<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR388618_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officielebekendmakingen.nl d.d. 29 december
                2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>Gelezen het voorstel van het college d.d. 24 september 2015, nr.
                        100/2015;</al><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de navolgende Verordening op de heffing en de invordering
                        van onroerende-zaakbelastingen 2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven (verder: gebruiker), aangemerkt als gebruik
                                    door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder:
                                    gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als
                                    zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde
                                waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet
                                van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                                heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                                toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en
                                20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van:</al></li><li nr="a."><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                                daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                                glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of
                                teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van op een op voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                                zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid die zich uitsluitend of nagenoeg
                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging </al><al> van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op
                                zichzelf als gebouwde </al><al> eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen - niet zijnde gebouwen - die zijn geplaatst ten gerieve
                                of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri's hekken en palen;</al></li><li nr="k."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="l."><al>buitensportcomplexen die worden beheerd of gebruikt door
                                sportverenigingen of andere sportinstellingen zonder
                                winstoogmerk;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen en de bijbehorende opstallen, waar in hoofdzaak
                                oorlogsslachtoffers uit de periode 1939-1945 begraven zijn.</al></li><li nr="2."><al>De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde
                                onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                                gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van onderdeel l. van het eerste lid wordt
                                verstaan onder buitensportcomplex: de in de buitenlucht gelegen
                                voorziening voor de daadwerkelijke sportuitoefening. Hieronder
                                vallen onder andere niet kleed- en kantineruimtes.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van onderdeel l. van het eerste lid wordt onder
                                sportvereniging of andere sportinstelling in ieder geval verstaan
                                die vereniging of sportinstelling die lid is van een landelijke
                                sportkoepel welke koepel is aangesloten bij NOC/NCF.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al></li><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2993%;</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al><al>1. voor onroerende zaken die
                                in hoofdzaak tot woning dienen 0,1448%; 2. voor onroerende zaken die
                                niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3783%</al></li><li nr="2."><al>Belastingaanslagen van minder dan € 10,= worden niet opgelegd. Voor
                                de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen of
                                andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de
                            eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                            aanslagbiljet is vermeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het
                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                            aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan €
                            50,= maar minder dan € 3.500,= en zolang de verschuldigde bedragen door
                            middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat
                            de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na
                            de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden overblijven,
                            met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie en ten
                            hoogste tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van
                            de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de
                        heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015, vastgesteld op 13
                                november 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                                van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2016’.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 26 november 2015.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>drs. A. Oudbier drs. J.C.G.M. Berends MPA </ondertekening><ondertekening>raadsgriffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>