<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR389154_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Hellendoorn 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellendoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-128415.html">Gemeenteblad 2015, 128415</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Hellendoorn 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelII/HoofdstukII/Artikel16">Gemeentewet, art. 16</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-09-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15INT01261</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Hellendoorn 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hellendoorn; </al><al>gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;</al><al>gezien het initiatiefvoorstel van de raadsleden vertegenwoordigd in het
                        presidium van de raad van 21 september 2015; </al><al>Besluit:</al><lijst><li nr="I."><al>in te trekken zijn besluit van 26 juni 2007, nr. 07INT00087, tot
                                vaststelling van het Reglement van orde voor de vergaderingen en
                                andere werkzaamheden van de raad; </al></li><li nr="II."><al> vast te stellen het:</al></li></lijst><al>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad
                        van Hellendoorn 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                    ontwerpverordening of ontwerpbeslissing;</al></li><li nr="-"><al>griffier: griffier van de raad of diens plaatsvervanger;</al></li><li nr="-"><al>initiatiefvoorstel: voorstel van een raadslid voor een
                                    verordening of ander voorstel;</al></li><li nr="-"><al>motie: verklaring waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt
                                    uitgesproken;</al></li><li nr="-"><al>subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een
                                    aanhangig amendement;</al></li><li nr="-"><al>voorzitter: voorzitter van de raad of diens
                                    plaatsvervanger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het beleggen van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="c."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="d."><al>het doen naleven van het reglement van orde;</al></li><li nr="e."><al>het verlenen van het woord, het formuleren van de conclusies
                                    waarover zal worden gestemd en het meedelen van de uitslag van
                                    de stemmingen;</al></li><li nr="f."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder
                                    opdraagt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De griffier</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier is aanwezig in raadsvergaderingen en vergaderingen van
                                het presidium.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                                door de raad aangewezen plaatsvervanger.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen
                                in raadsvergaderingen deelnemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het presidium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter en de
                                fractievoorzitters.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan dat hen bij
                                afwezigheid in het presidium vervangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn
                                vergaderingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie
                                en het functioneren van de raad en de raadscommissies.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het presidium heeft in ieder geval de volgende taken:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorbereiden en vaststellen van voorlopige agenda’s voor
                                        raadsvergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>het vaststellen van de vergadercyclus van de raad en van de
                                        raadscommissies;</al></li><li nr="c."><al>het vaststellen van vergaderingen als bedoeld in artikel 17,
                                        tweede lid, van de Gemeentewet<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een commissie
                                in, bestaande uit drie raadsleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende
                                stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies
                                uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden
                                tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een
                                minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de
                                raadsverkiezingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden
                                op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld
                                in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of
                                verklaring en belofte af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                - in afwijking van het voorgaande - een nieuw benoemd raadslid op
                                voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist
                                om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Benoeming wethouders</titel></kop><al>Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in,
                            bestaande uit drie raadsleden. De commissie onderzoekt of benoeming van
                            de kandidaat voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b,
                            eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet en
                            brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot
                            wethouder. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Fracties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden, die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de
                                fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen
                                aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste
                                raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de
                                raad zal voeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo
                                spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige
                                fractie gaan optreden of als één of meer raadsleden van een fractie
                                zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig
                                mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3
                                van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende
                                raadsvergadering na naamswijziging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Raadsvergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Voorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Oproep en voorlopige agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter zendt ten minste vijf dagen voor een
                                    raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de
                                    voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken, met
                                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                    Gemeentewet bedoelde stukken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een aanvullende agenda als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                    wordt vastgesteld, wordt deze met de daarbij behorende stukken
                                    zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de
                                    raadsvergadering aan de leden gezonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Aanvullende agenda; vaststellen agenda</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van
                                    een schriftelijke oproep een aanvullende voorlopige agenda
                                    opstellen. De daarbij behorende stukken worden openbaar
                                    gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als omtrent de inhoud van stukken op grond van artikel 25,
                                    eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is
                                    opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid
                                    onder berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden
                                    op verzoek inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de
                                    raad vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen
                                    op een voorlopige agenda dienen, worden gelijktijdig met het
                                    verzenden van de schriftelijke oproep in het Huis voor Cultuur
                                    en Bestuur ter inzage gelegd. Als na het verzenden van de
                                    schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt
                                    hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo
                                    mogelijk door middel van openbare kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Stukken, die digitaal beschikbaar zijn, worden op de website van
                                    de gemeente geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                    stukken in afwijking van het eerste en tweede lid onder
                                    berusting van de griffier en verleent deze de raadsleden op
                                    verzoek inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergadering wordt door plaatsing op de gemeentelijke website
                                    openbaar gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige
                                            agenda van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en
                                            de daarbij behorende voorstellen kan inzien.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Ter vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten
                                    van raadsvergaderingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de
                                    presentielijst. Aan het einde van elke raadsvergadering wordt
                                    die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening
                                    vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten
                                    hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Raadsleden mogen in een termijn niet meer dan eenmaal het woord
                                    voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een
                                    amendement, een subamendement, een motie of een
                                    initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de
                                    beraadslaging over het door dat raadslid ingediende.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde
                                    onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet
                                    meegerekend het spreken over een voorstel van orde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad op enig
                                moment besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de
                                beraadslaging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een
                                voorstel van orde betreffende de vergadering doen. Dit kan ook op
                                voorstel van de voorzitter. De raad beslist hier terstond over.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                                overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag
                                toelichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een
                                    onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad
                                    anders beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel
                                    plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te
                                    nemen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Stemming; procedure hoofdelijke stemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is
                                    dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel
                                    zonder stemming is aangenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in
                                    de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in het
                                    verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben
                                    tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet
                                    niet aan de stemming te hebben deelgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt,
                                    doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter de raadsleden bij
                                    naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het
                                    daarvoor bij loting aangewezen raadslid. Vervolgens geschiedt de
                                    oproeping op alfabetische volgorde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij hoofdelijke stemming brengen de ter vergadering aanwezige
                                    raadsleden, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de
                                    Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen, hun stem
                                    uit door 'voor' of 'tegen' uit te spreken, zonder enige
                                    toevoeging.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist,
                                    kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid
                                    heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later,
                                    dan kan deze, nadat de voorzitter de uitslag van de stemming
                                    bekend heeft gemaakt, aantekening vragen van zijn vergissing.
                                    Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee.
                                    Deze doet daarbij tevens mededeling van het genomen
                                    besluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Volgorde stemming over amendementen en moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                    eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het
                                    voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het
                                    subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop
                                    dat betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig
                                    voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en
                                    tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of
                                    subamendement gestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                    wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                    motie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij stemming over personen voor voordrachten of het opstellen
                                    van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter drie
                                    raadsleden tot stembureau.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau
                                    verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig
                                    artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren
                                    te nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                    benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op
                                    voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen
                                    worden samengevat op één briefje.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist
                                    de raad op voorstel van het stembureau.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Verslaglegging; ingekomen stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Digitale geluidsopname en besluitenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raadsvergaderingen worden integraal vastgelegd door middel
                                    van een digitale geluidsopname. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier draagt zorg voor een besluitenlijst van elke
                                    raadsvergadering. De besluitenlijst van een openbare vergadering
                                    wordt in de eerstvolgende openbare vergadering ter vaststelling
                                    aan de raad voorgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vastgestelde besluitenlijsten worden ondertekend door de
                                    voorzitter en griffier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich
                                    daartegen niet verzetten, wordt de besluitenlijst zo spoedig
                                    mogelijk na de raadsvergadering openbaar gemaakt op de in de
                                    gemeente gebruikelijke wijze.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als besluitenlijsten elektronisch beschikbaar zijn, worden ze op
                                    de website van de gemeente geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst, die
                                    aan de raadsleden wordt toegezonden en ter inzage wordt
                                    gelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de vaststelling van het verslag stelt de raad op voorstel van
                                    de griffier de wijze van afdoening van de ingekomen stukken
                                    vast.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Besloten raadsvergaderingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Toepassing reglement op besloten vergaderingen</titel></kop><al>Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige
                                toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter
                                van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Besluitenlijst besloten vergadering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Concept-besluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden
                                    niet verspreid, maar uitsluitend voor de raadsleden ter inzage
                                    gelegd bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een besloten
                                    raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze
                                    vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet
                                    openbaar maken van de vastgestelde besluitenlijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vastgestelde besluitenlijsten worden door de voorzitter en de
                                    griffier ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Als de raad op grond van de artikelen 25, derde en vierde lid, 55,
                                tweede en derde lid, of 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet
                                voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, als het orgaan
                                dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een
                                besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg
                                gevoerd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare
                                    raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde
                                    plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het blijk geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op
                                    andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen, die van een openbare raadsvergadering geluid- of
                                beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de
                                voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Amendementen en subamendementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten
                                van de beraadslaging van het voorstel, waarop deze betrekking
                                hebben, in bij de voorzitter. Dit gebeurt schriftelijk, tenzij de
                                voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen,
                                die ingediend zijn door raadsleden, die de presentielijst getekend
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is
                                mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is
                                afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Moties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de
                                beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen
                                zijn behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming daarover door de raad is afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Initiatiefvoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de
                                voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze voorstellen worden op de agenda van de eerstvolgende
                                raadsvergadering geplaatst, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor
                                reeds verzonden is. In dat geval wordt het voorstel op de agenda van
                                de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Collegevoorstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de
                                voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden
                                ingetrokken zonder toestemming van de raad.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de raad van oordeel is dat een voorstel, als bedoeld in het
                                eerste lid, voor advies terug aan het college dient te worden
                                gezonden, bepaalt de raad binnen welke termijn het voorstel opnieuw
                                wordt geagendeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatie
                                schriftelijk in bij de voorzitter. Het verzoek bevat in ieder geval
                                de te stellen vragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het verzoek ten minste 48 uur voor aanvang van een
                                raadsvergadering is ingediend of in naar het oordeel van de
                                voorzitter spoedeisende gevallen, wordt over het verzoek tijdens de
                                eerstvolgende raadsvergadering gestemd. In andere gevallen tijdens
                                de daaropvolgende raadsvergadering.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De interpellant voert niet vaker dan tweemaal het woord. De overige
                                raadsleden, de burgemeester en de wethouders niet vaker dan eenmaal,
                                tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de
                                burgemeester in bij de griffier. Daarbij wordt aangegeven of er een
                                voorkeur voor schriftelijke of mondelinge beantwoording
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de
                                overige raadsleden en het college of de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de vragen ten minste 48 uur voor aanvang van een
                                raadsvergadering zijn ingediend, vindt mondelinge beantwoording
                                plaats in de eerstvolgende raadsvergadering, tenzij het college of
                                de burgemeester de griffier gemotiveerd in kennis stelt dat dit
                                onmogelijk is, waarbij tevens aangegeven wordt binnen welke termijn
                                beantwoording zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Schriftelijke antwoorden van het college of de burgemeester worden
                                door tussenkomst van de griffier aan de raadsleden toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De vragensteller kan bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering nadere inlichtingen vragen over het door
                                de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de
                                artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet
                                schriftelijk in bij de griffier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter
                                kennis van de overige raadsleden en het college of de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al>In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de
                            toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                            voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde voor de
                            vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van Hellendoorn
                            2015.</al><al/><al>III. te bepalen dat dit besluit in werking treedt op de dag, volgend op
                            die van zijn bekendmaking.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat het langstzittende raadslid
                    het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in
                    jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                    altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester
                    heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan
                    de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de
                    handhaving van de orde in de vergadering.</al><tussenkop>Artikel 2 De voorzitter</tussenkop><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft
                    dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende
                    raadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van
                    de burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudste in
                    jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                    altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. De burgemeester
                    heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan
                    de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de
                    handhaving van de orde in de vergadering. </al><tussenkop>Artikel 3 De griffier</tussenkop><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 van de Gemeentewet).
                    De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de
                    raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De
                    Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d,
                    eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband
                    met artikel 22 van de Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een
                    bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de
                    beraadslaging. </al><tussenkop>Artikel 4 Het presidium</tussenkop><al>Het presidium heeft voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan
                    de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). </al><al>In artikel 4 is als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen
                    doet aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en zijn
                    commissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een aanpassing van het
                    reglement van orde, het instrueren van de griffier en het bespreken van
                    agenda-technische zaken.</al><al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even zwaar
                    weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch
                    stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de
                    raadsvergaderingen vergroten.</al><al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig (artikel 3,
                    eerste lid), omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet
                    weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De
                    aanwezigheid van de secretaris kan ook gewenst zijn, omdat de secretaris
                    aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die
                    worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Overeenkomstig artikel 4,
                    derde lid kan de secretaris worden uitgenodigd. </al><al>Het presidium vervult een belangrijke (coördinerende) rol bij de agendering van
                    zaken in de raad. Het presidium heeft het overzicht van alle onderwerpen waar de
                    raad zich mee bezig houdt en zorgt voor de planning. In veel gemeenten wordt
                    gewerkt met jaaroverzichten waarbij specifieke vergaderingen lang van te voren
                    bekend zijn. Denk hierbij aan de begroting en jaarrekening. In het geval een
                    gemeente deelneemt in een gemeenschappelijke regeling zal in deze regeling zijn
                    opgenomen hoe de raad geïnformeerd wordt door de vertegenwoordiger van de
                    gemeente in de gemeenschappelijke regeling (artikelen 16 en 18 van de Wet
                    gemeenschappelijke regelingen). Van belang is dat het presidium de
                    vergadercyclus van deze besturen kent. Het kan nodig zijn dat de raad
                    voorafgaand aan een vergadering van het bestuur van de gemeenschappelijke
                    regeling de gemeentelijke vertegenwoordiger informatie of opvattingen wil
                    meegeven. Ook de begrotingscyclus van de gemeenschappelijke regeling is relevant
                    voor het presidium, zodat de raad tijdig noodzakelijke informatie kan leveren. </al><al>Naast gemeenschappelijke regelingen kan een gemeente ook vertegenwoordigd zijn
                    in andere organisaties (stichtingen, vennootschappen). Ook deze vergadercycli
                    kunnen voor het presidium aanleiding zijn om deze te agenderen voor een
                    raadsvergadering, zodat er informatie uitgewisseld kan worden tussen de
                    vertegenwoordiger van de gemeente en de raad.</al><al>Het is aan het presidium om de planning in te vullen maar ook om deze te
                    bewaken. </al><al>Het presidium stelt de agenda's van de raad voorlopig vast. De definitieve
                    vaststelling van de agenda van de raad geschiedt bij de aanvang van de
                    betreffende vergadering.</al><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. </al><al>Artikel 4, vijfde lid brengt tot uitdrukking dat het presidium de voorlopige
                    agenda’s van de raadsvergaderingen vaststelt. Op deze wijze houdt het presidium
                    ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden,
                    invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen
                    van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de
                    raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                    functie.</al><tussenkop>Artikel 5 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden</tussenkop><tussenkop>Vooraf</tussenkop><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt, worden aan
                    de raad stukken overgelegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen
                    om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittreksel uit de basisregistratie personen met zijn woonplaats, geboorteplaats
                    en -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet
                    aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de Gemeentewet (artikel V 3 van
                    de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare
                    vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15,
                    derde lid, van de Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer
                    bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie
                    welke de geloofsbrieven onderzoekt, brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling
                    als schriftelijk.</al><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht,
                    nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de
                    verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak
                    voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen.
                    Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van
                    de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al>Dit lid ziet toe op de specifieke taak die de raad heeft na de
                    raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het
                    geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het
                    verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het
                    vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op basis
                    van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van
                    dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de
                    vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang, omdat de raad de
                    bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de
                    bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van
                    de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de
                    aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete
                    aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot een dergelijk besluit over gaat. Het
                    feit dat een fractie een klein aantal (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een
                    extra zetel te behalen is geen valide motivering om tot hertelling over te gaan.
                    Een proces-verbaal waaruit blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de
                    onzorgvuldige wijze, waarop het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld,
                    kan dit wel zijn.</al><tussenkop>Vierde en vijfde lid</tussenkop><al>Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte, die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 6 Benoeming wethouders</tussenkop><al>Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan
                    een wethouder, maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen
                    voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het
                    raadslidmaatschap (Gemeentewet artikelen 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de
                    hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek
                    naar de geloofsbrieven in te stellen. Dit artikel is ook van toepassing als er
                    geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatiliteiten
                    en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.</al><al>Bij de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. De
                    gedragscode politieke ambtsdragers speelt hierbij een rol. Daarnaast kan een
                    verklaring omtrent het gedrag (VOG) worden gevraagd. De raad kan aangeven, dat
                    hij deze procedure wil volgen bij de benoeming van wethouders. De VOG kent een
                    screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers. Bij dit profiel staat de
                    integriteit van de aspirant-bestuurder centraal. Het is mogelijk om deze VOG via
                    een spoedprocedure uit te laten voeren.</al><al>Een raadslid, dat benoemd wordt tot wethouder, mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van
                    de Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van
                    één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een
                    nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een risico.
                    Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of
                    dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><tussenkop>Artikel 7 Fracties</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In de Gemeentewet
                    in artikel 33, tweede lid, wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad
                    vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). Bij de aanvang
                    van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen worden de leden die
                    op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. Is onder een
                    lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                    fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de
                    aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de
                    relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de
                    burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven
                    de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de
                    eerste vergadering de aanduiding mee.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen, dat leden de raad
                    verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling
                    van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de
                    voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet
                    opzegt, maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan
                    of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn
                    mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke)
                    wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een
                    raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling
                    opgenomen.</al><al>Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke
                    titel worden verkozen en benoemd (dit laatste door de voorzitter van het
                    stembureau). Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet,
                    waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De
                    volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet
                    gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens
                    bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de
                    individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.
                    De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van
                    fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.</al><al>Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan ook
                    niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die
                    daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of
                    zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                    veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen
                    heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en
                    splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit
                    over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad
                    is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling
                    is gedaan, rekening te houden met de nieuwe situatie.</al><al>Dit betekent ook dat:</al><lijst><li nr="-"><al>kandidaten, die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die
                            lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak
                            maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van
                            aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat
                            dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met de Gemeentewet en
                            de Kieswet;</al></li><li nr="-"><al>personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap
                            niet verliezen;</al></li><li nr="-"><al>als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de
                            verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te
                            weren.</al></li></lijst><al>Fractieafplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kunnen diverse
                    praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en
                    –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het
                    presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in
                    raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door
                    burgerraadsleden.</al><al>Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft
                    afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk
                    was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit
                    artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de nieuwe
                    fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit ook gebeuren.
                    Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan hoofdstuk G van de
                    Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze registratie wordt
                    geweigerd. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Raadsvergaderingen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Voorbereiding</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Oproep en voorlopige agenda</tussenkop><al>In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de voorzitter een vastgesteld aantal
                    dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep stuurt, waarin de
                    vergadering wordt aangekondigd. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit
                    wenst, de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen. De
                    oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het eerste lid
                    stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet
                    bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De
                    in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien
                    waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. </al><tussenkop>Artikel 9 Aanvullende agenda; vaststellen agenda</tussenkop><al>Het presidium bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het versturen van de
                    agenda en stukken is geregeld in artikel 9. Dit is echter een voorlopige agenda.
                    In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om
                    ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de
                    actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van
                    de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. </al><al>Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de
                    opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun
                    fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen.
                    Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een
                    voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te
                    voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten
                    invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.</al><al>Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het
                    doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen
                    staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 10 Ter inzage leggen van stukken</tussenkop><al>Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom
                    worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep
                    ter inzage aangeboden.</al><al>Naast de fysieke terinzagelegging op het stadhuis, zullen de stukken doorgaans
                    op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal
                    raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite. </al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    verslag, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de Wob. </al><al>Onder de stukken als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden verstaan:
                    geheime stukken en de achterliggende stukken waarvan in raadsvoorstellen melding
                    wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.). </al><al>Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige
                    geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan
                    de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden
                    overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak
                    gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom
                    worden stukken, die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de
                    raadsvergadering en die geheim moeten blijven, bij hem ter inzage gelegd. Op
                    verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verlenen.</al><tussenkop>Artikel 11 Openbare kennisgeving</tussenkop><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch
                    plaatsvindt, dan dient er een wettelijke grondslag te zijn, zie artikel 3:12
                    juncto artikel 2:14, tweede lid van de Awb.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Ter vergadering</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Presentielijst</tussenkop><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De
                    handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat
                    het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast
                    te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de
                    voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen
                    dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. </al><tussenkop>Artikel 13 Aantal spreektermijnen</tussenkop><al>Indien de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                    nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat
                    de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                    veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng
                    van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een
                    verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte
                    reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,
                    maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp (artikel 29).</al><tussenkop>Artikel 14 Deelname aan de beraadslaging door anderen</tussenkop><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de
                    Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de
                    raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de
                    beraadslaging mag deelnemen.</al><al>De raad kan op grond van artikel 3 bepalen, dat de griffier deelneemt aan de
                    beraadslagingen. De burgemeester en de wethouder(s) hebben het recht (het woord
                    te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21,
                    eerste en tweede, lid van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 15 Voorstellen van orde</tussenkop><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van
                    toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de
                    vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel,
                    dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30). </al><tussenkop>Paragraaf 3 Stemmingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16 Stemverklaring</tussenkop><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen
                    worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming
                    begint.</al><tussenkop>Artikel 17 Beslissing</tussenkop><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 18 Stemming; procedure hoofdelijke stemming</tussenkop><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                    stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling
                    van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan
                    wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt
                    hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, welke een
                    hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van
                    artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht
                    stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar.
                    Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. </al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1)
                    is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de
                    Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) wel
                    geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb,
                    omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar
                    aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen
                    voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.</al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel, neergelegd in artikel
                    2:4 van de Awb, voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is
                    bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige
                    minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties:</al><al>"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen
                    dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een
                    bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een
                    spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad
                    kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te
                    bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                    belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                    bijvoorbeeld opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in
                    juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."</al><al>Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:</al><lijst><li nr="-"><al>In ABRvS 30 juni 2010, <cursief>LJN</cursief> BM9710LJN BM9710,
                                <cursief>AB</cursief> 2010/310AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat
                            in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang
                            hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het
                            bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was
                            vastgesteld. Zelfs indien zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden
                            een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen
                            beslissende stem in de uitkomst gehad;</al></li><li nr="-"><al>In ABRvS 22 juni 2011, <cursief>LJN</cursief> BQ8863LJN BQ8863,
                                <cursief>AB</cursief> 2011/261AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat
                            een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een
                            persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor
                            dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld
                            met art. 2:4artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt
                            dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming.
                            Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de
                            raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een
                            aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot
                            gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte
                            van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van
                            belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen
                            een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van
                            de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van
                            belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven, dat het raadslid
                            niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad, leidt
                            niet tot een ander oordeel. Omdat, gelet op het feit dat het raadslid
                            veelvuldig het woord heeft gevoerd, niet kan worden gesteld dat niet de
                            schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;</al></li><li nr="-"><al>In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796LJN BZ0796 preciseert de ABRvS haar
                            hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de
                            uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van
                            een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat
                            besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een
                            raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van art. 1:2artikel 1:2
                            van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De ABRvS
                            overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming
                            door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke
                            inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de
                            invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in art. 2:4 lid 2artikel
                            2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij art. 28 lid
                            1artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling
                            dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van
                            een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit
                            artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee
                            haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen
                            niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen
                            bestuursorgaan, zoals de gemeenteraad, en die bij een besluit
                            belanghebbende is als bedoeld in art. 1:2 lid 1artikel 1:2, eerste lid,
                            van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de
                            besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele
                            rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het
                            democratisch proces.</al></li></lijst><al>De ABRvS heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het
                    voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen
                    voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een
                    raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij
                    daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet
                    verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar
                    deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe
                    leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende
                    besluit is genomen in strijd met art. 2:4artikel 2:4 van de Awb. De conclusie
                    dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft
                    genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het
                    betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed. </al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden, waarbij de
                    openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt
                    aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt
                    meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond
                    van de Gemeentewet. </al><al>In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming.
                    Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan
                    het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                    vergadering. </al><tussenkop>Artikel 19 Volgorde stemming over amendementen en moties</tussenkop><al>Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen
                    een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de
                    stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging
                    van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen,
                    nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie
                    over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid
                    niet van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 20 Stemming over personen</tussenkop><al>Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over
                    personen geheim dient te zijn. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen
                    te werken, maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door
                    middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet
                    aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19
                    403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen
                    rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld
                    stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een
                    stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld
                    stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.</al><al>Indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder, is er sprake
                    van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd
                    wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot
                    benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie
                    de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28,
                    eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is echter in casu
                    niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard
                    van de stemming is derhalve van belang. </al><al>Dit heeft tot gevolg, dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje
                    de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de
                    voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit geval geen
                    sprake van een voordracht of een anderzins beperkte keuze en aan de stemming mag
                    derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn
                    voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen
                    naam invullen.</al><al>De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad
                    te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de
                    kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende
                    argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:</al><lijst><li nr="-"><al>een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op
                            stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Jansen en meneer
                            Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben
                            en niet mee mogen stemmen, houdt dit in, dat de partij ineens twee
                            stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van
                            de politieke verhoudingen;</al></li><li nr="-"><al>een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak
                            over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet
                            gelijk aan een voordracht;</al></li></lijst><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt
                    aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                    belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                    meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend
                    moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
                    volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen
                    afweging te maken. </al><tussenkop>Paragraaf 4 Verslaglegging; ingekomen stukken</tussenkop><tussenkop>Artikel 21 Digitale geluidsopname en besluitenlijst</tussenkop><al>Dit artikel regelt de wijze waarop de besluitenlijst wordt vastgesteld. </al><al>Het maken van een verslag is niet verplicht. Andere vormen van verslaglegging
                    zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering op CD,
                    met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en
                    een besluitenlijst. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de
                    verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van
                    de Gemeentewet). </al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                    griffier aangewezen om de besluitenlijst op te stellen en deze, tezamen met de
                    voorzitter, te ondertekenen. </al><al>De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn te worden gepubliceerd. Dit
                    kan voordat de besluitenlijst is vastgesteld, aangezien de besluitenlijst
                    'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus
                    niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om
                    een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat de besluitenlijst ook op
                    de gemeentelijke website toegankelijk wordt gemaakt. Dit wordt weergegeven in
                    het vijfde lid.</al><tussenkop>Artikel 22 Ingekomen stukken </tussenkop><al>Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en
                    besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen,
                    afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen
                    naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter
                    buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke
                    discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden
                    voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in
                    principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen
                    stuk. De raad stelt op voorstel van de griffier de wijze van afdoening van de
                    ingekomen stukken vast. </al><tussenkop>Paragraaf 5 Besloten raadsvergaderingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 23 Toepassing reglement op besloten vergaderingen </tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag.</al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken, die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde, zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het
                    sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><tussenkop>Artikel 24 Besluitenlijst besloten vergadering</tussenkop><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over de besluitenlijst van de
                    raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor de besluitenlijst van
                    een besloten vergadering. Deze besluitenlijst ligt ter inzage bij de
                    griffier.</al><tussenkop>Artikel 25 Opheffing geheimhouding</tussenkop><al>In de in het artikel aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid
                    geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan
                    hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86,
                    tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                    geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de
                    raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken
                    de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is).
                    In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen
                    waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan
                    geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een
                    commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de
                    raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                    overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                    eerstvolgende vergadering, die volgens de presentielijst door meer dan de helft
                    van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.</al><tussenkop>Paragraaf 6 Toehoorders en pers</tussenkop><tussenkop>Artikel 26 Toehoorders en pers</tussenkop><al>De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde
                    aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid
                    om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in
                    hun gedrag de toegang te ontzeggen.</al><tussenkop>Artikel 27 Geluid- en beeldregistraties</tussenkop><al>Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio-
                    en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het
                    geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening te worden
                    gehouden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben
                    een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek
                    slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een
                    aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard
                    in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met
                    beeldregistraties.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Bevoegdheden, instrumenten raadsleden</tussenkop><tussenkop>Artikel 28 Amendementen en subamendementen</tussenkop><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht
                    een amendement te behandelen.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een
                    amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn op dit
                    amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een
                    (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig
                    is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee
                    termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                    beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn
                    (artikel 13).</al><al>Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn
                    (sub)amendement. Dit, omdat doorgaans een (sub)amendement wordt toegelicht door
                    de indiener. Daarom is bepaald, dat er alleen wordt beraadslaagd over
                    amendementen en subamendementen, die ingediend zijn door raadsleden die de
                    presentielijst getekend hebben. </al><tussenkop>Artikel 29 Moties</tussenkop><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                    gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan
                    om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard),
                    het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of
                    om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat
                    op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke
                    betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie
                    gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen
                    van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en
                    college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. </al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt
                    dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over
                    een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in
                    afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het
                    onderwerp waarop de motie betrekking heeft. </al><al>Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt
                    aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in
                    artikel 30 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt
                    versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de
                    raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te
                    beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief
                    gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid
                    zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om
                    zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een
                    effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.</al><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie
                    van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te
                    hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie
                    van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie
                    te ondernemen.</al><tussenkop>Artikel 30 Initiatiefvoorstel</tussenkop><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar
                    raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter
                    behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief
                    toegekend.</al><al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en
                    derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een
                    initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en
                    behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven.</al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor
                    dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk
                    dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik
                    daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat
                    ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de
                    raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld
                    actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire
                    functie.</al><al>De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen
                    en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor
                    een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt
                    door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (artikel 147a,
                    eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad
                    moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige
                    initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een
                    verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan
                    individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden
                    opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij
                    kan worden gedacht aan het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de
                    uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid). </al><al>Het tweede lid houdt in, dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                    mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter
                    niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid
                    onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 9, derde lid, het
                    initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Het is aan de raad om
                    vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld nu het
                    op de agenda staat. </al><tussenkop>Artikel 31 Collegevoorstel</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de
                    enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel, dat het
                    college heeft voorbereid, kan agenderen. Als het college het voorstel heeft
                    voorbereid, betekent dit niet dat het college dat voorstel kan intrekken indien
                    het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet
                    wenselijk is (bijvoorbeeld omdat het college het voorstel wil wijzigen). De raad
                    moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een
                    verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor
                    advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken
                    het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De
                    raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel,
                    dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan
                    dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het
                    presidium overlaten.</al><tussenkop>Artikel 32 Interpellatie</tussenkop><al>Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoor-diger om tijdens een vergadering
                    over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de
                    burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier
                    gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig
                    minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks
                    fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te
                    ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een
                    raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. Hij was hier
                    echter geen voorstander van. Voor de democratie leek het hem goed om de regels
                    van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in, dat de toestemming ven een
                    betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een
                    gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van
                    belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden
                    gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid
                    wordt hiervoor gezorgd. </al><al>Op www.gemeenteraad.nl is een omschrijving te vinden van wat een interpellatie
                    is: “De interpellatie, vaak gehouden in de vorm van een debat, is een zwaar,
                    maar geschikt middel om informatie te krijgen van (een lid van) het college over
                    een politiek, actueel en gevoelig onderwerp. De interpellatie moet niet worden
                    vergeleken met de interruptie. Laatstgenoemde is ‘slechts’ een korte,
                    inhoudelijke onderbreking tijdens het betoog van een raadslid. Het recht van
                    interpellatie verschilt met het mondelinge vragenrecht. Tijdens een
                    interpellatie mogen moties ingediend worden; iets wat bij het mondelinge
                    vragenrecht niet mag. In theorie kan tegen een lid van het college dus tijdens
                    een interpellatiedebat een motie van wantrouwen ingediend worden. Voor het
                    houden van een interpellatiedebat is verlof van de raad nodig, dat wil zeggen
                    dat een meerderheid van de raad er mee instemt om er een debat aan te wijden.
                    Het is een goed gebruik om altijd medewerking te verlenen aan een interpellatie,
                    ook als een fractie het niet eens is met de gewenste uitkomst van de aanvragende
                    partij. Per onderwerp zal afgewogen moeten worden of het iets is voor een
                    interpellatie of dat het onderwerp kan worden afgedaan met een mondelinge vraag.
                    Om de interpellatie krachtig te houden, is het raadzaam spaarzaam om te gaan met
                    de inzet van een interpellatie.” </al><tussenkop>Artikel 33 Schriftelijke vragen</tussenkop><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op
                    grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                    verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld
                    nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord
                    heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de
                    vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief
                    of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda
                    van de raad te krijgen.</al><tussenkop>Artikel 34 Inlichtingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de
                    Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van
                    het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke
                    verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid
                    van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve
                    inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet.
                    Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad
                    gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen
                    verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele
                    raadsleden. Daarmee is een waarborg in het leven geroepen dat een
                    raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het
                    vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad
                    via het Reglement van orde op grond van doelmatigheidsover-wegingen een zekere
                    ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend.
                    De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond
                    ‘strijd met het openbaar belang’ is wettelijk objectief (‘is’) en algemeen
                    omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als
                    een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt. In de
                    praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en
                    college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van
                    stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden
                    opgeheven. Vervolgens kent de gedualiseerde Gemeentewet thans een algemene
                    actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit
                    eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft
                    voor de uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan
                    welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen
                    grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de
                    aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college
                    daarover geen afspraken maken, is de kans groot dat het college de raad
                    veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht
                    en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het
                    monistische tijdperk. Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een
                    tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid,
                    verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen
                    uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in
                    artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan
                    ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom
                    verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in
                    de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
                    Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is
                    ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden
                    in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog
                    gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten.
                    Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere
                    vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de
                    weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de
                    artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. </al><al>Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven
                    gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de
                    rechter worden afgedwongen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 35 Uitleg reglement</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 36 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>