<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR389565_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 (zonder WKR)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentenieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 (zonder WKR)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-07-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-03-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-036</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2014 (zonder WKR)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Behoort bij raadsvoorstel 2014-036 titel: <vet>Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2014(zonder WKR )</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet;</al><al> gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al>gelet op de bij raadsbesluit van 5 november 2015 vastgestelde Eerste
                        wijzigingverordening op de Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                        commissieleden 2014 (zonder WKR);</al><al/><al><onderstreept>BESLUIT</onderstreept></al><al>vast te stellen de volgende verordening </al><al><vet>Verordening voorzieningen rechtspositie wethouders, raads- en
                            commissieleden 2014 (zonder WKR)</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2004, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="f."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="g."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden bedoeld in artikel
                            2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is
                            gelijk aan het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 5 vastgestelde maximum. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een
                                hogere vergoeding vaststellen, zulks tot ten hoogste 400% van het in
                                het eerste lid bedoelde bedrag van de vergoeding, ten aanzien
                                van</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toelage bijzondere commissies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een lid van de raad dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld
                                in artikel 61, derde lid, van de Gemeentewet dan wel de
                                rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 81oa van de Gemeentewet,
                                uitoefent dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in
                                artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet, ontvangt voor de duur
                                van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
                                activiteiten per jaar een toelage van 5% van de vergoeding voor de
                                werkzaamheden op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur
                                van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
                                activiteiten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 5,
                                vermeld in tabel II van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt artikel 16 sub b van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raads- of commissielid worden verlaagd in het geval hij
                            een uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raads- of een commissielid een uitkering op grond
                                van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20
                                van die wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raads- of commissielidmaatschap meer bedraagt dan
                                de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                raads- of commissielid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van
                                de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raads- of commissielid een uitkering op grond
                                van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel
                                ontvangt en de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat
                                besluit ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raads- of commissielidmaatschap meer bedraagt dan
                                de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                raads- of commissielid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van
                                de gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding als bedoeld in het eerste en tweede lid betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, en
                                        artikel 5a van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>1 . De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake
                            van reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het
                            raadslid vergoed. </al><lijst><li nr="2."><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter
                                    zake van reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente
                                    worden aan het commissielid vergoed.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding is overeenkomstig het bepaalde in artikel 4,
                                    onderdeel c, van de Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid of commissielid aan
                                cursussen, congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk
                                belang door of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd
                                komen voor rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid of commissielid dat wil deelnemen aan een cursus,
                                congres, seminar of symposium dat niet door of namens de gemeente
                                wordt aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde
                                aanvraag in. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie
                                en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van algemeen belang is in verband met de
                                vervulling van het raads- of commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><al>De hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 7a, tweede lid,
                            onder a en b van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                            bedraagt € 200,- per jaar of een evenredig deel van dit bedrag als het
                            raads- of commissielid slechts een gedeelte van het betreffende jaar een
                            functie heeft bekleed die recht geeft op deze tegemoetkoming. Deze
                            tegemoetkoming is belast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden met een functionele beperking
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan
                                deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 3.10 van de
                                Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Naar keuze van het raadslid
                                wordt de raadsvergoeding dan wel vaste onkostenvergoeding verminderd
                                met de vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Ziektekostenvoorziening (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Niet van toepassing </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschap verbonden
                            kosten is gelijk aan het bedrag voor een gemeente met een inwonertal van
                            meer dan 18.000, vermeld in artikel 25 van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 19
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 19 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 en artikel 5a van de Regeling
                            Rechtspositie Wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Dienstauto (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een laptop of tablet in bruikleen ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvraag vergoedt het college de wethouder de kosten voor een
                                internetverbinding voor zover deze nodig zijn voor het
                                wethouderschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van toepassing stelt het college een bruikleenovereenkomst
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien van toepassing ondertekent de wethouder voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 3.11 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Naar
                                keuze van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte</al><al>in de gemeente beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op
                            vergoeding van: </al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><al>Niet van toepassing </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 9, 10, 11,
                                12, 19, 20, 22, 23, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een
                                declaratieformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn
                                betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 9, 10, 11, 12, 19,
                                20, 22 en 23 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de
                                door het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het raadslid, onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de gemeentesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Gebruik creditcard (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Intrekking nieuwe regeling</titel></kop><al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2010
                            wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking op 20 maart 2014 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>Verordening rechtspositie
                                wethouders, raads- en commissieleden 2014 (zonder WKR).</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 14 juli 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>W.Hooghiemstra G.F. Naafs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting </titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN </tussenkop><tussenkop>Wettelijke regelingen </tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende regelingen waren
                    opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen
                    sinds 1 januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling
                    rechtspositie wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is
                    in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft
                    om deze voorzieningen te treffen. </al><al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en wethouders die
                    wet (lees rechtspositiebesluit of regeling) dwingend geregeld zijn, zijn niet
                    opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen voor: </al><lijst><li nr="1."><al>de toelage voor fractievoorzitters</al></li><li nr="2."><al>de verstrekking van een computer</al></li><li nr="3."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                            gemeenteraad</al></li><li nr="4."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                            of ziekte</al></li></lijst><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening </tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers. </al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en commissieleden
                    opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede lid van die bepaling
                    voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en commissieleden
                    voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen
                    worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van gedeputeerde staten
                    vereist. </al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan ook
                    uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden. </al><tussenkop>Afzonderlijke verordeningen </tussenkop><al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale regeling voor wethouders en
                    voor raads- en commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen.
                    Daartegen bestaat geen bezwaar. In dat geval bestaat de Verordening
                    rechtspositie raads- en commissieleden uit de hoofdstukken I, II, IV, en V van
                    de voorbeeldverordening en de Verordening rechtspositie wethouders uit de
                    hoofdstukken I, III, IV en V van de voorbeeldverordening. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake: </al><al>– de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden (artikelen 2 en
                    3), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets is opgenomen omdat hun
                    bezoldiging uitputtend is geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders; </al><al>– een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden (artikelen
                    5 en 18); </al><al>– reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden, waarbij voor
                    wethouders een onderscheid is gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke
                    reizen (artikelen 9 t/m 11, 19 t/m 22); </al><al>– reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming verhuisplichtige
                    wethouder (artikel 27); </al><al>– beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan wethouders,
                    raads- en commissieleden (artikelen 13 en 24) en faciliteiten in de vorm van
                    deelname van wethouders, raads- en commissieleden aan cursussen, congressen, en
                    dergelijke (artikelen 12 en 23); </al><al>– secundaire voorzieningen zoals de fietsregeling (artikelen 15, 16 en 26) voor
                    raadsleden en wethouders </al><al>– regelingen inzake raads- en commissieleden met een arbeidsongeschiktheids- of
                    werkloosheidsuitkering (artikelen 7 en 8) </al><al>– de procedure van declareren (artikelen 29 t/m 32). </al><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid </tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet Als gevolg van artikel 11 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb. 2006,
                    660) kan de raad bij verordening (zie artikel 16) een tegemoetkoming in de
                    kosten van een ziektekostenverzekering worden toegekend. Omdat er geen
                    dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de
                    loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder). </al><al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare
                    dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen
                    over het materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                    op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst
                    door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt
                    voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een
                    arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat
                    wethouders direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen.
                    Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en
                    WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening bij het ABP. De uitkering na
                    aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in
                    de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting </tussenkop><tussenkop>Opting-in-regeling </tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                    ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig
                    ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een
                    gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de
                    Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt
                    gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de ingehouden
                    loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de
                    formele zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                    raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden
                    over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De
                    inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen
                    administratie bij te houden. </al><tussenkop>Werkkostenregeling </tussenkop><al>Vanaf 1 januari 2011 geldt de fiscale werkkostenregeling. Op grond van die
                    regeling is er voor door de werkgever aan te wijzen vergoedingen en
                    verstrekkingen een forfaitaire vrijstelling van 1,4% van de fiscale loonsom
                    (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964). Dit forfait wordt aangevuld
                    met nog slechts een beperkt aantal gerichte vrijstellingen voor zakelijke
                    kosten. Over het meerdere – boven het algemene forfait en voor zover niet onder
                    een gerichte vrijstelling vallend – vindt een eindheffing van 80% ten laste van
                    de werkgever plaats. Voor zover de forfaitaire ruimte niet volledig is benut
                    hoeft de gemeente geen loonbelasting af te dragen. De nieuwe opzet maakt het
                    tevens overbodig (de waarde van) als eindheffingsbestanddeel aangewezen
                    verstrekkingen toe te rekenen aan de individuele werknemer. </al><al>Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente
                    onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde
                    faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de
                    vergoeding van reis- en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en
                    congressen. </al><al>Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. </al><al>Indien een raadslid gekozen heeft voor de Opting-in-regeling wordt het bedrag
                    aan onkostenvergoeding genoemd in tabel 2 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden netto uitbetaald. Dit bedrag wordt niet opgenomen in het
                    belastbaar loon van het raadslid. Het bedrag komt ten laste van de vrije ruimte
                    van de Werkkostenregeling. </al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor de Opting-inregeling kunnen deelnemen aan de
                    in artikel 15 genoemde fietsregeling. </al><al>Als de gemeente de werkkostenregeling heeft ingevoerd (uiterlijk op 1 januari
                    2015), dan moet ook deze verordening opnieuw vastgesteld worden. De VNG heeft
                    daarom een versie van de verordening voor beide situaties (wel en geen
                    werkkostenregeling). Let dus op dat u de goede versie laat vaststellen. </al><tussenkop>Fiscale standaardpositie </tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaardregeling
                    ontvangen eveneens het bedrag aan onkostenvergoeding genoemd in tabel 2 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Zij zullen over het bedrag dat
                    zij aan onkostenvergoeding ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij
                    zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is
                    besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. </al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de fietsregeling. Zie verder de toelichting bij
                    artikel 15. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. </al><tussenkop>Eenmalige keuze per zittingsperiode </tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen, kan de keuze om al of niet te opteren
                    voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De
                    beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode
                    worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel
                    kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende
                    periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de
                    zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de
                    resterende periode. </al><tussenkop>De vergoedingssystematiek </tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zo veel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. </al><al>Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende wijze van redeneren: </al><al>– welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie (bedrijfsvoering en
                    bestuurskosten); </al><al>– welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt, maar
                    zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie; </al><al>– kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden aangeboden
                    (indien de loonbelasting geldt); </al><al>– voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een (bruto)
                    vergoeding worden verstrekt. </al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende </al><al>– Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering; </al><al>– bruikleen van computer- en communicatieapparatuur; </al><al>– zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al><al>– deelname aan cursussen en congressen, en dergelijke. </al><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid, maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                    vergoed </al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed </al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste onkostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 5 en 18 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat. </al><tussenkop>Controle en verantwoording </tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven. </al><al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruitbetaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatie-apparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid </tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke </al><al>verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van
                    de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. </al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren: </al><al>– de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een percentage
                    tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde maximum; </al><al>– de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald als
                    presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding zijn; </al><al>– de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast. </al><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer Cao lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven dat de
                    raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun raadsvergoeding
                    te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een lagere
                    arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij
                    verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 7 van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen </tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn ten slotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen en dergelijke, tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke
                    mate het gemeentelijk belang dient. </al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. De
                    Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks per 1
                    januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de hand van het indexcijfer
                    Cao lonen overheid. </al><al>In artikel 3, eerste lid, is ervoor gekozen de hoogte van de vergoeding te
                    bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager
                    bedrag vaststellen. </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                    mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 3, vierde lid, van de
                    verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar het is
                    ook mogelijk om het bedrag uit een hogere gemeenteklasse te kiezen. </al><tussenkop>Artikel 4 Toelage bijzonder commissies </tussenkop><al>Lid 1 </al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kent artikel 4a waarin de raad
                    de mogelijkheid heeft om bij verordening te bepalen dat aan raadsleden die deel
                    uitmaken van de vertrouwenscommissie voor de benoeming van een nieuwe
                    burgemeester, van de rekenkamerfunctie of van een onderzoekscommissie van de
                    raad als bedoeld in artikel 155a van de Gemeentewet een toelage toe te kennen
                    tot ten hoogste 5% van de vergoeding voor de werkzaamheden op jaarbasis. De raad
                    bepaalt zelf het percentage van de toelage. De onkostenvergoeding blijft buiten
                    de berekeningsbasis en wijzigt niet. </al><al>Lid 2 </al><al>De toelage is beperkt in tijd aangezien de burgemeester conform het tweede lid
                    de duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel de duur van de
                    activiteiten vaststelt. </al><tussenkop>Artikelen 5 en 18 Vaste onkostenvergoeding </tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten: </al><al>– representatie; </al><al>– vakliteratuur; </al><al>– contributies, lidmaatschappen; </al><al>– telefoonkosten; </al><al>– bureaukosten, porti; </al><al>– zakelijke giften; </al><al>– bijdrage aan fractiekosten; </al><al>– ontvangsten thuis; </al><al>– excursies. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime blijven
                    de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit
                    onderneming bestaan. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen,
                    blijft de onkostenvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal
                    alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting. </al><al>De hoogte van de onkostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de onkostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 5 en 18 is de
                    hoogte van de onkostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                    onkostenvergoeding voor de raadsleden kan door de raad op een lager bedrag
                    worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister
                    vastgestelde maximum. </al><al>Het bedrag van de onkostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin
                    is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan. </al><tussenkop>Artikel 7 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij arbeidsongeschiktheid </tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raads- of commissielid te worden of te blijven,
                    worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een
                    persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raads- en commissieleden
                    kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een
                    vergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. </al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij
                    verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van
                    het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 7 van de verordening. Daarin is
                    geregeld dat op aanvraag een raads- of commissielid een lagere vergoeding voor
                    de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raads- of commissielid. </al><tussenkop>Artikel 8 Compensatie korting werkloosheidsuitkering </tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW-uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raadslidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden,
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren voor
                    zowel raads- als commissieleden. Dat is geregeld in artikel 8 van de
                    verordening. </al><tussenkop>Artikel 9 en 10 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden </tussenkop><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’ voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur. </al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis- en verblijfkosten in
                    verband met reizen binnen de gemeente. </al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is
                    niet nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een voor de raadsleden door de raad vast te stellen
                    uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht kan worden bij
                    rijksregelingen op dit punt. Het is aan te bevelen de lokale
                    uitvoeringsregelingen op elkaar af te stemmen. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd. </al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden verder geen eigen
                    vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 9, derde lid, onderdeel b,
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders. </al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals vermeld in artikel 9, lid 3. De
                    tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is
                    onbelast. De kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                    vervoermiddel. In het Handboek loonheffingen 2011 wordt over de
                    kilometervergoeding opgemerkt: </al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing. </tussenkop><tussenkop>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast. </tussenkop><tussenkop>Artikelen 11 en 22 Buitenlandse dienstreis </tussenkop><al>Gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van de gemeenteraad of raadscommissies. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd. </al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. Maar ook
                    om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als
                    financieel), het meereizen van de partner en het combineren van een dienstreis
                    met een (direct voorafgaande of aansluitende) privéreis. </al><tussenkop>Artikelen 12 en 23 Cursus, congres, seminar of symposium </tussenkop><al>Deze voorziening valt onder de bedrijfsvoeringskosten van de gemeente. Hiermee
                    komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen, en dergelijke die door of vanwege de
                    gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen,
                    en dergelijke waaraan het individuele raadslid in verband met de vervulling van
                    het raadslidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. </al><al>Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de gemeente worden
                    gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het algemeen belang van de
                    cursus, et cetera benadrukt. In het laatste geval zijn er aanvullende
                    voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en
                    een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol spelen. In het
                    aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de aanvraag
                    ondersteunt. </al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd. </al><tussenkop>Artikelen 13 en 24 Computer en internetverbinding </tussenkop><al>De kostensoorten fax/pc vallen onder de bedrijfsvoeringskosten van de gemeente.
                    Dit betekent dat ofwel door de gemeente een pc in bruikleen wordt gegeven voor
                    de duur van de ambtsvervulling dan wel dat de gemeente een bedrag ter
                    beschikking stelt voor de aanschaf van een pc of het gebruik van een pc die het
                    raadslid al heeft. Deze mogelijkheden zijn opgenomen in artikel 7a van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. De vergoeding is daarom niet in
                    strijd met artikel 99 van de Gemeentewet. Deze aanspraken kunnen echter alleen
                    worden verstrekt wanneer dat is vastgelegd in een verordening. De vergoeding
                    voor (het gebruik van) een eigen pc is belast. De belastingheffing mag niet
                    worden gecompenseerd. </al><al>Een onbelaste vergoeding is alleen toegestaan wanneer het gebruik voor 90%
                    zakelijk is. Stijgt het gebruik voor privédoeleinden uit boven de 10% dan wordt
                    dat gebruik belast door jaarlijks over 1/3 van de aanschafwaarde van de pc en de
                    bijbehorende ter beschikking gestelde apparatuur belasting te heffen. Daarbij
                    maakt het niet uit of het om een desktop-computer, een laptop, een pocket-pc ,
                    een mini-notebook of een tabletcomputer gaat. </al><al>In het Rechtspositiebesluit wordt ervanuit gegaan dat de computer ook voor meer
                    dan 10% privé gebruikt wordt en dus belast moet worden. Uit de toelichting bij
                    de desbetreffende wijziging van het Rechspositiebesluit (Stb 2006, nr. 8) blijkt
                    dat artikel 7a Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden toeziet op de
                    situatie dat de apparatuur ook gedeeltelijk voor privé-doeleinden wordt
                    gebruikt: </al><tussenkop>“Slechts indien een computer geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt
                    gebruikt kan deze nog onbelast worden vergoed, worden verstrekt of ter
                    beschikking worden gesteld. Als gevolg van deze wijziging in de
                    belastingregelgeving zal in de regel ook PC-apparatuur die door de gemeente of
                    provincie aan ambtsdragers ter beschikking wordt gesteld, bij de
                    belastingheffing worden betrokken. Voor ambtsdragers wordt ervan uitgegaan dat
                    zij de computers niet geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruiken. Dat betekent
                    dat zowel de vergoeding, de verstrekking, als de terbeschikkingstelling van
                    computerapparatuur en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast.” </tussenkop><al>Onbelaste verstrekking van computers (en dus ook tabletcomputers) is alleen
                    mogelijk als aangetoond kan worden dat deze geheel of nagenoeg geheel (meer dan
                    90%) voor geheel zakelijke doeleinden gebruikt worden. Deze onbelaste
                    verstrekking valt dan ook niet onder artikel 7a van het Rechtspositiebesluit en
                    hoeft dan ook niet bij verordening geregeld te zijn. Er is dan namelijk fiscaal
                    gezien geen sprake van fictief loon, waardoor artikel 99 van de Gemeentewet niet
                    van toepassing is omdat er geen sprake is van voordeel. Dit moet in de
                    (gebruikers)overeenkomst eenduidig geregeld zijn. Indien de gemeente een
                    computer onbelast in bruikleen wil geven aan raads- en commissieleden </al><al>dan kan zij het beste hierover in contact treden met de Belastingdienst voor de
                    voorwaarden waaronder dat mogelijk is. </al><al>De randapparatuur kan bestaan uit een modem, een printer, een fax, een docking
                    station. De randapparatuur moet voor het werk functioneel zijn en kan niet
                    zelfstandig gebruikt worden. </al><al>De gemeente mag de belastingheffing over een in bruikleen ter beschikking
                    gestelde pc compenseren. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd. </al><al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de toepassing van
                    de opting-in-regeling. </al><al>De lagere c.q. nihilwaarderingen die onder de WKR van toepassing zijn op door de
                    werkgever ter beschikking gestelde voorzieningen (zoals bijvoorbeeld bij
                    computer- en internetverbinding) zijn gebonden aan het begrip werkplek van de
                    werknemer. Een werkplek van de werknemer is een plaats die deze gebruikt in
                    verband met het verrichten van arbeid en waarvoor voor de werkgever de
                    Arbeidsomstandighedenwet van toepassing is (zie art 1.2, eerste lid, onderdeel
                    f, van de URLB 2011). </al><al>Als niet wordt voldaan aan de eis van 90% voor zakelijk gebruik dan wordt direct
                    de factuurwaarde van de ter beschikking gestelde voorziening in de loonheffingen
                    betrokken. Wederom ofwel rechtstreeks als loon voor de werknemer danwel
                    aangewezen door de werkgever als eindheffing en vervolgens ondergebracht in de
                    vrije ruimte. Er is dus geen sprake van het in de heffing betrekken van een
                    gedeelte van de factuurwaarde volgens een afschrijvingssysteem van bijvoorbeeld
                    drie jaar. </al><tussenkop>Artikel 14 Voorzieningen voor raadsleden met een functionele beperking
                    (vervallen) </tussenkop><al>Raadsleden met een functionele beperking zullen via de voor hen beschikbare
                    wettelijke voorzieningen aanspraak hebben op voorzieningen die het mogelijk
                    maken met behulp daarvan zo veel mogelijk deel te nemen aan het arbeidsproces en
                    het maatschappelijk leven. Met behulp van deze voorzieningen is het ook mogelijk
                    dat zij zich ook buiten de eigen woonomgeving te begeven. Denk daarbij aan voor
                    personen met een auditieve beperking aan geluidsversterkende hulpmiddelen. Voor
                    personen met een lichamelijke handicap zijn bijvoorbeeld hulpmiddelen
                    beschikbaar om zich te verplaatsen. Voor hen zijn ook wettelijk verplichte
                    voorzieningen in openbare gebouwen aanwezig om hen toegang tot deze gebouwen te
                    geven. Mensen met een visuele beperking hebben de beschikking over zowel vaste
                    als meeneembare hulpapparatuur om lezen, schrijven en communiceren mogelijk te
                    maken. </al><al>Desondanks kunnen raads- en commissieleden met name beperkingen bij de
                    uitoefening van het raadslidmaatschap hinder ondervinden omdat met name
                    niet-meeneembare voorzieningen in de gemeentelijke gebouwen en in het bijzonder
                    de ruimten waar raadsleden hun taak uitoefenen niet beschikbaar zijn. Het gaat
                    dan om bijvoorbeeld ringleidingen of een doventolk, een vergadertafel voor een
                    raadslid met een rolstoel of met een aangepaste stoel en voor raadsleden met een
                    visuele handicap ondersteuning voor het lezen van raadsstukken en enige
                    administratieve ondersteuning (post en teksten scannen en digitaliseren,
                    archiveren en bestanden maken) </al><al>Sommige van deze voorzieningen zijn vaak wel op de werkplek beschikbaar, maar
                    niet in de vergaderruimte van de raad. </al><al>Voor zover de raadsleden gebruik maken van het openbaar vervoer kan de situatie
                    zich voordoen dat na afloop van de avondvergadering nauwelijks nog openbaar
                    vervoer beschikbaar is. </al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is daar in artikel 12a
                    sinds 1 juli 2013 een bepaling over opgenomen. Artikel 14 is daarom komen te
                    vervallen. </al><tussenkop>Artikel 15 en 26 Fietsregeling </tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. </al><tussenkop>Artikel 16 Ziektekostenvoorziening </tussenkop><al>De raad kan op grond van artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden besluiten dat een tegemoetkoming ziektekostenverzekering wordt
                    verstrekt. Dit moet bij verordening worden bepaald. </al><tussenkop>Artikelen 17 en 28 Werkkostenregeling </tussenkop><al>In verband met de werkkostenregeling moeten een aantal netto-vergoedingen en
                    verstrekkingen aangewezen worden als eindheffingsbestanddeel. Anders worden deze
                    door de belastingdienst als loon gezien en moet hierover belasting worden
                    ingehouden. Ook de vergoedingen en verstrekkingen die door de belastingdienst
                    gezien worden als gerichte vrijstelling of voor nihil waardering in aanmerking
                    komen moeten in eerste instantie wel aangewezen worden. In een later stadium
                    wordt dan (in de financiele administratie) aangegeven dat dit gerichte
                    vrijstellingen of nihil waarderingen betreft. </al><tussenkop>Artikel19 en 20 Reiskosten woon-werk en zakelijke reiskosten </tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 19 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. </al><al>Ingevolge artikel 20 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien
                    gemaakt met de eigen personenauto in 2013 € 0,28 per afgelegde kilometer. De
                    kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan €0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon-werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. </al><al>Voor de verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op het
                    rechtspositiebesluit wethouders<vet>. </vet></al><tussenkop>Artikel 21 Dienstauto </tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan wethouders. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon-werk. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie.
                    De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten
                    terzake wordt in dat geval in de gemeentelijke kas gestort. De dienstauto is
                    niet beschikbaar voor privégebruik. </al><al>De kilometers voor ambtsgebonden nevenfuncties worden als zakelijk aangemerkt.
                    Ambtsgebonden nevenfuncties vloeien voort uit het ambt. Van een ambtsgebonden
                    nevenfunctie is in elk geval sprake als de ambtsdrager zich er niet aan kan
                    onttrekken en de functie moet worden beëindigd als het ambt niet meer wordt
                    uitgeoefend. Of met de nevenfunctie een maatschappelijk of algemeen bestuurlijk
                    belang is gediend, is fiscaal bezien geen criterium voor het begrip
                    ambtsgebonden nevenfunctie. Ook is het fiscaal niet relevant of door provinciale
                    staten c.q. de gemeenteraad toestemming is gegeven voor het vervullen van de
                    nevenfunctie en het gebruik van de dienstauto voor dat doel. </al><al>Het gebruik van de dienstauto voor niet ambtsgebonden nevenfuncties wordt als
                    privégebruik aangemerkt. (Brief van de minister van Binnenlandse Zaken
                    enKoninkrijksrelaties d.d. 22 maart 2007 aan de Tweede Kamer, Tweede
                    Kamerstuknummer 30 800 VII, nr. 42). </al><al>Bijwonen van bijvoorbeeld vergaderingen van de VNG behoort tot ambtsgebonden
                    activiteiten. Het gebruik voor overige nevenactiviteiten die dus tot het
                    privégebruik worden gerekend, is slechts tot 500 km per jaar onbelast. Daarboven
                    wordt het privégebruik aangemerkt als loon in natura en is om die reden belast. </al><al>Omdat ook de vergoedingen en verstrekkingen die door de belastingdienst gezien
                    worden als gerichte vrijstelling of voor nihil waardering in aanmerking komen
                    (zoals het gebruik van de dienstauto voor zakelijk gebruik) moeten in eerste
                    instantie wel aangewezen worden. In een later stadium wordt dan (in de
                    financiele administratie) aangegeven dat dit gerichte vrijstellingen of nihil
                    waarderingen betreft. </al><tussenkop>Artikel 25 Mobiele telefoon </tussenkop><al>De vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoon zijn geheel onbelast
                    als het zakelijk gebruik meer dan 10% bedraagt. </al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                    overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd worden.
                    Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privételefoon voor
                    zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks een
                    netto bedrag van € 25. Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component
                    telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot een bedrag van € 12 per maand van
                    de onkostenvergoeding achterwege te laten. </al><al>Binnen de WKR kunnen aan werknemers op de werkplek mobiele communicatiemiddelen
                    ter beschikking worden gesteld waarvan de waarde op nihil wordt gesteld indien
                    het zakelijk gebruik van meer dan bijkomstig belang is. (&gt; 10%). </al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten begrepen. Onder
                    de WKR is hierop geen gerichte vrijstelling van toepassing hetgeen betekent dat
                    sprake is van een in beginsel belaste vergoeding<vet>. </vet></al><tussenkop>Artikel 27 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten </tussenkop><al>Personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden benoemd. Dat
                    kunnen ook personen zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond
                    van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                    zijn geworden. In artikel 27 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente
                    in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor
                    vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De
                    vergoedingen kunnen onder voorwaaarden als gerichte vrijstelling worden
                    aangemerkt conform artikel 31a, lid 2 onderdeel f van de Wet op de loonbelasting
                    1964 en worden daarom aangewezen als eindheffingsloonbestanddeel. </al><al>Artikelen 29 t/m 32 De procedure van declaratie </al><al>In artikel 29 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 30
                    t/m 32 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten </al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten: </al><al>– reis- en verblijfkosten van raadsleden; </al><al>– zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders; </al><al>– reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders; </al><al>– reis- en pensionkosten en verhuiskosten; </al><al>– reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies. </al><al>Rechtstreekse facturering bij de gemeente </al><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen: </al><al>– deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden en
                    wethouders; </al><al>– zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders; </al><al>– reis- en pensionkosten en verhuiskosten; </al><al>– reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders. </al><tussenkop>Gebruik creditcard </tussenkop><al>Aan wethouders kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden gesteld
                    voor functionele uitgaven ten laste van de gemeente. Gebruik van creditcards is
                    mogelijk in de volgende gevallen: </al><al>– zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders; </al><al>– reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van wethouders; </al><al>– reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>