<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR388273_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-124870.html">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening </vet><vet>Wmo</vet><vet>Gemeente
                        Oisterwijk</vet><vet> 2016</vet></al><al>De raad van de gemeente Oisterwijk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van 10 november 2015</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede en derde lid, 2.1.5,
                        eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van
                        de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; alsmede gelet op artikel 156
                        van de Gemeentewet;</al><al>gelet op de doelstellingen zoals verwoord in het Beleidskader sociaal
                        domein ‘Goed voor elkaar in Oisterwijk’;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij
                        dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie
                        en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp,
                        met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking
                        van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen
                        voorzien;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of
                        psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben
                        verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als
                        gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in
                        de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                        mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van
                        algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen
                        voorzien;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen
                        met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;</al><al>besluit vast te stellen de:</al><al>Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2016.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan,
                                        gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt
                                        daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben
                                        kunnen) beschikken;</al></li><li nr="b."><al>Beperking: aan de cliënt verbonden factoren die er toe
                                        leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot zelfredzaam
                                        zijn en te kunnen participeren;</al></li><li nr="c."><al>Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel
                                        2.1.4, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>Budgetplan: een door de cliënt opgesteld, en zonodig door
                                        het college goedgekeurd, plan in verband met de aanspraak op
                                        een persoonsgebonden budget. Daarin is opgenomen welke
                                        maatwerkvoorziening uit het persoonsgebonden budget wordt
                                        betaald, wat de kwaliteit daarvan is, en welke resultaten
                                        daarmee worden bereikt. Het plan kan worden aangevuld met
                                        door het college te stellen voorwaarden;</al></li><li nr="e."><al>Cliënt: belanghebbende ten behoeve van wie een voorziening
                                        is of wordt aangevraagd</al></li><li nr="f."><al>Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde
                                        opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de
                                        echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten
                                        die een leefeenheid vormen;</al></li><li nr="g."><al>Huisgenoot: de persoon die met de cliënt duurzaam
                                        gemeenschappelijke een woning bewoont, anders dan door een
                                        commerciële huurders- of kostgangersrelatie;</al></li><li nr="h."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor
                                        permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en
                                        verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in
                                        de basisadministratie personen ingeschreven staat of zal
                                        staan. Indien de cliënt met een briefadres in de
                                        basisadministratie personen ingeschreven staat, gaat het om
                                        het feitelijk woonadres;</al></li><li nr="i."><al>Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een
                                        ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de
                                        Regeling Subsidies AWBZ/Wlz dan wel een door het college
                                        goedgekeurde accommodatie van een aanbieder;</al></li><li nr="j."><al>Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of
                                        andere huisgenoten die duurzaam gemeenschappelijk een woning
                                        bewonen en gezamenlijk een huishouden voeren;</al></li><li nr="k."><al>Meerkosten: kosten, niet zijnde de kosten bedoeld in artikel
                                        2.1.7 van de wet, die uitgaan boven de kosten die voor de
                                        cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen;</al></li><li nr="l."><al>Melding: een verzoek om een onderzoek naar de behoefte aan
                                        maatschappelijke ondersteuning door of namens de cliënt als
                                        bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet;</al></li><li nr="m."><al>Persoonlijk plan: een door de cliënt opgesteld plan dat
                                        aangeeft op basis van artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen
                                        a tot en met e van de wet, welke maatschappelijke
                                        ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;</al></li><li nr="n."><al>Plan van Aanpak: de schriftelijke weergave van de uitkomsten
                                        van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 achtste lid
                                        van de wet. Daarin kunnen (niet limitatief) benoemd worden:
                                        de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak
                                        met de cliënt zijn gemaakt, zijn persoonlijk plan, alsmede
                                        de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;</al></li><li nr="o."><al>Specialisten: een groep van personen met specialistische
                                        inhoudelijke kennis over beperkingen van cliënten die
                                        geraadpleegd kunnen worden in verband met het onderzoeken
                                        van een melding;</al></li><li nr="p."><al>Spoedeisend: een onvoorziene situatie die geen uitstel
                                        verdraagt;</al></li><li nr="q."><al>Vervoersvoorziening: een maatwerkvoorziening, al dan niet
                                        gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving
                                        kan verplaatsen;</al></li><li nr="r."><al>Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling
                                        waarop de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn
                                        behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="s."><al>Gesprek: een gesprek naar aanleiding van een melding waarin
                                        de onderwerpen van het onderzoek als bedoeld in artikel
                                        2.3.2 vierde lid van de wet aan bod komen;</al></li><li nr="t."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="u."><al>Woning: een woonruimte bestemd en geschikt voor permanente
                                        bewoning en waarbij naast een eigen toegang ook geen
                                        wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en
                                        kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden
                                        gedeeld. Hieronder begrepen woningen waarvoor een
                                        persoonlijke gedoogverklaring is afgegeven, een woonschip en
                                        een woonwagen mits bestemd en geschikt zijn voor permanente
                                        bewoning;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het
                                Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>PROCEDUREREGELS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>De melding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De melding kan door of namens een cliënt schriftelijk, digitaal,
                                telefonisch of persoonlijk bij het college worden gedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of
                                digitaal.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid van het indienen van
                                een persoonlijk plan en stelt hem in de gelegenheid gedurende zeven
                                dagen na de melding het plan te overhandigen. Het plan wordt
                                betrokken bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college na de melding als bedoeld
                                in het eerste lid onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in
                                afwachting van de uitkomsten van het gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze
                                cliëntondersteuning. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand aan het
                                onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                                cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt zo
                                spoedig mogelijk na de melding gevoerd met de cliënt, dan wel zijn
                                vertegenwoordiger, voor zover nodig en mogelijk zijn mantelzorger en
                                voor zover nodig en mogelijk zijn familie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken
                                in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het
                                gesprek als bedoeld in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs kan beschikken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, die zich heeft
                                gemeld, voldoende bekend is bij het college, kan het in
                                overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Afhankelijk van de aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte bij
                                de melding kan het college specialisten raadplegen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college stelt na het gesprek een verslag op en verstrekt dat aan
                                de cliënt. In plaats van een verslag kan het college een plan van
                                aanpak opstellen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college betrekt bij het verslag ook de behoefte aan maatregelen
                                ter ondersteuning van de mantelzorger.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan om deskundigenadvies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het onduidelijk is of en zo ja, welke beperkingen de cliënt
                                        ondervindt en wat de prognose daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>het college voornemens is de aanvraag om medische redenen af
                                        te wijzen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang is voor de
                                beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, de cliënt
                                of in geval van gebruikelijke hulp zijn huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Vaststellen identiteit</titel></kop><al>Het college is bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of
                            mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document
                            als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG EN BESCHIKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag wordt schriftelijk ingediend door middel van een door
                                het college vastgesteld aanvraagformulier. Een door de cliënt
                                ondertekend verslag van het gesprek of een ondertekend plan van
                                aanpak kan worden aangemerkt als aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel
                                2.3.5, tweede lid, van de wet op te schorten indien een
                                deskundigenadvies nodig is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college merkt een aanvraag en een daarbij behorend verslag of
                                plan van aanpak, dat naar het oordeel van het college verouderde
                                informatie bevat, aan als een melding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                persoonsgebonden budget wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verlenen van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking tevens vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verlenen voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verleend, en indien van
                                        toepassing;</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verlenen van een voorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget wordt in de beschikking tevens in ieder
                                geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het persoonsgebonden budget moet worden
                                        aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is en hoe
                                        hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking
                                        is;</al></li><li nr="e."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn;</al></li><li nr="f."><al>welke verplichtingen zijn verbonden aan het persoonsgebonden
                                        budget.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt een bijdrage in de kosten is verschuldigd, wordt dat
                                in de beschikking opgenomen. Daarbij wordt tevens vermeld wat de
                                kostprijs is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BEOORDELING AANSPRAAK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Wettelijke criteria maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of daadwerkelijk zal hebben
                                in de gemeente Oisterwijk komt in aanmerking voor een
                                maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden
                                beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de
                                cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan
                                verminderen of wegnemen:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="b."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="c."><al>met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                                        sociale netwerk; of</al></li><li nr="d."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert,
                                rekening houdend met het verslag of het plan van aanpak en indien
                                aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het
                                realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                                leefomgeving kan blijven wonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor
                                zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot
                                        zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo
                                        lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven
                                        wonen;</al></li><li nr="b."><al>deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op de cliënt gericht is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de beperkingen van de cliënt met een voor hem als
                                        algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen
                                        worden opgelost dan wel kunnen worden verminderd;</al></li><li nr="b."><al>voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende
                                        voorziening;</al></li><li nr="c."><al>voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van
                                        aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan de melding;</al></li><li nr="d."><al>indien er sprake is van een verzoek tot vervanging van een
                                        eerder door het college toegekende voorziening terwijl deze
                                        nog in voldoende mate ondersteuning biedt, en de eerder
                                        toegekende voorziening nog niet technisch is afgeschreven
                                        dan wel verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die
                                        aan de cliënt zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="e."><al>indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg
                                        van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt
                                        liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                                budget wordt in ieder geval geweigerd indien de maatwerkvoorziening
                                is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag, tenzij de
                                noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                                budget kan worden geweigerd indien de maatwerkvoorziening nog niet
                                is gerealiseerd vóór de melding dan wel de aanvraag, tenzij de
                                noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Criteria persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt heeft onverminderd artikel 2.3.6 vijfde lid van de wet
                                recht op een persoonsgebonden budget indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt naar oordeel van het college voldoende in staat is
                                        de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken op een
                                        verantwoorde manier uit te voeren. Dat kan bijvoorbeeld op
                                        eigen kracht maar ook met hulp uit zijn sociale netwerk of
                                        zijn vertegenwoordiger;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt weet te motiveren waarom hij de
                                        maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden
                                        budget wenst, middels bijvoorbeeld het overleggen van een
                                        budgetplan;</al></li><li nr="c."><al>naar oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten,
                                        hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                                        voldoen aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid
                                        geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden
                                        budget wordt toegekend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het recht op een persoonsgebonden budget zijn de volgende
                                verplichtingen verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt stelt een budgetplan op in geval met het
                                        persoonsgebonden budget diensten worden ingekocht;</al></li><li nr="b."><al>het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een
                                        voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt
                                        geacht;</al></li><li nr="c."><al>uit het persoonsgebonden budget mogen in ieder geval geen
                                        administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen
                                        of belangbehartigers worden betaald;</al></li><li nr="d."><al>het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na
                                        toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het
                                        resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Voor
                                        woningaanpassingen kan het college een termijn van 15
                                        maanden hanteren;</al></li><li nr="e."><al>de cliënt die is aangewezen op maatschappelijke
                                        ondersteuning besteedt het persoonsgebonden budget niet aan
                                        een persoon welke tot zijn leefeenheid behoort die feitelijk
                                        gebruikelijke hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in
                                        staat is wegens overbelasting of dreigende
                                        overbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend voor de
                                inkoop van diensten komt met de aanbieder een schriftelijke
                                overeenkomst overeen, waarin ten minste afspraken zijn opgenomen
                                over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke
                                ondersteuning en de wijze van declareren. De cliënt maakt daarbij in
                                principe gebruik van de overeenkomsten die de Sociale
                                verzekeringsbank ter beschikking stelt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan andere eisen stellen aan de in het vorige lid
                                bedoelde overeenkomst indien het persoonsgebonden budget wordt
                                besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of aan
                                een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de voorwaarden ingeval het
                                persoonsgebonden budget aan een hulpmiddel, vervoersvoorziening of
                                woningaanpassing wordt besteed. Deze voorwaarden kunnen van
                                toepassing zijn indien een maatwerkvoorziening in natura wordt
                                toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor
                                vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt
                                in ieder geval niet meer dan de aanschafprijs of bekostiging van de
                                goedkoopst passende bijdrage, waaronder gerekend onderhoud,
                                reparatie en verzekering zoals het college aan de aanbieder
                                verschuldigd is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget als
                                bedoeld in het vorige lid vaststellen op basis van een offerte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid
                                van het tarief van de vergelijkbare door de gemeente gecontracteerde
                                maatwerkvoorziening in natura. Het college kan nadere regels stellen
                                over de hoogte van het tarief.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget moet in ieder geval toereikend zijn om
                                maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan
                                de kwaliteitseisen als bedoeld in de wet en in redelijkheid geschikt
                                is voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt
                                toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Controle</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de
                                verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed aan het doel
                                waarvoor ze verstrekt zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de controle op de
                                besteding.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BIJDRAGE IN DE KOSTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik
                                van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, zolang
                                hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt dan wel gedurende de
                                periode waarvoor het persoonsgebonden wordt toegekend. De bijdrage
                                in kosten is afhankelijk van het bijdrageplichtig inkomen van de
                                cliënt en zijn echtgenoot overeenkomstig het bepaalde in het
                                Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget wordt
                                toegekend ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige
                                cliënt is de bijdrage verschuldigd door:</al><lijst><li nr="a."><al>de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                        tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                        Wetboek gegrond verzoek is afgewezen; en</al></li><li nr="b."><al>degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag
                                        uitoefent over een cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de omvang van
                                verschuldigde bijdrage in de kosten en in welke gevallen geen
                                bijdrage in de kosten is verschuldigd voor de maatwerkvoorziening
                                dan wel persoonsgebonden budget met inachtneming van het bepaalde in
                                het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Algemene voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor het gebruik
                                van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de aanbieder.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over:</al><lijst><li nr="a."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van de bijdrage
                                        is;</al></li><li nr="b."><al>of voor cliënten uit omschreven groepen een bepaalde korting
                                        van toepassing is op de bijdrage.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Kostprijs berekening bijdrage in de kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kostprijs van een maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs
                                waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt of aanschaft van
                                een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan de hoogte
                                van het toegekende persoonsgebonden budget. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De kostprijs van een algemene voorziening is nooit meer dan een
                                kostendekkende bijdrage. Voor cliëntondersteuning is geen bijdrage
                                verschuldigd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt op aanvraag aan personen met een beperking of
                                chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband
                                houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming ter
                                ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag als bedoeld in het eerste lid moet worden ingediend
                                voordat de kosten zijn gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van de
                                tegemoetkoming voor meerkosten en in welke gevallen en onder welke
                                voorwaarden deze tegemoetkoming kan worden verstrekt als alternatief
                                voor een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aanspraak op een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid kan
                                alleen als er geen aanspraak bestaat op een vergoeding van de
                                (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>TOEZICHT, HANDHAVING EN TERUGBETALING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet of tegemoetkoming als bedoeld in
                            hoofdstuk 7 van de verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende
                            aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget of
                            tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening geheel of
                            gedeeltelijk te beëindigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                                    krachtens de wet of de verordening;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt langer dan 6 maanden wordt opgenomen in een
                                    instelling;</al></li><li nr="c."><al>de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan
                                    het gebruik van de maatwerkvoorziening die in bruikleen is
                                    toegekend;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt is overleden, waarbij het persoonsgebonden budget
                                    eindigt op de dag gelegen na de dag van overlijden;</al></li><li nr="e."><al>de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in
                                    de gemeente Oisterwijk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Herziening of intrekking</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit tot
                            toekenning van een maatwerkvoorziening (in natura), een persoonsgebonden
                            budget of een tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 7 herzien of
                            intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>achteraf blijkt dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                    tot een andere beslissing zouden hebben geleid;</al></li><li nr="c."><al>blijkt dat de cliënt aan wie een persoonsgebonden budget is
                                    toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld
                                    in artikel 5.1 van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit
                            tot toekenning van een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                            budget of tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening
                            is herzien of ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al>het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen
                                    persoonsgebonden budget terugvorderen;</al></li><li nr="b."><al>de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terugvorderen;</al></li><li nr="c."><al>de geldswaarde van een maatwerkvoorziening terugvorderen of de
                                    maatwerkvoorziening terugvorderen dan wel terughalen;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening
                                    zijn. De hoogte van het (periodieke) bedrag van verrekening met
                                    een persoonsgebonden budget of tegemoetkoming als bedoeld in
                                    hoofdstuk 7 van de verordening moet in redelijke verhouding
                                    staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en
                                    participatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Terugbetaling</titel></kop><al>Indien de maatwerkvoorziening die met het persoonsgebonden budget is
                            aangeschaft door de cliënt niet meer wordt gebruikt door bijvoorbeeld
                            verhuizing buiten de gemeente of overlijden, dient de cliënt of de
                            nabestaande(n) binnen een termijn van acht weken de restwaarde van de
                            maatwerkvoorziening aan de gemeente terug te betalen. De restwaarde
                            wordt berekend volgens het afschrijvingsprincipe dat in nadere regels is
                            vastgelegd. Het college houdt daarbij rekening met de
                            afschrijvingstermijnen die gelden voor maatwerkvoorzieningen die in
                            natura worden toegekend.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>KWALITEIT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen
                                met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder
                                begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van
                                        maatwerkvoorzieningen handelen in overeenstemming met de
                                        professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de
                                kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                                deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                maatwerkvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Verhouding prijs-kwaliteit van voorziening geleverd door
                                derden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van
                                            het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                            werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren overige
                                    voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening; en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de
                                            voorziening van de leverancier worden gevraagd,
                                            zoals:</al></li></lijst></li></lijst><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
                            2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de voorziening;
                            3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor
                                mantelzorgers indien mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die
                                zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Oisterwijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wijze van waardering als bedoeld in het eerste lid kan tot stand
                                komen in samenspraak met belangenorganisaties.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de waardering als bedoeld in het eerste lid heeft het college
                                oog voor mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik
                                maken van algemene voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>Inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>11</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken
                            van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bedragen in de krachtens deze
                            verordening vastgestelde nadere regels indexeren. In de nadere regels is
                            opgenomen voor welke bedragen dit kan gelden en welk prijsindexcijfer
                            gehanteerd wordt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Intrekking huidige verordening</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening Wmo
                            gemeente Oisterwijk 2015 ingetrokken met dien verstande dat besluiten
                            die zijn genomen op grond van die verordening met de daarbij behorende
                            rechten en plichten in stand blijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college rapporteert ten behoeve van de
                            evaluatie over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de
                            verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.5</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2016 en
                            waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze
                            verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening Wmo gemeente
                            Oisterwijk 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.6</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2016 en
                            wordt aangehaald als: Verordening Wmo gemeente Oisterwijk 2016.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Wmo Gemeente Oisterwijk 2016 </titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) schrijft voor dat het
                    college moet zorgdragen voor maatschappelijke ondersteuning. Onder
                    maatschappelijke ondersteuning wordt volgens de wet verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk,
                            de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen
                            met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede
                            voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,</al></li><li nr="2."><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met
                            een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen
                            zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,</al></li><li nr="3."><al>bieden van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst><al>In het beleidsplan ‘Goed voor elkaar in 2016’ is vastgelegd hoe de gemeente
                    invulling aan deze opdracht geeft. </al><al>Naast dit verplichte beleidsplan, moet de gemeenteraad bij verordening een
                    aantal zaken regelen die noodzakelijk zijn om de wet en het beleidsplan uit te
                    kunnen voeren. </al><al>In de Verordening Wmo Gemeente Oisterwijk 2016 worden deze zaken geregeld.</al><tussenkop>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk zijn begripsbepalingen opgenomen die het college nodig heeft of
                    kan hebben bij het uitvoeren van de wet en het toepassen van deze verordening.
                    Hieronder wordt alleen nader ingegaan op de begripsomschrijvingen die extra
                    toelichting behoeven.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>a.<cursief>Algemeen gebruikelijke voorziening</cursief></al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat
                    deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                    beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr.
                    06-4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr.
                    AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of
                    sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het
                    beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen)
                    beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling
                    kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol
                    spelen:</al><lijst><li nr="-"><al>Is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="-"><al>Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="-"><al>Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><tussenkop>n Melding</tussenkop><al>Onder een melding wordt een verzoek om maatschappelijke ondersteuning verstaan
                    waarbij het college een onderzoek (laat) doen. Dit verzoek kan door of namens de
                    cliënt worden gedaan. Een verzoek om informatie en/of advies wordt niet als
                    melding aangemerkt. Zo kan het college iemand verwijzen naar algemene
                    voorzieningen of op een andere manier informatie verstrekken.</al><al>l.<cursief>Persoonlijk plan</cursief></al><al>In een persoonlijk plan beschrijft de cliënt welke maatschappelijke
                    ondersteuning volgens hem het meest is aangewezen als passende bijdrage,
                    eventueel in aanvulling op eigen oplossingen, die nodig is om zelfredzaam te
                    zijn en te kunnen participeren.</al><al>m.<cursief>Plan van aanpak</cursief></al><al>Nadat het gesprek heeft plaatsgevonden stelt het college een plan van aanpak op
                    (ondersteuningsplan). Daarin wordt ingegaan op de wettelijk voorgeschreven
                    onderwerpen van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet. Dat wat in samenspraak
                    met de cliënt is besproken wordt opgenomen in het plan. Indien aanwezig betrekt
                    het college het persoonlijk plan van de cliënt. </al><al>p.<cursief>Spoedeisend</cursief></al><al>Het is ter beoordeling van het college of, in afwachting van de resultaten van
                    het gesprek, per omgaande een maatwerkvoorziening in natura moet worden ingezet.
                    Gelet op het spoedeisende karakter is (nog) geen sprake van het toekennen van
                    een persoonsgebonden budget.</al><al>u.<cursief>Woning</cursief></al><al>Onder een woning wordt een zelfstandige woonruimte, bestemd en geschikt voor
                    permanente bewoning, verstaan. Dat blijkt in ieder geval uit het hebben van een
                    eigen toegang en dat geen wezenlijke woonfuncties met andere woningen worden
                    gedeeld. Een woonschip en een woonwagen kunnen ook als woning worden aangemerkt.
                    Verder geldt voor een woning wat daar naar algemeen maatschappelijk aanvaarde
                    maatstaven onder wordt verstaan. Een woning voldoet (minimaal) aan het niveau
                    van sociale woningbouw, hetgeen betekent dat de woning moet zijn voorzien van
                    een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en
                    voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. </al><al>Een woning waarin een cliënt woonachtig is en waarvoor hij beschikt over een
                    persoonlijke gedoogverklaring wordt gelijkgesteld met een woning die bestemd en
                    geschikt is voor permanente bewoning. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Procedureregels</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening worden de procedureregels beschreven. Het
                    gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van cliënten en hoe
                    het onderzoek wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen de
                    procedure moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure. Wel is het college
                    overeenkomstig artikel 3:2 Awb gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat
                    volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende rechtsbescherming
                    te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken
                    altijd een aanvraag indienen.</al><tussenkop>Artikel 2.1 De melding</tussenkop><al>Met een melding genoemd in dit artikel bedoelen we een melding die wordt gedaan
                    op basis van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Hiervan moet
                    worden onderscheiden een vraag om informatie en advies. Dit is geen melding in
                    het kader van de wet en dus ook niet in het kader van deze verordening.</al><al>Een melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook
                    iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.</al><al>Een melding is feitelijk vormvrij en kan op verschillende manieren worden gedaan
                    (schriftelijk, digitaal, telefonisch of persoonlijk). </al><al>Zoals bij wet is voorgeschreven bevestigt het college de ontvangst van de
                    melding aan de cliënt. Dit doet het college schriftelijk of digitaal. Na de
                    melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet
                    (zie verder artikel 2.3 van de verordening). </al><al>Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een
                    persoonlijk plan in te dienen en stelt de cliënt in de gelegenheid gedurende
                    zeven dagen na de melding het plan te overhandigen. Doordat de cliënt
                    voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan
                    overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm
                    wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen
                    zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen.</al><al>Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het
                    college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te
                    komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven.</al><al>De hoofdregel is dat het college na de melding eerst een gesprek voert met de
                    cliënt. Een uitzondering geldt voor spoedeisende situaties. Het college zet in
                    voorkomende gevallen, in afwachting van de uitkomsten van het gesprek, direct
                    een maatwerkvoorziening in. </al><tussenkop>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het verstrekken van informatie over cliëntondersteuning vindt plaats na melding
                    dan wel tijdens het eerste gesprek dat met de cliënt en/of diens
                    vertegenwoordiger in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. </al><al>Clientondersteuning is domeinoverstijgend en heeft dus niet alleen betrekking op
                    de Wmo. Dit maakt integrale dienstverlening nog beter mogelijk. Het gaat in alle
                    gevallen om onafhankelijke ondersteuning ten behoeve de cliënt waarbij zijn
                    belang het uitgangspunt moet zijn. Van belang is dat cliëntondersteuning en het
                    beslissen op een aanvraag niet in één hand liggen. De cliëntondersteuner moet
                    immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen.</al><tussenkop>Artikel 2.3 Het onderzoek</tussenkop><al>Na bevestiging van de melding wordt een afspraak gemaakt voor een gesprek. Op
                    voorhand bepaalt de verordening niet precies wanneer deze afspraak wordt
                    gemaakt. Afhankelijk van de aard van de melding kan het namelijk zijn dat het
                    college eerst gegevens wil verzamelen voor een goede voorbereiding op het
                    gesprek. Daarvoor kan ook medewerking van de cliënt nodig zijn. Bij het gesprek
                    kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de
                    mantelzorger of personen uit diens sociale netwerk. In het gesprek wordt in
                    samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken ten aanzien
                    van zijn zelfredzaamheid en participatie en welke oplossingen daarvoor mogelijk
                    zouden kunnen zijn. Daarbij staat het belang van de cliënt voorop. Het spreekt
                    voor zich dat aanwezigheid van een persoon of personen uit het sociale netwerk
                    van een cliënt een meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel
                    of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de zelfredzaamheid van de cliënt
                    wordt versterkt of zal verbeteren. Ook kan het college in samenspraak met de
                    betrokkenen het probleemoplossend vermogen van de cliënt en/of de personen uit
                    diens sociale omgeving bespreken. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger
                    altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de
                    mantelzorger ondersteuning behoeft in verband met het verlenen van
                    mantelzorg.</al><al>Het kan voorkomen dat de situatie van cliënt ten aanzien van zijn
                    ondersteuningsbehoefte voldoende bekend is bij het college. Het uitvoeren van
                    een gesprek kan in die gevallen mogelijk niets toevoegen. In overeenstemming met
                    de cliënt kan dan worden afzien van een gesprek. Denk bijvoorbeeld aan de
                    melding van een reparatie aan een rolstoel. Er kan een kort verslag worden
                    opgesteld dat het college als aanvraag kan aanmerken. </al><al>Uitgangspunt is dat het college zorg draagt voor voldoende professionaliteit bij
                    degene die het gesprek uitvoert en ter afronding daarvan een verslag of een plan
                    van aanpak opstelt. Het behoeft verder geen toelichting dat de mate van
                    beperkingen van cliënten die een melding doen bij het college niet op voorhand
                    vaststaat. Het college heeft dan ook de bevoegdheid om specialisten te
                    raadplegen. Dit draagt bij aan de kwaliteit van het onderzoek en de acceptatie
                    van het verslag of plan van aanpak door de cliënt.</al><al>Van het gesprek wordt een verslag opgesteld. Daarin staan het in samenspraak met
                    de cliënt, en indien aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale
                    netwerk, tot stand gekomen oplossingen. Het college kan in plaats van een
                    verslag een plan van aanpak opstellen. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk
                    plan en de ondersteuningsbehoefte van de mantelzorger onderdeel uit maken van
                    het verslag of het plan van aanpak. Daarbij wordt gekeken naar de behoeften,
                    mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger en het sociale netwerk. Het
                    verslag of het plan van aanpak vormt de belangrijkste basis voor de beslissing
                    op de aanvraag. Nadat de cliënt beschikt over het verslag of plan van aanpak is
                    het zijn verantwoordelijkheid, al dan niet van diens mantelzorger, om zelf te
                    beslissen of een aanvraag wordt ingediend. De cliëntondersteuner kan hierbij een
                    rol spelen.</al><tussenkop>Artikel 2.4 Advisering</tussenkop><al>Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen
                    omdat het zelf niet ter zake deskundig is. Vereist is dat de beperkingen van de
                    cliënt objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere
                    onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). In het
                    eerste lid zijn voorbeelden genoemd wanneer het college daartoe kan
                    overgaan.</al><al>Uit de artikel 2.3.8 derde lid van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking
                    verleent aan het onderzoek door gehoor geven aan een oproep van de medisch
                    adviseur of het - via een machtiging - toestemming verlenen om medische
                    informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde
                    medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het
                    recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het
                    college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het
                    verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen
                    (CRVB:2012:BY0448 en vergelijk CRVB:2014:2287). De hier bedoelde plicht voor de
                    huisgenoten geldt als voor het college aannemelijk is dat door hen geen of
                    slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend.</al><al>Naast het oproepen van de cliënt of zijn huisgenoot kan het college ook
                    deskundigen raadplegen op het gebied van bijvoorbeeld een woningaanpassing.</al><tussenkop>Artikel 2.5 Vaststellen identiteit</tussenkop><al>Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren.
                    Voor de mantelzorger en de vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet het
                    geval. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid is de bevoegdheid daartoe bij
                    verordening bepaald.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Aanvraag en beschikking</tussenkop><al>Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm
                    van juridisering. Dit heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de
                    cliënt te waarborgen. </al><tussenkop>Artikel 3.1 De aanvraag</tussenkop><al>Pas na verstrekking van een verslag of een plan van aanpak kan een aanvraag voor
                    een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek (het gesprek) niet
                    binnen zes weken is uitgevoerd. Om onnodige administratieve lasten voor zowel de
                    burger als het college te voorkomen kan een verslag of plan van aanpak voorzien
                    van een daarvoor bestemd formulier als aanvraag worden aangemerkt. Het formulier
                    is in ieder geval voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de
                    cliënt.</al><al>Het college moet binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag beslissen. Het
                    kan echter voorkomen dat het college in verband met de zorgvuldige voorbereiding
                    van dat besluit bijvoorbeeld een deskundigenadvies nodig heeft zoals bedoeld in
                    artikel 2.4 van de verordening. Doorgaans zal het college niet binnen een
                    termijn van twee weken over een dergelijk advies kunnen beschikken. In dat geval
                    is het college bevoegd de beslistermijn op te schorten (artikel 4:14 Awb). Uit
                    de wet vloeit overigens voort de beslistermijn ook op te schorten als de cliënt
                    niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het
                    gesprek (als bedoeld in hoofdstuk 2 van de verordening), voor zover dat van
                    belang is voor het beoordelen van de aanspraak. Opschorting van de beslistermijn
                    gebeurt in die gevallen onder toepassing van artikel 4:15 Awb.</al><al>Het kan voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het verstrekken van een
                    verslag of plan van aanpak aan de cliënt en het feitelijk indienen van een
                    aanvraag. Het bedoelde verslag of plan kan dan ook verouderde informatie
                    bevatten waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders zoals
                    genoemd in hoofdstuk 4 van de verordening kan beslissen op de aanvraag. In
                    voorkomende gevallen zal het college de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een
                    gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2
                    negende lid van de wet. Het gesprek wordt afgesloten met een nieuw of aangepast
                    verslag of plan van aanpak.</al><al>De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie
                    krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor
                    is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit
                    artikel zijn de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking
                    moeten worden opgenomen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Beoordeling aanspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Wettelijke criteria maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in de Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De
                    maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>In de memorie van toelichting (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) behorende
                    bij artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel a, van de wet (waarin is bepaald dat de
                    raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt) wordt
                    aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk
                    aankomt. De behoefte van cliënten kan verschillen. Daarom is het niet wenselijk
                    dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen
                    zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van toepasbare
                    criteria nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan
                    krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.</al><al>De cliënt die geen woonplaats heeft in de gemeente, heeft geen aanspraak op een
                    maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘daadwerkelijk zal hebben’ is opgenomen om
                    cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente te verhuizen. Wel zal
                    de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met
                    diens beperkingen</al><al>In het eerste lid zijn de algemene criteria van artikel 2.3.5, derde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Eerst wordt gekeken naar de eigen kracht (dat wat binnen het vermogen van de
                    cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te
                    komen) en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn beperkingen met
                    betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren.
                    De cliënt zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen
                    zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van
                    maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Daarnaast wordt gekeken of de cliënt
                    gebruik kan maken van algemene voorzieningen of van voorzieningen waarvan het,
                    gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij
                    geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.</al><al>De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk als voorliggende opties
                    niet voldoende zijn en moet een passende bijdrage leveren aan het in staat
                    stellen van de cliënt tot zelfredzaam te zijn, te participeren en zo lang
                    mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven wonen. Daarbij wordt gewezen op
                    artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet waarmee het college bevoegd is de
                    maatwerkvoorziening te weigeren, indien de cliënt aanspraak heeft of kan hebben
                    op een indicatie tot de Wet langdurige zorg. Feitelijk stelt het college dan
                    vast of het nog verantwoord is voor de cliënt om in zijn eigen leefomgeving te
                    blijven wonen.</al><al>Bij de beoordeling door het college of de cliënt is aangewezen op een
                    maatwerkvoorziening, wordt een eventueel door de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrokken. </al><tussenkop>Artikel 4.2 Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>De maatwerkvoorziening moet de cliënt in staat stellen tot zelfredzaamheid en
                    participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: het uitvoeren
                    van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van
                    een gestructureerd huishouden. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in
                    hoeverre iemand zelfredzaam is. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan
                    het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn
                    lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in
                    redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan
                    doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een
                    vereiste dat hij zich kan verplaatsen. De verplichting van het college om een
                    maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact
                    dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij
                    verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet
                    in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij
                    ondersteuning nodig had.</al><al>Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst
                    passende bijdrage te bieden. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken
                    zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet
                    voor toekenning in aanmerking.</al><al>Omdat een maatwerkvoorziening een individuele voorziening is, spreekt het voor
                    zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. </al><al>In dit artikel zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een
                    maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen
                    (criteria) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt
                    besloten.</al><al>Het college is niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als
                    algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:BK5657 en
                    RBSGR:2011:BQ5651). Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een
                    voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt
                    met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken
                    als hij geen beperkingen zou hebben gehad.</al><al>Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:</al><lijst><li nr="1."><al>normaal in de handel verkrijgbaar is; en</al></li><li nr="2."><al>niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en</al></li><li nr="3."><al>niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li></lijst><al>Het is ter beoordeling aan het college of er sprake is van een voorziening die
                    naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                    bestedingspatroon van een persoon als de cliënt behoort. Hierbij is het inkomen
                    van belanghebbende niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032). Uitzonderingen
                    zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet
                    algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling
                    optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan
                    normaal moeten worden vervangen. Daaronder zou ook het tegelijkertijd moeten
                    vervangen van verschillende algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen
                    vallen.</al><al>Voorzieningen die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als
                    renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers, sanitair, keuken, kranen,
                    e.d.. In het kader van de beoordeling of een (aangevraagde) voorziening algemeen
                    gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat
                    op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit
                    overeenkomst) aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt (vergelijk
                    CRVB:2011:BQ4115). Dat betekent concreet dat het college van de cliënt kan en
                    mag verlangen dat hij zich in hoge mate inspant door bijvoorbeeld de
                    woningeigenaar aan te schrijven of een kort geding aanspant (zoals in de
                    genoemde uitspraak aan de orde was) om zo te bewerkstelligen dat de woning wordt
                    aangepast aan de eisen die daar aan mogen worden gesteld. Het is algemeen
                    gebruikelijk dat te doen.</al><al>Het college is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen indien er met
                    betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de
                    noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, een voorziening op grond van een
                    andere wettelijke bepaling bestaat. Denk bijvoorbeeld aan een
                    leefvervoersvoorziening op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                    (vergelijk CRVB:2012:BV9433). De cliënt moet aanspraak hebben op de voorziening
                    om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr.
                    11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat de
                    cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak
                    heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening
                    op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr.
                    11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt
                    (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO). Indien de voorziening op grond van een
                    andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in
                    aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013,
                    nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten
                    een beroep doen op de Wmo. </al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren door hen zelf bekostigde
                    voorzieningen en melden zich voor een aanspraak op een maatwerkvoorziening na
                    het optreden van een beperking. In voorkomende gevallen kan dat leiden tot de
                    conclusie dat het optreden van die beperking geen meerkosten met zich meebrengt.
                    Het begrip meerkosten hangt dan ook nauw samen met het begrip algemeen
                    gebruikelijk. Denk bijvoorbeeld aan iemand die al jaren een eigen auto tot zijn
                    beschikking heeft waarmee nog steeds wordt voorzien in de
                    verplaatsingsbehoefte.</al><al>Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader
                    van deze of hieraan voorafgaande verordeningen toegekende voorzieningen en de
                    normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de
                    aanvraag afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder
                    vergoede of toegekende voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                    omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij
                    belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.
                    Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met
                    bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder geldt dat als de cliënt een
                    voorziening (al dan niet met toestemming) meeneemt op vakantie naar het
                    buitenland, verwacht mag worden dat daarvoor een adequate verzekering wordt
                    afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk
                    kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten
                    stellen.</al><al>Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden
                    die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven
                    van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om
                    een maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Het gaat in ieder geval over
                    (onomkeerbare) keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt en waarvan de
                    gevolgen op het college worden afgewenteld door zich te melden met het oog op
                    het indienen van een aanvraag. Deze keuzes kunnen de cliënt - afhankelijk van
                    het individuele geval - door het college worden tegengeworpen (vergelijk
                    CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). </al><al>Het college is niet gehouden om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                    budget te verlenen als de (gevraagde) maatwerkvoorziening al vóór de melding of
                    de aanvraag gerealiseerd is. Denk aan het realiseren van aanpassingen in de
                    badkamer of het bestellen van een traplift die óók al geplaatst is door de
                    aanbieder. Met het zelf (laten) realiseren van (maatwerk)voorzieningen is geen
                    sprake meer van het ondervinden van beperkingen in de zelfredzaamheid of
                    participatie (vergelijk RBOBR:2014:3092). Onbekendheid van een cliënt met de
                    terzake geldende regelingen komen voor diens eigen rekening en risico (vergelijk
                    CRVB:1993:ZB2748).</al><al>In tegenstelling tot het hiervoor genoemde is hier sprake van een nog niet
                    gerealiseerde maatwerkvoorziening. Dat betekent dat er nog beperkingen (kunnen)
                    worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie op het moment van de
                    melding of de aanvraag. Wel is er in deze gevallen sprake van omstandigheden die
                    in principe in de risicosfeer liggen van de cliënt. Door zich niet eerder te
                    melden met het oog op uiteindelijk een aanvraag in te dienen ontneemt de cliënt
                    het college de mogelijkheid te beoordelen of, en zo ja welke aanspraak bestaat
                    op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget. Daarbij geldt de
                    hoofdregel onverkort: wat is de goedkoopste passende bijdrage als bedoeld in
                    artikel 4.2 eerste lid onder b van de verordening.</al><al>Kan het college de noodzaak van de maatwerkvoorziening nog wel vaststellen, dan
                    kan worden overgegaan tot het verlenen van een maatwerkvoorziening dan wel
                    persoonsgebonden budget die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt.
                    Een start met bijvoorbeeld de aanpassing van de badkamer of een andersoortige
                    woningaanpassing hoeft niet zonder meer in te houden dat de noodzaak daarvan
                    niet meer kan worden vastgesteld. Het kan zijn dat het college eenzelfde
                    maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget zou toekennen als wanneer de
                    cliënt nog niet zou zijn begonnen met de aanpassingen. Het kan ook zijn dat de
                    noodzaak nog wel kan worden vastgesteld maar dat de kosten hoger zijn dan het
                    college zou toekennen; de goedkoopst passende bijdrage. In voorkomende gevallen
                    kan het college daarmee volstaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget </tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn criteria opgenomen over de aanspraak,
                    bijbehorende verplichtingen verbonden aan het persoonsgebonden budget en regels
                    over het vaststellen van de hoogte van het persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Artikel 5.1 Criteria persoonsgebonden budget</tussenkop><al>In dit artikel zijn de drie voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de
                    wet opgenomen. Deze zijn ter beoordeling aan het college. De aanspraak op een
                    persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst.
                    Daarmee is niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een
                    persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt
                    voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 2.3.6,
                    vijfde lid, onder b, van de wet bevoegd is het persoonsgebonden budget te
                    weigeren.</al><al>De cliënt die een persoonsgebonden budget wenst voor de inkoop van diensten en
                    daar naar oordeel van het college recht op heeft, is verplicht een budgetplan op
                    te stellen. Wat daaronder wordt verstaan is opgenomen in de begripsbepalingen
                    van de verordening. Het kan zijn dat de cliënt al een budgetplan opstelt om zijn
                    motivatie, waarom hij een persoonsgebonden budget wenst, te onderbouwen.</al><al>Een persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een voorziening die voor
                    de cliënt als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt. Dit is in lijn met het
                    bepaalde in artikel 4.2 tweede lid onder a van de verordening.</al><al>De wetgever heeft met de invoering van het trekkingsrecht nadrukkelijk de
                    bedoeling gehad om uitbetaling van persoonsgebonden budgetten niet meer toe te
                    staan aan bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangbehartigers.
                    Persoonsgebonden budgetten worden door de Sociale verzekeringsbank in opdracht
                    van het college uitbetaald aan derden.</al><al>Het persoonsgebonden budget moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend
                    voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft
                    plaatsgevonden. In voorkomende gevallen kan het college gebruik maken van de
                    bevoegdheid het toekenningsbesluit in te trekken. Voor woningaanpassingen kan de
                    termijn van 15 maanden gelden. Zie verder hoofdstuk 8 van deze verordening.</al><al>In geval een huisgenoot normaal gesproken wordt geacht gebruikelijke hulp te
                    kunnen verrichten mag het persoonsgebonden budget niet aan die huisgenoot worden
                    uitbetaald voor geleverde of te leveren maatschappelijke ondersteuning.</al><al>De cliënt gaat altijd met de aanbieder een schriftelijke overeenkomst aan,
                    waarin in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de kwaliteit en het
                    resultaat van de maatschappelijke ondersteuning en de wijze van declareren. Deze
                    voorwaarde is een concrete uitwerking van het voorkomen van misbruik van
                    persoonsgebonden budgetten. Zie verder hoofdstuk 8 van de verordening. Het
                    college kan bepalen dat de cliënt verplicht is gebruik te maken van de
                    overeenkomsten van de Sociale verzekeringsbank.</al><al>Omdat een persoon uit het sociale netwerk bijvoorbeeld niet ingeschreven zal
                    staan bij de Kamer van Koophandel, kan het college aan de hiervoor genoemde
                    schriftelijke overeenkomst andere eisen stellen in geval het persoonsgebonden
                    budget wordt besteed aan een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of
                    aan een persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt. Denk bij een
                    persoon die niet als beroepskracht wordt aangemerkt bijvoorbeeld aan een student
                    met bijbaan. </al><al>Indien aan de cliënt een persoonsgebonden budget is verleend, worden daaraan,
                    afhankelijk van de maatwerkvoorziening die daarmee zal worden aangeschaft,
                    verplichtingen verbonden. Het college heeft in dat kader eerst de bevoegdheid te
                    beoordelen of voldoende is gewaarborgd dat de betreffende maatwerkvoorziening
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt (art. 2.3.6 van de wet).
                    Daarnaast oordeelt het college of de kwaliteit daarvan in redelijkheid geschikt
                    is met het oog op het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt
                    (art. 2.3.6 van de wet). Om dat oordeel kracht bij te zetten stelt het college
                    hierover nadere regels. Welke verplichtingen gelden is vanzelfsprekend
                    afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening. Ook kunnen deze voorwaarden van
                    toepassing zijn indien de maatwerkvoorziening in natura wordt toegekend.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen geldt dat het
                    persoonsgebonden budget in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag welke
                    het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten.
                    Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de wet
                    (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). De hoogte van het persoonsgebonden budget kan
                    daarom ook afhankelijk zijn van de afschrijvingstermijnen die het college
                    overeen is gekomen met de leverancier die de betreffende maatwerkvoorziening in
                    natura levert. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget ook
                    vaststellen op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het
                    college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college
                    overhandigt.</al><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten is afgeleid van het
                    tarief van de vergelijkbare door de gemeente gecontracteerde maatwerkvoorziening
                    in natura. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van dit tarief. </al><al>Het persoonsgebonden budget moet toereikend moet zijn om daarmee de
                    maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit
                    met betrekking tot het doel waarvoor het is verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 5.3 Controle</tussenkop><al>Het college kan steekproefsgewijs de besteding van de persoonsgebonden budgetten
                    controleren en nadere regels stellen over deze controle. Tevens kan het college
                    beoordelen of de cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een persoonsgebonden
                    budget in aanmerking te komen (art. 2.3.9 van de wet).</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn de regels neergelegd over het
                    verschuldigd zijn van een bijdrage in de kosten voor de gebruikers van
                    maatwerkvoorzieningen, ontvangers van een persoonsgebonden budget en gebruikers
                    van algemene voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening</tussenkop><al>Voor de maatwerkvoorziening en het persoonsgebonden budget is de cliënt een
                    bijdrage in de kosten verschuldigd. Dit geldt zolang de maatwerkvoorziening
                    wordt gebruikt. Daaronder wordt ook verstaan zolang de cliënt de beschikking
                    heeft over de maatwerkvoorziening. Immers is hij dan in de gelegenheid daar
                    gebruik van te maken. Voor het persoonsgebonden budget geldt het verschuldigd
                    zijn van de bijdrage in de kosten ook zolang het persoonsgebonden budget is
                    toegekend. Dat is afhankelijk van de aard van de maatwerkvoorziening. De
                    bijdrage in de kosten wordt opgelegd en geïnd door het CAK conform de regels van
                    het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AMvB).</al><al>Voor een maatwerkvoorziening, dan wel persoonsgebonden budget ten behoeve van
                    een minderjarige (jonger dan 18 jaar) mag het college geen bijdrage in de kosten
                    opleggen. Een uitzondering geld in het geval een woningaanpassing wordt
                    verleend. De bijdrage in de kosten is dan verschuldigd door de personen genoemd
                    in het tweede lid, onder a en b, van dit artikel.</al><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen over de omvang van de bijdrage
                    in de kosten. Ook kan het college bepalen wanneer geen bijdrage in de kosten is
                    verschuldigd.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Algemene voorziening</tussenkop><al>Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten voor het gebruik van een
                    algemene voorziening is verschuldigd. Cliëntondersteuning is gratis, daarvoor
                    mag geen bijdrage worden gevraagd. De cliënt is de bijdrage verschuldigd aan de
                    aanbieder.</al><al>Het kan bijvoorbeeld gaan om kosten van maaltijden, het doen van de was, of
                    materiaalkosten bij een creatieve activiteit. </al><al>Het college kan nadere regels stellen over deze bijdrage in de kosten. </al><tussenkop>Artikel 6.3 Kostprijs berekening bijdrage in de kosten</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt wat de kostprijs van een maatwerkvoorziening,
                    persoonsgebonden budget en een algemene voorziening is. De kostprijs is bepalend
                    voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. De
                    bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de
                    kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan
                    kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. Indien aan een cliënt
                    een persoonsgebonden budget is verstrekt, is de kostprijs gelijk aan de hoogte
                    van het toegekende budget. De bijdrage in de kosten voor het gebruik van een
                    algemene voorziening bedraagt nooit meer dan een kostendekkende bijdrage.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn regels opgenomen over de bevoegdheid
                    van het college een tegemoetkoming in bepaalde meerkosten te verlenen aan de
                    genoemde doelgroep. De wet biedt het college geen andere mogelijkheid om
                    forfaitaire bedragen (meerkosten) rechtstreeks aan de cliënt te kunnen
                    uitbetalen.</al><tussenkop>Artikel 7.1 Aanspraak</tussenkop><al>Uit de wettekst blijkt dat het bij de tegemoetkoming niet hoeft te gaan om een
                    cliënt. Gesproken wordt over de persoon met een beperking of chronisch psychisch
                    of psychosociaal probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke
                    meerkosten kan hebben. De tegemoetkoming dient ter ondersteuning van de
                    zelfredzaamheid en participatie. </al><al>De hoofdregel is dat de tegemoetkoming op aanvraag wordt verleend én dat de
                    aanvraag moet worden ingediend voor dat de kosten zijn gemaakt.</al><al>Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van de tegemoetkoming voor
                    meerkosten en in welke gevallen en onder welke voorwaarden deze tegemoetkoming
                    kan worden verstrekt.</al><al>Aanspraak op een tegemoetkoming kan alleen als er geen aanspraak bestaat op een
                    vergoeding van de (meer)kosten op grond van een voorliggende voorziening. Met
                    deze bepaling moet worden voorkomen dat dubbele vergoedingen worden verstrekt.
                    Denk bijvoorbeeld aan een leefvervoersvoorziening op grond van de Wet Werk en
                    Inkomen naar Arbeidsvermogen, vergoeding van kosten op grond van de bijzondere
                    bijstand of een tegemoetkoming op basis van de toelage huishoudelijke hulp.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Toezicht, handhaving en terugbetaling</tussenkop><al>In dit hoofdstuk van de verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten
                    van rechten van cliënten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien
                    sprake is van de situaties zoals genoemd in dit hoofdstuk. Deze situaties hebben
                    onder andere betrekking op het - door de cliënt - verstrekken van onjuiste
                    inlichtingen of het niet voldoen aan voorwaarden/verplichtingen. Het gaat in
                    alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de
                    toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk hoort een afweging tussen alle
                    bij het te nemen besluit betrokken belangen.</al><tussenkop>Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden</tussenkop><al>Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht tot het desgevraagd of onverwijld
                    mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de
                    voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden
                    budget of tegemoetkoming meerkosten.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Beëindiging</tussenkop><al>Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit
                    ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in
                    tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Het
                    artikel benoemt situaties waarin het college kan overgaan tot beëindiging van de
                    maatwerkvoorziening dan wel het persoonsgebonden budget of de tegemoetkoming
                    meerkosten. Het zich niet houden aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik
                    van de maatwerkvoorziening die in bruikleen is toegekend, kan leiden tot
                    beëindiging van die voorziening. Het college zal bij die beëindiging wel moeten
                    overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de plaats stelt. De
                    verwijtbaarheid in aanmerking nemende brengt dan mee dat het college mag
                    volstaan met slechts het strikt noodzakelijke ten behoeve van de zelfredzaamheid
                    en participatie van de cliënt. Dat zou ook kunnen betekenen dat de cliënt enige
                    ongemakken voor lief moet nemen. Denk bijvoorbeeld aan collectief vervoer voor
                    de korte afstand in plaats van de door het college beëindigde toekenning van de
                    scootmobiel. In geval van overlijden van de cliënt is de termijn van de
                    beëindiging van het persoonsgebonden budget op de dag gelegen na de dag van
                    overlijden bepaald. Indien de cliënt verhuist en zijn woonplaats niet meer in de
                    gemeente Oisterwijk heeft, leidt dat ook tot beëindiging.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Herziening of intrekking</tussenkop><al>Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden,
                    wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit
                    is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een
                    periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld, of er
                    in het geheel geen aanspraak heeft bestaan.</al><al>Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken met het
                    verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een ander besluit zouden hebben
                    geleid dan als de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Ook kan het
                    niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het
                    persoonsgebonden budget, uit hoofdstuk 5 van de verordening, leiden tot
                    herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. Opgemerkt wordt dat
                    bepaalde voorwaarden ook kunnen gelden voor maatwerkvoorzieningen die in natura
                    worden toegekend. </al><al>Overigens geldt verder de wettelijke bevoegdheid van het college om
                    toekenningsbesluiten te heroverwegen en eventueel over te gaan tot intrekken van
                    dat besluit (zie art. 2.3.10 van de wet).</al><tussenkop>Artikel 8.4 Terugvordering</tussenkop><al>In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten
                    en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan het ‘misbruik’ van de wet.
                    Namelijk indien opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en
                    de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou
                    hebben geleid. Er is daarom ervoor gekozen terugvorderingsgronden in dit artikel
                    uit te breiden. Uit de jurisprudentie blijkt dat een terugvorderingsbepaling in
                    de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan.
                    Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college
                    het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een
                    executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs
                    civielrechtelijke weg plaatsvinden. Denk aan de terugvordering van de
                    tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van deze verordening. Of
                    sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW) zal in de
                    praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of
                    intrekkingsbesluit neemt. De verordening biedt ook de bevoegdheid om over te
                    gaan tot verrekening met een persoonsgebonden budget of een tegemoetkoming
                    meerkosten. Hoewel de wetgever in principe beoogt om de geldswaarde van
                    maatwerkvoorzieningen terug te vorderen is in dit artikel de bevoegdheid
                    gecreëerd om maatwerkvoorzieningen die in eigendom of bruikleen zijn toegekend
                    terug te halen (terug te vorderen).</al><tussenkop>Artikel 8.5 Terugbetaling</tussenkop><al>Het college is bevoegd een beschikking af te geven over de terugbetaling van
                    (een deel van) het persoonsgebonden budget door de cliënt of de nabestaande(n)
                    in de situaties zoals in dit artikel bepaald. Het college heeft hierover nadere
                    regels vastgesteld.</al><tussenkop>Hoofdstuk 9 Kwaliteit</tussenkop><tussenkop>Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders
                    direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de
                    deskundigheid van beroepskrachten.</al><al>De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeente om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen
                    als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze
                    standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de
                    situatie van de cliënt, intact laten. Er is een aantal voor de hand liggende
                    kwaliteitseisen in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte
                    cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij, dat het college kan toezien op de
                    kwaliteit.</al><tussenkop>Artikel 9.2 Verhouding prijs-kwaliteit van voorziening geleverd door
                    derden</tussenkop><al>Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                    een voorziening of voor diensten en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan, moeten regels worden gesteld. Daarbij moet in ieder geval rekening
                    worden gehouden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste
                    prijs voor de uitvoering wordt ook een aantal andere aspecten genoemd waarmee
                    het college bij het vaststellen van tarieven rekening moet houden. Hiermee wordt
                    bereikt dat een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de
                    activiteiten die het college door aanbieders wil laten uitvoeren. Uitgangspunt
                    is dat de aanbieder deskundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die
                    passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van
                    de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt
                    een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor
                    geldende arbeidsvoorwaarden. Bij de prijs-kwaliteitsverhouding kunnen eventuele
                    extra taken in verband met de maatwerkvoorziening een rol spelen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 10 Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor
                    mantelzorgers indien mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die zijn
                    hoofdverblijf heeft in de gemeente Oisterwijk. De wijze waarop de jaarlijkse
                    blijk van waardering kan worden vormgegeven kan in samenspraak met
                    belangenorganisaties tot stand komen. Dit is geen verplichting voor het college.
                    Uit de bepaling vloeit eveneens voort dat de blijk van waardering per jaar zou
                    kunnen verschillen. Het college moet bij de uitvoering oog hebben voor
                    mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 10.2 Inspraak</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Verwezen
                    wordt naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde
                    inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als voor andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><tussenkop>Hoofdstuk 11 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de
                    bepalingen van deze verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en
                    nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet
                    nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de
                    aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe
                    te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven
                    dat zijn situatie bijzonder is en dat voor het overige ook nader moeten
                    onderbouwen.</al></nota-toelichting><bijlage><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen 4</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 4</al><al>Hoofdstuk 2 Procedureregels 6</al><al>Artikel 2.1 De melding 6</al><al>Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 6</al><al>Artikel 2.3 Het onderzoek 6</al><al>Artikel 2.4 Advisering 6</al><al>Artikel 2.5 Vaststellen identiteit 7</al><al>Hoofdstuk 3 Aanvraag en beschikking 8</al><al>Artikel 3.1 De aanvraag 8</al><al>Artikel 3.2 Inhoud beschikking 8</al><al>Hoofdstuk 4 Beoordeling aanspraak 9</al><al>Artikel 4.1 Wettelijke criteria maatwerkvoorziening 9</al><al>Artikel 4.2 Voorwaarden en weigeringsgronden 9</al><al>Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget 10</al><al>Artikel 5.1 Criteria persoonsgebonden budget 10</al><al>Artikel 5.2 Vaststellen hoogte persoonsgebonden budget 10</al><al>Artikel 5.3 Controle 11</al><al>Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten 12</al><al>Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening 12</al><al>Artikel 6.2 Algemene voorziening 12</al><al>Artikel 6.3 Kostprijs berekening bijdrage in de kosten 12</al><al>Hoofdstuk 7 Tegemoetkoming meerkosten 13</al><al>Artikel 7.1 Aanspraak 13</al><al>Hoofdstuk 8 Toezicht, handhaving en terugbetaling 14</al><al>Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden 14</al><al>Artikel 8.2 Beëindiging 14</al><al>Artikel 8.3 Herziening of intrekking 14</al><al>Artikel 8.4 Terugvordering 14</al><al>Artikel 8.5 Terugbetaling 15</al><al>Hoofdstuk 9 Kwaliteit 16</al><al>Artikel 9.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 16</al><al>Artikel 9.2 Verhouding prijs-kwaliteit van voorziening geleverd door
                    derden 16</al><al>Hoofdstuk 10 Overige bepalingen 17</al><al>Artikel 10.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 17</al><al>Artikel 10.2 Inspraak 17</al><al>Hoofdstuk 11 Slotbepalingen 18</al><al>Artikel 11.1 Hardheidsclausule 18</al><al>Artikel 11.2 Indexering 18</al><al>Artikel 11.3 Intrekking huidige verordening 18</al><al>Artikel 11.4 Evaluatie 18</al><al>Artikel 11.5 Overgangsrecht 18</al><al>Artikel 11.6 Inwerkingtreding en citeertitel 18</al><al>19</al></bijlage></regeling></body></cvdr>