<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>388953_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2016 1e wijziging</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zuidplas</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-22</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>1e wijziging van de verordening forensenbelasting 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2016-11-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>a16.001249</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting
                            2016</vet></al><al>De raad van de gemeente Zuidplas;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22
                        september 2015;</al><al>gelet op artikel 223 van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al> Verordening op de heffing en invord ering van forensenbelasting 2016 </al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de
                        Gemeentewet;</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting geheven
                            van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te
                            hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun
                            gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de
                            omstandigheden beoordeeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een wijziging in de gebruiksituatie in de loop van het belastingjaar
                            levert geen tweede aanslag forensenbelasting op voor dezelfde woning als
                            er reeds een belastingplichtige terecht in de heffing van de
                            forensenbelasting is betrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een
                        openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een
                        vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt,
                        dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn
                        hoofdverblijf vertoeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt geheven per woning, per belastingjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarief </titel></kop><al>Het tarief van de belasting bedraagt per belastingjaar, per woning voor 2017
                        € 176,70</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al>De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer
                        dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in
                        artikel 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden na de eerste vervaldag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                            afgeschreven, dat de aanslagen kunnen worden betaald in 10 gelijke
                            termijnen. De voorwaarden waaronder zijn beschreven in het "Reglement
                            voor automatische incasso gemeentebelastingen 2015". Dit reglement is op
                            23 september 2014 door het college van burgemeester en wethouders
                            vastgesteld.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding
                        verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                        invordering van de forensenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De Verordening forensenbelasting 2015, vastgesteld op 4 november 2014, wordt
                        ingetrokken met ingang van 1 januari 2016, met dien verstande dat zij van
                        toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2016
                        hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2016. De datum
                        van ingang van de heffing is eveneens 1 januari 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening forensenbelasting
                        2016.</al><al></al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 3 november
                        2015.</al><al>De raad voornoemd,</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>P.van Vugt K.J.G. Kats</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>A Algemeen</vet></al><al><vet>1 Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening forensenbelasting is gebaseerd op artikel 223 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Omdat sprake is van een belasting, hoeft er tegenover het heffen van de
                    forensenbelasting geen individuele tegenprestatie of kostenpost te staan van de
                    gemeente. Het vereiste van maximaal 100% kostendekkendheid, zoals dat van
                    toepassing is bij de legesheffing, geldt hier niet. De opbrengst vloeit in de
                    algemene middelen en de gemeente kan die aanwenden naar eigen inzicht. De
                    forensenbelasting wordt dan ook primair als een algemeen dekkingsmiddel
                    opgevat.</al><al>Eén van de factoren op grond waarvan de hoogte van de uitkering uit het
                    Gemeentefonds voor een gemeente wordt berekend, is het aantal inwoners. Forensen
                    zijn echter geen inwoner van de gemeente waar ze als forens verblijven, maar
                    profiteren wel van de door de gemeente aangebrachte en bekostigde voorzieningen.
                    Het ‘gemis’ aan inkomsten kan de gemeente (deels) compenseren door het heffen
                    van een forensenbelasting. Deze gedachte als rechtsgrond voor de
                    forensenbelasting geldt nog steeds, ook al is de uitkering uit het gemeentefonds
                    gekoppeld aan circa 60 kostenveroorzakende factoren binnen de gemeente.
                    Bijvoorbeeld het aantal inwoners, het aantal woonruimten, de bodemgesteldheid,
                    wel of geen centrumfunctie, etc.</al><al><vet>B Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van het in de verordening
                    voorkomende begrip 'woning' is een omschrijving opgenomen in artikel 1. Onder
                    woning wordt verstaan een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de
                    Gemeentewet. Over de vraag wat moet worden verstaan onder een gemeubileerde
                    woning is veel jurisprudentie ontstaan. Van belang zijn de bestemming en de
                    geschiktheid voor bewoning. De vraag moet worden beantwoord of de gemeubileerde
                    woning op zich zelf beschouwd zowel bestemd als geschikt is om enigszins
                    duurzaam voor menselijke bewoning te dienen (HR 19 december 1962, nr. 14 905,
                    BNB 1963/95 en Hof Leeuwarden 16 september 1974, nr. 248/74, BNB 1975/106). Voor
                    het duurzaam dienen voor bewoning wordt wel gekeken naar de aanwezige
                    voorzieningen zoals de aansluiting op nutsvoorzieningen en riolering, en de
                    aanwezigheid van verwarming, kookgelegenheid en wasgelegenheid. Het ontbreken
                    van aantal van deze voorzieningen is echter niet altijd doorslaggevend (Hof
                    Arnhem 16 mei 1989, nr. 5/1989 E II, Belastingblad 1989, blz. 418 en Hof
                    Amsterdam 14 juni 1990, nr. 3900/90, Belastingblad 1993, blz. 710).</al><al>De gemeubileerde woning hoeft geen woning te zijn in de zin van de Woningwet.
                    Een stacaravan kan ook een gemeubileerde woning zijn (HR 12 januari 1972, nr. 16
                    560, BNB 1972/41 en HR 4 maart 1987, nr. 24 399, BNB 1987/117, Belastingblad
                    1987, blz. 315). Ook een woonschip kan een gemeubileerde woning zijn (HR 2 maart
                    1994, nr. 29 642, BNB 1994/115, Belastingblad 1994, blz. 52, Hof Arnhem 17 juni
                    1994, nr. 940535, Belastingblad 1995, blz. 138, en Hof Leeuwarden 10 februari
                    2006, nr. BK 589/04, Belastingblad 2006, blz. 353).</al><al>Er zijn echter ook stacaravans en toercaravans die niet beschikken over de meest
                    elementaire voorzieningen voor duurzame bewoning. In dat geval is er geen sprake
                    van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet (Hof
                    's-Gravenhage 23 oktober 1973, nr 16/1973, BNB 1974/213, Hof Leeuwarden 24
                    december 1982, nr. 1260/81, BNB 1984/149, Belastingblad 1984, blz. 199, Hof
                    Amsterdam 12 maart 1984, nr 46/33, Belastingblad 1985, blz. 599, Hof Amsterdam
                    21 oktober 1986, nr 1760/85, Belastingblad 1987, blz. 545, Hof Arnhem 21 maart
                    1989, nr 1492/1988, Belastingblad 1989, blz. 578, Hof 's-Gravenhage 11 mei 1989,
                    nr. 4859/87, Belastingblad 1989, blz. 619).</al><al>Het is niet toegestaan om stacaravans uit doelmatigheidsoverwegingen buiten de
                    heffing te laten. Voor het achterhalen van stacaravans die als gemeubileerde
                    woning zijn aan te merken, is weliswaar een omvangrijk onderzoek nodig, maar dit
                    onderzoek is eenmalig. Aan gemeenten staan volgens de belastingrechter voldoende
                    middelen ten dienste om de medewerking van vakantieparken af te dwingen
                    (verwijzingsprocedure Hof Leeuwarden, 12 augustus 1994, nr. 240/94, nog niet
                    gepubliceerd, na Hoge Raad, 9 februari 1994, nr. 29 504, Belastingblad 1994,
                    blz. 373).</al><al>Van een gemeubileerde woning, die uitsluitend wordt gebruikt om voor verhuur
                    gereed te maken en te houden, kan niet gezegd worden dat deze door de eigenaar
                    beschikbaar wordt gehouden voor zich of zijn gezin. Indien echter een
                    gemeubileerde woning weliswaar is bestemd voor verhuur maar ook in enige mate
                    door de eigenaar zelf wordt gebruikt, anders dan nodig is om deze voor verhuur
                    gereed te maken en te houden, moet worden aangenomen dat die woning door de
                    eigenaar voor zich of zijn gezin beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte
                    van het jaar dat eigen gebruik niet in verband met verhuur is uitgesloten (HR 24
                    juli 1995, nr. 30 470, Belastingblad 1995, blz. 618).</al><al>Ook het beschikbaar stellen van de woning aan kennissen is gebruik dat zodanig
                    is verbonden met de privésfeer dat het is aan te merken als het voor zich
                    beschikbaar houden (Hof Amsterdam, 20 januari 2003, nr. 02/02853, LJN: AF
                    3407).</al><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht</vet></al><al>Er is zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van artikel 223 van de
                    Gemeentewet. Dat artikel biedt de mogelijkheid tot het heffen van een
                    slaapforensenbelasting en een woonforensenbelasting. In de verordening heeft
                    alleen de woonforensenbelasting een plaats gekregen. Toch is in deze verordening
                    gekozen voor de naam 'forensenbelasting'. Artikel 223 kent namelijk geen
                    onderscheid en bevat alleen het begrip 'forensenbelasting'. Gemeenten kunnen
                    onroerende gemeubileerde woningen zowel in de forensenbelasting als in de
                    onroerende-zaakbelastingen aanslaan. De Hoge Raad heeft dit in 2001 bevestigd:
                    er is geen strijd met enige wettelijke bepaling of discriminatieverbod als beide
                    heffingen naast elkaar worden geheven (HR 9 november 2001, nr. 36.111, LJN:
                    AD5329). Ook samenloop met de toeristenbelasting is toegestaan (Hof Arnhem,
                    22-10-2008, nr. 07/04060, LJN: BG1754). De gemeente Zuidplas heeft echter deze
                    samenloop in de verordening toeristenbelasting uitgesloten. </al><al>Belastingplichtig kunnen slechts zijn natuurlijke personen die in de gemeente
                    geen hoofdverblijf hebben. Of er al dan niet sprake is van het hebben van
                    hoofdverblijf moet worden beoordeeld naar de omstandigheden (artikel 223, derde
                    lid, van de Gemeentewet). De inschrijving in de Basisregistratie personen kan
                    een omstandigheid zijn, maar doorslaggevend is deze niet (HR 9 mei 1984, nr 22
                    373, BNB 1984/175, Belastingblad 1984, blz. 371). Zie voor van belang zijnde
                    omstandigheden Hof Leeuwarden 14 mei 2004, nr 296/03, LJN: AO9762,
                    Belastingblad, 2004, blz. 760, Hof Amsterdam 2 december 1992, nr. 92/1085,
                    Belastingblad 1993, blz. 342 en Hof 's-Gravenhage 26 februari 1992, nr. 91/0638,
                    Belastingblad 1992, blz. 492.</al><al>Indien de gemeente bij het aanwijzen van degene die voor zich of hun gezin een
                    gemeubileerde woning beschikbaar houdt de keuze heeft, handelt het college van
                    burgemeester en wethouders, op grond van de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur, bij die keuze op basis van een beleid dat is neergelegd in
                    “beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een
                    keuzesituatie”, zoals vastgesteld door het college van burgemeester en
                    wethouders op 19 januari 2010 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van het
                    college van burgemeester en wethouders van 22 september 2015.</al><al>Het is noodzakelijk om alle natuurlijke personen die aan het belastbaar feit
                    voldoen in de heffing worden betrokken. Dit is een gevolg van het arrest van de
                    Hoge Raad 4 juli 1989, nr. 26 141, Belastingblad 1989, blz. 576. Dit betekent
                    bijvoorbeeld dat bij mede-eigendom van meer dan vier eigenaren nagegaan zal
                    moeten worden hoe de desbetreffende overeenkomst luidt om te constateren of een
                    belastbaar feit heeft plaats gevonden.</al><al><vet>Artikel 3 Vrijstellingen</vet></al><al>Het betreft hier de verplichte vrijstelling zoals die in het tweede lid van
                    artikel 223 van de Gemeentewet is opgenomen.</al><al><vet>Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief</vet></al><al>Vanaf 1 januari 1995 bepaalt artikel 219, tweede lid, de toegestane
                    heffingsmaatstaven. Dit betekent dat bij de forensenbelasting alle
                    heffingsmaatstaven zijn toegestaan behalve die naar inkomen, winst of
                    vermogen.</al><al>De forensenbelasting is geen bestemmingsheffing. Aan de hoogte van de tarieven
                    zijn geen beperkingen gesteld.</al><al><vet>Artikel 5 Belastingjaar</vet></al><al>In artikel 6 is bepaald dat het belastingjaar gelijk loopt met het
                    kalenderjaar.</al><al><vet>Artikel 6 Wijze van heffing</vet></al><al>In de verordening is gekozen voor heffing bij wege van aanslag.</al><al><vet>Artikel 7 Termijnen van betaling</vet></al><al>Artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geeft een wettelijke regeling over de
                    betaaltermijnen. Op grond van artikel 250 van de Gemeentewet is hiervan in de
                    verordening van afgeweken.</al><al><vet>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en
                        wethouders</vet></al><al>Met betrekking tot de forensenbelasting heeft het college van burgemeester en
                    wethouders geen nadere regels als bedoeld in dit artikel vastgesteld.</al><al><vet> Beleidsregels </vet></al><al>Met betrekking tot de forensenbelasting heeft het college van burgemeester en
                    wethouders op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht de
                    volgende beleidsregels vastgesteld.</al><al><vet> Beleidsregel | Vastgesteld op </vet></al><al>Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie
                    2016 | 22 september 2015 </al><al>Reglement Automatische Incasso 2016 | 22 september 2015 </al><al><vet>Artikel 9 Overgangsrecht</vet></al><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                    vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                    verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken, van
                    toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van ingang van
                    de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die belastbare
                    feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude verordening, ook al is
                    die verordening ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding</vet></al><al>Het inwerkingtredingartikel in de gemeentelijke belastingverordeningen bestaat
                    uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel regelt de inwerkingtreding, het tweede
                    lid bepaalt de datum van ingang van de heffing. </al><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>