<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR388943_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:RegionaalSamenwerkingsorgaan">Regionale uitvoeringsdienst Zeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zeeland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Middelburg</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hulst</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veere</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Borsele</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Noord-Beveland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Reimerswaal</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Kapelle</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tholen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schouwen-Duiveland</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sluis</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Scheldestromen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/">Elektronisch publicatieblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanRegionaalSamenwerkingsorgaan">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>de in het Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden overeengekomen wijzigingen tot en met de 45ste wijziging van 2 april 2015</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>AANHEF EN PREAMBULE</al>
          <al/>
          <al>Overwegende:</al>
          <lijst>
            <li nr="-&gt;"><al>dat de provincies hebben besloten de regelingen inzake bezoldiging,
                                verlof en overige onderdelen van de rechtspositie te harmoniseren en
                                te vernieuwen, een en ander voor zo- ver deze aangelegenheden met
                                het oog op de bedrijfsvoering niet in elke provincie afzon- derlijk
                                zullen worden geregeld;</al></li>
            <li nr="-&gt;"><al>dat de provincies daartoe in het SPA-akkoord 1997/1999 met de
                                vakorganisaties van over- heidspersoneel zijn overeengekomen
                                afspraken te maken over een uniforme, transparante en vereenvoudigde
                                collectieve arbeidsvoorwaardenregeling op hoofdlijnen voor de
                                provin- cies die ruimte biedt voor een eigen lokale inkleuring en
                                waarin een nieuw evenwicht is te vinden tussen rechtsbescherming en
                                rechtszekerheid enerzijds en flexibiliteit en slagvaar- digheid van
                                de organisatie anderzijds;</al></li>
            <li nr="-&gt;"><al>dat in het kader van het SPA-akkoord per 1 januari 2000
                                overeenstemming is bereikt over de invoering op 1 oktober 2000 van
                                een Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provin- cies (CAP), welke
                                beantwoordt aan de hierboven geschetste kwalificaties, een en ander
                                met inbegrip van in verband hiermee noodzakelijke
                                overgangsvoorzieningen;</al></li>
            <li nr="-&gt;"><al>dat in het SPA overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                wordt gevoerd over de invoering en wijziging van
                                arbeidsvoorwaardenregelingen voor het provinciaal perso- neel en dat
                                het lokaal overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                zich richt, meer algemeen, op de algemene gang van zaken in de
                                provincie welke van belang is voor het provinciaal personeel en meer
                                in het bijzonder op de spelregels en personele gevolgen van
                                reorganisaties, de lokale werkgelegenheid, alsmede op de regeling
                                van alle zaken die uitsluitend of hoofdzakelijk de rechtstoestand
                                van het provinciaal personeel betreffen welke sociale partners in
                                het SPA aan de sociale partners in de afzonderlijke provincies
                                opdragen of overlaten;</al></li>
            <li nr="-&gt;"><al>dat het overleg over regelingen die elke provincie afzonderlijk met
                                het oog op de bedrijfs- voering treft zal worden gevoerd met de
                                ondernemingsraad, met inachtneming van de be- palingen in en
                                krachtens de Wet op de ondernemingsraden;</al></li>
          </lijst>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel/>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I</nr>
              <titel>(invoering CAP)</titel>
            </kop>
            <al>De navolgende Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP)
                            wordt vastgesteld:</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>A</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.1</nr>
              <titel>Definities</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan
                                    onder:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>ambtenaar: degene die door gedeputeerde staten is
                                            aangesteld om in de open- bare dienst van de provincie
                                            werkzaam te zijn;</al></li>
                  <li nr="b."><al>functie: het samenstel van werkzaamheden dat de
                                            ambtenaar is opgedra- gen;</al></li>
                  <li nr="c."><al>passende functie: een functie die de ambtenaar
                                            redelijkerwijs in verband met zijnpersoonlijkheid, zijn
                                            omstandigheden en de voor hem be- staande vooruitzichten
                                            kan worden opgedragen.</al></li>
                  <li nr="d."><al>salaris: het bedrag dat met inachtneming van de
                                            bepalingen in paragraaf 2 van hoofdstuk C en met
                                            inachtneming van bijlage 2 van deze rege- ling voor de
                                            ambtenaar is vastgesteld;</al></li>
                  <li nr="e."><al>bezoldiging: de som van het salaris en de toelagen
                                            waarop ingevolge de artikelen C.11 tot en met C.15
                                            aanspraak bestaat;</al></li>
                  <li nr="f."><al>salaris onderscheidenlijk bezoldiging per uur:1/156 deel
                                            van het salaris, onderscheidenlijk de bezoldiging bij
                                            een volledige arbeidsduur;</al></li>
                  <li nr="g."><al>partner: de echtgenoot of echtgenote van de ambtenaar
                                            dan wel de persoon met wie de niet gehuwde ambtenaar
                                            samenwoont en, met het oog- merk duurzaam samen te
                                            leven, een gemeenschappelijke huishou- ding voert op
                                            basis van een notarieel verleden samenlevingscontract
                                            bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter
                                            zake van die samenwoning en gemeenschappelijke
                                            huishouding, alsmede de geregistreerde partner;</al></li>
                  <li nr="h."><al>reorganisatie: elke wijziging van de
                                            organisatiestructuur, van de omvang van de provinciale
                                            organisatie of van de taakinhoud van de provincie of een
                                            onderdeel daarvan - daaronder begrepen de overdracht van
                                            taken van en naar de provincie - waaraan personele
                                            consequenties zijn verbonden;</al></li>
                  <li nr="i."><al>pensioenreglement: het pensioenreglement van de
                                            Stichting Pensioenfonds ABP;</al></li>
                  <li nr="j."><al>FPU-uitkering: uitkering op grond van het FPU-reglement,
                                            bedoeld in artikel 1.1, onderdeel i, van het
                                            pensioenreglement;</al></li>
                  <li nr="k."><al>IPO: de vereniging het Interprovinciaal Overleg,
                                            gevestigd te ’s- Gravenhage;</al></li>
                  <li nr="l."><al>SPA: Sectoroverleg Provinciale Arbeidsvoorwaarden,
                                            zijnde het overleg over arbeidsvoorwaarden en andere
                                            zaken tussen het IPO namens de provincies en de daarvoor
                                            aangewezen vakorganisaties van overheidspersoneel;</al></li>
                  <li nr="m."><al>WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al></li>
                  <li nr="n."><al>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid als bedoeld
                                            in artikel 18, eerstelid, van de WAO;</al></li>
                  <li nr="o."><al>Arbo-dienst: Arbo-dienst als bedoeld in artikel 14 van
                                            de Arbeidsomstandighe- denwet 1998;</al></li>
                  <li nr="p."><al>beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar
                                            oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar
                                            opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
                                            omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht
                                            en die niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
                                            wijten;</al></li>
                  <li nr="q."><al>dienstongeval: ongeval dat in overwegende mate zijn
                                            oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar
                                            opgedragen werkzaamheden of in de bijzon- dere
                                            omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht,
                                            en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te
                                            wijten;</al></li>
                  <li nr="r."><al>UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
                                            genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
                                            uitvoeringsorganisatie werk en in- komen;</al></li>
                  <li nr="s."><al>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                                            bekwaamheden van de amb- tenaar is berekend, tenzij
                                            aanvaarding om redenen van lichame- lijke, geestelijke
                                            of sociale aard niet van hem kan worden ge- vergd;</al></li>
                  <li nr="t."><al>WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al></li>
                  <li nr="u."><al>IKB: individueel keuzebudget, een budget in geld,
                                            opgebouwd overeenkomstig artikel C.17.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Voor de toepassing van deze regeling en haar
                                    uitvoeringsregelingen worden niet als ambtenaar beschouwd:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar, genoemd in artikel
                                            227a, tweede lid, onderde- len b, c, d en e, van de
                                            Provinciewet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is
                                            zonder opsporingsbe- voegdheid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de onbezoldigd provincieambtenaar die toezichthouder is
                                            met opsporingsbevoegd- heid.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.2</nr>
              <titel>Wijziging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze regeling wordt gewijzigd indien het IPO daartoe besluit op
                                grond van in het SPA be- reikte overeenstemming. Wijziging vindt
                                plaats met inachtneming van het betreffende be- sluit.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Vaststelling en wijziging van besluiten van algemene strekking ter
                                uitvoering van deze rege- ling vindt slechts plaats in de gevallen
                                waarin deze regeling dat uitdrukkelijk bepaalt en on- der de daarbij
                                aangegeven voorwaarden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.3</nr>
              <titel>Bevoegdheid besluitvorming individuele gevallen</titel>
            </kop>
            <al>Waar in deze regeling en in haar uitvoeringsbesluiten besluitvorming in
                            individuele gevallen is vereist zijn gedeputeerde staten daartoe
                            bevoegd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.4</nr>
              <titel>Bijzondere voorziening</titel>
            </kop>
            <al>Indien zich gevallen voordoen waarvoor deze regeling geen voorziening
                            biedt of waarin toepas- sing van deze regeling naar hun oordeel ernstige
                            bezwaren zou opleveren kunnen gedeputeer- de staten daarin, zo nodig
                            onder afwijking van deze regeling, ten voordele van de individuele
                            ambtenaar voorzien.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.5</nr>
              <titel>Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</titel>
            </kop>
            <al>De provincie en de ambtenaar zijn verplicht zich als een goed werkgever
                            en een goed werkne- mer te gedragen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.6</nr>
              <titel>Bekendmaking</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten dragen zorg dat de ambtenaar kennis kan nemen van
                            alle door of vanwe- ge het provinciebestuur vastgestelde algemene regels
                            inzake de ambtelijke rechtspositie.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>A.7</nr>
              <titel>Elektronische berichtgeving</titel>
            </kop>
            <al>Berichten inzake het maandelijks in geld vastgestelde loon en de
                            jaaropgave aan de ambtenaar behoeven uitsluitend elektronisch te worden
                            verzonden.</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Gedeputeerde staten kunnen andere berichten inzake de
                                    rechtspositie van de ambtenaar dan die bedoeld in het eerste
                                    lid, aanwijzen die uitsluitend elektronisch behoeven te worden
                                    verzonden nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met
                                    de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li>
              <li nr="2."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde berichten worden niet
                                    uitsluitend elektronisch ver- zonden:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>indien de ambtenaar geen mogelijkheid heeft om kennis te
                                            nemen van een elektronisch bericht;</al></li>
                  <li nr="b."><al>bij ontslag of overlijden van de ambtenaar;</al></li>
                  <li nr="c."><al>op verzoek van de ambtenaar in het geval deze een
                                            zwaarwegend belang heeft bij inci- dentele verzending op
                                            een andere wijze.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>B</nr>
            <titel>AANVANG, WIJZIGING EN EINDE ARBEID</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Aanvang arbeid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.1</nr>
                <titel>Aanstelling</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar wordt aangesteld in dienst van de provincie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De aanstelling geschiedt voor bepaalde of onbepaalde tijd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Aan een aanstelling voor onbepaalde tijd kan een aanstelling
                                    voor bepaalde tijd op proef, overeenkomstig artikel B.2, zesde
                                    lid, voorafgaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.2</nr>
                <titel>Aanstelling voor bepaalde tijd</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Een aanstelling voor bepaalde tijd eindigt van rechtswege zodra
                                    die tijd is verstreken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Indien de aanstelling voor bepaalde tijd na het verstrijken van
                                    die tijd voortduurt wordt de ambtenaar geacht voor dezelfde
                                    tijd, doch ten hoogste voor een jaar, op dezelfde voorwaar- den
                                    als daarvoor te zijn aangesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Vanaf de dag dat:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen
                                            van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een
                                            periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen,
                                            heb- ben overschreden, geldt met ingang van die dag de
                                            laatste aanstelling als een aanstelling voor onbepaalde
                                            tijd;</al></li>
                  <li nr="b."><al>meer dan drie aanstellingen voor bepaalde tijd elkaar
                                            hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie
                                            maanden geldt de laatste aanstelling als een aanstelling
                                            voor on- bepaalde tijd.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het derde lid, onderdeel a, is niet van
                                    toepassing op een aanstelling voor bepaalde tijd, aangegaan voor
                                    niet meer dan drie maanden, die onmiddellijk volgt op een
                                    aanstelling voor 36 maanden of langer.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Voor de toepassing van het derde lid worden mede in aanmerking
                                    genomen dienstverban- den bij een werkgever waarvan de provincie
                                    ten aanzien van de verrichte arbeid redelijker- wijze geacht
                                    moet worden de opvolger te zijn.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Een aanstelling voor bepaalde tijd op proef wordt verleend voor
                                    ten hoogste een jaar, zo no- dig met ten hoogste een jaar te
                                    verlengen. Zodra de omstandigheid, die leidde tot de aanstel-
                                    ling voor bepaalde tijd op proef, zich niet meer voordoet wordt
                                    een aanstelling voor onbepaal- de tijd verleend, tenzij
                                    daartegen op andere gronden bezwaar bestaat.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.3</nr>
                <titel>Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voor aanstelling komt slechts in aanmerking degene die voldoet
                                    aan de gestelde eisen van bekwaamheid en geschiktheid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Ter beoordeling van die bekwaamheid en geschiktheid kan de
                                    kandidaat aan een psycholo- gisch onderzoek en, met inachtneming
                                    van artikel E.2, aan een medische keuring worden on-
                                    derworpen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat de
                                    kandidaat een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de
                                    Wet justitiële gegevens overlegt. Gedeputeerde staten kunnen,
                                    na- dat hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                    vakorganisaties van overheidsperso- neel heeft plaatsgevonden,
                                    een lijst van functies vaststellen waarvoor de in de eerste
                                    volzin bedoelde verklaring vereist is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Degene die geen Nederlander is kan slechts worden aangesteld
                                    indien hij in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in
                                    artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 en de pro- vincie voor
                                    hem beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in
                                    de Wet arbeid vreemdelingen, tenzij die
                                    tewerkstellingsvergunning krachtens laatstgenoemde wet niet is
                                    vereist.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.4</nr>
                <titel>Informatie bij indiensttreding</titel>
              </kop>
              <al>De ambtenaar ontvangt vóór zijn indiensttreding schriftelijk bericht
                                van zijn aanstelling. Daarin worden, in aanvulling op de gegevens,
                                bedoeld in artikel II, tweede lid, onderdelen a tot en met i, van de
                                Wet van 2 december 1993 (Staatsblad 1993, 635), in elk geval
                                vermeld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien de aanstelling voor bepaalde tijd geschiedt de reden
                                        van de aanstelling;</al></li>
                <li nr="c."><al>het organisatieonderdeel waarbij hij is geplaatst;</al></li>
                <li nr="d."><al>de periode van benoeming in de functie;</al></li>
                <li nr="e."><al>de salarisschaal en de toelagen die hem zijn toegekend;</al></li>
                <li nr="f."><al>zijn deelname aan de pensioenregeling.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.5</nr>
                <titel>Algemene dienst</titel>
              </kop>
              <al>De ambtenaar wordt steeds voor een periode van in de regel ten
                                minste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie benoemd,
                                tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Wijziging arbeid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.6</nr>
                <titel>Andere functie of werkzaamheden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar is verplicht na afloop van de periode van benoeming
                                    in een functie als be- doeld in artikel B.5, een hem aangeboden
                                    andere passende functie te aanvaarden. Bij het aanbieden van een
                                    andere passende functie wordt een aanzegtermijn van ten minste
                                    twee maanden in acht genomen. De ambtenaar kan na afloop van
                                    bedoelde periode ook op- nieuw in dezelfde functie worden
                                    benoemd. Zolang er na afloop van de in de eerste volzin bedoelde
                                    periode geen passende functie beschikbaar is en de ambtenaar
                                    niet overeen- komstig het vierde lid tijdelijk is belast met
                                    andere werkzaamheden dan wel met de waar- neming van een andere
                                    functie, blijft hij zijn functie vervullen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar in een andere functie
                                    benoemd dan wel tijdelijk met ander werk belast als hij voldoet
                                    aan de daaraan gestelde eisen van bekwaamheid en ge- schiktheid,
                                    tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De ambtenaar is verplicht om in het belang van de dienst een
                                    andere passende functie te aanvaarden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden verplicht
                                    om, al dan niet binnen de provinciale organisatie, tijdelijk
                                    niet tot zijn functie behorende werkzaamheden te verrichten dan
                                    wel tijdelijk een andere functie waar te nemen, mits deze
                                    tijdelijke werkzaamheden, onderscheidenlijk tijdelijke
                                    waarneming hem in verband met zijn persoonlijkheid en om-
                                    standigheden redelijkerwijs kunnen worden opgedragen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Als belang van de dienst in de zin van het derde en vierde lid
                                    wordt voor de toepassing van die leden in elk geval aangemerkt
                                    de bevordering van de interne mobiliteit van het perso-
                                    neel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                                    werkgever een staking is uitgebro- ken of een uitsluiting plaats
                                    heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaam-
                                    heden te verrichten, tenzij dat naar het oordeel van
                                    gedeputeerde staten met het oog op de openbare veiligheid of
                                    gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare
                                    dienst noodzakelijk is.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel en
                                    ter uitvoering van artikel B.5 nadere regels inzake de
                                    rechtspositie vast nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    over- leg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                    plaatsgevonden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.7</nr>
                <titel>Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan worden verplicht in tijden van oorlog,
                                    oorlogsgevaar of andere buitenge- wone omstandigheden andere
                                    werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk ver-
                                    richt, mits die werkzaamheden strekken ter uitvoering van de
                                    taak die de provincie in die tij- den heeft of zal krijgen dan
                                    wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoe-
                                    ring van die taak te verzekeren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is te allen tijde
                                    verplicht de opleidingen te volgen en deel te nemen aan
                                    oefeningen die verband houden met zijn in dat lid bedoelde
                                    taak.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.8</nr>
                <titel>Procedure en flankerend beleid reorganisaties</titel>
              </kop>
              <al>Bij reorganisaties worden de procedures en de hoofdlijnen van het
                                flankerend beleid in acht genomen die zijn vastgelegd in bijlage 1
                                van deze regeling, die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde
                                staten kunnen nadere regels vaststellen omtrent de te volgen
                                procedure bij reor- ganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                reorganisaties.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Einde arbeid</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.9</nr>
                <titel>Ontslaggronden</titel>
              </kop>
              <al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op aanvraag, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                        B.10;</al></li>
                <li nr="b."><al>wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, met
                                        inachtneming van het bepaalde in artikel B.11;</al></li>
                <li nr="c."><al>met het oog op een FPU-uitkering, met inachtneming van het
                                        bepaalde in artikel B.12;</al></li>
                <li nr="d."><al>wegens reorganisatie, met inachtneming van het bepaalde in
                                        artikel B.13;</al></li>
                <li nr="e."><al>indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van een periode waarin hij krachtens artikel 125c
                                        Ambtenarenwet tijdelijk is ontheven van de waarneming van
                                        zijn functie, niet in een passende functie herplaatst kan
                                        worden;</al></li>
                <li nr="f."><al>indien hij, naar het oordeel van gedeputeerde staten, na
                                        afloop van het hem krachtens arti- kel D.15 verleend
                                        langdurig buitengewoon verlof, niet in een passende functie
                                        herplaatst kan worden;</al></li>
                <li nr="g."><al>wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                                        wegens ziekte, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                        E.9;</al></li>
                <li nr="h."><al>wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling
                                        van zijn functie uit andere hoof- de dan genoemd onder
                                        g;</al></li>
                <li nr="i."><al>wegens het verlies van een vereiste bij aanstelling, tenzij
                                        het vereiste alleen bij aanvaarding van de functie
                                        geldt;</al></li>
                <li nr="j."><al>wegens staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                                        rechterlijke uitspraak;</al></li>
                <li nr="k."><al>wegens toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                                        onherroepelijk geworden rech- terlijke uitspraak;</al></li>
                <li nr="l."><al>wegens een onherroepelijk geworden veroordeling tot
                                        vrijheidsstraf wegens misdrijf of tot ter-
                                        beschikkingstelling;</al></li>
                <li nr="m."><al>wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens
                                        bij of in verband met indienst- treding of keuring, zonder
                                        welke handelwijze niet tot aanstelling of goedkeuring zou
                                        zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat
                                        hij te goeder trouw heeft gehan- deld;</al></li>
                <li nr="n."><al>als disciplinaire straf, met inachtneming van het bepaalde
                                        in artikel G.4;</al></li>
                <li nr="o."><al>wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te
                                        verrichten of wegens het niet aanvragen van een uitkering op
                                        grond van de WIA, met inachtneming van het bepaalde in
                                        artikel E.16;</al></li>
                <li nr="p."><al>op andere dan de in dit artikel genoemde gronden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.10</nr>
                <titel>Ontslag op aanvraag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar wordt op zijn aanvraag ontslag verleend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het ontslag gaat niet eerder in dan één maand en niet later dan
                                    drie maanden na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Met de
                                    ambtenaar kan in afwijking hiervan een ander tijd- stip worden
                                    afgesproken waarop het ontslag ingaat.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De ontslagaanvraag, bedoeld in het eerste lid, kan worden
                                    aangehouden indien een onder- zoek is gestart voor een ontslag
                                    op grond van artikel G.4, eerste lid, onderdeel e.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.11</nr>
                <titel>Ontslag wegens pensionering</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar wordt ontslag verleend met ingang van de dag
                                    waarop de AOW- gerechtigde leeftijd wordt bereikt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar wordt op aanvraag ontslag verleend met het oog
                                    op de verkrijging van ou- derdomspensioen vóór de in het eerste
                                    lid bedoelde datum op grond van artikel 7.4 van het
                                    pensioenreglement. Op aanvraag van de ambtenaar kan dit ontslag
                                    ook voor een gedeelte van de voor hem geldende arbeidsduur
                                    worden verleend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienst-
                                    belangen zich daartegen verzetten. Het ontslag gaat niet eerder
                                    in dan met ingang van de dag waarop het recht op het
                                    ouderdomspensioen ontstaat.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.12</nr>
                <titel>Ontslag wegens FPU</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een
                                        FPU-uitkering wordt ontslag ver- leend, indien het bestuur
                                        van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden
                                        overheidsperso-</al><al>neel alsmede het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP
                                        op grond van een desbetref- fende aanvraag hebben
                                        vastgesteld dat na dat te verlenen ontslag recht bestaat op
                                        een uitke- ring. Het ontslag gaat niet eerder in dan met
                                        ingang van de dag waarop het recht op uitkering
                                        ontstaat.</al></li>
                <li nr="2."><al>Op aanvraag van de ambtenaar kan het in het eerste lid
                                        genoemde ontslag ook voor een gedeelte van de voor hem
                                        geldende arbeidsduur worden verleend, tenzij de belangen van
                                        de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag
                                        bedraagt ten minste 10% van de om- vang van de in de vorige
                                        volzin bedoelde arbeidsduur. Ontslag voor een gedeelte uit
                                        een dienstverhouding waaruit reeds eerder gedeeltelijk
                                        ontslag met het oog op een FPU- uitkering heeft
                                        plaatsgevonden bedraagt ten minste 10% van de
                                        oorspronkelijke arbeids- duur.</al></li>
                <li nr="3."><al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende
                                        voorschriften vast inzake voorzienin- gen bij
                                        deeltijdontslag en aansluitend volledig ontslag als bedoeld
                                        in het eerste en tweede lid, in aanvulling op de
                                        FPU-uitkering, met inachtneming van de hierover in het SPA
                                        ge- maakte afspraken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.13</nr>
                <titel>Reorganisatie ontslag</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan in het kader van een reorganisatie ontslag
                                    worden verleend indien het niet mogelijk is gebleken hem te
                                    benoemen in een passende functie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar die in het kader van een reorganisatie is
                                    benoemd in een andere functie kan alsnog het ontslag, bedoeld in
                                    het eerste lid worden verleend indien binnen een periode van
                                    uiterlijk een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de functie
                                    hem is opgedragen, blijkt dat de desbetreffende functie niet
                                    passend is voor die ambtenaar en het niet mogelijk is om de
                                    ambtenaar binnen een redelijke termijn op een passende functie
                                    te benoemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Bij ontslagverlening op grond van het eerste en tweede lid wordt
                                    een opzegtermijn van drie maanden in acht genomen.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.14</nr>
                <titel>Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast
                                inzake voorzieningen bij werkloosheid in aanvulling op de
                                Werkloosheidswet, met inachtneming van de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>B.15</nr>
                <titel>Overlijden ambtenaar</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De aanstelling eindigt door het overlijden van de
                                    ambtenaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Aan de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar wordt over de
                                    periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de laatste dag
                                    van de derde maand na die waarin het overlijden plaats- vond een
                                    bedrag uitgekeerd, gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging,
                                    vermeerderd met het be- drag dat in die periode aan IKB is
                                    opgebouwd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De overlijdensuitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt
                                    verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten
                                    betrekking ter zake van het overlijden van de ambtenaar toe-
                                    komt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering of zou zijn toegekomen indien
                                    daarop ten gevolge van het toedoen van de ambtenaar geen aan-
                                    spraak bestaat.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten
                                    betrekkingen verstaan de nabe- staande partner, van wie de
                                    overleden ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, of, bij
                                    ontbreken van deze, de minderjarige kinderen of, indien ook deze
                                    ontbreken, degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren
                                    van de bezoldiging van de ambtenaar.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>C</nr>
            <titel>BEZOLDIGING</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.1</nr>
                <titel>Recht op bezoldiging</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar wordt een bezoldiging toegekend met
                                    inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                                    verplichtingen opzettelijk na- laat zijn dienst te verrichten
                                    ontvangt hij geen bezoldiging.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.2</nr>
                <titel>Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                                    tegemoetkomingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten het salaris
                                    en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot en met C.15,
                                    maandelijks.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Tenzij anders bepaald, betalen gedeputeerde staten</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de vergoedingen voor overwerk, bedoeld in artikel C.23,
                                            bij de salarisbetaling binnen drie maanden na
                                            declaratie;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de vergoedingen van kosten, bedoeld in artikel F.4, bij
                                            de salarisbetaling in de maand na declaratie;</al></li>
                  <li nr="c."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel
                                            E.12, en de doorbetaling van bezoldiging bij ziekte en
                                            arbeidsongeschiktheid op grond van de voorschriften,
                                            bedoeld in artikel E.8, maandelijks bij de
                                            salarisbetaling.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De betalingen, bedoeld in dit artikel, hebben, onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, plaats zonder dat dit bij beschikking is vast-
                                    gesteld.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.3</nr>
                <titel>Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken</titel>
              </kop>
              <al>Wanneer het salaris en de toelagen, bedoeld in de artikelen C.11 tot
                                en met C.15, moeten wor- den berekend over een gedeelte van een
                                maand wordt het bedrag per dag, tenzij anders is bepaald,
                                vastgesteld door het maandbedrag te delen door het aantal
                                kalenderdagen van die maand.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Salaris</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.4</nr>
                <titel>Inrichting salarisgebouw</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het salarisgebouw is vastgelegd in bijlage 2 van deze regeling,
                                    die er onderdeel van uitmaakt. Gedeputeerde staten vervangen
                                    deze bijlage met inachtneming van de hierover in het SPA ge-
                                    maakte afspraken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het salarisgebouw bestaat uit 18 salarisschalen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Per salarisschaal is het minimumsalaris en het maximumsalaris
                                    bepaald.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.5</nr>
                <titel>Bepaling salarisschaal</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Gedeputeerde staten bepalen de salarisschaal van de
                                        ambtenaar met inachtneming van de zwaarte van de
                                        functie.</al></li>
                <li nr="2."><al>De zwaarte van de functie wordt vastgesteld met behulp van
                                        een systeem van methodische functiewaardering.</al></li>
                <li nr="3."><al>Gedeputeerde staten stellen met inachtneming van de hierover
                                        in het SPA gemaakte af- spraken algemeen verbindende
                                        voorschriften vast met betrekking tot het systeem van me-
                                        thodische functiewaardering en de procedure van
                                        totstandkoming van de functiewaardering, alsmede een
                                        conversietabel aan de hand waarvan de bij de uitkomst van de
                                        functiewaarde- ring behorende salarisschaal wordt
                                        bepaald.</al></li>
                <li nr="4."><al>Behoudens het bepaalde in het vijfde en zesde lid bepalen
                                        gedeputeerde staten de salaris- schaal van de ambtenaar op
                                        die welke ingevolge de in het derde lid bedoelde
                                        conversietabel voor de functie geldt.</al></li>
                <li nr="5."><al>Gedeputeerde staten kunnen de salarisschaal van de ambtenaar
                                        bepalen op die welke di- rect voorligt aan de salarisschaal
                                        die ingevolge de in het derde lid bedoelde conversietabel
                                        voor de functie geldt, indien de ambtenaar bij benoeming in
                                        de functie nog niet volledig vol- doet aan het minimaal
                                        noodzakelijke niveau voor de functie. Na maximaal 12 maanden
                                        geldt voor de ambtenaar de bij de uitkomst van de
                                        functiewaardering behorende salarisschaaltenzij hij blijkens
                                        een beoordeling nog niet volledig voldoet aan het minimaal
                                        noodzakelijke niveau voor de functie.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="6."><al>Indien de ambtenaar bij wijze van waarneming tijdelijk een
                                        andere functie vervult blijft de voordien voor hem geldende
                                        salarisschaal van toepassing.</al></li>
                <li nr="7."><al>Indien de ambtenaar tijdelijk bij wijze van proef is benoemd
                                        in een andere functie blijft de voordien voor hem geldende
                                        salarisschaal van toepassing, tenzij anders is bepaald.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.6</nr>
                <titel>Bepaling salaris</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Bij eerste aanstelling ontvangt de ambtenaar in de regel het
                                    minimumsalaris in de voor hem geldende salarisschaal. Op basis
                                    van elders opgedane relevante kennis, ervaring en vaar- digheden
                                    kunnen gedeputeerde staten bij eerste aanstelling een hoger
                                    salaris in de voor hem geldende salarisschaal vaststellen dan
                                    het minimumsalaris.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De ambtenaar ontvangt in de voor hem geldende salarisschaal ten
                                    minste een salaris dat gelijk is aan het maandbedrag van het
                                    minimumloon, dat krachtens de artikelen 7, 8 en 14 van de Wet
                                    minimumloon en minimum vakantiebijslag geldt voor werknemers van
                                    dezelfde leeftijd als de ambtenaar. Voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt het voor werk- nemers van dezelfde
                                    leeftijd geldende minimumloon geacht te zijn vastgesteld op een
                                    even- redig deel van het minimumloon in een volledige
                                    functie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor dezelfde
                                    salarisschaal geldt wordt het salaris in de regel bepaald op
                                    hetzelfde salaris als in de oude functie. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor een hogere
                                    salarisschaal geldt wordt het sala- ris in de voor hem geldende
                                    nieuwe salarisschaal opnieuw bepaald. Het salaris zal nooit
                                    minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude functie
                                    aanspraak zou hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Bij benoeming in een andere functie waarvoor een lagere
                                    salarisschaal geldt wordt het sala- ris bepaald op het salaris
                                    in de oude functie, doch maximaal op het maximumsalaris in de
                                    nieuwe salarisschaal. Indien het salaris in de oude functie
                                    hoger is dan het maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal wordt
                                    de ambtenaar het verschil bij wijze van toelage toegekend. Deze
                                    toelage wordt als salaris aangemerkt. Het bepaalde in de eerste
                                    en tweede volzin is niet van toepassing indien de daar bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt aansluitend op een tijde- lijke benoeming
                                    in een functie waarvoor een hogere salarisschaal gold en de
                                    ambtenaar bij die tijdelijke benoeming is medegedeeld dat de
                                    salarisschaal in verband daarmee slechts tij- delijk zal
                                    gelden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt met toepas- sing van artikel E.7, op grond
                                    van artikel G.4, eerste lid, onderdeel d, of wegens onbe-
                                    kwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie
                                    anders dan door ziekte wordt het salaris bepaald op basis van de
                                    nieuwe salarisschaal.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Indien de in de eerste volzin van het vijfde lid bedoelde
                                    benoeming plaatsvindt op aanvraag van de ambtenaar wordt het
                                    salaris bepaald op basis van de nieuwe salarisschaal. Is de
                                    ambtenaar 55 jaar of ouder en op zijn aanvraag benoemd in een
                                    andere functie waarvoor een lagere salarisschaal geldt, dan
                                    blijft de pensioenopbouw gebaseerd op het salaris in de oude
                                    functie.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een hogere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris doch mini- maal op het
                                    minimumsalaris in de nieuwe salarisschaal.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>Indien als gevolg van een hernieuwde waardering van de functie
                                    voor de ambtenaar een lagere salarisschaal gaat gelden wordt het
                                    salaris bepaald op een gelijk salaris, doch maxi- maal op het
                                    maximumsalaris in de nieuwe salarisschaal. Indien het
                                    laatstelijk genoten salaris hoger is dan het maximumsalaris in
                                    de nieuwe salarisschaal wordt de ambtenaar het ver- schil bij
                                    wijze van toelage toegekend. Deze toelage wordt als salaris
                                    aangemerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10.</lidnr>
                <al>Indien de voor de ambtenaar geldende salarisschaal met
                                    toepassing van artikel C.5, vijfde lid, tweede volzin, is
                                    bepaald op de bij de uitkomst van de functiewaardering behorende
                                    sa- larisschaal wordt het salaris bepaald op het minimumsalaris
                                    in de voor hem geldende nieu- we salarisschaal. Het salaris zal
                                    nooit minder zijn dan het salaris waarop hij in de oude sala-
                                    risschaal aanspraak zou hebben.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.7</nr>
                <titel>Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                                    functioneren</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten verhogen het op grond van artikel C.6
                                    bepaalde salaris van de ambte- naar die het maximumsalaris van
                                    de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt,
                                    met</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>1% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren niet
                                            geheel aan de gestelde eisen voldoet;</al></li>
                  <li nr="b."><al>3% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren aan de
                                            gestelde eisen voldoet;</al></li>
                  <li nr="c."><al>4% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in ruime mate overtreft;</al></li>
                  <li nr="d."><al>6% van dit maximumsalaris indien blijkens een
                                            beoordeling de duurzame groei in het functioneren de
                                            gestelde eisen in uitzonderlijke mate overtreft.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Is het verschil tussen het salaris van de ambtenaar en het
                                    maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal minder dan
                                    de in het eerste lid genoemde 1%, onderscheidenlijk 3%, 4% en 6%
                                    van het maximumsalaris, dan verhogen gedeputeerde staten het
                                    salaris, indien is voldaan aan de in het eerste lid genoemde
                                    voorwaarden, tot het bedrag van het maximum- salaris.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De beslissing over verhoging van het salaris op grond van dit
                                    artikel nemen gedeputeerde staten telkens na een periode van in
                                    de regel 12 maanden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.8</nr>
                <titel>Salaris bij deeltijdfuncties</titel>
              </kop>
              <al>Het salaris van de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt
                                vastgesteld op een evenredig deel van het salaris dat voor hem zou
                                gelden bij een volledige functie.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Variabele beloning</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.9</nr>
                <titel>Incidentele beloning van prestaties</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar kennen gedeputeerde staten, indien zijn
                                    werkresultaten blijkens een be- oordeling de gestelde eisen in
                                    ruime, onderscheidenlijk uitzonderlijke mate overtreffen, een
                                    eenmalige uitkering toe van 3%, onderscheidenlijk 7% van het
                                    salaris over de periode waar- op de beoordeelde werkresultaten
                                    betrekking hebben.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De beslissing over toekenning van een eenmalige uitkering als
                                    bedoeld in dit artikel wordt telkens genomen na een periode van
                                    in de regel 12 maanden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder werkresultaten
                                    verstaan resultaten met be- trekking tot de werkzaamheden
                                    waarover in het in artikel F.7 bedoelde planningsgesprek af-
                                    spraken zijn gemaakt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.10</nr>
                <titel>Incidentele beloning van extra inzet</titel>
              </kop>
              <al>Aan de ambtenaar of een groep van ambtenaren kan een eenmalige
                                beloning worden toege- kend bij extra inzet of voor het verrichten
                                van niet geplande activiteiten.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Toelagen</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.11</nr>
                <titel>Toelage waarneming andere functie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar die tijdelijk in opdracht een andere functie
                                    waaraan een hogere salarisschaal is verbonden, volledig
                                    waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toelage.
                                    Geen toelage wordt toegekend bij waarneming vanwege
                                    vakantieverlof, tenzij dit vakantie- verlof betreft dat
                                    krachtens een spaarregeling is gespaard.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De toelage wordt, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts
                                    toegekend wanneer de waarneming een periode van ten minste een
                                    maand heeft geduurd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris dat voor
                                    de ambtenaar zou hebben gegolden in de bij de waargenomen
                                    functie behorende salarisschaal en een bedrag naar evenredigheid
                                    daarvan over perioden waarin niet een volle maand is
                                    waargenomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Bij een gedeeltelijke waarneming in de zin van dit artikel kan
                                    aan de ambtenaar een toelage worden toegekend die in verhouding
                                    staat tot de aard en de omvang van de waargenomen
                                    werkzaamheden.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.12</nr>
                <titel>Toelage onregelmatige dienst</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                        salarisschaal 11 en die, an- ders dan bij wijze van
                                        overwerk, in opdracht regelmatig of vrij regelmatig arbeid
                                        verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met
                                        vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage
                                        toegekend.</al></li>
                <li nr="2."><al>De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het
                                        voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag
                                                tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;</al></li>
                    <li nr="b."><al>40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag
                                                tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur en voor de
                                                uren op zaterdag;</al></li>
                    <li nr="c."><al>65% voor de uren op zondag, de feestdagen, genoemd
                                                in artikel D.1, derde lid, en ande- re daarmee door
                                                gedeputeerde staten gelijkgestelde dagen;</al></li>
                  </lijst><al>met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend
                                        over ten hoogste het maximumsalaris per uur in salarisschaal
                                        6.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor de in het tweede lid, onderdeel a, genoemde morgen- en
                                        avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de
                                        arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is
                                        beëindigd na 19 uur.</al></li>
                <li nr="4."><al>In afwijking van het tweede lid kunnen gedeputeerde staten
                                        bepalen dat voor een groep van ambtenaren de in dat lid
                                        genoemde percentages worden berekend over een voor alle amb-
                                        tenaren van deze groep gelijk salarisbedrag per uur.</al></li>
                <li nr="5."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen
                                        gedeputeerde staten voor de ambtenaar een vaste toelage
                                        vaststellen, onderscheidenlijk voor een groep van ambtenaren
                                        een voor alle ambtenaren van die groep gelijke vaste toelage
                                        vaststellen, zulks rekening houdend met het bepaalde in het
                                        tweede, derde en vierde lid, de geldende werktijdregeling en
                                        de mate waarin en de wijze waarop van die werktijdregeling
                                        pleegt te worden afgeweken. De toelage wordt aangepast
                                        indien zich wijzigingen voordoen in de berekeningsgrondslag
                                        daarvan.</al></li>
                <li nr="6."><al>Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van dit artikel
                                        nadere regels nadat hierover over- eenkomstig hoofdstuk I
                                        overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                        over- heidspersoneel.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.13</nr>
                <titel>Afbouw toelage onregelmatige dienst</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten
                                        zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als
                                        bedoeld in artikel C.12 een blijvende verlaging ondergaat,
                                        welke ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en
                                        de toelagen, bedoeld in de ar- tikelen C.14 en C.15, wordt
                                        een aflopende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde
                                        toela- ge, direct voorafgaande aan het tijdstip van
                                        vorenbedoelde beëindiging of vermindering er- van, gedurende
                                        ten minste 2 jaren zonder onderbreking van langer dan 2
                                        maanden heeft genoten.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is, onder gelijke
                                        voorwaarden, ook van toepassing als de in dat lid bedoelde
                                        beëindiging of vermindering het gevolg is van</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>een medisch advies van de Arbo-dienst;</al></li>
                    <li nr="b."><al>vrijwillige benoeming in een andere functie op grond
                                                van de artikelen B.5 en B.6, eerste lid;</al></li>
                    <li nr="c."><al>vrijstelling van continudiensten in de nachturen van
                                                een ambtenaar van 55 jaar of ouder.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>De aflopende toelage wordt toegekend voor een periode,
                                        gelijk aan een kwart van die waarin de ambtenaar, direct
                                        voorafgaande aan het tijdstip van de in het eerste lid
                                        bedoelde beëindi- ging of vermindering, zonder onderbreking
                                        van langer dan 2 maanden de toelage, bedoeld in artikel
                                        C.12, heeft genoten. De aldus berekende periode wordt naar
                                        boven afgerond op een maand. De aflopende toelage wordt
                                        toegekend voor een periode van maximaal 3 jaar.</al></li>
                <li nr="4."><al>De overeenkomstig het derde lid berekende periode wordt in
                                        drie gelijke delen gesplitst waarbij, zo nodig, in de eerste
                                        twee deelperioden afronding naar boven op een maand
                                        plaatsvindt, zonder dat hierdoor de totale periode wordt
                                        overschreden. Gedurende bedoelde drie deelperioden bedraagt
                                        de aflopende toelage achtereenvolgens 75%, 50% en 25% vande
                                        voor de desbetreffende maand van toepassing zijnde, in het
                                        vijfde lid bepaalde bereke- ningsbasis.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="5."><al>De berekeningsbasis, bedoeld in het vierde lid, is het
                                        bedrag dat de ambtenaar over de 12 kalendermaanden,
                                        voorafgaande aan het tijdstip van de in het eerste lid
                                        bedoelde beëindi- ging of vermindering, gemiddeld per maand
                                        aan toelage op grond van artikel C.12 heeft ge- noten,
                                        verminderd met het bedrag dat hij daarna in totaal per maand
                                        gaat genieten aan toe- lage op grond van artikel C.12 en aan
                                        verhoging van de bezoldiging, anders dan wegens al- gemene
                                        salarisverhogingen.</al></li>
                <li nr="6."><al>Ingeval er sprake is van een algemene salariswijziging wordt
                                        voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een
                                        fictieve wijziging van de in het vijfde lid bedoelde bedra-
                                        gen, zulks tot het percentage van deze algemene
                                        salariswijziging.</al></li>
                <li nr="7."><al>De aflopende toelage kan met instemming van de ambtenaar
                                        worden afgekocht door een uitkering ineens.</al></li>
                <li nr="8."><al>Aan de in het eerste en tweede lid bedoelde ambtenaar van 60
                                        jaar of ouder wordt, onder gelijke voorwaarden, een
                                        blijvende toelage toegekend van 100% van de in het vijfde
                                        lid be- paalde berekeningsbasis.</al></li>
                <li nr="9."><al>De aflopende toelage die op grond van dit artikel is
                                        toegekend gaat, zodra de ambtenaar de leeftijd van 60 jaar
                                        bereikt, over in een blijvende toelage als bedoeld in het
                                        achtste lid. De in de vorige volzin bedoelde blijvende
                                        toelage bedraagt, in afwijking van het bepaalde in het
                                        achtste lid, het percentage van de berekeningsbasis dat voor
                                        de berekening van de aflopen- de toelage ingevolge het
                                        vierde lid laatstelijk op hem van toepassing was.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.14</nr>
                <titel>Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan een ambtenaar of een groep van ambtenaren kan om redenen van
                                    werving of behoud onder nader te bepalen voorwaarden hetzij een
                                    toelage, hetzij een bindingspremie worden toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde toelage wordt toegekend voor een
                                    tevoren vastgestelde perio- de van maximaal 3 jaren. Deze
                                    periode kan telkens voor maximaal 3 jaren worden verlengd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde toelage bedraagt per maand ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris doch nooit meer dan het verschil
                                    tussen dit salaris en het maximumsalaris dat hij zou heb- ben
                                    genoten in de naast hogere salarisschaal. De toelage wordt in de
                                    regel maandelijks uit- betaald.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie wordt toegekend en
                                    uitbetaald na een tevoren vastgestelde periode van ten minste 3
                                    jaren.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De in het eerste lid bedoelde bindingspremie bedraagt ten
                                    hoogste 10% van zijn salaris over de in het vierde lid bedoelde
                                    periode doch nooit meer dan het verschil tussen dit salaris en
                                    het maximumsalaris dat hij over die periode in de naast hogere
                                    salarisschaal zou hebben genoten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat aan de ambtenaar die niet
                                    heeft kunnen voldoen aan de in het eerste lid bedoelde
                                    voorwaarden door een niet aan hemzelf te wijten oorzaak de
                                    toelage, onderscheidenlijk bindingspremie gedeeltelijk wordt
                                    toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                    regels stellen en bepalen de groepen van ambtenaren aan wie de
                                    in het eerste lid bedoelde toelage en bindingspre- mie kan
                                    worden toegekend nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg heeft plaats- gevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.15</nr>
                <titel>Toelage op andere gronden</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen aan groepen van ambtenaren op andere
                                    gronden dan die, vermeld in de artikelen C.11 tot en met C.14,
                                    een toelage toekennen overeenkomstig de daartoe door hen vast te
                                    stellen algemeen verbindende voorschriften. Over deze algemeen
                                    verbindende voorschriften vindt overleg plaats met de
                                    vakorganisaties van overheidsperso- neel overeenkomstig
                                    hoofdstuk I.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>In uitzonderlijke gevallen kan aan de ambtenaar een toelage
                                    worden toegekend op andere gronden dan die, vermeld in de
                                    artikelen C.11 tot en met C.14 en artikel C.15, eerste lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Individueel Keuzebudget (IKB)</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.16</nr>
                <titel>IKB algemeen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voor de ambtenaar is er een IKB. Gedeputeerde staten zijn
                                    beheerder van het IKB.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het IKB omvat een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de
                                    ambtenaar naar keuze kan aan- wenden voor de doelen, genoemd in
                                    artikel C.18, een en ander op de wijze en onder de voorwaarden
                                    als bepaald in deze paragraaf.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.17</nr>
                <titel>Opbouw IKB</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Het pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand als
                                    volgt opgebouwd:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>met 8%<sup>1</sup> van de door de ambtenaar in die maand
                                            genoten bezoldiging, met dien ver- stande dat dit bedrag
                                            niet lager kan zijn dan de minimumvakantie-uitkering per
                                            maand, genoemd in de in artikel C.4, eerste lid,
                                            bedoelde bijlage 2, onderscheidenlijk dan een bedrag
                                            naar rato hiervan bij een niet volledige arbeidsduur of
                                            bij genot van slechts een deel van de bezoldiging;</al></li>
                  <li nr="b."><al>met 8,3%<sup>2</sup> van het door de ambtenaar in die
                                            maand genoten salaris; en</al></li>
                  <li nr="c."><al>met 3,4%<sup>3</sup> van het in die maand genoten
                                            salaris voor de ambtenaar voor wie een sala- risschaal
                                            geldt die lager is dan schaal 14 en met
                                            2,85%<sup>4</sup> voor de ambtenaar voor wie een
                                            salarisschaal geldt die gelijk is aan of hoger dan
                                            schaal 14.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het niet pensioengevend deel van het IKB wordt per kalendermaand
                                    opgebouwd met 1,92%<sup>5</sup> van het door de ambtenaar in die
                                    maand genoten salaris.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De vergoeding voor meer uren werken als bedoeld in artikel 5 van
                                    de IKAP-regeling pro- vincies wordt maandelijks opgenomen in het
                                    pensioengevend deel van het IKB op basis van het gemiddelde
                                    aantal meer te werken uren per maand gedurende de periode dat de
                                    ambtenaar meer uren werkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Op aanvraag van de ambtenaar kunnen gedeputeerde staten vaste
                                    maandelijkse toelagen opnemen in het pensioengevend deel van het
                                    IKB.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.18</nr>
                <titel>Aanwending IKB</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De ambtenaar kan het IKB aanwenden voor één of meer van de
                                        volgende doelen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>voor de bestemmingen, bedoeld in artikel 8, tweede
                                                lid, van de IKAP-regeling provin- cies,
                                                overeenkomstig het bepaalde in die regeling;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor bruto inkomen in de maand zelf en/of in de
                                                daarop volgende maand of maanden;</al></li>
                    <li nr="c."><al>voor extra verlof overeenkomstig het bepaalde in de
                                                IKAP-regeling provincies;</al></li>
                    <li nr="d."><al>voor het sparen in het kader van de
                                                Levensloopregeling, met in achtneming van het
                                                bepaalde in die regeling.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Keuzes, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en d, kan
                                        de ambtenaar maken tot de maandelijkse sluitingsdatum van de
                                        salarisverwerking. Hij heeft voor deze keuzes geen
                                        toestemming nodig.</al></li>
                <li nr="3."><al>Keuzes kunnen alleen worden gemaakt voor zover het IKB
                                        toereikend is.</al></li>
                <li nr="4."><al>Keuzes mogen uitsluitend betrekking hebben op hetzelfde
                                        kalenderjaar. Er mag geen bud- get uit het IKB worden
                                        overgeheveld naar het volgende kalenderjaar. Het bedrag dat
                                        in de- cember van het kalenderjaar nog in het IKB zit wordt
                                        in die maand uitbetaald.</al></li>
                <li nr="5."><al>Het extra verlof, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
                                        hoeft niet in hetzelfde kalenderjaar te worden
                                        opgenomen.</al></li>
              </lijst>
              <al>
                <sup>1</sup> De vakantie-uitkering is in het IKB opgenomen.</al>
              <al>
                <sup>2</sup> De eindejaarsuitkering is in het IKB opgenomen.</al>
              <al>
                <sup>3</sup> De werkgeversbijdrage in de levensloopregeling is in
                                het IKB opgenomen. Van 1 januari 2015 tot 1 janu- ari 2016 bedraagt
                                deze voor ambtenaren in de schalen 1 t/m 13 3,3% en daarna 3,4%</al>
              <al>
                <sup>4</sup> De werkgeversbijdrage in de levensloopregeling is in
                                het IKB opgenomen. Van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 bedraagt
                                deze voor ambtenaren in schaal 14 en hoger 2,75% en daarna
                                2,85%</al>
              <al>
                <sup>5</sup> De waarde van het bovenwettelijk vakantieverlof is in
                                het IKB gestort.</al>
              <lijst>
                <li nr="6."><al>Maakt de ambtenaar vóór de sluitingsdatum van de
                                        salarisverwerking geen keuze dan wordt het niet aangewende
                                        deel van het IKB dezelfde kalendermaand automatisch uitbe-
                                        taald.</al></li>
                <li nr="7."><al>Bedragen die uit het IKB zijn opgenomen kunnen niet meer
                                        worden teruggestort in het IKB.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.19</nr>
                <titel>Uitbetaling IKB bij einde dienstverband</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Wanneer het dienstverband eindigt wordt het nog beschikbare
                                    budget uit het IKB bij de laatste salarisbetaling aan de
                                    ambtenaar uitbetaald.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Bij overlijden van de ambtenaar:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel B.15,
                                            tweede lid, het budget uit het IKB waarover nog niet is
                                            beschikt, uitbetaald aan de nagelaten betrekkingen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>vindt geen verrekening plaats voor zover IKB is ingezet
                                            voor de in artikel C.18, eerste lid, onderdeel a,
                                            bedoelde bestemmingen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.20</nr>
                <titel>Fiscale en andere wet- en regelgeving</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De provincie draagt zorg voor informatie over gevolgen van
                                    keuzes voor in ieder geval de loonheffingen, het pensioen en de
                                    sociale verzekeringen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De gevolgen van gemaakte keuzes zijn voor rekening van de
                                    ambtenaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien achteraf blijkt dat door onjuiste of onvolledige
                                    informatie vanwege de ambtenaar ten onrechte bij de ambtenaar
                                    geen heffing van loonbelasting en premies volksverzekering heeft
                                    plaatsgevonden, wordt deze verschuldigde heffing, vermeerderd
                                    met eventuele boe- tes, op de ambtenaar of de gewezen ambtenaar
                                    verhaald.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien wijziging van fiscale wet- en regelgeving van invloed is
                                    op de inhoud of de werking van de regeling van het IKB zullen
                                    vervallen netto voordelen voor ambtenaren niet worden
                                    gecompenseerd.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Uitkering en gratificatie</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.21</nr>
                <titel>Eenmalige uitkering</titel>
              </kop>
              <al>De ambtenaar kan op grond van afspraken in het SPA een eenmalige
                                uitkering worden toege- kend.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.22</nr>
                <titel>Gratificatie ambtsjubileum</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde staten stellen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakor- ganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschriften vast inzake het
                                recht op een gratificatie wegens ambtsjubileum.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Vergoedingen voor extra diensten</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.23</nr>
                <titel>Vergoeding voor overwerk</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Aan de ambtenaar voor wie een lagere salarisschaal geldt dan
                                    salarisschaal 11 en die in opdracht overwerk verricht wordt een
                                    vergoeding toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onder overwerk wordt verstaan arbeid buiten de voor de ambtenaar
                                    geldende werktijden, voor zover daardoor het voor hem
                                    vastgestelde aantal arbeidsuren wordt overschreden. Ar- beid als
                                    bedoeld in de eerste volzin wordt niet als overwerk aangemerkt,
                                    indien die is verricht ter voldoening aan de verplichtingen op
                                    grond van artikel B.7.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Voor overwerk dat gedurende korter dan een half uur onmiddellijk
                                    voor het begin of onmid- dellijk na het einde van de voor de
                                    ambtenaar vastgestelde werktijd wordt verricht wordt geen
                                    vergoeding toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De vergoeding voor overwerk bestaat uit</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>verlof gedurende een periode, gelijk aan het aantal uren
                                            van het overwerk; en</al></li>
                  <li nr="b."><al>een bedrag in geld dat voor elk uur overwerk een
                                            percentage is van het voor de ambte- naar geldende
                                            salaris per uur.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Indien naar het oordeel van de leidinggevende het dienstbelang
                                    zich verzet tegen het toe- kennen van verlof wordt in plaats van
                                    verlof voor ieder uur een bedrag in geld toegekend, gelijk aan
                                    het voor de ambtenaar geldende salaris per uur.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het in het vierde lid, onderdeel b, genoemde percentage bedraagt
                                    voor overwerk, verricht op</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>zondag, de feestdagen, genoemd in artikel D.1, derde
                                            lid, en andere daarmee door ge- deputeerde staten
                                            gelijkgestelde dagen, alsmede op de dag, volgende op een
                                            van voorgaande dagen, tussen 0 en 6 uur: 100%;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zaterdag tussen 0 en 6 uur en tussen 18 en 24 uur:
                                            75%;</al></li>
                  <li nr="c."><al>zaterdag tussen 6 en 18 uur: 50%;</al></li>
                  <li nr="d."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 20 en 24 uur:
                                            50%;</al></li>
                  <li nr="e."><al>dinsdag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur: 50%;</al></li>
                  <li nr="f."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 6 uur en het tijdstip,
                                            gelegen 2 uur voor het begin van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd: 50%;</al></li>
                  <li nr="g."><al>maandag tot en met vrijdag tussen het tijdstip, gelegen
                                            tussen 2 uur na het einde van de voor de ambtenaar
                                            geldende werktijd en 20 uur: 50%;</al></li>
                  <li nr="h."><al>maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 20 uur, behoudens
                                            de uren, bedoeld in de on- derdelen f en g: 25%.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Voor de vaststelling van de duur van het overwerk gelden de uren
                                    waarop verlof is genoten als uren waarop is gewerkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen voor werkzaamheden die ambtenaren met
                                    een verschillende bezoldiging en eventueel verschillende
                                    functies tezamen en gelijktijdig in overwerk moeten verrichten
                                    een gelijke, naar hun oordeel redelijke vergoeding
                                    vaststellen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>9.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar die regelmatig
                                    overwerk moet verrichten, een vaste vergoeding toekennen.
                                    Gedurende de tijd dat de ambtenaar geen of een gedeelte van zijn
                                    bezoldiging geniet wordt de in de eerste volzin bedoelde
                                    vergoeding niet, onder- scheidenlijk naar evenredigheid
                                    toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>10.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen aan een ambtenaar voor wie een hogere
                                    salarisschaal geldt dan salarisschaal 10, in bijzondere gevallen
                                    voor overwerk een door hen te bepalen vergoe- ding toekennen,
                                    indien en naarmate dit naar hun oordeel, gelet op de aard of de
                                    omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan,
                                    redelijk is te achten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>11.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                    regels vaststellen nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk I
                                    overleg heeft plaatsgevonden met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel. Zij kunnen in bijzondere gevallen een
                                    regeling treffen die het be- paalde in dit artikel aanvult of
                                    daarvan afwijkt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>12.</lidnr>
                <al>De vergoeding in geld voor overwerk is pensioengevend inkomen in
                                    de zin van het pensi- oenreglement.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>C.24</nr>
                <titel>Vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vak- organisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, algemeen verbindende voorschrif- ten vaststellen
                                inzake het recht op een vergoeding voor andere extra diensten dan
                                overwerk.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>D</nr>
            <titel>ARBEIDSDUUR, WERKTIJDEN EN VERLOF</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Arbeidsduur en werktijden</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.1</nr>
                <titel>Arbeidsduur</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten bepalen de arbeidsduur voor de ambtenaar met
                                    inachtneming van de uitkomsten van het overleg met de
                                    organisaties van overheidspersoneel in het SPA.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een volledige
                                    functie is daarbij gelijk aan het aantal kalenderdagen per jaar,
                                    verminderd met het aantal zaterdagen en zondagen en niet op
                                    zaterdag of zondag vallende feestdagen, vermenigvuldigd met 7,2
                                    uur per dag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Onder feestdagen worden verstaan de nieuwjaarsdag, de tweede
                                    paasdag, Hemelvaarts- dag, de tweede pinksterdag, de beide
                                    kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koning wordt
                                    gevierd en - eenmaal in de vijf jaar in lustrumjaren - 5
                                    mei.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De arbeidsduur per jaar voor de ambtenaar met een
                                    deeltijdfunctie wordt evenredig aan het deeltijdpercentage
                                    bepaald.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen
                                    verzetten, wordt de ar- beidsduur van de ambtenaar op aanvraag
                                    bepaald op meer dan die in een volledige functie als bedoeld in
                                    het tweede lid. De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per
                                    week. De aanspraken bij of krachtens deze regeling die zijn
                                    gerelateerd aan de arbeidsduur, worden bepaald naar
                                    evenredigheid ten opzichte van de arbeidsduur in een volledige
                                    functie als bedoeld in het tweede lid.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.2</nr>
                <titel>Werktijdenregelingen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten stellen een algemene werktijdenregeling vast
                                    nadat met inachtneming van de bepalingen in en krachtens de Wet
                                    op de ondernemingsraden daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen voor bepaalde onderdelen van de
                                    organisatie of voor bepaal- de functies een bijzondere
                                    werktijdenregeling vaststellen nadat met inachtneming van de
                                    bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden
                                    daarover overleg met de on- dernemingsraad heeft
                                    plaatsgevonden.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen in afwijking van de in het eerste of
                                    tweede lid vastgestelde werktijdenregeling met de ambtenaar een
                                    individuele werktijdenregeling afspreken, daaron- der begrepen
                                    een werktijdenregeling voor een langere periode dan één
                                    kalenderjaar, waar- bij de voor de ambtenaar geldende
                                    arbeidsduur wordt berekend naar evenredigheid van de langere
                                    periode. De afgesproken individuele werktijdenregeling wordt
                                    schriftelijk vastgelegd.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De werktijdenregelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde
                                    lid, worden zodanig vast- gesteld, dat een goede bedrijfsvoering
                                    is gewaarborgd en dat, zo mogelijk, wordt rekening gehouden met
                                    de individuele wensen en arbeidsomstandigheden van de
                                    ambtenaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan in het belang van de dienst worden
                                    verplicht:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                                            geldende werktijden;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zich buiten de voor hem geldende werktijden ter
                                            beschikking te houden.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.3</nr>
                <titel>Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat met inachtneming van de Wet op
                                    de ondernemingsra- den daarover overleg met de ondernemingsraad
                                    heeft plaatsgevonden, elk jaar maximaal 7 werkdagen aanwijzen
                                    als collectieve roostervrije dagen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is 5 mei een
                                    collectieve roostervrije dag in ja- ren dat deze op een werkdag
                                    valt en niet op grond van artikel D.1, derde lid, als feestdag
                                    wordt aangemerkt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.4</nr>
                <titel>Bijzondere bepalingen ten aanzien van de werktijd van oudere
                                    ambte- naren</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>P.M. (gereserveerd voor de regelingen van werktijdvermindering
                                    voor oudere ambtenaren, niet zijnde de FPU-plusregeling
                                    provincies waarover in het SPA-akkoord 2000/2001 afspra- ken
                                    zijn gemaakt en welke zijn opgenomen in de regeling ter
                                    uitvoering van artikel B.12, derde lid).</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Op zijn aanvraag wordt de ambtenaar van 55 jaar of ouder geheel
                                    of gedeeltelijk vrijgesteld van continudiensten in de
                                    nachturen.</al>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Vakantieverlof</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.5</nr>
                <titel>Aanspraak op vakantieverlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar heeft per kalenderjaar aanspraak op 144 uren
                                    vakantieverlof met behoud van de volle bezoldiging. Voor de
                                    ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt de aanspraak op
                                    vakantieverlof bepaald evenredig aan het
                                    deeltijdpercentage.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Bij aanvang of einde van het dienstverband in de loop van het
                                    kalenderjaar wordt de aan- spraak op vakantieverlof vastgesteld
                                    naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in dat
                                    jaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien de arbeidsduur van de ambtenaar wordt gewijzigd wordt de
                                    aanspraak op vakantie- verlof over het eventueel resterende deel
                                    van het kalenderjaar opnieuw vastgesteld, reke- ning houdend met
                                    de nieuwe arbeidsduur.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.6</nr>
                <titel>Vermindering en verval van aanspraak op
                                    vakantieverlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in afwijking
                                    van de voor hem gel- dende werktijdregeling geen arbeid,
                                    onderscheidenlijk gedeeltelijk arbeid verricht, heeft hij geen
                                    aanspraak op vakantieverlof, onderscheidenlijk aanspraak op
                                    vakantieverlof naar evenredigheid van het gedeelte van de
                                    werktijd waarop de arbeid volgens de werktijdrege- ling is
                                    verricht.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of
                                    gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>genoten vakantieverlof;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in
                                            artikel D.11;</al></li>
                  <li nr="c."><al>buitengewoon verlof van korte duur op grond van de
                                            artikelen D12 en D.13 en op grond van de Wet op de
                                            ondernemingsraden.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de
                                    ambtenaar over de uren waarop hij met recht op gehele of
                                    gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging wegens ziekte geen
                                    ar- beid verricht, aanspraak op vakantieverlof overeenkomstig
                                    het bepaalde in artikel D.5.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De aanspraak op vakantieverlof vervalt 12 maanden na de laatste
                                    dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan, tenzij
                                    de ambtenaar tot aan dat tijdstip redelijkerwijs niet in staat
                                    is geweest om dit vakantieverlof op te nemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De aanspraak op vakantieverlof dat niet ingevolge het vierde lid
                                    vervalt, vervalt na verloop van 5 jaren na de laatste dag van
                                    het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.7</nr>
                <titel>Opnemen van het vakantieverlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan het vakantieverlof waarop hij aanspraak heeft
                                    opnemen, tenzij hem daarvoor om redenen van dienstbelang geen
                                    toestemming is verleend. De ambtenaar meldt het voornemen om
                                    vakantieverlof op te nemen tijdig.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De ambtenaar neemt het vakantieverlof als regel op in het
                                    kalenderjaar waarop het betrek- king heeft en als regel zodanig
                                    dat hij in ieder geval 2 weken aaneengesloten vrij van dienst
                                    is. Niet opgenomen vakantieverlof wordt in het volgende
                                    kalenderjaar opgenomen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld per kalenderjaar
                                    het voor dat jaar geldende vakantieverlof op te nemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De ambtenaar wordt, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, in de gele- genheid gesteld vakantieverlof
                                    op te nemen op officiële feestdagen die samenhangen met zijn
                                    geloof en/of culturele achtergrond, anders dan de dagen genoemd
                                    in artikel D.1, derde lid, bij het huwelijk en geregistreerd
                                    partnerschap van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede
                                    graad, bij verhuizing en bij overlijden van bloed- en
                                    aanverwanten in de derde en vierde graad van de ambtenaar of
                                    diens partner.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Wanneer zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen dat
                                    noodzakelijk maken kan de aan de ambtenaar verleende toestemming
                                    om vakantieverlof op te nemen, worden ingetrokken, zowel vóór
                                    als tijdens het vakantieverlof. Indien de ambtenaar ten gevolge
                                    van het intrekken van de toestemming om vakantieverlof op te
                                    nemen geldelijke schade lijdt, wordt deze hem vergoed.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.8</nr>
                <titel>Vakantieverlof en ziekte</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan ook tijdens ziekte vakantieverlof opnemen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Voor de ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk geen arbeid
                                    verricht worden bij het op- nemen van vakantieverlof de uren
                                    voor de gehele arbeidsduur in mindering gebracht op het
                                    vakantieverlof.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, indien aan
                                    hem geen toestemming zou zijn verleend om vakantieverlof op te
                                    nemen, wegens ziekte op uren van het vakantieverlof verhinderd
                                    zou zijn geweest zijn arbeid te verrichten, worden die uren als
                                    niet opgenomen vakantieverlof aangemerkt.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.9</nr>
                <titel>Vakantieverlof en einde dienstverband</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Voor ieder uur vakantieverlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen
                                    opnemen op de dag dat het dienstverband eindigt wordt hem een
                                    vergoeding toegekend.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, is voor ieder van die
                                    uren vakantieverlof gelijk aan het salaris per uur van de
                                    ambtenaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Indien het dienstverband eindigt door overlijden van de
                                    ambtenaar wordt de in het eerste lid bedoelde vergoeding
                                    toegekend aan de nagelaten betrekkingen, bedoeld in artikel
                                    B.15, vierde lid.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Indien op de dag dat het dienstverband eindigt blijkt dat de
                                    ambtenaar, anders dan door toedoen van de provincie, teveel
                                    vakantieverlof heeft genoten, is hij voor ieder uur teveel
                                    genoten vakantieverlof een bedrag verschuldigd ten bedrage van
                                    het salaris per uur.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.10</nr>
                <titel>Levensloop</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde staten stellen overeenkomstig de hierover in het SPA
                                gemaakte afspraken een levensloopregeling vast, met inachtneming van
                                het bepaalde ter zake bij en krachtens de Wet op de loonbelasting
                                1964, de Wet arbeid en zorg en de Wet inkomstenbelasting 2001.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>Paragraaf</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Buitengewoon verlof</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.11</nr>
                <titel>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Wet Arbeid en Zorg
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft gedurende dit
                                    verlof aanspraak op doorbetaling van haar vol- ledige
                                    bezoldiging</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>De ambtenaar van wie de partner tijdens het bevallingsverlof
                                    overlijdt, heeft op grond van de Wet Arbeid en Zorg recht op het
                                    resterende bevallingsverlof met doorbetaling van de
                                    bezoldiging.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht
                                    een bedrag, gelijk aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en
                                    zorg waarop de ambtenaar gedurende het zwanger- schaps- en
                                    bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als tijdig een
                                    aanvraag voor die uitkering zou hebben gedaan.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.12</nr>
                <titel>Buitengewoon verlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De ambtenaar heeft, tenzij de belangen van de dienst zich
                                    daartegen verzetten, recht op verlof van korte duur met behoud
                                    van bezoldiging bij huwelijk en geregistreerd partnerschap van
                                    de ambtenaar voor 1 dag.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>De ambtenaar behoudt het recht op bezoldiging voor een korte,
                                    naar billijkheid te bereke- nen tijd, wanneer hij ten gevolge
                                    van een calamiteit verhinderd is geweest zijn arbeid te ver-
                                    richten. Desgevraagd dient de ambtenaar aannemelijk te maken dat
                                    er daadwerkelijk spra- ke was van een calamiteit.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>De ambtenaar aan wie op grond van artikel 3:2 van de Wet arbeid
                                    en zorg in verband met de adoptie van een kind of de opname van
                                    een pleegkind als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, onderdeel
                                    d, van die wet, verlof is verleend behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aan- spraak op bezoldiging. Op de bezoldiging
                                    wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk
                                    aan de uitkering krachtens de Wet arbeid en zorg waarop hij
                                    gedurende de verlofperiode recht heeft of gehad zou hebben als
                                    tijdig een aanvraag voor die uitkering zou zijn gedaan.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>De ambtenaar aan wie op grond van artikel 5:1 van de Wet arbeid
                                    en zorg kortdurend zorg- verlof is verleend, behoudt over die
                                    verlofperiode zijn aanspraak op bezoldiging.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>8.</lidnr>
                <al>Het kort betaald verzuimverlof op grond van artikel 4:1, eerste
                                    lid, juncto tweede lid, onder- deel b, van de Wet arbeid en zorg
                                    duurt bij het overlijden van</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>de partner en bloed- en aanverwanten in de eerste graad:
                                            vier dagen;</al></li>
                  <li nr="b."><al>overige bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, bloed-
                                            en aanverwanten in de tweede graad van de zijlijn en
                                            huisgenoten, niet zijnde de partner of genoemde bloed-
                                            en aan- verwanten: maximaal twee dagen, of, indien de
                                            ambtenaar is belast met de lijkbezor- ging, maximaal
                                            vier dagen.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.13</nr>
                <titel>Buitengewoon verlof voor activiteiten van
                                    vakorganisaties</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten worden
                                    per kalenderjaar ten hoogste 108 uren buitengewoon verlof met
                                    behoud van de volle bezoldiging verleend voor het bijwonen van
                                    vergaderingen van statutaire organen van de in artikel I.1,
                                    tweede lid, be- doelde vakorganisaties van overheidspersoneel en
                                    van centrale organisaties en internatio- nale
                                    ambtenarenorganisaties, waarbij deze vakorganisaties zijn
                                    aangesloten, mits de amb- tenaar hieraan deelneemt:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>voor zover het betreft vergaderingen van vakorganisaties
                                            van overheidspersoneel, als bestuurslid van die
                                            vakorganisatie dan wel als afgevaardigde of bestuurslid
                                            van een onderdeel daarvan;</al></li>
                  <li nr="b."><al>voor zover het betreft vergaderingen van centrale
                                            organisaties, waarbij de vakorganisa- ties van
                                            overheidspersoneel zijn aangesloten, als bestuurslid van
                                            die centrale organisa- tie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurslid van bedoelde vakorganisaties van over-
                                            heidspersoneel;</al></li>
                  <li nr="c."><al>voor zover het betreft vergaderingen van een
                                            internationale ambtenarenorganisatie, waarbij de
                                            vakorganisaties van overheidspersoneel zijn aangesloten,
                                            als bestuurslid van deze internationale
                                            ambtenarenorganisatie dan wel als afgevaardigde of
                                            bestuurs- lid van bedoelde vakorganisaties van
                                            overheidspersoneel.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    per kalenderjaar tot ten hoogste 187,2 uren buitengewoon verlof
                                    met behoud van de volle bezoldiging verleend aan de ambtenaar
                                    die door een van de in artikel I.1, tweede lid, bedoelde
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel is aangewezen om
                                    bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te
                                    ontplooien binnen zijn vakorganisatie dan wel binnen het
                                    provinciaal apparaat. De door de ambtenaar te verrichten
                                    activiteiten dienen de doelstellingen van zijn vakorganisatie
                                    van overheidspersoneel te ondersteunen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    aan de ambtenaar voor het - op uitnodiging van een in artikel
                                    I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    - als cursist deelnemen aan een cursus, met dien verstande dat
                                    dit verlof ten hoogste 50,4 uren per 2 kalenderjaren
                                    bedraagt.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Het verlof, verleend op grond van het eerste, tweede en derde
                                    lid, bedraagt tezamen ten hoogste 216 uren per kalenderjaar, met
                                    dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof per kalenderjaar
                                    worden verleend aan een lid van het hoofdbestuur van een in
                                    artikel I.1, twee- de lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidspersoneel of van een centrale organisatie waarbij die
                                    vakorganisatie is aangesloten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Voor de ambtenaar met een deeltijdfunctie wordt het verlof,
                                    bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, bepaald evenredig
                                    aan het deeltijdpercentage.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Het verlof, bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid, wordt
                                    slechts verleend aan de ambte- naar die lid is van een in
                                    artikel I.1, tweede lid, bedoelde vakorganisatie van
                                    overheidsper- soneel.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt
                                    buitengewoon verlof met behoud van de volle bezoldiging verleend
                                    voor deelname aan het in artikel I.1 bedoelde overleg als
                                    vertegenwoordiger van de vakorganisatie van overheidspersoneel
                                    en aan het daartoe noodzakelijke vooroverleg van de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.14</nr>
                <titel>Non-activiteit</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van
                                        de Ambtenarenwet, bestaat geen recht op doorbetaling van
                                        bezoldiging, toeslagen, toelagen, uitkeringen en
                                        vergoedingen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of
                                        verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, van de
                                        Ambtenarenwet aanspraak heeft op inkomsten - niet zijnde een
                                        onkos- tenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de
                                        tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende
                                        verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat
                                        hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als inkomsten
                                        over de met het verlof overeenkomende tijd niet te
                                        boven.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.15</nr>
                <titel>Kapstokbepaling buitengewoon verlof</titel>
              </kop>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen, indien daartoe naar hun oordeel termen
                                bestaan, de ambtenaar op zijn aanvraag buitengewoon verlof verlenen
                                voor bepaalde of onbepaalde tijd, al dan niet met behoud van volle
                                of gedeeltelijke bezoldiging en op door hen te bepalen wijze.
                                Gedepu- teerde staten kunnen de ambtenaar ook anders dan op aanvraag
                                buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging
                                verlenen als daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.16</nr>
                <titel>Langdurend onbetaald verlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>De ambtenaar kan gedeputeerde staten verzoeken om onbetaald
                                    verlof te verlenen voor de volledige arbeidsduur of voor een
                                    deel daarvan. Het verlof wordt ten minste drie maanden tevoren
                                    aangevraagd. De aanvraag bevat in ieder geval de datum waarop
                                    het verlof ingaat, het aantal op te nemen uren verlof en de
                                    verdeling daarvan over de weken.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Het verlof bedraagt minimaal acht aaneengesloten weken. De
                                    maximumduur wordt in over- leg tussen de ambtenaar en zijn
                                    leidinggevende vastgesteld.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kennen het aangevraagde verlof toe, tenzij
                                    de belangen van de dienst zich daartegen verzetten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de ambtenaar besluiten
                                    dat het verlof op grond van onvoorziene omstandigheden niet
                                    wordt opgenomen of niet wordt voortgezet. Zij kunnen het verzoek
                                    afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich
                                    hierte- gen verzet. Aan dit verzoek hoeft niet eerder gevolg
                                    gegeven te worden dan vier weken na het verzoek. In het geval
                                    dat het verlof met toepassing van de eerste volzin na het
                                    tijdstip van ingang daarvan niet wordt voortgezet, vervalt het
                                    recht op het overige deel van het ver- lof.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het verlof wordt bij samenloop voor de duur van het
                                    zwangerschaps- en bevallingsverlof opgeschort.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>6.</lidnr>
                <al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie
                                    die hij bij aanvang van dat verlof vervulde.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>7.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het vierde en zesde lid is niet van toepassing
                                    op de ambtenaar aan wie onbetaald verlof is verleend, direct
                                    voorafgaand aan pensionering met het oog op vervroeg- de
                                    uittreding.</al>
              </lid>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel</label>
                <nr>D.17</nr>
                <titel>Aanspraken tijdens onbetaald verlof</titel>
              </kop>
              <lid>
                <lidnr>1.</lidnr>
                <al>Over de opgenomen uren van het in artikel D.16 bedoelde
                                    onbetaald verlof heeft geen opbouw van vakantieverlof en van IKB
                                    plaats.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>2.</lidnr>
                <al>Gedurende de periode van onbetaald verlof als bedoeld in artikel
                                    D.16 behoudt de ambte- naar zijn aanspraak op een tegemoetkoming
                                    in de ziektekosten.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>3.</lidnr>
                <al>Met uitzondering van de in het tweede lid bedoelde
                                    tegemoetkoming bestaat over de uren van onbetaald verlof geen
                                    aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toela-
                                    gen, uitkeringen en vergoedingen.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>4.</lidnr>
                <al>De op grond van het pensioenreglement verschuldigde
                                    pensioenpremie over de periode van onbetaald verlof komt
                                    gedurende de eerste zes maanden voor rekening van de provin- cie
                                    en de ambtenaar overeenkomstig de standaardverdeling van de
                                    pensioenpremie tus- sen werkgever en werknemer en daarna
                                    volledig voor rekening van de ambtenaar. Ingeval van onbetaald
                                    verlof, direct voorafgaand ontslag wegens het bereiken van de
                                    AOW - gerechtigde leeftijd dan wel wegens volledig ontslag
                                    voorafgaand ABP-keuzepensioen, komt de verschuldigde
                                    pensioenpremie vanaf het begin van dit verlof volledig voor
                                    reke- ning van de ambtenaar.</al>
              </lid>
              <lid>
                <lidnr>5.</lidnr>
                <al>Het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid, eerste volzin,
                                    is van overeenkomstige toe- passing op:</al>
                <lijst>
                  <li nr="a."><al>onbetaald ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6
                                            van de Wet arbeid en zorg;</al></li>
                  <li nr="b."><al>onbetaald langdurend zorgverlof als bedoeld in afdeling
                                            2 van hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en zorg.</al></li>
                </lijst>
              </lid>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>E</nr>
            <titel>GEZONDHEID EN ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.1</nr>
              <titel>Algemene bepalingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten sluiten een overeenkomst met een
                                Arbo-dienst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsge- vonden, regels met
                                betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                                begelei- ding van ziekteverzuim, verplichtingen inzake ziek- en
                                hersteldmelding daaronder begre- pen, de arbeidsgezondheidskundige
                                begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedu- res.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.2</nr>
              <titel>Keuring bij aanstelling of functiewijziging</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten stellen, nadat met inachtneming van de
                                bepalingen in en krachtens de Wet op de ondernemingsraden daarover
                                overleg met de ondernemingsraad heeft plaatsge- vonden, een lijst
                                vast met functies, waarvoor op grond van bijzondere eisen op het
                                punt van medische geschiktheid een medische keuring bij aanstelling
                                of functiewijziging is vereist.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Ten aanzien van de medische keuring, bedoeld in het eerste lid is
                                tevens van toepassing het Protocol Aanstellingskeuringen van de
                                Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot be- vordering der
                                Geneeskunst.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.3</nr>
              <titel>Verplichte periodieke functiegerichte arbeidsgezondheidskundige
                                onderzoeken</titel>
            </kop>
            <al>Een ambtenaar die is belast met een functie, vermeld op de lijst,
                            bedoeld in het eerste lid van artikel E.2, ondergaat periodiek een
                            gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.4</nr>
              <titel>Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                                onderzoeken</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar verplichten een
                            arbeidsgezondheidskundig onder- zoek te ondergaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>indien naar hun oordeel gegronde redenen bestaan voor twijfel
                                    aan een goede gezond- heidstoestand van de ambtenaar;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien zij gegronde redenen hebben om te twijfelen aan de
                                    volledige geschiktheid van de ambtenaar voor het verrichten van
                                    zijn arbeid, teneinde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
                                    aanwezig zijn en, zo ja, of de ambtenaar geschikt kan worden
                                    geacht voor de vervulling van een andere functie;</al></li>
              <li nr="c."><al>indien de ambtenaar in contact staat of kort geleden heeft
                                    gestaan met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor
                                    ingevolge de Wet publieke gezondheid een nominatieve aangif-
                                    teplicht geldt;</al></li>
              <li nr="d."><al>ter beantwoording van de vraag of de ambtenaar tijdens het
                                    tijdvak waarin hij wegens ziekte ongeschikt is om zijn arbeid te
                                    verrichten, in het belang van zijn genezing arbeid mag ver-
                                    richten en om vast te stellen welke arbeid wenselijk wordt
                                    geacht;</al></li>
              <li nr="e."><al>om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in
                                    het eerste lid, onderdelen a en b van artikel E.9;</al></li>
              <li nr="f."><al>om te beoordelen of een ambtenaar die wegens ziekte volledig
                                    ongeschikt is geweest zijn arbeid te verrichten zijn arbeid mag
                                    hervatten.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.5</nr>
              <titel>Medisch advies, hernieuwd onderzoek</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De Arbo-dienst brengt naar aanleiding van een
                                arbeidsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in de artikelen E.3
                                en E.4 een medisch advies uit aan gedeputeerde staten. De ambtenaar
                                ontvangt zo spoedig mogelijk een afschrift van het medisch
                                advies.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien de ambtenaar het niet eens is met het medisch advies kan hij
                                schriftelijk binnen een periode van twee weken een hernieuwd
                                onderzoek aanvragen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag, maar uiterlijk
                                binnen vier weken, vindt het hernieuwd onderzoek plaats door een
                                commissie van drie artsen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De leden van de commissie worden door gedeputeerde staten
                                aangewezen. De arts, die het medisch advies heeft uitgebracht,
                                waarvan herziening wordt gevraagd, heeft in de commissie geen
                                zitting.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Op aanvraag van de ambtenaar wordt zijn behandelend arts in de
                                gelegenheid gesteld om, binnen een termijn van twee weken na zijn
                                aanvraag, zijn mening schriftelijk aan de com- missie kenbaar te
                                maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De commissie deelt haar oordeel schriftelijk mee aan de ambtenaar,
                                gedeputeerde staten en de behandelend arts, bedoeld in het vijfde
                                lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>De kosten van een hernieuwd onderzoek komen voor rekening van de
                                provincie. De amb- tenaar krijgt zijn reis- en verblijfkosten
                                vergoed volgens de geldende provinciale regeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Het bepaalde in het tweede tot en met zevende lid is niet van
                                toepassing indien de ambte- naar het UWV kan verzoeken ter zake een
                                oordeel te geven als bedoeld in artikel 32, eerste lid en derde lid,
                                onderdelen a en b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
                                en in- komen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.6</nr>
              <titel>Buitendienststelling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar op advies van de Arbo-dienst
                                buiten dienst stellen, indien na een onderzoek als bedoeld in de
                                artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de ambte- naar lichamelijk of
                                geestelijk in een zodanige toestand verkeert, dat hij zijn eigen
                                belangen, de belangen van de dienst of van derden die bij het
                                verrichten van de arbeid zijn betrokken, schaadt door zijn arbeid te
                                blijven verrichten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De ambtenaar die overeenkomstig het eerste lid buiten dienst wordt
                                gesteld, wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het
                                verrichten van arbeid, in welk geval het bepaalde in en krachtens de
                                artikelen E.7, E.8 en E.9 van toepassing is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.7</nr>
              <titel>Re-integratie van zieke ambtenaren</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1"><al>Gedeputeerde staten bevorderen ten aanzien van de ambtenaar, die
                                    in verband met onge- schiktheid ten gevolge van ziekte
                                    verhinderd is zijn arbeid te verrichten, de inschakeling in de
                                    arbeid binnen de provinciale organisatie. Indien vaststaat dat
                                    de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de
                                    provinciale organisatie geen andere passende arbeid voorhanden
                                    is, bevorderen gedeputeerde staten gedurende het tijdvak waarin
                                    de ambtenaar jegens de pro- vincie recht op bezoldiging heeft op
                                    grond van de vierde afdeling van de Ziektewet, artikel 71a,
                                    negende lid, van de WAO of artikel 25, negende lid, van de WIA
                                    de inschakeling van de ambte- naar in voor hem passende arbeid
                                    in het bedrijf van een andere werkgever.</al></li>
              <li nr="2."><al>Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                    taak treffen gedeputeerde staten zo tijdig mogelijk zodanige
                                    maatregelen en verstrekken zij zo tijdig mogelijk aanwijzingen
                                    als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband
                                    met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn
                                    arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere
                                    passende arbeid te verrichten.</al></li>
              <li nr="4."><al>Uit hoofde van de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde
                                    taak stellen gedeputeerde staten in overeenstemming met de
                                    ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in arti- kel 71a,
                                    tweede lid, van de WAO dan wel artikel 25, tweede lid, van de
                                    WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar
                                    regelmatig geëvalueerd en zo nodig bij- gesteld.</al></li>
              <li nr="5."><al>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                    ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is
                                    verplicht:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door
                                            hen aangewezen deskundi- ge gegeven redelijke
                                            voorschriften en mee te werken aan door gedeputeerde
                                            staten of een door hen aangewezen deskundige getroffen
                                            maatregelen als bedoeld in het eerste lid;</al></li>
                  <li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen,
                                            evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in het derde lid;</al></li>
                  <li nr="c."><al>passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde
                                            staten hem in de gelegenheid stellen;</al></li>
                  <li nr="d."><al>de eigen arbeid te verrichten onder andere voorwaarden
                                            die in verband met de ar- beidsongeschiktheid
                                            noodzakelijk zijn.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.8</nr>
              <titel>Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten stellen algemeen verbindende voorschriften vast met
                            betrekking tot de aanspraken van de ambtenaar en de gewezen ambtenaar
                            bij ziekte en arbeidsongeschiktheid,</al>
            <al>de daarbij in acht te nemen verplichtingen en de sancties bij het niet
                            nakomen van die verplich- tingen, met inachtneming van de hierover in
                            het SPA gemaakte afspraken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.9</nr>
              <titel>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar kan ontslag worden verleend op grond van ongeschiktheid
                                tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                                        arbeid wegens ziekte gedu- rende een ononderbroken periode
                                        van twee jaar;</al></li>
                <li nr="b."><al>herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes
                                        maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar
                                        is te verwachten en</al></li>
                <li nr="c."><al>het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om
                                        de ambtenaar binnen de organisatie van de provincie andere
                                        passende arbeid aan te bieden, dan wel indien de ambtenaar
                                        geweigerd heeft andere passende arbeid te aanvaarden.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij het bepalen van het tijdvak van twee jaar als bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel a, wordt niet in aanmerking genomen
                                afwezigheid van een vrouwelijke ambtenaar wegens door de
                                zwangerschap of bevalling veroorzaakte ziekte in de periode vanaf
                                het begin van de zwangerschap tot aan het einde van het
                                bevallingsverlof.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Voor het bepalen van het in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde
                                tijdvak van twee jaar wor- den tijdvakken van ongeschiktheid tot het
                                verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samen- geteld:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
                                        weken opvolgen; of</al></li>
                <li nr="b."><al>indien zij worden onderbroken door afwezigheid wegens door
                                        zwangerschap of beval- ling veroorzaakte ziekte in de
                                        periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het
                                        einde van het bevallingsverlof; of</al></li>
                <li nr="c."><al>indien een in onderdeel b bedoelde afwezigheid wordt
                                        voorafgegaan of wordt gevolgd door een periode van
                                        arbeidsgeschiktheid die in totaal minder dan vier weken
                                        bedraagt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                wordt verlengd met de duur van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64,
                                        eerste lid, van de WIA later wordt gedaan dan in of op grond
                                        van dat artikel is voorgeschreven;</al></li>
                <li nr="b."><al>de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon
                                        of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de
                                        WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wacht-
                                        tijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO;
                                        en</al></li>
                <li nr="c."><al>het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende
                                        lid, van de WIA dan wel arti- kel 71a, negende lid, van de
                                        WAO, heeft vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Bij het onderzoek ter beoordeling van de vraag of er sprake is van
                                een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,
                                betrekken gedeputeerde staten de uitslag van de claimbeoordeling op
                                grond van de WIA en een eventueel door gedeputeerde staten of de
                                ambtenaar aangevraagd deskundigenoordeel door het UWV.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de
                                WIA voor meer dan 65% arbeidsgeschikt is verklaard wordt na afloop
                                van de in het eerste lid bedoelde termijn geen ontslag verleend op
                                grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid we- gens
                                ziekte, tenzij sprake is van een zwaarwegend dienstbelang. Ontslag
                                als bedoeld in de eerste volzin, kan niet eerder worden verleend dan
                                na één jaar na de in het eerste lid, on- derdeel a, genoemde periode
                                van twee jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>De ambtenaar die door het UWV arbeidsgeschikt is verklaard voor
                                minder dan het aantal uren waarvoor hij is aangesteld en die bij de
                                provincie zijn arbeid blijft of andere passende arbeid gaat
                                verrichten voor minder uren kan ontslag op grond van dit artikel
                                slechts worden verleend voor het aantal uren dat het verschil vormt
                                tussen de oude en de nieuwe arbeids- duur.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.10</nr>
              <titel>Infectieziekten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een ambtenaar, die in contact staat of kort geleden heeft gestaan
                                met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het
                                krachtens de Wet publieke gezondheid bepaalde een nominatieve
                                aangifteplicht geldt, mag zijn functie niet vervullen en heeft geen
                                toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen tenzij de
                                Arbo-dienst daartoe toestemming heeft ver- leend.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De ambtenaar, die verkeert in de in het eerste lid omschreven
                                situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste mededeling te doen aan
                                de Arbo-dienst. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of
                                vanwege de Arbo-dienst gegeven aanwijzingen, waaronder die met
                                betrek- king tot het ondergaan van een arbeidsgezondheidskundig
                                onderzoek.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De ambtenaar geniet over de tijd gedurende welke het hem
                                overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn functie
                                te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.11</nr>
              <titel>Collectieve overeenkomst zorgverzekering</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten sluiten met een of meer zorgverzekeraars ten
                                behoeve van de amb- tenaar en zijn gezinsleden een overeenkomst als
                                bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzeke- ringswet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde overeenkomst regelt in ieder geval het
                                geldelijk voordeel voor de op grond van de Zorgverzekeringswet
                                verplichte zorgverzekering en voor de aanvullen- de
                                zorgverzekering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan mede betrekking
                                hebben op de gewezen ambtenaar aan wie ontslag uit provinciale
                                dienst is verleend met recht</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op een wettelijke uitkering wegens volledige en duurzame
                                        arbeidsongeschiktheid; of</al></li>
                <li nr="b."><al>op ouderdomspensioen ten laste van het ABP dan wel op een
                                        FPU-uitkering; en op de gezinsleden van de onder a en b
                                        bedoelde gewezen ambtenaar.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.12</nr>
              <titel>Tegemoetkoming in de ziektekosten<sup>6</sup></titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming
                                    in de ziektekosten.</al><al>De tegemoetkoming bedraagt voor de ambtenaar voor wie een
                                    salarisschaal geldt</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>die lager is dan salarisschaal 7: € 24,66 per
                                            maand;</al></li>
                  <li nr="b."><al>die gelijk is aan of hoger dan salarisschaal 7: € 15,86
                                            per maand.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Indien het salaris van het provinciepersoneel een algemene
                                    wijziging ondergaat worden de bedragen van de tegemoetkoming,
                                    bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, overeenkomstig
                                    gewijzigd.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.13</nr>
              <titel>Vervallen per 1 januari 2009</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.14</nr>
              <titel>Ziektekosten bij dienstongeval of beroepsziekte</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In geval van dienstongevallen of beroepsziekten worden de ambtenaar
                                vergoed te zijnen laste blijvende, naar het oordeel van gedeputeerde
                                staten noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of
                                verzorging.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor vergoeding komen, tenzij gedeputeerde staten in bijzondere
                                gevallen anders bepalen, niet in aanmerking de kosten die ten laste
                                van de ambtenaar blijven vanwege de aanvaar- ding van een eigen
                                risico in de op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte
                                zorgverze- kering.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.15</nr>
              <titel>Borstvoeding</titel>
            </kop>
            <al>Aan de vrouwelijke ambtenaar die een borstkind heeft wordt de
                            gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te
                            kolven.</al>
            <al/>
            <al>
              <sup>6</sup> De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde bedragen
                            zijn de bedragen per 1 januari 2015. In Flevoland is de tegemoetkoming
                            in de ziektekosten onderdeel van een ruimere compensatie van
                            inkomenseffecten die met de bonden in die provincie is afgesproken bij
                            de invoering van het nieuwe ziektekostenstelsel per 1 januari 2006. De
                            inkomensef- fecten van het nieuwe ziektekostenstelsel wijken af van die
                            in de andere provincies omdat Flevoland als enige provincie vóór 1
                            januari 2006 geen publiekrechtelijke ziektekostenregeling kende.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>E.16</nr>
              <titel>Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval van
                                ongeschiktheid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten of
                                wegens het niet aanvragen van een uitkering op grond van de
                                WIA</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan ontslag worden
                                verleend indien hij zonder deugdelijke grond weigert of nalaat:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>gevolg te geven aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundi- ge gegeven redelijke voorschriften en
                                        mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen
                                        aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat
                                        te stellen de eigen of andere passende arbeid te
                                        verrichten;</al></li>
                <li nr="b."><al>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel
                                        25, tweede lid, van de WIA dan wel artikel 71a, tweede lid,
                                        van de WAO;</al></li>
                <li nr="c."><al>passende arbeid te verrichten waartoe gedeputeerde staten
                                        hem in gelegenheid stellen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Alvorens een besluit tot ontslag op grond van het eerste lid te
                                nemen wordt het UWV ver- zocht een oordeel te geven als bedoeld in
                                artikel 32, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Aan de ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                                ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten kan na afloop van de
                                in artikel E.9, eerste lid, bedoelde termijn ont- slag worden
                                verleend indien hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd of
                                nagelaten een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>F</nr>
            <titel>OVERIGE RECHTEN EN PLICHTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.1</nr>
              <titel>Integriteit</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De ambtenaar is verplicht aan gedeputeerde staten opgave te doen
                                    van de nevenwerk- zaamheden die hij verricht of voornemens is te
                                    gaan verrichten die de belangen van de dienst, voor zover deze
                                    in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. De
                                    geda- ne opgaven worden door gedeputeerde staten geregistreerd.
                                    Van iedere ambtenaar afzon- derlijk die een functie vervult
                                    waarvoor een hogere salarisschaal geldt dan salarisschaal 13
                                    worden de ingevolge de eerste volzin gemelde nevenwerkzaamheden
                                    openbaar gemaakt, met vermelding van eventueel door gedeputeerde
                                    staten aan het verrichten van de neven- werkzaamheden gestelde
                                    beperkingen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                                    functionering van de openbare dienst, voor zover de- ze in
                                    verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid
                                    zou zijn verzekerd.</al></li>
              <li nr="3."><al>De ambtenaar die in opdracht van gedeputeerde staten
                                    nevenwerkzaamheden verricht die verband houden met de vervulling
                                    van zijn functie, is verplicht de voor die werkzaamheden anders
                                    dan uit de provinciale kas ontvangen vergoeding in de
                                    provinciale kas te storten, tenzij gedeputeerde staten
                                    uitdrukkelijk anders hebben bepaald.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te
                                    nemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de
                                    provincie, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is ver-
                                    leend. De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar hetgeen
                                    voor hem is bepaald om- trent aannemingen of leveringen ten
                                    behoeve van anderen.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het is de ambtenaar verboden in verband met zijn functie enige
                                    bevoordeling te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, tenzij
                                    daarvoor schriftelijk toestemming is verleend. Het aannemen van
                                    steekpenningen is onvoorwaardelijk verboden.</al></li>
              <li nr="6."><al>Het is de ambtenaar verboden ten eigen bate of ten bate van
                                    derden:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>diensten te laten verrichten door personen in dienst van
                                            de provincie;</al></li>
                  <li nr="-"><al>aan de provincie toebehorende eigendommen te
                                            gebruiken;</al></li>
                  <li nr="-"><al>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met
                                            zijn functie ter kennis is geko- men;</al></li>
                </lijst><al>tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend.</al></li>
              <li nr="7."><al>De ambtenaar is verplicht bij zijn aanstelling de eed of belofte
                                    af te leggen. Gedeputeerde staten stellen het formulier van de
                                    eed en belofte vast<sup>7</sup>. Indien de ambtenaar daartoe aan
                                    zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent, kan hij de eed
                                    afleggen op een wijze die in overeenstemming is met zijn
                                    godsdienstige gezindheid.</al></li>
              <li nr="8."><al>Gedeputeerde staten wijzen de ambtenaren aan die werkzaamheden
                                    verrichten waaraan in het bijzonder het risico van financiële
                                    belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van
                                    koersgevoelige informatie is verbonden. De aangewezen ambtenaar
                                    meldt ge- deputeerde staten financiële belangen, alsmede het
                                    bezit van en transacties met effecten die de belangen van de
                                    dienst voor zover deze in verband staan met de
                                    functievervulling, kunnen raken. Gedeputeerde staten voeren een
                                    registratie van op grond van de tweede volzin gedane meldingen.
                                    De ambtenaar verstrekt nadere informatie of bescheiden met be-
                                    trekking tot de financiële belangen of het bezit van of de
                                    transacties met effecten, indien daarvoor naar het oordeel van
                                    gedeputeerde staten aanleiding bestaat op grond van de melding
                                    of na de melding gebleken feiten of omstandigheden.</al></li>
              <li nr="9."><al>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                                    effecten te bezitten of effec- tentransacties te verrichten
                                    waardoor de goede vervulling van zijn functie of het goed
                                    func-</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <sup>7</sup>
            </al>
            <al>Partijen in het SPA hebben de provincies de navolgende tekst voor het
                            eed-of belofteformulier als handreiking aangeboden:</al>
            <al>“Ik zweer/verklaar en beloof als ambtenaar het volgende.</al>
            <al>Ik heb voor het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets
                            geschonken of beloofd of valse informatie verstrekt.</al>
            <al>Ik heb van niemand giften of beloften aangenomen om iets in mijn functie
                            te doen of te laten en ik zal dat ook nooit doen.</al>
            <al>Ik zal trouw zijn aan de grondwet en alle wetten nakomen.</al>
            <al>Ik zal mijn plichten als ambtenaar naar eer en geweten vervullen en mij
                            als een goed ambtenaar gedragen. Ik zal zorgvuldig omgaan met
                            informatie.</al>
            <al>Ik zal zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zijn en niets doen dat het
                            aanzien van de provincie zal schaden.”</al>
            <al>tioneren van de openbare dienst, voor zover dit in verband staat met
                            zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.</al>
            <lijst>
              <li nr="10."><al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig
                                    hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                    overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, nadere regels stellen
                                    ter uitvoering van het bepaalde in het eerste tot en met negende
                                    lid.</al></li>
              <li nr="11."><al>Gedeputeerde staten stellen, met inachtneming van de hierover in
                                    het SPA gemaakte af- spraken, een procedure vast voor het omgaan
                                    met vermoedens van misstanden in de pro- vinciale organisatie,
                                    die leven bij personen die bij de provincie werkzaam zijn of
                                    zijn ge- weest. Zij regelen de bescherming van de ambtenaar bij
                                    melding van vermoedens van mis- standen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.2</nr>
              <titel>Dienstkleding en onderscheidingstekens</titel>
            </kop>
            <al>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn functie de voor
                            die functie of voor be- paalde werkzaamheden voorgeschreven kleding en
                            onderscheidingstekens te dragen en zich te houden aan de ter zake
                            vastgestelde voorschriften.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.3</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar die bij de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden schade toe- brengt aan de provincie of aan een derde
                                jegens wie de provincie tot vergoeding van scha- de gehouden is, is
                                hiervoor niet jegens de provincie aansprakelijk, tenzij de schade
                                een ge- volg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de
                                omstandigheden van het geval kan, mede gelet op de aard van de hem
                                opgedragen werkzaamheden, anders voortvloeien dan in de eerste
                                volzin is bepaald.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen naar billijkheid de ambtenaar schade
                                vergoeden aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen
                                motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijk- heidsverzekering
                                motorrijtuigen zijnde, die hij buiten zijn schuld of nalatigheid
                                lijdt ten ge- volge van de uitoefening van de hem opgedragen
                                werkzaamheden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Aan de ambtenaar kan naar billijkheid schade worden vergoed aan een
                                hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet
                                Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, die hij lijdt ten
                                gevolge van de uitoefening van de hem opgedragen werkzaamheden,
                                tenzij</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
                                        van de ambtenaar; of</al></li>
                <li nr="b."><al>de ambtenaar dienstreizen met bedoeld motorrijtuig maakt
                                        over een totale afstand van 10.000 of meer kilometers
                                        gemiddeld per jaar en per kilometer een vergoeding ontvangt
                                        gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per
                                        kilometer; of</al></li>
                <li nr="c."><al>hem geen toestemming is verleend voor het gebruik van
                                        bedoeld motorrijtuig.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.4</nr>
              <titel>Kostenvergoedingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van reis- en
                                verblijfkosten wegens dienstreizen met inachtneming van de hierover
                                in het SPA gemaakte afspraken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten stellen regels inzake vergoeding van
                                verhuiskosten en pensionkosten met inachtneming van de hierover in
                                het SPA gemaakte afspraken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen, nadat hierover overeenkomstig hoofdstuk
                                I overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel heeft
                                plaatsgevonden, regels vaststellen inzake vergoeding van kosten voor
                                dienstkleding en onderscheidingstekens.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Aan de ambtenaar die in verband met zijn functievervulling andere
                                dan in het eerste, twee- de en derde lid bedoelde kosten heeft
                                moeten maken, kan vergoeding in die kosten worden verleend met
                                inachtneming van door gedeputeerde staten te stellen regels waarover
                                over- eenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.5</nr>
              <titel>Woonplaats</titel>
            </kop>
            <al>De ambtenaar kan worden verplicht te gaan of te blijven wonen nabij de
                            plaats van tewerkstel- ling, indien dit naar het oordeel van
                            gedeputeerde staten noodzakelijk is in verband met de goede vervulling
                            van de functie.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.6</nr>
              <titel>Dienstwoning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien dit voor de goede vervulling van de functie nodig is kan de
                                ambtenaar worden ver- plicht te gaan wonen in de dienstwoning die
                                hem is aangewezen. De ambtenaar dient zich te gedragen naar de
                                voorschriften die ter zake van de bewoning en het gebruik zijn
                                gesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Hij draagt de onderhoudskosten van de dienstwoning die volgens de
                                wet en het plaatselijk gebruik normaal voor rekening van de huurder
                                zijn, tenzij met hem andere afspraken zijn gemaakt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Opzegging van de dienstwoning geschiedt ten minste drie maanden
                                tevoren. Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen hiervan
                                afwijken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.7</nr>
              <titel>Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                                beoordeling)</titel>
            </kop>
            <al>Met de ambtenaar wordt periodiek een planningsgesprek, een
                            voortgangsgesprek en een eva- luatie- en beoordelingsgesprek gehouden.
                            Gedeputeerde staten stellen daartoe algemeen ver- bindende voorschriften
                            vast met inachtneming van de hierover in het SPA gemaakte
                            afspraken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.8</nr>
              <titel>Aanzuivering tekorten</titel>
            </kop>
            <al>De rekenplichtige ambtenaar is verplicht een tekort geheel of
                            gedeeltelijk aan te zuiveren, in- dien hem ter zake van dat tekort een
                            ernstig verwijt kan worden gemaakt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.9</nr>
              <titel>Verplichte opleiding</titel>
            </kop>
            <al>De ambtenaar is verplicht de opleidingen te volgen die gedeputeerde
                            staten voor hem noodza- kelijk achten in het belang van de dienst. De
                            kosten die zijn verbonden aan het volgen van de in de eerste volzin
                            bedoelde opleidingen komen ten laste van de provincie. Voor het bijwonen
                            van de lessen en het deelnemen aan (deel)examens en tentamens in
                            werktijd wordt de ambtenaar verlof met behoud van bezoldiging verleend.
                            Gedeputeerde staten regelen de faciliteiten ingeval de lessen buiten de
                            werktijd plaatsvinden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.10</nr>
              <titel>Opleiding en ontwikkeling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Ten minste een keer per drie jaren maken de leidinggevende en de
                                ambtenaar in het plan- ningsgesprek, bedoeld in artikel F.7,
                                afspraken over de loopbaanontwikkeling, de daartoe benodigde
                                competenties en de in dat kader te volgen opleidingen en te
                                ondernemen andere activiteiten. De afspraken worden vastgelegd in
                                een persoonlijk ontwikkelingsplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De afspraken in het persoonlijk ontwikkelingsplan moeten passen in
                                de doelstellingen, crite- ria en budgettaire en andere voorwaarden
                                van het provinciaal opleidingsbeleid en het op basis daarvan voor
                                het betrokken provinciaal personeel vastgestelde algemene
                                opleidings- plan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten vergoeden de kosten van de opleiding en andere
                                activiteiten die de ambtenaar maakt ter uitvoering van het
                                persoonlijk ontwikkelingsplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar afspraken vast over de voorzieningen, daaronder begrepen
                                de eventuele toekenning van verlof, die de ambtenaar in staat moeten
                                stellen uitvoering te geven aan het ontwikkelingsplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan leggen de leidinggevende en de
                                ambtenaar ook afspra- ken vast met betrekking tot in ieder geval een
                                of meer van de volgende onderwerpen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de keuze van opleidingsvorm of instituut en de
                                        redelijkerwijs te maken kosten;</al></li>
                <li nr="b."><al>de studieperiode;</al></li>
                <li nr="c."><al>de minimaal te behalen resultaten en de te maken
                                        voortgang;</al></li>
                <li nr="d."><al>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                                        vergoeding bij het voortijdig af- breken van een studie,
                                        onderscheidenlijk bij het verlaten van de provinciale dienst
                                        bin- nen een te bepalen periode na afronding van de
                                        studie;</al></li>
                <li nr="e."><al>andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                                        uitvoering van het ontwikke- lingsplan.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.11</nr>
              <titel>Bescherming</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat de ambtenaar die
                            activiteiten vervult waarvoor hij op grond van het bepaalde in artikel
                            D.13 als lid van één van de vakorganisaties van over- heidspersoneel
                            buitengewoon verlof kan genieten, niet wegens zijn lidmaatschap van of
                            activi- teiten voor die vakorganisaties wordt benadeeld in zijn positie
                            in de provinciale organisatie.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.12</nr>
              <titel>Spaarloonregeling</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten kunnen een spaarloonregeling vaststellen nadat
                            hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel heeft plaatsgevonden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.13</nr>
              <titel>vervallen</titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>F.14</nr>
              <titel>Individuele keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden</titel>
            </kop>
            <al>Gedeputeerde staten stellen, met inachtneming van de hierover in het SPA
                            gemaakte afspra- ken, algemeen verbindende voorschriften vast waarin de
                            ambtenaar individuele keuzemogelijk- heden in het
                            arbeidsvoorwaardenpakket worden geboden.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>G</nr>
            <titel>ORDE- EN STRAFMAATREGELEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>G.1</nr>
              <titel>Maatregelen van orde</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van
                                orde die ten aanzien van het verblijf in dienstlokalen,
                                dienstgebouwen of op het werk zijn vastgesteld.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan de ambtenaar kan de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen
                                of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>G.2</nr>
              <titel>Schorsing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar kan voor bepaalde tijd worden geschorst, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf tegen hem
                                        wordt ingesteld;</al></li>
                <li nr="b."><al>hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                                        ontslag is te kennen gegeven, dan wel hem die straf is
                                        opgelegd;</al></li>
                <li nr="c."><al>tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van het
                                        Wetboek van Strafvorde- ring een bevel tot
                                        inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten
                                        uitvoer gelegd of</al></li>
                <li nr="d."><al>het belang van de dienst dit verlangt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Behoudens bij schorsing op grond van het eerste lid, onderdeel d,
                                kan tijdens de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk
                                worden ingehouden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het niet ingehouden gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan
                                aan de ambtenaar worden uitbetaald.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>G.3</nr>
              <titel>Plichtsverzuim</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar, die de hem opgelegde verplichting niet nakomt of zich
                                overigens aan plichts- verzuim schuldig maakt, kan om die reden
                                disciplinair gestraft worden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als
                                het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke
                                omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>G.4</nr>
              <titel>Disciplinaire straffen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd zijn</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>schriftelijke berisping;</al></li>
                <li nr="b."><al>geldboete tot ten hoogste 10% van twaalf maal het bedrag van
                                        zijn salaris;</al></li>
                <li nr="c."><al>benoeming in een andere functie;</al></li>
                <li nr="d."><al>ontslag.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij het opleggen van de straf kan worden bepaald, dat zij niet ten
                                uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een
                                vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk
                                plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan
                                enig ander ern- stig plichtsverzuim en zich houdt aan daarbij
                                eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>G.5</nr>
              <titel>Tenuitvoerlegging</titel>
            </kop>
            <al>Het besluit tot strafoplegging wordt onmiddellijk ten uitvoer gelegd,
                            tenzij anders is bepaald.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>H</nr>
            <titel>DIENSTVERBAND OP ARBEIDSOVEREENKOMST</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.1</nr>
              <titel>Definities</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk
                                aangehaalde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek wordt verstaan
                                onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>werknemer: degene die op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
                                        recht door gedepu- teerde staten in dienst van de provincie
                                        is genomen;</al></li>
                <li nr="b."><al>oproepkracht: de werknemer die in dienst is genomen voor het
                                        bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard of
                                        omvang wisselend karakter.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Namens de provincie treden gedeputeerde staten op als werkgever voor
                                de toepassing van dit hoofdstuk en de in dit hoofdstuk aangehaalde
                                bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.2</nr>
              <titel>Gronden voor indienstneming op arbeidsovereenkomst</titel>
            </kop>
            <al>Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan slechts
                            plaatsvinden:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een
                                    wisselende behoefte;</al></li>
              <li nr="b."><al>indien betrokkene blijkens de bewoordingen van de
                                    arbeidsovereenkomst hoofdzakelijk in dienst is genomen ten
                                    behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of
                                    vorming;</al></li>
              <li nr="c."><al>voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door
                                    de overheid getrof- fen regeling, die het karakter draagt door
                                    een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces
                                    te bevorderen van personen die behoren tot een of meer bepaalde
                                    groepen van werklozen;</al></li>
              <li nr="d."><al>voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard
                                    of omvang wisse- lend karakter.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.3</nr>
              <titel>Vaststelling arbeidsovereenkomst</titel>
            </kop>
            <al>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud
                            opgemaakt en door beide partijen ondertekend.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.4</nr>
              <titel>Duur arbeidsovereenkomst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel a, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste 6 maanden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel b, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd die
                                noodzakelijk is voor de in dat onderdeel bedoelde wetenschappelijke
                                of praktische opleiding of vorming.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Met de werknemer, bedoeld in artikel H.2, onderdeel c, wordt de
                                arbeidsovereenkomst aangegaan voor ten hoogste de tijd dat de in dat
                                onderdeel bedoelde regeling op de werk- nemer van toepassing
                                is.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.5</nr>
              <titel>Loon</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De werkgever bepaalt volgens welke van de hierna genoemde regelingen
                                de loonbetaling zal plaatshebben:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>volgens de regelingen voor de ambtenaren;</al></li>
                <li nr="b."><al>volgens de loonregeling voor de groep waarvan de werknemer
                                        deel uitmaakt, die de werkgever heeft vastgesteld nadat
                                        hierover overeenkomstig hoofdstuk I overleg met de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel heeft plaatsgevonden;
                                        of</al></li>
                <li nr="c."><al>op een bedrag, voor elk geval of voor elke te verrichten
                                        dienst afzonderlijk vast te stel- len.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het bepaalde in en krachtens hoofdstuk C is voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing, voor zover met toepassing van het eerste
                                lid, onderdelen b en c, niet anders is bepaald.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.6</nr>
              <titel>Toepasselijkheid bepalingen Burgerlijk Wetboek</titel>
            </kop>
            <al>De bepalingen van Boek 7, Titel 10, afdelingen 1 tot en met 9, van het
                            Burgerlijk Wetboek zijn, voor zover in dit hoofdstuk niet anders is
                            bepaald, van toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.7</nr>
              <titel>Toepasselijkheid bepalingen in en krachtens deze regeling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In aanvulling op artikel H.6 is het bepaalde ten aanzien van
                                ambtenaren in en krachtens de artikelen A.4, A.6, B.3, B.6, derde
                                tot en met zesde lid, B.7, B.15, tweede, derde en vierde lid,
                                hoofdstuk D, de artikelen E.1 tot en met E.8, E.10 tot en met E.13
                                en E.15, alsmede de hoofdstukken F - met uitzondering van artikel
                                F.3, eerste en tweede lid - en G voor zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Ten aanzien van de werknemer die deelnemer is in de zin van het
                                pensioenreglement is het bepaalde in en krachtens de artikelen B.12,
                                derde lid, B.14 en E.9 voor zoveel mogelijk van overeenkomstige
                                toepassing op de arbeidsovereenkomst.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.8</nr>
              <titel>Einde arbeidsovereenkomst bij verlies verblijfstitel
                                vreemdelingen</titel>
            </kop>
            <al>De arbeidsovereenkomst van de werknemer die geen Nederlander is kan te
                            allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd indien hij niet
                            langer in Nederland rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8
                            van de Vreemdelingenwet 2000 of de provincie voor hem niet langer
                            beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in de Wet arbeid
                            vreemdelingen, tenzij die tewerkstellingsvergunning krachtens
                            laatstgenoemde wet niet is vereist.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.9</nr>
              <titel>Oproepkrachten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De werkgever is verplicht, indien zich werkzaamheden voordoen die
                                een beroep op de ar- beid van de oproepkracht rechtvaardigen, het
                                verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te
                                bieden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De oproepkracht is in beginsel verplicht de werkzaamheden - na
                                daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een oproep tot arbeid kan door de werkgever worden afgezegd en door
                                de oproepkracht worden geweigerd tot uiterlijk twaalf uur vóór de
                                aanvang van de feitelijke werkzaamheden. In geval van niet tijdige
                                afzegging door de werkgever bestaat aanspraak op loon als ware de
                                werkzaamheden feitelijk vervuld.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>H.10</nr>
              <titel>Doorwerking wijzigingen</titel>
            </kop>
            <al>Een wijziging van het bepaalde bij of krachtens deze regeling geldt,
                            voor zover het tegendeel niet is bepaald, ook voor de werknemer die bij
                            het in werking treden van die wijziging al op ar- beidsovereenkomst in
                            dienst van de provincie is.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>OVERLEG</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I.1</nr>
              <titel>Overleg met vakorganisaties van
                                overheidspersoneel<sup>8</sup></titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Met vakorganisaties van overheidspersoneel wordt overleg gevoerd
                                over de onderwerpen die zijn genoemd in artikel I.2.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt gevoerd tussen een
                                door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en vertegenwoordigers
                                van:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>FNV;</al></li>
                <li nr="b."><al>CNV Connectief en</al></li>
                <li nr="c."><al>andere vakorganisaties van overheidspersoneel, indien
                                        gedeputeerde staten hen, on- der meer gelet op het aantal
                                        ambtenaren dat zij in de provincie vertegenwoordigen, als
                                        representatief voor de provincie hebben aangemerkt.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I.2</nr>
              <titel>Onderwerpen van overleg</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Overleg vindt plaats over:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de regeling van de rechtstoestand van de ambtenaar waar dat
                                        overleg in de onder- scheiden hoofdstukken is voorgeschreven
                                        en overigens, als het overleg daarover niet is voorbehouden
                                        aan het SPA, indien en voor zover dat in het SPA is
                                        overeengekomen;</al></li>
                <li nr="b."><al>de vaststelling van regels omtrent de te volgen procedure
                                        bij reorganisaties en omtrent de personele gevolgen van
                                        reorganisaties als bedoeld in artikel B.8, daaronder begre-
                                        pen de vaststelling van sociale beleidskaders;</al></li>
                <li nr="c."><al>werkgelegenheid, voor zover daarover geen overleg
                                        plaatsvindt in het SPA;</al></li>
                <li nr="d."><al>de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken,
                                        indien dat in het SPA is overeengekomen.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In geval van een reorganisatie waarbij de positie van minder dan 10
                                personen is betrokken kan overleg met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel achterwege blijven.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Ten minste eenmaal per jaar vindt overleg plaats over de algemene
                                gang van zaken in de provincie welke van belang is voor de
                                ambtenaren.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I.3</nr>
              <titel>Wijze van overleg</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het overleg wordt voorgezeten door de portefeuillehouder voor
                                personeelsaangelegenhe- den uit het midden van gedeputeerde staten.
                                Hij wordt ondersteund door een door hem aan te wijzen
                                secretaris.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De door gedeputeerde staten aangewezen delegatie en de
                                vertegenwoordigers van de vakorganisaties van overheidspersoneel
                                kunnen zich in het overleg laten bijstaan door des- kundigen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het overleg vindt plaats indien de door gedeputeerde staten
                                aangewezen delegatie dan wel één of meer van de in artikel I.1,
                                tweede lid, bedoelde vakorganisaties van overheidsperso- neel dat
                                noodzakelijk achten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De uitnodiging voor het overleg gaat uit van de secretaris. Deze
                                stelt de vakorganisaties van overheidspersoneel tevoren in de
                                gelegenheid om hun wensen met betrekking tot de te bespreken
                                onderwerpen kenbaar te maken.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde staten kunnen met de vakorganisaties van
                                overheidspersoneel nadere af- spraken maken over de wijze van
                                overleg.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I.4</nr>
              <titel>Overeenstemmingvereiste</titel>
            </kop>
            <al>1.Indien het overleg betrekking heeft op de invoering, wijziging of
                            intrekking van een regeling met rechten of verplichtingen van
                            individuele ambtenaren moet hierover overeenstemming worden bereikt met
                            een meerderheid van de in dat overleg vertegenwoordigde vakorganisa-
                            ties van overheidspersoneel. Elk van de vertegenwoordigde
                            vakorganisaties van over- heidspersoneel brengt daarbij zoveel stemmen
                            uit als deze leden heeft in de provincie, met dien verstande dat het
                            aantal stemmen van één vakorganisatie van overheidspersoneel</al>
            <al/>
            <al>
              <sup>8</sup> De wijziging van dit artikel werkt terug tot en met 1
                            januari 2015.</al>
            <al/>
            <al>nooit meer kan zijn dan het aantal stemmen van de overige
                            vakorganisatie(s) van over- heidspersoneel tezamen.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>Indien overeenstemming is bereikt met niet de meerderheid van de
                                    vakorganisaties van overheidspersoneel worden de voorstellen
                                    alleen doorgevoerd als de voorzitter van het overleg heeft
                                    geconstateerd dat hiervoor voldoende draagvlak is. Een zodanig
                                    draagvlak is in elk geval niet aanwezig als het aantal
                                    uitgebrachte stemmen van de vakorganisatie(s) waarmee
                                    overeenstemming is bereikt, minder is dan de helft van het
                                    totaal aantal uitge- brachte stemmen.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien en zolang de in het eerste lid bedoelde overeenstemming
                                    niet wordt bereikt blijft de invoering, wijziging of intrekking
                                    van de daar bedoelde regelingen achterwege. In dat geval worden
                                    ad hoc nadere afspraken gemaakt over de wijze waarop verder zal
                                    worden gehan- deld.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>I.5</nr>
              <titel>Advies en arbitrage bij geschillen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordigers van het
                                        provinciebestuur en de vertegenwoordigers van de
                                        vakorganisaties van overheidspersoneel, genoemd in arti- kel
                                        I.1, tweede lid;</al></li>
                <li nr="b."><al>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                                        arbitragecommissie, ingesteld door het College voor
                                        Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse
                                        Gemeenten.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Dit artikel is van toepassing op geschillen inzake de
                                aangelegenheden, bedoeld in artikel I.4, eerste lid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het
                                overleg tot het oordeel komt dat dit overleg niet zal leiden tot een
                                uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal
                                hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan
                                in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de
                                overige deelnemers aan het overleg.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in het derde lid,
                                schrijft de voorzitter een overlegvergadering met de vakorganisaties
                                van overheidspersoneel uit. De vergadering moet worden gehouden
                                binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven. Tenzij de deel-
                                nemers aan het overleg besluiten het overleg voort te zetten dan wel
                                te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming
                                bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                                zijn en of een oplossing van het geschil zal worden gezocht door
                                middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is
                                ingewonnen van de ad- vies- en arbitragecommissie dan wel door
                                onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                                commissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Tot het inwinnen van advies zijn – ieder voor zich – de
                                vertegenwoordiging van het provin- ciebestuur en een meerderheid van
                                de in het overleg vertegenwoordigde vakorganisaties van
                                overheidspersoneel bevoegd. Voor onderwerping van het geschil aan
                                arbitrage is overeenstemming vereist tussen alle deelnemers aan het
                                overleg.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid, wordt
                                het verzoek om ad- vies ter kennis gebracht van de voorzitter van de
                                advies- en arbitragecommissie. Het ver- zoek wordt ondertekend door
                                de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies
                                hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud
                                van het geschil. Indien in de vergadering, bedoeld in het vierde
                                lid, geen overeenstemming is be- reikt tussen alle deelnemers aan
                                het overleg over de vraag wat het onderwerp en de in- houd van het
                                geschil zijn, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun
                                visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen
                                zes dagen na eerder genoemde vergadering ter kennis van de
                                voorzitter van de advies-en arbitragecommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in het vierde lid, wordt
                                het verzoek om arbi- trage ter kennis gebracht van de voorzitter van
                                de advies- en arbitragecommissie. Het ver- zoek daartoe wordt
                                ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste
                                te bevatten:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al></li>
                <li nr="b."><al>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over
                                het geschil voort- gezet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.</lidnr>
              <al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft
                                bindende kracht.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>J</nr>
            <titel>SLOTBEPALING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>J.1</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze regeling wordt aangehaald als Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT INVOERING CAP</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>II</nr>
              <titel>(vervallen van rechtspositieregelingen)<sup>9</sup></titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>III</nr>
              <titel> (wijziging van rechtspositieregelingen)<sup>10</sup></titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>IV</nr>
              <titel>(juridische grondslag voor regelingen die niet of nog niet
                                vervallen)<sup>11</sup></titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>V</nr>
              <titel> Individueel overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <al>1.De ambtenaar die direct voorafgaand aan de in artikel VI, eerste lid,
                            genoemde datum hetzij een aanstelling in vaste dienst van de provincie
                            heeft hetzij een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd, is met
                            ingang van de in artikel VI, eerste lid, genoemde datum aangesteld voor
                            onbepaalde tijd in dienst van de provincie als bedoeld in artikel B.2,
                            tweede lid<sup>12</sup>, van</al>
            <al>de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. Rechten en
                            plichten die verband houden met de aanstelling in vaste dienst,
                            onderscheidenlijk de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd zijn
                            vanaf de in artikel VI, eerste lid, genoemde datum rechten en plichten
                            die verband houden met de aanstelling voor onbepaalde tijd.</al>
            <al>2.De bepalingen inzake de aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde
                            tijd zoals die luidden vóór de in artikel VI, eerste lid, genoemde datum
                            blijven van toepassing op een aanstelling in tijdelijke dienst die op de
                            in artikel VI, eerste lid, genoemde datum niet is afgelopen. De</al>
            <al>aanstelling in tijdelijke dienst geldt voor de toepassing van artikel
                            B.3, derde tot en met vijf- de lid<sup>13</sup>, van de Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies vanaf de in artikel VI, eerste
                            lid, genoemde datum als een aanstelling voor bepaalde tijd.</al>
            <lijst>
              <li nr="3."><al>Op de ambtenaar, bedoeld in artikel E.11, tweede lid, van de
                                    Collectieve Arbeidsvoorwaar- den- regeling Provincies, voor wie
                                    direct voorafgaand aan de in artikel VI, eerste lid, ge- noemde
                                    datum ten laste van de provincie een regeling geldt inzake
                                    tegemoetkoming in de kosten van een particuliere
                                    ziektekostenverzekering, is het bepaalde in artikel E.13, tweede
                                    lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
                                    niet van toepassing.</al></li>
              <li nr="4."><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst die vóór de in artikel
                                    VI, eerste lid, genoemde datum is aangegaan op een andere dan de
                                    in artikel H.2 van de Collectieve Arbeidsvoor- waardenregeling
                                    Provincies genoemde grond of voor een langere dan de in artikel
                                    H.4 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
                                    voorgeschreven maximale duur blijft de overeengekomen grond,
                                    onderscheidenlijk de overeengekomen duur van de arbeids-
                                    overeenkomst gehandhaafd.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>VI</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Met uitzondering van de artikelen B.6, B.7, B.16<sup>14</sup> en
                                    D.3 van de Collectieve Arbeidsvoor- waardenregeling Provincies
                                    treedt dit besluit in werking, na uitgifte van het provinciaal
                                    blad waarin het is geplaatst, op 1 oktober 2000.</al></li>
              <li nr="2."><al>De artikelen B.16<sup>15</sup> en D.3 van de Collectieve
                                    Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies tre- den, na uitgifte van
                                    het provinciaal blad waarin ze zijn geplaatst, in werking op 1
                                    januari 2001.</al></li>
              <li nr="3."><al>De artikelen B.6 en B.7<sup>16</sup> van de Collectieve
                                    Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies tre- den, na uitgifte van
                                    het provinciaal blad waarin ze zijn geplaatst, in werking op een
                                    nader</al></li>
            </lijst>
            <al>door gedeputeerde staten te bepalen datum, nadat over de datum van
                            invoering overeen- komstig hoofdstuk I van de Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies overleg met de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel heeft plaatsgevonden, doch uiterlijk met ingang</al>
            <al/>
            <al>
              <sup>9</sup> In elke provincie afzonderlijk in overeenstemming met de
                            bonden in het Georganiseerd Overleg vast te stellen </al>
            <al>
              <sup>10</sup> In elke provincie afzonderlijk in overeenstemming met de
                            bonden in het Georganiseerd Overleg vast te stellen. </al>
            <al>
              <sup>11</sup> In elke provincie afzonderlijk in overeenstemming met de
                            bonden in het Georganiseerd Overleg vast te stellen. </al>
            <al>
              <sup>12</sup> Thans artikel B.1, tweede lid</al>
            <al>
              <sup>13</sup> Thans artikel B.2, derde tot en met vijfde lid</al>
            <al>
              <sup>14</sup> Thans de artikelen B.5, B.6, B.14</al>
            <al>
              <sup>15</sup> Thans artikel B.14</al>
            <al>
              <sup>16</sup> Thans de artikelen B.5 en B.6</al>
            <al/>
            <al>van 1 januari 2002. Daarbij worden in acht genomen de afspraken die
                            daarover in bijlage 5b van het SPA-akkoord 2000/2001 zijn
                            gemaakt.<sup>17</sup></al>
            <al>4.De algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de artikelen B.14,
                            derde lid<sup>18</sup>, en E.8,onderscheidenlijk artikel
                            B.16<sup>19</sup> van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Provincies, treden in werking op de in het eerste, onderscheidenlijk
                            tweede lid, genoemde datum met inachtneming van de in die algemeen
                            verbindende voorschriften opgenomen overgangs- en slotbepalingen. In die
                            overgangs- en slotbepalingen is tevens vastgesteld dat
                            gedeputeerdestaten de datum bepalen waarop de wachtgeldregeling en de
                            uitkeringsregeling bij werk- loosheid vervallen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT EN INWERKINGTREDING SECTORALE VERLOF- REGELING</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>(invoeging</cursief>
              <cursief>artikelen</cursief>
              <cursief>D.5</cursief>
              <cursief>t/m</cursief>
              <cursief>D.19</cursief>
              <cursief>en</cursief>
              <cursief>aanpassing</cursief>
              <cursief>artikelen</cursief>
              <cursief>B.11,</cursief>
              <cursief>onderdeel</cursief>
              <cursief>f,</cursief>
              <cursief>F.10</cursief>
              <cursief>en</cursief>
              <cursief>H.7</cursief>
              <cursief>van</cursief>
              <cursief>de</cursief>
              <cursief>CAP)</cursief>
            </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>II</nr>
              <titel>(sectoraal overgangsrecht)</titel>
            </kop>
            <al>1.Op personeel dat vóór 1 april 2000 in dienst is van de provincie is de
                            garantieregeling van toepassing die is overeengekomen in onderdeel 4 van
                            de Collectieve Arbeidsvoorwaarden- overeenkomst sector provincies
                            2000/2001 ingeval de daarin vastgelegde verlofafspraken per saldo een
                            achteruitgang betekenen.<sup>20</sup></al>
            <al/>
            <al>
              <sup>17</sup> Bijlage 5b van het SPA-akkoord 2000/2001 luidt als
                            volgt:</al>
            <al>
              <vet>Invoering</vet>
              <vet>algemene</vet>
              <vet>dienst</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Invoering van de algemene dienst, zoals geregeld in de CAP,
                                    inclusief functiecontracten voor 3 tot 5 jaar, voor nieuw
                                    personeel.</al></li>
              <li nr="2."><al>Invoering nieuwe regels van algemene dienst en/of
                                    functiecontracten voor 3 tot 5 jaar voor die provincies die
                                    reeds algemene dienst en/of functiecontracten voor 3 tot 5 jaar
                                    voor het gehele personeel kennen.</al></li>
              <li nr="3."><al>In provincies die algemene dienst en/of functiecontracten voor 3
                                    tot 5 jaar niet of niet voor het hele personeel hebben ingevoerd
                                    moet in het Georganiseerd Overleg overeenstemming worden bereikt
                                    over de datum van invoe- ring voor zittend personeel. De
                                    uiterste datum van invoering is 1 januari 2002, onverminderd
                                    punt 5.</al></li>
              <li nr="4."><al>Provincies zullen een gemakkelijk toegankelijke en op de taak
                                    toegesneden bezwarencommissie instellen in het kader van de
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het invoeringsmoment van de algemene dienst is afhankelijk van
                                    overeenstemming in het Georganiseerd Overleg over een loopbaan-,
                                    mobiliteits- en scholingsbeleid en over de in artikel B,7, lid 7
                                    van de CAP opgenomen verplich- ting tot het opstellen van
                                    uitvoeringsregels bij functiewisseling in het kader van de
                                    algemene dienst.</al></li>
            </lijst>
            <al>In provincies waar al vóór 1 oktober 2000 is voldaan aan alle
                            voorwaarden voor invoering van de algemene dienst, zoals vastgelegd in
                            bijlage 5b van het SPA-akkoord 2000/2001, treden ook de artikelen B.6 en
                            B.7 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies in werking
                            op 1 oktober 2000.</al>
            <al/>
            <al>
              <sup>18</sup> Thans artikel B.12, derde lid</al>
            <al>
              <sup>19</sup> Thans artikel B.14</al>
            <al>
              <sup>20</sup> De garantieregeling verlof in onderdeel 4 van de
                            Collectieve Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector provincies 2000/2001
                            luidt als volgt:</al>
            <al>"De afspraken over verlof kunnen voor de werknemers in de verschillende
                            provincies tot een vermeerderding of vermin- dering van het saldo aan
                            verlof leiden. Er is de navolgende garantieregeling afgesproken voor
                            werknemers die vóór 1 april 2000 in provinciale dienst zijn en voor wie
                            de afspraken een achteruitgang betekenen. Indien de optelsom van
                            bestaande aanspraken op algemeen verlof en het per 1 januari 2001 te
                            vervallen betaald informeel verlof (zie voor begrip informeel verlof de
                            eindrapportage van de SPA-werkgroep verlof, SPA/99.00032) en betaald
                            verlof op regionale feest- en gedenkdagen meer is dan het nieuwe saldo
                            van 180 uren wordt het meerdere gegarandeerd gedurende een periode die
                            gelijk is aan het aantal volle jaren dat de werknemer op 1 januari 2001
                            in dienst is van de betrokken provin- cie, zulks met een minimum van 5
                            jaar."</al>
            <al/>
            <al>2.Op provinciaal personeel dat op 31 december 2000 ouderschapsverlof
                            geniet op grond van de op die datum geldende provinciale
                            rechtspositieregelingen, is vanaf 1 januari 2001 het bepaalde in artikel
                            D.17 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies van
                            toepassing, tenzij het vóór 1 januari 2001 te kennen heeft gegeven te
                            kiezen voor voortzet- ting van het ouderschapsverlof overeenkomstig de
                            tot 1 januari 2001 geldende provinciale regeling van het
                            ouderschapsverlof, in welk geval die regeling vanaf 1 januari 2001 voor
                            de resterende duur van het ouderschapsverlof van toepassing blijft. De
                            in de eerste volzin be- doelde keuzemogelijkheid is eenmalig.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>III</nr>
              <titel>(lokaal overgangsrecht)<sup>21</sup></titel>
            </kop>
            <al>
              <vet>Artikel</vet>
              <vet>IV</vet>
            </al>
            <al>Dit besluit treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad
                            waarin het is geplaatst, op 1 januari 2001.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING HOOFDSTUK C BEZOLDIGING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>II</nr>
              <titel>sectoraal overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De ambtenaar wordt met ingang van 1 januari 2005 ingepast in de
                                    salarisschaal die voor hem krachtens artikel C.5 van de
                                    Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies is be- paald,
                                    op het salaris waarop hij op grond van de oude regeling op die
                                    datum aanspraak zou hebben gehad.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude
                                    regeling op 1 januari 2005 aanspraak zou hebben gehad ligt boven
                                    het maximumsalaris van de salarisschaal die voor hem krachtens
                                    het eerste lid is bepaald, wordt hij op die datum ingepast op
                                    dit maximumsa- laris en ontvangt hij in aanvulling hierop een
                                    garantietoelage ter grootte van het verschil tussen bedoeld
                                    salaris en dit maximumsalaris. Deze garantietoelage wordt
                                    aangemerkt als salaris.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien het salaris waarop de ambtenaar op grond van de oude
                                    regeling op 1 januari 2005 aanspraak zou hebben gehad ligt onder
                                    het minimumsalaris van de salarisschaal die voor hem krachtens
                                    het eerste lid is bepaald, wordt hij op die datum ingepast op
                                    dit minimumsa- laris.</al></li>
              <li nr="4."><al>Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling voor de
                                    toekenning van een peri- odieke salarisverhoging een wachttijd
                                    geldt van langer dan een jaar en er op 1 januari 2005 van die
                                    wachttijd een jaar of meer is verstreken, wordt hij op die datum
                                    in de salarisschaal die krachtens het eerste lid voor hem is
                                    bepaald, ingepast op het salaris waarop hij op grond van de oude
                                    regeling aanspraak zou hebben gehad na afloop van genoemde
                                    wacht- tijd. Is van die wachttijd op 1 januari 2005 nog geen
                                    jaar verstreken dan wordt de ambte- naar op het in de eerste
                                    volzin bedoelde salaris ingepast met ingang van de dag waarop
                                    van die wachttijd een jaar is verstreken en met ingang van 1
                                    januari 2005 op het salaris waarop hij op die datum op grond van
                                    de oude regeling aanspraak zou hebben gehad.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien voor de ambtenaar op grond van de oude regeling een
                                    salarisschaal geldt met een hoger maximumsalaris dan het
                                    maximumsalaris in de salarisschaal die voor hem krachtens het
                                    eerste lid is bepaald, behoudt hij het perspectief op eerst
                                    genoemd maximumsalaris. Hij zal dit maximumsalaris bij normaal
                                    goed functioneren nooit later bereiken dan op het tijdstip
                                    waarop hij dit op grond van de oude regeling zou hebben bereikt.
                                    Voor de toepassing van dit lid wordt het op grond van de oude
                                    regeling geldende maximumsalaris telkens aange- past aan de
                                    algemene salariswijzigingen.</al></li>
              <li nr="6."><al>De ambtenaar die op 1 januari 2002 in provinciale dienst is in
                                    een functie waarin hij, te re- kenen vanaf de datum waarop de
                                    uitloopregeling vervalt, op grond van de oude regeling binnen
                                    maximaal drie jaar uitzicht heeft op de bij die functie
                                    behorende uitloop behoudt het perspectief op die uitloop.
                                    Plaatsing in de uitloop is alleen mogelijk als de ambtenaar
                                    blij- kens een volwaardige beoordeling voldoet aan alle criteria
                                    die zijn gesteld voor toekenning van die uitloop.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <sup>21</sup> In elke provincie afzonderlijk in overeenstemming met de
                            bonden in het Georganiseerd Overleg vast te stellen.</al>
            <al/>
            <al>7.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ambtenaar verstaan
                            degene die op 31 december 2004 als ambtenaar of werknemer in de zin van
                            de Collectieve Arbeidsvoorwaar- denregeling Provincies in provinciale
                            dienst is en dat op 1 januari 2005 ook is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>III</nr>
              <titel>lokaal overgangsrecht (p.m.) </titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>IV</nr>
              <titel>inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Dit besluit treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad
                            waarin het is geplaatst, op 1 januari 2005.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ WIJZIGING ARTIKEL F.14 CAP</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>(SCHRAPPING</cursief>
              <cursief>PC</cursief>
              <cursief>ALS</cursief>
              <cursief>DOEL</cursief>
              <cursief>IKAP)</cursief>
            </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>III</nr>
            </kop>
            <al>Artikel F.14 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies en
                            de Uitvoeringsrege- ling IKAP zoals die luiden op de dag vóór
                            inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepas- sing op degene die
                            vóór 27 augustus 2004, 17.00 uur een personal computer en/of randappara-
                            tuur in gebruik heeft genomen of waarvoor hij nog vóór dat tijdstip een
                            verplichting tot aanschaf- fing van een personal computer en/of
                            randapparatuur is aangegaan, zulks voor zolang hij ge- bruik kan blijven
                            maken van de tot die datum ter zake geldende fiscale regeling.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ WIJZIGING ARTIKEL F.1 CAP</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <cursief>(OPENBAARMAKING</cursief>
              <cursief>NEVENWERKZAAMHEDEN</cursief>
              <cursief>EN</cursief>
              <cursief>INVOERING</cursief>
              <cursief>EED</cursief>
              <cursief>EN</cursief>
              <cursief>BELOFTE)</cursief>
            </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>II</nr>
              <titel>(werkingssfeer)</titel>
            </kop>
            <al>Artikel F.1, zevende lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Provincies, zoals dat na inwerkingtreding van dit besluit komt te
                            luiden, is mede van toepassing op de ambtenaar die op de datum van
                            inwerkingtreding reeds in dienst is van de provincie.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING NIEUWE ZIEKTEKOSTENVOOR- ZIENING PER 1
                            JANUARI 2006</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>IV</nr>
              <titel>Eenmalige uitkering aan gepensioneerden</titel>
            </kop>
            <al>1 Degene die als AOW-gerechtigde gewezen provinciaal ambtenaar of
                            werknemer op 31 de- cember 2005 aan de IZA-regeling deelnam, alsmede
                            degene die als nabestaande van een (gewezen) provinciaal ambtenaar of
                            werknemer op 31 december 2005 aan de IZA-regeling deelnam, heeft recht
                            op een eenmalige uitkering van € 775.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>Degene die als provinciaal ambtenaar of werknemer op 31 december
                                    2005 aan de IZA- regeling deelnam en in 2006 respectievelijk
                                    2007 AOW-gerechtigde wordt, heeft na ontslag uit provinciale
                                    dienst recht op een eenmalige uitkering van € 500,
                                    respectievelijk € 250.</al></li>
              <li nr="3."><al>Degene die in 2006 respectievelijk 2007 nabestaande wordt van
                                    een provinciaal ambtenaar of werknemer bij wie hij op 31
                                    december 2005 als gezinslid was meeverzekerd op grond van de
                                    IZA-regeling, heeft recht op een eenmalige uitkering van € 500
                                    respectievelijk € 250.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het bepaalde in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, is van
                                    overeenkomstige toepassing op degene die op 31 december 2005 aan
                                    de IZA-regeling deelnam en die op deze datum in verband met
                                    volledig vervroegde uittreding bij de provincie FPU-gerechtigd
                                    is, onderschei- denlijk dat in de loop van 2006 of 2007 wordt,
                                    met dien verstande dat op de eenmalige uitke- ring tot ten
                                    hoogste het bedrag van die uitkering in mindering wordt gebracht
                                    de bijdrage in de ziektekosten die hij het eerste jaar van het
                                    VUT-fonds ontvangt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>V</nr>
              <titel>Overgangsrecht 1%-regeling ziektekosten</titel>
            </kop>
            <al>1.De provinciale ambtenaar of werknemer kan tot 1 juli 2006 een aanvraag
                            indienen als be- doeld in artikel E.12 van de Collectieve
                            Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies, zoals dat</al>
            <al>luidde op 31 december 2005. Hij kan bij het indienen van deze aanvraag
                            een opeenvolgen- de periode van 12 maanden kiezen die uiterlijk eindigt
                            op 31 december 2005.</al>
            <lijst>
              <li nr="2."><al>De provinciale ambtenaar of werknemer die reeds over een
                                    gedeelte van 2005 een vergoe- ding heeft ontvangen op grond van
                                    artikel E.12 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenrege- ling
                                    Provincies, zoals dat op 31 december 2005 luidde, kan over de
                                    resterende periode in 2005 nog aanspraak maken op een vergoeding
                                    mits de periode die hij kiest direct aansluit bij de periode van
                                    de vorige aanvraag en eindigt op 31 december 2005. Zowel voor
                                    wat betreft de bepaling van de lasten als het inkomen van
                                    betrokkene wordt uitgegaan van de periode zoals bepaald op grond
                                    van de eerste volzin.</al></li>
              <li nr="3."><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de gewezen
                                    provinciale ambtenaar of werknemer die in de aanvraagperiode aan
                                    de IZA-regeling deelnam, alsmede op hen die krachtens de
                                    IZA-regeling in de aanvraagperiode worden aangemerkt als
                                    nagelaten betrek- kingen van de provinciale ambtenaar of
                                    werknemer dan wel van de gewezen provinciale ambtenaar of
                                    werknemer.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ VERVALLEN BEPALING INZAKE BETAALD
                            OUDERSCHAPSVERLOF PER 1 JANUARI 2006</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>IV</nr>
            </kop>
            <al>De ambtenaar of werknemer in provinciale dienst die ouderschapsverlof
                            opneemt dat volledig of voor meer dan de helft in de kalenderjaren 2006,
                            2007 of 2008 valt kan</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>hetzij binnen de wettelijke grenzen levensloopsaldo inzetten
                                    voor het wettelijk geregeld onbetaald ouderschapsverlof;</al></li>
              <li nr="b."><al>hetzij gebruik maken van de regeling van betaald
                                    ouderschapsverlof overeenkomstig de regels van het vervallen
                                    artikel D.15 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Pro-
                                    vincies zoals dat artikel luidde op 31 december
                                    2005.<sup>22</sup></al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <sup>22</sup> Artikel D.15 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Provincies luidde op 31 december 2005 als volgt</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>D.15</nr>
              <titel>Betaald ouderschapsverlof</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De ambtenaar die ten minste een jaar in dienst is, een gemiddelde
                                arbeidsduur heeft van ten minste 14,4 uur per week en als ouder in
                                een familierechtelijke betrekking staat tot een kind,
                                onderscheidenlijk blijkens verklaringen uit het bevolkingsregister
                                op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en
                                opvoeding van dat kind op zich heeft genomen, heeft recht op
                                ouderschapsverlof. Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één
                                kind recht op ouderschapsverlof. Geen recht op ouderschapsverlof
                                bestaat over de periode gelegen na de datum waarop het kind de
                                leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het ouderschapsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van ten
                                minste 1 maand en ten hoogste 6 maanden over ten hoogste de helft
                                van de voor de ambtenaar geldende gemiddelde arbeidsduur per week,
                                met een mini- mum van 7,2 uur. Tenzij het dienstbelang zich
                                hiertegen verzet wordt het de ambtenaar op zijn aanvraag toege-
                                staan het ouderschapsverlof waarop hij ingevolge het bepaalde in de
                                eerste volzin recht heeft, op een andere wijze aaneengesloten te
                                genieten mits de aaneengesloten periode van ouderschapsverlof niet
                                korter is dan 1 maand en niet langer dan 12 maanden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Over de uren van het ouderschapsverlof behoudt de ambtenaar 75% van
                                zijn bezoldiging als hij wordt bezoldigd volgens salarisschaal 4 of
                                hoger en achtereenvolgens 90%, 85% en 80% van zijn bezoldiging als
                                hij wordt bezol- digd volgens achtereenvolgens salarisschaal 1, 2 en
                                3. Gedurende het ouderschapsverlof vindt de opbouw van de
                                vakantie-uitkering plaats op basis van de bezoldiging die de
                                ambtenaar ingevolge de eerste volzin geniet.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen
                                ten minste 2 maanden vóór de door hem gewenste ingangsdatum. Indien
                                het dienstbelang de gewenste spreiding van uren over de week niet
                                toelaat, wordt na overleg met de ambtenaar een afwijkende regeling
                                getroffen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte
                                verhinderd is zijn arbeid te verrichten vindt geen opschorting van
                                het ouderschapsverlof plaats. In dat geval blijft de voor de
                                ambtenaar tijdens het ouder- schapsverlof geldende bezoldiging de
                                eerste 10 aaneengesloten werkdagen ongewijzigd en wordt vanaf de
                                elfde werkdag de korting ingevolge het derde lid beëindigd.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ CAO PROVINCIES 2012/2015</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>IV</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Gedeputeerde Staten verminderen op aanvraag niet genoten aanspraken
                                op vakantie- verlof van de ambtenaar over kalenderjaren, gelegen
                                vóór 1 januari 2015. Voor elk uur verminderde aanspraak op
                                vakantieverlof heeft de ambtenaar als vergoeding recht op het
                                salaris per uur, geldend op de datum van uitbetaling van deze
                                vergoeding. In enig kalenderjaar kunnen ten hoogste 108 uren
                                vakantieverlof als vergoeding worden uitbe- taald. Bij een niet
                                volledige arbeidsduur wordt het maximumaantal van 108 uren naar
                                evenredigheid verlaagd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In enig kalenderjaar kan de ambtenaar niet zowel een aanvraag doen
                                tot vermindering van vakantieverlof, bedoeld in het eerste lid, als
                                een aanvraag voor extra verlof, be- doeld in artikel 6 van de
                                IKAP-regeling provincies zoals dat na inwerkingtreding van dit
                                besluit komt te luiden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>V</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In de periode van 1 januari 2015 tot 1 januari 2016 wordt in artikel
                                C.17, eerste lid, on- derdeel c, van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies voor ‘3,4%’, on-
                                derscheidenlijk ‘2,85%’ gelezen: 3,3%, onderscheidenlijk 2,75%.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De over de maanden juni tot en met december 2014 opgebouwde
                                vakantie-uitkering als bedoeld in artikel C.16 van de Collectieve
                                Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies zoals dit artikel tot 1
                                januari 2015 luidde, wordt uitbetaald in de maand mei 2015.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>VI</nr>
            </kop>
            <al>Dit besluit treedt, na publicatie van het provinciaal blad waarin het is
                            geplaatst, in werking op 1 januari 2015.<sup>23</sup></al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING VIJFPUNTSCHAAL VAN BEOOR- DELEN EN
                            BELONEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>III</nr>
            </kop>
            <al>De Regeling jaargesprekken, alsmede de artikelen C.7 en C.9, eerste lid,
                            van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies, zoals die
                            luiden op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit blijven van
                            toepassing op de cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en
                            beoor- delingsgesprekken die op basis van de toen luidende bepalingen is
                            aangevangen vóór de dag van inwerkingtreding van dit besluit.</al>
            <al/>
            <al>6.De ambtenaar is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de
                            genoten uren van het ouderschapsverlof wanneer hem tijdens het
                            ouderschapsverlof of binnen 6 maanden na afloop daarvan op zijn aanvraag
                            of op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden ontslag is
                            verleend. Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar ontheffing van de
                            terugbetalingsplicht verlenen.</al>
            <al/>
            <al>
              <sup>23</sup> In provincies voor wie een verantwoorde invoering per 1
                            januari 2015 niet mogelijk is treedt de IKB- regeling in werking op 1
                            januari 2016.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>OVERGANGSRECHT BIJ INVOERING NIEUWE VAKANTIEREGELING PER 1 JANUARI
                            2013</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>II</nr>
            </kop>
            <al>Artikel D.6, vierde lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling
                            Provincies is uitsluitend van toepassing op aanspraken op
                            basisvakantieverlof die zijn ontstaan na inwerkingtreding van dit
                            besluit.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 1, BEDOELD IN ARTIKEL B.8 VAN DE COLLECTIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES (Spelregels en flanke- rend beleid bij
                        reorganisaties)</titel>
        </kop>
        <al/>
        <lijst>
          <li nr="A."><al>
              <vet>PROCEDURELE</vet>
              <vet>KADERS</vet>
              <vet>BIJ</vet>
              <vet>REORGANISATIES</vet>
            </al></li>
          <li nr="1."><al>De provincie maakt met de vakorganisaties van overheidspersoneel
                            afspraken over de spelregels die bij reorganisaties in acht genomen
                            moeten worden. Voor zover die afspraken betrekking hebben op de rol van
                            de ondernemingsraad worden zij niet gemaakt dan nadat hierover overleg
                            met die ondernemingsraad heeft plaatsgevonden.</al></li>
          <li nr="2."><al>Bij de afweging of tot reorganisatie moet worden overgegaan en bij de
                            afweging omtrent de omvang (ingrijpendheid) van de reorganisatie spelen
                            de personele aspecten een volwaardi- ge rol naast organisatorische,
                            financiële en andere overwegingen.</al></li>
          <li nr="3."><al>Voorafgaande aan elke reorganisatie moet helder zijn wie de
                            opdrachtgever is, wie be- voegd is (zijn) de ter zake noodzakelijke
                            besluiten te nemen en wie overigens verantwoor- delijk is (zijn) voor de
                            uitvoering.</al></li>
          <li nr="4."><al>De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de te
                            onderscheiden fasen in het reorganisatieproces en een (globale)
                            opsomming van de te ondernemen activiteiten in elk van die fasen. Het
                            aantal fasen en de daarin te onderscheiden activiteiten kunnen variëren
                            naar gelang de omvang en de consequenties van die reorganisatie.</al></li>
          <li nr="5."><al>De spelregels bij reorganisaties bevatten afspraken over de algemene
                            personele en rechts- positionele randvoorwaarden die bij reorganisaties
                            in acht genomen moeten worden.</al></li>
          <li nr="6."><al>De spelregels bij reorganisaties geven aan wat de (wettelijke) taken en
                            bevoegdheden van de ondernemingsraad en die van de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel zijn in de ver- schillende fasen van het
                            reorganisatieproces. Globaal geldt daarbij de volgende taakafba- kening.
                            De ondernemingsraad overlegt en adviseert, met inachtneming van het in
                            artikel 46d, onderdeel b, van de WOR geformuleerde politiek primaat,
                            over reorganisaties als zo- danig op basis van met name artikel 25,
                            eerste lid, onderdelen c, d, e en m, van de WOR. Met de vakorganisaties
                            van overheidspersoneel worden afspraken gemaakt over de perso- nele, in
                            het bijzonder de rechtspositionele randvoorwaarden die bij de
                            reorganisatie in acht genomen worden.</al></li>
          <li nr="7."><al>De ondernemingsraad en de vakorganisaties van overheidspersoneel zullen
                            om hun taken goed te kunnen vervullen steeds tijdig en adequaat worden
                            geïnformeerd. Voor de onder- nemingsraad zijn daarbij in het bijzonder
                            de artikelen 31 en 31a van de WOR van belang. Het voornemen tot
                            reorganisatie wordt de ondernemingsraad en de vakorganisaties van
                            overheidspersoneel tijdig gemeld.</al></li>
          <li nr="8."><al>In de spelregels bij reorganisaties wordt vastgelegd op welke wijze het
                            personeel wordt betrokken bij de reorganisatie en wie daarvoor
                            verantwoordelijk is. Daarbij gaat het in elk geval om:</al><lijst>
              <li nr="-"><al>tijdige en adequate informatie over de reorganisatie en de
                                    personele gevolgen daarvan;</al></li>
              <li nr="-"><al>de mogelijkheden om te participeren in het
                                    reorganisatieproces.</al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="B."><al>
              <vet>GEMEENSCHAPPELIJK</vet>
              <vet>KADER</vet>
              <vet>FLANKEREND</vet>
              <vet>BELEID</vet>
              <vet>PROVINCIES</vet>
            </al></li>
          <li nr="1."><al>Hoofddoel van het flankerend beleid is onvrijwillige werkloosheid te
                            voorkomen. Hoge priori- teit ligt hier bij werknemers met een kwetsbare
                            positie op de arbeidsmarkt.</al></li>
          <li nr="2."><al>Daartoe leveren de provincie en de werknemers wier functie wordt
                            bedreigd een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing. Als
                            provinciale taken aan een andere of nieuwe werk- gever worden uitbesteed
                            of overgedragen worden daartoe afspraken gemaakt over overname van
                            werknemers en over de condities van overgang van deze werknemers. Bij
                            herplaatsing geldt het beginsel dat de werknemer, waar mogelijk, zijn
                            taak volgt.</al></li>
          <li nr="3."><al>Waar nodig treft de provincie aanvullende voorzieningen die de
                            herplaatsingmogelijkheden vergroten of belemmeringen wegnemen.</al></li>
          <li nr="4."><al>De werknemer is verplicht ander passend werk te aanvaarden en zijn
                            medewerking te verle- nen aan maatregelen ter bevordering van zijn
                            herplaatsingmogelijkheden. Het begrip "pas- send" moet in het licht van
                            de inspanning onvrijwillige werkloosheid te voorkomen ruim gedefi-
                            nieerd worden.</al></li>
          <li nr="5."><al>De provincie spant zich in om werknemers die niet kunnen worden
                            herplaatst elders in de om- geving aan het werk te krijgen.</al></li>
          <li nr="6."><al>Een goed sociaal vangnet voor hen die onvrijwillig werkloos worden is
                            van groot belang. Daar- toe zijn in het SPA afspraken gemaakt in de vorm
                            van een voor alle provincies gelijke boven- wettelijke
                            werkloosheidsregeling.</al></li>
          <li nr="7."><al>Waar onvrijwillige werkloosheid onvermijdelijk is bepaalt de provincie
                            in overleg met de vakor- ganisaties van overheidspersoneel de
                            ontslagvolgorde. Zij houdt daarbij rekening met de ar- beidsmarktpositie
                            van betrokkenen en de voor hen geldende wettelijke en bovenwettelijke
                            werkloosheidsvoorzieningen. Anderzijds moeten de ontslagen ook een
                            zekere afspiegeling van het personeelsbestand vormen. De geschiktheid
                            van ambtenaren kan aanleiding zijn in een concrete situatie af te wijken
                            van de ontslagvolgorde. Het gaat dan bijvoorbeeld om situaties waarin de
                            ambtenaar op grond van bijzondere kennis of bekwaamheden bezwaarlijk kan
                            wor- den gemist of om ambtenaren in sleutelfuncties die van zodanig
                            belang zijn voor de provinciale organisatie dat voor de vervulling van
                            die functies de kwaliteit van de ambtenaar een zwaar- wegende rol moet
                            spelen.</al></li>
          <li nr="8."><al>De provincie bevordert in geval van gedwongen ontslagen een spoedige
                            re-integratie in het arbeidsproces. Zij treft voorzieningen die de
                            arbeidsmobiliteit bevorderen en belemmeringen wegnemen.</al></li>
          <li nr="C."><al>
              <vet>INSTRUMENTEN</vet>
              <vet>FLANKEREND</vet>
              <vet>BELEID</vet>
            </al></li>
        </lijst>
        <al>Hieronder is een opsomming gegeven van instrumenten van een flankerend beleid,
                    gericht op behoud of herstel van werk.</al>
        <lijst>
          <li nr=""><lijst>
              <li nr="1."><al>
                  <cursief>Instrumenten</cursief>
                  <cursief>t.b.v.</cursief>
                  <cursief>interne</cursief>
                  <cursief>herplaatsing</cursief>
                </al><lijst>
                  <li nr="a."><al>Gerichte, individuele loopbaanbegeleiding op basis van
                                            bekwaamheden, belangstelling en aanbod van functies in
                                            de toekomst.</al></li>
                  <li nr="b."><al>Toepassen van beloningsdifferentiatie bij positieve
                                            horizontale of neerwaartse herplaatsing.</al></li>
                  <li nr="c."><al>Om-, her- en bijscholing.</al></li>
                  <li nr="d."><al>Wegnemen c.q. vermindering van financiële belemmeringen
                                            voor herplaatsing, zoals garan- ties t.a.v.
                                            salaris(schaal), afbouw van wegvallende of teruglopende
                                            (secundaire) emolumen- ten en tegemoetkomingen in extra
                                            kosten (bijv. verhuiskosten, extra reiskosten
                                            woon/werk).</al></li>
                  <li nr="e."><al>Stimulering van interne mobiliteit via bijv.
                                            mobiliteitspremies, detacheringen, proefplaatsin- gen
                                            en/of spijtoptantenregelingen.</al></li>
                  <li nr="f."><al>Verlening van een voorkeurspositie bij interne
                                            vacaturevervulling.</al></li>
                  <li nr="g."><al>Tijdelijke plaatsing boven de formatie (in het concrete
                                            vooruitzicht van een definitieve her- plaatsing).</al></li>
                  <li nr="h."><al>Sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat tijdens
                                            de werkloosheidsuitkering.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>
                  <cursief>Instrumenten</cursief>
                  <cursief>ter</cursief>
                  <cursief>bevordering</cursief>
                  <cursief>van</cursief>
                  <cursief>de</cursief>
                  <cursief>(externe)</cursief>
                  <cursief>arbeidsmobiliteit</cursief>
                </al></li>
            </lijst></li>
          <li nr="a."><al>Tijdelijke arbeidsbemiddeling (bijv. via outplacement)</al></li>
          <li nr="b."><al>Begeleiding en ondersteuning bij sollicitaties (sollicitatiecursus,
                            beroepskeuzetests, voorlichting over vacatures e.d.).</al></li>
          <li nr="c."><al>Afspraken met overheden en relevante instellingen in de omgeving en
                            buurprovincies over bijv. vacature-uitwisseling,
                            sollicitatiemogelijkheden als interne kandidaat, detacheringen en andere
                            vormen van collegiale doorlening.</al></li>
          <li nr="d."><al>Vertrekpremies en/of loonsuppletieregelingen ter bevordering van de
                            arbeidsmobiliteit.</al></li>
          <li nr="e."><al>Faciliteiten bij de opbouw van een eigen bedrijf (bijv. via afkoop van
                            de bovenwettelijke werk- loosheidsuitkering, tijdelijke non-activiteit
                            met terugkeermogelijkheid).</al></li>
          <li nr="f."><al>Om-, her- en bijscholing.</al></li>
          <li nr="g."><al>Wegnemen van belemmeringen van de arbeidsmobiliteit (sollicitatieverlof,
                            flexibele opzeg- termijn, ontheffing terugbetalingsplicht studie- en
                            verhuiskosten, verhuiskostenvergoeding e.d.).</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>BIJLAGE 2, BEDOELD IN ARTIKEL C.4, EERSTE LID, VAN DE COLLEC- TIEVE
                        ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES</titel>
        </kop>
        <tussenkop>(salarisgebouw provincies en minimumvakantie-uitkering per 1 januari
                    2015)</tussenkop>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colwidth="55*"/>
            <colspec colname="col2" colwidth="45*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>1</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.738,09</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.373,08</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>2</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.916,70</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.514,20</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>3</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.091,93</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1464,35</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>4</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.205,48</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.543,84</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>5</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.319,18</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1623,42</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>6</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.429,64</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.700,74</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>7</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.680,46</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 1.876,32</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>8</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.035,69</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.124,99</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>9</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.435,13</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.404,59</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>10</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.766,42</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 2.636,49</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>11</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 4.403,53</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.082,46</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>12</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 5.018,82</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.513,18</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>13</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <table>
          <tgroup cols="2">
            <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="55*"/>
            <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="45*"/>
            <tbody>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 5.449,98</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 3.814,99</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>14</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 6.175,35</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 4.322,74</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>15</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 6.791,91</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 4.754,33</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>16</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 7.471,02</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 5.229,72</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>17</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 8.217,34</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 5.752,14</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>
                    <vet>SCHAAL</vet>
                    <vet>18</vet>
                  </al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al/>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Maximum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 9.038,75</al>
                </entry>
              </row>
              <row>
                <entry colname="col1">
                  <al>Minimum</al>
                </entry>
                <entry colname="col2">
                  <al>€ 6.327,11</al>
                </entry>
              </row>
            </tbody>
          </tgroup>
        </table>
        <al>Alle salarisbedragen zijn uitgedrukt in euro’s. Het zijn maandbedragen die
                    gelden bij een 36- urige werkweek. Bij een formele arbeidsduur van minder (of
                    meer) uren per week worden de bedragen naar evenredigheid bepaald.</al>
        <al>De minimumvakantie-uitkering per maand bedraagt bij een volledige functie per 1
                    januari 2015:€ 150,17.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING</tussenkop>
        <tussenkop>COLLECTIEVE ARBEIDSVOORWAARDENREGELING PROVINCIES</tussenkop>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK A</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Formele basis</tussenkop>
        <al>De Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) heeft een getrapte
                    formele basis. De wettelijke basis zijn de artikelen 125, tweede lid, en 134,
                    tweede lid, van de Ambtenarenwet. In het overlegprotocol dat het
                    Interprovinciaal Overleg (IPO) en de vakorganisaties van over- heidspersoneel
                    zijn overeengekomen is vastgelegd dat er over de arbeidsvoorwaarden voor de
                    provinciale ambtenaren overeenstemming moet zijn bereikt in het Sectoroverleg
                    Provinciale Arbeidsvoorwaarden (SPA). Het IPO treedt op voor de
                    provinciebesturen. Zijn bevoegdheid daartoe is gebaseerd op de artikelen 9,
                    eerste lid, en 15 van de statuten van de vereniging het Interprovinciaal
                    Overleg. De bevoegdheid als zodanig is een civielrechtelijke volmacht.</al>
        <al>De bevoegdheid houdt niet in het zelf vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Zij
                    beperkt zich tot de mogelijkheid om de provincies, en dus niet de provinciale
                    ambtenaren, te binden jegens de vakorganisaties van overheidspersoneel. De
                    provinciale ambtenaren worden pas gebonden door vaststelling van de
                    arbeidsvoorwaarden via algemeen verbindende voorschriften in de provincies. Die
                    vaststelling moet gezien worden als het nakomen van de verplichting jegens de
                    vakorganisaties om de met hen overeengekomen arbeidsvoorwaarden op te nemen in
                    een vorm die ook voor de provinciale ambtenaren rechten en verplichtingen
                    meebrengt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Wijziging van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies
                    (CAP)</tussenkop>
        <al>De tekst van de CAP kan gewijzigd worden, maar ook dat zal gebeuren
                    overeenkomstig de SPA-akkoorden tussen het IPO en de vakorganisaties van
                    overheidspersoneel. Voor de provin- ciebesturen zelf is wijziging dus niet meer
                    de vaststelling van nieuw beleid, maar de formalise- ring daarvan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Uitvoeringsregels</tussenkop>
        <al>In de CAP wordt op diverse plaatsen aan gedeputeerde staten opgedragen
                    uitvoeringsregels vast te stellen. Ook voor deze regels gelden de SPA-akkoorden.
                    Er kan zijn overeengekomen dat zij binnen bepaalde kaders of dat zij in het
                    decentrale overleg moeten of kunnen worden vastgesteld. De verplichting is
                    aangegeven in artikel 2, tweede lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Instructies</tussenkop>
        <al>De CAP heeft geen betrekking op instructies. Die moeten worden gezien als
                    algemene dienst- opdrachten. Zij betreffen dus niet de rechtspositie, bedoeld in
                    de Ambtenarenwet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel A.1 Definities</tussenkop>
        <al>De definities gelden ook voor de uitvoeringsbesluiten. Zij hoeven daarin dus
                    niet meer te wor- den herhaald.</al>
        <al>
          <cursief>Onderdeel</cursief>
          <cursief>a.</cursief>Voor de
                    definitie van het begrip "ambtenaar" is de terminologie van de Ambtena- renwet
                    gevolgd. Het gaat hier om de ambtenaren die door gedeputeerde staten zijn
                    aangesteld en voor wie gedeputeerde staten het bevoegde bestuursorgaan
                    zijn.</al>
        <al>Voor de griffier van provinciale staten en zijn griffieambtenaren (en de
                    provinciaal inspecteur der archieven) zijn provinciale staten het bevoegde
                    bestuursorgaan en regelen provinciale sta-</al>
        <al>ten de rechtspositie. Op hen zijn de bepalingen van de CAP en zijn
                    uitvoeringsregels van over- eenkomstige toepassing verklaard.</al>
        <al>
          <cursief>Onderdelen</cursief>
          <cursief>d</cursief>
          <cursief>en</cursief>
          <cursief>e</cursief>.
                    In de onderdelen d en e worden de begrippen salaris en bezoldiging onder-
                    scheiden.</al>
        <al>Onder salaris wordt verstaan het kale (bruto) maandbedrag zonder toelagen en
                    vergoedingen waarop i.v.m. de arbeid aanspraak bestaat. In bijlage 2 van de CAP
                    is van elke salarisschaal aangegeven wat het minimumsalaris en het
                    maximumsalaris is.</al>
        <al>Bezoldiging is ruimer dan salaris. Het omvat het salaris met de toelagen die
                    zijn genoemd in de artikelen C.11 t/m C.15. Dat zijn de toelage waarneming
                    andere functie, de toelage onregelma- tige dienst, de afbouwtoelage
                    onregelmatige dienst, de arbeidsmarkttoelage en de toelage op andere
                    gronden.</al>
        <al>Daarnaast zijn er nog emolumenten die als inkomsten uit arbeid zijn aan te
                    merken, maar die niet tot het salaris of de bezoldiging behoren. Dat zijn
                    bijvoorbeeld de incidentele beloning van prestaties en van extra inzet
                    (artikelen C.9 en C.10), de bindingspremie (artikel C.14), de een- malige
                    uitkering van artikel C.21, de gratificatie ambtsjubileum (artikel C.22), de
                    overwerkver- goeding (artikel C.23) en de vergoeding voor andere extra diensten
                    (artikel C.24).</al>
        <al>Tenslotte zijn er voorzieningen die dienen ter compensatie van gemaakte kosten.
                    Te denken valt hier aan vergoedingen van reis- en verblijfkosten ingeval van
                    dienstreizen, verhuiskosten- vergoedingen e.d. Ook deze behoren niet tot het
                    salaris of de bezoldiging.</al>
        <al>Bij een aantal rechtspositionele voorzieningen is de hoogte uitgedrukt in een
                    percentage van het salaris of van de bezoldiging. Het onderscheid tussen salaris
                    en bezoldiging is hier dus van belang. Zo is voor de incidentele beloning van
                    prestaties, de toelage waarneming andere func- tie, de toelage onregelmatige
                    dienst en de overwerkvergoeding het salaris de grondslag en voor de uitkering
                    bij ziekte de bezoldiging. Inkomsten die niet tot het salaris of de bezoldiging
                    horen en onkostenvergoedingen maken geen onderdeel uit van de grondslag voor
                    deze toelagen, vergoedingen of uitkeringen.</al>
        <al>
          <cursief>Onderdeel</cursief>
          <cursief>g.</cursief>Het begrip
                    partner wordt als uitgangspunt genomen. Een echtgenoot wordt ook als partner
                    beschouwd. Een ambtenaar kan voor de toepassing van de CAP en haar uitvoe-
                    ringsbesluiten slechts één partner tegelijkertijd hebben.</al>
        <al>Op grond van artikel 227a Provinciewet moet de provincie personen aanwijzen die
                    zijn belast met de heffing en invordering van provinciale belastingen en met de
                    functie van belastingdeur- waarder. Voorgeschreven is dat zij ambtenaar zijn in
                    provinciale dienst. Op grond van (mili- eu)wetgeving moet de provincie ook
                    toezichthouders (met en zonder opsporingsbevoegdheid) als ambtenaar in dienst
                    hebben. Het is niet ongebruikelijk dat de provincie voor hier genoemde functies
                    personen van buiten inhuurt. Deze personen vallen onder een eigen rechtspositie.
                    In artikel A.1, tweede lid, is geregeld dat voor deze ambtenaren de CAP en zijn
                    uitvoeringsregelin- gen buiten toepassing blijven.</al>
        <al>
          <cursief>Onderdeel</cursief>
          <cursief>u.</cursief>Hier is een
                    definitie opgenomen van het Individueel Keuzebudget (IKB). Het IKB is geregeld
                    in de artikelen C.16 t/m C.20.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel A.2 Wijziging</tussenkop>
        <al>
          <cursief>Eerste</cursief>
          <cursief>lid.</cursief>In het
                    algemeen gedeelte van deze toelichting is aangegeven dat de bevoegdheid tot
                    vaststelling van de inhoud van de CAP, en dus ook van haar wijzigingen, is
                    gebonden aan de SPA-akkoorden, zijnde overeenkomsten tussen het IPO, namens de
                    provincies, en de vakorga- nisaties van overheidspersoneel. Dit lid bevestigt
                    dat.</al>
        <al>
          <cursief>Tweede</cursief>
          <cursief>lid.</cursief>Zoals in het
                    algemeen gedeelte, onder Uitvoeringsregels, is aangegeven, zijn ook de
                    uitvoeringsregels bij de CAP gebonden aan de overeenkomsten tussen het IPO en de
                    vak- organisaties van overheidspersoneel. Die overeenkomsten kunnen overigens
                    aan gedeputeer- de staten meer of minder ruimte laten. Als zij bepaalde kaders
                    inhouden, zijn die aangegeven in de CAP op de betreffende plaatsen. Het gaat om
                    uitvoeringsregels van algemene strekking, dus in de eerste plaats om de algemeen
                    verbindende voorschriften, maar ook om eventuele beleids- regels. Het gaat niet
                    om individuele beschikkingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel A.4 Bijzondere voorziening</tussenkop>
        <al>Hierin is een algemene hardheidsclausule opgenomen die gedeputeerde staten de
                    ruimte biedt voor individueel maatwerk. Het betreffen bijzondere voorzieningen
                    ten voordele van de ambte- naar als de CAP geen voorziening kent of deze
                    voorziening in de concrete individuele situatie tot kennelijk onredelijke
                    uitkomsten leidt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel A.5 Goed werkgeverschap en goed werknemerschap</tussenkop>
        <al>Aangesloten is bij de vergelijkbare bepaling in het Burgerlijk Wetboek, i.c.
                    artikel 7:611. Het goed werkgeverschap zal zijn toetsing vinden in de beginselen
                    van behoorlijk bestuur van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel A.6 Bekendmaking</tussenkop>
        <al>Het is wenselijk dat iedere ambtenaar een direct inzicht kan hebben in alle
                    rechtspositionele regelingen die hem aangaan. Dat kan worden gerealiseerd door
                    op diverse plaatsen in de or- ganisatie geactualiseerde bundels te plaatsen of
                    door de doorlopende teksten elektronisch ter inzage te geven. Deze verplichting
                    geldt echter alleen voor de provinciale regels, niet voor rechtspositionele
                    wetten of algemene maatregelen van bestuur of regels van derden, zoals het
                    ABP.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK B EN SPELREGELS EN FLANKEREND BELEID BIJ
                    REORGANISATIES</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>Hoofdstuk B bevat voorschriften over de aanstelling (paragraaf 1, artikelen B.1
                    t/m B.5), de wijzigingen in de arbeid (paragraaf 2, artikelen B.6 t/m B.8) en
                    over het ontslag met daarbij be- horende gevolgen (paragraaf 3, artikelen B.9
                    t/m B.15).</al>
        <al/>
        <tussenkop>De aanstelling</tussenkop>
        <al>Wat betreft de aanstelling is gekozen voor een open stelsel dat aansluit op dat
                    in de marktsec- tor. Dit marktconforme open stelsel geeft het management meer
                    speelruimte voor aanstellingen voor bepaalde tijd en biedt anderzijds
                    provinciale ambtenaren dezelfde waarborgen als zijn collegae in de marktsector.
                    Het is met andere woorden een nieuw evenwicht tussen flexibiliteit en zekerheid.
                    In navolging van het civiele arbeidsrecht is een onderscheid gemaakt tussen een
                    dienstverband voor bepaalde tijd en een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dus
                    er is niet lan- ger een onderscheid tussen een vaste aanstelling en een
                    tijdelijke aanstelling en bij een tijdelij- ke aanstelling tussen die voor
                    (vast) bepaalde tijd en voor onbepaalde tijd.</al>
        <al>Gezien de directe samenhang zijn in paragraaf 1 tevens de bepalingen inzake
                    afloop van de aanstellingen voor bepaalde tijd opgenomen. Analoog aan het
                    civiele arbeidsrecht is, zoals gezegd, afgestapt van een gesloten stelsel voor
                    de aanstelling voor bepaalde tijd. Wel is voor- geschreven dat de reden voor de
                    aanstelling voor bepaalde tijd schriftelijk wordt medegedeeld. Evenmin als in
                    het civiele arbeidsrecht is een maximumduur voor de aanstelling voor bepaalde
                    tijd vastgelegd. Wel zijn de beperkingen t.a.v. opvolgende dienstverbanden voor
                    bepaalde tijd uit de Wet Flexibiliteit en Zekerheid overgenomen. Die houden in
                    dat bij overtreding van die bepalingen het laatste dienstverband voor bepaalde
                    tijd wordt aangemerkt als een dienstver- band voor onbepaalde tijd. In dat geval
                    eindigt de laatste aanstelling voor bepaalde tijd na af- loop van die periode
                    dus niet van rechtswege, maar kan ontslag alleen plaatsvinden op basis van de
                    bestaande ontslaggronden.</al>
        <al>Tussentijdse beëindiging van aanstellingen voor bepaalde tijd kan ook alleen op
                    basis van de bestaande ontslaggronden.</al>
        <al>Analoog aan het civiele arbeidsrecht bestaat er geen (geclausuleerd) recht op
                    een aanstelling voor onbepaalde tijd na afloop van de aanstelling voor bepaalde
                    tijd. Daarvan is alleen nog sprake bij een aanstelling voor bepaalde tijd op
                    proef, die kan voorafgaan aan een aanstelling voor onbepaalde tijd. Aanspraak op
                    een automatische aanstelling voor onbepaalde tijd bestaat evenmin voor hen die
                    solliciteren vanuit een vaste aanstelling bij een andere overheidswerkge- ver.
                    Partijen kunnen daarover gezamenlijk afspraken maken tijdens de
                    sollicitatie.</al>
        <al>Vastgehouden is aan de aanstelling op proef voor één tot twee jaar. Er is niet
                    gekozen voor invoering van de regels inzake de proeftijd uit het civiele
                    arbeidsrecht, omdat het ontslagstelsel niet aansluit op dat in de marktsector.
                    Anders dan nu wordt de aanstelling voor bepaalde tijd bij feitelijke
                    voortzetting verlengd voor dezelfde duur, doch voor ten hoogste een jaar en
                    vindt dus geen omzetting plaats in een (tijdelijke) aanstelling voor onbepaalde
                    tijd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Het ontslag</tussenkop>
        <al>Wat betreft het ontslag geldt een gesloten stelsel, in de vorm van een
                    limitatieve opsomming van de ontslaggronden. Binnen het gesloten ontslagstelsel
                    is gekozen voor een uitgebreid aan- tal ontslaggronden dat een optimaal
                    juridisch instrumentarium biedt. De mogelijke ontslaggron- den zijn
                    overzichtelijk in één afzonderlijke bepaling opgesomd (artikel B.9) en waar
                    nodig in afzonderlijke bepalingen nader uitgewerkt. Het gesloten ontslagstelsel
                    houdt in dat een ambte- naar alleen kan worden ontslagen op één van de met name
                    (in artikel B.9) genoemde gronden. Hieruit volgt ook dat de ontslagbescherming
                    zoals die in het civiele arbeidsrecht in de opzeg- verboden is neergelegd, niet
                    nodig is.</al>
        <al>De ontslaggronden kunnen worden onderscheiden in imperatieve en facultatieve
                    ontslaggron- den. Bij de imperatieve gronden moet, mits aan de gestelde
                    voorwaarden is voldaan, het ont- slag verleend worden. Voorbeelden zijn het
                    ontslag op aanvraag (artikel B.10), FPU-ontslag (artikel B.12) en ontslag wegens
                    pensionering (artikel B.11). Hier hebben gedeputeerde staten geen discretionaire
                    bevoegdheid. Alle overige ontslaggronden zijn facultatieve ontslaggronden,</al>
        <al>waarbij het ontslag kan worden verleend. Hier zal steeds een zorgvuldige
                    afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van de organisatie en dat van
                    de individuele ambtenaar.</al>
        <al>Aan de verschillende ontslaggronden is geen kwalificatie gegeven in de vorm van
                    ‘eervol’ of ‘oneervol’, zoals die in veel ambtelijke ontslagregelingen
                    voorkomt.</al>
        <al>Er zijn geen voorschriften opgenomen over de inhoud van het ontslagbesluit of
                    over de ontslag- procedure. De Awb biedt hier al voldoende waarborgen. Op grond
                    van deze wet en de jurispru- dentie zal bijvoorbeeld elk ontslagbesluit op
                    schrift gesteld moeten worden en de ingangsdatum en de ontslaggrond moeten
                    bevatten. Verder kunnen worden genoemd de mogelijkheid van bedenkingen (artikel
                    4:8 Awb) en het recht van de ambtenaar zich door een raadsman te laten bijstaan
                    (artikel 2:1 Awb).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel B.1 Aanstelling</tussenkop>
        <al>De aanstelling is bij de provincie en dus niet bij een organisatieonderdeel van
                    de provincie. De aanstelling gaat gepaard met de (tijdelijke) benoeming in een
                    functie en de (tijdelijke) plaatsing bij een organisatieonderdeel. Een
                    aanstelling is voor bepaalde of onbepaalde tijd. Een aanstel- ling is voor
                    bepaalde tijd als een concrete einddatum is aangegeven of als die objectief
                    bepaal- baar is. Een voorbeeld van het laatste is een aanstelling ter vervanging
                    van een zieke ambte- naar. De einddatum is niet concreet genoemd, maar wel
                    objectief bepaalbaar, t.w. de datum van herstel van de zieke ambtenaar.
                    Uitgaande van volwassen arbeidsverhoudingen maken werkgever en sollicitant samen
                    afspraken over een eventuele aanstelling op proef. De aanstel- ling op proef is
                    derhalve geen automatisme.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.2 Aanstelling voor bepaalde tijd</tussenkop>
        <al>Analoog aan de Wet Flexibiliteit en Zekerheid mogen maximaal drie aanstellingen
                    voor bepaal- de tijd achtereen worden verleend die elk van rechtswege eindigen.
                    De verlengde aanstelling voor bepaalde tijd op grond van het eerste lid (bij
                    stilzwijgende voortzetting na afloop) telt mee voor de bepaling van die drie
                    aanstellingen voor bepaalde tijd. De totale periode van elkaar opvolgende
                    aanstellingen voor bepaalde tijd mag echter niet 36 maanden of langer zijn. Voor
                    het bepalen van die tijdsduur van 36 maanden tellen onderbrekingen van drie
                    maanden of min- der tussen twee opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd
                    mee. Meer dan drie opeenvol- gende aanstellingen voor bepaalde tijd of een
                    periode van aanstellingen voor bepaalde tijd van 36 maanden of langer betekent
                    automatisch een aanstelling voor onbepaalde tijd.</al>
        <al>Een aanstelling voor onbepaalde tijd ontstaat dus in de volgende situaties:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>bij meer dan drie opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd;
                            of</al></li>
          <li nr="-"><al>als de totale periode van opeenvolgende aanstellingen voor bepaalde tijd
                            36 maanden of langer is, onderbrekingen van drie maanden of minder
                            meegerekend</al></li>
        </lijst>
        <al>De aanstelling voor onbepaalde tijd vangt in die gevallen aan bij aanvang van de
                    vierde aanstel- ling voor bepaalde tijd (a), onderscheidenlijk vanaf de dag van
                    overschrijding van de 36 maan- den (b). Bij een onderbreking van langer dan drie
                    maanden begint de telling van de schakels en de duur van de periode
                    opnieuw.</al>
        <al>Een aanstelling voor 36 maanden of langer is mogelijk. Deze kan eenmalig worden
                    verlengd met drie maanden zonder dat dit leidt tot een aanstelling voor
                    onbepaalde tijd (lid 4).</al>
        <al>Het vijfde lid is een vertaling van het verbod van de zogenaamde
                    draaideurconstructie in de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Hiervan zal
                    bijvoorbeeld sprake zijn als een uitzendkracht bij de provin- cie rechtstreeks
                    in dienst treedt van de provincie en daar dezelfde werkzaamheden blijft verrich-
                    ten. Het vijfde lid regelt dat in een dergelijke situatie de uitzendtijd in
                    dezelfde arbeid meetelt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.3 Eisen van geschiktheid en bekwaamheid</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat de eisen van geschiktheid en bekwaamheid voor
                    indiensttreding.</al>
        <al>Die moeten uiteraard vooraf zijn bepaald. De eisen van bekwaamheid en
                    geschiktheid zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan een concrete functie. Dat
                    biedt de ruimte voor een beoordeling in het licht van een bredere inzetbaarheid.
                    Het is mogelijk om personen aan te stellen die bij indiensttre- ding nog niet
                    volledig voldoen aan alle eisen voor de concrete functie waarin zij worden
                    benoemd. Er is ruimte om, gezien de te verwachten groei, de eisen van
                    geschiktheid en bekwaamheid bij aanvang in voorkomende gevallen wat lager te
                    stellen.</al>
        <al>Het vierde lid bevat een verbod tot indienstneming van vreemdelingen die geen
                    rechtmatig verblijf in Nederland hebben en voor wie de provincie geen
                    tewerkstellingsvergunning heeft. Niet altijd is een tewerkstellingsvergunning
                    voor arbeid van vreemdelingen echter vereist. Die is bijvoorbeeld niet nodig
                    voor onderdanen uit lidstaten van de Europese Unie. Het vrije verkeer van
                    werknemers uit de lidstaten brengt mee dat deze steeds in aanmerking komen voor
                    rechtmatig verblijf in Ne- derland met een verblijftitel die het verrichten van
                    arbeid mogelijk maakt. Als een vreemdeling niet langer rechtmatig verblijf in
                    Nederland heeft kan dat leiden tot ontslag wegens verlies van een vereiste bij
                    aanstelling (artikel B.9, onderdeel i).</al>
        <al>De verplichting een verklaring omtrent het gedrag over te leggen is geen
                    automatisme. Voor de medische keuring bij aanstelling wordt verwezen naar de
                    toelichting op artikel E.2.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.4 Informatie bij indiensttreding</tussenkop>
        <al>In dit artikel is geregeld welke gegevens in aanvulling op de wettelijke
                    informatieplicht bij in- diensttreding zullen worden verstrekt. De verplichte
                    informatie over deelname aan de pensioen- regeling is geheel in lijn met de
                    nieuwe pensioenregeling vanaf 1996. Die gaat immers uit van een
                    pensioentoezegging door de werkgever. De ambtenaar zal het schriftelijk bericht
                    van zijn aanstelling uiteraard vóór zijn indiensttreding moeten ontvangen.</al>
        <al>Op grond van de Wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635) is de werkgever
                    verplicht binnen een maand na aanvang van de werkzaamheden in elk geval de
                    volgende schriftelijke informatie te verstrekken:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de identiteit van de werkgever, de plaats van diens vestiging en naam en
                            woonplaats van de werknemer;</al></li>
          <li nr="-"><al>de plaats(en) van tewerkstelling;</al></li>
          <li nr="-"><al>de functie van de werknemer;</al></li>
          <li nr="-"><al>de datum van indiensttreding;</al></li>
          <li nr="-"><al>indien de aanstelling voor bepaalde tijd geldt, de duur daarvan;</al></li>
          <li nr="-"><al>de aanspraak op vakantieverlof of de wijze van berekening van de
                            aanspraak;</al></li>
          <li nr="-"><al>de duur van de door de werkgever respectievelijk werknemer in acht te
                            nemen ont- slag/opzegtermijnen of de wijze waarop die termijnen worden
                            vastgesteld;</al></li>
          <li nr="-"><al>het salaris en de termijn van uitbetaling;</al></li>
          <li nr="-"><al>de gemiddelde dagelijkse of wekelijkse arbeidsduur;</al></li>
          <li nr="-"><al>de toepasselijke rechtspositieregelingen.</al></li>
        </lijst>
        <al>Wijzigingen in die gegevens moeten ook binnen een maand schriftelijk worden
                    medegedeeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.5 Algemene dienst en artikel B.6 Andere functie of
                    werkzaamheden</tussenkop>
        <al>Deze artikelen geven de rechtspositionele basis voor de aanstelling in algemene
                    dienst in de vorm van benoemingen in functies voor 3 tot 5 jaar. Daarbij gaat
                    het om zowel lijnfuncties als functies in (tijdelijke) projecten. Uitgangspunt
                    is een plicht tot mobiliteit in het dienstbelang (artikelen B.5 en B.6, eerste
                    en derde tot en met vijfde lid) en het recht op mobiliteit als keerzijde
                    (artikel B.6, twee- de lid). Van belang is dat mobiliteit wordt erkend als een
                    dienstbelang. Artikel B.6 maakt het mo- gelijk ambtenaren ook tijdelijk bij
                    andere werkgevers te detacheren. Aanstelling in algemene dienst moet zijn
                    ingebed in een goed scholings-, loopbaan- en mobiliteitsbeleid met als uitgangs-
                    punt een evenwichtige afweging van belangen van de ambtenaar en de organisatie.
                    De afspraken hierover met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het
                    Georganiseerd Overleg zijn een invulling van een in het SPA overeengekomen
                    gemeenschappelijk kader ter zake. Daarnaast zijn er tussen gedeputeerde staten
                    en de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georgani- seerd nadere
                    afspraken over de rechtspositionele aspecten, zoals de consequenties voor toela-
                    gen en vergoedingen e.d. Daarmee zijn de voorwaarden geschapen voor een
                    effectief en slag- vaardig mobiliteitsbeleid met waarborgen voor de
                    zorgvuldigheid.</al>
        <al>Daarbij staat voor op dat normaal goed functionerende ambtenaren niet tussen wal
                    en schip mo- gen raken en zonder functie komen te zitten doordat de tijdelijke
                    benoeming in de ene functie afloopt (zonder dat die functie als zodanig
                    verdwijnt) en er geen andere passende functie voor- handen is. In dat geval zal
                    betrokkene tijdelijk worden belast met passende werkzaamheden in afwachting van
                    benoeming in een andere passende functie. Zolang dat niet mogelijk is blijft hij
                    zijn oude functie vervullen.</al>
        <al>De eisen van zorgvuldigheid zoals die ook voortvloeien uit de Awb, brengen met
                    zich mee dat de betrokken ambtenaar vooraf wordt gehoord over de aangeboden
                    functie en dat hem voldoende</al>
        <al>tijd wordt gegeven om zich te informeren en te beraden over deze nieuwe functie.
                    Er geldt hierbij een aanzegtermijn van ten minste twee maanden.</al>
        <al>Benoemingen in andere functies vinden niet altijd plaats vanuit de algemene
                    mobiliteitswens. Denk in dit geval aan een benoeming in een andere functie
                    vanwege disfunctioneren van een individuele ambtenaar. Artikel B.6 geldt ook
                    voor een dergelijk geval. Voor benoeming van gedeel- telijke arbeidsongeschikte
                    ambtenaren in een andere functie gelden echter bijzondere bepalingen (zie
                    artikel E.7).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.7 Andere werkzaamheden in bijzondere omstandigheden</tussenkop>
        <al>Bij taken in (andere) buitengewone omstandigheden kan gedacht worden aan
                    provinciale taken in het kader van de Wet rampen en zware ongevallen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.8 Spelregels en flankerend beleid reorganisaties</tussenkop>
        <al>Provincies zijn dynamische organisaties die snel en adequaat moeten kunnen
                    inspelen op maat- schappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen. Er zullen zich
                    naar verwachting dan ook regelmatig wijzigingen voordoen in de
                    organisatiestructuur, de omvang van de organisatie of de taakinhoud van de
                    provincie.</al>
        <al>Het kan zinvol zijn vaste procedures vast te stellen voor de totstandkoming van
                    reorganisaties en vaste algemene regels te stellen m.b.t. de personele
                    consequenties daarvan. Die kunnen worden vastgelegd in spelregels bij
                    organisatieverandering en sociale plannen of statuten. Er kan ook voor worden
                    gekozen om bij elke afzonderlijke reorganisatie concrete procedures vast te
                    stellen en regels te stellen m.b.t. de personele gevolgen. Artikel B.8 biedt de
                    rechtspositionele basis voor de procedures en regels voor herplaatsing van
                    medewerkers bij reorganisaties. Daarbij moeten de in het SPA afgesproken globale
                    procedurele kaders in acht genomen worden Onder reorgani- satie wordt in dit
                    verband overigens verstaan: elke wijziging van de organisatiestructuur, de om-
                    vang van de provinciale organisatie of de taakinhoud van de provincie of een
                    onderdeel daarvan, daaronder begrepen de overdracht van taken van en naar de
                    provincie waaraan personele con- sequenties zijn verbonden.</al>
        <al>Bovendien is geregeld dat het in het SPA overeengekomen globale kader voor het
                    flankerend beleid bij reorganisaties in acht genomen wordt. In het SPA-akkoord
                    1994/1997 is vastgesteld dat het flankerend beleid bij reorganisaties de
                    verantwoordelijkheid is van de afzonderlijke provincies. Wel is toen bij wijze
                    van handreiking aan de provincies een globaal kader voor een dergelijk lokaal
                    flankerend beleid overeengekomen, waarbij ook een groot aantal concrete
                    instrumenten is aange- reikt. Het flankerend beleid zal zich primair moeten
                    richten op voorkoming van onvrijwillige werk- loosheid en, waar dit
                    onvermijdelijk is, op bevordering van een spoedige re-integratie in het ar-
                    beidsproces. Uitgangspunt moet zijn een gezamenlijke en actieve inspanning tot
                    herplaatsing van zowel de provincie als de ambtenaar wiens functie wordt
                    bedreigd. Waar ontslagen onvermijdelijk zijn zal een ontslagvolgorde moeten
                    worden vastgesteld. Daarbij moet rekening worden gehou- den met de
                    arbeidsmarktpositie van betrokkene en het voor hem geldende sociale vangnet. De
                    geschiktheid van de ambtenaar kan een argument zijn om in een concrete situatie
                    af te wijken van de ontslagvolgorde. Anderzijds moeten de ontslagen ook een
                    zekere afspiegeling van het perso- neelsbestand vormen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.9 Ontslaggronden</tussenkop>
        <al>Een aantal van de in dit artikel vermelde ontslaggronden is in hoofdstuk B
                    geregeld (artikelenB.10 t/m B.13) en een aantal andere in hoofdstuk E (artikelen
                    E.9 en E.16) en in hoofdstuk G (artikel G.4).</al>
        <al>Voor een ontslag op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens
                    ziekte (onderdeel h) is nodig dat er sprake is van gedragingen of handelingen of
                    van eigenschappen van karakter, geest of gemoed (= ongeschikt), of van gebreken
                    in de wijze van opstelling in het werk of van gebreken in de kennis, kunde of
                    het niveau (= onbekwaam) van de ambtenaar op grond waarvan de conclusie
                    gerechtvaardigd is dat hij niet meer geschikt is tot uitoefening van zijn
                    functie. De ongeschiktheid moet van voldoende gewicht zijn om het ontslag te
                    rechtvaardi- gen.</al>
        <al>Het komt voor dat een ambtenaar langdurig volledig verlof wordt verleend voor de
                    vervulling van een politiek ambt of om andere redenen (bijvoorbeeld een
                    langdurige detachering). In dat geval wordt betrokkene ontheven uit zijn functie
                    en zal de werkgever zich inspannen een pas- sende functie voor hem te vinden na
                    afloop van het langdurig verlof. Is geen passende functie</al>
        <al>voorhanden dan kan ontslag worden verleend op grond van artikel B.9, onderdeel e
                    (bij politiek verlof), onderscheidenlijk onderdeel f (in andere gevallen).</al>
        <al>Bij ontslag wegens verlies van een vereiste bij aanstelling (onderdeel i) gaat
                    het om verlies van specifieke vereisten voor de benoembaarheid, zoals van een
                    geldig rijbewijs voor een ambte- naar die chauffeur van beroep is of van een
                    geldige verblijfstitel welke arbeid in dienstverband niet uitsluit, voor een
                    ambtenaar die vreemdeling is.</al>
        <al>Ondercuratelestelling en lijfsdwang zijn aparte ontslaggronden (onderdelen j en
                    k). Ondercura- telestelling kan wegens geestelijke stoornis, verkwisting en
                    gewoonte van drankmisbruik waar- door betrokkene zijn belangen niet behoorlijk
                    kan waarnemen, in het openbaar aanstoot geeft of eigen veiligheid of die van
                    anderen in gevaar brengt. In een dergelijk geval bestaat minstens het vermoeden
                    dat betrokkene ook niet als ambtenaar in staat zal zijn om zijn functie naar
                    behoren uit te oefenen. Lijfsdwang is een dwangmiddel waarbij iemand door middel
                    van vrijheidsbene- ming gedwongen kan worden tot nakoming van een verbintenis.
                    Lijfsdwang is alleen mogelijk in de door de wet genoemde gevallen. Om tot
                    lijfsdwang over te gaan is een rechterlijk vonnis nodig.</al>
        <al>Ontslag wegens een onherroepelijke veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                    misdrijf of tot terbe- schikkingstelling (onderdeel l) is pas mogelijk als er
                    geen rechtsmiddel tegen de rechterlijke veroordeling meer openstaat. Ontslag is
                    niet mogelijk bij (onherroepelijke) rechterlijke veroorde- ling wegens een
                    overtreding. Een veroordeling kan niet automatisch tot ontslag op deze grond
                    leiden. Gedeputeerde staten zullen eerst een zorgvuldige afweging moeten maken
                    op grond van de feiten. Relevante elementen zijn hier onder meer de aard en de
                    ernst van het delict, de strafmaat, de gevolgen van het delict en de
                    strafoplegging voor de functievervulling en voor de organisatie, de schade voor
                    de organisatie als gevolg van delict en veroordeling en de gevolgen voor de
                    betreffende ambtenaar zelf, waaronder ook zijn belang bij handhaving van het
                    dienst- verband.</al>
        <al>Ontslag wegens het verstrekken van onjuiste gegevens bij aanstelling (onderdeel
                    m) heeft voor wat betreft medische gegevens alleen betekenis voor de functies
                    waarvoor nog een medische keuring is vereist. Andere aspecten waarop deze
                    ontslagmogelijkheid betrekking kan hebben zijn gegevens omtrent opleiding (ten
                    onrechte vermelden van diploma’s of rijbewijs) of vereiste relevante
                    werkervaring. Van belang is dat het gaat om essentiële gegevens; het moet gaan
                    om informatie op grond waarvan, als deze wel bekend was geweest, de aanstelling
                    achterwege zou zijn gebleven.</al>
        <al>Het ontslag op andere gronden (onderdeel p) heeft een aanvullend karakter. Van
                    deze grond wordt gebruik gemaakt als er sprake is van onverenigbaarheid van
                    karakters, ook wel '‘incompatibilité d’humeurs’ genoemd of verstoorde
                    arbeidsverhoudingen. Eerst zal onderzocht moeten worden of een andere
                    ontslaggrond zou moeten worden toegepast.</al>
        <al>Ontslag op grond van artikel B.12 wordt verleend als er recht bestaat op een
                    FPU-uitkering krachtens de centrale FPU-regeling. Onder voorwaarden bestaat bij
                    deeltijdontslag als bedoeld in het tweede lid van artikel B.12 recht op een
                    aanvulling van de FPU-uitkering. Het deeltijdont- slag moet in dat geval ten
                    minste 15% zijn. Een en ander is geregeld in de op grond van het derde lid van
                    artikel B.12 vastgestelde FPU-plusregeling provincies. Onder voorwaarden kan
                    deze uitkering worden voortgezet bij volledig FPU-ontslag. Aan deeltijd
                    FPU-ontslag kan, al dan niet in het kader van de algemene dienst, de voorwaarde
                    worden verbonden in het belang van de dienst een andere passende functie te
                    aanvaarden. Op grond van het Hoofdlijnenakkoord dat op 5 juli 2005 is gesloten
                    in de Pensioenkamer van de ROP hebben alleen werknemers die zijn geboren vóór
                    1950 en op 1 april 1997 deelnemer waren bij het ABP nog recht op een FPU-
                    uitkering. Ontslag wegens FPU kan daarom alleen nog van toepassing zijn op
                    werknemers die aan die voorwaarden voldoen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.13 Reorganisatieontslag</tussenkop>
        <al>Ontslag kan worden verleend bij reorganisaties. In artikel A.1 is, hier van
                    belang, geregeld wat onder reorganisatie moet worden verstaan. Ontslag zal in de
                    volgende situaties aan de orde kunnen zijn:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de opheffing van de eigen functie;</al></li>
          <li nr="-"><al>een verminderde behoefte aan arbeidskrachten;</al></li>
          <li nr="-"><al>een verandering in de inrichting van een of meer
                            organisatieonderdelen.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>Artikel B.13 moet in relatie worden gebracht met artikel B.8. Op basis van deze
                    bepaling zijn kaders voor spelregels en flankerend beleid bij reorganisaties
                    vastgesteld die van belang kun- nen zijn voor het ontslag.</al>
        <al>Van belang is dat niet zomaar tot reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Er
                    moet uit een zorgvuldig onderzoek zijn gebleken dat benoeming in een passende
                    functie niet mogelijk is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.14 Voorzieningen in aanvulling op de Werkloosheidswet
                    (WW)</tussenkop>
        <al>Onder voorwaarden bestaat na ontslag recht op een WW-uitkering. Op basis van
                    artikel B.14 is een bovenwettelijke werkloosheidsregeling vastgesteld (Regeling
                    aanvullende voorzieningen bij werkloosheid) voor ambtenaren die aanspraak hebben
                    op een loongerelateerde WW-uitkering. Deze bovenwettelijke voorziening blijft
                    beperkt tot ambtenaren aan wie reorganisatieontslag of ontslag wegens
                    gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is verleend dan wel van wie het dienstver-
                    band voor bepaalde tijd van rechtswege is afgelopen. De regeling voorziet in een
                    aanvullende uitkering (bovenop de WW-uitkering gedurende de WW-periode) en in
                    een nawettelijke uitkering na afloop van de WW-periode. Laatstbedoelde uitkering
                    blijft beperkt tot hen aan wie reorgani- satieontslag is verleend. De duur van
                    de nawettelijke uitkering wordt bepaald op basis van leef- tijd en diensttijd,
                    de criteria die ook al gelden in de vervallen wachtgeldregeling.</al>
        <al>Bij ontslag op andere gronden (artikel B.9, onderdeel p) bestaat recht op een
                    (aanvullende c.q. nawettelijke) uitkering die minstens gelijk is aan die in
                    geval van reorganisatieontslag.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel B.15 Uitkering bij overlijden</tussenkop>
        <al>Deze regeling staat naast andere voorzieningen bij overlijden, zoals de Algemene
                    nabestaan- denwet en het partnerpensioen van het ABP.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK C</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>Sedert 1 januari 2005 kennen de provincies een uniform beloningssysteem. Het
                    betreft een samenhangend systeem van beloning, beoordeling en functiewaardering.
                    De doelstelling van dit systeem is de bevordering van de kwaliteit van het
                    provinciale apparaat. Belangrijke elemen- ten zijn daarin de vergroting van de
                    mogelijkheden tot bewust en gedifferentieerd belonen van ambtenaren (vergroting
                    sturingsmogelijkheden voor het management, meer outputgerichte be- loning,
                    vereenvoudiging en doorbreking van automatismen) en bijstelling van het
                    loongebouw (geen aparte jeugdsalarissen, geen wachtjaren voor
                    diensttijduitlopen, aantal stappen in de schaal).</al>
        <al>Het beloningssysteem kent vier beloningsgrondslagen, te weten functiezwaarte,
                    structurele groei in ontwikkeling, werkresultaten en marktwaarde. De marktwaarde
                    vindt zijn vertaling in het generieke salarisniveau en in specifieke
                    voorzieningen ter verbetering van de arbeidsmarktposi- tie. Het beloningssysteem
                    is in 2008 geëvalueerd en in 2010 aangepast door vervanging van een
                    driepuntschaal door een vijfpuntschaal van beoordelen en belonen. Zie daarvoor
                    meer in de volgende alinea en in de toelichting op de artikelen C.7 en C.9.</al>
        <al>Op hoofdlijnen ziet het beloningssysteem er als volgt uit. Iedere ambtenaar
                    wordt ingedeeld in een van de 18 salarisschalen. De salarisschaal is afhankelijk
                    van de functiezwaarte die wordt bepaald met behulp van functiewaardering. Een
                    conversietabel vertaalt de uitkomst van de functiewaardering naar de
                    salarisschaal die bij de functie hoort. Uitgangspunt is bewust belo- nen, steeds
                    op basis van een beoordeling, waardoor automatismen worden doorbroken. Vooraf
                    worden afspraken gemaakt over de te behalen werkresultaten en over de
                    structurele groei in ontwikkeling. Deze afspraken worden tussentijds getoetst en
                    eventueel bijgesteld en achteraf beoordeeld en beloond.</al>
        <al>Het betreft een systeem van jaargesprekken waarvan de basis wordt gevormd door
                    een indivi- dueel werkplan dat als afgeleide van het jaarplan van de
                    werkeenheid, de concrete afspraken vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar.
                    In deze gesprekken komen ook andere zaken aan de orde, zoals opleiding,
                    loopbaanperspectief, werktijden, arbeidsomstandigheden en de ondersteuning door
                    de leidinggevende De structurele groei in ontwikkeling wordt gemeten met behulp
                    van competenties die voor een goede vervulling van de functie noodzakelijk zijn.
                    Daar- toe is een systeem van competenties ontwikkeld. Een normaal goede
                    beoordeling van de struc- turele groei in ontwikkeling leidt tot een
                    salarisverhoging van 3% (van het maximumsalaris) in de voor betrokkene geldende
                    salarisschaal, tot het maximumsalaris in die schaal is bereikt. Een zeer goede,
                    onderscheidenlijk uitstekende beoordeling van de structurele groei in
                    functioneren (door competentieontwikkeling) leidt tot een salarisverhoging van
                    4%, onderscheidenlijk 6%. Een matige beoordeling leidt tot een salarisverhoging
                    van slechts 1%. Het salaris wordt niet verhoogd bij een slechte beoordeling. Een
                    zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoorde- ling van de werkresultaten
                    leidt tot een incidentele outputbeloning van 3%, onderscheidenlijk 7% van het
                    salaris over de beoordelingsperiode (van in de regel 1 jaar). Behalve de
                    werkresul- taten kan ook extra inzet van de ambtenaar incidenteel extra worden
                    beloond. De automatische periodiek bestaat niet. Er is geen uitloopschaal, geen
                    functioneringstoelage en een aanloop- schaal geldt in uitzonderingsgevallen voor
                    maximaal 1 jaar. Het hier geschetste beloningssys- teem is te vinden in de
                    artikelen C.4 t/m C.7, C.9 en C.10.</al>
        <al>In hoofdstuk C zijn ook andere onderwerpen geregeld. Genoemd kunnen worden:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de waarnemingstoelage (artikel C.11);</al></li>
          <li nr="-"><al>de toelage onregelmatige dienst (artikelen C.12 en C.13);</al></li>
          <li nr="-"><al>de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie (artikel C.14);</al></li>
          <li nr="-"><al>de toelage op andere gronden (artikel C.15);</al></li>
          <li nr="-"><al>de eenmalige uitkering (artikel C.21);</al></li>
          <li nr="-"><al>de gratificatie ambtsjubileum (artikel C.22);</al></li>
          <li nr="-"><al>de overwerkvergoeding (artikel C.23);</al></li>
          <li nr="-"><al>de vergoeding voor andere extra diensten dan overwerk (artikel
                            C.24).</al></li>
        </lijst>
        <al>Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichtingen op de betreffende
                    artikelen.</al>
        <al>Beslissingen die op grond van hoofdstuk C worden genomen zijn van groot belang
                    voor de ambtenaar. Zij hebben immers directe betekenis voor zijn inkomen. Bij
                    dergelijke beslissingen zullen vanzelfsprekend zorgvuldigheid, rechtsgelijkheid,
                    rechtszekerheid en rechtsbescherming</al>
        <al>gewaarborgd moeten zijn. Om die reden is het dan ook van grote betekenis dat aan
                    belonings- beslissingen waarbij het functioneren van de ambtenaar een rol
                    speelt, steeds een beoordeling ten grondslag moet liggen. Het
                    beoordelingssysteem bevat immers waarborgen voor de zorg- vuldigheid en de
                    objectieve onderbouwing van dergelijke beloningsbeslissingen. Daarnaast biedt
                    uiteraard de Algemene wet bestuursrecht de ambtenaar tal van waarborgen. Tegen
                    be- loningsbeslissingen – maar ook tegen de daaraan ten grondslag liggende
                    beoordeling – kan betrokkene op grond van deze wet bezwaar aantekenen bij
                    gedeputeerde staten en vervolgens, als hij het met die beslissing niet eens is,
                    bij de rechter in beroep gaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel C.1 Recht op bezoldiging</tussenkop>
        <al>In dit artikel is het recht op bezoldiging vastgelegd. In artikel A.1, onderdeel
                    e, is gedefinieerd wat onder bezoldiging wordt verstaan. De ambtenaar ontvangt
                    bezoldiging voor de dienst die hij voor de provincie verricht. In het tweede lid
                    ligt het principe “geen werk, geen loon” verankerd. Dat geldt als de ambtenaar
                    opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, in strijd met zijn verplich-
                    tingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.2 Uitbetaling salaris, toelagen, vergoedingen en
                    tegemoetkomingen</tussenkop>
        <al>In dit artikel is de betalingstermijn geregeld van de belangrijkste betalingen
                    van de provinciale werkgever aan zijn ambtenaren. Het betreffen, zoals in het
                    derde lid is aangegeven, betalingen die kunnen worden gedaan zonder dat daarvoor
                    een afzonderlijke beschikking moet worden genomen. Artikel C.2 spoort met
                    hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht is voorgeschreven ten aanzien van
                    betaling en invordering van geldschulden waarbij een bestuursorgaan is be-
                    trokken. Op grond van artikel 4:88, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
                    zal een be- schikking alsnog worden afgegeven als de belanghebbende ambtenaar
                    hierom verzoekt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.3 Salaris en toelagen bij gebroken tijdvakken</tussenkop>
        <al>Het salaris per dag wordt dus niet bepaald door het maandbedrag te delen door
                    het aantal werkdagen in die maand.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.4 Inrichting salarisgebouw</tussenkop>
        <al>Er zijn 18 salarisschalen. Van alle salarisschalen is slechts de bandbreedte
                    aangegeven: alleen het minimumsalaris en het maximumsalaris zijn vastgelegd. Het
                    minimumsalaris is in de salaris- schalen 1 en 2 79% en in de overige
                    salarisschalen 70% van het maximumsalaris Het salaris- gebouw is opgenomen in
                    bijlage 2 van de CAP. De daarin opgenomen salarisbedragen zullen telkens worden
                    aangepast aan de algemene salarisverhogingen die partijen in het SPA in de CAO
                    afspreken. Gedeputeerde staten vervangen dan de oude bijlage door een
                    nieuwe.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.5 Bepaling salarisschaal</tussenkop>
        <al>Eerst wordt vastgesteld welke salarisschaal voor de ambtenaar geldt. Vervolgens
                    wordt op grond van artikel C.6 het salaris van de ambtenaar bepaald. Het salaris
                    moet passen binnen de bandbreedte van zijn salarisschaal. De verdere
                    salarisontwikkeling is tenslotte geregeld in arti- kel C.7.</al>
        <al>De salarisschaal van de ambtenaar wordt bepaald door de zwaarte van de functie.
                    Die wordt vastgesteld met behulp van een systeem van methodische
                    functiewaardering.</al>
        <al>De provincies hanteren voor de functiewaardering FUWAPROV. Dat is een
                    provinciale vertaling van FUWASYS dat voor het rijkspersoneel geldt. Op basis
                    van het derde lid hebben gedepu- teerde staten de Procedureregeling methodische
                    functiewaardering vastgesteld. Met behulp van de conversietabel die hoort bij de
                    Procedureregeling methodische functiewaardering wordt de uitkomst van de
                    functiewaardering vertaald naar een van de 18 salarisschalen. Bij elke func- tie
                    hoort dus een salarisschaal. Die noemen we de functieschaal. De ambtenaar wordt
                    ingepast in de functieschaal. Wordt de ambtenaar nadien in een lichtere of
                    zwaardere functie benoemd of komt de functie bij herwaardering hoger of lager
                    uit dan leidt dit tot een andere salarisschaal voor de ambtenaar. Daarbij hoort
                    dan een hernieuwde salarisinpassing overeenkomstig artikel C.6.</al>
        <al>Bij uitzondering kan de ambtenaar in een aanloopschaal worden geplaatst. Dat is
                    geregeld in het vijfde lid. Het is alleen mogelijk als de ambtenaar nog niet
                    volledig voldoet aan het minimaal</al>
        <al>noodzakelijke niveau voor de functie. Het betreft steeds de direct aan de
                    functieschaal voorlig- gende salarisschaal. Plaatsing in de aanloopschaal kan
                    voor maximaal 1 jaar. Daarna wordt de ambtenaar in de functieschaal geplaatst
                    tenzij uit een beoordeling blijkt dat hij nog steeds niet aan de minimale
                    vereisten voor de functie voldoet.</al>
        <al>Het komt voor dat een ambtenaar tijdelijk een andere functie waarneemt,
                    bijvoorbeeld omdat een collega of leidinggevende voor een langere periode ziek
                    is. In dat geval wordt de ambte- naar niet geplaatst in de salarisschaal die
                    hoort bij de waargenomen functie maar blijft hij in zijn salarisschaal. Dat is
                    geregeld in het zesde lid. Wel kan onder voorwaarden een toelage worden
                    toegekend als hij een hoger gewaardeerde functie waarneemt (zie artikel C.11).
                    Het komt ook voor dat een ambtenaar voor een proefperiode in een zwaardere
                    functie wordt benoemd. In dat geval zal als regel worden bepaald dat de
                    ambtenaar in zijn oude salarisschaal blijft. Als regel: de leidinggevende kan
                    ook met de ambtenaar afspreken dat hij gelijk al in de hogere salaris- schaal
                    wordt geplaatst. Mislukt de proefplaatsing dan keert de ambtenaar doorgaans
                    terug in zijn oude functie. Er zijn dan geen gevolgen voor de salarisschaal als
                    hij in de oude salaris- schaal is gebleven. Wordt de ambtenaar na de
                    proefperiode definitief in de zwaardere functie benoemd dan zal hij alsnog in de
                    daarbij behorende hogere salarisschaal worden geplaatst als dat niet al gelijk
                    is gebeurd, eventueel met terugwerkende kracht tot (uiterlijk) het moment van
                    aanvang van zijn proefplaatsing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.6 Bepaling salaris</tussenkop>
        <al>Nadat de salarisschaal is vastgesteld wordt op grond van artikel C.6 het salaris
                    in die salaris- schaal bepaald. Dat kan in beginsel elk salaris zijn binnen de
                    bandbreedte van de salarisschaal. Bij eerste aanstelling is dat in de regel het
                    minimumsalaris in de salarisschaal. Afhankelijk van de relevante kennis,
                    ervaring en vaardigheden kan dat meer zijn. Het salaris bedraagt in ieder geval
                    het bedrag van het wettelijk minimumloon dat geldt voor werknemers van dezelfde
                    leeftijd als de ambtenaar. Omdat de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag
                    formeel niet geldt voor overheidspersoneel is dit geregeld in het tweede
                    lid.</al>
        <al>Een dergelijke situatie zal zich overigens, gezien het salarisgebouw van de
                    provincie, vrijwel nooit voordoen. Het derde tot en met zevende lid bevatten
                    salarisbepalingen bij latere benoe- mingen in andere functies.</al>
        <al>Betreft het een benoeming in een gelijk of hoger gewaardeerde functie dan mag
                    het nieuwe salaris nooit minder zijn dan het salaris in de oude functie. Daarbij
                    moet ook in de gaten worden gehouden de salarisontwikkeling die de ambtenaar in
                    de oude functie zou doormaken. Zou hij in de oude functie bijvoorbeeld met
                    toepassing van artikel C.7 een half jaar later in aanmerking zijn gekomen voor
                    een salarisverhoging van 3% dan zal daarmee rekening gehouden moeten worden bij
                    de bepaling van het salaris in de nieuwe functie.</al>
        <al>Is bij benoeming in een functie van gelijk niveau “horizontale inpassing” in de
                    nieuwe salaris- schaal (derhalve op een gelijk salarisniveau) het uitgangspunt,
                    bij benoeming in een hoger ge- waardeerde functie zal doorgaans een hoger
                    salaris worden vastgesteld. Gebruikelijk is om bij promoties het salaris in de
                    oude functie te verhogen met 3% van het maximumsalaris in de nieuwe functie. Er
                    is echter ruimte om, afhankelijk van het geval, meer of minder te doen. Een
                    horizontale overgang ligt in de rede als bijvoorbeeld een hoger salaris
                    afhankelijk wordt gesteld van de afronding van een voor de nieuwe functie
                    noodzakelijke opleiding. Uiteraard zal het nieuwe salaris steeds binnen de
                    bandbreedte van de nieuwe salarisschaal moeten liggen. Het salaris zal dus
                    altijd minimaal het minimumsalaris van die salarisschaal bedragen.</al>
        <al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar wordt benoemd in een andere, lager
                    gewaardeerde functie. Dat is niet gebruikelijk maar soms is dat onvermijdelijk.
                    Dat kan spelen bij reorganisa- ties waarin voor een ambtenaar slechts een
                    passende andere functie in de nieuwe organisatie beschikbaar blijkt op een lager
                    niveau. In dat geval zal de ambtenaar worden ingepast in de bij de nieuwe
                    functie behorende lagere salarisschaal op hetzelfde salaris als in de oude
                    functie. Dat is geregeld in het vijfde lid. Is het oude salaris hoger dan het
                    maximumsalaris van de nieu- we salarisschaal dan wordt betrokkene op het
                    maximumsalaris ingepast en wordt het verschil tussen oude en nieuwe salaris
                    gegarandeerd door toekenning van een toelage. Die toelage wordt als salaris
                    aangemerkt wat onder meer betekent dat de toelage de algemene salarisont-
                    wikkeling volgt en (mede) grondslag vormt voor het IKB en aan het salaris
                    gerelateerde toela- gen en vergoedingen. De spelregels bij reorganisaties die
                    tussen de provincie en de vakorgani- saties van overheidspersoneel zijn
                    afgesproken bevatten aanvullende personele en rechtsposi- tionele garanties en
                    randvoorwaarden.</al>
        <al>Niet in alle gevallen zijn er garanties dat bij benoeming in een andere, lager
                    gewaardeerde functie het oude salaris gehandhaafd blijft. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid, vierde volzin, en in het zesde en zevende lid. Vanzelfsprekend is
                    een dergelijke garantie afwezig in het geval dat de ambtenaar bij wijze van
                    disciplinaire maatregel (met toepassing van artikel G.4, eerste lid, onderdeel
                    d) is benoemd in een lager gewaardeerde functie. Voor gevallen van
                    inkomensverlies bij re-integratie van een zieke ambtenaar in een lager betaalde
                    functie (met toepassing van artikel E.7) gelden bijzondere (tijdelijke)
                    voorzieningen op grond van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte
                    en arbeidsongeschiktheid. Bij benoeming in een andere, lager gewaardeerde
                    functie die het gevolg is van disfunctioneren in de oude functie ligt de zaak
                    ge- nuanceerd. Een algemeen recht op een salarisgarantie is er niet. Of het
                    redelijk is zo’n garantie te geven is afhankelijk van o.a. de mate van
                    disfunctioneren en eventuele eigen schuld aan het disfunctioneren.</al>
        <al>Indien bijvoorbeeld verwijtbaar disfunctioneren van een zodanige aard is dat
                    betrokkene op grond daarvan ontslag kan worden verleend op grond van artikel
                    B.9, onderdeel h, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid en om humanitaire
                    redenen wordt gekozen voor benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie,
                    dan ligt een salarisgarantie niet in de rede.</al>
        <al>Een vierde situatie waarin een salarisgarantie niet hoeft te worden gegeven
                    betreft de terugkeer in de oude functie na een tijdelijke benoeming in een hoger
                    gewaardeerde functie. Het zal in de praktijk voorkomen dat een ambtenaar uit de
                    lijnorganisatie wordt gehaald om als projectleider een bepaald project te
                    trekken. Het leiden van een dergelijk project kan voor de ambtenaar een
                    interessante stap zijn in zijn loopbaan bij de provincie, maar ook een
                    salarisverbetering beteke- nen als die tijdelijke functie zwaarder is. De
                    eventuele salarisverbetering is uiteraard ook van tijdelijke aard. Mocht de
                    ambtenaar na afloop van het project weer terugkeren in zijn oude func- tie dan
                    zal hij opnieuw in zijn oude salarisschaal worden ingepast en is er voor hem
                    geen ga- rantie dat hij ten minste het salaris houdt dat hij in de tijdelijke
                    functie ontving. Het spreekt voor zich dat deze consequenties vooraf aan de
                    betrokken ambtenaar moeten zijn duidelijk gemaakt. Recht op een salarisgarantie
                    is tenslotte evenmin aan de orde indien de ambtenaar zelf ver- zoekt om
                    benoeming in een andere, lager gewaardeerde functie, bijvoorbeeld omdat hij het
                    wat rustiger aan wil doen. Als onderdeel van het provinciale seniorenbeleid is
                    in de tweede volzin van het zevende lid een demotieregeling voor de oudere
                    ambtenaar opgenomen. Deze regeling houdt in dat de ambtenaar van 55 jaar of
                    ouder, die een stapje terug doet door over te stappen op een lichtere functie,
                    daarvan geen nadelige gevolgen in het pensioen zal ondervinden. Arti- kel 3.5
                    van het pensioenreglement ABP biedt hiertoe de mogelijkheid. De pensioenopbouw
                    zal gebaseerd blijven op de oude inschaling. Op het salaris in de oude functie
                    dat voor de pensi- oenopbouw van de ambtenaar blijft gelden, worden de algemene
                    salarisverhogingen voor het provinciepersoneel toegepast. De pensioengaranties
                    gelden niet voor taakverlichting van oude- re ambtenaren via vermindering van de
                    formele arbeidsduur. In dat geval blijft de pensioen- grondslag ongewijzigd
                    omdat de ambtenaar geen lager betaalde functie gaat vervullen. Er zijn dan geen
                    gevolgen voor al opgebouwde pensioenrechten, maar op de nog op te bouwen pen-
                    sioenjaren zal de deeltijdfactor worden losgelaten.</al>
        <al>In het achtste en negende lid is geregeld wat de salarisconsequenties zijn van
                    een herwaarde- ring van de functie. Komt de functiewaardering hoger uit dan zal
                    de ambtenaar horizontaal wor- den ingepast in de nieuwe salarisschaal. Is het
                    oude salaris lager dan het minimumsalaris van de nieuwe salarisschaal dan wordt
                    hij op dit minimumsalaris ingepast. Bij een lagere functie- waardering wordt het
                    oude salaris gegarandeerd, eventueel via een toeslag boven het maxi- mumsalaris
                    in de nieuwe salarisschaal.</al>
        <al>Zit een ambtenaar in de aanloopschaal en wordt hij in de functieschaal geplaatst
                    omdat hij in- middels wel aan de minimale vereisten voor de functie voldoet dan
                    zal hij in de functieschaal op het minimumsalaris worden ingepast. Mocht de
                    ambtenaar in de aanloopschaal al een hoger salaris ontvangen dan wordt hij
                    horizontaal in de functieschaal ingepast. Een en ander is gere- geld in het
                    tiende lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.7 Salarisontwikkeling bij duurzame groei in het
                    functioneren</tussenkop>
        <al>Zolang de ambtenaar in de voor hem geldende salarisschaal niet op het
                    maximumsalaris zit kan hij een groei in salarisontwikkeling doormaken. Daarvoor
                    is een duurzame groei in het functio- neren vereist. Om structureel meer te gaan
                    verdienen moet men immers ook structureel beter functioneren. Die duurzame groei
                    in functioneren moet blijken uit een door de leidinggevende vastgestelde
                    beoordeling. Er is een systeem van jaargesprekken waarbij in beginsel
                    jaarlijks</al>
        <al>tussen leidinggevende en ambtenaar afspraken worden gemaakt over de duurzame
                    groei in het functioneren en in verband hiermee over de ontwikkeling van de
                    daartoe benodigde competen- ties. Deze afspraken worden in hun totaliteit in
                    beginsel jaarlijks door de leidinggevende en de ambtenaar gezamenlijk
                    geëvalueerd en door de leidinggevende formeel beoordeeld. Voor de beoordeling
                    van de duurzame groei in functioneren is het oordeel over de werkresultaten
                    overi- gens mede van belang. De ontwikkelingsafspraken met de ambtenaar zijn
                    immers uiteindelijk gericht op betere prestaties. Voor een nadere beschouwing
                    over de relatie tussen ontwikkeling en prestaties wordt verwezen naar de
                    toelichting op de Regeling jaargesprekken.</al>
        <al>Aan de hand van de beoordeling wordt vervolgens een beslissing genomen over de
                    salarisont- wikkeling in de salarisschaal. Daarvoor zijn in artikel C.7 regels
                    vastgesteld. Bij een normaal goede beoordeling zal het salaris na genoemde
                    periode van een jaar worden verhoogd met 3% van het maximumsalaris en bij een
                    zeer goede, onderscheidenlijk uitstekende beoordeling met 4%, onderscheidenlijk
                    6%. Bij een matige beoordeling zal het salaris nog wel beperkt stijgen (met 1%
                    van het maximumsalaris), maar bij een slechte beoordeling niet. Uitgaande van de
                    noodzakelijke ingroeitijd (bij een normale ontwikkeling) bedraagt het aantal
                    stappen (van 3%) van minimum tot maximum zeven in de salarisschalen 1 en 2 en
                    tien in de salarisschalen 3 tot en met 18. In de situatie dat elk jaar het
                    salaris op deze wijze met 3% wordt verhoogd zal de ambtenaar die op het
                    minimumsalaris binnenkomt en een normale groei in het functioneren doormaakt in
                    zeven jaar (salarisschalen 1 en 2) resp. tien jaar (overige salarisschalen) het
                    maximumsalaris in zijn salarisschaal kunnen bereiken.</al>
        <al>Aannemende dat de ambtenaar dan nog steeds dezelfde functie vervult en niet al
                    eerder in het kader van zijn loopbaan in een andere functie is benoemd.</al>
        <al>Zoals hierboven aangegeven gaat het systeem van jaargesprekken uit van een
                    jaarcyclus waarbij aan het begin van die jaarcyclus de afspraken worden gemaakt
                    over de voor de salaris- ontwikkeling relevante duurzame groei in het
                    functioneren en aan het eind van die jaarcyclus de gemaakte afspraken worden
                    geëvalueerd en beoordeeld. De besluitvorming over de conse- quenties voor de
                    salarisontwikkeling sluit daarop aan. In het derde lid is daarom bepaald dat de
                    salarisverhoging (indien is voldaan aan de gestelde voorwaarden) telkens na in
                    de regel 12 maanden plaatsvindt. De toevoeging “in de regel” wil zeggen dat een
                    salarisverhoging ook eer- der of later dan na 12 maanden kan plaatsvinden. Dat
                    moet wel een uitzondering zijn. Als bij- voorbeeld de ambtenaar tussentijds in
                    een andere functie wordt benoemd kan er aanleiding zijn voordien een afsluitende
                    beoordeling uit te brengen over het functioneren in de oude functie. Daaraan
                    kunnen eventueel ook eerder dan na ommekomst van de periode van 12 maanden
                    consequenties voor het salaris worden verbonden. Omgekeerd kunnen er ook
                    omstandigheden zijn waardoor het onmogelijk is om een verantwoord oordeel te
                    geven over de duurzame groei in het functioneren. Daarvan zal sprake kunnen zijn
                    bij langdurige afwezigheid, bijvoorbeeld wegens ziekte. Het moge duidelijk zijn
                    dat ingeval van afwezigheid gedurende de hele (of na- genoeg de hele) periode
                    van 12 maanden er geen duurzame groei in functioneren kan worden geconstateerd
                    en er dus ook geen grondslag is voor welke salarisverhoging dan ook. Salaris-
                    verhoging op grond van artikel C.7 zal in dat geval pas weer aan de orde zijn na
                    afloop van de nieuwe jaarcyclus. Het kan ook voorkomen dat de ambtenaar een
                    (substantieel) deel van de 12 maanden wel aanwezig is geweest maar die periode
                    te kort is om een verantwoord oordeel te geven over de duurzame groei in het
                    functioneren. In dat geval kan worden besloten een be- slissing over een
                    salarisverhoging en de daarvoor noodzakelijke beoordeling te verschuiven naar
                    een later tijdstip dan het einde van de reguliere periode van 12 maanden. In een
                    dergelijk geval kan er aanleiding zijn om op basis van die latere beoordeling,
                    als die positief uitvalt, te bepalen dat de daaraan verbonden salarisverhoging
                    terugwerkt tot aan de datum waarop de normale periode van 12 maanden is
                    verstreken.</al>
        <al>De omvang van de salarisverhoging bij duurzame groei in functioneren is niet een
                    volledig vrije keus van de leidinggevende maar is, afhankelijk van de uitkomst
                    van de beoordeling, 1%, 3%, 4% of 6% van het maximumsalaris in de salarisschaal.
                    Het gaat dus om vaste stappen in de salarisschaal. Als een ambtenaar bij aanvang
                    niet op het minimumsalaris is ingepast zal de laatste stap naar het
                    maximumsalaris niet 1%, 3%, 4% of 6% kunnen zijn, maar op een lager bedrag
                    uitkomen. Het vierde lid voorziet hierin.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.8 Salaris bij deeltijdfuncties</tussenkop>
        <al>Het salaris wordt bepaald naar evenredigheid van de formele arbeidsduur.
                    Bedraagt de formele arbeidsduur (tijdelijk) 40 uur per week dan is het salaris
                    40/36 (artikel D.1, vijfde lid).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen C.9 en C.10 Incidentele beloning van prestaties en extra
                    inzet</tussenkop>
        <al>Naast de structurele beloning kent het beloningssysteem de variabele beloning.
                    Die kan worden gegeven voor extra prestaties of voor extra inzet van ambtenaren.
                    In het eerste geval gaat het om output. In het tweede geval om beloning van
                    input. Beide beloningsvormen hebben een incidenteel karakter. Naar de aard zal
                    de inputbeloning in belangrijke mate gericht zijn op amb- tenaren in de lagere
                    salarisschalen. De outputbeloning komt op alle functieniveaus voor maar zal meer
                    betekenis hebben voor de hogere salarisschalen omdat zij meer bijdragen aan de
                    realisering van de organisatiedoelstelling waarvoor de outputbeloning wordt
                    gegeven. Het ge- heel aan maatregelen voor variabel belonen heeft daarmee een
                    evenwichtige spreiding over alle functieniveaus.</al>
        <al>Bij de outputbeloning, die is geregeld in artikel C.9, zijn uitgangspunten het
                    motiveren, stimule- ren en waarderen van ambtenaren om te komen tot extra
                    prestaties door het toekennen van flexibele incidentele beloningselementen. Met
                    de ambtenaar worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over het
                    realiseren van vooraf vastgelegde, concrete en zoveel mogelijk kwantificeerbare
                    werkresultaten op in beginsel het hele werkveld van de ambtenaar. Variabele
                    beloning is een outputbeloning die alleen wordt gegeven bij zeer goede of
                    uitstekende werkre- sultaten. Na afloop van de periode waarover in het
                    planningsgesprek werkresultaten zijn afge- sproken worden de behaalde
                    werkresultaten geëvalueerd en beoordeeld. Op basis van de uit- gebrachte
                    beoordeling wordt vervolgens een beslissing genomen over de toekenning van een
                    incidentele outputbeloning. Die zal worden toegekend als de werkresultaten
                    waarover in het planningsgesprek afspraken zijn gemaakt, de gestelde eisen in
                    ruime dan wel uitzonderlijke mate overtreffen. De besluitvorming over de
                    outputbeloning sluit dus aan op de jaarcyclus van het systeem van jaargesprekken
                    en zal dus telkens na in de regel 12 maanden plaatsvinden. Wat betreft de
                    periode van 12 maanden geldt hetzelfde als wat daarover is opgemerkt ten aan-
                    zien van de periodieke salarisverhoging: besluitvorming over een outputbeloning
                    en een daar- aan voorafgaande beoordeling kunnen bij uitzondering ook eerder of
                    later dan na 12 maanden plaatsvinden. Kortheidshalve wordt verwezen naar de
                    betreffende passage in de toelichting op artikel C.7.</al>
        <al>De outputbeloning heeft een incidenteel karakter en is bij zeer goede
                    werkresultaten 3% en bij uitstekende werkresultaten 7% van het salaris over de
                    periode waarop de beoordeelde werkre- sultaten betrekking hebben, derhalve in de
                    regel 3%, onderscheidenlijk 7% van het salaris over 12 maanden.</al>
        <al>Naast de beloning die past bij de jaarcyclus is er bij managers behoefte aan het
                    toekennen van een beloning bij extra inzet of voor het verrichten van niet
                    geplande activiteiten. Artikel C.10 biedt daarvoor de grondslag.</al>
        <al>Gedacht kan worden aan gratificaties, theaterbonnen, een diner voor twee, een
                    werkgeversbij- drage in sabbatverlof en andere blijken van waardering voor
                    individuele ambtenaren of voor een team van ambtenaren. Het gaat hier om
                    incidentele beloningen die direct kunnen worden ver- strekt (boter bij de vis).
                    De uitwerking in concreet beleid en in de ontwikkeling van instrumenten is een
                    lokale verantwoordelijkheid, af te spreken met de ondernemingsraad.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.11 Toelage waarneming andere functie</tussenkop>
        <al>Op grond van dit artikel heeft de ambtenaar recht op een toelage bij volledige
                    waarneming, gedurende minimaal een maand, van een hoger gewaardeerde functie. De
                    toelage bedraagt per maand 6% van het maximumsalaris in de voor de waargenomen
                    functie geldende salaris- schaal en een bedrag naar evenredigheid daarvan over
                    perioden waarin niet een volle maand is waargenomen. Het salaris met de toelage
                    komt daarmee uit op het salaris bij een horizontale inpassing in die hogere
                    salarisschaal, vermeerderd met 2 normale stappen van 3% van het maximumsalaris
                    van die schaal.</al>
        <al>Dat leidt ertoe dat de toelage hoger zal zijn naarmate de waargenomen functie
                    zwaarder is. Het betekent voorts dat de toelage niet is gerelateerd aan het
                    salaris in de eigen functie. Voor alle ambtenaren is de toelage bij volledige
                    waarneming van een functie met een zelfde hoger func- tieniveau dus
                    dezelfde.</al>
        <al>In andere gevallen van waarneming is er geen recht op een toelage. Als de
                    ambtenaar een hoger gewaardeerde functie slechts gedeeltelijk waarneemt kan hij
                    daarvoor een toelage naar evenredigheid ontvangen. De hoogte daarvan is
                    afhankelijk van de aard en de omvang van de waargenomen werkzaamheden. Er is
                    geen recht op de toelage als de waarneming geen zwaardere functie betreft of
                    (behoudens bijzondere omstandigheden) korter dan een maand</al>
        <al>duurt. Recht op de toelage bestaat evenmin als de waarneming plaatsvindt vanwege
                    vakantie- verlof van een collega (ook al betreft het een hoger gewaardeerde
                    functie), tenzij het gespaard vakantieverlof betreft. Dan gaat het om
                    vakantieverlof dat op grond van afspraken tussen die collega en zijn
                    leidinggevende is gespaard. Indien een ambtenaar niet in aanmerking komt voor
                    een waarnemingstoelage kan er onder omstandigheden wel aanleiding zijn om hem
                    een een- malige beloning te geven op grond van artikel C.10 wegens extra inzet
                    of het verrichten van niet geplande activiteiten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.12 Toelage onregelmatige dienst</tussenkop>
        <al>Bij de beloning wordt ervan uitgegaan dat de ambtenaar zijn arbeid in de regel
                    verricht op maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur. Als de ambtenaar in
                    opdracht regelmatig of vrij regelmatig op andere tijden doordeweeks of in het
                    weekend of op feestdagen werkt dan heeft hij recht op een toelage op grond van
                    dit artikel. Daarbij gaat het niet om arbeid die in overwerk wordt verricht, dus
                    boven op de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur. In dat geval heeft hij recht
                    op een overwerkvergoeding op grond van artikel C.23. Bij arbeid op onregelmatige
                    tijden binnen de voor hem geldende arbeidsduur komt de ambtenaar in aanmerking
                    voor een toelage die per uur een percentage bedraagt van zijn uur-salaris. Het
                    percentage wordt berekend over ten hoogste het maximumsalaris per uur van
                    salarisschaal 6. De hoogte van het percentage is afhankelijk van het tijdstip
                    dat de onregelmatige dienst wordt verricht. De toelage maakt onder- deel uit van
                    de bezoldiging. Het is mogelijk om voor een groep ambtenaren uit te gaan van een
                    voor ieder gelijk (gemiddeld) uur-salaris. Het is ook mogelijk om een vaste
                    maandelijkse toelage toe te kennen. Geen recht op de toelage bestaat als de
                    ambtenaar is ingeschaald in salaris- schaal 11 of hoger.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.13 Afbouw toelage onregelmatige dienst</tussenkop>
        <al>De toelage onregelmatige dienst wordt toegekend voor zolang de ambtenaar die
                    onregelmatige dienst verricht. Als de onregelmatige dienst eindigt of minder
                    wordt dan leidt dat in beginsel tot beëindiging of vermindering van de toelage.
                    Artikel C.13 biedt een voorziening in situaties waar- in als gevolg van
                    beëindiging of vermindering van de onregelmatige dienst buiten toedoen van de
                    ambtenaar een blijvende en substantiële inkomensvermindering plaatsvindt en de
                    toelage onregelmatige dienst gedurende een redelijke periode is genoten. De
                    voorziening geldt onder dezelfde voorwaarden ook als de beëindiging of
                    vermindering van de toelage onregelmatige dienst het gevolg is van een medisch
                    advies van de Arbodienst, van een vrijwillige benoeming in het kader van de
                    algemene dienst of van vrijstelling van continudienst in de nachturen vanaf 55
                    jaar. De inkomensdaling moet minimaal 3% zijn en de toelage moet minimaal 2 jaar
                    zijn ge- noten. In dat geval heeft de ambtenaar recht op een aflopende toelage
                    gedurende minimaal 6 maanden ( te weten een kwart van de vereiste minimumperiode
                    van 2 jaar dat de toelage moet zijn genoten) en maximaal 3 jaar.</al>
        <al>De toelage onregelmatige dienst wordt in drie gelijke perioden afgebouwd. Als de
                    afbouwperio- de 3 jaar is dan ontvangt de ambtenaar het eerste jaar 75%, het
                    tweede jaar 50% en het derde jaar 25%. Verhogingen in de bezoldiging nadien,
                    anders dan ten gevolge van algemene salaris- verhogingen, worden daarop in
                    mindering gebracht. In het vierde tot en met zesde lid is dat uitgewerkt.</al>
        <al>Een voorbeeld ter illustratie. Ambtenaar A heeft een salaris van € 2.000 per
                    maand, zijnde het maximumsalaris in zijn salarisschaal, en een toelage
                    onregelmatige dienst van € 200 per maand. Die € 200 is ook het gemiddelde over
                    de laatste 12 maanden, hetgeen van belang is, omdat die de grondslag vormt voor
                    de aflopende toelage. Als gevolg van een (blijvende) ver- mindering van de
                    onregelmatige dienst daalt de toelage tot € 100 per maand.</al>
        <al>Ambtenaar A heeft, gezien de periode dat hij de onregelmatige dienst heeft
                    verricht, aanspraak op een aflopende toelage gedurende de maximumperiode van 3
                    jaar. De aflopende toelage bedraagt het eerste jaar (€ 200 - € 100 =) € 100 x
                    75% = € 75 per maand. Het tweede en derde jaar bedraagt zij € 50 resp. € 25 per
                    maand. Als de ambtenaar in het eerste jaar een stap van 3% van het
                    maximumsalaris maakt (= € 60 per maand) op grond van een normaal goede be-
                    oordeling dan bedraagt de aflopende toelage in het eerste jaar 75% van € 200
                    minus € 100 en minus € 60, ofwel € 30 per maand. Vindt er in plaats daarvan een
                    algemene salarisverhoging van 2% plaats dan wordt ook de aflopende toelage met
                    dat percentage verhoogd. Die komt dus uit op € 76, 50. Dat gebeurt op grond van
                    het zesde lid op de volgende wijze: (€ 200 x 102% =)</al>
        <al>€ 204 minus (€ 100 x 102% =) € 102 = €102 x 75% = € 76,50.</al>
        <al>Vanaf 60 jaar kan onder voorwaarden een blijvende toelage worden toegekend. Deze
                    bedraagt steeds 100%. Is er voordien een aflopende toelage toegekend die nog
                    voortduurt op de 60- jarige leeftijd dan wordt die aflopende toelage op het dan
                    geldende niveau omgezet in een blij- vende toelage. Als de aflopende toelage op
                    dat moment 50% bedraagt dan bedraagt ook de blijvende toelage vanaf 60 jaar 50%.
                    Zowel de aflopende toelage als de blijvende toelage op grond van dit artikel
                    maken onderdeel uit van de bezoldiging.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.14 Arbeidsmarkttoelage en bindingspremie</tussenkop>
        <al>Om kwalitatief goed en gemotiveerd personeel te hebben en te houden is het voor
                    de provincie van belang zich als een aantrekkelijke werkgever op de arbeidsmarkt
                    te positioneren. Uit on- derzoek blijkt dat de aantrekkelijkheid van de
                    werkgever bij de overheid in sterke mate wordt bepaald door de inhoud van het
                    werk en de loopbaanperspectieven. Ook het salaris en andere arbeidsvoorwaarden
                    zijn belangrijk. Zoals hierboven al geconstateerd vormt de marktwaarde een van
                    de vier grondslagen van het beloningssysteem. Die marktwaarde vindt zijn
                    vertaling in het generieke salarisniveau. Soms zijn er specifieke voorzieningen
                    nodig om de arbeidsmarkt- positie te verbeteren.</al>
        <al>In de beloningssfeer kan daarbij worden gedacht aan de toekenning van een
                    arbeidsmarkt- toelage of een bindingspremie. Die voorzieningen zijn opgenomen in
                    artikel C.14. Zij kunnen worden gericht op specifieke beroepsgroepen, voor de
                    vervulling van functies die, gelet op de schaarste op de arbeidsmarkt, moeilijk
                    vervulbaar zijn en op het behoud van gekwalificeerd personeel in dergelijke
                    functies. De arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie zullen daarom doorgaans
                    worden toegekend aan een groep van ambtenaren die door gedeputeerde staten is
                    aangewezen. Daarover maken zij afspraken met de vakorganisaties in het
                    Georganiseerd Over- leg. Artikel C.14 biedt daarnaast de ruimte voor individueel
                    maatwerk. Ook aan een individuele ambtenaar kan, als daartoe op grond van
                    arbeidsmarktoverwegingen aanleiding bestaat, een arbeidsmarkttoelage of een
                    bindingspremie worden toegekend.</al>
        <al>De arbeidsmarkttoelage wordt toegekend in aanvulling op het salaris en wordt dus
                    in de regel maandelijks betaald voor een tevoren bepaalde periode. De
                    bindingspremie is een eenmalige uitkering die wordt toegekend na afloop van een
                    vooraf bepaalde periode. Als de betrokken ambtenaar korter blijft krijgt hij in
                    beginsel niets. De periode waarvoor de ambtenaar zich bindt moet, om in
                    aanmerking te komen voor een bindingspremie, ten minste 3 jaar zijn.</al>
        <al>De bindingspremie is geen toelage en is dan ook geen onderdeel van de
                    bezoldiging. De ar- beidsmarkttoelage is wel onderdeel van de bezoldiging. Zij
                    kan voor maximaal 3 jaar worden toegekend. Als de arbeidsmarkt daartoe
                    aanleiding geeft kan de toelage worden verlengd, tel- kens voor maximaal 3 jaar.
                    De arbeidsmarkttoelage bedraagt maximaal 10% van het salaris. Het salaris met de
                    toelage mag echter nooit uitkomen boven het maximumsalaris van de naast hogere
                    salarisschaal. Een soortgelijke maximering geldt ook voor de
                    bindingspremie.</al>
        <al>Aan de arbeidsmarkttoelage en de bindingspremie kunnen gedeputeerde staten
                    nadere voor- waarden verbinden. Daartoe kunnen ze nadere regels vaststellen in
                    overleg met de vakorgani- saties in het Georganiseerd Overleg. Gedacht kan
                    worden aan gronden voor intrekking van de toelage en premie, bijvoorbeeld bij
                    aanvaarding van een andere functie, aan een terugbeta- lingsplicht van de
                    toelage bij tussentijds vertrek of aan tijdelijke opschorting van de toelage bij
                    langdurig verlof e.d. Het zesde lid biedt ruimte om toch de toelage of premie
                    gedeeltelijk te be- talen, als de ambtenaar buiten zijn schuld niet aan alle
                    nadere voorwaarden heeft kunnen vol- doen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.15 Toelage op andere gronden</tussenkop>
        <al>De artikelen C.11 t/m C.14 geven een opsomming van toelagen die kunnen worden
                    verstrekt. Artikel C.15 is een kapstokbepaling die het mogelijk maakt om ook op
                    andere gronden een toe- lage toe te kennen. Dat kan zowel een toelage aan een
                    individuele ambtenaar zijn als aan een groep van ambtenaren. In het laatste
                    geval stellen gedeputeerde staten daarvoor een regeling vast. Daarover maken zij
                    afspraken met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het Ge- organiseerd
                    Overleg. Te denken valt hier aan een toelage P.M. (inconveniënten, bereikbaar-
                    heidsdiensten). Een persoonlijke toelage op grond van het (goede) functioneren
                    van de ambte- naar (functioneringstoelage) is op grond van dit artikel uiteraard
                    niet mogelijk. Daarvoor biedt het in de artikelen C.4 t/m C.7, C.9 en C.10
                    uitgewerkte beloningssysteem immers een uitput- tende voorziening.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen C.16 t/m C.20 Individueel Keuzebudget</tussenkop>
        <al>In de artikelen C.16 t/m C.20 is het Individueel Keuzebudget (IKB)
                    geregeld.</al>
        <al>Het IKB is een in geldwaarde uitgedrukt budget dat de ambtenaar naar keuze kan
                    aanwenden voor een aantal doelen. Met het IKB krijgen werknemers meer
                    verantwoordelijkheid voor en zeggenschap over de inhoud van hun
                    arbeidsvoorwaardenpakket. Zij kunnen hierdoor beter keuzes maken die aansluiten
                    bij hun levensfase en/of hun persoonlijke omstandigheden.</al>
        <al>Het IKB is opgebouwd uit een aantal collectieve voorzieningen die voor alle
                    ambtenaren gelden. In het IKB zijn opgenomen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de eindejaarsuitkering van 8,3%</al></li>
          <li nr="-"><al>de vakantie-uitkering van 8%</al></li>
          <li nr="-"><al>de werkgeversbijdrage levensloop van 3,3% (schalen 1 t/m 13) resp. 2,75%
                            (schalen 14 en hoger).</al></li>
        </lijst>
        <al>Ook het bovenwettelijk vakantieverlof (36 uur voor voltijdwerkers) is,
                    uitgedrukt in geld, aan het IKB toegevoegd. Die bedraagt 1,92%. Alles bij elkaar
                    opgeteld komt het IKB op 1 januari 2015 uit op maandelijks 13,52% (schalen 1 t/m
                    13) resp. 12,97% (schalen 14 en hoger) van het sala- ris plus 8% van de
                    bezoldiging. Per 1 januari 2016 is dat 13,62% resp. 13,07% van het salaris plus
                    8% van de bezoldiging.</al>
        <al>De ambtenaar kan er voor kiezen meer uren te gaan werken. Het extra geld dat hij
                    of zij daar- mee verdient wordt dan in het IKB gestort. De werknemer krijgt ook
                    de mogelijkheid om geld dat hij of zij uit bepaalde vaste, specifiek voor hem
                    geldende (individuele) voorzieningen verdient, in het IKB te storten. Bij de
                    start van het IKB blijft die mogelijkheid beperkt tot de vaste, maande- lijkse
                    toelagen, zoals garantietoelagen, arbeidsmarkttoelagen e.d.</al>
        <al>Het IKB wordt berekend over het salaris. Alleen de vakantie-uitkering in het IKB
                    wordt (net als nu) berekend over de bezoldiging (salaris plus toelagen). Daarbij
                    geldt een wettelijk vastge- stelde minimumvakantie-uitkering. Omdat het IKB is
                    berekend over het salaris resp. de bezol- diging hebben ziekte, onbetaald verlof
                    en salarisverhoging invloed op de hoogte daarvan. Bij ziekte die langer dan een
                    jaar duurt vermindert dus de opbouw van het IKB. Een salarisverho- ging leidt
                    tot een hoger IKB.</al>
        <al>Het IKB is grotendeels pensioengevend. Alleen de waarde van het bovenwettelijk
                    vakantieverlof in het IKB is niet pensioengevend. Het budget wordt maandelijks
                    opgebouwd en bedraagt dus elke maand 1/12 deel.</al>
        <al>De ambtenaar kan het IKB laten uitbetalen als brutoloon in de maand van opbouw
                    of later in het kalenderjaar of aanwenden voor extra verlof (voor voltijdwerkers
                    maximaal 144 uur per ka- lenderjaar) dan wel voor levensloop-sparen (als hij
                    onder het overgangsrecht van de Levens- loopregeling valt). Hij kan het IKB
                    tenslotte ook gebruiken voor de IKAP-doelen. Zie daarvoor ook de toelichting op
                    de IKAP-regeling. Hij of zij kan niet meer uit het IKB opnemen dan op dat moment
                    is opgebouwd. Het beschikbare geld kan uiteraard maar één keer worden
                    uitgegeven. En het moet in hetzelfde kalenderjaar zijn besteed. Dat ligt anders
                    wanneer IKB wordt gebruikt voor extra verlof. Dat verlof kan ook later worden
                    opgenomen. Is eenmaal een bedrag opge- nomen dan kan dit niet meer worden
                    teruggestort in het IKB. Als de werknemer geen keuze maakt wordt het opgebouwde
                    deel van het IKB in dezelfde kalendermaand automatisch als brutoloon
                    uitbetaald.</al>
        <al>De aanvraag voor meer of minder werken kan eenmaal per jaar worden gedaan en
                    eenmaal worden herzien. De andere keuzes kunnen maandelijks worden gemaakt vóór
                    de sluitingsda- tum van de salarisverwerking.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.21 Eenmalige uitkering</tussenkop>
        <al>In het kader van de CAO- onderhandelingen in het SPA worden soms ook afspraken
                    gemaakt over een eenmalige uitkering voor het provinciepersoneel. Artikel C.21
                    biedt hiervoor de grond- slag in de CAP.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.23 Vergoeding voor overwerk</tussenkop>
        <al>Aan de ambtenaar kan een vergoeding voor overwerk worden toegekend. Wat onder
                    overwerk wordt verstaan is vastgelegd in het tweede lid. Het moet wel gaan om
                    overwerk dat de ambte- naar is opgedragen. Van overwerkvergoeding zijn
                    uitgesloten ambtenaren in de salarisschalen 11 en hoger.</al>
        <al>Op grond van het tiende lid kan aan deze hoger betaalden in bijzondere
                    omstandigheden wel een bijzondere vergoeding worden verstrekt. De
                    overwerkvergoeding bestaat uit verlof voor de duur van het overwerk en een
                    toeslag in geld, uitgedrukt in een percentage van het salaris. Als het
                    dienstbelang zich tegen vergoeding in tijd verzet wordt de overwerkvergoeding
                    geheel in geld uitbetaald.</al>
        <al>De toeslag is afhankelijk van het tijdstip waarop het overwerk wordt verricht en
                    varieert van 25% voor overwerk op doordeweekse dagen tussen 6 en 20 uur tot 100%
                    op zon- en feestdagen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen deeltijders
                    en voltijdwerkers. De overwerkver- goeding is geen onderdeel van de bezoldiging,
                    maar wel pensioeninkomen waarover dus vol- gens de gebruikelijke verdeling
                    pensioenpremie wordt betaald. Het is mogelijk voor een groep ambtenaren die
                    samen gelijktijdig overwerk verricht een gelijke overwerkvergoeding toe te ken-
                    nen, ook al worden zij verschillend bezoldigd en vervullen zij verschillende
                    functies. Ook is het mogelijk aan een ambtenaar een vaste vergoeding te
                    verstrekken als hij regelmatig overwerk verricht.</al>
        <al>Ter uitvoering van dit artikel kunnen gedeputeerde staten nadere regels
                    vaststellen. Zij kunnen zo nodig in bijzondere gevallen een regeling treffen die
                    dit artikel aanvult of daarvan afwijkt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel C.24 Vergoeding voor andere extra diensten dan
                    overwerk</tussenkop>
        <al>Het kan voorkomen dat een ambtenaar extra diensten verricht die niet zijn
                    verdisconteerd in de bezoldiging (of geacht kunnen worden daarin te zijn
                    verdisconteerd). Overwerk is daarvan een voorbeeld. In dat geval kan er reden
                    zijn daarvoor een specifieke vergoeding te verstrekken.</al>
        <al>Voor het overwerk is dat geregeld in artikel C.23. Te denken valt daarnaast aan
                    P.M. (bereik- baarheidsdiensten, gladheidbestrijding, rampenbestrijding,
                    bedrijfshulpverlening). Daarvoor kunnen gedeputeerde staten een
                    vergoedingsregeling vaststellen. Over deze regeling maken zij afspraken met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK D</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten.</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Arbeidsduur en werktijden</tussenkop>
        <al>In opdracht van het bevoegd gezag van de provincie is het ambtelijk kader belast
                    met de invulling van de op sectoraal niveau vastgestelde arbeidsduur voor het
                    lokaal niveau. Het gaat erom, dat de arbeidstijden door het leidinggevende kader
                    worden gemanaged, een vorm van arbeidstijden- management derhalve.</al>
        <al>Als het gaat om arbeidsduur en werktijden voor het provinciaal personeel dan
                    zijn organisatiebe- lang en individueel belang nadrukkelijk in beeld. Een
                    evenwichtige benadering van beide belan- gen is noodzakelijk. Het
                    organisatiebelang vereist primair een goede bedrijfsvoering, waarbij werkaanbod
                    en beschikbare tijd goed op elkaar zijn afgestemd. Het individueel belang
                    vereist een adequate zorg voor de arbeidsomstandigheden en de individuele
                    wensen. Te denken valt vooral aan het scheppen van faciliteiten die een
                    combinatie van zorg en arbeid mogelijk maken. De 36- urige werkweek heeft het
                    kader geschapen om in de individuele sfeer te zorgen voor een betere combinatie
                    van zorg en arbeid.</al>
        <al>De regeling van de arbeidsduur en de daarbinnen gehanteerde werktijden vereisen
                    een adequate verantwoordelijkheidsverdeling tussen het centrale (sectorale) en
                    lokale bevoegde gezag.</al>
        <al>In de CAP zijn uitgewerkt:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de arbeidsduur;</al></li>
          <li nr="-"><al>de opdracht aan het lokale gezag tot vaststelling van de
                            werktijdenregelingen en de belang- rijkste randvoorwaarden daarbij
                            (kader-stellend);</al></li>
        </lijst>
        <al>Per provincie vindt vaststelling van de concrete werktijdenregelingen plaats. De
                    werktijdenregelin- gen maken immers bij uitstek deel uit van de bedrijfsvoering,
                    die een lokale verantwoordelijkheid is.</al>
        <al>In de CAP worden slechts randvoorwaarden aangegeven, waardoor in de lokale
                    uitwerkingsrege- ling ruimte voor individueel maatwerk overblijft (te denken is
                    aan individuele werktijdenregeling met spaarmogelijkheid).Gelet op de
                    ontwikkelingen in het overlegrecht is lokaal de ondernemings- raad (OR)
                    gesprekspartner bij de vaststelling of wijziging van de
                    werktijdenregelingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vakantieverlof en buitengewoon verlof</tussenkop>
        <al>In de paragrafen 2 en 3 van hoofdstuk D van de CAP is een rechtspositionele
                    regeling van het verlof opgenomen. Daarin is een onderscheid aangebracht tussen
                    vakantieverlof en buitenge- woon verlof. Eerstgenoemd verlof is steeds
                    (volledig) betaald verlof. Buitengewoon verlof kan slechts om bijzondere redenen
                    worden verleend en kan ook onbetaald of gedeeltelijk betaald verlof zijn. De
                    verlofregeling regelt de verloffaciliteiten in hun onderlinge samenhang en geeft
                    de ambtenaar aanspraken op verlof met inachtneming van een aantal restricties
                    met het oog op de bedrijfsvoering. De regeling biedt daarmee een goed evenwicht
                    tussen de belangen van de individuele ambtenaar en die van de organisatie. De
                    ambtenaar heeft met deze regeling goede mogelijkheden om arbeid en privéleven
                    met elkaar te combineren, enerzijds door vakantieverlof waarover hij binnen de
                    grenzen van het dienstbelang vrij kan beschikken en anderzijds door een aantal
                    specifieke bepalingen van buitengewoon verlof.</al>
        <al>Daarnaast zijn er binnen randvoorwaarden keuzemogelijkheden om meer of minder te
                    gaan werken. De ambtenaar is mede verantwoordelijk voor een goede afstemming
                    tussen privébe- langen en organisatiebelangen.</al>
        <al>Het management zal zoveel mogelijk rekening moeten houden met de individuele
                    verlofwensen van zijn ambtenaren. Hij is echter tevens verantwoordelijk voor een
                    zodanige sturing van de verlofopname dat de continuïteit van de werkzaamheden is
                    gewaarborgd en dat verlofstuwme- ren worden voorkomen. De regeling biedt het
                    management in samenhang met andere P&amp;O- instrumenten de middelen voor een
                    planmatige aanpak.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Wet arbeid en zorg</tussenkop>
        <al>Sinds 1 december 2001 geldt de Wet arbeid en zorg voor alle werknemers bij de
                    overheid en in de marktsector. Deze wet bevat een samenhangend systeem van
                    verlofregelingen met de daarbij behorende financiering. In deze wet zijn onder
                    meer de volgende verlofregelingen opge- nomen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>(gedeeltelijk) betaald kortdurend zorgverlof en onbetaald langdurend
                            zorgverlof</al></li>
          <li nr="-"><al>onbetaald ouderschapsverlof</al></li>
          <li nr="-"><al>betaald zwangerschaps- en bevallingsverlof</al></li>
          <li nr="-"><al>betaald adoptieverlof</al></li>
          <li nr="-"><al>betaald calamiteiten- en ander kort verzuimverlof</al></li>
        </lijst>
        <al>Naast deze wettelijke bepalingen zijn er ook (rechtspositionele)
                    verlofbepalingen opgenomen in paragraaf 3 van hoofdstuk D van de CAP. Het is van
                    belang dat er helderheid bestaat over de verhouding tussen de wettelijke en
                    rechtspositionele verlofregelingen. Daarop wordt hieronder ingegaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Zorgverlof</tussenkop>
        <al>De Wet arbeid en zorg kent twee vormen van zorgverlof, te weten het kortdurend
                    en het langdu- rend zorgverlof.</al>
        <al>Er bestaat een (geclausuleerd) recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging
                    i.v.m. ziekte van de levenspartner, (inwonende) kinderen en andere
                    bloedverwanten in de eerste graad. Het verlof geldt voor een periode van
                    maximaal 2 werkweken. In die verlofperiode bestaat het wet- telijke recht op
                    doorbetaling van 70% van het (maximumdag)loon, maar ten minste op het mi-
                    nimumloon. Op grond van artikel D.12, vierde lid, van de CAP wordt dit aangevuld
                    tot 100% van de bezoldiging. Het kortdurend zorgverlof mag alleen worden
                    geweigerd als er een zodanig zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang is dat het
                    belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
                    moet wijken.</al>
        <al>Recht op langdurend zorgverlof bestaat voor de verzorging van zijn of haar
                    levenspartner, kin- deren en bloedverwanten in de eerste graad die
                    levensbedreigend ziek zijn. Het gaat hier om onbetaald deeltijdverlof van
                    maximaal de helft van de arbeidsduur per week over maximaal 12 weken. Voor een
                    voltijdwerker bedraagt het onbetaald langdurend zorgverlof derhalve maxi- maal
                    216 uur. Het verlof kan op verzoek van de werknemer worden gespreid over een
                    kortere of langere periode, maar maximaal over een periode van 18 weken.</al>
        <al>Ook dit verlof kan alleen worden geweigerd als daartegen een zodanig zwaarwegend
                    bedrijfs- of dienstbelang bestaat dat het belang van de werknemer daarvoor naar
                    maatstaven van rede- lijkheid en billijkheid moet wijken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Ouderschapsverlof</tussenkop>
        <al>Voor kinderen tot 8 jaar heeft de werknemer als ouder op grond van de Wet arbeid
                    en zorg recht op ouderschapsverlof. Het betreft hier onbetaald deeltijdverlof
                    van ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week over maximaal twaalf
                    maanden. Voor een voltijdwerker bedraagt het ouderschapsverlof derhalve maximaal
                    936 uur. Het verlof kan op verzoek van de werkne- mer in overleg met de
                    leidinggevende over een langere of kortere periode worden gespreid. Het
                    ouderschapsverlof kan desgewenst in maximaal zes delen worden opgenomen. Elk
                    deel van het ouderschapsverlof moet minimaal één maand duren. Op grond van de
                    levensloopregeling kan voor het onbetaald ouderschapsverlof levensloopsaldo
                    worden opgenomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</tussenkop>
        <al>De regeling van artikel D.11 van de CAP is volledig afgestemd op de wettelijke
                    regeling. Het extra t.o.v. de wettelijke regeling is dat de wettelijke uitkering
                    (het dagloon) wordt aangevuld tot 100% van de bezoldiging. Dat is van belang als
                    de bezoldiging uitkomt boven het maximum dagloon.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Adoptieverlof</tussenkop>
        <al>De in artikel D.12, derde lid, van de CAP opgenomen regeling is een aanvulling
                    op het wettelijk adoptieverlof in die zin dat wordt geregeld dat de wettelijke
                    uitkering bij het adoptieverlof (het dagloon) steeds wordt aangevuld tot 100%
                    van de bezoldiging. Dat is van belang als de bezol- diging uitkomt boven het
                    maximum dagloon.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Calamiteiten- en kort verzuimverlof</tussenkop>
        <al>In de Wet arbeid en zorg is het recht geregeld op kort betaald verlof wegens
                    uitoefening van het actief kiesrecht, ter voldoening aan een wettelijke
                    verplichting, bij overlijden van bloed- en aan- verwanten en bij bevalling van
                    de levenspartner (de dag van de bevalling en twee dagen kraamverlof). In
                    aanvulling hierop is in artikel D.12 van de CAP geregeld: kort betaald
                    calamitei-</al>
        <al>tenverlof en verlof (1 dag) voor het eigen huwelijk/geregistreerd partnerschap.
                    Ook is in artikel</al>
        <al>D.12 van de CAP het verlof bij overlijden nader ingevuld (4 resp. 2 dagen).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel D.1 Arbeidsduur</tussenkop>
        <al>Dit artikel bevat de verplichting voor gedeputeerde staten om de arbeidsduur per
                    jaar voor het personeel vast te stellen aan de hand van het actuele
                    SPA-akkoord.</al>
        <al>Met ingang van 1 oktober 1997 is de voltijd arbeidsduur per jaar vastgesteld
                    volgens de formu- le: het aantal kalenderdagen per jaar verminderd met het
                    aantal zaterdagen en zondagen en niet op zaterdag of zondag vallende feestdagen,
                    vermenigvuldigd met 7,2 (arbeidsduur per dag). De gemiddelde werkweek is hiermee
                    rekenkundig van 38 uur teruggebracht tot 36 uur. In het derde lid is aangegeven
                    welke dagen als feestdagen worden aangemerkt. De 5e mei is dat eens in de vijf
                    jaar, in lustrumjaren. Het SPA-akkoord is bindend voor alle provincies. De bere-
                    kening van de arbeidsduur moet voor elk kalenderjaar opnieuw plaatsvinden.
                    Feitelijk is de ar- beidsduur niet elk jaar gelijk. Dat komt doordat het aantal
                    feestdagen, dat op een doordeweek- se dag valt, jaarlijks kan verschillen en als
                    gevolg van de vierjaarlijkse schrikkeldag.</al>
        <al>De arbeidsduur van deeltijders wordt naar rato vastgesteld. Deeltijders met een
                    zelfde deeltijd- factor zullen op jaarbasis ook een gelijke arbeidsduur moeten
                    hebben. Of dat ook daadwerkelijk zo is, is mede afhankelijk van de dagen waarop
                    wordt gewerkt. Zo zullen bijvoorbeeld deeltij- ders die op maandag werken
                    profiteren van feestdagen als tweede paasdag en tweede pink- sterdag.
                    Deeltijders die op maandag niet werken profiteren daarvan niet. Uit een oogpunt
                    van gelijke rechtsbedeling zal gezorgd moeten worden voor een zodanige
                    vastlegging van de con- crete werktijden in een kalenderjaar dat deeltijders per
                    saldo ook daadwerkelijk evenveel ar- beidsuren hebben.</al>
        <al>In het vijfde lid is geregeld dat de individuele (zittende of nieuw in dienst
                    tredende) ambtenaar en zijn leidinggevende kunnen afspreken dat de ambtenaar
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week gaat werken. Daarbij geldt een bovengrens van
                    40 uur per week. De normwerkweek van 36 uur blijft ongewijzigd. De afspraken om
                    meer dan gemiddeld 36 uur per week te werken kun- nen voor een bepaalde periode
                    worden gemaakt, maar ook voor onbepaalde tijd. Het betreft een geclausuleerd
                    recht van de ambtenaar: een verzoek om meer dan gemiddeld 36 uur per week te
                    werken wordt ingewilligd als er geen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen
                    zijn die zich daartegen verzetten. Er is sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of
                    dienstbelang als een en ander leidt tot ernstige problemen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>van financiële of organisatorische aard;</al></li>
          <li nr="-"><al>wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk; of</al></li>
          <li nr="-"><al>omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe
                            ontoereikend is.</al></li>
        </lijst>
        <al>Het betreft hier geen limitatieve opsomming. Ook ernstige schade aan andere
                    economi- sche, technische of operationele belangen kan reden zijn om een
                    arbeidsduur van meer dan gemiddeld 36 uur per week niet toe te staan.
                    Voorbeelden van een zwaarwegend be- drijfs- of dienstbelang zijn ook:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>schadelijkheid voor de gezondheid (bijv. bij een hoge
                            verzuimfrequentie);</al></li>
          <li nr="-"><al>bij oneigenlijk gebruik (bijv. wanneer de ambtenaar gedeeltelijk of
                            volledig arbeidsonge- schikt is);</al></li>
          <li nr="-"><al>bij disfunctioneren van de ambtenaar, waarbij voorwaarde is dat
                            betrokkene op de hoogte is van de ontevredenheid over zijn functioneren
                            en daarover een behoorlijk gedocumenteerd dossier is bijgehouden.</al></li>
        </lijst>
        <al>De uitbreiding van de arbeidsduur leidt tot een verhoging naar rato van een
                    aantal rechts- positionele voorzieningen. Daarbij gaat het om voorzieningen
                    waarvan het niveau afhanke- lijk is van de arbeidsduur, dus in alle gevallen
                    waarin ook de voorzieningen van deeltijders naar rato zijn bepaald. Te noemen
                    zijn o.a. het salaris, en het IKB, maar ook de loondoor- betaling bij ziekte. Er
                    zijn ook gevolgen voor de toepassing van de sociale verzekeringswet- ten zoals
                    de Werkloosheidswet en de WIA. Voor het pensioen wordt betrokkene gezien als een
                    deeltijder met een deeltijdfactor groter dan 1. Dat leidt tot een evenredige
                    verhoging van het pensioen en van de verschuldigde premie daarvoor.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.2 Werktijdenregelingen</tussenkop>
        <al>Elke ambtenaar werkt volgens een werktijdenregeling. De CAP bepaalt dat
                    gedeputeerde staten werktijdenregelingen vaststellen. De concrete invulling
                    daarvan is een lokale aangelegenheid, omdat het hier gaat om de bedrijfsvoering
                    van de lokale organisatie.</al>
        <al>Wel is in het eerste tot en met derde lid aangegeven, dat het moet gaan om
                    minimaal een alge- mene werktijdenregeling (vast te stellen door gedeputeerde
                    staten, nadat de bestuurder de vereis- te instemming van de OR heeft verkregen)
                    en dat daarnaast de mogelijkheid bestaat om voor bepaalde organisatieonderdelen
                    en bepaalde groepen functies een bijzondere werktijdenregeling te treffen.
                    Tenslotte kan voor iedere ambtenaar afzonderlijk desgewenst een individuele
                    werktij- denregeling worden getroffen. Deze laatste kan dan het kenmerk van een
                    spaarregeling hebben, waarbij de voor de desbetreffende ambtenaar geldende
                    arbeidsduur per jaar wordt overschreden en de extra arbeidsduur in daarop
                    volgende jaren in verlof wordt opgenomen.</al>
        <al>Het vierde lid stelt als randvoorwaarde bij de werktijdenregelingen, dat een
                    zorgvuldige afweging van organisatiebelang en individueel belang plaatsvindt aan
                    de hand van de gegeven criteria. Het organisatiebelang kan soms eisen dat de
                    ambtenaar tijdelijk arbeid verricht buiten het individueel bepaalde
                    arbeidspatroon of zich dan beschikbaar houdt voor arbeid. Dat is geregeld in het
                    vijfde lid.</al>
        <al>In de Arbeidstijdenwet en de ter uitvoering daarvan vastgestelde regelingen zijn
                    de wettelijke grenzen van de werk- en rusttijden dwingendrechtelijk geregeld.
                    Bovendien is in deze wet af- doende geregeld, dat de uitoefening van bepaalde
                    grondrechten die in relatie staan tot het werk (bijvoorbeeld het voldoen aan
                    godsdienstige verplichtingen tijdens het werk) ongestoord kan plaatsvinden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.3 Aanwijzing collectieve roostervrije dagen</tussenkop>
        <al>Het provinciebestuur bepaalt of en wanneer de provinciale dienst collectief
                    gesloten is. Met instemming van de OR kunnen maximaal 7 collectieve roostervrije
                    dagen voor rekening van de ambtenaar worden aangewezen.</al>
        <al>In het tweede lid is geregeld dat 5 mei (zonder nadere aanwijzing door het
                    provinciebestuur) van rechtswege in alle provincies een collectieve roostervrije
                    dag is voor rekening van de amb- tenaar. Uiteraard voor zover 5 mei op een
                    werkdag valt. En niet eens in de 5 jaren is aange- merkt als feestdag (zie
                    artikel D.1, derde lid). Over deze collectieve roostervrije dag hoeft geen
                    overleg met de OR te worden gevoerd. Op deze wijze is geregeld dat 5 mei altijd
                    een vrije dag is: hetzij een vrije dag in het weekend, hetzij een (doordeweekse)
                    feestdag voor rekening van de werkgever, hetzij een (doordeweekse) collectieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar. Het tweede lid is een
                    aanvulling op het eerste lid: ook in jaren dat 5 mei een collec- tieve
                    roostervrije dag voor rekening van de ambtenaar is kunnen gedeputeerde staten
                    maxi- maal 7 (andere) werkdagen als collectieve roostervrije dag aanwijzen. Het
                    totaal aantal collec-</al>
        <al>tieve roostervrije dagen kan in die jaren dan maximaal 8 werkdagen bedragen (7
                    dagen, aan- gewezen op grond van het eerste lid, en 5 mei als 8e dag van
                    rechtswege ingevolge het tweede lid).</al>
        <al>De collectieve roostervrije dagen kunnen niet ten laste van het vakantieverlof
                    worden gebracht.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.4 Werktijdvermindering oudere ambtenaren</tussenkop>
        <tussenkop>Eerste lid P.M. Tweede lid</tussenkop>
        <al>Dit lid bevat een (ongeclausuleerd) recht voor de oudere ambtenaar (vanaf de
                    leeftijd van 55 jaar) om te worden vrijgesteld van continudiensten in de
                    nachturen. Betrokkene heeft in dat geval recht op de afbouwregeling toelage
                    onregelmatige dienst die is opgenomen in artikel C.13.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.5 Aanspraak op vakantieverlof</tussenkop>
        <al>In artikel D.5 is het recht op vakantieverlof geregeld. Het vakantieverlof is
                    uitgedrukt in uren en bedraagt voor iedere fulltime ambtenaar 144 uren per
                    kalenderjaar. Leeftijd en salaris van de ambtenaar zijn daarbij niet relevant.
                    De omvang van het dienstverband is wel relevant: het va- kantie verlof van
                    deeltijdwerkers wordt naar rato bepaald. Aanstelling of ontslag halverwege het
                    kalenderjaar heeft uiteraard gevolgen voor de berekening van de aanspraken. Die
                    worden be- paald naar evenredigheid van de duur van het dienstverband in het
                    betreffende kalenderjaar.</al>
        <al>Als de arbeidsduur van de ambtenaar wordt aangepast worden de aanspraken op
                    vakantiever- lof evenzo aangepast. Daarbij blijven de bestaande aanspraken over
                    de daaraan voorafgaande periode vanzelfsprekend gehandhaafd. Alleen over het
                    resterende deel van het kalenderjaar vindt in dat geval een herberekening
                    plaats.</al>
        <al>Het vakantieverlof is gelijk aan het wettelijk minimum aan vakantieverlof dat
                    voor werknemers in de marktsector is geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Dat is
                    4 weken, namelijk viermaal de overeengekomen arbeidsduur per week, ofwel voor
                    fulltimers bij de provincies (4 x 36 =) 144 uren per kalenderjaar. Uit het IKB
                    kan de ambtenaar extra vakantieverlof kopen (voor fulltimers maximaal 144 uren
                    per kalenderjaar). Op dit extravakantieverlof zijn de bepalingen inzake va-
                    kantieverlof (artikelen D.5 t/m D.9) van overeenkomstige toepassing, met
                    uitzondering van de bepaling over het vervallen van niet opgenomen
                    vakantieverlof (zie toelichting bij artikel D.6).</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.6 Vermindering en verval van aanspraak op
                    vakantieverlof</tussenkop>
        <al>Het vakantieverlof wordt gedurende het kalenderjaar opgebouwd. Dit opbouwsysteem
                    houdt in dat in beginsel uitsluitend vakantieverlof wordt opgebouwd over de
                    gewerkte tijd. Over kalen- dermaanden waarin de ambtenaar geen arbeid verricht
                    heeft hij geen recht op vakantieverlof. Over kalendermaanden waarin gedeeltelijk
                    arbeid wordt verricht bestaat slechts aanspraak op vakantieverlof naar
                    evenredigheid van het gedeelte van de werktijd waarop daadwerkelijk ar- beid is
                    verricht. Dit betekent dat indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid is
                    verricht, bijvoor- beeld wegens non-activiteit, ouderschapsverlof of schorsing,
                    de aanspraak op vakantieverlof naar evenredigheid wordt verminderd. Deze
                    hoofdregel is neergelegd in het eerste lid. Het tweede lid bevat de
                    uitzonderingen op de hoofdregel.</al>
        <al>Zieke ambtenaren bouwen evenveel vakantieverlof op als gezonde ambtenaren. Zij
                    krijgen daardoor, overeenkomstig de Europese jurisprudentie, ook het recht op
                    minimaal 4 weken va- kantieverlof.</al>
        <al>Het vierde lid bevat een vervaltermijn van 12 maanden voor het vakantieverlof.
                    Die moet ervoor zorgen dat alle ambtenaren binnen 12 maanden na afloop van het
                    kalenderjaar waarin de va- kantieaanspraak is ontstaan, hun (resterende)
                    vakantieaanspraken effectueren. Deze verval- termijn bevordert dat alle
                    ambtenaren in het belang van hun veiligheid en gezondheid daadwer- kelijk met
                    regelmaat en tijdig recupereren door elk jaar weer minimaal 4 weken vrij te
                    zijn. De vervaltermijn geldt ook voor (langdurig) zieke ambtenaren. Ook voor hen
                    heeft opname van vakantieverlof een recuperatiefunctie, namelijk herstellen of
                    uitrusten van de activiteiten die hun re-integratieplicht met zich brengt.</al>
        <al>Er zijn situaties denkbaar dat de ambtenaar redelijkerwijs niet in staat is
                    geweest om het vakan- tieverlof op te nemen. Dat kan zijn door toedoen van de
                    werkgever, in het belang van de dienst. Bij een zieke ambtenaar zal dat
                    bijvoorbeeld spelen als die om medische redenen niet in staat is geweest tot
                    re-integratieactiviteiten. De vervaltermijn van 12 maanden geldt in die
                    situaties niet.</al>
        <al>Het vijfde lid bevat een vervaltermijn van 5 jaren. Die geldt voor het
                    vakantieverlof dat de amb- tenaar redelijkerwijs niet heeft kunnen opnemen
                    binnen 12 maanden na afloop van het kalen- derjaar waarin het is ontstaan. De
                    vervaltermijn van 5 jaren geldt ook voor het extra (vakan- tie)verlof waarvoor
                    de ambtenaar IKB heeft ingezet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.7 Opnemen van het vakantieverlof</tussenkop>
        <al>De ambtenaar mag zoveel mogelijk naar eigen wens beschikken over zijn
                    vakantieverlof. Er geldt de algemene restrictie dat het dienstbelang zich kan
                    verzetten tegen opname van vakan- tieverlof.</al>
        <al>In samenhang met de vervaltermijn van 12 maanden geldt de verplichting voor de
                    werkgever om de ambtenaar in de gelegenheid te stellen in ieder geval steeds in
                    het betreffende jaar zijn vakantieverlof op te nemen. Dat is in het derde lid
                    geregeld. Die verplichting geldt zowel jegens gezonde als zieke ambtenaren. Er
                    ligt ook een eigen verantwoordelijkheid bij de ambtenaar om het vakantieverlof
                    steeds tijdig op te nemen. Die is terug te vinden in het tweede lid.</al>
        <al>Als er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zijn is het mogelijk reeds
                    toegekend vakantie- verlof in te trekken, eventueel zelfs tijdens de vakantie.
                    In dat geval moet geleden geldelijke schade worden vergoed.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.8 Vakantieverlof en ziekte</tussenkop>
        <al>In het eerste lid is nog eens duidelijk vastgelegd dat ook zieke ambtenaren het
                    recht hebben om vakantieverlof op te nemen. Dat speelt uiteraard alleen in
                    situaties waarin zij medisch gezien daartoe redelijkerwijs in staat zijn. Dat
                    zal bijvoorbeeld het geval zijn bij zieke ambtenaren die in een
                    re-integratietraject zitten. Vakantieverlof betekent in dat geval dat de
                    ambtenaar in de va- kantieperiode is vrijgesteld van de afgesproken
                    re-integratieactiviteiten. De ambtenaar die we- gens ziekte gedeeltelijk werkt
                    zal voor de volle arbeidsduur vakantieverlof moeten opnemen. De ambtenaar die
                    bijvoorbeeld in de ochtend werkt en in de middag wegens ziekte niet werkt zal
                    een volle dag vakantieverlof moeten opnemen.</al>
        <al>In het derde lid is vastgelegd dat de ambtenaar die aannemelijk kan maken dat
                    hij tijdens va- kantieverlof ziek was, de uren van vakantieverlof waarin hij
                    ziek was terugkrijgt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.9 Vakantieverlof en einde dienstverband</tussenkop>
        <al>In dit artikel is de afkoop geregeld bij einde van het dienstverband. Afkoop
                    geldt voor vakantie- verlof dat de ambtenaar niet heeft kunnen opnemen.
                    Hoofdregel is dat het verlof vóór de datum van ontslag wordt opgenomen. Kan dat
                    niet dan kan dit verlof worden afgekocht. Betreft het afkoop van vakantieverlof
                    ingeval van overlijden dan wordt het afkoopbedrag uitbetaald aan de nagelaten
                    betrekkingen.</al>
        <al>Tegenover de uitbetaling van vakantieverlof staat dat de ambtenaar een
                    vergoeding verschul- digd is voor te veel genoten vakantieverlof. Dat is
                    geregeld in het vierde lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.10 Levensloopregeling</tussenkop>
        <al>In artikel D.10 is de grondslag opgenomen voor de levensloopregeling die vanaf 1
                    januari 2006 is vastgesteld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.11 Zwangerschaps- en bevallingsverlof</tussenkop>
        <al>In de Wet arbeid en zorg is een wettelijk recht op (overdracht van)
                    zwangerschaps- en beval- lingsverlof geregeld. De bepaling van artikel D.11 van
                    de CAP is hiermee in overeenstemming. De Wet arbeid en zorg geeft de vrouwelijke
                    ambtenaar een wettelijk recht op een uitkering ge- durende het zwangerschaps- en
                    bevallingsverlof. Die uitkering bedraagt 100% van het (ge- maximeerde) dagloon.
                    Artikel D.11 van de CAP geeft daarnaast de vrouwelijke werknemer recht op
                    doorbetaling van de volle bezoldiging gedurende het zwangerschaps- en
                    bevallingsver- lof. In artikel D.11, derde lid, van de CAP is een
                    anticumulatiebepaling opgenomen: de uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg
                    wordt in mindering gebracht op de bezoldiging. Als de ambtenaar tijdens het
                    zwangerschaps- en bevallingsverlof geen uitkering op grond van de Wet arbeid en
                    zorg geniet omdat ze heeft nagelaten die (tijdig) aan te vragen wordt de
                    fictieve uitke- ring op de bezoldiging in mindering gebracht. Het zwangerschaps-
                    en bevallingsverlof wordt voor de toepassing van de rechtspositieregelingen niet
                    gelijkgesteld met verhindering wegens ziekte.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen D.12, D.13 en D.15 Buitengewoon verlof</tussenkop>
        <al>In de artikelen D.12 en D.13 is het kortdurend buitengewoon verlof geregeld voor
                    vakbondsacti- viteiten en om andere redenen. Het betreft betaald verlof dat
                    wordt verleend tenzij het dienstbe- lang zich daartegen verzet.</al>
        <al>Op het kortdurend zorgverlof (lid 2 van artikel D.12) zijn verder de bepalingen
                    in de Wet Arbeid en Zorg van toepassing.</al>
        <al>Op het verlof zoals bedoeld in lid 3 van artikel D.12 zijn verder de bepalingen
                    in de Wet Arbeid en Zorg van toepassing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.14 Non-activiteit</tussenkop>
        <al>De non-activiteit c.q. het verlof zelf is in de Ambtenarenwet geregeld. In dit
                    artikel worden de gevolgen voor het inkomen geregeld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel D.16 en D.17 Onbetaald verlof</tussenkop>
        <al>In de artikelen D.16 en D.17 is het recht op langdurend onbetaald verlof
                    opgenomen. Het betreft een geclausuleerd recht op onbetaald volledig verlof of
                    onbetaald deeltijdverlof. Het verlof is niet doel-gebonden en heeft een
                    tijdelijk karakter. Het kan worden geweigerd als het belang van de dienst zich
                    daartegen verzet. Voor het onbetaald ouderschapsverlof en het onbetaald lang-
                    durend zorgverlof gelden de bepalingen ter zake in de Wet arbeid en zorg.</al>
        <al>De aanvraag dient met het oog op te treffen organisatorische maatregelen
                    minimaal drie maan- den tevoren worden ingediend. Bij ziekte en andere
                    onvoorziene omstandigheden wordt, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich
                    daartegen verzet, op verzoek van de ambtenaar het verlof niet opgenomen of vanaf
                    vier weken na het verzoek niet voortgezet als het verlof al is aange- vangen.
                    Het resterende verlof vervalt in dat geval. Een vergelijkbare bepaling komt voor
                    in de Wet arbeid en zorg. Deze mogelijkheid bestaat niet bij onbetaald verlof,
                    direct voorafgaand aan pensionering met het oog op vervroegde uittreding. Bij
                    samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt het onbetaald verlof
                    opgeschort.</al>
        <al>De periode van de eerste 6 maanden van onbetaald verlof zoals bedoeld in het
                    vierde lid van artikel D.17 hoeft niet aaneengesloten te zijn en kan over de
                    jaargrens heenlopen. Het gaat daarbij om de periode(s) die binnen een periode
                    van 12 maanden na start van de eerste perio- de vallen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK E</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>Gezondheid en arbeidsomstandigheden zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een
                    doeltref- fend ziekteverzuimbeleid begint met een goed (preventief)
                    arbeidsomstandighedenbeleid.</al>
        <al>De provinciale werkgever is voor het beleid met betrekking tot
                    arbeidsomstandigheden gebon- den aan de doelstellingen en verplichtingen, die
                    zijn geformuleerd in de Arbeidsomstandighe- denwet 1998, het
                    Arbeidsomstandighedenbesluit, de Arbeidsomstandighedenregeling en de
                    Beleidsregels Arbeidsomstandighedenwetgeving.</al>
        <al>Het Arbeidsomstandighedenbesluit en in mindere mate de
                    Arbeidsomstandighedenregeling bestaan uit een stelsel van regels die op tal van
                    punten globaal van aard zijn. Een aantal van deze globale regels is nader
                    ingevuld via de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze beleidsregels
                    vormen een uitleg door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegen- heid. De
                    beleidsregels zijn niet bindend. Er wordt echter van uitgegaan, dat de
                    arbeidsomstan- dighedenwetgeving op een juiste wijze wordt nageleefd, indien de
                    beleidsregels als uitgangs- punt voor de praktijk worden genomen.</al>
        <al>De arbeidsomstandighedenwetgeving geeft dus op de meeste aspecten van de
                    arbeidsomstan- digheden concrete handvatten voor de werkgever en ambtenaren.
                    Omdat het arbeidsomstan- dighedenbeleid een integraal onderdeel van de
                    bedrijfsvoering behoort te zijn ligt de primaire verantwoordelijkheid hiervoor
                    bij elke provincie afzonderlijk. De Wet op de ondernemingsraden (WOR) legt op
                    dit terrein een belangrijke taak bij de OR. Een aantal zaken wordt echter voor
                    de sector provincies als geheel op uniforme wijze geregeld. Het gaat daarbij om
                    een aantal rechts- positionele voorzieningen, zoals de medische
                    aanstellingskeuring en de verplichte arbeidsge- zondheidskundige onderzoeken.
                    Een recht op een arbeidsgezondheidskundig onderzoek hoeft niet meer te worden
                    geregeld omdat dit al afdoende is geregeld in de Arbeidsomstandigheden- wet
                    1998.</al>
        <al/>
        <al>Niet alleen via de arbowetgeving maar ook met maatregelen op het terrein van de
                    sociale ze- kerheid heeft de overheid in de afgelopen decennia een krachtige
                    inspanning geleverd om het ziekteverzuim en het arbeidsongeschiktheidsvolume
                    terug te dringen. Belangrijke wettelijke maatregelen zijn geweest de Wet
                    terugdringing ziekteverzuim, de Wet terugdringing beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Wet premiedifferentiatie en marktwerking
                    (Pemba), de gedeeltelijke afschaffing van de Ziektewet, de Wet verbetering
                    poortwachter, de Wet verlenging loondoorbetaling bij ziekte en de vervanging van
                    de WAO door de WIA. Ook is de uitvoerings- organisatie sociale zekerheid, mede
                    met het oog op het terugdringen van het beroep op de
                    arbeidsongeschiktheidsregelingen, ingrijpend gewijzigd (Wet structuur
                    uitvoeringsorganisatie werk en inkomen).</al>
        <al>Naast een doeltreffend preventief beleid is van belang dat provincies een
                    optimale inspanning leveren om zieke ambtenaren weer snel in het arbeidsproces
                    te laten terugkeren Ook daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de
                    door sociale partners geformuleerde doelstelling om het ziekteverzuim en de
                    instroom in de WIA terug te dringen. Het gaat hier om een geza- menlijke
                    verantwoordelijkheid en een gezamenlijke inspanning van werkgever en werknemer.
                    Daartoe is een evenwichtig stelsel van rechten en plichten voor ambtenaar en
                    werkgever ont- wikkeld dat voortvloeit uit wettelijke voorschriften, zoals die
                    bijvoorbeeld zijn neergelegd in de Wet verbetering poortwachter, en uit nadere
                    afspraken tussen partijen in het SPA. Zo zijn in artikel E.7 de
                    re-integratieverplichtingen van werkgever en (zieke) ambtenaar vastgelegd en is
                    in artikel E.9 geregeld dat de ambtenaar in beginsel niet in de eerste twee
                    jaren van verhinde- ring wegens ziekte om die reden kan worden ontslagen.</al>
        <al>Sancties voor werkgever en zieke ambtenaar wegens het niet nakomen van de re-
                    integratieverplichtingen zijn wettelijk geregeld in de WIA en rechtspositioneel
                    in de CAP (artikel B.9, onderdeel o, juncto artikel E.16) en in een aparte
                    sectorale uitvoeringsregeling. Daarbij gaat het bij de werkgever bijvoorbeeld om
                    een verlenging van de WIA- wachttijd onder handha- ving van de
                    doorbetalingsplicht van de (gehele of gedeeltelijke) bezoldiging en het
                    ontslagver- bod wegens ziekte ook na genoemde 2 jaar. Sancties voor de ambtenaar
                    zijn onder meer wei- gering van de WIA- uitkering, stopzetting van de
                    loondoorbetaling en ontslag ook binnen ge- noemde periode van 2 jaar van
                    verhindering wegens ziekte.</al>
        <al/>
        <al>In hoofdstuk E worden drie aspecten geregeld t.a.v. gezondheid en
                    arbeidsomstandigheden, t.w.:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Preventieve zorg, waaronder begrepen de medische keuringen. De
                            desbetreffende artike- len geven een aanvulling op hetgeen reeds
                            geregeld is in en krachtens de Arbeidsomstan- dighedenwet, de Wet op de
                            medische keuringen en het Protocol Aanstellingskeuringen 1995.</al></li>
          <li nr="2."><al>Curatieve zorg, die is gericht op terugkeer van de zieke ambtenaar in
                            het arbeidsproces, met naast rechten ook verplichtingen en sancties voor
                            werkgever en werknemer. Een en ander is voor een belangrijk deel nader
                            geregeld in een afzonderlijke sectorale uitvoerings- regeling.</al></li>
          <li nr="3."><al>Een collectieve overeenkomst met een of meer zorgverzekeraars waarin
                            premiekortingen zijn geregeld en een aanvullende tegemoetkoming in de
                            ziektekosten.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel E.1 Algemene bepalingen</tussenkop>
        <al>Gedeputeerde staten moeten een overeenkomst met een Arbo-dienst sluiten. Het
                    gaat daarbij om de wettelijk voorgeschreven taken op het gebied van de
                    bescherming bij de arbeid.</al>
        <al>Ten aanzien van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                    arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de verzuimbegeleiding, geeft dit
                    hoofdstuk geen nadere voorschriften. Dit is een aangelegenheid die gedeputeerde
                    staten met instemming van de OR nader dienen te regelen. Daaronder vallen met
                    name de verplichtingen en procedures inzake de ziek- en herstelmeldin- gen, maar
                    ook bijvoorbeeld de invulling van de taken van de bedrijfsarts en de eventuele
                    af- spraken in het kader van de vrijwillige periodieke arbeidsgezondheidskundige
                    onderzoeken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.2 Keuring bij aanstelling of functiewijziging</tussenkop>
        <al>De Wet op de medische keuringen en aanvullend het Protocol Aanstellingskeuringen
                    van de KNMG stellen regels ten aanzien van de aanstellingskeuring.</al>
        <al>In het kort gezegd is een aanstellingskeuring alleen toegestaan voor zover deze
                    betrekking heeft op een onderzoek naar de medische geschiktheid in verband met
                    de uitoefening van de functie. Het doel van de aanstellingskeuring is om een
                    oordeel te geven over de belastbaarheid van de keurling op het moment van de
                    keuring. Bij de beoordeling zal daarnaast het voorkomen van schade voor de
                    gezondheid, de bescherming van de veiligheid van de keurling, alsmede de
                    veiligheid van derden bij de uitvoering van de betreffende arbeid worden
                    betrokken.</al>
        <al>Een medische keuring bij aanstelling of functiewijziging vindt slechts plaats
                    voor functies, die voorkomen op de in overleg met de OR vast te stellen
                    functielijst.</al>
        <al>Het betreffen dan functies, waarbij een keuring wettelijk is verplicht of
                    waarbij gedeputeerde staten van oordeel zijn dat aan de functie bijzondere eisen
                    van medische geschiktheid moeten worden gesteld. Als basis voor het opstellen
                    van een functielijst kan een risico-inventarisatie dienen. Zodra de lijst is
                    vastgesteld, dient een vertaling</al>
        <al>van specifieke functie-eisen in medische termen te worden gemaakt, zodat de
                    medische keu- ring ook daadwerkelijk en gericht kan plaatsvinden. De Arbo-dienst
                    zal de werkgever daarbij behulpzaam kunnen zijn.</al>
        <al>Overeenkomstig het Protocol Aanstellingskeuringen vindt een aanstellingskeuring
                    niet eerder plaats dan nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid
                    hebben plaatsgevonden en de werkgever op grond daarvan voornemens is de
                    sollicitant aan te stellen.</al>
        <al>Ingevolge de Wet op de medische keuringen heeft de belanghebbende bij een
                    ongunstige uit- slag recht op een herkeuring. Deze herkeuring dient hij bij
                    gedeputeerde staten aan te vragen binnen een week nadat de uitslag aan hem
                    bekend is gemaakt. Conform het Protocol Aanstel- lingskeuringen komen de kosten
                    van de herkeuring ten laste van de provincie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.3 Verplichte periodieke functiegerichte
                    arbeidsgezondheidskundige onder- zoeken</tussenkop>
        <al>De aanstellingskeuring heeft betrekking op een onderzoek naar de medische
                    geschiktheid in verband met de uitoefening van de functie. Het is niet meer dan
                    logisch - en in een aantal ge- vallen zelfs wettelijk verplicht - dat dit
                    onderzoek in de loop van de uitoefening van de functie met een zekere regelmaat
                    wordt herhaald. Bij dit (vervolg)onderzoek gaat het om de vraag of de gezondheid
                    van de ambtenaar door zijn arbeid ongunstig is beïnvloed of dat de ambtenaar
                    door zijn arbeid een onverantwoord gezondheidsrisico loopt. Een negatieve
                    uitkomst van een dergelijk onderzoek betekent dat maatregelen genomen moeten
                    worden. Deze kunnen betrek-</al>
        <al>king hebben op een verbetering van de arbeidsomstandigheden maar bijvoorbeeld
                    ook op het plaatsen van de ambtenaar in een andere functie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.4 Individueel gerichte arbeidsgezondheidskundige
                    onderzoeken</tussenkop>
        <al>De zieke ambtenaar is verplicht in het kader van zijn herstel en re-integratie
                    mee te werken aan arbeidsgezondheidskundige onderzoeken. Dit artikel geeft
                    gedeputeerde staten de mogelijkheid om de ambtenaar in een aantal situaties te
                    verplichten mee te werken aan een arbeidsgezond- heidskundig onderzoek.</al>
        <al>Indien gedeputeerde staten naar hun oordeel gegronde redenen hebben om te
                    twijfelen aan de goede gezondheidstoestand van de ambtenaar, zal dit gebaseerd
                    moeten zijn op bepaalde feiten of omstandigheden, zoals het gedrag van de
                    ambtenaar of een medische verklaring.</al>
        <al>Indien zij gegronde twijfel hebben aan de volledige geschiktheid van de
                    ambtenaar voor het verrichten van zijn arbeid, kunnen gedeputeerde staten hem
                    aan een arbeidsgezondheidskun- dig onderzoek onderwerpen. Met name bij een
                    voornemen tot ongeschiktheidontslag anders dan wegens ziekte (artikel B.9, sub
                    h) zal, bij voldoende grond voor vermoeden van een medi- sche oorzaak, een
                    dergelijk onderzoek moeten worden ingesteld. Als uit het onderzoek naar voren
                    komt dat er medische oorzaken zijn voor de ongeschiktheid is het in het belang
                    van de gezondheid van betrokkene om snel in goed overleg met hem zonder zware
                    procedures te zoe- ken naar ander werk. Daarbij is onder meer artikel E.7 van
                    toepassing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.5 Medisch advies, hernieuwd onderzoek</tussenkop>
        <al>Op grond van de artikelen E.3 en E.4 verricht de Arbodienst verplichte
                    periodieke functiegerich- te arbeidsgezondheidskundige onderzoeken en
                    individueel gerichte arbeidsgezondheidskundi- ge onderzoeken in het kader van
                    herstel en re-integratie van de zieke ambtenaar en brengt de Arbo-dienst op
                    basis van het onderzoek een medisch advies uit. In het geval van een negatief
                    advies, dan wel een positief advies onder bepaalde beperkingen kan de ambtenaar
                    een her- nieuwd onderzoek vragen. Een hernieuwd onderzoek als bedoeld in artikel
                    E.5 wordt uitgevoerd door een commissie van drie artsen. In een drietal
                    situaties kunnen de ambtenaar en de werk- gever (gezamenlijk of apart) een
                    deskundigenoordeel van het UWV vragen. Het betreft:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>een oordeel over het bestaan van ongeschiktheid tot werken indien
                            werknemer en werkgever daarover een geschil hebben;</al></li>
          <li nr="-"><al>een oordeel over de aanwezigheid van passende arbeid die de werknemer
                            voor de werkgever in staat is te verrichten;</al></li>
          <li nr="-"><al>een oordeel over de vraag of de werkgever t.a.v. zijn zieke werknemer
                            voldoende en geschikte re-integratie-inspanningen heeft verricht.</al></li>
        </lijst>
        <al>In gevallen dat een deskundigenoordeel van het UWV kan worden gevraagd gelden
                    niet de bepalingen inzake een hernieuwd medisch advies door een commissie van
                    drie artsen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.6 Buitendienststelling</tussenkop>
        <al>Dit artikel biedt een instrument om de ambtenaar die zich niet ziek heeft
                    gemeld, naar huis te sturen. Indien uit een medisch onderzoek, als bedoeld in de
                    artikelen E.3 en E.4 blijkt, dat de geestelijke of lichamelijke toestand waarin
                    de ambtenaar verkeert een gevaar voor zijn eigen gezondheid of veiligheid of die
                    van derden betekent, kunnen gedeputeerde staten hem buiten dienst stellen.</al>
        <al>De ambtenaar hoeft uiteraard niet buiten dienst te worden gesteld, indien hij
                    kan worden belast met andere passende werkzaamheden. In dat geval wordt hij
                    ongeschikt geacht voor het ver- richten van zijn eigen werkzaamheden, maar niet
                    om tijdelijk ander passend werk te doen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.7 Re-integratie van zieke ambtenaren</tussenkop>
        <al>In dit artikel zijn re-integratieverplichtingen overgenomen van werkgever en
                    werknemer zoals die voor de marktsector zijn neergelegd in de artikelen 7:658a
                    en 7:660a van het Burgerlijk Wetboek en wat betreft de verplichtingen voor de
                    overheidswerkgever in de vierde afdeling van de Ziektewet.</al>
        <al>De werkgever en de gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar zullen zich
                    maximaal inspan- nen om ervoor te zorgen dat de betrokken ambtenaar meer dan 50%
                    van zijn restverdiencapa- citeit benut. Getracht zal worden de bestaande
                    arbeidsplek en het werk binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid zo aan
                    te passen dat de arbeidsongeschikte ambtenaar zijn functie</al>
        <al>naar behoren kan blijven uitoefenen. Als dat niet mogelijk is zal naar een
                    andere passende functie worden gezocht.</al>
        <al>Omwille van een succesvol herplaatsingproces kunnen aanvullende voorzieningen
                    zoals bij- scholing noodzakelijk zijn. Van geval tot geval zal worden bezien
                    welke maatregelen dienen te worden getroffen. Daarbij kan aansluiting worden
                    gezocht bij het instrumentarium voor flanke- rend beleid bij reorganisaties. Als
                    re-integratie ondanks alle inspanningen dreigt te mislukken zal de
                    A&amp;O-organisatie van de provincies worden gevraagd te adviseren over
                    instrumenten die kunnen leiden tot een oplossing.</al>
        <al>In het vierde lid, onderdeel d, kan worden gedacht aan herbenoeming in dezelfde
                    functie voor minder uren of aan plaatsing bij een ander organisatieonderdeel in
                    dezelfde functie.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.8 Aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid</tussenkop>
        <al>Dit artikel vormt de basis voor de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij
                    ziekte en arbeids- ongeschiktheid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.9 Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</tussenkop>
        <al>Artikel E.9 bepaalt dat een ambtenaar kan worden ontslagen op grond van
                    ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ingevolge het
                    eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, kan ontslag op deze grond plaatsvinden
                    als er sprake is van een ononderbroken periode van twee jaar ziekte en herstel
                    niet binnen zes maanden na die termijn is te verwachten.</al>
        <al>Het ontslag kan alleen worden verleend als het na zorgvuldig onderzoek niet
                    mogelijk is geble- ken de ambtenaar andere passende arbeid aan te bieden dan wel
                    indien de ambtenaar heeft geweigerd die arbeid te aanvaarden (onderdeel c van
                    het eerste lid). Dat wordt in het kader van de WIA- claimbeoordeling getoetst.
                    De WIA-claimbeoordeling start in week 87 als het UWV de ambtenaar een
                    aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt. Het UWV wijst de ambte- naar
                    dan op de mogelijkheden om tijdens het claimbeoordelingsproces stukken,
                    bevindingen</al>
        <al>e.d. van een eigen arts in te brengen en zich bij de keuring te laten
                    vertegenwoordigen of bij- staan door een derde, welke derde een door de
                    ambtenaar aan te wijzen arts kan zijn. Tussen week 87 en week 91 stellen
                    werkgever en ambtenaar gezamenlijk (in overleg met de bedrijfs- arts of
                    arbodienst) het re-integratieverslag op. Het door UWV (als onderdeel van de WIA-
                    beschikking) beoordeelde re-integratieverslag is basis voor het oordeel van de
                    werkgever of hij heeft voldaan aan zijn in het eerste lid, onderdeel c,
                    voorgeschreven re-integratieverplichtingen. In week 91 stuurt de ambtenaar het
                    aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het re- integratieverslag. UWV
                    beoordeelt eerst de re-integratie-inspanningen van werkgever en amb- tenaar. Als
                    die inspanningen voldoende zijn beoordeeld volgt de verdere claimbeoordeling.
                    UWV beoordeelt in dat kader de arbeidsgeschiktheid van de ambtenaar. Het oordeel
                    van UWV ter zake (als onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het
                    oordeel van de werkgever of is voldaan aan de onderdelen a en b van het eerste
                    lid (ongeschiktheid voor het eigen werk en geen herstel binnen zes maanden
                    mogelijk). Met een positieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering is
                    voldaan aan de (drie) ontslagvoorwaarden van het eerste lid. De werkgever
                    onderbouwt het ontslagbesluit expliciet door naar de positieve WIA-beschikking
                    te verwijzen. Als UWV de aanvraag WIA-uitkering opschort wegens onvoldoende
                    re-integratie- inspanningen van de werkgever is niet voldaan aan de voorwaarden
                    voor ontslag. De werkge- ver kan dan niet op grond van dit artikel ontslag
                    verlenen. Bij een negatieve beschikking van UWV op de aanvraag WIA-uitkering die
                    is gebaseerd op onvoldoende medewerking van de ambtenaar kan ontslag worden
                    verleend op grond van artikel E.16.</al>
        <al>Ambtenaren die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard hebben geen
                    recht op een WIA-uitkering. Zij blijven in beginsel ook na die twee jaar in
                    provinciale dienst. De werkge- ver en de betrokken ambtenaar zullen zich
                    maximaal inspannen voor een succesvolle re- integratie. Voor zover
                    redelijkerwijze mogelijk zullen de werkzaamheden en/of de voorwaarden waaronder
                    die werkzaamheden moeten worden verricht, op een zodanige wijze worden aange-
                    past dat er voor de betrokken ambtenaar weer sprake is van passende arbeid. Bij
                    arbeidsge- schiktheid voor minder uren zal het gaan om herplaatsing in dezelfde
                    (of andere passende) arbeid voor het mindere aantal uren. Als dat niet mogelijk
                    is zal worden gezocht naar andere passende arbeid binnen de provinciale
                    organisatie.</al>
        <al>Als re-integratie dreigt te mislukken zal de A&amp;O-organisatie van de
                    provincies worden gevraagd te adviseren over instrumenten die kunnen leiden tot
                    een oplossing. Ontslag van ambtenaren die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt
                    zijn is uitzondering en slechts mogelijk als er een</al>
        <al>zwaarwegend dienstbelang aanwezig is. Het ontslag kan niet eerder worden
                    verleend dan na 1 jaar na het einde van de periode van 2 jaar ziekte. Bij
                    ontslag bestaat onder voorwaarden recht op een WW-uitkering.</al>
        <al>De gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaar die bij de provincie zijn arbeid
                    voor minder uren blijft verrichten of andere passende arbeid voor minder uren
                    gaat verrichten kan slechts ontslag op grond van artikel E.9 worden verleend
                    voor het aantal uren verschil tussen oude en nieuwe arbeidsduur.</al>
        <al>Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
                    Gemeenschappen is in het tweede lid bepaald dat afwezigheid van een vrouwelijke
                    ambtenaar gedurende de periode vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het
                    einde van het bevallingsverlof wegens door de zwangerschap of bevalling
                    veroorzaakte ziekte niet mag meetellen bij de berekening van de periode van twee
                    jaar, waarna ontslag kan volgen. Een zwangerschap en een bevalling welke zonder
                    enige complicatie plaatsvindt, is geen ziekte. Derhalve kan afwezigheid tijdens
                    het zwangerschaps- en bevallingsverlof rechtens nimmer meetellen in de periode
                    van twee jaar. Ziekte, veroorzaakt door de zwangerschap of de bevalling na het
                    einde van het zwanger- schaps- en bevallingsverlof mag wel meetellen bij het
                    berekenen van de periode van twee jaar, waarna ontslag kan worden verleend.</al>
        <al>Dat geldt ook voor ziekte vóór aanvang van de zwangerschap en voor ziekte
                    tijdens de zwan- gerschap of het bevallingsverlof, voor zover niet veroorzaakt
                    door de zwangerschap. Bij ziekte, veroorzaakt door de zwangerschap of bevalling
                    wordt gedurende de beschermde periode in feite een lopende periode van twee jaar
                    opgeschort.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.11</tussenkop>
        <al>Per 1 januari 2006 is de Zorgverzekeringswet ingevoerd. Deze voorziet in een
                    verplichte basis- verzekering voor ziektekosten voor elke burger. De
                    basisverzekering kent een vast pakket met een verplicht eigen risico voor iedere
                    verzekerde. De zorgverzekeraar heeft voor de basisver- zekering een
                    acceptatieplicht. Een ieder is vrij in de keuze van de zorgverzekeraar. De
                    verze- kerde betaalt voor de basisverzekering een nominale premie die per
                    zorgverzekeraar verschilt. Daarnaast is men wettelijk een inkomensafhankelijke
                    premie verschuldigd die de werkgever moet inhouden op het loon en afdragen aan
                    de Belastingdienst. Tegelijk moet de werkgever de bijdrage vergoeden. De
                    vergoeding van de werkgever is onderworpen aan loonheffing, maar niet aan
                    premies werknemersverzekering. Per saldo betekent dit dat het bedrag van de
                    inko- mensafhankelijke bijdrage voor rekening van de werkgever komt en dat de
                    werknemer de loon- heffing over dit bedrag moet betalen. Kinderen tot 18 jaar
                    betalen geen premie voor de basis- verzekering.</al>
        <al>Zorgverzekeraars bieden ook aanvullende verzekeringen aan. Anders dan de
                    basisverzekering gelden hiervoor geen verzekeringsplicht en geen
                    acceptatieplicht.</al>
        <al>De Zorgverzekeringswet biedt in artikel 18 werkgevers de mogelijkheid om een
                    collectieve overeenkomst voor het personeel en zijn gezinsleden af te sluiten
                    met een of meer zorgverze- keraars waarin kortingen op de premie voor de
                    basisverzekering worden bedongen. In artikel</al>
        <al>E.11 is geregeld dat gedeputeerde staten een dergelijke collectieve overeenkomst
                    voor het provinciepersoneel en zijn gezinsleden afsluiten. Bij gezinsleden moet
                    worden gedacht aan degenen die in de oude publiekrechtelijke
                    ziektekostenregeling IZR/IZA als gezinslid werden aangemerkt. Ook gezinsleden
                    met een eigen inkomen kunnen aan de collectiviteit deelnemen. De collectieve
                    overeenkomst regelt ook de kortingen op de aanvullende zorgverzekeringen.</al>
        <al>De ambtenaar en de gepensioneerde ambtenaar en zijn gezinsleden die zich
                    verzekeren bij de zorgverzekeraar waarmee de provincie een collectieve
                    overeenkomst heeft gesloten kunnen aldus profiteren van de afgesproken
                    premiekortingen. De collectieve overeenkomst kan ook afspraken bevatten over
                    andere zaken (zoals kwaliteit van de dienstverlening). Voordat een besluit wordt
                    genomen over de keuze van de zorgverzekeraar(s) waarmee de provincies een
                    collectieve overeenkomst afsluiten wordt hierover overleg gevoerd met de
                    vakorganisaties in het SPA.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.12</tussenkop>
        <al>Elke provincieambtenaar heeft, ongeacht de keuze van de zorgverzekeraar en de
                    inhoud van zijn zorgverzekering, recht op een aanvullende tegemoetkoming in de
                    ziektekosten. De tege- moetkoming is voor ambtenaren in de salarisschalen 1 t/m
                    6 hoger dan voor de salarisschalen daarboven en staat los van de omvang van het
                    dienstverband (dus geen tegemoetkoming naar</al>
        <al>rato bij deeltijdarbeid). De tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald. Het
                    betreft een kos- tenvergoeding, maakt dus geen deel uit van de bezoldiging en is
                    niet pensioengevend. De te- gemoetkoming is geïndexeerd: zij is gekoppeld aan de
                    algemene salarisontwikkeling van het provinciepersoneel.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.13 Vervallen per 1 januari 2009 </tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.14</tussenkop>
        <al>In artikel E.14 is geregeld dat de provinciale werkgever bij dienstongevallen en
                    beroepsziekten in beginsel alle noodzakelijk geachte kosten van geneeskundige
                    behandeling of verzorging vergoedt die ten laste van de betrokken ambtenaar
                    blijven. Kosten die te zijnen laste blijven doordat betrokkene een eigen risico
                    in de basisverzekering heeft aanvaard worden in beginsel niet vergoed. In
                    artikel A.1 is aangegeven wat moet worden verstaan onder beroepsziekte en
                    dienstongeval.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel E.16 Ontslag wegens het niet meewerken aan re-integratie ingeval
                    van ongeschikt- heid ten gevolge van ziekte zijn arbeid te verrichten of wegens
                    het niet aanvragen van een WIA-uitkering</tussenkop>
        <al>Artikel 7:670b van het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk voor de werkgever
                    ook in de peri- ode van twee jaar na het begin van de ziekte de
                    arbeidsovereenkomst op te zeggen indien de werknemer handelt in strijd met zijn
                    verplichting al het mogelijke te doen om hervatting in eigen of andere passende
                    arbeid te realiseren. Hiertoe behoort ook het niet meewerken aan het op- stellen
                    van het plan van aanpak als bedoeld in de WAO/WIA. Het ontslagverbod wordt ook
                    doorbroken indien de werknemer zonder deugdelijke grond niet meewerkt aan
                    maatregelen en activiteiten die de werkgever dient te verrichten om te
                    bevorderen dat de werknemer wordt ge- re-integreerd door arbeid te gaan
                    verrichten in voor hem passende arbeid. Deze bepaling in het Burgerlijk Wetboek
                    vindt zijn vertaling in de ontslagbepaling van artikel E.16. Het betreft hier
                    niet ontslag in verband met arbeidsongeschikt- heid (waarvoor artikel E.9 geldt)
                    maar ontslag wegens het zonder deugdelijke grond niet meewerken van de ambtenaar
                    aan zijn re-integratie. Wie door de provincie aangeboden passende arbeid weigert
                    kan dus op grond van artikel E.16 worden ontslagen.</al>
        <al>Als dat niet gebeurt blijft ontslag op grond van artikel E.9 mogelijk als
                    betrokkene uit hoofde van zijn provinciale dienstbetrekking recht heeft op een
                    WIA-uitkering.</al>
        <al>Ontslag op grond van artikel E.16 binnen die twee jaar moet worden gezien als
                    een ultimum remedium. In principe dienen eerst andere wegen te worden bewandeld
                    (zoals bijvoorbeeld inhouding van de bezoldiging).</al>
        <al>Alvorens het ontslagbesluit te nemen wordt het UWV een deskundigenoordeel
                    gevraagd op grond van artikel 32, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet
                    structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het gaat daarin om een oordeel
                    van het UWV over de aanwezigheid van passende arbeid die de zieke werknemer voor
                    de werkgever in staat is te verrichten en om een oordeel over de vraag of de
                    werkgever t.a.v. zijn zieke werknemer voldoende en geschikte re-
                    integratie-inspanningen heeft verricht.</al>
        <al>Artikel E.16, derde lid, biedt de mogelijkheid om na twee jaar tot ontslag over
                    te gaan, indien zonder deugdelijke grond geen WIA-uitkering is aangevraagd. In
                    dat geval kan immers geen toepassing worden gegeven aan de ontslagbepaling van
                    artikel E.9.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK F</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <tussenkop>Algemeen</tussenkop>
        <al>In dit hoofdstuk is een aantal rechten en plichten van de provinciale ambtenaar,
                    dan wel de rechtspositionele grondslag daarvoor, vastgelegd, voor zover die al
                    niet bij of krachtens de wet, in andere hoofdstukken van de CAP of in of
                    krachtens andere provinciale regelingen zijn gere- geld.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Integriteit</tussenkop>
        <al>In dit hoofdstuk nemen de voorschriften inzake de integriteit van het
                    provinciaal personeel een belangrijke plaats in. Het handelen van de overheid
                    moet gekenmerkt worden door onkreuk- baarheid, betrouwbaarheid en
                    zorgvuldigheid. Integriteit van de openbare sector is dan ook van de eerste
                    orde. De integriteit van de ambtelijke organisatie staat of valt met de
                    integriteit van haar bestuurders en ambtenaren. Het vraagstuk van de integriteit
                    staat volop in de belang- stelling. Naast fraude, diefstal en corruptie, vormen
                    vooral kwesties als belangenverstrengeling (nevenfuncties) en het uitlekken van
                    informatie actuele thema’ s. In artikel F.1 wordt een aantal voorschriften
                    gegeven die de integriteit van de ambtenaar moeten waarborgen. Ook het Wet- boek
                    van Strafrecht kent een aantal dergelijke bepalingen. De voorschriften in
                    artikel F.1 vor- men hierop gedeeltelijk een aanvulling; voor een ander deel een
                    herhaling. Dit laatste is nodig om de werkgever instrumenten te verschaffen om
                    zelf rechtspositionele maatregelen te treffen, naast een eventuele veroordeling
                    door de strafrechter. Het vraagstuk van de integriteit behelst meer dan
                    rechtspositionele maatregelen alleen. Het gaat ook om organisatorische
                    maatregelen, gedragsregels en cultuurbeïnvloeding die het ethisch handelen
                    moeten garanderen. Daarbij moet een krachtig preventief beleid worden gevoerd.
                    Te denken valt aan de volgende maatre- gelen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het doorlichten van de organisatie naar kwetsbare organisatieonderdelen
                            en kwetsbare functies;</al></li>
          <li nr="-"><al>het veiligstellen van de integriteit van de organisatie door middel van
                            functiescheiding, func- tieroulatie en controle;</al></li>
          <li nr="-"><al>het systematisch bewaken van de instroom van nieuw personeel door middel
                            van extra waarborgen bij werving en selectie e.d.;</al></li>
          <li nr="-"><al>het opstellen van gedragsregels voor ambtenaren en regels voor de omgang
                            met burgers;</al></li>
          <li nr="-"><al>het levend houden van gedragsregels in jaargesprekken en regelmatige
                            agendering van integriteit in vergaderingen van het management;</al></li>
          <li nr="-"><al>het treffen van maatregelen, zoals overplaatsing en disciplinaire
                            bestraffing in geval van ontoelaatbaar handelen;</al></li>
        </lijst>
        <al>Het is van belang deze - en wellicht nog andere - maatregelen in hun onderlinge
                    samenhang te bezien. Afhankelijk van de bestaande situatie zal het nodig zijn
                    andere accenten te leggen of bestaande instrumenten aan te scherpen. De mate van
                    corruptie- en fraudegevoeligheid van werkzaamheden hangt direct samen met de
                    omgeving waarin die werkzaamheden worden uit- gevoerd. Daarom is het voeren van
                    preventief beleid maatwerk.</al>
        <al>Het bewaken van de integriteit behoort tot de gezamenlijke verantwoordelijkheid
                    van bestuur, management en ambtenaren in de afzonderlijke provincies. De
                    provincies voeren hiertoe in overleg met de OR een gericht preventief
                    P&amp;O-beleid. Nadere rechtspositionele voorzieningen worden in overleg met de
                    vakorganisaties van overheidspersoneel in het Georganiseerd Over- leg
                    getroffen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Scholing</tussenkop>
        <al>Een belangrijk instrument van personeelsbeleid betreft de scholing van
                    provinciale ambtenaren. Scholing is onontbeerlijk ter behoud en verbetering van
                    de kwaliteit van het ambtelijk apparaat en daarmee van de dienstverlening.
                    Scholing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en ambtenaar.
                    Enerzijds moet de ambtenaar ruimte worden geboden via scholing aan verbetering
                    van zijn arbeidsmarktpositie te werken, anderzijds moet scholing erop gericht
                    zijn te kunnen blijven functioneren in de arbeidsorganisatie. Een effectief
                    scholingsbeleid vraagt om een planmatige aanpak, door ontwikkeling van
                    actiegerichte opleidingsplannen waarin taak-</al>
        <al>stellingen kunnen worden vastgelegd voor de toekomstige scholing van de
                    verschillende groe- pen ambtenaren. Het rechtspositionele kader is geregeld in
                    de artikelen F.9 en F.10.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel F.1 Integriteit</tussenkop>
        <al>De leden 1, 2 en 3 regelen de gedragswijze bij het verrichten van
                    nevenwerkzaamheden. Het gaat daarbij om een geclausuleerde verplichting om
                    nevenwerkzaamheden te melden, te regi- streren en openbaar te maken, om een
                    verbod bepaalde nevenwerkzaamheden te verrichten en om de verplichting inkomsten
                    uit q.q.-nevenfuncties in de provinciale kas te storten. De Amb- tenarenwet
                    verplicht tot het opnemen van een aantal voorschriften hieromtrent in de
                    rechtsposi- tieregelingen. De ambtenaar dient zich er zelf van te vergewissen of
                    de nevenwerkzaamheden de belangen van de dienst kunnen raken en, zo ja, daarvan
                    melding te doen. Bij het vervullen van de nevenfunctie hoeft het niet te gaan om
                    werkzaamheden tegen beloning. Ook is niet van belang of de werkzaamheden al dan
                    niet in diensttijd worden verricht. In beginsel kan elke ne- venfunctie strijd
                    met het dienstbelang opleveren.</al>
        <al>Openbaarmaking van nevenwerkzaamheden moet i.v.m. de privacy niet in zijn
                    algemeenheid gelden, maar moet beperkt blijven tot die gevallen waarin dat een
                    wezenlijke bijdrage levert aan een transparant en deugdelijk overheidsoptreden.
                    Uit de Memorie van Toelichting en de parle- mentaire behandeling van het
                    wetsvoorstel waarin de verplichting is opgenomen voor overhe- den om een
                    regeling tot openbaarmaking van nevenwerkzaamheden vast te stellen, is duidelijk
                    geworden dat een dergelijke regeling moet worden getroffen voor topambtenaren.
                    Dat zijn de ambtenaren die dichtbij de politiek staan en regelmatig namens het
                    openbaar bestuur optreden. Voor de provincies is gekozen voor de ambtenaren in
                    de functieschalen 14 en hoger.</al>
        <al>Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de opgave van nevenwerkzaamheden moet
                    wor- den gedaan. Niet alle gegevens die voor de interne melding en beoordeling
                    van nevenwerk- zaamheden worden geregistreerd zijn bedoeld om openbaar te worden
                    gemaakt. Dat zou een te ver gaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de
                    betrokken ambtenaren (kunnen) opleveren. Voor de waarborging van de integriteit
                    van het openbaar bestuur, de geloofwaardig- heid en controleerbaarheid van het
                    functioneren van de provinciale overheid op het onderhavig punt kan worden
                    volstaan met de openbaarmaking van de betiteling van de ambtenaar, diens
                    nevenwerkzaamheden en eventueel de aan het verrichten daarvan opgelegde
                    beperkingen. Aldus wordt voldaan aan de eisen van proportionaliteit en
                    subsidiariteit zoals die met name zijn verankerd in de artikelen 8 en 11 van de
                    Wet bescherming persoonsgegevens.</al>
        <al>Gedeputeerde staten bepalen op welke wijze de gegevens over de
                    nevenwerkzaamheden van ambtenaren openbaar worden gemaakt. Daarbij zou kunnen
                    worden aangesloten bij de wijze van openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden van
                    de provinciale politieke ambtsdragers. Gedeputeerde staten kunnen een formulier
                    ontwerpen waarin exact is aangegeven wat er op dit punt openbaar wordt
                    gemaakt.</al>
        <al>Lid 4 verbiedt het deelnemen aan aannemingen of leveringen ten behoeve van de
                    provincie. De gebezigde toevoeging ‘middellijk of onmiddellijk’ verruimt het
                    verbod tot aannemingen en leve- ringen door middel van rechtspersonen waar de
                    ambtenaar deel van uitmaakt.</al>
        <al>Lid 5 verbiedt het verzoeken tot of aannemen van elke vorm van bevoordeling.
                    Strikt genomen valt hieronder ook de ballpoint, agenda of kalender. De
                    maatschappelijke realiteit is echter an- ders. In het algemeen worden dergelijke
                    niet te kostbare attenties acceptabel geacht omdat er geen sprake zal zijn van
                    een de ambtenaar beïnvloedende werking. Voorwaarde is wel dat hierover
                    volstrekte openheid wordt betracht. Te denken valt aan een meldingsplicht
                    ingeval een dergelijke attentie wordt aanvaard.</al>
        <al>Lid 6 bevat een strikt geformuleerd verbod, waarbij men evenmin de ogen moet
                    sluiten voor de realiteit. De ambtenaar zal ongetwijfeld wel eens een
                    privégesprek via de diensttelefoon voeren of een privé-brief aan de bode ter
                    bestelling bij de post meegeven. De grens tussen toelaatbaar en ontoelaatbaar
                    handelen is hierbij echter niet goed aan te geven. Dit is immers sterk afhanke-
                    lijk van het gebruikelijke normpatroon ter plaatse en de concrete situatie.
                    Misbruik maken van bevoegdheden of van provinciale eigendommen is in ieder geval
                    niet toelaatbaar.</al>
        <al>In het zevende lid wordt invulling gegeven aan de opdracht in de Ambtenarenwet
                    om voorschrif- ten vast te stellen inzake de verplichte aflegging van de eed of
                    belofte door de ambtenaar bij zijn aanstelling. Met de eed of belofte geeft de
                    ambtenaar bij indiensttreding op officiële wijze te kennen integer te zullen
                    handelen in de uitoefening van zijn functie. Hij zweert/verklaart onder</al>
        <al>meer ook dat hij niet door middel van giften of beloften en/of valse informatie
                    in dienst van de provincie is genomen.</al>
        <al>De Ambtenarenwet verplicht de overheden om voorschriften vast te stellen inzake
                    een geclau- suleerde verplichting tot melding van financiële belangen en het
                    bezit van en transacties in ef- fecten. Voorschriften hierover zijn te vinden in
                    het achtste en negende lid.</al>
        <al>De meldplicht betreft in de eerste plaats financiële belangen en in de tweede
                    plaats het bezit van en transacties in effecten. De clausulering is gelegen in
                    de eis dat een en ander de belan- gen van de dienst voor zover deze in verband
                    staan met de functievervulling, kan raken. De belangen van de dienst zijn met
                    name gelegen in de risico’s voor de integriteit van de dienst en zijn
                    ambtenaren. Die risico’s betreffen enerzijds de mogelijke verstrengeling van
                    financiële be- langen van de ambtenaar met de belangen van de dienst die hij in
                    zijn functie behoort te behar- tigen en anderzijds mogelijk oneigenlijk gebruik
                    door de ambtenaar van koersgevoelige informa- tie waarover hij in de uitoefening
                    van zijn functie kan beschikken. Gedeputeerde staten zullen beoordelen of de
                    hier bedoelde risico’s zich in concreto voordoen. Zij zullen op basis van deze
                    beoordeling de ambtenaren aanwijzen op wie het bepaalde in het achtste lid
                    betrekking heeft. De Memorie van Toelichting op de wijziging van de
                    Ambtenarenwet waarbij de meldplicht is ingevoerd, zegt het volgende over het
                    begrip financieel belang. “Het begrip financieel belang is zeer divers. Het kan
                    gaan om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond,
                    alsook om financiële deelnemingen in ondernemingen enz. Zelfs negatieve financi-
                    ele belangen, zoals schulden uit hypothecaire vorderingen, kunnen in verband met
                    mogelijke belangenverstrengeling relevant zijn.”</al>
        <al>En: “dat vooraf niet eenduidig kan worden aangegeven welke financiële belangen
                    wel en welke niet toelaatbaar zijn in relatie tot de te vervullen functie. Of
                    een bepaald financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich brengt, is
                    afhankelijk van het type organisatie waar men werk- zaam is, het concrete
                    financieel belang en de concrete inhoud van de taak van de ambtenaar.” In de
                    praktijk kan het risico van financiële belangenverstrengeling zich onder meer
                    voordoen bij ambtenaren die betrokken zijn bij of beslissingsbevoegd zijn inzake
                    bijvoorbeeld aanbestedin- gen, subsidieverstrekkingen, het verstrekken van
                    leningen of het verlenen van advies- en on- derzoeksopdrachten. Zo’n ambtenaar
                    zou in de verleiding kunnen komen zich bij het nemen van functionele
                    beslissingen te laten leiden door persoonlijk financieel belang.</al>
        <al>Het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie ontstaat daar
                    waar de ambte- naar bij het verrichten van de opgedragen werkzaamheden kennis
                    krijgt van dossiers waarin deze informatie voorkomt of kan voorkomen. In de
                    private financiële wereld is reeds langer ge- bruikelijk om door middel van
                    strenge regelingen (zogenoemde insider- of complianceregelin- gen) oneigenlijk
                    gebruik te voorkomen dan wel te bemoeilijken. Zo wordt veelal aan werkne- mers
                    die met koersgevoelige informatie in aanraking (kunnen) komen de verplichting
                    opgelegd om hun effecten in depot onder te brengen bij de effectenafdeling van
                    het eigen bedrijf (locatie- plicht) en voorts om vooraf toestemming te vragen
                    voor een voorgenomen effectentransactie (autorisatieplicht). De provinciale
                    overheid kan hierin niet achterblijven. Omdat in de relatie overheid -
                    ambtenaar, gelet op de grondwettelijke eisen t.a.v. de inbreuken op de
                    persoonlijke levenssfeer stringentere eisen van proportionaliteit en
                    subsidiariteit gelden, is het niet mogelijk en wenselijk zover te gaan als in
                    het bedrijfsleven gebruikelijk is. Zo is het niet de bedoeling en noodzakelijk
                    om een locatieplicht op te leggen of voorafgaande toestemming voor een effecten-
                    transactie te eisen. Wel is transparantie geboden om gedeputeerde staten in de
                    gelegenheid te stellen de hier in het geding zijnde risico’s en belangen in te
                    schatten en te reguleren. Die transparantie wordt bereikt door het voldoen aan
                    de meldingsplicht en de plicht om desge- vraagd nadere informatie en bescheiden
                    te verstrekken. Op basis hiervan kunnen gedeputeer- de staten aanwijzingen geven
                    en bijvoorbeeld via een zogenoemde “restricted list” een verbod opleggen voor
                    het handelen in bepaalde fondsen. De meldplicht van nader aangeduid effecten-
                    bezit en effectentransacties levert een belangrijke onderbouwing aan
                    (beleids)regels die tot doel hebben om (de schijn van) handelen met
                    voorwetenschap te voorkomen.</al>
        <al>Het is denkbaar dat de meldingen of nadien gebleken feiten en omstandigheden
                    vragen oproe- pen die slechts beantwoord kunnen worden door het ontvangen van
                    nadere informatie of be- scheiden. In dat geval kan van de ambtenaar worden
                    gevergd dat hij deze verschaft. Dit kan onder meer betreffen informatie van de
                    bank of van de effectenbemiddelaar van de betrokken ambtenaar. Ook ten behoeve
                    van de gewenste controle van de eigen organisatie kunnen gede- puteerde staten
                    besluiten om de ontvangen meldingen steekproefsgewijs te toetsen op
                    juistheid</al>
        <al>en volledigheid. Aanleiding kan onder omstandigheden ook gevonden worden in
                    afwijkingen van wat al aan informatie beschikbaar is.</al>
        <al>Het achtste lid draagt gedeputeerde staten op een registratie te voeren van de
                    gedane meldin- gen. Dat is noodzakelijk voor een zorgvuldige uitvoering van het
                    toezicht op de meldplicht. Het ligt in de rede een speciale functionaris aan te
                    wijzen aan wie de betrokken ambtenaren de melding doen en deze functionaris te
                    belasten met het opzetten en het beheer van de registra- tie.</al>
        <al>De risico’s van belangenverstrengeling enerzijds en oneigenlijk gebruik van
                    koersgevoelige informatie anderzijds zijn gelegen in de situatie dat een
                    ambtenaar financiële belangen heeft dan wel op de beurs wil handelen, terwijl
                    hij in zijn taakveld de mogelijkheid heeft om de waarde daarvan ten eigen
                    voordele te beïnvloeden dan wel koersgevoelige informatie voor privé beleg-
                    gingstransacties te verkrijgen. Die risico’s kunnen op twee manieren worden
                    gemitigeerd. Ofwel door aanpassing van het taakveld ofwel door het hebben van de
                    betreffende financiële belan- gen dan wel de effectentransacties te verbieden.
                    Indien het eerste niet mogelijk of wenselijk is, resteert slechts de tweede
                    oplossing. Met het oog daarop bevat het negende lid een - geclausu- leerd –
                    verbod.</al>
        <al>Het tiende lid biedt de mogelijkheid om nadere regels te stellen. Te denken valt
                    aan nadere regels inzake nevenwerkzaamheden en de aflegging van de eed of
                    belofte en aan de vaststel- ling van een gedragscode voor ambtenaren. De wijze
                    waarop de openbaarmaking van neven- werkzaamheden wordt geregeld valt onder het
                    instemmingsrecht van de ondernemingsraad. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop
                    de gegevens over financiële belangen worden gemeld en geregistreerd. Het gaat in
                    beide gevallen om het gebruiken (verwerken) van persoonsgegevens zoals bedoeld
                    in artikel 27, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden.</al>
        <al>De Ambtenarenwet verplicht tenslotte de provincies voorschriften vast te stellen
                    betreffende een procedure voor het omgaan met bij een ambtenaar levende
                    vermoedens van misstanden bin- nen de provinciale organisatie. Het elfde lid
                    bepaalt dat gedeputeerde staten een procedure vaststellen voor het melden van
                    dergelijke vermoedens door personen die bij de provincie wer- ken of gewerkt
                    hebben en dat zij regels stellen voor de bescherming van de ambtenaar die
                    vermoedens van misstanden meldt. Met de bonden in het SPA is een Regeling
                    procedure en bescherming bij melding van vermoedens van een misstand
                    afgesproken.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.3 Schadevergoeding</tussenkop>
        <al>Analoog aan de bepaling ter zake in het Burgerlijk Wetboek is in het eerste lid
                    een bepaling opgenomen over de aansprakelijkheid van de ambtenaar voor schade
                    aan de werkgever of derden. De ambtenaar is niet aansprakelijk tenzij de schade
                    een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. De werkgever dient opzet
                    en bewuste roekeloosheid te bewijzen. Vol- gens de laatste volzin van het eerste
                    lid is het mogelijk dat uit de omstandigheden van het geval een andere uitkomst
                    voortvloeit dan volgens de hoofdregel. Hierbij kunnen een rol spelen de aard van
                    de opgedragen werkzaamheden, de beloning en de aard en duur van het dienstver-
                    band. Bij schade aan derden gaat het om door de ambtenaar toegebrachte schade
                    waarvoor de werkgever aansprakelijk is en regres kan plegen op de
                    ambtenaar.</al>
        <al>De ambtenaar die buiten zijn schuld of nalatigheid ten gevolge van het
                    uitoefenen van zijn func- tie schade lijdt aan hem toebehorende kleding of
                    uitrusting heeft recht op schadevergoeding. Schade aan een hem toebehorende
                    auto, motor- of bromfiets is hiervan uitgezonderd. Bij ver- goeding van
                    materiële schade kan het bedrag worden afgestemd op de restwaarde van het goed.
                    De ambtenaar behoeft geen ongerechtvaardigd voordeel te genieten. Een dergelijk
                    voor- deel kan ontstaan wanneer als schadevergoeding de nieuwprijs van een goed
                    wordt betaald, terwijl dat goed die waarde op het tijdstip van de schade niet
                    meer bezat.</al>
        <al>Schade aan een motorvoertuig, dat wordt ingezet voor dienstreizen wordt als
                    regel niet ver- goed, omdat in de kilometervergoeding een bedrag is opgenomen
                    voor allrisk verzekering. Vol- gens de jurisprudentie zal bij incidenteel
                    gebruik van de eigen auto de kilometervergoeding echter niet afdoende zijn en is
                    de werkgever in dat geval gehouden eventuele schade voor zijn rekening te nemen.
                    In artikel F.3, derde lid, is de grens van incidenteel gebruik gelegd bij</al>
        <al>10.000 dienstkilometers. Uitsluiting van aansprakelijkheid in die situatie is in
                    beginsel mogelijk. Dat kan evenwel alleen als dienstreizen met de eigen auto
                    niet in opdracht van de werkgever, maar slechts met diens toestemming worden
                    gemaakt. Dienstopdrachten voor het gebruik van de eigen auto zijn echter in de
                    provincie niet uitgesloten.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.4 Kostenvergoedingen</tussenkop>
        <al>In artikel F.4 is de basis voor een door gedeputeerde staten vast te stellen
                    reis- en verblijfkos- tenregeling voor dienstreizen en een
                    verplaatsingskostenregeling.</al>
        <al>Ten aanzien van deze beide regelingen is bepaald dat deze in overeenstemming
                    moeten zijn met de afspraken die daarover in het SPA zijn gemaakt. Ten aanzien
                    van andere onkosten, bijvoorbeeld dienstkleding en telefoonkosten, kunnen
                    gedeputeerde staten ook nadere regels stellen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.5 Woonplaats</tussenkop>
        <al>In hoeverre kan een ambtenaar worden verplicht om dichtbij het werk te wonen? In
                    het alge- meen kan niet worden gesteld dat dit noodzakelijk is voor het goed
                    functioneren van de open- bare dienst. Een noodzaak tot het opleggen van de
                    woonverplichting doet zich echter wel voor wanneer de ambtenaar zich in verband
                    met de aard van zijn functie binnen korte tijd van zijn woning naar de plaats
                    waar hij zijn werkzaamheden dient te verrichten, moet kunnen verplaat- sen.</al>
        <al>Voorts kan van die noodzaak worden gesproken indien de ambtenaar op zodanige
                    afstand van de plaats van tewerkstelling woont, dat niet is verzekerd dat hij
                    bij dagelijks heen en weer reizen tijdig op zijn werk aanwezig is of dat het
                    dagelijks heen en weer reizen een zodanige belasting vormt, dat daardoor een
                    goede vervulling van de functie wordt belemmerd. In die gevallen kan de
                    ambtenaar worden verplicht in of nabij de standplaats te gaan of te blijven
                    wonen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.6 Dienstwoning</tussenkop>
        <al>De ambtenaar kan worden verplicht een dienstwoning te betrekken. Wanneer zo'n
                    verplichting is opgelegd en de dienstwoning is betrokken, is de onderliggende
                    rechtsverhouding tussen de ambtenaar en de provincie ter zake van de woning niet
                    die van huurder en verhuurder. De amb- tenaar voldoet immers aan een wettelijke
                    verplichting. Van een dienstwoning is eerst sprake indien er een onlosmakelijk
                    verband bestaat tussen de functie van de ambtenaar en de bewo- ning; met andere
                    woorden als het voor een goede vervulling van de functie noodzakelijk is dat de
                    ambtenaar in een</al>
        <al>bepaald huis woont. Benoeming in een andere provinciale functie, ontslag of
                    overlijden betekent dat de dienstwoning moet worden verlaten. Als regel wordt
                    betrokkene (of diens nagelaten be- trekkingen) hiertoe ten minste drie maanden
                    de tijd gegeven.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.7 Jaargesprekken (planning, voortgang, evaluatie en
                    beoordeling)</tussenkop>
        <al>Dit artikel vormt de grondslag voor een systeem van jaargesprekken. Daaronder
                    wordt verstaan een cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en
                    beoordelingsgesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel
                    werkplan dat, als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete
                    afspraken vastlegt tussen leidinggevende en ambtenaar. Ter uitvoe- ring van dit
                    artikel hebben gedeputeerde staten de Regeling jaargesprekken vastgesteld waar-
                    over in het SPA afspraken zijn gemaakt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.8 Aanzuivering tekort</tussenkop>
        <al>Ten aanzien van schadevergoeding is een bijzondere regeling getroffen voor de
                    rekenplichtige ambtenaar. Uitgangspunt van de regeling is dat de rekenplichtige
                    ambtenaar in beginsel ver- plicht is een tekort aan te zuiveren. Vervolgens
                    wordt de betrokken ambtenaar van deze ver- plichting geheel of gedeeltelijk
                    ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen
                    heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren. Tijdens
                    ziekte of wettige afwezigheid is de rekenplichtige ambtenaar ontheven van zijn
                    verant- woordelijkheid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.9 Verplichte opleiding</tussenkop>
        <al>Artikel F.9 biedt de grondslag om een ambtenaar te verplichten een opleiding te
                    volgen die in het belang van de dienst noodzakelijk is. Daarbij gaat het in de
                    regel om opleidingen die voor de huidige functie vereist zijn. Ook niet op de
                    huidige functie gerichte opleidingen kunnen in het belang van de dienst
                    noodzakelijk zijn en de ambtenaar worden opgedragen.</al>
        <al>Te denken valt aan een opleiding die nodig is om een andere (passende) functie
                    die de ambte- naar is opgedragen in het kader van bijvoorbeeld een reorganisatie
                    of de algemene dienst, naar</al>
        <al>behoren te kunnen vervullen. De kosten komen voor rekening van de provincie.
                    Voor lessen, (deel)examens en tentamens in werktijd wordt buitengewoon verlof
                    met behoud van bezoldiging verleend. Als deze buiten de werktijd vallen gelden
                    de volgende faciliteiten:<sup>24</sup></al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.10 Opleiding en ontwikkeling</tussenkop>
        <al>Artikel F.10 bevat een rechtspositionele regeling met betrekking tot
                    (vrijwillige) scholing in het kader van de loopbaanontwikkeling. De regeling
                    sluit nauw aan bij het systeem van jaarge- sprekken en past bij het uitgangspunt
                    dat scholing onderdeel is van het loopbaan- en mobili- teitsbeleid. In de CAO
                    provincies 2002/2003 zijn daarover afspraken gemaakt. Op hoofdlijnen gaat het om
                    het volgende systeem.</al>
        <al>Met de OR wordt jaarlijks op basis van het algemene opleidingsbeleid van de
                    provincie een algemeen opleidingsplan voor (delen van) het personeel afgesproken
                    waarin onder meer doel- stellingen, criteria en budgettaire voorwaarden zijn
                    vastgelegd.</al>
        <al>In het planningsgesprek worden, in ieder geval eens per drie jaar,
                    loopbaanafspraken gemaakt die worden neergelegd in een persoonlijk
                    ontwikkelingsplan.</al>
        <al>Voor scholing die past binnen het algemene opleidingsplan zijn er voorzieningen
                    in tijd en geld met als uitgangspunt dat de werkgever de kosten volledig
                    vergoedt en de werknemer binnen redelijke grenzen eigen tijd inzet. Ten opzichte
                    van de oude studiefaciliteitenregeling is dat een substantiële verbetering van
                    de financiële voorzieningen in ruil voor minder verloffaciliteiten ten laste van
                    de werkgever.</al>
        <al>Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over tempo en intensiteit van de
                    studieactiviteiten, terugbetalingsplicht e.d.</al>
        <al>Opleiding en ontwikkeling zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
                    ambtenaar en de leidinggevende. Essentieel is daarom dat hierover in goed
                    overleg tussen hen afspraken wor- den gemaakt en dat die worden ingepast in het
                    geheel van afspraken die in het jaarlijkse plan- ningsgesprek worden gemaakt.
                    Het initiatief tot het maken van afspraken kan uitgaan van zowel de
                    leidinggevende als de ambtenaar. De regeling biedt de leidinggevende en de
                    ambtenaar ruimte om afspraken te maken die optimaal zijn toegesneden op de
                    wensen en behoeften van het individuele geval. Rechten en plichten over en weer
                    worden zoveel mogelijk in goed overleg tussen leidinggevende en ambtenaar
                    bepaald en zijn dus niet tot in detail vastgelegd in de rege- ling. Uiteraard
                    moeten de afspraken liggen binnen het kader van het algemene opleidingsplan dat
                    met de OR is overeengekomen Is dat het geval dan kunnen de kosten van de
                    afgesproken opleiding volledig worden vergoed.</al>
        <al>Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen een voltijder en een deeltijder.
                    Er is geen sprake van een open eindregeling. Opleidingen worden immers alleen
                    vergoed als daarvoor geld beschikbaar is binnen het voor het algemene
                    opleidingsplan beschikbare budget.</al>
        <al>De opleiding geschiedt zoveel mogelijk in eigen tijd. Van de ambtenaar mag
                    immers worden verwacht dat hij eigen tijd investeert in de ontwikkeling van zijn
                    loopbaan. De ambtenaar en zijn leidinggevende maken afspraken over eventueel
                    noodzakelijke aanpassing van de werktijden, inzet van vakantieverlof en/of
                    roostervrije tijd e.d. Daarmee wordt geregeld dat het volgen van de opleiding
                    niet ten koste gaat van het werk en dat de continuïteit van de werkzaamheden dus
                    geen reden is om een opleiding te weigeren. Onder omstandigheden kan ook de
                    werkgever tijd beschikbaar stellen in de vorm van verlof met behoud van
                    bezoldiging. Daartoe kan aanleiding zijn vanwege de zwaarte van de opleiding of
                    op grond van persoonlijke omstandigheden. De afspraken worden vastgelegd in het
                    persoonlijk ontwikkelingsplan. Er kunnen ook afspraken worden gemaakt over
                    andere vormen van medewerking van de werkgever, bijv. over inzet in een bepaald
                    project dat een directe relatie heeft met de opleiding en beschikbaarstelling
                    van technische hulpmiddelen.</al>
        <al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden vastgelegd de afspraken over de
                    concrete keuze van de opleiding, het instituut waar de opleiding zal worden
                    gevolgd, de voorwaarden waaron- der de opleiding of andere activiteiten worden
                    uitgevoerd, wat de consequenties zijn van bijv. voortijdige beëindiging of
                    onderbreking, verandering van functie of ontslag.</al>
        <al/>
        <al>
          <sup>24</sup> In elke provincie nader in te vullen. Het betreffen de
                    faciliteiten die ook vóór invoering van de nieuwe regeling oplei- ding en
                    ontwikkeling al golden. De nieuwe regeling brengt daarin dus geen
                        verandering<cursief>.</cursief></al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.11 Bescherming vakbondskaderleden</tussenkop>
        <al>Het betreft een bescherming analoog aan die welke in de WOR is geregeld voor
                    leden van de OR en ambtenaren die op een kandidatenlijst voor de OR staan of
                    hebben gestaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.12 Spaarloonregeling</tussenkop>
        <al>In dit artikel is de basis gelegd voor het vaststellen van een spaarloonregeling
                    door gedepu- teerde staten. Het verdient aanbeveling de tekst van die regeling
                    ter goedkeuring voor te leggen aan de belastingdienst om er zeker van te zijn
                    dat voldaan wordt aan de fiscale normen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel F.14 Individuele keuzemogelijkheden
                    arbeidsvoorwaarden</tussenkop>
        <al>Artikel F.14 is de basisbepaling voor het systeem van individuele
                    keuzemogelijkheden op het terrein van de arbeidsvoorwaarden (IKAP). Het artikel
                    verplicht gedeputeerde staten algemeen verbindende voorschriften inzake IKAP
                    vast te stellen. Die zijn vastgelegd in de IKAP-regeling provincies. Aan IKAP
                    kunnen zowel provinciale ambtenaren als (via artikel H.7, eerste lid) pro-
                    vinciale arbeidscontractanten deelnemen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK G</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>Het hoofdstuk disciplinaire maatregelen is gebaseerd op artikel 125 van de
                    Ambtenarenwet, waarin aan het bevoegde bestuursorgaan van de provincies de
                    verplichting wordt opgelegd voorschriften vast te stellen omtrent onder meer
                    disciplinaire straffen. Het disciplinaire strafrecht levert het bestuursorgaan
                    de middelen om de normen die binnen de organisatie gelden te handhaven. Dit in
                    tegenstelling tot het commune strafrecht dat tot doel heeft algemene door de
                    overheid gestelde normen te handhaven. De ambtsdelicten worden genoemd in de
                    artikelen 355 e.v. en 462 e.v. van het Wetboek van Strafrecht.</al>
        <tussenkop>Bij de besluitvorming inzake het opleggen van disciplinaire straffen
                    dient de volgende procedure gevolgd te worden:</tussenkop>
        <al>In de eerste plaats moet worden vastgesteld of er sprake is van plichtsverzuim.
                    Zijn de feiten juist en leveren de feiten ook plichtsverzuim op? Met andere
                    woorden: is de ambtenaar een hem opgelegde verplichting niet nagekomen of heeft
                    hij enig voorschrift overtreden of heeft hij zich niet als een goed werknemer
                    gedragen.</al>
        <al>Voor het vaststellen van de feiten kan een min of meer uitvoerig onderzoek
                    noodzakelijk zijn. Als in dat onderzoek feiten aan het licht treden in
                    schriftelijke verklaringen of andere stukken, dient de betrokkene zijn visie
                    daarop te kunnen geven alvorens die feiten al dan niet als vast- staand kunnen
                    worden aangemerkt. De gelegenheid die betrokkene op dit moment krijgt moet niet
                    worden verward met de gelegenheid die hem later wordt geboden om zich te
                    verantwoor- den voor het voornemen tot strafoplegging. Ten aanzien van het
                    bewijs geldt in het ambtena- renrecht, anders dan in het strafrecht, dat niet
                    noodzakelijk is dat een feit wettig en overtuigend moet zijn bewezen, maar dat
                    het feitelijk juist moet zijn. Dat wil zeggen het feit moet voor het besluit
                    voldoende feitelijke grondslag bieden.</al>
        <al>Voorschriften kunnen zijn vervat in instructies en reglementen. Voorschriften
                    zijn ook gegeven in hoofdstuk F Overige rechten en plichten.</al>
        <al>Ook privé-gedragingen van de ambtenaar kunnen plichtsverzuim opleveren als
                    daardoor de dienst of het ambtenarenkorps in het algemeen in opspraak komt. In
                    de jurisprudentie zijn di- verse voorbeelden te vinden van situaties waarin de
                    betrouwbaarheid van de betrokken ambte- naar in het geding is en daardoor de
                    integriteit van het ambtelijk apparaat.</al>
        <al>In de tenlastelegging komt tot uitdrukking wat er is gebeurd en waarom dat is
                    aan te merken als plichtsverzuim.</al>
        <al>Zoals ook in het commune strafrecht geldt in het disciplinaire strafrecht het
                    uitgangspunt dat bij afwezigheid van schuld geen straf kan worden opgelegd. Een
                    disciplinaire straf kan derhalve pas worden opgelegd indien het plichtsverzuim
                    de ambtenaar kan worden toegerekend, anders gezegd indien het hem verwijtbaar
                    is.</al>
        <al>De verwijtbaarheid kan ontbreken in geval van overmacht of in het geval van het
                    opvolgen van een al dan niet onbevoegd gegeven dienstopdracht.</al>
        <al>Verwijtbaarheid kan ook ontbreken indien het plichtsverzuim niet het gevolg is
                    van boze opzet van de ambtenaar, maar van diens onbekwaamheid of ongeschiktheid.
                    Die onbekwaamheid of ongeschiktheid kan leiden tot ongevraagd ontslag anders dan
                    bij wijze van straf.</al>
        <al>Ook van belang is of de ambtenaar de norm, die hij heeft overtreden kende of
                    ermee op de hoogte had kunnen zijn; met andere woorden: de ambtenaar moest weten
                    of had moeten weten dat hij de norm heeft overtreden.</al>
        <al>Als is vastgesteld dat de bevoegdheid bestaat een disciplinaire straf op te
                    leggen is de volgen- de vraag of ook van deze bevoegdheid gebruik mag worden
                    gemaakt. Het antwoord op die vraag kan ontkennend zijn bijvoorbeeld als de
                    betrokken ambtenaar in verband met het ge- beurde in fysiek of psychisch opzicht
                    al zwaar getroffen is.</al>
        <al>Als tenslotte van de bevoegdheid tot bestraffing in redelijkheid ook gebruik mag
                    worden ge- maakt dient de zwaarte van de straf te worden bepaald; de straf dient
                    evenredig te zijn aan de ernst van het plichtsverzuim. De mogelijkheid bestaat
                    om meer dan één straf tegelijkertijd op te leggen. Het systeem van disciplinaire
                    maatregelen is een gesloten systeem, d.w.z. dat alleen één of meerdere straffen
                    kunnen worden opgelegd, die voorkomen in de limitatieve opsomming van artikel
                    G.4.</al>
        <al>Het ne bis in idem beginsel is niet van toepassing op de situatie, waarin een
                    ambtenaar in een strafrechtelijk proces is veroordeeld of is vrijgesproken, ten
                    opzichte van het daarnaast opleg- gen van een disciplinaire straf. Ook al wordt
                    dit door de betreffende ambtenaar ervaren als</al>
        <al>tweemaal straffen, toepassing van een disciplinaire straf naast een
                    strafrechtelijke veroordeling is toegestaan.</al>
        <al>De straf mag niet worden opgelegd dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is
                    gesteld zich mondeling of schriftelijk te verantwoorden (artikel 4:8 Awb).</al>
        <al>Daartoe moet aan betrokkene het voornemen tot strafoplegging worden medegedeeld.
                    De vraag is in dit verband of bij het kenbaar maken van het voornemen tot
                    strafoplegging ook al mededeling moet worden gedaan van de voorgenomen
                    strafmaat. Naar de opvatting van de Centrale Raad van Beroep behoeft dat niet.
                    Juist de verantwoording zal van invloed moeten zijn op de nader te bepalen
                    strafmaat.</al>
        <al>De verantwoording vindt plaats ten overstaan van gedeputeerde staten. Door
                    mandatering kan worden gerealiseerd dat de verantwoording voor de voorgenomen
                    strafoplegging kan plaatsvin- den ten overstaan van bijvoorbeeld het betrokken
                    diensthoofd. Bij de verantwoording kan be- trokkene zich laten bijstaan door een
                    raadsman (artikel 2:1 Awb). Het is aan te bevelen bij de mededeling van de
                    voorgenomen strafoplegging alle relevante stukken mee te sturen.</al>
        <al>Indien de verantwoording mondeling plaatsvindt, verdient het aanbeveling binnen
                    korte tijd een verslag te maken. Dit verslag dient kort zakelijk weer te geven
                    hetgeen door betrokkene en het bevoegde gezag naar voren is gebracht. Aan zowel
                    betrokkene als aan het bevoegde gezag zal worden gevraagd in te stemmen met de
                    tekst van het verslag. Door ondertekening wordt aan- gegeven dat de tekst van
                    het verslag een juiste weergave is van hetgeen besproken is. Als de betrokken
                    ambtenaar ondertekening weigert zal hem naar de reden daarvan gevraagd moeten
                    worden; voor zover dit voor het bevoegde gezag geen reden is de inhoud van het
                    verslag te wijzigen, is het raadzaam hiervan melding te maken in het
                    verslag.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel G.1 Maatregelen van orde</tussenkop>
        <al>In het belang van de dienst kunnen ordemaatregelen worden getroffen. De
                    ambtenaar zal zich daaraan moeten houden. Het belang van de dienst kan ook
                    meebrengen dat de ambtenaar de toegang tot de werkplek of het werk c.q. het
                    verblijf aldaar wordt ontzegd. Bij weigering van toegang tot c.q. verblijf op
                    het werk of de werkplek op grond van dit artikel is geen inhouding op de
                    bezoldiging mogelijk.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel G.2 Schorsing</tussenkop>
        <al>In dit artikel is de schorsing als ordemaatregel geregeld. De schorsing
                    geschiedt via een schrif- telijke beschikking. Naast specifieke
                    schorsingsmogelijkheden bij strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf, bij
                    voornemen tot of oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag en bij inver-
                    zekeringstelling of voorlopige hechtenis (eerste lid onderdelen a, b en c)
                    bestaat er behoefte aan een meer algemene schorsingsgrond zoals de civiele
                    werkgever die ook kent. Die is opge- nomen in het eerste lid, onderdeel d. Hier
                    geldt niet verwijtbaarheid als voorwaarde. Inhouding van bezoldiging tijdens de
                    schorsing (zie het tweede lid) is hier dan ook niet geoorloofd. De
                    jurisprudentie leert dat de meer open schorsingsgrond in het dienstbelang geen
                    blanco cheque inhoudt om te schorsen. Dat vloeit voort uit de Awb en de bepaling
                    inzake goed werkgever- schap. Schorsing in het dienstbelang zal aan de orde
                    kunnen zijn bij conflictsituaties die hebben geleid tot een onwerkbare
                    situatie.. Daarbij weegt mee de bijdrage van betrokkene aan het ont- staan van
                    die onwerkbare situatie. Ook zal schorsing in het dienstbelang aan de orde
                    kunnen zijn in een situatie waarin het vermoeden is gerezen van ernstig
                    plichtsverzuim. Schorsing op grond van het eerste lid, onderdeel b, is op dat
                    moment nog niet mogelijk.</al>
        <al>Is in de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, bezoldiging
                    ingehouden dan kan deze later eventueel alsnog worden uitbetaald. Dat zal spelen
                    als er geen strafrechtelijke veroordeling of onvoorwaardelijk strafontslag
                    volgt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel G.4 Disciplinaire straffen</tussenkop>
        <al>De in dit artikel genoemde straffen betreffen een limitatieve opsomming en lopen
                    op in zwaarte:</al>
        <al/>
        <tussenkop>schriftelijke berisping</tussenkop>
        <al>Deze straf, de lichtste, zal vaak bedoeld zijn als een waarschuwing dat tegen
                    een volgend plichtsverzuim van dezelfde aard met een zwaardere straf zal worden
                    opgetreden. Is later in het gedrag van de ambtenaar toch aanleiding gevonden hem
                    een zwaardere straf op te leg-</al>
        <al>gen dan zal het bij de evenredigheidstoetsing een rol spelen dat hij ter zake
                    reeds een waar- schuwing in de vorm van een berisping had gekregen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>geldboete tot ten hoogste 10% van het bedrag van het salaris per
                    jaar</tussenkop>
        <al>Deze financiële straf ligt voor de hand als de openbare dienst door het
                    plichtsverzuim op geld waardeerbare schade heeft geleden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>strafverplaatsing</tussenkop>
        <al>Deze straf houdt in de benoeming in een andere functie, waarbij niet dezelfde
                    waarborgen gelden als bij benoeming in een andere passende functie in het belang
                    van de dienst, zoals geregeld in artikel B.6.</al>
        <al/>
        <tussenkop>ontslag</tussenkop>
        <al>In dit geval is sprake van verwijtbare werkloosheid als gevolg waarvan geen
                    recht op WW of bovenwettelijke werkloosheidsuitkering bestaat.</al>
        <al>Bij het opleggen van de straf moet sprake zijn van evenredigheid tussen de
                    opgelegde straf en het plichtsverzuim; daarbij zijn onder meer de volgende
                    factoren van belang:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de ernst van de gedraging;</al></li>
          <li nr="-"><al>de omstandigheden waaronder de misdraging plaatsvond of die daarmee in
                            verband staan;</al></li>
          <li nr="-"><al>het gedrag of de houding van de superieuren van de ambtenaar;</al></li>
          <li nr="-"><al>het gedrag van de ambtenaar bij het voorafgaande onderzoek of tijdens de
                            verantwoording;</al></li>
          <li nr="-"><al>de persoon van de ambtenaar en de met hem verband houdende
                            omstandigheden;</al></li>
          <li nr="-"><al>de leeftijd van de ambtenaar;</al></li>
          <li nr="-"><al>de duur van het dienstverband;</al></li>
          <li nr="-"><al>de functie die de ambtenaar uitoefent;</al></li>
          <li nr="-"><al>eventueel eerder gegeven waarschuwingen;</al></li>
          <li nr="-"><al>de huiselijke omstandigheden van de ambtenaar;</al></li>
          <li nr="-"><al>de verplichtingen die de ambtenaar mogen worden opgelegd;</al></li>
          <li nr="-"><al>de mate waarin de ambtenaar van zijn verantwoordelijkheidsgevoel blijk
                            geeft;</al></li>
          <li nr="-"><al>eventueel aanwezige ziekelijke storing van de geestvermogens van de
                            ambtenaar;</al></li>
          <li nr="-"><al>het al dan niet eerder opgelegd zijn van disciplinaire straffen;</al></li>
          <li nr="-"><al>de gevolgen van de genomen strafmaatregel voor de ambtenaar. De
                            strafoplegging geschiedt via een schriftelijke beschikking.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel G.5 Tenuitvoerlegging</tussenkop>
        <al>De opgelegde straffen kunnen onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd, tenzij
                    wordt aangegeven dat de bereidheid bestaat de behandeling van eventueel bezwaar
                    of, nog verdergaand, beroep af te wachten. Bezwaar en beroep hebben op basis van
                    de Awb geen opschortende werking.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK H</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>In dit hoofdstuk is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden
                    indienstneming van personen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan
                    plaatsvinden. De regeling in dit hoofdstuk vloeit voort uit artikel 134 van de
                    Ambtenarenwet dat voorschrijft dat bestuursorganen van overheden (zoals
                    provincies) hieromtrent bepalingen moeten vaststellen.</al>
        <al>De regeling van hoofdstuk H voorziet slechts in een beperkt aantal gevallen in
                    de mogelijkheid om met personen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te
                    sluiten. De eenzijdige pu- bliekrechtelijke aanstelling als ambtenaar is
                    namelijk de regel, de arbeidsovereenkomst de uit- zondering. De bijzondere
                    positie van de ambtenaar is overigens in de loop van de jaren sterk afgenomen
                    doordat steeds meer wettelijke voorzieningen voor zowel werknemers in de markt-
                    sector als voor ambtenaren zijn gaan gelden. Te noemen zijn hier onder andere de
                    WOR, de Arbeidstijdenwet, de Arbeidsomstandighedenwet, de pensioenwetgeving, de
                    wettelijke werk- nemersverzekeringen en, sinds 2006, de
                    Zorgverzekeringswet.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel H.1 Definities</tussenkop>
        <al>Artikel H.1 bevat, in aanvulling op die in artikel A.1, een beperkt aantal
                    alleen voor hoofdstuk H relevante definities. In het tweede lid worden
                    gedeputeerde staten aangewezen als de werkge- ver in de zin van dit hoofdstuk en
                    van het Burgerlijk Wetboek.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel H.2 Gronden voor indienstneming op
                    arbeidsovereenkomst</tussenkop>
        <al>Hierop is hierboven al uitvoerig ingegaan. Dit artikel bevat een beperkt,
                    limitatief opgesomd, aantal gronden voor een dienstverband op
                    arbeidsovereenkomst. Buiten de hier genoemde gevallen kan indienstneming slechts
                    op basis van een ambtelijke aanstelling plaatsvinden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel H.4 Duur arbeidsovereenkomst</tussenkop>
        <al>De duur van de arbeidsovereenkomst vanwege tijdelijke aanpassing van het
                    personeelsbestand aan een wisselende behoefte (artikel H.2, onderdeel a) is
                    beperkt tot ten hoogste 6 maanden. De leer/arbeidsovereenkomst (artikel H.2,
                    onderdeel b) kan worden aangegaan voor de afge- sproken duur van de
                    leer/werkervaring bij de provincie. De duur van de arbeidsovereenkomst van
                    degene die in het kader van een werkgelegenheidsproject in dienst wordt genomen
                    (artikel H.2, onderdeel c) moet uiteraard gekoppeld zijn aan de periode waarop
                    de werkgelegenheids- maatregel voor betrokkene geldt. Eventuele voortzetting van
                    het dienstverband nadien zal in een reguliere (ambtelijke) betrekking moeten
                    geschieden. Oproepkrachten (artikel H.2, onder- deel d) kunnen wel voor
                    onbepaalde tijd in dienst genomen worden.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel H.5 Loon</tussenkop>
        <al>Niet in alle gevallen zal op de werknemer de bezoldigingsregeling (integraal)
                    van toepassing zijn. Zo zal er doorgaans voor werknemers die in het kader van
                    een werkgelegenheidsproject in dienst genomen zijn een bijzondere loonregeling
                    zijn getroffen. Ook voor oproepkrachten kun- nen er bijzondere loonafspraken
                    zijn gemaakt. Het loon kan ook zijn afgestemd op de specifieke (eenmalige)
                    dienst waarvoor iemand in dienst is genomen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelen H.6, H.8 en H.10 Toepasselijkheid BW, einde arbeidsovereenkomst
                    vreemdelin- gen en doorwerking wijzigingen</tussenkop>
        <al>Hoofdregel is dat de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek integraal van
                    toepassing zijn (arti- kel H.6). Artikel H.8 bevat een t.o.v. het Burgerlijk
                    Wetboek bijzondere bepaling welke het mo- gelijk maakt de arbeidsovereenkomst
                    van de vreemdeling bij verlies van een geldige verblijfsti- tel zonder
                    opzegtermijn te beëindigen. Artikel H.10 bevat een bijzondere bepaling t.o.v.
                    die in- zake het eenzijdige wijzigingsbeding in artikel 7:613 van het Burgerlijk
                    Wetboek. Wijzigingen in de arbeidsvoorwaarden, geregeld in of krachtens de CAP
                    werken zonder meer rechtstreeks door in de individuele arbeidsverhouding. Als op
                    dit punt niets zou zijn geregeld zou elke werk- nemer formeel met deze
                    wijzigingen in de (tweezijdige) arbeidsovereenkomst moeten instem- men.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel H.7 Toepasselijkheid CAP en uitvoeringsregelingen</tussenkop>
        <al>In het eerste lid van artikel H.7 is een groot aantal bepalingen van de CAP en
                    zijn uitvoerings- regelingen die voor ambtenaren gelden zoveel mogelijk van
                    toepassing verklaard op de werk- nemer op arbeidsovereenkomst. Dat
                    betreffen:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de bijzondere voorziening (algemene hardheidsclausule) van artikel
                            A.4;</al></li>
          <li nr="-"><al>de bekendmaking van regelingen inzake de rechtspositie (artikel
                            A.6);</al></li>
          <li nr="-"><al>de eisen van geschiktheid en bekwaamheid bij indiensttreding (artikel
                            B.3);</al></li>
          <li nr="-"><al>de verplichting in het dienstbelang een andere functie of andere
                            werkzaamheden te vervullen (artikel B.6, derde t/m zesde lid en B.7),
                            waarbij wordt opgemerkt dat de bepa- lingen m.b.t. de algemene dienst
                            (artikelen B.5 en B.6, eerste en tweede lid) niet gelden omdat zij zich
                            niet voor toepassing lenen vanwege de beperkte duur van de arbeids-
                            overeenkomst of het specifieke karakter van het dienstverband
                            (oproepkrachten);</al></li>
          <li nr="-"><al>de overlijdensuitkering, in aanvulling op de wettelijke regeling
                            (artikel B.15);</al></li>
          <li nr="-"><al>de bepalingen inzake arbeidsduur en werktijden (artikelen D.1 t/m
                            D.3);</al></li>
          <li nr="-"><al>de bepalingen inzake vakantieverlof en buitengewoon verlof (artikelen
                            D.5 t/m D.17);</al></li>
          <li nr="-"><al>de bepalingen inzake gezondheid en arbeidsomstandigheden bij of
                            krachtens de artike- len E.1 t/m E.10 en E.15, met dien verstande dat de
                            ontslagbepaling wegens arbeids- ongeschiktheid (artikel E.9) op grond
                            van het tweede lid van artikel H.7 alleen geldt voor
                            ABP-deelnemers;</al></li>
          <li nr="-"><al>de bepalingen over de (aanvullende) tegemoetkoming in de ziektekosten
                            (artikelen E.11 en E.12) en over inhouding van ziektekostenpremies
                            (artikel E.13);</al></li>
          <li nr="-"><al>de overige rechten en plichten zoals geregeld in hoofdstuk F, met
                            uitzondering van de bepaling inzake schadeplichtigheid van werkgever en
                            werknemer (artikel F.3, eerste en tweede lid) waarvoor specifieke
                            regelingen gelden in het Burgerlijk Wetboek, t.w. artikel 7:658
                            (zorgverplichting en aansprakelijkheid werkgever) en artikel 7:661
                            (aansprakelijk- heid werknemer voor schade aan werkgever of derden); wel
                            is de voor ambtenaren ge- troffen specifieke schadevergoedingsregeling
                            bij dienstgebruik van de eigen auto (arti- kel F.3, derde lid) van
                            toepassing verklaard;</al></li>
          <li nr="-"><al>de bepalingen inzake orde- en strafmaatregelen (hoofdstuk G).</al></li>
        </lijst>
        <al>In het tweede lid van artikel H.7 is de op grond van artikel B.14 getroffen
                    bovenwettelijke werk- loosheidsregeling (Uitvoeringsregeling aanvullende
                    voorzieningen bij werkloosheid) van toe- passing verklaard op
                    arbeidscontractanten die ABP- deelnemer zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel H.9 Oproepkrachten</tussenkop>
        <al>Dit artikel stelt nadere eisen aan de arbeidsovereenkomst met de oproepkracht.
                    Het gaat hier in de eerste plaats om de verplichting van de werkgever de
                    oproepkracht ook daadwerkelijk op te roepen als zich werkzaamheden voordoen die
                    een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen en als keerzijde de
                    verplichting voor de oproepkracht in beginsel de werkzaam- heden te verrichten
                    waarvoor hij is opgeroepen. Het derde lid regelt tot wanneer een oproep door de
                    werkgever zonder verplichting tot loondoorbetaling kan worden afgezegd c.q. door
                    de werknemer kan worden geweigerd. Voor de oproepkracht zijn de volgende
                    bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in het bijzonder van belang:</al>
        <al>-het rechtsvermoeden inzake de aard van de arbeidsrelatie in artikel 7:610a BW:
                    hij diet.b.v. de provincie tegen beloning gedurende drie opeenvolgende maanden
                    wekelijks dan wel gedurende ten minste 20 uren per maand arbeid verricht, wordt
                    vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst;</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het rechtsvermoeden inzake de omvang van de arbeidsovereenkomst in
                            artikel 7:610b BW: indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie
                            maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed
                            een omvang te hebben gelijk aan de gemid- delde omvang van de arbeid per
                            maand in de drie voorafgaande maanden;</al></li>
          <li nr="-"><al>de minimumaanspraak op loon per oproep in artikel 7:628a BW : loon over
                            ten minste drie uur per oproep, hetzij bij een overeengekomen
                            arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week als de tijdstippen waarop
                            de arbeid moet worden verricht niet zijn vastge- legd, hetzij ingeval de
                            omvang van de arbeid niet (eenduidig) is vastgelegd.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING BIJ HOOFDSTUK I</tussenkop>
        <tussenkop>Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten</tussenkop>
        <al>Het proces van de normalisering van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid is
                    gestart in 1989. In dat normaliseringproces is reeds een aantal stappen gezet op
                    het terrein van het overleg over de arbeidsvoorwaarden, namelijk:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>het introduceren van het overeenstemmingsvereiste in het overleg over de
                            arbeidsvoor- waarden;</al></li>
          <li nr="-"><al>de invoering van het sectorenmodel in het arbeidsvoorwaardenoverleg in
                            1993;</al></li>
          <li nr="-"><al>het van toepassing verklaren op de overheid van de WOR in 1995.</al></li>
        </lijst>
        <al>Hiermee is het overlegrecht in een geheel nieuw perspectief geplaatst. Was het
                    overleg over de arbeidsvoorwaarden bij de provincies tot aan de start van het
                    normaliseringproces vrijwel een exclusieve aangelegenheid voor de lokale
                    commissie voor georganiseerd overleg, daarna heb- ben zowel het georganiseerd
                    overleg op sectorniveau (SPA) als het overleg met de OR op plaatselijk niveau
                    elk hun rol opgeëist. Dit heeft zowel door vaststelling van het SPA-
                    overlegprotocol als door toepassing van artikel 27 van de WOR (instemmingsrecht
                    OR bij vast- stelling of wijziging van bepaalde arbeidsvoorwaarden) geleid tot
                    een bescheidener rol van het plaatselijk georganiseerd overleg.</al>
        <al>In artikel 125, lid 1, onderdeel m, juncto lid 2, van de Ambtenarenwet is
                    geregeld dat het be- voegde bestuursorgaan van de provincies voorschriften
                    vaststelt met betrekking tot de “wijze, waarop met de daarvoor in aanmerking
                    komende vakorganisaties van overheidspersoneel over- leg wordt gepleegd over
                    aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren”.
                    Het overleg in het SPA is geregeld in het SPA-overlegprotocol. Het lokaal
                    overleg met de vakorganisaties is geregeld in hoofdstuk I. Daarbij is rekening
                    gehouden met de hierboven geschetste verschuiving van taken.</al>
        <al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en de OR is
                    als volgt:</al>
        <al/>
        <tussenkop>Het overleg met de vakorganisaties van overheidspersoneel in het
                    SPA</tussenkop>
        <al>Het zwaartepunt van het arbeidsvoorwaardenoverleg ligt bij het SPA (sectoraal,
                    tenzij). Het overleg strekt zich uit tot de vaststelling en wijziging van de CAP
                    en van een groot aantal ar- beidsvoorwaardenregelingen ter uitvoering van de CAP
                    (zie artikel A.2, tweede lid, en de speci- fieke hoofdstukken van de CAP). In
                    het SPA wordt - met inachtneming van de wettelijke rege- ling van taken en
                    bevoegdheden van de OR in de WOR - ook bepaald op welke overlegtafel (SPA,
                    lokaal georganiseerd overleg of OR) welk onderwerp van arbeidsvoorwaarden en
                    sociaal beleid aan de orde kan worden gesteld. De regie ligt hier met andere
                    woorden bij de sociale partners in het SPA.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Het overleg op plaatselijk niveau met de vakorganisaties van
                    overheidspersoneel</tussenkop>
        <al>Niet alle arbeidsvoorwaarden worden voor alle provincies gemeenschappelijk
                    geregeld in het SPA. De CAP laat de regeling van een aantal rechtspositionele
                    zaken over aan sociale partners op lokaal niveau (zie artikel A.2, tweede lid,
                    en de specifieke hoofdstukken van de CAP). Artikel I.2, eerste lid, noemt
                    daarnaast de volgende onderwerpen voor het lokaal overleg met de vak-
                    organisaties van overheidspersoneel:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de nadere uitwerking van in het SPA gemaakte afspraken;</al></li>
          <li nr="-"><al>werkgelegenheid;</al></li>
          <li nr="-"><al>spelregels bij en personele gevolgen van reorganisaties.</al></li>
        </lijst>
        <al>Tenslotte biedt artikel I.2, eerste lid, de mogelijkheid om zaken op lokaal
                    niveau met de vakor- ganisaties van overheidspersoneel te regelen welke niet
                    geregeld worden in het SPA. Daarbij gaat het om onderwerpen die uitsluitend of
                    hoofdzakelijk betrekking hebben op de rechtspositie van de ambtenaar. Voorwaarde
                    is dat het SPA hierover vooraf een (positieve) uitspraak heeft gedaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Het overleg op plaatselijk niveau met de OR</tussenkop>
        <al>In de CAP is ook een aantal taken op het terrein van het sociaal beleid aan de
                    OR toebedeeld (zie artikel A.2, tweede lid, en de specifieke hoofdstukken van de
                    CAP). Het betreffen onder- werpen waarop ingevolge artikel 27 van de WOR het
                    instemmingsrecht van de OR van toepas-</al>
        <al>sing is. Zij raken de lokale bedrijfsvoering. Verder heeft de OR o.a. een
                    adviesrol bij reorganisa- ties overeenkomstig artikel 25 van de WOR.</al>
        <al>Met de hierboven geschetste verdeling van verantwoordelijkheden en de regierol
                    van het SPA hierbij wordt voorkomen dat overleg over een zelfde onderwerp op
                    meer dan één overlegtafel wordt gevoerd. Dat houdt in dat zaken waarover
                    bijvoorbeeld in het SPA geen overeenstem- ming kan worden bereikt niet zonder
                    afspraak in het SPA kunnen worden doorgeschoven naar hetzij het lokale overleg
                    met de vakorganisaties hetzij de OR of dat op lokaal niveau sectorale afspraken
                    kunnen worden opgeplust of afgeroomd.</al>
        <al/>
        <tussenkop>De regierol van het SPA</tussenkop>
        <al>Hierboven is stilgestaan bij de regierol van het SPA. Die houdt, zoals gezegd,
                    in dat in het SPA wordt bepaald welke onderwerpen op welke overlegtafel aan de
                    orde komen. Deze regierol is vastgelegd in de door partijen in het SPA
                    overeengekomen CAP. In de CAP is immers een groot aantal zaken geregeld die in
                    het SPA zijn overeengekomen en is voor het overige bepaald welke regelingen ter
                    uitwerking van de CAP moeten (c.q. kunnen) worden getroffen in het SPA, in het
                    lokaal overleg met de vakorganisaties dan wel in overleg met de OR.</al>
        <al>De taakverdeling tussen SPA, lokaal overleg met de vakorganisaties en OR zoals
                    hierboven geschetst zal op het moment van invoering van de CAP nog niet helemaal
                    zijn gerealiseerd. Een aantal arbeidsvoorwaardenregelingen zal eerst nadien
                    worden geharmoniseerd. Tot die tijd blijven het lokale regelingen waarover het
                    overleg met de vakorganisaties van overheidsperso- neel op lokaal niveau wordt
                    gevoerd. Dat is vastgelegd in artikel 5 van het SPA-overlegprotocol. Daarin is
                    ook vastgelegd dat sociale partners op lokaal niveau terughoudend zullen zijn
                    met afspraken over nog te harmoniseren arbeidsvoorwaardenregelingen. In het
                    SPA-akkoord per 1 januari 2000 zijn afspraken vastgelegd over de nog te
                    harmoniseren arbeidsvoorwaardenrege- lingen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel I.1 Overleg met vakorganisaties van
                    overheidspersoneel</tussenkop>
        <al>In dit artikel is geregeld dat overleg wordt gevoerd met vakorganisaties van
                    overheidspersoneel die voor de provincie als representatief zijn aan te merken.
                    Daarbij wordt uitgegaan van de richtlijnen inzake representativiteit van de
                    SER.</al>
        <al>Over toelating van nieuwe vakorganisaties van overheidspersoneel tot het overleg
                    zal de werk- gever vooraf overleg voeren met de vakorganisaties die al in het
                    overleg zijn vertegenwoordigd. De invoering van de CAP en in bijzonder van dit
                    hoofdstuk van de CAP brengt geen wijziging in de samenstelling van het overleg
                    aan werknemerszijde. Dezelfde vakorganisaties van over- heidspersoneel als
                    voorheen maken deel uit van het overleg.</al>
        <al>Elk van de partijen in het overleg is vrij in de samenstelling van zijn
                    delegatie. Uitgangspunt is wel dat bij bestuurlijk overleg ook aan beide kanten
                    bestuurders aanwezig zijn.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel I.2 Onderwerpen van overleg</tussenkop>
        <al>In dit artikel zijn de onderwerpen van overleg geregeld. Verwezen wordt
                    kortheidshalve naar de in de algemene toelichting omschreven taakverdeling
                    tussen SPA, lokaal overleg met de vakor- ganisaties en het overleg met de OR. Op
                    grond van het tweede lid hoeft geen overleg te wor- den gevoerd bij kleine
                    reorganisaties. De grens wordt gelegd bij reorganisaties waarbij minder dan 10
                    personen zijn betrokken. Bij elk voornemen tot reorganisatie geldt wel een
                    meldings- plicht aan de vakorganisaties van overheidspersoneel en aan de OR. Als
                    er na de melding van het voornemen van een kleine reorganisatie toch behoefte
                    aan overleg bestaat kan dat uiter- aard op grond van artikel I.3, derde
                    lid.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel I.3 Wijze van overleg</tussenkop>
        <al>De wijze van overleg is in dit hoofdstuk summier geregeld en sluit aan bij de
                    afspraken die gel- den voor het overleg in het SPA. De overlegpartijen kunnen
                    desgewenst nadere afspraken ma- ken over de wijze van overleg.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel I.4 Overeenstemmingsvereiste</tussenkop>
        <al>In dit artikel komt de gelijkwaardigheid van de overlegpartijen tot uitdrukking
                    in de vorm van het overeenstemmingsvereiste. Zij sluit aan bij de regeling van
                    het overeenstemmingsvereiste in het overlegprotocol voor het SPA.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel I.5 Advies en arbitrage bij geschillen</tussenkop>
        <al>Wanneer de werkgevers- en de werknemersvertegenwoordiging geen overeenstemming
                    berei- ken is het mogelijk om het advies in te winnen van de landelijk werkende
                    Lokale Advies- en Arbitrage Commissie (LAAC) van de VNG. Ook kan de LAAC om
                    arbitrage worden gevraagd. Deze onafhankelijke commissie heeft tot taak om,
                    afhankelijk van het verzoek van partijen, hen te adviseren hoe het overleg
                    verder kan worden gevoerd dan wel door middel van arbitrage vast te stellen met
                    welk eindresultaat het overleg moet worden afgerond. Arbitrage is namelijk
                    bindend.</al>
        <al>Voor het vragen van advies hoeft geen overeenstemming te bestaan. Wel ligt het
                    voor de hand dat de wederpartij wordt geïnformeerd over het feit dat advies aan
                    de LAAC zal worden ge- vraagd. De LAAC kan de wederpartij ook horen. De
                    plaatselijke overlegpartijen moeten het wel eens zijn over de vraag of arbitrage
                    zal worden gevraagd. Ook moet er overeenstemming be- staan over het onderwerp en
                    de omschrijving van het geschil. De geschillenprocedure is aan termijnen
                    gebonden.</al>
        <al>Over aansluiting van de provincies bij de LAAC zijn afspraken gemaakt door
                    partijen in het SPA.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING CAP</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel II Vervallen van rechtspositieregelingen (lokale
                    regeling)</tussenkop>
        <al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel III Wijziging van rechtspositieregelingen (lokale
                    regeling)</tussenkop>
        <al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel IV Juridische grondslag voor regelingen die (nog) niet vervallen
                    (lokale regeling)</tussenkop>
        <al>In elke provincie afzonderlijk in te vullen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel V Individueel overgangsrecht</tussenkop>
        <al>In artikel V is het individueel overgangsrecht geregeld dat in het SPA is
                    afgesproken en dat in alle provincies gelijkelijk geldt.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Eerste lid</tussenkop>
        <al>Het eerste lid houdt verband met de overstap naar de terminologie van het
                    Burgerlijk Wetboek voor wat betreft de aard van het dienstverband. De vaste
                    aanstelling en de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd wordt voortaan
                    aangeduid als aanstelling voor onbepaalde tijd. De tijdelijke aanstelling voor
                    bepaalde tijd wordt de aanstelling voor bepaalde tijd. Een aantal rechten en
                    plichten zijn gerelateerd aan de aard van het dienstverband. Zeker gesteld is
                    dat die rechten en plichten niet als gevolg van de nieuwe terminologie (in
                    negatieve zin) veranderen.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Tweede lid</tussenkop>
        <al>Het tweede lid houdt verband met de overstap naar een meer marktconform en open
                    stelsel van indienstneming, waarbij ook de beperkingen zijn overgenomen die de
                    Wet flexibiliteit en zekerheid heeft aangebracht in de mogelijkheden elkaar
                    opvolgende tijdelijke dienstverbanden aan te gaan. Tijdelijke aanstellingen voor
                    bepaalde tijd vóór de invoering van de CAP blijven nadien tot de verstrijking
                    van de duur waarvoor zij zijn aangegaan op de oude voet doorlopen. Aanstellingen
                    voor bepaalde tijd tellen na de invoering van de CAP mee voor de beperking van
                    de mogelijkheden elkaar opvolgende dienstverbanden aan te gaan.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Derde lid</tussenkop>
        <al>In het derde lid wordt veilig gesteld dat kleine deeltijders, voor wie op het
                    moment van invoering van de CAP een regeling tegemoetkoming in de kosten van een
                    (particuliere) ziektekostenrege- ling geldt, in die regeling mogen blijven, ook
                    al kunnen zij op vrijwillige basis aan de IZR deel- nemen. Artikel E.13, tweede
                    lid, van de CAP, die dat uitsluit, is op hen niet van toepassing.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Vierde lid</tussenkop>
        <al>Het vierde lid tenslotte is van toepassing ingeval een werknemer op een andere
                    dan de in de CAP genoemde gronden op arbeidsovereenkomst in dienst genomen is of
                    voor een langere duur dan in de CAP bepaald. Zij zetten hun arbeidsovereenkomst
                    na invoering van de CAP op de oude voet voort.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel VI Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>De CAP treedt in werking op 1 oktober 2000 (eerste lid). In het SPA-akkoord is
                    afgesproken dat de bepaling inzake de aanwijzing van collectieve roostervrije
                    dagen gelijktijdig met de invoering van de nieuwe verlofregeling in werking
                    treedt, te weten per 1 januari 2001 (tweede lid).</al>
        <al>De Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid (de bovenwettelijke
                    werkloosheidsre- geling) treedt in werking op de datum van invoering van de WW
                    bij de overheid, te weten op 1 januari 2001 (vierde lid, juncto tweede lid). De
                    basisbepaling ter zake in de CAP (artikel B.1625) treedt ook pas op 1 januari
                    2001 in werking (tweede lid). De bestaande (integrale) wachtgeld-</al>
        <al>en uitkeringsregeling bij werkloosheid blijven echter formeel tot 1 januari 2003
                    van kracht, ge- zien het Kabinetsbesluit om de bestaande gevallen niet per 1
                    januari 2001 maar eerst per 1 januari 2003 onder de werking van de WW te
                    brengen. De toegang tot de wachtgeld- en uitke-</al>
        <al>ringsregeling bij werkloosheid is vanaf 1 januari 2001 echter gesloten voor
                    nieuwe gevallen. Een en ander is geregeld in de op grond van artikel B.1626 door
                    gedeputeerde staten vastge- stelde Regeling aanvullende voorzieningen bij
                    werkloosheid (vierde lid).</al>
        <al>In het derde lid is de invoering van de algemene dienst geregeld. Daarover zijn
                    afspraken ge- maakt in het SPA-akkoord 2000/2001, in samenhang met de
                    totstandkoming van een scholings-</al>
        <al>, loopbaan- en mobiliteitsbeleid en een aanvullend rechtspositioneel kader
                    (bijlage 5b van dit akkoord). Die afspraken zullen in achtgenomen worden.
                    Gedeputeerde staten bepalen (in over- eenstemming met de vakorganisaties van
                    overheidspersoneel in het Georganiseerd Overleg) de concrete datum van invoering
                    van de algemene dienst ook voor zittend personeel. De uiter- ste datum waarop de
                    algemene dienst integraal in alle provincies ook voor zittend personeel zal zijn
                    ingevoerd is 1 januari 2002.</al>
        <al>In het vierde lid is tenslotte vastgelegd dat op 1 oktober 2000, gelijktijdig
                    met de invoering van de CAP, in werking zullen treden:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de FPU-plusregeling provincies (krachtens artikel B.14, derde lid, van
                            de CAP);</al></li>
          <li nr="-"><al>de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en
                            arbeidsongeschiktheid (krachtens artikel E.8, eerste lid, van de
                            CAP);</al></li>
          <li nr="-"><al>de Suppletieregeling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (krachtens
                            artikel E.8, tweede lid, van de CAP).</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING OP HET OVERGANGSRECHT INVOERING SECTORALE VERLOFREGELING
                    CAP</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</tussenkop>
        <al>Bij de harmonisatie van de provinciale verlofregelingen is in het SPA-akkoord
                    2000/2001 een garantieregeling afgesproken. Die geldt voor personeel dat vóór 1
                    april 2000 in dienst is en als gevolg van de harmonisatieafspraken er per saldo
                    op achteruit gaat. Ook is geregeld dat amb- tenaren die op 31 december 2000
                    ouderschapsverlof genieten eenmalig kunnen kiezen tussen de oude en nieuwe
                    regeling van betaald ouderschapsverlof.</al>
        <al/>
        <tussenkop>TOELICHTING OVERGANGSRECHT INVOERING HOOFDSTUK C</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel II (sectoraal overgangsrecht)</tussenkop>
        <al>In de CAO provincies 2002/2003 zijn afspraken gemaakt over de salarisinpassing
                    op de datum van invoering van het nieuwe beloningssysteem. Daarvoor gelden de
                    volgende regels: Inpassing in de nieuwe salarisschaal die bij de functie hoort
                    (functieschaal). Daarbij maakt het niet uit of men voordien in een hogere schaal
                    zat (bijv. uitloopschaal). Indien men in de aan- loopschaal zat is inpassing in
                    de (voorliggende) aanloopschaal alleen mogelijk als men aan de nieuwe criteria
                    voor plaatsing in de aanloopschaal voldoet. Anders komt men direct in de func-
                    tieschaal.</al>
        <al>Horizontale inpassing op het salaris waarop bij invoering van het nieuwe systeem
                    op grond van de oude regels aanspraak bestaat. Dus bijv. rekening houden met de
                    periodiek waarop krach- tens bestaande regels op de invoeringsdatum aanspraak
                    bestaat zodat geen anciënniteit verlo- ren gaat. Een hogere functiewaardering of
                    indeling in een salarisschaal met een hoger maxi- mum leidt niet tot een hoger
                    salaris.</al>
        <al>Als het salaris waarop op grond van oude regels aanspraak bestaat ligt binnen de
                    bandbreedte van de nieuwe salarisschaal zijn er geen problemen. Er zijn geen
                    vaste salarisbedragen in de nieuwe salarisschalen zodat betrokkene op exact
                    hetzelfde bedrag kan worden ingeschaald.</al>
        <al>In alle gevallen waarin het salarisbedrag waarop op grond van de oude regels op
                    de invoe- ringsdatum aanspraak bestaat, ligt boven het maximum van de nieuwe
                    salarisschaal, wordt betrokkene ingepast op het maximum van de nieuwe schaal en
                    ontvangt hij daarbovenop een garantietoelage ter grootte van het verschil. Voor
                    de toepassing van de regels (bijv. voor de</al>
        <al>eindejaarsuitkering) wordt de garantietoelage als salaris aangemerkt (en is
                    daarmee onderdeel van het bredere begrip bezoldiging).</al>
        <al>Als het salarisbedrag waarop op grond van de oude regels op de invoeringsdatum
                    aanspraak bestaat, ligt onder het minimum van de nieuwe salarisschaal, wordt
                    betrokkene ingepast op het minimum van de nieuwe schaal. Dat kan spelen ingeval
                    de functiewaardering hoger uitkomt en betrokkene nog onder in de lagere schaal
                    was ingepast. Het kan ook aan de orde zijn als be- trokkene was ingepast op één
                    van de jeugdsalarissen die komen te vervallen.</al>
        <al>Voor hen die nog zitten in de wachttijd van de diensttijduitloop (schalen 1 tot
                    en met 5) geldt het volgende. Men hoeft vanaf de invoeringsdatum nooit langer
                    dan één jaar te wachten op de diensttijduitloop.</al>
        <al>Als dus van de wachttijd op de invoeringsdatum meer dan één jaar is verstreken,
                    vindt inpas- sing per die datum direct plaats op het salaris van de
                    diensttijduitloop, als aan de criteria daar- voor is voldaan. Voor zolang die
                    wachttijd van één jaar niet is verstreken, wordt ingepast op het oude
                    salaris.</al>
        <al>Deze inpassingsregels zijn opgenomen in artikel II, eerste t/m vierde lid.
                    Leidend beginsel is daarbij dat het oude salaris wordt gegarandeerd. Er zijn in
                    de CAO provincies 2002/2003 ook afspraken gemaakt over garanties van
                    perspectieven in de oude salarisschaal en over garan- ties van perspectieven op
                    de uitloop als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze garan- ties zijn
                    terug te vinden in het vijfde en zesde lid van artikel II. Ter verduidelijking
                    nog het vol- gende. Als het nieuwe maximumsalaris lager is dan het oude kan het
                    oude maximum volgens de nieuwe regels in stappen van 3% worden bereikt. Dat zou
                    ertoe kunnen leiden dat het oude maximumsalaris later wordt bereikt dan op grond
                    van de oude regeling. In het vijfde lid is daar- om geregeld dat het oude
                    maximum bij normaal functioneren nooit later wordt bereikt dan onder de oude
                    regeling. Voor de toepassing van deze garantie wordt het oude maximumsalaris
                    geïn- dexeerd.</al>
        <al>Er is geen sectoraal overgangsrecht in verband met de in de paragrafen 4, 5 en 6
                    van hoofd- stuk C van de CAP geregelde harmonisatie van de toelagen, uitkeringen
                    en vergoedingen. In het SPA is wel overeengekomen dat er in de afzonderlijke
                    provincies met de bonden in het Ge- organiseerd Overleg afspraken kunnen worden
                    gemaakt over lokaal overgangsrecht in verband met de harmonisatie van de toelage
                    onregelmatige dienst en de afbouw toelage onregelmatige dienst. Verder geldt in
                    verband met de harmonisatie van de toelagen, uitkeringen en vergoedin- gen nog
                    het volgende:</al>
        <al>Bestaande (gunstiger of ongunstiger) individuele afspraken blijven overeind. Dat
                    geldt bijvoor- beeld voor de waarnemingstoelage, de arbeidsmarkttoelage en de
                    bindingspremie.</al>
        <al>Wat betreft de overwerkvergoeding kan, als de harmonisatie leidt tot kennelijk
                    onredelijke uit- komsten, een beroep worden gedaan op de bestaande
                    hardheidsclausule van artikel A.4 van de CAP.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel III (lokaal overgangsrecht)</tussenkop>
        <al>P.M. Hier een toelichting op het lokaal getroffen overgangsrecht, daaronder
                    begrepen het even- tueel overgangsrecht in verband met de harmonisatie van de
                    toelage onregelmatige dienst en de afbouw toelage onregelmatige dienst.</al>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel IV (inwerkingtreding)</tussenkop>
        <al>De wijzigingen in de CAP en het sectoraal overgangsrecht (artikel II) treden in
                    werking op 1 januari 2005, ongeacht of er dan al overeenstemming met de bonden
                    in het Georganiseerd Overleg is bereikt over het in artikel III te regelen
                    lokaal overgangsrecht. Ook het lokale over- gangsrecht treedt op 1 januari 2005
                    in werking. Hier ligt dus een verplichting voor lokale sociale partners om
                    tijdig afspraken te maken over het lokaal overgangsrecht dat in verband met de
                    harmonisatie nodig is.</al>
        <al/>
        <tussenkop>OVERZICHT WIJZIGINGEN CAP</tussenkop>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>ingevoerd op 1 oktober 2000: zie CAO provincies 2000/2001</al></li>
          <li nr="-"><al>1e wijziging : invoering basisbepaling jaargesprekken (zie brief d.d. 17
                            oktober 2000, IWV 90631/00)</al></li>
          <li nr="-"><al>2e wijziging : invoering toelichting op basisbepaling jaargesprekken
                            (zie brief d.d. 19 oktober 2000, IWV 90646/00)</al></li>
          <li nr="-"><al>3e wijziging : harmonisatie verlofregeling (zie brief d.d. 6 november
                            2000, IWV 90682/00)</al></li>
          <li nr="-"><al>4e wijziging : aanpassing bepaling zwangerschaps- en bevallingsverlof
                            i.v.m. de Wet arbeid en zorg (zie CAO provincies 2002/2003, bijlage 2,
                            deel 7) en invoering basisbepaling pro- cedure melding misstand
                            provincies (zie CAO provincies 2002/2003, bijlage 2, deel 7)</al></li>
          <li nr="-"><al>5e wijziging : invoering 1%-regeling ziektekosten (zie brief 15 mei
                            2002, IWV 90142/02)</al></li>
          <li nr="-"><al>6e wijziging : invoering basisbepaling 5 mei, kinderopvang en
                            (individuele) uitbreiding ar- beidsduur tot 40 uur per week (zie brief
                            d.d. 10 juni 2002, IWV 90219/02)</al></li>
          <li nr="-"><al>7e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet Suwi en de Wet verbetering
                            poortwachter (zie brief d.d. 8 augustus 2002, IWV 90267/02)</al></li>
          <li nr="-"><al>8e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet arbeid en zorg (zie brief d.d.
                            26 september 2002, IWV 90297/02)</al></li>
          <li nr="-"><al>9e wijziging : aanpassing i.v.m. de nieuwe Vreemdelingenwet en i.v.m. de
                            naamsverande- ring CFO in CNV Publieke Zaak (zie brief d.d. 18 december
                            2002, IWV 90369/02)</al></li>
          <li nr="-"><al>10e wijziging : aanpassingen i.v.m. de Wet dualisering provinciebestuur
                            (zie brief d.d. 21 februari 2003, IWV 90049/03)</al></li>
          <li nr="-"><al>11e wijziging: aanpassing bepaling vakantieopbouw tijdens ziekte en
                            bepaling (individuele) uitbreiding arbeidsduur tot 40 uur per week (zie
                            brief d.d. 10 maart 2003, IWV 90080/03)</al></li>
          <li nr="-"><al>12e wijziging: invoering regeling opleiding en ontwikkeling (zie brief
                            d.d. 22 mei 2003, IWV 90223/03)</al></li>
          <li nr="-"><al>13e wijziging: invoering basisbepaling IKAP en redactionele aanpassingen
                            in verband hier- mee (zie brief d.d. 26 november 2003, IWV
                            90337/03)</al></li>
          <li nr="-"><al>14 e wijziging: wijziging artikel A.1 en toelichting CAP i.v.m. de
                            omvorming van het IPO tot een vereniging (zie brief d.d.12 januari 2004,
                            kenmerk IWV 90006/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>15e wijziging: redactionele aanpassing artikelen B.3 en F.8 (zie brief
                            d.d. 5 augustus 2004, IWV 90183/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>16e wijziging: redactionele aanpassing toelichting hoofdstukken D, F en
                            H (zie brief d.d. 6 oktober 2004, IWV 90217/04).</al></li>
          <li nr="-"><al>17e wijziging: invoering hoofdstuk C inzake bezoldiging en redactionele
                            aanpassingen CAP in verband hiermee (zie brief d.d. 13 april 2004, IWV
                            90076/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>18e wijziging: aanpassing basisbepaling IKAP i.v.m. introductie van de
                            vakbondscontributie (zie brief d.d. 3 september 2004, IWV 90353/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>19e wijziging: aanpassing basisbepaling IKAP i.v.m. schrapping PC als
                            doel en wijzigingtoelichting op hoofdstukken D, F en H i.v.m.
                            IKAP-regeling (zie brief d.d. 6 oktober 2004, IWV 90217/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>20e wijziging: aanpassing basisbepaling kinderopvang i.v.m. Wet
                            kinderopvang (zie brief d.d. 10 november 2004, IWV 90233/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>21e wijziging: redactionele aanpassing CAP en toelichting i.v.m. de
                            overgang van IZR naar IZA (zie brief d.d. 9 december 2004, IWV
                            90249/04)</al></li>
          <li nr="-"><al>22e wijziging: aanpassing bepaling inzake zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof (artikel D.11 van de CAP) aan de Wet arbeid en zorg
                            (zie brief d.d. 25 april 2005, IWV 90085/05)</al></li>
          <li nr="-"><al>23e wijziging: aanpassing artikelen D.10 en F.1 van de CAP i.v.m.
                            basisbepaling levens- loopregeling en invoering verplichte ambtseed en
                            regeling openbaarmaking nevenwerk- zaamheden (zie brief d.d. 22 december
                            2005, IWV 90151/05)</al></li>
          <li nr="-"><al>24e wijziging: aanpassing artikelen E.11 t/m E.14, H.2 en H.7 van de CAP
                            ter uitvoeringCAO- afspraken over een nieuwe ziektekostenvoorziening
                            (zie brief d.d. 22 maart 2006, IWV 90048/06)</al></li>
          <li nr="-"><al>25e wijziging: aanpassing artikelen B.9, C.11, C.20, D.6, D.9, D.12,
                            D.15 t/m D.17 en F.14 van de CAP ter uitvoering van CAO- afspraken over
                            o.a. vakantie en verlof (zie brief d.d. 22 maart 2006, IWV
                            90049/06)</al></li>
          <li nr="-"><al>26e wijziging: aanpassing artikelen E.11 t/m E.13 van de CAP i.v.m. de
                            collectieve ziekte- kostenregeling 2007, aanpassing artikelen A.1 en
                            B.11 van de CAP i.v.m. wijzigingen in hetpensioenreglement ABP en
                            aanpassing artikel H.4 van de CAP i.v.m. verlenging van de maximumduur
                            van de leer/arbeidsovereenkomst (zie brief van 18 januari 2007, IWV
                            90005/07)</al></li>
          <li nr="-"><al>27e wijziging: aanpassing artikelen A.1, B.9, E.7 t/m E.9 en E.16 van de
                            CAP i.v.m. de WIA en het WIA- akkoord overheid- en onderwijspersoneel
                            (zie brief van 16 mei 2007, IWV 90035/07)</al></li>
          <li nr="-"><al>28e wijziging: schrapping artikel F.13 van de CAP (basisbepaling
                            kinderopvang) i.v.m. dewettelijke regeling van een werkgeversbijdrage in
                            de kosten van kinderopvang (zie brief van 21 mei 2007, IWV
                            90037/07)</al></li>
          <li nr="-"><al>29e wijziging: aanpassing artikel F.1 van de CAP i.v.m. melding en
                            registratie van financiële belangen (zie brief van6 november 2007, IWV
                            90105/07)</al></li>
          <li nr="-"><al>30e wijziging: aanpassing artikelen C.17, D.1, D.12, E.11 en E.12 en
                            schrapping artikel E.13 van de CAP ter uitvoering van de CAO provincies
                            2007/2009 en i.v.m. enerzijds uitbreidingdoelgroep collectieve
                            zorgverzekering en anderzijds verbetering bepaling betaald verzuim-
                            verlof bij overlijden (zie brief van 18 februari 2008, IWV
                            90016/08)</al></li>
          <li nr="-"><al>31e wijziging: aanpassing artikel F.14 van de CAP i.v.m. de invoering
                            van een nieuwe IKAP- regeling (zie brief van 22 april 2008, IWV
                            90050/08)</al></li>
          <li nr="-"><al>32e wijziging: aanpassing toelichting artikel F.14 van de CAP i.v.m. de
                            invoering van eennieuwe IKAP-regeling (zie brief van 1 december 2008,
                            IWV 90105/08) en nieuwe bijlage 2 van de CAP i.v.m. salarisbedragen per
                            1 januari 2009.</al></li>
          <li nr="-"><al>33e wijziging: aanpassing artikel F.1, elfde lid, van de CAP en van de
                            toelichting daarop</al><al>i.v.m. de invoering van een nieuwe Regeling procedure en bescherming bij
                            melding van vermoedens van een misstand (zie brief van 15 juli 2009, IWV
                            90055/09).</al></li>
          <li nr="-"><al>34e wijziging: aanpassing artikelen B.10, B.15, D.1, D.14, D.15, G.3 en
                            H.4 van de CAP,invoering artikelen D.16 en D.17 van de CAP en vervanging
                            bijlage 2 van de CAP (nieuwe salaristabel) ter uitvoering van de CAO
                            provincies 2009/2011 (zie brief van 14 juli 2010, IWV 90066/10)</al></li>
          <li nr="-"><al>35e wijziging: aanpassing artikelen C.7 en C.9, eerste lid, van de CAP
                            i.v.m. de invoering van de vijfpuntschaal van beoordelen en belonen (zie
                            brief van 12 oktober 2010, IWV 90073/10)</al></li>
          <li nr="-"><al>36e wijziging: technische en redactionele wijzigingen in de CAP,
                            aanpassing van de CAPi.v.m. wijziging van de Ziektewet, WIA, WAO en BW
                            per 1 november 2008, aanpassing van de CAP aan wijzigingen in de Awb en
                            wijziging van de CAP inzake de aanstelling van on- bezoldigde ambtenaren
                            (zie brief van 22 december 2010, IWV 90097/10)</al></li>
          <li nr="-"><al>37e wijziging: wijziging ontslagbepaling wegens pensionering i.v.m. de
                            verschuiving van de</al><al>AOW-gerechtigde leeftijd naar de dag waarop de ambtenaar de 65-jarige
                            leeftijd bereikt (zie brief d.d. 16 november 2011, IWV 90040/11)</al></li>
          <li nr="-"><al>38e wijziging: vervanging bijlage 2 van de CAP (nieuwe salaristabel) en
                            wijziging bedragen in artikel E.12, eerste lid, van de CAP ter
                            uitvoering van de cao provincies 2011/2012</al></li>
          <li nr="-"><al>39e wijziging: nieuwe vakantieregeling en invoering geschillenregeling
                            (zie brief d.d. 16 ok- tober 2012, IWV 05792/2012)</al></li>
          <li nr="-"><al>40e wijziging: invoering mogelijkheid van elektronische berichtgeving en
                            redactionele aan- passing van artikel D.1, derde lid (zie brief van 26
                            maart 2013, IWV 06160/2013)</al></li>
          <li nr="-"><al>41e wijziging: aanpassingen in de CAP i.v.m. de wijzigingen in de
                            provinciale levensloopre- geling (zie brief van 5 december 2013, IWV
                            06694/2013)</al></li>
          <li nr="-"><al>42e wijziging: nieuwe salaristabel en nieuwe bedragen tegemoetkoming
                            ziektekosten per 1 januari 2015 i.v.m. cao provincies 2012/2015;</al></li>
          <li nr="-"><al>43e wijziging: wijziging CAP i.v.m. de invoering van het Individueel
                            Keuzebudget per 1 janu- ari 2015 in de provincies Noord-Holland,
                            Zuid-Holland, Noord-Brabant, Zeeland, Utrecht,Overijssel, Flevoland en
                            Drenthe (de provincies Fryslân, Groningen, Gelderland en Limburg volgen
                            per 1 januari 2016);</al></li>
          <li nr="-"><al>44e wijziging: wijziging CAP i.v.m. wijzigingen in de WAZO (zie brief
                            van 2 april 2015, IWV 07284/2015)</al></li>
          <li nr="-"><al>45e wijziging: wijziging CAP i.v.m. naamsveranderingen bij
                            vakorganisaties met terugwer- kende kracht per 1 januari 2015 (zie brief
                            van 2 april 2015, IWV 07284/2015)</al></li>
        </lijst>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>