<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR388405_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veenendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2016, 1e wijziging</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-10-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en de
                    invordering van onroerende zaakbelastingen 2016 (Verordening onroerende
                    zaakbelastingen 2016, 1e wijziging).</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Veenendaal;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 augustus 2016,
                        nummer 2016.00068-1;</al><al/><al/><al><vet>Overwegende dat</vet></al><al>in de Kadernota 2017 is besloten de tarieven aan te passen; </al><al/><al/><al><vet>Gelet op </vet></al><al>de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al/><al><vet>Besluit</vet></al><al>Vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening tot wijziging van de Verordening op de heffing en de invordering van 
                        onroerende zaakbelastingen 2016 (Verordening onroerende zaakbelastingen 2016, 1<sup>e</sup> wijziging).</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter
                                            zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken
                                            twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin
                                            van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in
                                            hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens
                                            eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht
                                            gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin
                                            van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot
                                            heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder
                                            te noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een
                                            onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als
                                            gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
                                            gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is
                                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                                            aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak
                                            voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door
                                            degene die deze onroerende zaak ter beschikking heeft
                                            gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                            verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is
                                            gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als
                                            genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                            aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar
                                            als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld,
                                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende
                                            zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering
                                            onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning
                                            indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de
                                            Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die
                                            onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan
                                            delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan
                                            wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV
                                            van de Wet waardering onroerende zaken voor de
                                            onroerende zaak vastgestelde waarde voor het
                                            kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen
                                            waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de
                                            Wet waardering onroerende zaken wordt de
                                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                                            overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
                                            krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de
                                            Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de
                                            bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking
                                            gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de
                                            bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                            geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de
                                            open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                            bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                            gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem
                                            te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor
                                            de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a. bedoelde
                                            grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                            openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                            bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard,
                                            één en ander met uitzondering van delen van zodanige
                                            onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een
                                            op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                                            landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
                                            onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met
                                            uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde
                                            eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan
                                            duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en
                                            plassen, die door rechtspersonen met volledige
                                            rechtsbevoegdheid, welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel
                                            stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                                            vervoer per rail, één en ander met inbegrip van
                                            kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die
                                            worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                            van de delen van zodanige werken die dienen als
                                            woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool-
                                            en ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                            instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                            rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                                            zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                            afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan
                                            die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf
                                            als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                            gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                            onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige
                                            gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn
                                            geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
                                            ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                                            gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's,
                                            hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de
                                            gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot
                                            heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met
                                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                            dienen als woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j
                                            van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de
                                            eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van
                                            die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit
                                            of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de
                                            bepaling van de heffingsmaatstaf voor de
                                            gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde
                                            van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak
                                            tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn
                                            aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage
                                            van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1766%;</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting: </al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,1082%;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,2211%.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag
                                            naar beneden afgerond op gehele euro's.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen
                                            invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige
                                            volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
                                            verenigde verschuldigde bedragen
                                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen
                                            aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de
                                            Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald
                                            in drie gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één
                                            maand na dagtekening van het aanslagbiljet, terwijl elke
                                            volgende één maand na het verstrijken van de daaraan
                                            voorafgaande termijn vervalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het
                                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde
                                            aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag
                                            bevat het bedrag daarvan meer is dan € 50,00, en zolang
                                            de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                            betalingsincasso van de betaalrekening van de
                                            belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de
                                            aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke
                                            termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag
                                            van de maand, volgende op die, welke in de dagtekening
                                            van het aanslagbiljet is vermeld, terwijl elke volgende
                                            termijn één maand na het verstrijken van de daaraan
                                            voorafgaande termijn vervalt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de
                                            in de voorgaande leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere
                                            regels geven met betrekking tot de heffing en de
                                            invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015’ van 6
                                            november 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in het
                                            derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met
                                            dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                            belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                            voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de
                                            tweede dag na die van de bekendmaking doch niet eerder
                                            dan 1 januari 2017.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 27 oktober 2016,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mevrouw drs. F.A. van Hooijdonk</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de heer mr. A.W. Kolff</ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>