<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>389309_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zuidplas</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-29</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zuidpias; gelezen het voorstel van het college van
                        burgemeester en wethouders van 17 november 2015; gelet op artikel 220 tot en
                        met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de : <vet>Verordening
                            op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen
                        2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven, te
                            weten; </al><al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; </al><al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
                            in gebruik is gegeven; </al><al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster
                            is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van Hoofdstuk IV van Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor zover die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden
                            toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan
                            wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar als bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf
                            buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de
                            bepaling van de in artikel 3 bedoelde waarde, de waarde van: </al><al>a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                            cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                            ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de
                            kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                            voedingsbodem te gebruiken; </al><al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                            teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond; </al><al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, één en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al><al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van
                            de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in
                            artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met
                            uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al><al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden; </al><al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken; </al><al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al><al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning; </al><al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                            toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
                            merken. </al><al>j . onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                            de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het
                            geven van onderwijs; </al><al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                            eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of
                            in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                            verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; </al><al>l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                            zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning; </al><al>m. begraafplaatsen, umentuinen en crematoria, met uitzondering van delen
                            van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf
                            voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van
                            gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan
                            wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor 2016: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><tbody><row><entry><al>a. de eigenarenbelasting</al></entry><entry><al>Tarief 2015</al></entry><entry><al>Tarief 2016</al></entry></row><row><entry><al>. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                                dienen</al></entry><entry><al>0,1377%</al></entry><entry><al>0,1349%</al></entry></row><row><entry><al>. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen</al></entry><entry><al>0,1698%</al></entry><entry><al>0,1713%</al></entry></row><row><entry><al>b. de gebruikersbelasting</al></entry><entry><al></al></entry><entry><al></al></entry></row><row><entry><al>. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen</al></entry><entry><al>0,1274%</al></entry><entry><al>0,1286%</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belastingbedragen van minder dan ê 10,00 vindt geen invordering
                            plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op
                            één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 7 Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste
                            lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in
                            twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van
                            de maand volgend op de maand</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                            afgeschreven, dat de aanslagen kunnen worden betaald in tien (10)
                            gelijke termijnen. De voorwaarden waaronder zijn beschreven in het
                            ''Reglement voor automatische incasso gemeentebelastingen 2016''. Dit
                            reglement is op 22 september 2015 door het college van burgemeester en
                            wethouders vastgesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de onroerende-zaakbelastingen wordt geen
                        kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015, vastgesteld op 4 november
                        2014, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2016, met dien verstande
                        dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1
                        januari 2016 hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werl&lt;ing met ingang van 1 januari 2016. De
                        datum van ingang van de heffing is eveneens 1 januari 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening onroerende-zaakbelastingen
                        2016. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 15 december
                        2015.</al><al>De raad voornoemd, </al><al>De griffier, De voorzitter, </al><al>P. van Vught K.J.G. Kats</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>A Algemeen</vet></al><al> 1 Wettelijke basis</al><al></al><al>De verordening onroerende-zaakbelastingen is gebaseerd op de tekst van de
                    Gemeentewet (artikelen 220-220h). Voor de waardebepaling gelden ook de
                    bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). In de
                    verordening is gekozen voor een duidelijke scheiding tussen
                    verantwoordelijkheden op waarderingsgebied (geregeld in de Wet WOZ) en op
                    heffingsgebied. Overeenkomstig de Gemeentewet is daarom gekozen voor verwijzing
                    naar de bepalingen in de Wet WOZ en is de tekst van de desbetreffende bepalingen
                    niet overgenomen in de verordening. </al><al></al><al>2 Financiële-verhoudingswet</al><al> Er is samenhang tussen de hoogte van de algemene uitkering van een gemeente en
                    haar belastingcapaciteit voor de onroerende-zaakbelastingen. De werkelijke
                    hoogte van de tarieven heeft geen invloed op de uitkering uit het gemeentefonds.
                    Het gemeentefonds is te zien als egalisatiefonds voor verschillen in
                    belastingcapaciteit. </al><al></al><al>3 Wet WOZ </al><al>De Wet WOZ regelt de bepaling en vaststelling van de waarde van onroerende zaken
                    ten behoeve van de belastingheffing door rijk, gemeenten en waterschappen,
                    waaronder ook de onroerendezaakbelastingen. De waardebepaling geschiedt onder
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de
                    gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen. De waarde wordt door de
                    heffingsambtenaar met een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking aan de
                    eigenaar en aan de gebruiker (belanghebbenden) bekendgemaakt. Vanaf 2007 wordt
                    de waarde jaarlijks vastgesteld. </al><al></al><al>4 Geen tarieflimieten wel een macronorm</al><al> Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van de drie tarieven: een
                    eigenarentarief en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een
                    eigenarentarief voor woningen. Daarbij gelden geen absolute of relatieve
                    limieten. Wel is ter voorkoming van een onevenredige stijging van de collectieve
                    lastendruk een macronorm ingesteld. Dit is een norm voorde totale opbrengsten
                    OZB in Nederland. Bij overschrijding van de norm vindt er een bespreking plaats
                    tussen Rijk en gemeenten in het bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in
                    de maand april. Het Rijk kan uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de
                    uitkering uit het gemeentefonds gebruiken. </al><al></al><al>5 Tarief als percentage van de waarde De onroerende-zaakbelasting wordt berekend
                    naar een percentage van de waarde van de onroerende zaak.</al><al></al><al><vet>B Artìkelsgewìjze toelichting </vet></al><al></al><al>Artikel 1 Belastingplicht </al><al>Eerste lid</al><al> Voor iedere onroerende zaal&lt; die binnen de gemeente ligt kan een directe
                    belasting voor het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden
                    geheven. De belasting wegens genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                    wordt aangeduid als eigenarenbelasting. De belasting wegens het gebruik van een
                    onroerende zaak wordt aangeduid als gebruikersbelasting en wordt alleen geheven
                    ter zake van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. De
                    onroerende-zaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Het begin van het
                    kalenderjaar bepaalt de belastingplicht. Indien het gebruik dan wel het genot
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat geen invloed op de belastingplicht. De aanslag wordt dan niet
                    tijdsevenredig verminderd (zie Hof Den Haag 26 januari 2000, nr. 98/02639,
                    Belastingblad 2001, blz.163). </al><al></al><al>Gebruikersbelasting</al><al> De gebruikersbelasting wordt alleen geheven van degene die (naar de
                    omstandigheden beoordeeld) bij het begin van het kalenderjaar een onroerende
                    zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient (nietwoning) al dan niet krachtens
                    eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Het is daarbij
                    niet van belang waarop het gebruik van de niet-woning is gebaseerd. Ook bij
                    wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik (Hoge Raad 10 maart
                    1982, nr. 20 860, BNB 1982/115, Belastingblad 1982, biz. 148 (Dordrecht)). </al><al></al><al>Het begrip gebruik</al><al> Of er sprake is van gebruik wordt beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden.
                    Er is in ieder geval sprake van gebruik als een niet-woning daadwerkelijk wordt
                    gebruikt (Hoge Raad 5 september 1979, nr. 19420, BNB 1979/268 (Uitgeest):
                    "metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn eigen behoeften"). Maar er is ook
                    gebruik als een persoon de niet-woning bewust leeg laat staan met de bedoeling
                    die voor bepaalde doeleinden voor zichzelf ter beschikking te houden: Gebruik is
                    aanwezig als de persoon een niet-woning bouwt of laat bouwen op een ongebouwd
                    eigendom. Er is alleen geen sprake is van gebruik als de bevrediging van
                    behoeften door exteme belemmeringen wordt geblokkeerd, zoals het wachten op
                    verstrekking van een bouwvergunning na aanvraag daarvan. Het aanhouden voor
                    handels- of beleggingsdoeleinden levert geen metterdaad bezigen en dus geen
                    gebruik op, aldus Hoge Raad 22 juli 1985, nr. 22649, BNB 1985/258, Belastingblad
                    1985, bIz. 658 (De Bilt). De afwezigheid van de gebruiker van een niet-woning op
                    1 januari leidt niet zonder meer tot het achterwege laten van heffing van de
                    gebruikersbelasting. Zie Hoge Raad 30 juni 1993, nr. 28345, BNB 1993/265.</al><al></al><al> Het begrip gebruiker</al><al> Wie de gebruiker van een niet-woning is, zal bijvoorbeeld uit de administratie
                    van nutsbedrijven blijken. </al><al></al><al>Tweede lid onderdeel a</al><al>In artikel 1, tweede lid, van de verordening is een aanvullende bepaling voorde
                    gebruikersbelasting opgenomen (zie ook Artikel 220b, eerste lid, van de
                    Gemeentewet): gebruik door degene aan wie een (onzelfstandig) deel van een
                    onroerende zaak in gebruik is gegeven (gebruiker), wordt aangemerkt als gebruik
                    door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (gebruikgever). De verhuurder
                    (al of niet tevens eigenaar) is ook belastingplichtig voor de
                    gebruikersbelasting als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de
                    niet-woning is maar het gehele object in onzelfstandige delen verhuurt (Hoge
                    Raad 5 juni 2009, nr. 44103, UN: BI6157). </al><al></al><al>Bij bedrijfsverzamelgebouwen met meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ en
                    de onroerende-zaakbelastingen als één object kunnen gelden), wordt de verhuurder
                    in de heffing van de gebruikersbelasting betrokken. De huurders zijn dan niet
                    belastingplichtig. De bepaling ziet alleen op situaties waarin delen van de
                    onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet
                    gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als
                    gebruiker worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één
                    onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende onzelfstandige delen
                    aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij
                    echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één
                    ondememing), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers niet een
                    gedeelte van de niet-woning in gebruik af. De gebruikgever mag de
                    gebruikersbelasting wel verhalen op de gebruiker.</al><al></al><al> Tweede lid, onderdeel b</al><al> Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
                    wordt aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking
                    heeft gesteld. Dit ziet met name op nietwoningen die voor korte perioden worden
                    verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de nietwoning ter beschikking
                    stelt voor volgtijdig gebruik. Dit is anders indien gebruik wordt gemaakt van
                    een verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële
                    risico van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit
                    handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage van de
                    verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze
                    verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari
                    2001, nr. 35865, UN: AA9843, BNB 2001/113, Belastingblad 2001, blz456, BNB
                    2001/113, m.n. Snoijink (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, UN:
                    AF0960, BNB 2003/36 m.n. Snoijink (Oostburg). Degene die de niet-woning ter
                    beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op degene aan wie die
                    zaak ter beschikking is gesteld. </al><al></al><al>Derde lid De vaststelling van de belastingplicht voor het genot baseert de
                    gemeente in het algemeen op de basisregistratie kadaster. De tot belastingplicht
                    leidende beperkte rechten zijn: </al><al>. appartementsrecht; </al><al>. erfpachtrecht; </al><al>. recht van opstal; </al><al>. recht van vruchtgebruik; </al><al>. recht van beklemming; </al><al>. recht van gebruik en bewoning; </al><al>. beperkt recht in de zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de
                    Belemmeringenwet privaatrecht.</al><al></al><al>De basisregistratie l&lt;adaster geeft in bijna alle gevallen uitsluitsel over
                    de vraag wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. De
                    gemeente heeft een keuzemogelijkheid indien er naast eigendom ook sprake is van
                    een afgeleid recht (bijvoorbeeld recht van vruchtgebruik). De aanwijzing van een
                    belastingplichtige vindt daarom plaat op basis van "Beleidsregels voor het
                    aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie", zoals vastgesteld
                    door het college van burgemeester en wethouders op 22 september 2015. </al><al></al><al>De basisregistratie kadaster geeft in een beperkt aantal gevallen niet aan wie
                    de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Op grond van
                    artikel 5:20 BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van alle gebouwen en
                    werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, tenzij de wet anders bepaalt of
                    als er sprake is van een bestanddeel van een andere onroerende zaak.</al><al></al><al> Economische eigendom leidt meestal niet tot genot krachtens bezit. Iemand heeft
                    de economische eigendom van een zaak indien hij niet de juridische eigenaar
                    daarvan is, maar economisch wel belang heeft in die zin dat hij het volle risico
                    voor alle waardeveranderingen en voor het eventuele tenietgaan van die zaak
                    draagt. De juridisch eigenaar is echter genothebbende krachtens eigendom, bezit
                    of beperkt recht. De overdracht van de economische eigendom belet niet dat de
                    juridisch eigenaar in de heffing van de onroerende-zaakbelastingen wordt
                    betrokken omdat het objectieve karakter van de onroerende-zaakbelastingen dat
                    met zich meebrengt: door de eigenaar, bezifter of beperkt gerechtigde vrijwillig
                    aanvaarde beperkingen van zijn genot staan niet in de weg aan zijn
                    belastingplicht (Hoge Raad 29 november 1989, nr. 26308, BNB 1990/43,
                    Belastingblad 1991, bIz, 63 (Amsterdam)).</al><al></al><al> Voorbeelden van economisch eigenaarschap zijn huurkoop, maar ook het
                    lidmaatschapsrecht van een coöperatieve fiatvereniging kan worden gezien als een
                    vorm van economische eigendom van een flatwoning. In de praktijk bestaat
                    economisch eigendom wanneer een vennoot in een vennootschap onder firma of een
                    aandeelhouder van een NV of BV niet de juridische eigendom, maar alleen het
                    belang bij de onroerende zaak inbrengt. Een huurder of pachter kan daarentegen
                    niet als economisch eigenaar worden aangemerkt, omdat hij niet het volle
                    waarderisico loopt. Dit geldt ook in een bijzonder geval van erfpacht, als een
                    zeer hoge canon moet worden betaald. De erfpachter is ook in dat geval nog de
                    genothebbende. Onder genot wordt dan verstaan de aan het erfpachtrecht ontleende
                    bevoegdheid om de onroerende zaak te gebruiken overeenkomstig de bepalingen van
                    het erfpachtrecht (Hoge Raad 18 april 1990, nr. 26 607, BNB 1991/197,
                    Belastingblad 1990, bIz. 419 (Ommen)). </al><al></al><al>De eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde wordt in de belastingheffing
                    betrokken ongeacht de omvang van zijn genot. Alleen als de eigenaar
                    wederrechtelijk de eigendom is ontnomen, kan hij niet als genothebbende
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden aangemerkt, tenzij die
                    ontneming van voorbijgaande aard is (Hoge Raad 10 maart 1982, nr. 20 860, BNB
                    1982/115, Belastingblad 1982, bIz. 148 (Dordrecht)). Het enkele ingeschreven
                    staan in de basisregistratie kadaster levert nog geen belastingplicht op (Hoge
                    Raad 4 juni 1986, nr. 23764, BNB 1986/240, Belastingblad 1986, bIz. 442
                    (Amsterdam)). </al><al></al><al>Het genot kan ook voortvloeien uit een persoonlijk recht. Bijvoorbeeld voor bij
                    een huurafhankelijk recht van opstal. In dat geval worden twee objecten en
                    derhalve twee genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                    onderscheiden, te weten de eigenaar van de grond en de eigenaar van het opstal.
                    Bij een zelfstandig recht van opstal wordt slechts een genothebbende krachtens
                    eigendom, bezit of beperkt recht onderscheiden: de houder van het recht van
                    opstal, (zie Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 20 860, BNB 1979/126 (Rotterdam); Hoge
                    Raad 21 oktober 1992, nr. 28 641, BNB 1993/9, Belastingblad 1992, biz. 840
                    (Tilburg) en Hoge Raad 14 september 1994, nr. 29 871, BNB 1994/322,
                    Belastingblad 1994, bIz. 627 en 727 (Rotterdam).</al><al></al><al>Artikel 2 Belastingobject</al><al> Eerste lid </al><al>De voorschriften voor de objectafbakening worden staan in artikel 16 van de Wet
                    WOZ. Daarom wordt voor de afbakening van het belastingobject (de onroerende
                    zaak) in de tekst van de verordening verwezen naar hoofdstuk III van de Wet
                    WOZ.</al><al></al><al> Objectafbakening</al><al> De Wet WOZ merkt als onroerende zaak aan: </al><al>a. een gebouwd eigendom; </al><al>b. een ongebouwd eigendom; </al><al>c. een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd eigendom; </al><al>d. een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een
                    zelfstandig gedeelte daarvan; </al><al> e. een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of meer
                    gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige gedeelten; </al><al> f. het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd
                    eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als verblijfsrecreatie
                    bestemd en geëxploiteerd geheel. </al><al></al><al>Gebouwd en ongebouwd eigendom Onder een gebouwd eigendom worden niet alleen
                    constructies van min of meer duurzame aard verstaan die dienen voor het bewaren
                    van goederen of het beschutten van personen of goederen tegen atmosferische
                    invloeden. Uit de jurisprudentie volgt dat ook installaties, open inrichtingen,
                    locaties en dergelijke bouwsels vallen onder het begrip gebouwd eigendom:</al><al> Gedeelten </al><al>Een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is
                    bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt is in beginsel een
                    afzonderlijk belastingobject. Het gaat daarbij om gedeelten die elk nog als
                    zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld de
                    woning in een flatgebouw). Gemeenschappelijke ruimten in een gebouw worden niet
                    aangemerkt als een zelfstandig gedeelte maar moeten evenredig aan de overige
                    zelfstandige gedeelten worden toegerekend. </al><al></al><al>Samenstel (complex)</al><al> Kenmerkend voor samenstellen is dat de daartoe behorende eigendommen naar de
                    omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren en dooreen en dezelfde
                    (rechts)persoon worden gebruikt. Er zijn dus, naast het eigendom, twee
                    voorwaarden. Allereerst moeten de eigendommen naar de omstandigheden beoordeeld
                    bij elkaar behoren. Daarbij kan bijvoorbeeld de afstand tussen de eigendommen
                    een rol spelen. Vaak zal het ene eigendom een hulpfunctie vervullen voor het
                    andere eigendom. Bijvoorbeeld de garage die naast de woning staat. Bij de
                    bepaling of de eigendommen naar de omstandigheden bij elkaar behoren moet ook
                    aansluiting worden gezocht bij de maatschappelijke opvatting.</al><al></al><al>Recreatieterrein </al><al>Een recreatieterrein waarop standplaatsen voor stacaravans worden verhuurd of
                    andere vakantieonderkomens staan, wordt vanaf 1 januari 2005 voor de Wet WOZ
                    aangemerkt als één onroerende zaak. De wetgever heeft het ondoelmatig geacht om
                    van alle op recreatieterreinen gelegen onroerende recreatiewoningen en
                    stacaravans met de bijbehorende (onder)grond, de waarde afzonderlijk te bepalen
                    en vast te stellen en deze afzonderlijk in de heffing te betrekken. Daarom geldt
                    dat de afbakening als afzonderlijke objecten achterwege blijft wanneer het gaat
                    om een geheel van onroerende zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat
                    bijeengenomen een terrein vormt dat bestemd is voor verblijfsrecreatie en als
                    zodanig wordt geëxploiteerd. </al><al></al><al>Anders gezegd: een recreatieterrein met de opstallen die niet in privé-eigendom
                    zijn, dat als geheel bestemd is en geëxploiteerd wordt voor verblijfsrecreatie,
                    wordt als één onroerende zaak aangemerkt.</al><al></al><al> Binnen de gemeentegrens </al><al>Het binnen de gemeente gelegen deel is een afzonderlijk belastingobject dat
                    afzonderlijk in de heffing zal moeten worden betrokken. Een gebouw dat op de
                    gemeentegrens ligt, zal dus door twee (of meer) gemeenten moeten worden
                    aangeslagen. </al><al></al><al>Eigendomsgrens is grens object</al><al> Alleen als van de samenstellende delen van een onroerende zaak de genothebbende
                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht dezelfde is, is sprake van één
                    belastingobject. Dit betekent dat de eigendomsgrens de uiterste grens van het
                    object vormt. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al> Dit lid geeft een definitie van het begrip woning overeenkomstig de bepaling in
                    de Gemeentewet (artikel 220a, lid 2). Een onroerende zaak dient tot woning
                    indien de vastgestelde WOZ-waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen
                    van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                    aan woondoeleinden. Het 'in hoofdzaak-criterium' wordt uitgelegd als: 70^0 of
                    meer. </al><al></al><al>Artikel 3 Maatstaf van heffing </al><al>Algemeen</al><al> De heffingsmaatstaf is de waarde van de onroerende zaak zoals deze is
                    vastgesteld op basis van de Wet WOZ. In het eerste lid is de tekst van artikel
                    220c van de Gemeentewet overgenomen. Is de waarde middels een WOZ-beschikking
                    vastgesteld, dan kunnen de waardebepalende elementen in een bezwaar- en/of
                    beroepsprocedure tegen de aanslag niet meer aan de orde komen.</al><al></al><al>Eerste lid </al><al>Waarde in het economische verkeer Artikel 17 van de Wet WOZ geeft de regels voor
                    de waardering. Uitgangspunt daarbij is de waarde in het economische verkeer. Dat
                    is de waarde die aan de onroerende zaak kan worden toegekend indien de volle en
                    onbezwaarde eigendom van de onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen
                    (overdrachtsfictie) en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich
                    bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen
                    (verkrijgingsfictie). Bij de waardebepaling wordt geen rekening gehouden met
                    eventueel op de onroerende zaak rustende lasten, zoals een anti-speculatiebeding
                    met kettingbeding. Volgens de Hoge Raad dient bij de waardebepaling wel rekening
                    te worden gehouden met een zakelijke of daarmee gelijk te stellen verplichting
                    die de omvang van het genot van de zaak beperkt (Hoge Raad 25 november 1998, nr.
                    33212, UN: AA2572, Belastingblad 1999, blz. 93 (Rotterdam). Voor woningen en
                    rijksmonumenten is de waarde in het economische verkeer altijd van toepassing.
                    Voor niet-woningen daarentegen wordt de gecorrigeerde vervangingswaarde genomen
                    indien deze hoger is dat de waarde in het economische verkeer.</al><al></al><al> Gecorrigeerde vervangingswaarde</al><al> De overdrachts- en verkrijgingsfictie gelden ook voor de gecorrigeerde
                    vervangingswaarde (Hoge Raad 9 juli 1999, nr. 34377, UN: AA2808, Belastingblad
                    1999, blz. 622 (kettingbeding met recht van terugkoop)). De gecorrigeerde
                    vervangingswaarde wordt bepaald door de vervangingswaarde van de onroerende zaak
                    te verminderen met de afschrijving wegens technische en functionele veroudering.
                    De afschrijving wegens technische veroudering vindt plaats op grond van de
                    verwachte levensduur van het object en de restwaarde die het object aan het
                    einde van die levensduur zal hebben. De afschrijving wegens functionele
                    veroudering brengt de mate tot uitdrukking waarin nog behoefte bestaat aan de
                    onroerende zaak als gevolg van technische, economische en maatschappelijke
                    ontwikkelingen. Redenen vooreen afschrijving wegens functionele veroudering
                    kunnen bijvoorbeeld gewijzigde bouwtechnieken of bouwtechnische eisen zijn.
                    Daarnaast kan ook worden gedacht aan ondoelmatig ingerichte ruimten alsmede aan
                    een tekort of overschot aan ruimte. Ook economische veroudering als gevolg van
                    algemene conjuncturele ontwikkelingen en ontwikkelingen in de branche kunnen van
                    invloed zijn op de functionele veroudering. </al><al></al><al>Wijzigingen na waardepeildatum</al><al> De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld naar de waarde die de zaak
                    heeft op de waardepeildatum en naar de staat waarin de zaak verkeert op het
                    tijdstip van de waardepeildatum. De waardepeildatum ligt één jaar vóór het
                    kalenderjaar waan/oor de waarde wordt vastgesteld. Met wijzigingen tussen deze
                    waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar wordt alleen in bepaalde
                    gevallen rekening gehouden. </al><al>Deze gevallen zijn: </al><al> a. een onroerende zaak gaat op in een andere onroerende zaak dan wel in meer
                    onroerende zaken; </al><al>b. een onroerende zaak wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing,
                    verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming;</al><al> c. een onroerende zaak ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de
                    onroerende zaak geldende, omstandigheid een waardeverandering.</al><al></al><al>Wijzigingen onder a betreffen de objectafbakening. Onder b gaat het om
                    wijzigingen van het object zelf. De wijzigingen onder c betreffen wijzigingen
                    aan het object zelf, maar ook omgevingsfactoren. De waardeverandering wordt
                    meegenomen vanaf het begin van het kalenderjaar wanneer de bedoelde feiten of
                    omstandigheid geheel of gedeeltelijk hun beslag hebben gekregen.</al><al></al><al> Tweede lid </al><al>Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnet-bepaling' en voorziet erin dat indien
                    voor een onroerende zaak onverhoopt geen WOZ-beschikking is vastgesteld, toch
                    een aanslag kan worden opgelegd. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld
                    het geval dat een WOZ-beschikking door de rechter is vernietigd vanwege een fout
                    in de objectafbakening. Als de WOZ-beschikking wel is vastgesteld, maar niet is
                    bekend gemaakt, dan is de vangnetbepaling niet van toepassing, maar de gewone
                    hoofdregel van het eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569,
                    LJN: AR6816). De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling
                    zoveel mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor
                    wel een WOZ-beschikking is vastgesteld. In de memorie van toelichting wordt
                    opgemerkt dat de waardevaststelling in deze gevallen alleen voor het betreffende
                    kalenderjaar geldt. Zolang er geen WOZ-beschikking is, dient de
                    waardevaststelling (door het opleggen van de aanslag onroerende-zaakbelastingen)
                    dus voor elk kalenderjaar plaats te vinden. Voor de tekst van de vangnetbepaling
                    is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde lid, van de Gemeentewet. </al><al></al><al>Artikel 4 Vrijstellingen</al><al> Algemeen</al><al> De verplichte vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 220d van de Gemeentewet.
                    Op grond van jurisprudentie heeft de wetgever bij de Wet materiële
                    belastingbepalingen de opzet van de vrijstellingen gewijzigd. Een object als
                    zodanig wordt niet vrijgesteld maar de waarde van (een gedeelte) van een object
                    wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat een onroerende zaak
                    gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt vrijgesteld. De vrijstellingen
                    zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen maar vormen een onderdeel van de
                    maatstaf van heffing. Immers, bij het bepalen van de maatstaf van heffing wordt
                    (een gedeelte van) de waarde buiten aanmerking gelaten. Met nadruk wordt erop
                    gewezen dat een vrijstelling voor de onroerende-zaakbelastingen niet inhoudt dat
                    ook de waardering achterwege kan blijven. In het kader van de Wet WOZ kan de
                    waardering (niet de gegevensverzameling) van een onroerende zaak alleen
                    achterwege blijven indien op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                    objecten Wet WOZ de gehele waarde buiten aanmerking kan worden gelaten. In
                    beginsel zijn de vrijstellingen die in de Uitvoeringsregeling staan in de op de
                    beschikking vastgestelde WOZ-waarde meegenomen. </al><al></al><al>Artikel 5 Belastingtarieven </al><al>Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van drie tarieven: een eigenarentarief en
                    een gebruikerstarief voor niet-woningen en een eigenarentarief voor woningen.
                    Daarbij gelden geen absolute of relatieve limieten. Wel is ter voorkoming van
                    een onevenredige stijging van de collectieve lastendruk een macronorm
                    afgesproken (zie hieronder). Met ingang van 1 januari 2009 worden de tarieven
                    naar een percentage van de waarde berekend (Stb. 2008, 262). </al><al></al><al>Eerste lid</al><al>De tarieven worden met ingang van 1 januari 2009 berekend naar een percentage
                    van de waarde van de onroerende zaak. Voor elke afzonderlijke belasting kan een
                    apart percentage worden vastgesteld dat volgens artikel 220f van de Gemeentewet
                    wel gelijkelijk moet zijn. Vaststellen van een degressief of progressief tarief
                    is niet mogelijk.</al><al></al><al>Macronorm </al><al>De regering heeft met de VNG afgesproken dat gemeenten zich collectief houden
                    aan een macronorm, dat wil zeggen dat de stijging van de totale, landelijke
                    OZB-opbrengsten niet boven een bepaalde limiet mogen uitgaan. Dat heeft echter
                    geen gevolgen voor de vaststelling van de tarieven van een individuele gemeente.
                    De macronorm is een bestuurlijke norm. Bij overschrijding van de norm vindt er
                    een bespreking plaats tussen Rijk en gemeenten in het bestuurlijk overleg
                    Financiële Verhoudingen in de maand april. Het Rijk kan uiteindelijk als
                    machtsmiddel de hoogte van de uitkering uit het gemeentefonds gebruiken. </al><al></al><al>Tweede lid</al><al> Artikel 220h, tweede lid, van de Gemeentewet geeft de mogelijkheid dat
                    belastingbedragen tot maximaal C 10 niet ingevorderd behoeven te worden. De
                    gemeente heeft gekozen dit bedrag te hanteren per belastingaanslag of voor alle
                    op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen. Met de tweede volzin wordt
                    bereikt dat het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen
                    als één belastingaanslag wordt aangemerkt. De mogelijkheid hiertoe staat in
                    artikel 220h, tweede lid, van de Gemeentewet. Het totaalbedrag van de op het
                    aanslagbiljet verzamelde belastingaanslagen wordt dan getoetst aan het bedrag
                    zoals dat in het vierde lid is opgenomen. </al><al></al><al>Artikel 6 Wijze van heffing</al><al> In de verordening is gekozen voor een heffing bij wege van aanslag. </al><al></al><al>Artikel 7 Termijnen van betaling </al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geeft een wettelijke regeling over de
                    betaaltermijnen. Op grond van artikel 250 van de Gemeentewet is hiervan in de
                    verordening afgeweken. </al><al></al><al>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Met
                    betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen heeft het college van burgemeester
                    en wethouders geen nadere regels als bedoeld in dit artikel vastgesteld.
                    Beleidsregels Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen heeft het college
                    op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht de volgende
                    beleidsregels vastgesteld.</al><al></al><al> Beleidsregel: Vastgesteld op: Beleidsregels voor het aanwijzen van een
                    Belastingplichtige in een keuzesituatie 2016 22 september 2015 Reglement
                    Automatische Incasso 2016 22 september 2015</al><al></al><al>Artikel 10 Overgangsrecht </al><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                    vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                    verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken, van
                    toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van ingang van
                    de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die belastbare
                    feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is
                    die verordening ingetrokken </al><al></al><al>Artikel 11 Inwerkingtreding</al><al> Het inwerkingtredingartikel in de gemeentelijke belastingverordeningen bestaat
                    uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel regelt de inwerkingtreding, het tweede
                    onderdeel bepaalt de datum van ingang van de heffing. </al><al></al><al>Artikel 12 Citeertitel Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een
                    bepaalde verordening. Pagina</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>