        <al>de griffier, de voorzitter,</al>
        <al/>
        <al/>
        <al>Uitgegeven:</al>
        <al>Secretaris </al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>