<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR389537_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrechtse Heuvelrug</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 24-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening OZB 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015-233</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>INTEGRALE VERORDENING</al><al>Behoort bij raadsvoorstel 2015-233 titel: a. Verordening op de heffing en de
                        invordering van onroerendezaakbelastingen 2016.</al><al>De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug;</al><al>Gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>BESLUIT</al><al>Over te gaan tot vaststelling van de volgende verordening:</al><al>Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2016
                        (Verordening OZB 2016).</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1 Inhoudelijke bepalingen</al><al>Artikel 1 Belastingplicht</al><al>1 Onder de naam “onroerendezaakbelastingen” worden voor binnen de gemeente
                        gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht, gebruikt, verder te noemen:
                                gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik
                                door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                                gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig
                                te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                                gebruik aangemerkt als gebruik door de degene die de onroerende zaak
                                ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking heeft
                                gesteld.</al></li></lijst><al>3 Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is.</al><lijst><li nr=""><al>Artikel 2 Belastingobject</al></li><li nr=""><al>1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld
                                in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst><al>2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden.</al><al><vet>Artikel 3 Maatstaf van heffing</vet></al><al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2 Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                        hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, twee
                        lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al><vet>Artikel 4 Vrijstelling</vet></al><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                        gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                                glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of
                                teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanig onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                                zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingwerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst voor het
                                belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="k."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="l."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst><al>2 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al><al><vet>Artikel 5 Belastingtarieven</vet></al><al>1 Het tarief van de belasting is een percentage van de heffingsmaatstaf. Het
                        percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1558 %.</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting:</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                        0,1174 %;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                        dienen 0,1661 %.</al></li></lijst></li></lijst><al>2 Aanslagen van € 10,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de toepassing
                        van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde
                        bedragen onroerendezaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                        belastingbedrag.</al><al><vet>Artikel 6 Wijze van heffing</vet></al><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al><al><vet>Artikel 7 Termijnen van betaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de
                                betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven,
                                dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De
                                eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de
                                volgende termijnen telkens een maand later.</al></li><li nr="3."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en
                            wethouders</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de
                        heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 9 Overgangsrecht</vet></al><al>De verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelasting
                        2015 vastgesteld door de gemeenteraad van de Utrechtse Heuvelrug op 15
                        december 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede
                        lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. </al><al><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>1.Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening OZB 2016”.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2015.</ondertekening><ondertekening>de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>W.Hooghiemstra G.F. Naafs</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>