<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>388891_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van leges 2016 (5e wijziging)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zuidplas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-05</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Legesverordening 2016 (5e wijziging)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:issued>2015-11-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>A16.001178</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de heffing en invordering van leges 2016</vet></al><al></al><al>De raad van de gemeente Zuidplas;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 22
                        september 2015;</al><al>gelet op artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h en artikel
                        229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de gemeentewet en de artikelen
                        2, tweede lid en 7 van de Paspoortwet;</al><al>besluit vast te stellen de :</al><al><vet>Verordening op de heffing en invordering van leges 2016</vet></al><al></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een
                        dag als een hele dag wordt aangemerkt;</al><al>b. week: een aaneengesloten periode van zeven dagen;</al><al>c. maand: het tijdvak dat loopt van de 1e dag in een kalendermaand tot de 1e
                        dag in de volgende kalendermaand;</al><al>d. jaar: het tijdvak dat loopt van de 1e dag in een kalenderjaar tot 1e dag
                        in het volgende kalenderjaar;</al><al>e. kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam leges worden rechten geheven voor:</al><al>a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte
                            diensten;</al><al>b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een
                            Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van
                            de Paspoortwet;</al><al>Een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende
                            tarieventabel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hetgeen in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel is
                            bepaald over een Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op
                            het moment van de aanvraag, de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft
                            bereikt, is van overeenkomstige toepassing op een vervangende
                            Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod,
                            ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse
                        identiteitskaart dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of
                        de handelingen zijn verricht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Leges worden niet geheven voor:</al><al>a. Diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke
                        ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;</al><al>b. Diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of
                        gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van
                        voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die aanvraag
                        betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als
                        bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht ;</al><al>c. Het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van
                        de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht , voor zover het een activiteit
                        betreft bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht
                        (omgevingsvergunning beperkte milieutoets)</al><al>d. Het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een
                        afschrift van of van een abonnement op stukken als bedoeld in Titel 1,
                        Hoofdstuk 7 Bestuursstukken, van de bij deze verordening behorende
                        tarieventabel, van vertegenwoordigers van de pers en ten behoeve van de
                        openbare bibliotheken in de gemeente Zuidplas.</al><al>e. <cursief>[vervallen]</cursief></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaven van heffing en tarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de
                            bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het
                            overige in dit artikel bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een
                            projectuitvoeringsbesluit bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en
                            herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van
                            deze verordening verschuldigd zou zijn voor het in behandeling nemen van
                            een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing,
                            vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en
                            verwezenlijking van het project, voor zover het
                            projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, als
                            bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de
                            tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De leges worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een
                        gedagtekende schriftelijke</al><al>kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota
                        of andere schriftuur.</al><al>Het gevorderde bedrag wordt mondeling dan wel door toezending of uitreiking
                        van de schriftelijke</al><al>kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.</al><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in
                            artikel 6:</al><al>a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de
                            kennisgeving;</al><al>b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de
                            kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 14 dagen
                            na de dagtekening van de kennisgeving.</al><al></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen.</al><al></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vermindering en teruggaaf</titel></kop><al>Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de
                        bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, wordt
                        verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in die
                        tarieventabel opgenomen bepaling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overdracht van bevoegdheden</titel></kop><al>Vervallen</al><al></al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en invordering van de leges.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De Legesverordening 2015 vastgesteld op 4 november 2014, wordt ingetrokken
                        met ingang van 1 januari 2016, met dien verstande dat zij van toepassing
                        blijven op de belastbare feiten die zich voor 1 januari 2016 hebben
                        voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 februari 2016. De datum
                        van ingang van de heffing is eveneens 1 februari 2016. De bekendmaking van
                        het in onderdeel 2.1.1.2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel
                        genoemde normblad vindt plaats door terinzagelegging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als 1<sup>e </sup>wijziging van de
                        Legesverordening 2016.</al><al></al><al></al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van 26 januari 2016 </al><al></al><al>De raad voornoemd,</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>P.van Vugt K.J.G. Kats</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>A Algemeen</vet></al><al><vet>1 Wettelijke basis</vet></al><al>De leges worden geheven op basis van artikel 229, eerste lid, aanhef en
                    onderdeel b, van de Gemeentewet. De legesheffing voor reisdocumenten en de
                    Nederlandse identiteitskaart berust niet op artikel 229 van de Gemeentewet, maar
                    op artikel 7 van de Paspoortwet, in samenhang met artikel 2, tweede lid, van die
                    wet (wijziging Paspoortwet per 9 maart 2014).</al><al>Vanaf 1 januari 1995 komt het begrip ‘leges’ niet meer voor in de Gemeentewet.
                    De reden hiervan is dat er geen wezenlijke verschillen bestaan tussen leges en
                    andere rechten. Het begrip ‘rechten’ in artikel 229 van de Gemeentewet omvat
                    mede de leges. In de verordening is ervoor gekozen de rechten ‘leges’ te blijven
                    noemen, omdat het hier gaat om een ingeburgerd en herkenbaar begrip. Bovendien
                    gaat het in vrijwel alle gevallen om het in behandeling nemen van aanvragen en
                    vergunningen e.d. en om het verstrekken van documenten.</al><al>In verband met artikel 10 van de verordening leges (overdracht van bevoegdheden)
                    is in de aanhef eveneens artikel 156, eerste en tweede lid, onder h, van de
                    Gemeentewet genoemd.</al><al><vet>2 Opzet</vet></al><al>De verordening leges bestaat uit twee gedeelten, namelijk de verordening zelf
                    met de formele en materiële bepalingen en de tarieventabel met een omschrijving
                    van de belastbare feiten, de heffingsmaatstaven en de tarieven.</al><al><vet>4 Het begrip ‘dienst’</vet></al><al>Artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten
                    onder andere rechten kunnen heffen voor het genot van door of vanwege het
                    gemeentebestuur verstrekte diensten.</al><al>Leges kunnen dus uitsluitend geheven worden voor door of vanwege het
                    gemeentebestuur verstrekte diensten. Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad
                    van 9 december 1987 (nr. 24.892, BNB 1988/117, Belastingblad 1988, blz.
                    65).</al><al>Het begrip ‘dienst’ is niet nader gedefinieerd in de wet. Wel is in de
                    jurisprudentie invulling gegeven aan het begrip ‘dienst’. Op grond van de
                    jurisprudentie komen wij tot het oordeel dat voor de vraag of er sprake is van
                    een dienst doorslaggevend is of degene te wiens behoeve de dienst wordt verleend
                    een individueel belang heeft bij de dienst. Dit individuele belang is in
                    beginsel altijd aanwezig indien de dienstverlening wordt gevraagd.</al><al>Indien de dienst ambtshalve wordt verleend, is er naar het oordeel van de
                    wetgever geen sprake van een dienst (Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990, 21
                    591, nr. 3, blz. 78). Dit betekent dat vanaf 1 januari 1995 voor het ongevraagd
                    verlenen van diensten geen legesheffing meer mogelijk is.</al><al>Is het algemene belang groter dan het individuele belang van de aanvrager dan
                    wel degene te wiens behoeve de dienst wordt verleend, dan is er geen sprake van
                    een dienst die legesheffing rechtvaardigt.</al><al>Opgemerkt wordt dat het ‘verlenen’ van een dienst, zoals geformuleerd in de
                    verordening, uitsluitend betrekking heeft op het in gang zetten van de
                    dienstverlening. Er is dus sprake van een inspanningsverplichting en niet van
                    een resultaatsverplichting.</al><al><vet>B Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de tarieventabel
                    voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel 1.</al><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit</vet></al><al>De omschrijving van het belastbaar feit valt in tweeën uiteen. Enerzijds betreft
                    het belastbaar feit het genot van verleende diensten, anderzijds betreft het
                    belastbaar feit het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van
                    een reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart.</al><al>Deze laatste omschrijving houdt verband met de wijziging van de Paspoortwet per
                    9 maart 2014 en daarvóór met HR 9 september 2011, nr. 10/04967 , LJN: BQ4105 en
                    de Wet van 13 oktober 2011, Stb. 440, die een zelfstandige grondslag biedt voor
                    de legesheffing nu het hierbij niet gaat om dienstverlening als bedoeld in
                    artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet.</al><al>De verordening kent zeer uiteenlopende diensten waarvoor leges worden geheven.
                    Daarom is naast de in artikel 2 opgenomen algemene omschrijving van het
                    belastbare feit voor iedere dienst afzonderlijk een verdere omschrijving van het
                    belastbare feit in de tarieventabel opgenomen. Dat is dan ook de reden dat in
                    artikel 2 wordt gesproken van ‘een en ander zoals genoemd in deze verordening en
                    de daarbij behorende tarieventabel’. Omdat artikel 217 van de Gemeentewet
                    bepaalt dat het voorwerp van de belasting en het tarief moeten zijn vermeld in
                    de belastingverordening, mag er geen twijfel over bestaan dat de tarieventabel
                    deel uitmaakt van de verordening. Vandaar dat de woorden ‘daarbij behorende’
                    zijn gebruikt. In de tarieventabel en in de bij de verordening en de
                    tarieventabel behorende bijlagen wordt dit eveneens uitdrukkelijk
                    aangegeven.</al><al>De omschrijving van het belastbare feit is van belang voor de vraag of de
                    materiële belastingschuld ontstaat en het tijdstip waarop die belastingschuld
                    ontstaat.</al><al><vet>Artikel 3 Belastingplicht</vet></al><al>De belastingverordening moet vermelden wie de belastingplichtige is (artikel 217
                    van de Gemeentewet). Vanwege het uiteenlopende karakter van de verschillende
                    diensten is gekozen voor een ruime omschrijving van de belastingplicht, om te
                    voorkomen dat in bepaalde situaties geen belastingplichtige aangewezen zou
                    kunnen worden.</al><al>Het gebruik van de woorden ‘dan wel’ is bedoeld om te voorkomen dat voor
                    dezelfde dienst van twee belastingplichtigen, te weten de aanvrager en degene te
                    wiens behoeve de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht, leges
                    worden geheven.</al><al>Vanuit de systematiek van de verordening ligt het voor de hand in eerste
                    instantie de aanvrager in de heffing te betrekken. Als het niet mogelijk is een
                    aanvrager als belastingplichtige aan te wijzen, bijvoorbeeld als de aanvrager
                    duidelijk niet de belanghebbende is, dan kan degene ten behoeve van wie de
                    dienst is verleend of de handelingen zijn verricht als belastingplichtige
                    aangemerkt worden. Dit laatste zal zich niet snel voordoen omdat, zoals al
                    eerder is geconstateerd, de aanvrager per definitie een belang heeft bij de
                    dienstverlening of de handelingen.</al><al>Bij het aanwijzen van de belastingplichtige kan zich geen keuzesituatie
                    voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels voor het aanwijzen
                    van een belastingplichtige niet nodig. </al><al><vet>Artikel 4 Vrijstellingen</vet></al><al> Onderdeel a </al><al>In onderdeel a hebben wij een (verplichte) vrijstelling opgenomen voor diensten
                    waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 (grondexploitatie) van de Wet
                    ruimtelijke ordening zijn of worden verhaald. Deze vrijstelling houdt verband
                    met de zogenaamde Grondexploitatiewet (Stb. 2007, 271) die op 1 juli 2008 in
                    werking is getreden en onderdeel uitmaakt van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening
                    (afdeling 6.4).</al><al> Onderdeel b </al><al>Onderdeel b heeft betrekking op het oprichten, het veranderen of veranderen van
                    de werking of het in werking hebben van een (milieu-)inrichting of mijnbouwwerk
                    (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Hiervoor kunnen geen leges worden geheven op grond van
                    artikel 2.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
                    dat luidt:</al><al>‘1. Voor zover aanvragen tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van
                    een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een
                    omgevingsvergunning betrekking hebben op een activiteit met betrekking tot een
                    inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, worden geen rechten
                    geheven.’</al><al>Dit is dus ook een wettelijke vrijstelling, die voor een goed begrip is
                    opgenomen in de legesverordening.</al><al> Onderdeel c </al><al>De vrijstelling onder c heeft betrekking op de zogenaamde ‘omgevingsvergunning
                    beperkte milieutoets’ (OBM). Dit is een toestemming van het bevoegd gezag die
                    bedrijven sinds 1 januari 2011 voor een aantal activiteiten uit het
                    Activiteitenbesluit (officiële naam: 'Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer') nodig hebben om met deze activiteiten op een specifieke locatie
                    te kunnen starten. De OBM is van toepassing op twee typen activiteiten:</al><al>1. activiteiten waarvoor een m.e.r- beoordeling verplicht is; en</al><al>2. activiteiten waarvoor het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te
                    beoordelen of de activiteit ingepast kan worden in de lokale situatie.</al><al>De OBM is gebaseerd op artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wabo in
                    samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht. De OBM bestaat uit
                    een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan
                    de OBM verbinden (artikel 5.13a Besluit omgevingsrecht).</al><al><vet>Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven</vet></al><al>Voor de maatstaven van heffing en tarieven wordt in dit artikel verwezen naar de
                    bij de verordening behorende tarieventabel die, zoals in de toelichting op
                    artikel 2 reeds is opgemerkt, deel uitmaakt van de verordening.</al><al><vet>Artikel 6 Wijze van heffing</vet></al><al>In de verordening is in beginsel gekozen voor de heffing op andere wijze, omdat
                    deze wijze van heffing wordt gekenmerkt door een grote mate van vormvrijheid,
                    wat goed aansluit bij het karakter van de heffing van leges.</al><al><vet>Artikel 10 Overdracht van bevoegdheden</vet></al><al>Bij wijzigingen in rijksregelgeving die gevolgen hebben voor de leges, kan de
                    besluitvormingsprocedure voor belastingverordeningen (van ambtelijke
                    voorbereiding tot en met raadsbesluit) belemmerend werken. Ook kan het gewenst
                    zijn een redactionele wijziging op korte termijn door te voeren. Om de gewenste
                    flexibiliteit en de te betrachten spoed te bereiken, kan de raad de bevoegdheid
                    tot vaststelling van de legesverordening aan het college overdragen (delegeren).
                    Artikel 156, eerste en tweede lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet maakt
                    dit mogelijk. Artikel 10 van de verordening voorziet in een beperkte overdracht
                    van die vaststellingsbevoegdheid aan het college. In verband met dit artikel is
                    artikel 156 van de Gemeentewet in de aanhef van de verordening genoemd. De
                    bevoegdheidsoverdracht is om twee redenen beperkt, namelijk:</al><al>• 1 De verordenende bevoegdheid van de raad is in dualistische verhoudingen
                    belangrijk om een evenwicht tussen de raad en het college te waarborgen
                    (Kamerstukken II 2000/01, 27751, nr. 3, pag. 27, Wet dualisering
                    gemeentebestuur).</al><al>• 2 De raad raakt bij overdracht van zijn bevoegdheid zelf die bevoegdheid
                    kwijt, tenzij hij het delegatiebesluit weer intrekt.</al><al></al><al>Op grond van artikel 10 is het college bevoegd tot wijziging van de
                    legesverordening:</al><al>• als sprake is van een zuiver redactionele wijziging (tekstuele wijzigingen die
                    geen materiële gevolgen hebben);</al><al>• bij wijziging in rijksregelgeving:</al><al>• waarvan de implementatieperiode na bekendmaking in het Staatsblad of de
                    Staatscourant korter is dan drie maanden; en</al><al>• die tariefbepalingen betreft waarbij een rijkskostendeel onderdeel uitmaakt
                    van het tarief, of waarvoor bij of krachtens een wet een (maximum)tarief is
                    gesteld;</al><al>• en bovendien de raad niet zelf al met deze wijzigingen rekening heeft
                    gehouden.</al><al>De implementatieperiode van drie maanden is de termijn die gemeenten doorgaans
                    nodig hebben om een belastingverordening te wijzigen (van ambtelijke
                    voorbereiding tot en met raadsbesluit). De implementatieperiode van drie maanden
                    is ook opgenomen in aanwijzing 174 van de Aanwijzingen voor de regelgeving en in
                    de zogenaamde Code Interbestuurlijke Verhoudingen (een afspraak tussen het
                    kabinet, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse
                    Gemeenten (VNG) over hoe overheden met elkaar willen samenwerken, januari 2005).
                    Voor wijzigingen in rijksregelgeving die meer dan drie maanden voor de
                    inwerkingtreding officieel worden bekendgemaakt, blijft de raad te allen tijde
                    bevoegd.</al><al><vet>Artikel 11 Nadere regels door het college van burgemeester en
                        wethouders</vet></al><al></al><al>Met betrekking tot de leges heeft het college van burgmeester en wethouders geen
                    nadere regels als bedoeld in dit artikel vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 12 Overgangsrecht</vet></al><al></al><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                    vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                    verordening te geven. Dit houdt in date verordening die wordt ingetrokken, van
                    toepassing blijft op belastbare feiten die zich vóór de datum van ingang van de
                    heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die belastbare feiten
                    blijft heffing dus mogelijk basis van oude verordening, ook al is die
                    verordening ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al></al><al>Het inwerkingtredingartikel in de gemeentelijke belastingverordening bestaat uit
                    twee onderdelen. Het eerste onderdeel regelt de inwerkintreding, het tweede
                    onderdeel bepaalt de datum van ingang van de heffing.</al><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al></al><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.</al><al><vet></vet></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>