<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR388042_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-128726.html">Gemeenteblad 2015, 128726</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegevoorstel 15.024041</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze beleidsregel vervangen de beleidsregels bijzondere bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2015</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 1 Inleiding </label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de
                daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van zowel individuele als
                categoriale bijzondere bijstand. De gemeenteraad heeft op 16 december 2013 ingestemd
                met het Beleidskader Minimabeleid 2014-2017. Er zijn geen ingrijpende wijzigingen in
                het Minimabeleid voorgesteld. Wel is hierin opgenomen dat 2014 wordt gebruikt om te
                kijken hoe we de extra middelen voor het armoede- en schuldenbeleid zo efficiënt
                mogelijk kunnen inzetten.</al>
            <al/>
            <al>In het op 12 mei 2014 vastgestelde coalitieakkoord 2014-2018 is aangaande het
                minimabeleid het volgende opgenomen: De coalitie staat een hervorming van het
                huidige minimabeleid voor. Daarbij is uitgangspunt dat de gemeente extra
                inkomensondersteuning blijft bieden aan de meest kwetsbaren en aan kinderen tot 18
                jaar, waardoor deze kunnen blijven deelnemen aan de samenleving. Een voorstel
                daarover komt in 2014. Door de inzet op preventie (bijvoorbeeld door onderliggende
                problemen aan te pakken, zoals schulden) beperkt de gemeente de afhankelijkheid van
                gemeentelijke inkomenssteun.</al>
            <al/>
            <al>De gemeenteraad heeft op 10 november 2014 ingestemd met voorstellen zoals
                opgenomen in de notitie uitwerking scenario’s minimabeleid. Tot slot heeft de
                gemeenteraad op 30 november 2015 de Beleidsnota Financiële tegemoetkoming in de
                ziektekosten vastgesteld. </al>
            <al/>
            <al>De door de gemeenteraad genomen besluiten en de landelijke wet en regelgeving
                leiden tot een aantal wijzigingen in de beleidsregels. Deze belangrijkste
                wijzigingen worden hieronder kort toegelicht.</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Participatiewet</label>
            </kop>
            <al>Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet werk en bijstand vervangen door de
                Participatiewet. </al>
            <al/>
            <al>De gemeente is vanaf die datum verantwoordelijk voor mensen met arbeidsvermogen
                die ondersteuning nodig hebben. Deze mensen zaten tot 2015 in de WWB (de Wet werk en
                bijstand), Wsw (de Wet sociale werkvoorziening) en mensen met arbeidsvermogen in de
                Wajong. </al>
            <al>Deze regelingen zijn vervangen door één regeling voor mensen met arbeidsvermogen:
                de Participatiewet. De Participatiewet is gebaseerd op de ambitie van de regering om
                iedereen in staat te stellen als volwaardig burger mee te doen en bij te dragen aan
                de samenleving.</al>
            <al/>
            <al>Vanaf 1 januari 2015 bestaat de WWB dus niet meer onder deze naam, maar wordt deze
                opgenomen in de Participatiewet. De mogelijkheid voor het verstrekken van bijzondere
                bijstand is opgenomen in artikel 35 Participatiewet.</al>
            <al/>
            <al>Naast deze wijziging is per 1 januari 2015 ook de Wet Maatregelen WWB in werking
                getreden. Hierin is onder andere de individuele inkomenstoeslag opgenomen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Individuele inkomenstoeslag</label>
            </kop>
            <al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden
                bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college
                een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als de aanvrager voldoet aan de
                voorwaarden daarvoor. In de “Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente
                Olst-Wijhe” zijn de regels over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als
                bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet vastgelegd. Op grond van deze
                verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 110% van
                de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast is bij verordening de hoogte van de
                individuele inkomenstoeslag vastgelegd. </al>
            <al/>
            <al>In deze beleidsregels is opgenomen welke groepen niet in aanmerking komen voor
                individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de
                persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die
                omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li>
              <li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                    komen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Reductieregeling </label>
            </kop>
            <al>De Reductieregeling kan worden aangevraagd voor de kosten van deelname aan het
                maatschappelijk verkeer. Het inkomen mag het bedrag van 110% van de voor
                belanghebbende geldende bijstandsnorm niet overschrijden. Er geldt geen
                vermogenstoets.</al>
            <al/>
            <al>Het gezin is vrij om te besluiten op welke wijze de bijdrage wordt ingezet: zo kan
                de volledige bijdrage worden besteed aan het lidmaatschap van een sportvereniging of
                muziekles voor de kinderen of juist een grotere bijdrage aan activiteiten, die het
                hele gezin ten goede komen. Hieronder vallen bijvoorbeeld telefoon- en
                internetkosten, een abonnement op de krant of tijdschriften. Hiervoor is gekozen om
                de aanvrager zoveel mogelijk keuzevrijheid te geven en niet om als gemeente dwingend
                voor te schrijven waaraan het budget moet worden besteed. </al>
            <al/>
            <al>De Reductieregeling wordt op declaratiebasis wordt verstrekt. De kosten moeten
                worden aangetoond. Op een aanvraag wordt een beschikking afgeven voor één jaar:
                kosten, die in de loop van dit jaar worden gemaakt kunnen worden uitbetaald na
                inlevering van een declaratieformulier met de bewijsstukken tot de hierboven
                genoemde maximum bedragen. De aanvrager ontvangt een brief met daarop vermeld het
                restant recht op de Reductieregeling. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Bijzondere bijstand voor kosten Huishoudelijke hulp</label>
            </kop>
            <al>De Wmo is vanaf 2015 uitgebreid met de verantwoordelijkheid voor begeleiding en
                dagbesteding voor klanten met beperkingen. Daarnaast schrijft de nieuwe Wmo niet
                langer voor dat een gemeente inwoners ondersteunt bij het schoonhouden van hun huis.
                Gemeenten worden daarom fors gekort op het budget huishoudelijke hulp. De zogenoemde
                kanteling geldt hierbij als belangrijkste uitgangspunt. De eigen
                verantwoordelijkheid van de klant staat centraal met daarbij voor de gemeente een
                plicht tot ondersteuning als de klant het zelf niet meer redt. De
                verantwoordelijkheid verschuift daarmee nadrukkelijk van de gemeente naar de klant
                en diens omgeving</al>
            <al/>
            <al>De gemeenteraad van Olst-Wijhe heeft op 13 oktober 2014 de toekomststrategie
                huishoudelijke hulp vastgesteld. Alle producten huishoudelijke hulp komen te
                vervallen. Klanten die schoonmaakondersteuning willen ontvangen, kunnen zich wenden
                tot de particuliere markt. Klanten die de kosten niet volledig kunnen betalen kunnen
                een beroep doen op de Bijzondere Bijstand. Voor de groep klanten HH2 geldt een
                sterfhuisconstructie. Zij behouden hun indicatie zolang de indicatie geldig is.</al>
            <al/>
            <al>In deze beleidsregels zijn de voorwaarden, procedures en de maximumtarieven verder
                uitgewerkt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Kostendelersnorm</label>
            </kop>
            <al>Met ingang van 1 januari 2015 is het begrip kostendelersnorm in de bijstand
                geïntroduceerd. </al>
            <al/>
            <al>De kostendelersnorm is uitsluitend van toepassing op een belanghebbende die een of
                meerdere kostendelende medebewoners heeft.</al>
            <al>Bij het toepassen van de kostendelersnorm wordt rekening gehouden met de voordelen
                van het delen van de kosten binnen één huishouden. De kostendelersnorm wordt lager
                naarmate belanghebbende meer kostendelende medebewoners heeft. Bij kostendelende
                medebewoners die bloed- of aanverwanten in de eerste- of tweede graad zijn is de
                kostendelersnorm ook van toepassing. Ook indien er sprake is van een zorgbehoefte
                kan een belanghebbende weliswaar als alleenstaande (ouder) worden aangemerkt, maar
                is wel de kostendelersnorm van toepassing. De redenen waarom mensen hun
                hoofdverblijf hebben in dezelfde woning is dus niet van belang. </al>
            <al/>
            <al>In deze beleidsregels zijn een aantal afwijkende regels opgenomen. Bij de kosten
                voor bijzondere bijstand wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm.
                Immers het gaat hier om bijzonder noodzakelijke kosten die zich in het individuele
                geval voordoen. Het is niet reëel om huisgenoten mee te laten betalen voor
                bijvoorbeeld bijzondere zorgkosten. Dit is anders als het gaat om de kosten van
                algemene aard zoals opgenomen in de hoofdstukken 3, 4 en 7.1 tot en met 7.3. Hier
                wordt er uitdrukkelijk wel voor gekozen om rekening te houden met de
                kostendelersnorm. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Alleenstaande ouders</label>
            </kop>
            <al>Met de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen is de aanvulling in
                de bijstand voor alleenstaande ouders afgeschaft. Voor de bijstand worden de normen
                voor alleenstaande ouders daarom gelijkgesteld met die van alleenstaanden. In plaats
                daarvan wordt een alleenstaande-ouderkop geïntroduceerd in het kindgebonden budget. </al>
            <al/>
            <al>De alleenstaande ouders krijgen te maken met een inkomensachteruitgang.
                Alleenstaande ouders die uitstromen naar werk hebben voordeel van deze regeling,
                omdat ze de verhoging van het kindgebonden budget ook houden als ze werken.</al>
            <al/>
            <al>Voor deze inkomensachteruitgang kan het college overwegen een overbrugging aan te
                bieden. Dit moet dan worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid.</al>
            <al/>
            <al>Voor het kindgebonden budget geldt dat iemand alleenstaand (e ouder) is als er
                geen toeslagpartner in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
                (Awir) is. En niet het begrip “alleenstaande ouder” zoals dat ook in de bijstand
                wordt toegepast.</al>
            <al/>
            <al>Het partnerbegrip in het kindgebonden budget wijkt op punten af van het
                partnerbegrip in de Participatiewet. Hierdoor zijn er bijstandsgerechtigden die
                thans als alleenstaande ouder worden aangemerkt, maar die niet in aanmerking komen
                voor de alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget.</al>
            <al/>
            <al>Alleenstaande ouders die niet in aanmerking komen voor de alleenstaande-ouderkop,
                kunnen, bij bijzondere situaties, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De
                voorwaarden zijn in deze beleidsregels uitgewerkt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Financiële tegemoetkoming in de ziektekosten</label>
            </kop>
            <al>De Rijksoverheid is gestopt met de “Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
                gehandicapten”(Wtcg) en de “regeling Compensatie Eigen risico”(CER).</al>
            <al>Tegelijk met het afschaffen van deze regelingen is bepaald dat de gemeente deze
                taken moet overnemen. De gemeenteraad heeft op 14 december 2016 de Beleidsnota
                Financiële tegemoetkoming in de ziektekosten vastgesteld als vervanging voor de
                bovengenoemde regelingen. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de premie
                aanvullende ziektekostenverzekering tot een maximaal bedrag van € 400,- per
                verzekerde (&gt;18 jaar) per kalenderjaar. Daarnaast kan bijzondere bijstand worden
                verstrekt voor een gedeelte van het betaalde eigen risico als het volledig eigen
                risico is opgebruikt. Dit bedrag is vastgesteld op €200,- per verzekerde (&gt;18
                jaar) per kalenderjaar. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Directe benadering </label>
            </kop>
            <al>We willen onze inwoners specifiek wijzen op de nieuwe regeling tegemoetkoming in
                de ziektekosten en daarnaast natuurlijk ook aandacht schenken aan de overige
                regelingen die de gemeente kent. Hiervoor worden de mensen die in 2015 op enige
                wijze bekend zijn bij de gemeente aangeschreven. </al>
            <al/>
            <al>Daarnaast zal het team Werk, Inkomen en Zorg gevraagd worden deze regeling onder
                de aandacht te brengen tijdens de gesprekken die ze met onze inwoners voeren.</al>
            <al/>
            <al>Bij een aanvraag om een van de in deze beleidsregels opgenomen regelingen zal door
                het team Werk en Inkomen automatisch een check worden gedaan of aanvrager ook voor
                een andere regeling in aanmerking komt. Indien mogelijk wordt deze dan ook
                automatisch toegekend of wordt de klant op de mogelijkheden gewezen. </al>
            <al/>
            <al>In deze nota zijn de beleidsregels bijzondere bijstand, financiële tegemoetkoming
                in de ziektekosten, individuele inkomenstoeslag en reductieregeling vastgelegd. De
                beleidsregels zijn een nadere uitwerking van het gemeentelijke armoede- en
                minimabeleid en van de op 16 december 2013, 10 november 2014 en 30 november 2015
                door de raad van de gemeente Olst-Wijhe vastgestelde beleidskaders en de van
                toepassing zijnde verordeningen op het gebied van Werk en Inkomen en het armoede- en
                minimabeleid. In deze beleidsregels zijn zo weinig mogelijk bedragen genoemd. De
                maximale vergoedingen, normbedragen en dergelijke, zijn opgenomen in het financieel
                besluit, dat als bijlage 1 aan de beleidsregels is toegevoegd. Het college zal de
                bedragen in het financieel besluit jaarlijks aanpassen. Hierdoor wordt voorkomen dat
                jarenlang verouderde bedragen in de beleidsregels zijn opgenomen.</al>
            <al/>
            <al>Met deze beleidsregels wordt beoogd om zoveel mogelijk duidelijkheid,
                rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen. Toch kunnen er zich situaties
                voordoen waarin onverkorte handhaving van deze regels onrecht zouden doen aan de
                doelstelling van bijzondere bijstandsverlening. Daarom moet, zowel individueel (per
                besluit) als categoriaal (in de beleidsregels neergelegde uitvoeringsbeleid)
                uitdrukkelijk de mogelijkheid blijven bestaan om af te wijken van de hier
                neergelegde regels. Uiteraard zal het besluit in die gevallen ook de motivering
                moeten omvatten waarom in die situatie van de beleidsregels moet worden afgeweken.
                Daar waar niet in de beleidsregels wordt voorzien wordt het handboek “Grip op
                Participatiewet” geraadpleegd en neemt het college een besluit.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>1.1 Leeswijzer</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de algemene aspecten die in acht genomen worden
                bij de verstrekking van bijzondere bijstand. Vervolgens wordt in de hoofdstukken 3
                tot en met 8 per kostensoort aangegeven of en hoe er bijzondere bijstand verstrekt
                kan worden. </al>
            <al/>
            <al>De slotbepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 9. En tot slot is in de bijlage het
                Financieel besluit 2016 toegevoegd waarin een overzicht wordt gegeven van de
                (maximale) bedragen die in het kader van de bijzondere bijstand en reductieregeling
                verstrekt kunnen worden.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 2 Algemeen</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient de volgende volgorde
                te worden aangehouden:</al>
              <al>1.Doen de kosten zich voor?</al>
              <al>Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo nee, wijs de aanvraag af.</al>
              <al>2.Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk?</al>
              <al>Zo ja, beoordeel dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag af.</al>
              <al>3.Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden?</al>
              <al>Zo ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag af.</al>
              <al>4.Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het
                inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? </al>
              <al>Zo nee, wijs de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag </al>
              <al/>
              <al>Ad 1. Wil een belanghebbende in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand
                voor bepaalde kosten dan zal hij om te beginnen de gestelde kosten ook daadwerkelijk
                moeten hebben. Indien de kosten niet daadwerkelijk gemaakt worden, is er geen
                verlening van bijzondere bijstand mogelijk </al>
              <al>Ad 2 Uitgaande van het maatwerkprincipe past het dat het college slechts
                bijzondere bijstand verleent aan personen bij wie is vastgesteld dat de betreffende
                kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Er
                dient dus altijd een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats
                te vinden </al>
              <al>Ad 3 Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er sprake is van
                bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dit betekent dus, dat niet de
                eisen van de samenleving in relatie tot de aard van de kosten bepalend zijn, maar de
                omstandigheden in het individuele geval. Het is daarom niet mogelijk om bijzondere
                bijstand te weigeren voor kosten die naar de eisen van de samenleving in het
                algemeen niet als noodzakelijk worden beschouwd. Het is alleen van belang of zich in
                het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk
                maken. Zo ja, dan bestaat er mogelijk recht op bijzondere bijstand </al>
              <al>Ad 4. Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, dat
                is bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met
                inbegrip van de component reservering, in beginsel toereikend is (zie TK 2002-2003,
                28 870, nr. 3, p. 13 en 14). De algemene bijstand is dus een uitkering voor
                levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit een aantal deeluitkeringen: een
                voor woonkosten, een voor kleding, een voor voedsel, etc. Er bestaat alleen recht op
                bijzondere bijstand wanneer een van de deeluitkeringen van de algemene bijstand niet
                in de specifieke kosten voorziet. In welke kosten de algemene bijstand nu precies
                wel en niet voorziet is uiteindelijk ter beoordeling aan de rechter. Hiervan bestaat
                geen vaste lijst.</al>
              <al/>
              <al>De mate waarin een belanghebbende de kosten kan voldoen uit het vermogen en het
                inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm noemen we in navolging van
                artikel 39 lid 1 Abw draagkracht.</al>
              <al>Het college heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de
                vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende ( TK 2002-2003, 28 870, nr. 3,
                p. 64-65). Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen bij
                de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.2 Algemene bepalingen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 1 Begripsbepaling</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                      Olst-Wijhe;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De begripsbepalingen van de wet zijn onverkort op deze beleidsregels van
                  toepassing.</al></li>
                <li nr="3."><al>Met deze beleidsregels wordt beoogd de kaders, waarbinnen toepassing wordt
                  gegeven aan de gemeentelijke bevoegdheid tot de verlening van bijzondere bijstand,
                  te beschrijven en inzichtelijk te maken. Dit laat onverlet dat er, gezien de
                  complexiteit en de veelheid van factoren en omstandigheden die zich bij de
                  beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor kunnen doen, redenen kunnen
                  zijn om gemotiveerd van deze beleidsregels af te kunnen wijken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2 Recht op bijzondere bijstand </label>
              </kop>
              <al>De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht op bijzondere
              bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
              bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze
              kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.
            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 3 Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt als er sprake is van bijzondere
                  omstandigheden. De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht
                  op bijzondere bijstand als voldaan is aan de volgende voorwaarden:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>er is onvoldoende draagkracht om de kosten zelf te dragen; en</al></li>
                    <li nr="b."><al>er is geen voorliggende voorziening; en</al></li>
                    <li nr="c."><al>de aanvrager valt niet onder de uitsluitingsgronden van artikel 13
                      Participatiewet; en</al></li>
                    <li nr="d."><al>de kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm; en</al></li>
                    <li nr="e."><al>er is sprake van noodzakelijke kosten; en</al></li>
                    <li nr="f."><al>er zijn bijzondere omstandigheden in de individuele situatie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag of vervreemding.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4 Voorliggende voorzieningen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt rekening gehouden
                  met voorliggende voorzieningen. Hieronder wordt verstaan: elke voorziening buiten
                  de Participatiewet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een
                  beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke
                  uitgaven.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er wordt geen bijstand verstrekt in de volgende gevallen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>er is een voorliggende voorziening die passend en toereikend is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd door een voorliggende voorziening
                      als niet noodzakelijk worden beschouwd;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd hebben betrekking op medische
                      behandelingen en verrichtingen die worden gerekend tot de
                      ontwikkelingsgeneeskunde.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Afwijking van de in het voorgaande lid benoemde afwijzingsgronden is alleen
                  mogelijk indien zeer dringende redenen aanwezig zijn. Geen afwijking is mogelijk
                  bij de behandelingen of verrichtingen die worden gerekend tot de
                  ontwikkelingsgeneeskunde.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de bijzonder noodzakelijke kosten door een voorliggende voorziening
                  gedeeltelijk worden vergoed, is het recht op bijzondere bijstand voor het niet
                  vergoede deel van de kosten afhankelijk van de reden waarom de voorliggende
                  voorziening tot slechts gedeeltelijke vergoeding is overgegaan. Wanneer de reden
                  van gedeeltelijke vergoeding enkel budgettaire gronden heeft kunnen de niet
                  vergoede kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking worden genomen, voor zover
                  de kosten betrekking hebben op de meest goedkope toereikende oplossing.</al></li>
                <li nr="5."><al>In deze beleidsregels worden richtlijnen vastgesteld hoe om te gaan met het
                  bepalen van het inkomen en het vermogen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5 Noodzakelijke kosten </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand is bedoeld voor de voorziening in de uit bijzondere
                  omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.</al></li>
                <li nr="2."><al>Omdat ze niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te
                  behoren, kan geen bijstand worden verleend voor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>De voldoening aan alimentatieverplichtingen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>De betaling van een boete;</al></li>
                    <li nr="c."><al>Geleden of toegebrachte schade;</al></li>
                    <li nr="d."><al>Vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke
                      verzekering;</al></li>
                    <li nr="e."><al>Aflossing van een schuldenlast.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Bijstand in de kosten van aflossing van een schuldenlast is onder bijzondere
                  omstandigheden wel mogelijk, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 lid 1
                  sub f Participatiewet jo artikel 49 participatiewet en daarop gebaseerde
                  regelgeving.</al></li>
                <li nr="4."><al>Tenzij in de beleidsregels anders is bepaald wordt de hoogte van de te
                  verstrekken bijzondere bijstand vastgesteld aan de hand van de Nibud-prijzengids
                  zoals opgenomen in het handboek Grip op Participatiewet. Het college motiveert in
                  dit geval in de beschikking dat uit onderzoek geen noodzaak is gebleken om daar in
                  het individuele geval van af te wijken. Het is in beginsel aan belanghebbende om
                  gemotiveerd en zo nodig onderbouwd aan te geven dat een hoger bedrag noodzakelijk
                  is. Stelt het college de bijstand lager vast dan de richtprijzen dan rust in
                  beginsel de bewijslast dat de belanghebbende in de uit bijzondere omstandigheden
                  voortvloeiende kosten kan voorzien bij het college.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6 Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele situatie </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het uitgangspunt is dat bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt gekeken
                  naar de individuele situatie van de aanvrager. De te beantwoorden vraag is of de
                  aanvrager de bepaalde kosten kan dragen gezien zijn individuele
                  omstandigheden.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bij de beoordeling zijn zowel de individuele omstandigheden relevant alsmede of
                  deze omstandigheden bijzonder zijn.</al></li>
                <li nr="3."><al>Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin bijzondere bijstand wordt gevraagd,
                  ontstaan zijn door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de
                  aanvrager, wordt deze omstandigheid betrokken in de beoordeling van het recht op
                  bijzondere bijstand.</al></li>
                <li nr="4."><al>Onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de
                  noodzakelijke kosten van het bestaan kan, afhankelijk van de ernst van de
                  onverantwoordelijkheid, de individuele omstandigheden van de aanvrager en de
                  urgentie van het aangevraagde, ertoe leiden dat er geen recht op bijzondere
                  bijstand bestaat.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien en voor zover aan het ontstaan of bestaan van de bijzondere noodzakelijke
                  kosten een onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                  in de noodzakelijke kosten van het bestaan ten grondslag ligt, wordt de eventueel
                  toegekende bijzondere bijstand in beginsel toegekend in de vorm van een
                  geldlening.</al><al/></li>
                <li nr="2.3"><al> Inkomen, vermogen en draagkracht</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7 Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen toepassing gegeven aan de
                  mogelijkheid van artikel 35 lid 2 Participatiewet om op de toe te kennen
                  bijzondere bijstand een drempelbedrag in mindering te brengen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.
                  Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens
                  als bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet.</al></li>
                <li nr="3."><al>Van het saldo op de betaalrekening wordt bij de aanvraag om bijzondere bijstand
                  in verband met lopende uitgaven een bedrag vrijgelaten dat gelijk is aan de voor
                  de belanghebbende(n) geldende bijstandsnorm (norm inclusief vt). Een negatief
                  saldo op de betaalrekening moet als schuld worden aangemerkt en telt dus wel mee
                  bij de vaststelling van het vermogen.</al></li>
              </lijst>
              <al>Let op: de saldi op spaarrekeningen tellen wel volledig mee als vermogen.</al>
              <lijst>
                <li nr="4."><al>Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van
                  uitvaartreservering in natura (niet afkoopbaar) die gereserveerd staat op een
                  aparte rekening (niet afkoopbaar) of een aparte polis waarvan geen opnames kunnen
                  worden gedaan, en er geen afdoende uitvaartverzekering is.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Begrafenisverzekeringen zijn niet afkoopbaar, zodat een klant niet over dat geld
                  kan beschikken. Ook andere vormen van vermogen kunnen bestemd zijn voor
                  begrafeniskosten. Maar dan moet wel vaststaan dat het gereserveerde bedrag
                  uitsluitend beschikbaar komt bij overlijden. Contant geld, een banktegoed, een
                  spaardeposito of spaargeld voor dit doel blijft niet buiten beschouwing.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Van het uitgangspunt dat auto's meetellen voor de vermogensvaststelling kan
                  worden afgeweken indien: </al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de auto (of motor), gelet op de omstandigheden van persoon en gezin,
                  noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk
                  gehandicapt is);</al></li>
                <li nr="b."><al>de waarde van de auto (of motor) maximaal € 4.587,72 bedraagt; is de waarde van
                  de auto hoger dan telt alleen het meerdere boven € 4.587,72 mee voor de
                  vermogensvaststelling.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>De vrijlating van € 4.587,72 geldt slechts ten aanzien van één vervoermiddel
                  (auto of motor) per gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde huishouden nog een
                  vervoermiddel (auto of motor) aanwezig is, wordt de waarde daarvan toegerekend aan
                  het vermogen.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Voor de vaststelling van de waarde van de auto (inclusief btw) kan bijvoorbeeld
                  gebruik gemaakt worden van het prijzenboekje van de ANWB of het Carbase-programma
                  van uitgeverij Uilenstein. Van auto’s die wegens hun leeftijd (doorgaans 7 à 8
                  jaar of ouder) niet meer in deze uitgaven zijn opgenomen, wordt aangenomen dat hun
                  waarde nihil bedraagt, tenzij er aanwijzingen zijn dat dit niet het geval is
                  (bijvoorbeeld bij oldtimers). Deze auto’s worden bij de vermogensvaststelling dus
                  in het geheel niet meegeteld.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="5."><al>Wanneer het vermogen is gebonden in de vorm van een voor eigen bewoning bestemde
                  eigen woning, wordt het vermogen eerst, volgens de regels van de krediethypotheek,
                  in aanmerking genomen wanneer de aan de aanvrager te verstrekken bijzondere
                  bijstand op draagkrachtjaarbasis meer bedraagt dan de voor de aanvrager geldende
                  bijstandsuitkering op maandbasis. Wanneer de op draagkrachtjaarbasis te
                  verstrekken bijzondere bijstand beneden de voor aanvrager op maandbasis geldende
                  bijstandsuitkering blijft, wordt het in de eigen woning gebonden vermogen niet in
                  aanmerking genomen.</al></li>
                <li nr="6."><al>In afwijking van lid 5 wordt het vermogen gebonden in de vorm van een voor eigen
                  bewoning bestemde woning niet in aanmerking genomen voor zover het gaat om
                  bijzondere bijstand voor kosten die verband houden met de bevordering naar een
                  zelfstandige bestaansvoorziening en met de bevordering van het zelfstandig kunnen
                  blijven functioneren van ouderen en gehandicapten:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>huishoudelijke hulp</al></li>
                    <li nr="b."><al>personenalarmering</al></li>
                    <li nr="c."><al>maaltijdvoorziening</al></li>
                    <li nr="d."><al>eigen bijdrage(n) op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="e."><al>deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering</al></li>
                    <li nr="f."><al>premie aanvullende ziektekostenverzekering</al></li>
                    <li nr="g."><al>eigen risico ziektekostenverzekering</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="7."><al>Draagkracht is het gedeelte van het inkomen en vermogen dat de aanvrager bij een
                  aanvraag voor bijzondere bijstand zelf moet inzetten. Als het inkomen op
                  bijstandsniveau ligt, is er geen draagkracht aanwezig in het inkomen. Wanneer het
                  inkomen de bijstandsnorm overstijgt, moet dat meerdere inkomen geheel of
                  gedeeltelijk ter delging van de noodzakelijke kosten worden ingezet.</al></li>
                <li nr="8."><al>Onder bruto draagkracht wordt verstaan het absolute bedrag dat door de aanvrager
                  ingevolge deze beleidsregels zou moeten kunnen worden ingezet voor de bekostiging
                  van de noodzakelijke kosten. Onder netto draagkracht wordt verstaan de door de
                  aanvrager te dragen kosten, nadat op de bruto draagkracht het toepasselijke
                  draagkrachtpercentage is toegepast.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8 Reserveringscapaciteit </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Wanneer het inkomen minimaal gelijk is aan het van toepassing zijnde
                  bijstandsniveau, wordt de aanvrager geacht te hebben kunnen reserveren voor de
                  bijzonder noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt
                  aangevraagd.</al></li>
                <li nr="2."><al>De reserveringscapaciteit bedraagt in beginsel 6 % van de van toepassing zijnde
                  bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien aannemelijk wordt gemaakt dat de aanvrager (een deel van) de aanwezige
                  reserveringscapaciteit reeds heeft ingezet voor bijzonder noodzakelijke kosten
                  waarvoor hij anderszins geen vergoeding heeft ontvangen, wordt de aanwezig te
                  achten reserveringscapaciteit met die kosten verlaagd.</al></li>
                <li nr="4."><al>Voor personen die drie jaar of langer aangewezen zijn op een inkomen op of onder
                  bijstandsniveau, wordt de reserveringscapaciteit niet in aanmerking genomen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9 Draagkracht</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht.</al></li>
                <li nr="2."><al>Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto inkomen
                  hebben tot110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (beide inclusief
                  vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende
                  vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 Participatiewet.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Bij de vaststelling van het inkomen worden de middelen zoals genoemd in artikel
                  31 lid 2 en artikel 36 van de Participatiewet buiten beschouwing gelaten.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 110% van de geldende
                  bijstandsnorm, als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 29 Participatiewet. Dan
                  wordt de draagkracht vastgesteld op 35% van het meerdere inkomen.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien de belanghebbende een hoger vermogen heeft, als bedoeld in artikel 34 lid
                  3 Participatiewet dan wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het meerdere
                  vermogen.</al></li>
                <li nr="6."><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de bruto
                  draagkracht met een percentage van 100% gerekend in de toekenning van bijzondere
                  bijstand voor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>woonkostentoeslag;</al></li>
                    <li nr="b."><al>toeslagen voor voormalig alleenstaande ouders;</al></li>
                    <li nr="c."><al>bijstand voor 18-21 jarigen, voor zover die de landelijke norm te boven
                      gaat;</al></li>
                    <li nr="d."><al>bijstand voor 18-21 jarigen in een inrichting;</al></li>
                    <li nr="e."><al>bijstand voor kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
                      zelfstandigen;</al></li>
                    <li nr="f."><al>bijstand voor kosten levensonderhoud als aanvulling op (of ter vervanging
                      van) het kindgebonden budget/ALO-kop.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="7."><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de bruto
                  draagkracht met een percentage van 10% gerekend in de toekenning van bijzondere
                  bijstand voor kosten die verband houden met de bevordering naar een zelfstandige
                  bestaansvoorziening en met de bevordering van het zelfstandig kunnen blijven
                  functioneren van ouderen en gehandicapten:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>huishoudelijke hulp</al></li>
                    <li nr="b."><al>personenalarmering</al></li>
                    <li nr="c."><al>maaltijdvoorziening</al></li>
                    <li nr="d."><al>eigen bijdrage vervoersvoorzieningen op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="e."><al>eigen bijdrage woningaanpassingen op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="f."><al>eigen bijdrage begeleiding op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="g."><al>premie aanvullende ziektekostenverzekering</al></li>
                    <li nr="h."><al>eigen risico ziektekostenverzekering</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="8."><al>Alleen bij toepassing van de hoofdstukken 3, 4 en 7.1 tot en met 7.3 wordt
                  rekening gehouden met de kostendelersnorm.</al></li>
                <li nr="9."><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond
                  van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht kan
                  berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft
                  (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat
                  dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Fw buiten de
                  boedel worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de
                  bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draagkracht zal kunnen
                  bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling
                  o.g.v. de WSNP van toepassing is.</al></li>
                <li nr="10."><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een minnelijke schuldregeling is
                  afgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen over de
                  middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. Als een
                  belanghebbende deelneemt aan een minnelijke schuldregeling dan kan belanghebbende
                  feitelijk niet beschikken over zijn volledige inkomen. Belanghebbende heeft zich
                  immers op grond van de schuldregelingsovereenkomst verplicht om het inkomen boven
                  de beslagvrije voet of boven het VTLB te storten op een aangewezen rekening. Ook
                  dit betekent in de praktijk dat belanghebbende ongeveer 90% van de bijstandsnorm
                  overhoudt om van te leven en er dus in feite materieel geen draagkracht is. In
                  deze situatie dient er wel daadwerkelijk een minnelijke
                  schuldregelingsovereenkomst zijn afgesloten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 10 Periode draagkracht</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld,
                  beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden
                  met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde ruimte blijft dus
                  gelden.</al></li>
                <li nr="3."><al>Als bij een aanvraag blijkt dat er vóór de aanvraagdatum noodzakelijke kosten
                  zijn gemaakt, dan wordt het draagkrachtjaar, met inachtneming van hetgeen is
                  bepaald in artikel 12, vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarin deze
                  kosten zich voor het eerst hebben voorgedaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht verrekend naar
                  rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking
                  heeft.</al></li>
                <li nr="5."><al>De draagkrachtperiode kan voor een langere periode (tot maximaal de duur van de
                  indicatie) vastgesteld worden indien;</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>belanghebbende een bijstandsuitkering of alleen een AOW uitkering ontvangt
                      en</al></li>
                    <li nr="b."><al>Het gaat om de kosten als bedoelt in artikel 9 lid 6.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="6."><al>Bij toepassing van het voorgaande lid wordt de bijstand periodiek uitbetaald en
                  wordt er periodiek (1 keer per 18 maanden) een administratief heronderzoek
                  verricht. Hierbij kunnen de betaalbewijzen alsnog worden opgevraagd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 11 Toepassing draagkracht </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het middels bijzondere bijstand toe te kennen bedrag voor de delging van
                  noodzakelijke kosten, wordt berekend door het bedrag van de in aanmerking te nemen
                  kosten te verminderen met de aanwezige netto draagkracht en de eventuele
                  reserveringscapaciteit.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien de toe te kennen bijzondere bijstand periodiek wordt verstrekt, kan de
                  netto draagkracht eveneens periodiek worden verrekend.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de toe te kennen bijstand een incidenteel karakter heeft, wordt de
                  vastgestelde netto draagkracht voor de vastgestelde draagkrachtperiode ineens
                  verrekend met de middels bijzondere bijstand te vergoeden noodzakelijke
                  kosten.</al></li>
                <li nr="4."><al>Bij samenloop van incidentele en periodieke kosten, wordt de netto draagkracht
                  bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand
                  wordt toegekend.</al></li>
                <li nr="5."><al>In beginsel wordt de eenmaal vastgestelde draagkracht niet meer herzien wanneer
                  de jaarinkomsten eenmaal zijn vastgesteld.</al></li>
                <li nr="6."><al>Ingeval van het wegvallen dan wel het ontstaan van inkomstenbronnen of wijziging
                  van de gezinssamenstelling kan tussentijdse herziening plaatsvinden over het
                  resterende deel van de draagkrachtperiode.</al><al/></li>
                <li nr="2.4"><al> De aanvraag, vorm van bijstand, uitbetaling en terugvordering</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 12 Aanvraag</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt in principe op aanvraag verstrekt. Aanvragen voor
                  bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met 3 maanden na het moment
                  waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht
                  bijzondere bijstand te verlenen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt slechts in behandeling genomen als
                  de gevraagde gegevens compleet zijn en/of de gevraagde bewijsstukken zijn
                  overgelegd. Het na een geboden hersteltermijn niet (tijdig) aanleveren van de
                  gevraagde gegevens en/of bewijsstukken leidt tot buiten behandelingstelling van de
                  aanvraag.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 13 De wijze van verstrekken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder
                  terugbetaalverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde
                  gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt verstrekt of
                  teruggevorderd.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht
                  indien:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen
                      betreft;</al></li>
                    <li nr="b."><al>redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn
                      over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de
                      noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Onder korte termijn wordt
                      verstaan een periode van maximaal 12 maanden;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend
                      besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li>
                    <li nr="d."><al>de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;</al></li>
                    <li nr="e."><al>het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast
                      betreft.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet in
                  beginsel worden terugbetaald.</al></li>
                <li nr="4."><al>De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe vastgesteld
                  op 3 jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit
                  omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden
                  voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig
                  heeft afbetaald.</al></li>
                <li nr="5."><al>Van het genoemde in lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen;
                      of</al></li>
                    <li nr="b."><al>indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de
                      geldlening; of</al></li>
                    <li nr="c."><al>wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                      voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het
                      ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand
                      in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval
                      langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="6."><al>De hoogte van de aflossing van de renteloze lening bedraagt 6% van de van
                  toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.</al></li>
                <li nr="7."><al>Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50% van
                  deze meer inkomsten.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 14 Uitbetaling</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk
                  gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overlegd. Als het
                  betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden
                  overlegd.</al></li>
                <li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 kan (alleen) de bijzondere bijstand voor huishoudelijke
                  hulp automatisch worden uitbetaald. In die gevallen kan achteraf om
                  betalingsbewijzen worden gevraagd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 15 Terugvordering</label>
              </kop>
              <al>De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing op de
              bijzondere bijstand (artikel 58 Participatiewet).</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 3</label>
            <titel>Kosten van algemene aard</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.1 Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar al dan niet verblijvende in een inrichting</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Jongeren van 18 tot en met 20 jaar kunnen in aanmerking komen voor bijzondere
              bijstand. Voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten kunnen ze een beroep doen op
              de algemene bijstand. De Participatiewet, artikel 20, kent voor jongeren van 18 t/m 20
              jaar aparte (lage) normen welke zijn afgeleid van de niveaus van de Algemene
              Kinderbijslagwet. Ingeval de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere hoger
              zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm, is aanvulling mogelijk bij wijze van
              bijzondere bijstand. In geval een jongere van 18 t/m 20 in een inrichting verblijft,
              heeft hij geen recht op algemene bijstand. De verlening van bijzondere bijstand is wel
              mogelijk, overeenkomstig als voor jongeren van 18 t/m 20 jaar die niet in een
              inrichting verblijven. In deze gevallen wordt de hoogte afgestemd op de norm van een
              21-jarige die in een inrichting verblijft.</al>
              <al/>
              <al>Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18 t/m 20
              jaar alleen maar bestaat voor zover hij zijn ouders niet kan aanspreken voor deze
              kosten.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van
                  18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de toepasselijke
                      norm;</al></li>
                    <li nr="b."><al>voor deze kosten de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:</al></li>
                    <li nr="i."><al>de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of</al></li>
                    <li nr="ii."><al>de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te
                      gelde kan maken.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn
                  onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken
                  indien:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezin
                      is geplaatst;</al></li>
                    <li nr="c."><al>er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen
                      verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven
                      door een hulpverlenende instantie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande
                  ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke
                  bijstandsnorm voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of
                  ouder, zoals genoemd in artikel 21 en artikel 22a. De bijzondere bijstand wordt
                  vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de jongere en de toepasselijke
                  bijstandsnorm.</al></li>
                <li nr="4."><al>De bijzondere bestand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de
                  Participatiewet verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot
                  bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.2 Aanvulling alleenstaande ouders</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Vanaf 1 januari 2015 vervalt de alleenstaande oudernorm en de gemeentelijke toeslag
              voor mensen die kosten niet kunnen delen. Alleenstaanden en alleenstaande ouders
              krijgen vanaf 1 januari 2015 hetzelfde bedrag. (70% van het wettelijk
              minimumloon).</al>
              <al>Voor alleenstaande ouders komt er boven op het kindgebonden budget(KGB) een extra
              kindgebonden budget, de zogenoemde alleenstaande ouderkop (alo-kop) die de
              Belastingdienst uitkeert. Deze toeslag is lager dan de toeslag op de norm die voorheen
              werd verstrekt. De mate van inkomensachteruitgang van alleenstaande ouders in de
              bijstand is afhankelijk van enkele factoren, zoals het aantal minderjarige kinderen,
              maar ook de leeftijd van deze kinderen. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Definitieverschil</vet>
              </al>
              <al>Een deel van de alleenstaande ouders krijgt de alleenstaande ouderkoptoeslag echter
              niet. Dat komt omdat de partnerdefinitie die de Belastingdienst (Awir) hanteert,
              afwijkt van de alleenstaande definitie in de Participatiewet. Dat geldt bijvoorbeeld
              voor alleenstaande ouders van wie de partner in een inrichting zit of van wie de
              partner met onbekende bestemming is vertrokken. Als een alleenstaande ouder op
              31-12-2014 een uitkering ontvangt komt hij onder het overgangsrecht en ontvangt tot
              1-1-2016 de aanvulling van 20%. </al>
              <al/>
              <al>Voor alleenstaande ouders die op 31 december 2014 in de bijstand zitten, in 2015 een
              toeslagpartner hebben en in aanmerking komen voor de kostendelersnorm is een
              overgangsregeling getroffen. Deze groep houdt 90% van de gehuwdennorm tot 1 juli 2015.
              Daarna valt hij onder de kostendelersnorm met een toeslag van 20% omdat hij
              alleenstaande ouder is. Deze groep heeft geen recht op de alo-kop van het Kind
              gebonden budget. Zij behouden tot 1-1-2016 de aanvulling van 20% voor alleenstaande
              ouders bovenop de uitkering die zij ontvangen.</al>
              <al>In een aantal gevallen is het mogelijk het Awir-partnerschap bij de
              Belastingdienst/Toeslagen ongedaan te maken. In de hierboven beschreven gevallen gaat
              het waarschijnlijk om alleenstaande ouders die een partner hebben omdat zij getrouwd
              zijn of een geregistreerd partnerschap hebben. De toeslaggerechtigde komt alleen in
              aanmerking voor de alleenstaande ouderkop als er een echtscheiding of een scheiding
              van tafel en bed is aangevraagd. De actie ligt bij de toeslaggerechtigde. Vervolgens
              moet er ook nog voor worden gezorgd dat de ex-partner niet woont op het zelfde adres
              en ook niet voorkomt in de BRP en dus (eventueel) wordt uitgeschreven van het adres
              van de alleenstaande ouder.</al>
              <al>Belanghebbende moet worden gewezen op de mogelijkheden die belanghebbende heeft om
              wel voor de alleenstaande ouderkop in aanmerking te komen. Dit kan met toepassing van
              artikel 15 Participatiewet (voorliggende voorziening) en artikel 55 Participatiewet
              (Opleggen van aanvullende voorwaarden).</al>
              <al/>
              <al>Het is niet de bedoeling dat gemeenten (algemene of bijzondere) bijstand verlenen om
              het inkomensgat te dichten dat kan ontstaan doordat de alleenstaande ouder geen recht
              heeft op de alleenstaande ouderkop omdat zij een toeslagpartner heeft. Dan zou
              namelijk sprake zijn van doorkruising van het rijksinkomensbeleid.</al>
              <al/>
              <al>Wel kan de gemeente in voorkomende gevallen bekijken of maatwerkondersteuning
              mogelijk is via de bijzondere bijstand. Dat kan indien betrokkene als gevolg van
              bijzondere individuele omstandigheden wordt geconfronteerd met noodzakelijke
              bestaanskosten, waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige
              draagkracht te boven gaan. Daarbij zal dan aansluiting moeten worden gezocht bij de
              normen die gelden voor alleenstaande ouders met de aanvullende alleenstaande
              ouderkop.</al>
              <al/>
              <al>Er speelt nog het verschil in begrippen peildatum of een feitelijke datum. De
              Bijstandsuitkering wijziging met ingang van dezelfde dag als de mutatie. Bij de
              Toeslagen zoals de belastingdienst die kent gaat het recht in en stopt de maand na de
              mutatie. Het actuele Awir-partnerschap wordt bij maandrecht toegepast. Voorbeeld: Het
              kindgebonden budget stopt als een kind 18 jaar is geworden. De toeslag loopt nog tot
              en met de maand waarin het jongste kind 18 wordt. De toeslag gaat ook altijd in op de
              1e dag van de maand na de mutatie. Een kind is geboren op 8 april. Het kindgebonden
              budget gaat in op 1 mei. Alleen een mutatie op de eerste van de maand heeft werking in
              de maand zelf. Voorbeeld: vader en moeder hebben twee kinderen, zijn niet getrouwd en
              vader is vanaf 1 juni ingeschreven op een ander adres. Dan zijn vader en moeder vanaf
              1 juni alleenstaande. Stel dat de moeder al enkele jaren de kindgebonden
              budgetaanvrager is, dan heeft zij vanaf 1 juni recht op de
              alleenstaande-ouderkop.</al>
              <al/>
              <al>Overigens wordt de toeslag vooraf uitbetaald, Op 22 december 2014 wordt de toeslag
              over januari 2015 uitbetaald. </al>
              <al/>
              <al>In principe is dus geen bijzondere bijstand nodig voor overbrugging van een
              overgangsperiode. De Belastingdienst heeft overigens toegezegd dat zij aanvragen en
              mutaties snel verwerken.</al>
              <al/>
              <al>Tot slot komt het voor dat de Belastingdienst bij schulden Toeslagen met elkaar
              verrekend. Hiervoor is geen bijzondere bijstand mogelijk. Het zou dan immers gaan om
              bijstand ter voldoening van schulden. </al>
              <al/>
              <al>Bij een terugvordering wordt de toeslaggerechtigde een betalingsregeling voorgelegd.
              Als de toeslaggerechtigde niet alles in een keer betaalt en verder niet reageert dan
              wordt er als er voldoende financiële ruimte is binnen hetzelfde middel de
              betalingsregeling uitgevoerd. Dat betekent dat uitsluitend met hetzelfde middel
              verrekend wordt. Als de toeslaggerechtigde zich niet houdt aan de regeling, dan komen
              ook alle andere middelen in aanmerking voor verrekening. Bij het treffen van een
              persoonlijke betalingsregeling kan de burger de Belastingdienst vragen rekening te
              houden met de beslagvrije voet.</al>
              <al/>
              <al>Daarnaast kent de Belastingdienst/Toeslagen twee soorten betalingsregelingen voor
              mensen die toeslagen moeten terugbetalen: een standaardbetalingsregeling en een
              persoonlijke. Bij de persoonlijke variant wordt de betalingscapaciteit vastgesteld. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van alleenstaande
                  ouder wordt verleend indien en voor zover:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>De alleenstaande ouder geen beroep kan doen op de alleenstaande ouderkop
                      omdat hij voor de Awir een toeslagpartner heeft, én</al></li>
                    <li nr="b."><al>Belanghebbende, binnen het redelijke, alle mogelijkheden heeft benut om ook
                      voorde Belastingdienst als alleenstaande ouder te worden aangemerkt en
                      zodoende gebruik te kunnen maken van de voorliggende voorziening, de
                      alleenstaande ouderkop.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande ouder wordt
                  gelijkgesteld met de toepasselijke norm voor een alleenstaande ouder, artikel 21
                  onder a, aangevuld met de alleenstaande ouderkop die geldt als belanghebbende geen
                  toeslagpartner heeft. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil
                  tussen het inkomen van de alleenstaande ouder en de toepasselijke
                  bijstandsnorm.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.3 Toeslag voor alleenstaanden met inwonend, niet meer ten laste komend kind</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Indien in een alleenstaand oudergezin, het laatste in de gezinsbijstand begrepen
              kind niet meer ten laste van de ouder komt, is op deze ouder het normbedrag van een
              alleenstaande van toepassing. Deze situatie kan ontstaan doordat het kind de leeftijd
              van 18 jaar bereikt of doordat het kind studiefinanciering of inkomsten vanuit werk
              ontvangt. Let op! Er bestaat alleen recht op een garantietoeslag wanneer de betrokkene
              (de voormalige alleenstaande ouder) al een bijstandsuitkering ontvangt en op dat
              moment het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind 18 jaar wordt. Voor "nieuwe"
              aanvragen geldt dit niet en dient de betrokkene als alleenstaande aangemerkt te worden
              zonder dat er recht bestaat op een garantietoeslag. Om de overgang naar de andere norm
              soepel te laten verlopen, kan de gemeente, indien er hogere kosten dienen te worden
              gemaakt, de bijstand tijdelijk daarop afstemmen door een aanvulling met bijzondere
              bijstand.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De toeslag wordt verleend op voorwaarde dat dit kind tot het huishouden van de
                  alleenstaande blijft behoren.</al></li>
                <li nr="2."><al>De toeslag wordt verleend voor maximaal 6 maanden, waarbij de toeslag na 3
                  maanden wordt gehalveerd.</al></li>
                <li nr="3."><al>De hoogte van de garantietoeslag wordt bepaald op het verschil tussen de
                  gehuwdennorm en het gezamenlijk inkomen van ouder en kind vanaf het moment dat het
                  laatste in de gezinsbijstand begrepen kind 18 jaar wordt. De normwijziging en de
                  garantietoeslag gaan dus in vanaf de 18de verjaardag van het kind.</al></li>
                <li nr="4."><al>Alle inkomsten van ouder en kind worden bij de berekening van de garantietoeslag
                  meegenomen met uitzondering van:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>de premie deeltijdwerk;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de vrijlating van inkomsten uit arbeid;</al></li>
                    <li nr="c."><al>het inkomen van andere inwonende kinderen;</al></li>
                    <li nr="d."><al>neveninkomsten van het studerende kind tot een maximum van 10% van het
                      minimumloon per maand.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="5."><al>Indien het kind studiefinanciering ontvangt ingevolge de WSF 2000, wordt dat
                  inkomen bepaald op het voor de kosten van levensonderhoud geldende normbedrag als
                  genoemd in artikel 33 lid 2 Participatiewet. Dit normbedrag geldt ongeacht het
                  bedrag dat het daadwerkelijke bedrag aan studiefinanciering dat het kind ontvangt.
                  Indien het kind studietoelage ontvangt ingevolge de Wtos, wordt het inkomen
                  bepaald op het bedrag dat het studerende kind ontvangt aan basistoelage.</al></li>
                <li nr="6."><al>Aan het verlenen van de garantietoeslag wordt de voorwaarde verbonden dat het
                  inwonend kind een beroep doet op de onderhoudsplicht van zijn ouder, die niet in
                  gezinsverband met hem leeft.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>3.4 Individuele inkomenstoeslag</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
              In de “Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Olst-Wijhe” zijn de regels
              over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
              Participatiewet vastgelegd. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag
              inkomen bij een inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast
              is bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag vastgelegd. </al>
              <al/>
              <al>In deze beleidsregels is opgenomen welke groepen niet in aanmerking komen voor
              individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
              inkomensverbetering. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
              inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de
              persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die
              omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li>
                <li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                  komen</al></li>
              </lijst>
              <al>Deze omstandigheden zijn uitgewerkt in lid 5 en 6.</al>
              <al>Personen opgenomen in een inrichting kunnen ook in aanmerking komen voor de
              individuele inkomenstoeslag. Deze belanghebbende moet om in aanmerking te komen
              natuurlijk wel aan de overige genoemde voorwaarden voldoen.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de voorwaarden voor het recht op de individuele inkomenstoeslag wordt
                  verwezen naar de Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Olst-Wijhe.</al></li>
                <li nr="2."><al>De individuele inkomenstoeslag kan maximaal eenmaal per jaar worden verstrekt en
                  dient elk jaar opnieuw te worden aangevraagd.</al></li>
                <li nr="3."><al>De peildatum is de datum waarop in enig jaar het recht op de individuele
                  inkomenstoeslag ontstaat. De peildatum kan niet voor de aanvraagdatum liggen.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het toetsen van de criteria voor langdurig een laag inkomen begint te lopen
                  vanaf het moment dat de aanvrager in Nederland verblijft.</al></li>
                <li nr="5."><al>Als er in de laatste 12 maanden sprake is geweest van het verwijtbaar niet
                  nakomen van arbeids- en/of re- integratieverplichtingen, waarvoor een maatregel
                  van 20% of meer is opgelegd, bestaat er geen recht op de inkomenstoeslag. Er was
                  uitzicht op inkomensverbetering, maar door eigen toedoen is dit teniet gedaan.
                  Gedragingen waarvoor een maatregel is opgelegd van minder dan 20% staan de
                  inkomenstoeslag niet in de weg.</al></li>
                <li nr="6."><al>Personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen (studenten) zijn
                  uitgesloten, omdat zij geacht worden uitzicht te hebben op een
                  inkomensverbetering.</al></li>
                <li nr="7."><al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is opgenomen in het financiële
                  besluit en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het
                  consumentenprijsindexcijfer.</al></li>
                <li nr="8."><al>De individuele inkomenstoeslag is geen voorliggende voorziening op individuele
                  bijzondere bijstand.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 4 Woonkosten</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.1 Woonkostentoeslag</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Bij de inwerkingtreding van de Wet op de huurtoeslag heeft er een wijziging
              plaatsgevonden bij de vaststelling van het inkomen. Voor de inwerkingtreding werd er
              gekeken naar het inkomen van het voorafgaande jaar. De huidige huurtoeslag wordt
              gebaseerd op het actuele inkomen. Indien gedurende het jaar inkomensveranderingen
              optreden, kan de huurtoeslag tussentijds worden aangepast. Ook andere mutaties die van
              invloed zijn op de huurtoeslag zoals hoogte van de huur en gezinssamenstelling kunnen
              tussentijds worden aangepast. In veel situaties is het daarom niet meer noodzakelijk
              om een woonkostentoeslag te verstrekken.</al>
              <al/>
              <al>Er kunnen zich echter 2 situaties voordoen waarbij er wel een woonkostentoeslag bij
              een huurwoning kan worden verstrekt, namelijk bij een huurder die een nieuwe woning
              betrekt of als er sprake is van terugval van inkomsten en daardoor geen recht op
              huurtoeslag bestaat aangezien de huur boven de maximale huurgrens ligt.
              Woonkostentoeslag kan ook worden verstrekt bij een koopwoning, bijvoorbeeld indien er
              sprake is van een dusdanige verlaging van het inkomen dat de woonkosten niet meer
              (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden.</al>
              <al>Voor de berekening moet het berekeningsformulier bijzondere bijstand voor
              woonkostentoeslag worden gebruikt. </al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>4.1.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende bewoont een woning, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op
                  artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag (maximale huurgrens) geen belemmering
                  vormt voor toekenning van de huurtoeslag maar door omstandigheden buiten zijn
                  schuld kan hij nog geen aanspraak maken op de huurtoeslag. De woonkostentoeslag
                  wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop de belanghebbende wel in
                  aanmerking komt voor huurtoeslag.</al></li>
                <li nr="2."><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die
                  belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond
                  van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de woonkosten van een huurwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de
                  Wet op de huurtoeslag te boven gaat kan bijzondere bijstand worden verstrekt, voor
                  zover door een wijzing in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft een
                  inwonende de woonkosten niet meer volledig uit het inkomen kunnen worden
                  voldaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de huur meer bedraagt dan de maximum huurgrens, dan kan op grond van
                  individuele omstandigheden overwogen worden om een (aanvullende) woonkostentoeslag
                  te verlenen. Besteedt in dit verband in ieder geval aandacht aan het betoonde
                  besef van verantwoordelijkheid: was de ontstane situatie te voorzien en dus te
                  voorkomen? Daarnaast speelt de situatie op de lokale woningmarkt een rol.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien er aanleiding bestaat om op grond van lid 4 een woonkostentoeslag te
                  verstrekken, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld op de
                  woonkosten(rekenhuur) minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij een
                  huur gelijk aan de maximum huurgrens.</al></li>
                <li nr="6."><al>De woonkostentoeslag wordt in het geval genoemd in lid 5 toegekend voor de
                  periode van maximaal 1 jaar. Daarbij wordt met toepassing van artikel 55
                  Participatiewet, de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting
                  waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. Van zijn inspanningen dient de
                  belanghebbende bewijsstukken te overleggen. De verhuisplicht en de bijbehorende
                  voorwaarden dienen expliciet in de toekenningsbeschikking opgenomen te
                  worden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>4.1.2 Woonkostentoeslag bij een koopwoning</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Aan een belanghebbende die een eigen woning bezit, die tevens door hem wordt
                  bewoond en waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op
                  de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag wordt een
                  woonkostentoeslag verstrekt.</al></li>
                <li nr="2."><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de
                  belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond
                  van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de woonkosten van de koopwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de
                  Wet op de huurtoeslag te boven gaat kan bijzondere bijstand worden verstrekt, voor
                  zover door een wijzing in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft een
                  inwonende de woonkosten niet meer volledig uit het inkomen kunnen worden
                  voldaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de woonkosten van de koopwoning meer bedragen dan de maximum huurgrens,
                  dan kan op grond van individuele omstandigheden overwogen worden om een
                  (aanvullende) woonkostentoeslag te verlenen. Besteedt in dit verband in ieder
                  geval aandacht aan het betoonde besef van verantwoordelijkheid: was de ontstane
                  situatie te voorzien en dus te voorkomen? Daarnaast speelt de situatie op de
                  lokale woningmarkt een rol.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien er aanleiding bestaat om op grond van lid 4 een woonkostentoeslag te
                  verstrekken, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag vastgesteld op de
                  woonkosten(rekenhuur) minus de eigen bijdrage die verschuldigd zou zijn bij
                  woonkosten gelijk aan de maximum huurgrens.</al></li>
                <li nr="6."><al>De woonkostentoeslag wordt in het geval genoemd in lid 5 toegekend voor de
                  periode van maximaal 1 jaar. Daarbij wordt met toepassing van artikel 55
                  Participatiewet, de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting
                  waarvoor wel recht bestaat op huurtoeslag. In ieder geval valt hieronder het
                  (actief) te koop zetten van de eigen woning. Van zijn inspanningen dient de
                  belanghebbende bewijsstukken te overleggen. De verhuisplicht en de bijbehorende
                  voorwaarden dienen expliciet in de toekenningsbeschikking opgenomen te
                  worden.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>4.2 Waarborgsom</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>In verschillende situaties kan het voorkomen dat de belanghebbende een waarborgsom
              moet voldoen ter verkrijging van een bepaalde prestatie zoals bijvoorbeeld bij het
              betrekken van nieuwe woonruimte. Over het algemeen, krijgt de huurder deze waarborgsom
              bij beëindiging van het huurcontract weer terug. De waarborgsom blijft in feite
              toebehoren aan de huurder maar hij kan er niet over beschikken. Er kan een noodzaak
              bestaan om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor een waarborgsom in de vorm van een
              (renteloze) geldlening. Belanghebbende ontvangt namelijk de waarborgsom op een later
              moment weer terug.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 5 Kosten van medische aard</label>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de AWBZ alle
              noodzakelijke medische of paramedische kostensoorten vergoeden. Beide regelingen
              gelden samen als een aan de Participatiewet voorliggende voorziening die passend en
              toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten
              (artikel 15 Participatiewet) In dit verband zij er op gewezen dat in de toelichting
              bij artikel 15 Participatiewet onder meer is opgemerkt dat de Participatiewet geen
              functie heeft indien binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen
              over de noodzakelijkheid van de voorziening in het algemeen of in een specifieke
              situatie. Indien op grond van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is
              gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de
              voorziening in een bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de
              Participatiewet zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die
              kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Voorbeelden hiervan zijn
              loophulpmiddelen zoals een rollator of krukken. </al>
              <al>Dit betekent tevens dat medische of paramedische kosten die niet op grond van de Zvw
              of AWBZ worden vergoed in beginsel ook niet in aanmerking komen voor bijzondere
              bijstand. Volgens de CRvB moet namelijk worden aangenomen dat in het kader van de Zvw
              en de AWBZ een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en
              heelkundige hulp. Deze uitspraken hebben weliswaar betrekking op de Zfw en AWBZ, maar
              aangenomen mag worden dat zulks ook geldt voor de Zvw en de AWBZ. </al>
              <al>De volgende medische kostensoorten worden niet noodzakelijk geacht:</al>
              <al>de kostensoorten bedoeld in artikel 14 onderdeel e Participatiewet</al>
              <al>Geen bijstand wordt verleend voor de kosten van medische handelingen en
              verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld
              in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische
              behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden. Het betreft hier een
              absoluut verbod. </al>
              <al>de medische of paramedische kosten die bewust buiten het Zvw-pakket zijn
              gelaten</al>
              <al/>
              <al>Ingeval de voorziening als zodanig in het concrete geval door die instantie niet
              noodzakelijk wordt geacht en derhalve ook geen vergoeding wordt toegekend, kan geen
              bijstand worden verleend. In de Zvw gaat het dan bijvoorbeeld om de kosten verbonden
              aan alternatieve geneeswijzen.</al>
              <al>Een aanvraag om bijstand ter vergoeding van de hieraan verbonden kosten kan, gelet
              op het bovenstaande, worden afgewezen met toepassing van artikel 15 Participatiewet. </al>
              <al/>
              <al>Wordt de voorziening in het individuele geval op grond van de Zvw wel noodzakelijk
              geacht, maar worden de kosten om budgettaire redenen niet of niet volledig vergoed,
              dan heeft het college de bevoegdheid, alsmede in voorkomende gevallen de plicht, om
              (aanvullende) bijstand te verlenen voor zover die kosten door de voorliggende
              voorziening voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht.</al>
              <al/>
              <al>Bijstandsverlening is, in afwijking van hetgeen in het bovenstaande is gesteld toch
              mogelijk indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende
              redenen aanwezig zijn (artikel 16 lid 1 Participatiewet). Het criterium "zeer
              dringende redenen" mag echter niet al te ruim worden geïnterpreteerd. Het kan alleen
              worden toegepast bij acute noodsituaties. Daarvan zal, ook bij aanvragen om bijzondere
              bijstand voor medische kosten niet snel sprake zijn. Op grond van het
              motiveringsbeginsel zoals dat is neergelegd in artikel 3:46 Awb dient het college de
              mogelijkheid om wegens dringende redenen in afwijking van artikel 15 Participatiewet
              toch bijstand te verlenen altijd te beoordelen. Het is daarom aan te bevelen om in de
              beschikking, waarin met toepassing van (een van beide redenen in) dit artikel de
              aanvraag om bijstand wordt afgewezen, uitdrukkelijk te vermelden dat niet is gebleken
              van dringende redenen om toch bijstand toe te kennen. Zo mogelijk dient dit nader te
              worden gemotiveerd.</al>
              <al/>
              <al>Betreft het een aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten en is er geen
              sprake van zeer dringende redenen dan heeft het college op grond van de
              Participatiewet niet de bevoegdheid om bijstand te verlenen voor de betreffende
              kosten. Indien het college desondanks toch bijstand wil verlenen, dan zal het daarvoor
              zelf beleid moeten formuleren. Men spreekt in dit verband over buitenwettelijk beleid.
              De rechter kan buitenwettelijk beleid slechts terughoudend toetsen. Het eventueel van
              toepassing zijnde buitenwettelijk gemeentelijk beleid inzake bijstandsverlening voor
              medische kosten is indien van toepassing opgenomen in deze beleidsregels. </al>
              <al>Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw worden vergoed
              komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Medische kosten die zijn
              uitgesloten van vergoeding op grond van de Zvw (bijvoorbeeld de kosten van
              alternatieve geneeswijzen zoals acupunctuur en kosten van diverse farmaceutische
              middelen) worden soms toch vergoed op grond van een aanvullende of collectieve
              verzekering. Daarbij geldt dan meestal een eigen bijdrage. Of deze eigen bijdrage
              wordt vergoed is afhankelijk van het wel of niet zijn uitgesloten van die medische
              kosten op grond van de Zvw. Als de kosten buiten het vergoedingenpakket van de Zvw
              vallen, komen deze eigen bijdragen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al/>
              <al>Het is mogelijk dat de verzekerde de zorg van een niet door zijn zorgverzekeraar
              gecontracteerde zorgaanbieder af wil nemen. In een dergelijk geval zal de vergoeding
              veelal niet volledig zijn. Wellicht zal de belanghebbende voor het restant van de
              kosten bijstand aanvragen. Deze kosten zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van
              artikel 35 lid 1 Participatiewet, voor zover bij gebruik van een wel gecontracteerde
              zorgaanbieder deze kosten wel vergoed zouden worden. Er kan dan in beginsel geen
              bijstand worden verleend.</al>
              <al/>
              <al>Een zorgverzekeraar kan polissen aanbieden waarin bepaalde om ethische of
              levensbeschouwelijke redenen controversiële prestaties buiten de dekking van de
              zorgverzekering blijven. Indien de verzekerde voor een dergelijke 'vermagerde' polis
              kiest, dan komt hem geen bijstand toe voor de kosten die buiten de dekking zijn
              gelaten. Analoog aan een vrijwillig gekozen hoger eigen risico, kan het gevolg van
              voormelde keuze niet worden afgewenteld op de Participatiewet in die zin dat de kosten
              van dit hogere eigen risico als noodzakelijk zouden moeten worden aangemerkt.</al>
              <al>Voor de bijzondere bijstand geldt de ziektekostenverzekering als voorliggende
              voorziening. Indien men er zelf voor kiest om zich niet te verzekeren tegen een
              algemeen aanvaard risicopakket komen deze kosten volgens vaste jurisprudentie niet
              voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking. Bij de verlening van bijzondere
              bijstand wordt er vanuit gegaan dat er een verplichte basisverzekering is afgesloten.
              Daarnaast heeft de gemeente met Salland Verzekeringen een collectieve
              ziektekostenverzekering voor minima afgesloten. De polis bestaat uit een Plus
              aanvullende verzekering en een Tandplus verzekering voor mondzorg. Daarnaast kent de
              gemeente een vergoeding voor de premie van de aanvullende ziektekostenverzekering. </al>
              <al/>
              <al>In het algemeen wordt, voor de vaststelling van de maximale hoogte van de
              vergoedingen aangesloten bij het Pluspakket van Salland verzekeringen. </al>
              <al>Wanneer de aanvrager zich elders aanvullend verzekerd heeft wordt voor de hoogte van
              de te verlenen bijstand aansluiting gezocht bij de vergoeding die verleend wordt op
              basis van die aanvullende verzekering.</al>
              <al>Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de individuele
              omstandigheden de hoogte van de eventuele bijstand. In dat geval bedraagt de
              vergoeding maximaal wat voor eigen rekening zou zijn gebleven indien men aanvullend
              verzekerd zou zijn op grond van de standaard aanvullende verzekering van de
              zorgverzekeraar waarbij de belanghebbende verzekerd is.</al>
              <al/>
              <al>De belanghebbende heeft namelijk een wettelijk recht om zelf een verzekeraar te
              kiezen. Hij kan niet gedwongen worden om zich bij een bepaalde zorgverzekeraar te
              verzekeren. Een en ander volgt uit de beantwoording van diverse Kamervragen door de
              ministers van SZW en VWS.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.2 Medisch advies</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij het bepalen of er bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor medische kosten
              is het van belang om de medische noodzakelijkheid vast te stellen omdat alleen dan de
              kosten (deels) kunnen worden vergoed. Als uitgangspunt wordt genomen dat alle kosten
              die onder de basisverzekering vallen en volledig of deels worden vergoed als medisch
              noodzakelijke kosten worden beschouwd. Daarnaast wordt voorgesteld om de onderstaande
              medisch kosten, in aanmerking te laten komen voor bijzondere bijstand, omdat deze op
              grond van de Zvw en Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) medisch noodzakelijk
              worden geacht maar toch om budgettaire redenen niet of niet volledig worden
              vergoed:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Brillen en contactlenzen;</al></li>
                <li nr="-"><al>Tandheelkundigenhulp voor volwassenen;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische voorziening voor de
                  boven en/of onderkaak (“kunstgebit”);</al></li>
                <li nr="-"><al>De eigen bijdrage in de kosten van psychotherapie die op grond van de AWBZ wordt
                  opgelegd;</al></li>
                <li nr="-"><al>De kosten van de eerste 5 behandelingen fysiotherapie en oefentherapie;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor een pruik;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in orthopedisch schoeisel;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in kraamzorg;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in ziekenvervoer.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>De voorwaarden waaronder bijzondere bijstand kan worden verleend en de hoogte van de
              (maximale) vergoedingen zijn uitgewerkt in de nadere voorwaarden in dit
              hoofdstuk.</al>
              <al/>
              <al>Voor de overige medische kosten zal door middel van een aan te vragen medisch advies
              moeten worden bepaald of de kosten als medisch noodzakelijk kunnen worden beschouwd.
              Als dit niet het geval is dan komen de kosten niet voor vergoeding vanuit de
              bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al>In voorkomende gevallen kan het college de medische noodzaak laten vaststellen door
              een hiervoor aangewezen instantie. De bijzondere bijstand moet aangevraagd zijn voor
              met de (voortgezette) behandeling wordt gestart en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst
              een medisch advies kan worden opgevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst
              adequate voorziening vast te stellen.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.3 Collectieve ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De gemeente Olst-Wijhe heeft een collectieve ziektekostenverzekering afgesloten
              speciaal voor mensen met een lager inkomen bij Salland Verzekeringen. Deelnemers zijn
              aanvullend verzekerd voor het Pluspakket en Tandplus pakket (SallandPlus).</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende met een netto maandinkomen tot en met 110% van de voor hen
                  geldende bijstandsnorm of inkomensvoorziening, inclusief vakantiegeld, kunnen
                  deelnemen aan de collectieve ziektekostenverzekering van de door het college
                  aangewezen zorgverzekeraar.</al></li>
                <li nr="2."><al>De basisverzekering wordt als voorliggende voorziening gehanteerd voor het
                  verlenen van bijzondere bijstand.</al></li>
                <li nr="3."><al>De collectieve verzekering eindigt indien;</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>Het netto inkomen hoger wordt dan genoemd in lid 1.</al></li>
                    <li nr="b."><al>Verzekerde verhuist buiten de gemeente Olst-Wijhe.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="4."><al>De verzekering eindigt per de eerste januari van het volgend kalenderjaar omdat
                  een aanvullende verzekering niet tussentijds kan worden opgezegd.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien verzekerde komt te overlijden eindigt de collectieve verzekering met
                  ingang van de dag na het overlijden.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand voor medische kosten wordt
              er vanuit gegaan dat iedereen naast de basisverzekering een aanvullende
              ziektekostenverzekering (inclusief) tandheelkunde) afsluit zonder vrijwillig eigen
              risico. Dit betekent dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die
              op grond van de aanvullende verzekering worden vergoed. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor de premie aanvullende ziektekostenverzekering wordt
                  verstrekt voor zover men aanvullend verzekerd is. De maximale hoogte is geregeld
                  in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de maximale vergoeding zoals
                  vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen financieel besluit verminderd met de
                  eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op grond van artikel 9 lid 6.</al></li>
                <li nr="3."><al>De mensen die collectief verzekerd zijn bij Salland verzekeringen krijgen het
                  bedrag automatisch op hun rekening bijgeschreven aangezien van hen bekend is dat
                  zij aan de inkomens-en vermogenseisen voldoen en dat zijn aanvullend verzekerd
                  zijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>De overige personen moeten de tegemoetkoming zelf aanvragen en hierbij aantonen
                  dat zij aanvullend verzekerd zijn.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien niet het hele jaar recht op bijzondere bijstand bestaat wordt het bedrag
                  na rato van de periode waarover wel het recht bestaat omgerekend.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is een verplicht eigen risico opgenomen. Hier is
              sprake van een algemene maatregel, die geldt voor alle verzekerden. Daarnaast is het
              mogelijk een vrijwillig eigen risico af te sluiten, hierdoor wordt er een lagere
              premie betaald.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor het verplichte eigen risico.
                  Alleen en voor zover het verplichte eigen risico volledig is opgebruikt.</al></li>
                <li nr="2."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de maximale vergoeding zoals
                  vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit verminderd met de
                  eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op grond van artikel 9 lid 6.</al></li>
                <li nr="3."><al>De bijstand kan worden aangevraagd binnen hetzelfde kalenderjaar waarbinnen het
                  volledig eigen risico is opgebruikt. Indien de bijdrage wordt opgelegd in een
                  later kalenderjaar dient de bijzondere bijstand te worden aangevraagd binnen drie
                  maanden na ontvangst van het bericht dat het volledig eigen risico is
                  opgebruikt.</al></li>
                <li nr="4."><al>Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het vrijwillige eigen
                  risico. Belanghebbende neemt hiervoor zelf de beslissing en daardoor kan dit
                  risico niet worden afgewenteld op de gemeente.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.6 Brillen/contactlenzen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering zijn voor de
              kosten van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen in beginsel aan te merken
              als aan de bijzondere bijstand voorliggende, toereikende en passende voorziening. Er
              is door de wetgever een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van
              de kosten van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen, zodat ( aanvullende )
              bijzondere bijstandsverlening in beginsel niet aan de orde is. Slechts indien er
              sprake is van zeer dringende of medische redenen kan hiervan afgeweken worden.</al>
              <al>Bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor een bril of contactlenzen moet
              rekening worden gehouden met de vergoeding die de collectieve aanvullende verzekering
              (SallandPlus) kent. De vergoeding is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen
              Financieel besluit. Salland vergoedt in 2015 maximaal € 75,00 (inclusief montuur) per
              2 kalenderjaren. De klant kan op grond van de voorwaarden van Salland ook kiezen voor
              een "gratis" bril via Specsavers.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Is er sprake van het ontbreken van een aanvullende zorgverzekering kan men in
                  aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De bijstand wordt verstrekt eenmaal per
                  twee kalenderjaren en de hoogte van de vergoeding is vastgelegd in het in bijlage
                  1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>De kosten van vervanging van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen
                  komen pas in aanmerking voor vergoeding indien de aanschaf plaatsvindt na 24
                  maanden na de vorige aanschaf. Hierbij wordt aangesloten bij het
                  verstrekkingenbeleid van de meeste zorgverzekeraars.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien binnen twee jaar een verzoek om bijstand in de kosten van aanschaf voor
                  een nieuwe bril wordt gedaan, wordt dit verzoek afgewezen, tenzij er sprake is van
                  wijziging van de sterkte van glazen. Indien er sprake is van wijziging van een
                  sterkte van +1 of -1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de aanschaf van
                  nieuwe glazen. Er wordt van uitgegaan dat de glazen gezet kunnen worden in het
                  “oude montuur”.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien een beroep wordt gedaan op bijstand in verband met een duurdere
                  voorziening op grond van medische klachten dan dient er een verklaring van een
                  oogarts verstrekt te worden. Er dient dan sprake te zijn van brillenglazen of
                  contactlenzen van +8 of -8.</al></li>
                <li nr="5."><al>De maximale vergoeding bij toepassing van lid 4 voor een bril (montuur en
                  glazen) is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.7 Hoortoestellen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De Zorgverzekeringswet (Zvw) en AWBZ moeten beschouwd worden als een aan de
              bijstandsverlening in de weg staande voorliggende voorziening als bedoeld in artikel
              15 Participatiewet. Dat de zorgverzekering geen volledige dekking voor deze kosten
              biedt en slechts een deel van de kosten vergoedt, doet hieraan niet af. De kosten van
              een gehoortoestel komen in aanmerking voor vergoeding door de zorgverzekeraar op grond
              van de Zvw, Besluit zorgverzekering en Regeling zorgverzekering. Het is mogelijk dat
              de kosten van het gekozen hoortoestel hoger zijn dan de maximale vergoeding die op
              basis van de Regeling zorgverzekering mogelijk is.</al>
              <al>Voor de hoogte van de aanvullende vergoeding wordt aangesloten bij de vergoeding van
              de collectieve aanvullende verzekering SallandPlus. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan eens in de vijf jaar voor een hoorapparaat bijzondere bijstand worden
                  verstrekt.</al></li>
                <li nr="2."><al>De vergoeding komt bovenop de vergoeding vanuit de basisverzekering. Vaak
                  krijgen mensen met een aanvullende verzekering nog een extra vergoeding.</al></li>
                <li nr="3."><al>Als men dus niet aanvullend (of elders aanvullend-) verzekerd is kan dus eens in
                  de vijf jaar bijzondere bijstand voor een hoortoestel worden toegekend.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Kosten van de batterijen en een serviceabonnement van een gehoortoestel behoren tot
              de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en komen daarom in aanmerking voor
              bijzondere bestand. Hierbij geldt dat wordt aangesloten bij de collectieve
              ziektekostenverzekering van de gemeente Olst-Wijhe.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de kosten van de batterijen voor een gehoorapparaat kan maximaal eenmaal
                  per jaar bijzondere bijstand worden verleend.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een forfaitair bedrag
                  vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor de kosten van een serviceabonnement kan eens in de vijf jaar bijzondere
                  bijstand worden verstrekt, de hoogte is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen
                  Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="4."><al>Daarbij dient wel gekeken te worden in hoeverre een eventueel elders afgesloten
                  aanvullende verzekering de batterijen en serviceabonnement vergoedt.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.9 Bewassing- en kleding slijtagekosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Kleding- en schoeiselslijtage kunnen het gevolg zijn van het gebruik van prothesen,
              stoornissen van houding en bewegingsapparaat, het evenwicht, het bewustzijn of het
              coördinatievermogen. Extra waskosten kunnen voortkomen uit incontinentie, gebruik
              medicatie zoals zalf, bedlegerigheid, gebruik van een stoma of overmatig
              transpireren.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In bijzondere omstandigheden kan voor de kosten van bewassing- en/of kleding
                  slijtage maximaal eenmaal per jaar bijzondere bijstand worden verleend.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende waskosten wordt
                  bepaald aan de hand van de GMD-lijst (Gemeenschappelijk Medische Dienst van het
                  GAK). De GMD lijst bestaat officieel niet meer, maar wordt nog wel jaarlijks door
                  het handboek Grip op Participatiewet (Schulinck) geïndexeerd. De GMD lijst gaat in
                  op kosten in geval van ziekte of handicap.</al></li>
                <li nr="3."><al>De meerkosten van kleding wordt bepaald aan de hand NIBUD-Prijzengids bij een
                  inkomen op bijstandsniveau respectievelijk het voor de andere inkomensklasse
                  gebruikelijke bedrag voor kleding op grond van het NIBUD-Budgethandboek.</al></li>
                <li nr="4."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55
                  Participatiewet een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden
                  aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.</al></li>
                <li nr="5."><al>De noodzaak kan zo nodig door een medisch advies worden vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.10 Dieetpreparaten en dieetkosten</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>5.10.1 Dieetpreparaten</label>
              </kop>
              <al>Dieetpreparaten zijn voedingsmiddelen die ten opzichte van de normale voeding zowel
              een gewijzigde chemische samenstelling (voedingskundige samenstelling) als een
              gewijzigde fysische samenstelling (andere consistentie zoals vloeibaar of poeder)
              hebben. Voorbeelden van dieetpreparaten zijn de drinkvoedingen zoals Nutridrink,
              Fortimel en dergelijke.</al>
              <al/>
              <al>De AWBZ en Zvw dienen voor de kosten van dieetpreparaten te worden beschouwd als aan
              de Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. Dit betekent
              dat artikel 15 Participatiewet in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in
              deze kosten in de weg staat. In afwijking hiervan is toch bijstandsverlening mogelijk
              indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen
              aanwezig zijn (artikel 16 lid 1 Participatiewet).</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>5.10.2 Dieetkosten</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Dieetkosten zijn de meerkosten die ten opzichte van de kosten van een normale
              gezonde voeding, ontstaan door het volgen van een (medisch noodzakelijk) dieet. Met
              voedingssupplementen worden diverse pillen, tabletten, capsules, druppels en poeders
              aangeduid die als aanvulling op de dagelijkse voeding bedoeld zijn. Dieetkosten en
              voedingssupplementen behoren niet tot het zorgpakket van de wettelijke
              ziektekostenverzekeringen AWBZ en Zvw. Deze kunnen dan ook niet als voorliggende,
              toereikende en passende voorzieningen worden aangemerkt. Dit betekent dat verlening
              van bijzondere bijstand mogelijk is indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden.
              Daarbij is met name van belang: Betreft het (aantoonbare) medisch noodzakelijke kosten
              van het bestaan?</al>
              <al>Wil een dieet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan horen dan zal een
              deskundige de (medische) noodzaak van het dieet moeten kunnen vaststellen. Maar het
              feit dat een dieet door een diëtist is opgesteld maakt niet dat dit per definitie
              medisch noodzakelijk is. Uit jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat de volgende
              (alternatieve) diëten en voedingssupplementen medisch niet noodzakelijk zijn:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>een Myalgische Encephalomyelitis (M.E.)-dieet.</al></li>
                <li nr="-"><al>een Candida-dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair therapeut</al></li>
                <li nr="-"><al>voedingssupplementen voorgeschreven door een osteopaat.</al></li>
                <li nr="-"><al>diabetesdieet. Dit dieet was weliswaar noodzakelijk, doch hieraan zijn volgens
                  de GGD geen meerkosten verbonden (zie CRvB 20-08-2002, nr. 00/376 NABW en CRvB
                  29-10-2002, nr. 99/3120 NABW).</al></li>
                <li nr="-"><al>een calcium verrijkt dieet (idem, zie CRvB 13-07-2010, nr. 08/4159 Wwb).</al></li>
              </lijst>
              <al>De kosten voor normale voeding kan belanghebbende voldoen uit een inkomen ter hoogte
              van de toepasselijke norm algemene bijstand. Er dient dus sprake te zijn van
              meerkosten ten opzichte van normale voeding (referentievoeding). </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er moet bij belanghebbende sprake zijn van een (vastgestelde) medische
                  noodzaak.Dit moet bij de 1e aanvraag worden vastgesteld aan de hand van een
                  opgevraagd medisch advies. </al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>De meerkosten per jaar van een dieet zijn opgenomen de in prijzengids van het
                  Nibud (te vinden in het handboek Grip op Participatiewet onder 'Meerkosten
                  dieetvoeding'.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor de diëten die niet in de tabel van het Nibud worden genoemd worden geacht
                  geen meerkosten aanwezig te zijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de meerkosten van een dieet
                  verminderd met de eigen draagkracht.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien de belanghebbende als gevolg van meerdere voedselintoleranties een
                  combinatiedieet dient te volgen dan zijn de kosten hiervan niet per definitie
                  gelijk aan de optelsom van twee of meer normdiëten. De toepasselijke normdiëten
                  zullen volgens de regels van de dieetleer ineengeschoven moeten worden, zodat een
                  voor alle diagnosen verantwoord en een op de persoon toegesneden dieet resulteert.
                  Van dit samengestelde dieet zullen vervolgens de kosten moeten worden berekend en
                  afgezet tegen de kosten van de referentievoeding. Hiertoe zal het college een
                  advies moeten vragen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.11 Zelfzorggeneesmiddelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Naast de voedingssupplementen zijn er ook de zelfzorggeneesmiddelen. Sinds 1999 moet
              iedereen zijn zelfzorggeneesmiddelen zelf betalen, behalve belanghebbenden die deze
              medicijnen langdurig gebruiken. Zij krijgen op grond van de Regeling zorgverzekering
              deze geneesmiddelen wel vergoed door de zorgverzekeraar. De zelfzorggeneesmiddelen die
              in het zorgverzekeringspakket zijn opgenomen voor mensen die deze chronisch gebruiken,
              zijn de volgende vijf groepen zelfzorgmiddelen:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>middelen bij allergie</al></li>
                <li nr="-"><al>middelen bij maagledigingsstoornissen</al></li>
                <li nr="-"><al>middelen bij diarree</al></li>
                <li nr="-"><al>kalktabletten</al></li>
                <li nr="-"><al>laxeermiddelen</al></li>
              </lijst>
              <al>In de overige gevallen bestond ook voor 1 januari 2004 geen aanspraak op vergoeding
              van zelfzorgmiddelen. Aangenomen moet worden dat er in het kader van de AWBZ en Zvw
              een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen. Er
              bestaat in beginsel dan ook geen recht op bijzondere bijstand voor de
              zelfzorgmiddelen. Tenzij het de kosten van een chronisch gebruiker betreft en deze
              hiervoor geen beroep kan doen op de Zvw. Onder chronisch gebruik wordt langer dan zes
              maanden verstaan. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.12 Geneesmiddelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De AWBZ en Zvw dienen voor de kosten van geneesmiddelen in beginsel als aan de
              Participatiewet voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden
              beschouwd. De aanspraak op geneesmiddelen is geregeld in de Regeling zorgverzekering.
              Bijlage 2 bij deze regeling bevat een overzicht van de geneesmiddelen waarop, soms
              onder bepaalde voorwaarden, aanspraak kan worden gemaakt. Indien de AWBZ en Zvw de
              voorgeschreven geneesmiddelen niet vergoeden, bestaat er in beginsel ook geen recht op
              bijzondere bijstand. Aangenomen moet worden dat er in het kader van de AWBZ en Zvw een
              bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen.
              Artikel 15 Participatiewet staat dan in beginsel aan toekenning van bijzondere
              bijstand in de weg.</al>
              <al>Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan bijzondere bijstand worden
              verstrekt. Dit is denkbaar bij abrupte beëindiging van medicijnen en bij het niet
              kunnen verdragen van bepaalde geneesmiddelen uit het GVS. De noodzaak moet worden
              vastgesteld aan de hand van een opgevraagd medisch advies.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.13 Alternatieve geneeswijzen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Geen recht op bijzondere bijstand</vet>
              </al>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband
              houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het
              kader van de Participatiewet als een voorliggende voorziening die passend en
              toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten
              (artikel 15 Participatiewet).</al>
              <al/>
              <al>Indien in het kader van de AWBZ en Zvw op grond van een bewuste beslissing over de
              noodzakelijkheid van een voorziening de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten
              niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet
              noodzakelijk te achten, dient de Participatiewet zich bij die keuze aan te sluiten en
              komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Dit
              betekent in het algemeen dat kostensoorten die niet op grond van de Zvw of AWBZ worden
              vergoed ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand krachtens artikel 35 lid
              1 Participatiewet. Dit is slechts dan anders als de betreffende kosten noodzakelijk
              zijn, maar de kosten om budgettaire redenen niet of niet langer op grond van een
              voorliggende voorziening (volledig) worden vergoed. Dan heeft het college wel de
              mogelijkheid om op grond van artikel 35 lid 1 Participatiewet (aanvullende) bijzondere
              bijstand te verlenen.</al>
              <al/>
              <al>De kosten van alternatieve geneeswijzen worden niet vergoed in de AWBZ en Zvw. Met
              artikel 2.4 lid 1 Besluit zorgverzekeringen is een bewuste beslissing genomen over de
              noodzaak van het vergoeden van de kosten van alternatieve geneeskundige behandelingen.
              De kosten van alternatieve geneeswijzen worden niet vergoed omdat de werking ervan
              niet wetenschappelijk is bewezen. Voor deze kosten bestaat in beginsel ook geen recht
              op bijstand. De wettelijke grondslag hiervoor is artikel 15 Participatiewet (zie CRvB
              22-03-2011, nr. 08/7181 WWB).</al>
              <al>Soms wordt een deel van de kosten voor alternatieve geneeswijzen toch op basis van
              een aanvullende verzekering vergoed. Ondanks dat is er, gelet op het bovenstaande, ook
              dan in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk voor de kosten van de eigen
              bijdrage.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.14 Bevalling en Kraamhulp</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Als voorliggende voorziening wordt aangemerkt de Zorgverzekeringswet, AWBZ en met
              betrekking tot de draagkracht een eventuele zwangerschaps-/bevallingsuitkering. Als
              bevalling op medisch of sociaal advies in het ziekenhuis plaatsvindt, vindt vergoeding
              plaats door de zorgverzekeraar. De kosten van kraamhulp behoren tot de bijzondere
              noodzakelijke kosten van het bestaan. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verleend. De bijzondere
                  bijstand voor kraamhulp kan worden toegekend na overlegging van het bewijs van
                  voorschotbetaling (het voorschot wordt dan betaalbaar gesteld) en onder de
                  voorwaarde dat de resterende eigen bijdrage wordt betaald na overlegging van de
                  definitieve nota. (Indien belanghebbende aanvullend verzekerd is voor het
                  Pluspakket van Salland, of een andere vergelijkbare aanvullende zorgverzekering
                  heeft, wordt de eigen bijdrage vergoed uit de aanvullende verzekering) (zie
                  Vergoedingenlijst Salland verzekeringen).</al></li>
                <li nr="2."><al>De voor eigen rekening blijvende kosten van een poliklinische bevalling komen
                  slechts voor bijzondere bijstand in aanmerking als sprake is van een medische
                  indicatie. Indien deze indicatie ontbreekt, bestaat geen recht op bijzondere
                  bijstand voor deze kosten.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.15 Persoonlijke alarmering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Het doel van de alarmeringsapparatuur is het zelfstandig wonen mogelijk maken voor
              personen die sociaal- en ADL-zelfredzaam zijn, maar als gevolg van ziekte of gebrek
              een verhoogd risico lopen in een noodsituatie te geraken.</al>
              <al>De apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze noodschakelaar waarmee men in
              noodsituaties een telefoonkiesautomaat in werking kan stellen. Deze automaat legt
              contact met een centrale, die een hulpverlener inschakelt voor daadwerkelijke
              assistentie. De apparatuur kan worden verstrekt aan gehandicapten. Als er sprake is
              van een medisch noodzaak worden de kosten op grond van de Regeling zorgverzekering
              vergoed. </al>
              <al>Aanvullend op deze verstrekking, op grond van de Regeling zorgverzekering,
              verstrekken veel gemeenten op basis van de Welzijnswet (flankerend ouderenbeleid) deze
              voorziening ook aan ouderen. Er is in sommige gevallen sprake van een voorliggende
              voorziening, de collectieve aanvullende verzekering SallandPlus vergoedt maximaal €
              100,- per jaar. </al>
              <al>Daarnaast kunnen er vanuit de gemeente, Salland Wonen of welzijnsorganisaties
              subsidies worden verstrekt. Voor het overige is er geen sprake van een voorliggende
              voorziening</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor vergoeding komt in aanmerking</al><lijst>
                    <li nr="-"><al>De kosten van een abonnement op het alarmeringssysteem voor personen die nog
                      over zelfstandige huisvesting beschikken.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>-De kosten van een abonnement op het alarmering systeem voor personen woonachtig
                  in een (aan)leunwoning of een verzorgingstehuis.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de opgelegde eigen
                  bijdrage.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de bijdrage voor de
                  kosten van alarmering vergoed. De overige kosten die de verzorgingshuizen in
                  rekening brengen voor een zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de
                  bijzondere bijstand in aanmerking</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.16 Extra Stookkosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Wanneer de woning in verband met medisch redenen extra verwarmd moet worden, brengt
              dat vaak extra kosten met zich mee. Voor deze extra kosten kan bijzondere bijstand
              worden verstrekt.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele
                  geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze
                  kosten.</al></li>
                <li nr="2."><al>Hiervan is in ieder geval sprake indien er een medische noodzaak is voor het
                  maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten wordt middels een
                  brief van de huisarts of een medisch advies vastgesteld. In dit advies wordt
                  aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de
                  behandelend specialist. Is er een medische noodzaak dan wordt vastgesteld of de
                  noodzakelijke verwarming betrekking heeft op:</al><lijst>
                    <li nr="-"><al>het woonvertrek in de koude maanden</al></li>
                    <li nr="-"><al>het woon- en slaapvertrek in de koude maanden</al></li>
                    <li nr="-"><al>het woonvertrek gedurende het hele jaar</al></li>
                    <li nr="-"><al>het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
              <al>Daarnaast zal door de medisch adviseur de geldigheidsduur van het advies worden
              aangegeven</al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de meerkosten. De meerkosten zijn de
                  extra kosten hoger dan het bedrag dat mensen in een vergelijkbare woning volgens
                  het NIBUD uitgeven aan stookkosten.</al></li>
                <li nr="4."><al>Op de voor bijstand in aanmerking komen de kosten wordt de (eventueel) aanwezige
                  draagkracht in mindering gebracht.</al></li>
                <li nr="5."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55
                  Participatiewet een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden
                  aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.17 Maaltijdvoorziening</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Alleen noodzakelijk gebruik van de maaltijdvoorziening kan voor bijzondere bijstand
              in aanmerking komen. Hieronder wordt verstaan het gebruik maken van een leverancier
              die de maaltijden thuis levert. De gedachte achter bijstandsverlening voor maaltijden
              is dat de persoon geen maaltijden meer kan bereiden en ook niet meer in staat is om
              hiervoor de spullen te kopen. Of te wel ze zijn afhankelijk van een
              maaltijdvoorziening die thuis geleverd wordt. Dit betekent dat maaltijden die gekocht
              worden bij een supermarkt, traiteur, of een slagerij niet voor bijstandsverlening in
              aanmerking komen.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende is redelijkerwijs niet meer in staat om zelf de warme maaltijd te
                  bereiden. De noodzaak wordt vastgesteld door de bijstandsconsulent. Hierbij wordt
                  aandacht besteed aan de mate van zelfredzaamheid van belanghebbende.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen
                  Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="3."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55
                  Participatiewet een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden
                  aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.18 Tandheelkundige hulp</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke tandheelkundige kosten.
              Beide regelingen gelden samen in het kader van de Participatiewet als een voorliggende
              voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is
              daarom in beginsel uitgesloten. Indien in het kader van de AWBZ en Zvw op grond van
              een bewuste beslissing over de noodzakelijkheid van een voorziening de keuze is
              gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de
              voorziening in een bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de
              Participatiewet zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die
              kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Dit betekent in het algemeen dat
              kostensoorten die niet op grond van de Zvw of AWBZ worden vergoed ook niet in
              aanmerking komen voor bijzondere bijstand. </al>
              <al>De gemeente Olst-Wijhe maakt een uitzondering voor een maximaal bedrag aan
              tandheelkundige kosten en sluit hierbij aan bij de collectieve verzekering van Salland
              Verzekeringen.</al>
              <al>Er wordt niet meer gekeken naar de kostensoort maar de vergoeding wordt vastgesteld
              op een maximumbedrag. Voor de kosten van orthodontie is geen vergoeding mogelijk, voor
              personen jonger dan18 jaar is de vergoeding opgenomen in de ziektekostenverzekering.
              Voor personen ouder dan 18 jaar is er bewust voor gekozen deze kostensoort niet in de
              voorziening op te nemen. </al>
              <al>Salland verzekeringen heeft er voor gekozen om een eigen bijdrage van 25% voor de
              tandartskosten in te voeren. Dit niet uit besparingsmotief maar vanuit het oogpunt van
              kostenbewustwording. Door de eigen bijdrage wordt meer nagedacht over het nut en de
              noodzaak van de behandeling. Deze vergoeding vanuit de bijzondere bijstand wel op 100%
              stellen gaat voorbij aan de doelstelling van Salland verzekeringen. Daarom is er voor
              gekozen ook hier aan te sluiten bij de vergoeding op grond van de aanvullende
              verzekering.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De gemeente Olst-Wijhe heeft met Salland Verzekeringen een collectieve
                  aanvullende ziektekostenverzekering (TandPlus) afgesloten. Hiervoor ontvangt men
                  op jaarbasis een vergoeding van 75% tot een maximum bedrag dat is vastgelegd in
                  het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien iemand ervoor heeft gekozen om een andere aanvullende (tandartskosten)
                  verzekering (al dan niet bij een andere verzekeraar), dan kunnen de kosten
                  eveneens voor 75% worden vergoed tot een maximaal bedrag dat is vastgelegd in het
                  financiële besluit (inclusief de vergoeding van de zorgverzekeraar).</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien in het geheel geen gebruik wordt gemaakt van de aanvullende Tandplus
                  verzekering dan kan men hiervoor een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de
                  eigen bijdrage voor de tandheelkundige kosten indienen. Voor het vaststellen van
                  de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de mogelijke vergoeding
                  van de ziektekostenverzekering. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand is
                  vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="4."><al>Slechts bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige medische
                  complicaties) kan overwogen worden om een hogere vergoeding te verstrekken in de
                  vorm van leenbijstand. Er moet dan wel een medisch advies aan de toekenning ten
                  grondslag liggen. Denk hierbij aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden
                  over meerdere jaren en overleg met de klant/toestemming voor leenbijstand.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.19 Gebitsprothese</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit worden
              vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van een kunstgebit
              (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed op grond van de basisverzekering tot
              een bepaald maximum bedrag, afhankelijk of de tandarts of een tandprotheticus de
              gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt een vergoeding via de aanvullende verzekering
              verstrekt. De overgebleven eigen bijdrage komt voor bijstandsverlening in
              aanmerking.</al>
              <al>Een medisch advies is niet nodig mits het gaat om een prothese die éénmaal per 5
              jaar wordtvervangen</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.20 Fysiotherapie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten van fysiotherapie
              of oefentherapie voor een aandoening die staat in een door de minister vastgestelde
              lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering), de Lijst Chronische aandoeningen
              fysiotherapie en oefentherapie. Het recht op vergoeding gaat in vanaf de 21e
              behandeling. In geval een klant een collectieve verzekering bij Salland verzekering
              heeft afgesloten, vergoedt Salland 15 behandelingen vanuit deze aanvullende
              verzekering. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan voor maximaal 5 fysiotherapiebehandelingen bijzondere bijstand worden
                  verstrekt. Dit geldt alleen voor aandoeningen van chronische aard (bijlage 1 van
                  het Besluit Zorgverzekering).</al></li>
                <li nr="2."><al>Als mensen geen aanvullende verzekering hebben, kan vanuit de bijzondere
                  bijstand de eerste 5 behandelingen worden vergoed. De 15 behandeling die daar evt.
                  achteraan komen, zijn voor rekening van de klant.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor degenen die elders aanvullend verzekerd zijn, maximaal 20 zittingen per
                  jaar vergoeden en hierbij rekening houden met vergoedingen vanuit de afgesloten
                  aanvullende verzekering.</al></li>
                <li nr="4."><al>Als zich dringende redenen voordoen kan bijzondere bijstand verleend worden voor
                  aandoeningen die niet op de betreffende bijlage behorend bij artikel 2.6 lid 2
                  Besluit zorgverzekering staan.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.21 Eigen bijdrage voor de (medisch) noodzakelijke voorzieningen genoemd in de zorgverzekeringswet</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Voor sommige soorten zorg uit het basispakket moet een eigen bijdrage worden
              betaald. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdrage voor de
              medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de zorgverzekeringswet (Zvw).</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen voor de
                  noodzakelijke voorzieningen zoals:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld verbandschoenen, steunzolen, orthopedisch
                      schoeisel;</al></li>
                    <li nr="b."><al>medisch noodzakelijke behandeling door een pedicure/manicure;</al></li>
                    <li nr="c."><al>zittend ziekenvervoer;</al></li>
                    <li nr="d."><al>de wettelijke eigen bijdrage voor eerstelijnspsychologische zorg;</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de wettelijke eigen bijdrage. Uitzondering
                  hierop is de vergoeding van orthopedisch schoeisel. Hierop wordt het normbedrag
                  van een normale schoen volgens de prijzengids van het NIBUD in mindering
                  gebracht.</al></li>
                <li nr="3."><al>Als voorliggende voorziening kan de aanvullende ziektekostenverzekering worden
                  aangemerkt.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien de aanvrager niet aanvullend verzekerd is wordt voor de hoogte van de te
                  verlenen bijstand aansluiting gezocht bij de vergoeding die verleend zou worden
                  indien er wel sprake was van een aanvullende verzekering.</al></li>
                <li nr="5."><al>Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de individuele
                  omstandigheden de hoogte van de eventuele bijstand. In dat geval bedraagt de
                  vergoeding maximaal hetgeen voor eigen rekening zou zijn gebleven indien men
                  aanvullend verzekerd zou zijn via de collectieve aanvullende Plusverzekering van
                  Salland.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.22 Mobiliteitshulpmiddelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De rollator en overige eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen worden met ingang van 2013
              niet meer vergoed uit de basisverzekering. Hiervoor wordt als reden aangevoerd dat de
              kosten van deze zorg te overzien zijn en bij het dagelijks leven horen. Vanuit
              bijzondere bijstandsperspectief betekent dit dat de kosten niet als bijzonder kunnen
              worden aangemerkt en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen. (Voor de
              beeldvorming: een nieuwe rollator kost tussen de € 65,- en € 300,-, terwijl
              tweedehands exemplaren vanaf € 20,- worden aangeboden).</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.23 Eigen bijdrage Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of eigen bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorg zonder verblijf</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Voor een aantal individuele Wmo-verstrekkingen, zoals Woon- en vervoersvoorzieningen
              geldt een eigen bijdrage. Dit is tevens van toepassing voor zorg zonder verblijf in
              het kader van de AWBZ. De eigen bijdrage Wmo en AWBZ wordt inkomensafhankelijk
              berekend. Ook voor inkomens op sociaal minimum wordt een eigen bijdrage gerekend. Deze
              eigen bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen voor de
                  individuele Wmo- verstrekkingen en zorg zonder verblijf in het kader van de
                  AWBZ.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de inkomensafhankelijke (periodieke) eigen
                  bijdrage.</al></li>
                <li nr="3."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de eigen bijdrage verminderd met de
                  eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op grond van artikel 9 lid 6.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.24 Huishoudelijke hulp</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voorheen werd de noodzakelijke huishoudelijke hulp geregeld via de Wmo. Klanten die
              schoonmaakondersteuning willen ontvangen kunnen zich wenden tot de particuliere markt.
              Klanten die de kosten niet (volledig) kunnen betalen kunnen een beroep doen op de
              Bijzondere Bijstand. Voor de groep klanten HH2 geldt een sterfhuisconstructie. Zij
              behouden hun indicatie zolang de indicatie geldig is</al>
              <al>Voor nieuwe aanvragen, en na afloop van de geldende indicatie, gaat het volgende
              gelden;</al>
              <al/>
              <al>Bij een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van huishoudelijke hulp geeft
              het Toegangsteam Olst-Wijhe een indicatie af voor de noodzaak. Deze indicatie bevat in
              ieder geval het aantal benodigde uren per week en de duur van de indicatie. Daarnaast
              moet de klant een dienstverleningsovereenkomst met de zorgverlener afsluiten. Dit kan
              met een (bestaande) zorgleverancier, schoonmaakbedrijf of particulier. Er wordt
              rekening gehouden met een maximum uurtarief. Deze is opgenomen in het in bijlage 1
              opgenomen Financieel besluit. </al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van huishoudelijke
                  hulp voor zover hiervoor een indicatie is afgegeven door het Toegangsteam.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de indicatie voor het
                  benodigd aantal uren per week.</al></li>
                <li nr="3."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een maximaal
                  uurtarief, vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
                <li nr="4."><al>Voor belanghebbende bij wie de indicatie vanaf november 2014 is geëindigd en de
                  huishoudelijke hulp geleverd kregen door De Nieuwe Zorg Thuis geldt een afwijkend
                  uurtarief, dit is ook opgenomen in het Financieel besluit. De korting geldt alleen
                  als de hulp (ZIN) wordt afgenomen via de Nieuwe Zorg Thuis.</al></li>
                <li nr="5."><al>Bij de aanvraag moet een dienstverleningsovereenkomst met de zorgverlener worden
                  afgesloten. In deze overeenkomst wordt in ieder geval opgenomen; aantal uren per
                  week, tarief, en bedrijfsgegevens van de zorgleverancier.</al></li>
                <li nr="6."><al>Voor particuliere hulpen geldt dat in deze overeenkomst in ieder geval de
                  volgende gegevens worden opgenomen; Naam, adres, woonplaats, geboortedatum en het
                  BSN nummer.</al></li>
                <li nr="7."><al>De te verstrekken bijzondere bijstand wordt vastgesteld per week en omgerekend
                  naar een maand.</al></li>
                <li nr="8."><al>De bijstand wordt na verrekening van de financiële draagkracht automatisch
                  maandelijks uitbetaald.</al></li>
                <li nr="9."><al>De bijstand kan op verzoek (door ondertekenen van een machtiging) rechtstreeks
                  aan de zorgleverancier worden overgemaakt.</al></li>
                <li nr="10."><al>De bijstand wordt toegekend voor de duur van de indicatie, maar maximaal
                  gedurende één jaar.</al></li>
                <li nr="11."><al>In afwijking van het genoemde in lid 9 kan bij toepassing van artikel 10 lid 4
                  en lid 5 de bijstand over een langere periode worden vastgesteld.</al></li>
                <li nr="12."><al>De betaalbewijzen kunnen bij de aanvrager worden opgevraagd.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 6 Kosten van maatschappelijke aard</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>6.1 Bewindvoeringskosten</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Voor bewindvoering, curatele en mentorschap geldt dat de noodzaak van de eventuele
                kosten daarvan als vaststaand moet worden beschouwd, als de rechter belanghebbende
                onder bewind c.q. curatele geplaatst heeft dan wel een mentor heeft benoemd. Het
                college kan in deze geen eigen afweging meer maken. Voor zover belanghebbende de
                kosten niet uit eigen middelen kan betalen, kan bijzondere bijstand worden verleend. </al>
            <al>Bij vrijwillige bewindvoering zal er moeten worden beoordeeld of men geen gebruik
                kan maken van andere voorliggende oplossingen zoals budgetbegeleiding via het
                BAD</al>
            <al>Als de rechtbank een bewindvoerder benoemt in het kader van de WSNP moet het
                salaris van de WSNP-bewindvoerder uit de boedel worden betaald. Hiervoor is dus geen
                bijzondere bijstand mogelijk. </al>
            <al>In de 'Aanbevelingen meerderjarigenbewind' is vastgelegd dat het regelen van zeer
                problematische schulden niet behoort tot de gewone intake werkzaamheden van de
                bewindvoerder en dat een problematische schuldsanering niet behoort tot de gewone
                werkzaamheden. (Gerechtshof Leeuwarden 12-02-2012, nr. 200.080.206/01).</al>
            <al>Indien de kantonrechter beschermingsbewind heeft ingesteld en de kosten daarvan
                heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in beginsel aannemen.
                Het college kan bij twijfel wel een onderzoek instellen om te verifiëren of de met
                de bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten
                waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt (zie CRvB
                09-11-2010, nr. 08/6936 WWB en CRvB 02-08-2011, nr. 09/4327 WWB).</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien er sprake is van verplichte onderbewindstelling, curatele of
                    mentorschap, door de kantonrechter ingesteld, kan bijzondere bijstand worden
                    verleend. Als bewijs dient een beschikking van de kantonrechter te worden
                    overgelegd.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt volgens de richtlijnen van het
                    Landelijke Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK) vastgesteld.</al></li>
              <li nr="3."><al>Voor de intake kan niet zonder meer bijzondere bijstand worden verstrekt. Als
                    sprake is van extra werkzaamheden in verband met het regelen van zeer
                    problematische schulden of een problematische schuldsanering, kan de
                    bewindvoerder de kantonrechter verzoeken een machtiging te verlenen voor het
                    eenmalig in rekening mogen brengen van de kosten voor die werkzaamheden bij de
                    schuldenaar(s).</al></li>
              <li nr="4."><al>Bij een combinatie van bewindvoering en mentorschap door één rechtspersoon is
                    artikel 5 van de Regeling Beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van
                    toepassing. Hieruit blijkt dat in zulk geval de rechtspersoon wordt beloond als
                    zijnde een curator volgens artikel 1 of 2 van voornoemde Regeling. In dit geval
                    is er dus sprake van combinatiekosten.</al></li>
              <li nr="5."><al>Bij een combinatie van bewindvoering en mentorschap door twee rechtspersonen
                    geldt in principe lid 4, tenzij er sprake is van een zeer uitzonderlijke
                    bijzondere situatie waardoor het niet mogelijk is de werkzaamheden door één
                    rechtspersoon te laten uitvoeren.</al></li>
              <li nr="6."><al>2 Schulden</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>De Participatiewet kan geen belangrijke rol spelen in het kader van de
                schuldsanering. De schuldsanering is een taak die vooral door het Budget
                Adviesbureau Deventer (BAD) wordt vervuld. Indien het inkomen van belanghebbende te
                weinig zekerheid biedt dat aan de aflossing kan worden voldaan, kan het BAD overgaan
                tot het niet verstrekken van een saneringskrediet. Wanneer om deze reden het BAD tot
                de afwijzing van een aanvraag voor saneringskrediet heeft besloten, kan het
                wenselijk zijn dat borgstelling op grond van de Participatiewet plaatsvindt. Aan de
                hand van deze borgstelling kan het BAD alsnog besluiten om een saneringskrediet te
                verstrekken.</al>
            <al>Voor de toepassing van dit onderdeel is vooral de noodzaak en urgentie van de
                schuldsanering doorslaggevend en niet de aard van de kosten die tot de schuld hebben
                geleid (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 73-74). </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor schulden is op grond van artikel 13 lid 1 sub f van
                    de Participatiewet, in combinatie met artikel 49 van de Participatiewet
                    mogelijk, voor zover het bepaalde in dit artikel dit toestaat.</al></li>
              <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand voor schulden, in de vorm van een borgstelling, wordt
                    slechts verleend indien:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>deze gericht is op kredietverstrekking door het BAD ter sanering van de
                        gehele schuldsituatie; én</al></li>
                  <li nr="b."><al>er perspectief bestaat op een schuldvrije situatie, waarbij zo nodig
                        aandacht wordt besteed aan (maatschappelijke) begeleiding; én</al></li>
                  <li nr="c."><al>de weigering van de bijstand een directe bedreiging voor de
                        bestaansvoorziening van de belanghebbende zou opleveren.</al></li>
                  <li nr="d."><al>In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet
                        mogelijk is, kan het college op grond van artikel 49 onderdeel b
                        Participatiewet hiervoor toch bijzondere bijstand verlenen indien daartoe
                        zeer dringende redenen bestaan en een borgstelling voor een saneringskrediet
                        geen uitkomst biedt. Een belanghebbende dient voldoende aannemelijk te maken
                        dat de mogelijkheden om - hetzij via een saneringskrediet, hetzij via een
                        aanvraag op grond van de WSNP - tot een saneringsregeling te komen
                        uitputtend onderzocht zijn, wil het niet kunnen voldoen van een schuld als
                        zeer dringende reden als bedoeld in artikel 49 Participatiewet kunnen worden
                        aangemerkt. Sanering dient op geen enkel andere wijze dan door het
                        verstrekken van bijzondere bijstand mogelijk te zijn (zie Rechtbank
                        Dordrecht 23-04-2009, nr. AWB 09/406).</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Of zich zeer dringende redenen voordoen die een afwijking van de gegeven
                    hoofdregel rechtvaardigen, is ter beoordeling aan het college.</al></li>
              <li nr="4."><al>Aan de bijstandverlening wordt zo nodig de voorwaarde verbonden, om mee te
                    werken aan een budgetteringsmaatregel.</al></li>
              <li nr="6."><al>3 Eigen bijdrage rechtsbijstand</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Indien op grond van een toevoeging, van de Raad voor de rechtsbijstand
                ,rechtsbijstand wordt verleend, dient het college in beginsel de noodzaak voor het
                verlenen van rechtshulp aan te nemen. Een toevoeging (van een advocaat) vindt
                slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. Of
                een toevoeging wordt toegewezen hangt af van een aantal criteria. De belangrijkste
                zijn;</al>
            <al>-het moet gaan om een juridisch probleem dat de bezwaarmaker redelijkerwijs niet
                zelf kan</al>
            <al>oplossen en dat hemzelf betreft of zijn minderjarig kind;</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het moet gaan om een belang van tenminste € 180,-;</al></li>
              <li nr="-"><al>het mag niet gaan om een zaak die bij voorbaat kansloos is.</al></li>
            </lijst>
            <al>In het geval van een toevoeging worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van
                de (toegevoegde) advocaat vergoed op grond van de Wet op de rechtsbijstand
                (Wrb).</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand
                    indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand wordt
                    verleend.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien wordt voldaan aan lid 1 kan bijzondere bijstand worden verleend voor de
                    eigen bijdrage en de eventueel noodzakelijke bijkomende kosten zoals
                    griffierecht en reiskosten mits er een noodzaak is tot het bijwonen van de
                    rechtszaak.</al></li>
              <li nr="3."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte
                    kosten, belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.</al></li>
              <li nr="6."><al>4 Reiskosten</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten welke uit de
                bijstandsnorm kunnen worden voldaan. In een aantal situaties is het mogelijk om,
                indien men aan de voorwaarden voldoet, bijzondere bijstand te verstrekken. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor alle reiskosten geldt dat deze alleen worden vergoed als de bestemming is
                    gelegen buiten de gemeente Olst-Wijhe, maar binnen Nederland en deze bestemming
                    niet te vinden is binnen de gemeentegrenzen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Voor alle reiskosten geldt dat de vergoedingen worden vastgesteld op basis van
                    de tarieven van het openbaar vervoer, van halte naar halte. Tenzij vervoer met
                    eigen auto goedkoper is, dan geldt de vergoeding op basis lid 3.</al></li>
              <li nr="3."><al>Er wordt alleen een uitzondering gemaakt op lid 2 indien er sprake is van
                    bijzondere vervoer vanwege gezondheidsredenen. In dit geval kan er een
                    vergoeding op basis van gebruik van de eigen auto worden vastgesteld. Deze
                    vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijk te rijden kilometers op basis van
                    de snelste route op basis van de ANWB-routeplanner. Het uitkeringsbedrag is in
                    alle gevallen vastgesteld op een gelijk bedrag dat is vastgelegd in het in
                    bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
              <li nr="4."><al>Bijzondere bijstand voor de reiskosten dienen te worden aangevraagd binnen
                    drie maanden nadat de kosten zich voordoen. Wel kunnen de declaraties achteraf
                    in één keer worden ingediend.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.1 Psychische/medische behandeling</label>
            </kop>
            <al>Voor reiskosten in verband met regelmatige geneeskundige behandelingen
                (bijvoorbeeld afspraken ziekenhuis) of bezoeken aan hulpverlenende instanties zoals
                GGZ buiten de gemeentegrenzen kan bijzondere bijstand worden verstrekt. </al>
            <al/>
            <al>Zittend ziekenvervoer wordt door de zorgverzekeraar vergoed voor
                nierdialysepatiënten, patiënten die een chemokuur of radiotherapie krijgen, blinden
                en slechtzienden en rolstoelgebruikers. Voor deze groepen is een uitzondering
                gemaakt omdat er voor hen nauwelijks alternatieve wijzen van vervoer zijn. Er is per
                verzekerde per kalenderjaar een wettelijke eigen bijdrage verschuldigd. Deze eigen
                bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. Incidenteel ziekenvervoer valt
                buiten deze regeling. Omdat in eerste instantie gebruik kan worden gemaakt van de
                omgeving (mantelzorg) of de kosten voor eigen verantwoording zijn.</al>
            <al>De kosten van incidenteel ziekenvervoer behoren in principe niet tot de bijzondere
                noodzakelijke kosten van het bestaan. Er wordt op grond van bovenwettelijk
                begunstigend beleid bijzondere bijstand verleend. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend als er sprake is van een medisch
                    noodzakelijke behandeling op basis van een indicatie.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bijstand wordt vastgesteld aan de hand van afsprakenkaarten (of anderszins
                    aantoonbaar) en bedraagt maximaal € 200,- per jaar.</al></li>
              <li nr="3."><al>Als de reiskosten meer bedragen dan het in lid 2 genoemde bedrag dan wordt een
                    medisch advies opgevraagd over de benodigde frequentie van de
                    behandelingen/bezoeken.</al></li>
              <li nr="4."><al>Als voorliggende voorziening geldt de eventuele vergoeding die mensen
                    ontvangen van de zorgverzekeraar. Het gaat dan om de regeling zittend
                    ziekenvervoer. Voor de verplichte eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden
                    verstrekt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.2 Bezoek aan gedetineerde</label>
            </kop>
            <al>De reiskosten in verband met bezoek aan een gedetineerde kunnen in aanmerking
                komen voor bijzondere bijstand. De gedetineerde moet tot het gezin behoren. Met
                gezin wordt bedoeld gehuwd of daaraan gelijkgesteld en de inwonende kinderen tot 18
                jaar.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aanvullende</vet>
              <vet>voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>de gedetineerde behoort tot het gezin (partner en (pleeg)kinderen)
                        en;</al></li>
                  <li nr="b."><al>de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht heeft
                        op verlof;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal
                    1 keer per twee weken per gezinslid.</al></li>
              <li nr="3."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de reiskosten tot aan de
                    Nederlandse grens, dus geen reiskosten in buitenland.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.3 Bezoek aan elders verpleegden/verzorgden</label>
            </kop>
            <al>De reiskosten die gemaakt worden voor bezoek aan een elders verpleegde/verzorgde
                (bijvoorbeeld ziekenhuis of verzorgingstehuis) kunnen in aanmerking komen voor
                bijzondere bijstand. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aanvullende</vet>
              <vet>voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Onder gezins- en familieleden worden verstaan:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>degenen die tot het gezin behoren (partner en (pleeg)kinderen);</al></li>
                  <li nr="b."><al>verdere familieleden in de eerste graad (ouders, kinderen);</al></li>
                  <li nr="c."><al>in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld ernstige ziekte, ook overige directe
                        familieleden (2de graad, broers/zussen, grootouders, kleinkinderen).</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Daarbij wordt uitgegaan van de volgende bezoekfrequentie:</al><al> bij ernstige ziekte</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>voor gezinsleden: 2 x per week;</al></li>
                  <li nr="b."><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per week;</al></li>
                  <li nr="c."><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 2 weken.</al><al> bij langdurige verpleging of verzorging</al></li>
                  <li nr="d."><al>voor gezinsleden: 1 x per 2 weken;</al></li>
                  <li nr="e."><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per 4 weken;</al></li>
                  <li nr="f."><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 6 weken.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Voor bezoek aan personen die op verpleging of verzorging zijn aangewezen wordt
                    de restrictie gemaakt dat deze personen zelf niet meer in staat zijn te reizen
                    en dus ook geen vervoersvergoeding ontvangen.</al></li>
              <li nr="4."><al>In bijzondere situatie zoals een terminale verpleegde/verzorgde kan op
                    individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid
                    2. Dit ter beoordeling aan het college.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.4 Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen</label>
            </kop>
            <al>De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door ouder(s) komen voor
                bijzondere bijstand in aanmerking. De reiskosten die gemaakt worden in verband met
                een omgangsregeling omdat beide ouders niet dichtbij elkaar wonen, komen niet in
                aanmerking voor bijzondere bijstand.</al>
            <al>Voorwaarden</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er een bewijs van
                    uithuisplaatsing is.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die
                    opgesteld is door de instelling zoals bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.5 Scholing en opleiding van (ten laste komende) kinderen</label>
            </kop>
            <al>De reiskosten in verband met scholing en opleiding van (minderjarige ten laste
                komende) kinderen horen tot de directe schoolkosten waarvoor de WTOS in beginsel een
                passende en toereikende voorliggende voorziening is. Uit de wetsgeschiedenis van de
                totstandkoming van de WTOS blijkt dat de toelage op grond van deze wet geen aparte
                component voor reiskosten bevat, vanuit budgettaire overwegingen. In aanvulling op
                de WTOS kan bijzondere bijstand worden verstrekt indien er sprake is van bijzondere
                omstandigheden.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand voor reiskosten worden verleend indien:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>de voorliggende voorziening niet toereikend is; en</al></li>
                  <li nr="-"><al>de soort opleiding niet aantoonbaar binnen een straal van 20 kilometer
                        enkele reisafstand gevolgd kan worden.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt op basis van het tarief openbaar vervoer
                    vastgesteld voor maximaal 10 maanden per schooljaar.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.4.6 Inburgeringscursus</label>
            </kop>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Met de komst van de nieuwe wet Inburgering (per 1 januari 2013) zijn mensen zelf
                verantwoordelijk voor hun inburgering. Zij kunnen zelf kiezen voor welke vorm van
                scholing en bij welke aanbieder ze dit willen volgen. Voor de kosten kunnen ze een
                lening afsluiten bij DUO. </al>
            <al>DUO verstrekt echter alleen een lening voor de schoolkosten en niet voor de
                bijbehorende reiskosten. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De aanvrager behoort tot de doelgroep huisvesting vergunninghouders
                    (uitgenodigd of regulier)</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanvrager een uitkering op grond van de Participatiewet ten behoeve van het
                    levensonderhoud ontvangt.</al></li>
              <li nr="3."><al>Aan deze uitkering de voorwaarde is verbonden dat aanvrager een
                    inburgeringscursus volgt.</al></li>
              <li nr="4."><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van het
                    inburgeringstraject bij Vluchtelingenwerk Oost Nederland (Deventer) De aanvrager
                    is vrij een andere cursus te kiezen, eventuele meerkosten komen dan voor eigen
                    rekening.</al></li>
              <li nr="5."><al>Als er sprake is van een echtpaar die tegelijkertijd de inburgeringscursus
                    volgen en waarvoor kinderopvang moet worden geregeld kan voor één van de
                    echtgenoten worden afgeweken van lid 4 en 7 en wordt het tarief bepaald op een
                    inburgeringstraject in Zwolle.</al></li>
              <li nr="6."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor maximaal 64 weken.</al></li>
              <li nr="7."><al>De maximum vergoeding wordt gebaseerd op reizen met de NS naar Deventer.
                    Indien de daadwerkelijke reiskosten lager uitvallen dan wordt de vergoeding
                    vastgesteld op de daadwerkelijke kosten.</al></li>
              <li nr="8."><al>De reiskosten worden maandelijks vooraf door middel van periodiek toekenning
                    uitbetaald.</al></li>
              <li nr="9."><al>Indien een traject eerder stopt (om welke reden dan ook) wordt beoordeeld of
                    de bijzondere bijstand moet worden terugbetaald.</al></li>
              <li nr="6."><al>5 Reductieregeling</al></li>
            </lijst>
            <al>De beleidsregels voor de Reductieregeling zijn opgenomen in deze nota zodat alle
                beleidsregels in één document bij elkaar staan. De algemene voorwaarden die gelden
                voor de bijzondere bijstand zijn niet van toepassing op deze regeling. De
                reductieregeling kan worden verleend aan personen van 18 jaar en ouder voor de
                kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer en de schoolkosten voor
                minderjarige kinderen.</al>
            <al>De reductieregeling kan als tegemoetkoming worden gezien in de kosten van sport,
                cultuur, educatieve en recreatieve activiteiten. Hieronder vallen ook
                giften/donaties voor zover deze bijdragen aan deelname aan het maatschappelijk
                verkeer, zo ontvangen donateurs gratis toegang tot activiteiten, hieronder valt ook
                de bijdrage aan de kerken. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er kan een bijdrage in de kosten van sport, cultuur,
                    internet/telefoon/televisie, recreatieve, en educatieve activiteiten worden
                    verstrekt, die in de onderstaande lijst worden genoemd: deze lijst is niet
                    limitatief;</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>lidmaatschap van sportvereniging of sportschool;</al></li>
                  <li nr="-"><al>entree, 10-badenkaart of abonnement van het zwembad;</al></li>
                  <li nr="-"><al>danslessen;</al></li>
                  <li nr="-"><al>schoolkosten</al></li>
                  <li nr="-"><al>lessen van een muziekschool;</al></li>
                  <li nr="-"><al>lidmaatschap en/of activiteiten van (sociaal) cultureel werk, zoals een
                        zangvereniging, een muziekvereniging, een vereniging op het gebied van
                        amateuristische kunstbeoefening, hobbyactiviteiten;</al></li>
                  <li nr="-"><al>abonnement op de schouwburg/theater (of entreekaartje);</al></li>
                  <li nr="-"><al>abonnement op krant en/of tijdschrift;</al></li>
                  <li nr="-"><al>entreekaartje bioscoop;</al></li>
                  <li nr="-"><al>lidmaatschap Openbare bibliotheek;</al></li>
                  <li nr="-"><al>lidmaatschap ouderenbond;</al></li>
                  <li nr="-"><al>museumjaarkaart;</al></li>
                  <li nr="-"><al>patiëntenvereniging;</al></li>
                  <li nr="-"><al>computercursussen;</al></li>
                  <li nr="-"><al>cursussen van de Volksuniversiteit;</al></li>
                  <li nr="-"><al>cursussen van club-en buurthuizen;</al></li>
                  <li nr="-"><al>cursussen volwassenen educatie en vorming van ROC Aventus;</al></li>
                  <li nr="-"><al>kosten peuterspeelzaal;</al></li>
                  <li nr="-"><al>kosten van (kerk)telefoon, internet en televisie.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>Om voor de reductieregeling in aanmerking te komen moet de aanvrager;</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>tenminste 18 jaar oud zijn en;</al></li>
                  <li nr="b."><al>in het bevolkingsregister van de gemeente Olst-Wijhe staan ingeschreven
                        en;</al></li>
                  <li nr="c."><al>zijn of haar inkomen mag het bedrag van 110% van de voor belanghebbende
                        geldende bijstandsnorm niet overschrijden;</al></li>
                  <li nr="d."><al>inwoners die geen zelfstandig huishouden voeren maar zijn opgenomen in een
                        inrichting komen ook in aanmerking voor de reductieregeling, mits zij
                        voldoen aan de overige voorwaarden.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="3."><al>Als peildatum geldt de datum van aanvraag.</al></li>
              <li nr="4."><al>De aanvraag wordt toegekend voor een heel kalenderjaar. Kosten gemaakt voor de
                    peildatum komen voor vergoeding in aanmerking, mits de persoon op het moment van
                    de gemaakte kosten voldoet aan de voorwaarden genoemd onder 2 b.</al></li>
              <li nr="5."><al>De hoogte van de reductieregeling is vastgelegd in het in bijlage 1 opgenomen
                    Financieel besluit. De bijdrage moet in ieder geval zijn aangevraagd voor 1
                    februari volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.</al></li>
              <li nr="6."><al>Het college verstrekt de subsidie op declaratiebasis. Belanghebbende dient
                    bewijsstukken bij te voegen om aan te tonen dat hij de kosten ook daadwerkelijk
                    gemaakt heeft.</al></li>
              <li nr="7."><al>Er is geen sprake van een vermogenstoets.</al></li>
              <li nr="8."><al>Op een aanvraag wordt een beschikking afgeven voor één jaar, kosten die in de
                    loop van dit jaar worden gemaakt kunnen worden uitbetaald na inlevering van een
                    declaratieformulier met de bewijsstukken tot de in lid 2 genoemde maximum
                    bedragen. Belanghebbende ontvangt een brief met daarop vermeld het restant recht
                    op reductieregeling.</al></li>
              <li nr="6."><al>6 Computerregeling</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor de aanschaf voor een computer,
                laptop of tablet, beeldscherm, toetsenbord, muis en printer inclusief geïnstalleerde
                software, eventuele installatiekosten en meegeleverde extra cartridges. Overige
                (meer)kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze bijzondere bijstand wordt verleend indien belanghebbende:</al><lijst>
                  <li nr="a."><al>gedurende een periode van drie jaar een netto maandinkomen tot en met 110%
                        van de geldende bijstandsnorm of inkomensvoorziening (inclusief
                        vakantiegeld) heeft en</al></li>
                  <li nr="b."><al>geen vermogen heeft boven de vermogensgrens in artikel 34 lid 3
                        Participatiewet;</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="2."><al>De computer wordt in bruikleen verstrekt. Na drie jaar wordt de computer
                    eigendom van de belanghebbende zelf.</al></li>
              <li nr="3."><al>Er wordt voor de goederen (met uitzondering van de cartridges) uitgegaan van
                    een levensduur van in ieder geval vijf jaar.</al></li>
              <li nr="4."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het in bijlage 1
                    opgenomen Financieel besluit.</al></li>
              <li nr="5."><al>De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld na het inleveren van een pro forma
                    nota in te leveren bij het team Werk, Inkomen en Zorg.</al></li>
              <li nr="6."><al>Belanghebbende dient een gebruikersovereenkomst te tekenen en bij het Team
                    Werk, Inkomen en Zorg in te leveren.</al></li>
              <li nr="7."><al>De bijstand wordt uitbetaald na het inleveren van het betalingsbewijs. Indien
                    gewenst kan de bijstand rechtstreeks op rekening van de leverancier worden
                    overgemaakt.</al></li>
              <li nr="8."><al>Reparatiekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al></li>
              <li nr="6."><al>7 Begrafenis- of crematiekosten</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>In zijn algemeenheid is het uitgangspunt dat een ieder zelf kan voorzien in de
                noodzakelijke kosten van lijkbezorging. De middelen om een begrafenis/crematie te
                bekostigen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>verzekeringen op het leven, zoals begrafenis- en levensverzekeringen en
                    ongevallenverzekering;</al></li>
              <li nr="-"><al>lidmaatschap van een speciale vereniging, bijv. crematievereniging;</al></li>
              <li nr="-"><al>overlijdensuitkering, indien de overledene een uitkering ontving krachtens de
                    Ziektewet (Z.W.), Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet
                    Wajong), Wet Inkomensondersteuning Arbeidsongeschikten (WIA), Algemene
                    Ouderdomswet (A.O.W.) e.d.;</al></li>
              <li nr="-"><al>spaargelden, waaronder ook het "vrij te laten bescheiden vermogen";</al></li>
              <li nr="-"><al>nalatenschap;</al></li>
              <li nr="-"><al>een in een depositofonds gestort bedrag met als enige bestemming de betaling
                    van de kosten van begraven van de storter en eventuele partner.</al></li>
            </lijst>
            <al>Voor zover de eigen middelen daartoe niet toereikend zijn en de nabestaanden de
                kosten van lijkbezorging niet of niet geheel voor hun rekening nemen, bestaat de
                mogelijkheid om bijzondere bijstand voor deze kosten te verstrekken (natuurlijk met
                in achtneming van alle voorwaarden die aan de verstrekking van bijzondere bijstand
                zijn verbonden). Er dient rekening te worden gehouden met het eigen vermogen van de
                overledene, de draagkracht van de aanvrager, evenals met de noodzakelijke kosten van
                lijkbezorging.</al>
            <al/>
            <al>Niemand geeft opdracht voor de begrafenis.</al>
            <al>De gemeente heeft de plicht te zorgen voor de lijkbezorging, geeft hiertoe
                opdracht en neemt de kosten op zich. Een en ander op grond van de Wet op de
                Lijkbezorging. In deze situatie is er dus geen sprake van bijstandsverlening.
                Achteraf zal altijd moeten worden bezien of er verhaal mogelijk is op de eventuele
                nalatenschap en op de nagelaten betrekkingen.</al>
            <al>Begrafeniskosten in het buitenland</al>
            <al>Bijstandsverlening voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een
                (in Nederland of in het buitenland) overleden vreemdeling is niet mogelijk.
                Ditzelfde geldt voor de overleden Nederlander die buiten Nederland begraven
                wordt.</al>
            <al>Reiskosten naar een begrafenis/crematie</al>
            <al>Voor de reiskosten om een begrafenis of crematie bij te wonen, wordt geen
                bijzondere bijstand verleend.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de volgende noodzakelijke
                    kosten;</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>akte van overlijden;</al></li>
                  <li nr="-"><al>basistarief uitvaartverzorger;</al></li>
                  <li nr="-"><al>rouwkaarten (maximaal 100)</al></li>
                  <li nr="-"><al>werkzaamheden uitvaartverzorger;</al></li>
                  <li nr="-"><al>eenvoudige kist;</al></li>
                  <li nr="-"><al>opbaren in het rouwcentrum of thuis</al></li>
                  <li nr="-"><al>rouwauto met maximaal 1 volgauto;</al></li>
                  <li nr="-"><al>dragers;</al></li>
                  <li nr="-"><al>begraafkosten begraafplaats</al></li>
                  <li nr="-"><al>eenvoudige grafzerk.</al></li>
                  <li nr="-"><al>grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom);</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al>Of als er sprake is van crematie</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>kosten crematie (crematie, aula, bijzetting asbus)</al></li>
              <li nr="-"><al>as verstrooien bij crematorium</al></li>
              <li nr="-"><al>as bewaren in nis in crematorium.</al><lijst>
                  <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de
                        Prijzengids van het Nibud.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 7 Kosten van inrichting en verhuizing</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>7.1 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten</al>
            <al>Bij inrichtingskosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor
                duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame gebruiksgoederen
                zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of gasfornuis. Met overige
                inrichtingskosten worden de kosten bedoeld zoals verf en behang. Dit onderscheid is
                van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt.</al>
            <al>7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</al>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame
                gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in beginsel
                uit het inkomen worden betaald. Ook indien men een inkomen op het niveau van het
                sociaal minimum ontvangt wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig
                geacht om hiervoor te reserveren dan wel gespreide betaling achteraf. In eerste
                instantie geldt dan een krediet via het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Pas als
                dat niet lukt (ook niet met borgstelling) kan bijzondere bijstand in de vorm van een
                lening worden verstrekt. Hierbij moet de noodzaak worden vastgesteld. Een
                uitzondering wordt gemaakt indien belanghebbende gedurende een periode van 3 jaar
                een inkomen om minimumniveau heeft dan kan bijzondere bijstand om niet worden
                verstrekt. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm die
                    langer dan 3 jaar een inkomen op dit niveau hebben gehad en gedurende deze
                    periode een zelfstandige huishouding hebben gevoerd kunnen voor de kosten van
                    reparatie of vervanging van duurzame gebruiksgoederen, waaronder inbegrepen
                    inrichtingskosten, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand om niet.</al></li>
              <li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan en zal van de norm van drie jaar worden
                    afgeweken.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld
                    aan de hand van de prijzengids van het Nibud.</al></li>
              <li nr="4."><al>Bij de aanvraag voor vervanging dient een redelijke afschrijvingstermijn in
                    acht te worden genomen. Het Nibud gaat uit van een gemiddelde afschrijvingsduur
                    van 10 jaar. Per duurzaam gebruiksgoed kan dus pas na 10 jaar opnieuw bijzondere
                    bijstand worden aangevraagd.</al></li>
              <li nr="5."><al>Belanghebbende dient aan te tonen dat het oude gebruiksgoed aan vervanging toe
                    is en niet meer te repareren is en levert hiertoe een rapport/bon in van een
                    servicemonteur.</al></li>
              <li nr="6."><al>De kosten (zoals voorrijkosten) zijn voor rekening van de klant indien blijkt
                    dat het duurzaam gebruiksgoed niet aan vervanging toe is. Indien blijkt dat het
                    duurzaam gebruiksgoed aan vervanging toe is, dan wordt bijzondere bijstand
                    verleend voor de voorrijkosten van de servicemonteur tot een maximaal bedrag dat
                    is opgenomen in het financiële besluit.</al></li>
              <li nr="7."><al>Als blijkt dat het gebruiksgoed te repareren is kan voor deze kosten
                    (inclusief de voorrijkosten) bijzondere bijstand om niet worden verstrekt.</al></li>
              <li nr="8."><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van vervanging van de duurzaam
                    gebruiksgoed waaronder inrichtingskosten kan een huisbezoek worden
                    afgelegd.</al></li>
            </lijst>
            <al>7.1.2 Overige inrichtingskosten</al>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Volgens jurisprudentie stelt de Centrale Raad van Beroep dat kosten zoals verf en
                behang naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden
                aangemerkt.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor de kosten van overige inrichting wordt in principe bijzondere bijstand
                    verleend om niet.</al></li>
              <li nr="2."><al>Van lid 1 kan worden afgeweken indien zich ten aanzien van belanghebbende
                    omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 Participatiewet.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld
                    aan de hand van de Prijzengids van het NIBUD.</al></li>
              <li nr="4."><al>De gevraagde voorziening is niet noodzakelijk indien de kosten hoger zijn dan
                    de bedragen van de Prijzengids van het Nibud.</al></li>
              <li nr="7."><al>2 Woninginrichtingskosten</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Bij een eerste huisvesting na het verlaten van een AZC wordt de asielzoeker
                geconfronteerd met de kosten van een ‘eerste inrichting’ in Nederland. Gelet op het
                eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te kunnen reserveren voor de kosten van
                een complete woninginrichting. Deze kosten komen, voor zover deze niet voldaan
                kunnen worden uit eigen middelen of via een lening, voor bijzondere bijstand in
                aanmerking. Als voorliggende voorziening wordt een lening bij het BAD aangemerkt
                waarvoor door de gemeente borg kan worden gestaan. </al>
            <al>Ook in andere situaties kan er sprake zijn van inrichtingskosten. In deze
                situaties zal het in principe niet om een volledige woninginrichting gaan. De kosten
                van woninginrichting worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende
                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Deze kosten dienen dan ook
                in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering
                vooraf, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke
                bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten noodzakelijk zijn als gevolg
                van bijzondere omstandigheden in het individuele geval, die ertoe leiden dat de
                kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden
                voldaan.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm kunnen
                    voor de kosten van een (volledige) woninginrichting in aanmerking komen voor
                    borgstelling dan wel leenbijstand.</al></li>
              <li nr="2."><al>Er wordt vanuit gegaan dat bij een (volledige) inrichting een deel tweedehands
                    kan worden aangeschaft via overname van derden of kringloopwinkel.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt is vastgelegd in
                    het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit.</al></li>
            </lijst>
            <al>7.2.1 Suppletie</al>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Suppletie kan worden gegeven voor een lening voor de aanschaf van duurzame
                gebruiksgoederen als de aflossingscapaciteit in de norm niet toereikend is.
                Bijvoorbeeld als iemand vanuit een AZC, zelfstandig gaat wonen en een woning
                compleet moet inrichten. De beoordeling vindt plaats conform de regels van
                bijzondere bijstand, artikel 35 lid 1.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De suppletie en borgstelling wordt in principe toegekend voor de duur van de
                    lening, in principe dus maximaal drie jaar.</al></li>
              <li nr="2."><al>De hoogte van de bijstand kan wel worden aangepast.</al></li>
              <li nr="3."><al>De suppletie vult de maximale aflossingscapaciteit aan tot de
                    aflossingscapaciteit die nodig is voor de betreffende lening. De hoogte van de
                    suppletie wordt als volgt per maand vastgesteld;</al></li>
            </lijst>
            <al>Het bedrag dat aan de bank moet worden betaald € (bedrag lening)</al>
            <al>Het bedrag voor eigen rekening 6% van de bijstandsnorm € (eigen bijdrage) -/-</al>
            <al>De financiële draagkracht € (bedrag draagkracht) -/-</al>
            <al>Het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt € (bedrag bijstand)</al>
            <lijst>
              <li nr="4."><al>Bij de beoordeling van de hoogte van de suppletie wordt rekening gehouden met
                    de financiële draagkrachtregels zoals die gelden voor Olst-Wijhe.</al></li>
              <li nr="5."><al>Een eenmaal vastgestelde suppletie wijzigt alleen als de leefomstandigheden
                    zich wijzigen, waardoor de belanghebbende gaat behoren tot een andere categorie
                    zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de Participatiewet. Daarnaast
                    kan de hoogte van de suppletie worden aangepast bij wijziging van het inkomen
                    van betrokkene of zijn gezinsleden.</al></li>
              <li nr="6."><al>In geval van een verhuizing buiten de gemeente wordt de suppletie ongewijzigd
                    voortgezet.</al></li>
              <li nr="7."><al>De draagkracht wordt telkens vastgesteld voor één jaar. Belanghebbende moet
                    blijven voldoen aan de inlichtingenplicht op grond van artikel 17
                    Participatiewet en dus wijzigingen in zijn situatie en inkomen aan ons
                    doorgeven.</al></li>
              <li nr="8."><al>Indien belanghebbende niet meer voldoet aan zijn terugbetalingsverplichting
                    bij het BAD zal het BAD de gemeente als borg aanspreken. Het volledige
                    openstaand bedrag van de lening, inclusief rente en incassokosten, wordt aan het
                    BAD voldaan. Dit bedrag wordt dan door ons op grond van artikel 58, eerste lid
                    onder c, van de Participatiewet van belanghebbende teruggevorderd.</al></li>
              <li nr="7."><al>3 Overbruggingsuitkering</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor algemeen
                noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende van toepassing zijnde
                bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn. In overbrugging tijdens de
                bijstandsaanvraag is voorzien door het verplichte voorschot, artikel 52
                Participatiewet.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien een belanghebbende gesteld wordt voor noodzakelijke kosten die
                    voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor liquiditeitsproblemen
                    kunnen ontstaan omdat hij deze niet uit de eigen middelen kan voldoen kan voor
                    deze kosten bijzondere bijstand worden verstrekt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Bij toepassing van lid 1, wordt de bijstand verstrekt als algemene bijstand om
                    niet.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college maakt, gezien de bijzondere situatie ten gevolge waarvan de
                    noodzaak van een overbruggingsuitkering is ontstaan, geen gebruik van de
                    bevoegdheid tot terugvordering ervan na beëindiging van de bijstand.</al></li>
              <li nr="4."><al>De wijze van berekenen is opgenomen in het in bijlage 1 opgenomen Financieel
                    besluit.</al></li>
              <li nr="7."><al>4 Baby-uitzet</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
                noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter
                hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering
                dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen
                bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van
                bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden
                afgeweken.</al>
            <al>In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen
                reserveren zal individueel beoordeeld moeten worden. In het algemeen geldt dat de
                belanghebbende in ieder geval vanaf de vierde maand van de zwangerschap voor deze
                kosten heeft kunnen reserveren.</al>
            <al>Zie voor een overzicht van de goederen waaruit een complete babyuitzet dient te
                bestaan bijvoorbeeld de Prijzengids van het Nibud of gegevens van de Landelijke
                Vereniging voor Thuiszorg (LVT) of informeer bij het plaatselijke kraamcentrum. Uit
                de rapportage zal duidelijk moeten blijken over welke van deze goederen de
                belanghebbende nog niet beschikt.</al>
            <al>Kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen noodzakelijke
                kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte
                van de toepasselijke bijstandsnorm en komen derhalve niet voor bijzondere bijstand
                in aanmerking.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Voorwaarden</vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien iemand 3 jaar of langer van een minimuminkomen leeft en geen vermogen
                    heeft, zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet, zit kan deze voor de
                    geboorte van het eerste kind het bedrag genoemd in het in bijlage 1 opgenomen
                    Financieel besluit om niet verstrekt krijgen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Indien iemand korter dan drie jaar van een minimum inkomen leeft kan deze
                    vanaf de vierde maand van de zwangerschap reserveren, 6% van de geldende
                    bijstandsnorm. Het restant tot een maximaal bedrag genoemd in het in bijlage 1
                    opgenomen Financieel besluit (inclusief reservering) kan worden verstrekt in de
                    vorm van een geldlening via het BAD.</al></li>
              <li nr="3."><al>Er kan een borgstelling worden afgeven onder toepassing van lid 2.</al></li>
              <li nr="4."><al>De bijstand wordt verstrekt in de vorm van een geldlening indien borgtocht op
                    grond van lid 2 en 3 niet mogelijk is.</al></li>
              <li nr="5."><al>Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het
                    mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Dit is bijvoorbeeld
                    het geval indien reserveringsmogelijkheden in het verleden hebben ontbroken en
                    er vanwege noodzakelijke leningen geen aflossingscapaciteit meer resteert</al></li>
              <li nr="6."><al>De bijzondere bijstand wordt gesplitst uitbetaald. Het eerste gedeelte wordt
                    in de 6de maand van de zwangerschap uitbetaald. Het tweede gedeelte van wordt na
                    de geboorte van het kind uitbetaald, de verdeling is opgenomen in het in bijlage
                    1 opgenomen Financieel besluit. In het geval van een meerling wordt het toe te
                    kennen bedrag vermenigvuldigd met het aantal verwachte kinderen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 8 Kosten van kinderopvang</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>8.1 Kinderopvang met sociaal medische indicatie</al>
            <al>
              <vet>Algemeen</vet>
            </al>
            <al>Voor de kosten van kinderopvang blijven de Beleidsregels inzake tegemoetkoming
                kosten kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie gemeente Olst-Wijhe
                van toepassing. </al>
            <al>Deze beleidsregels zijn ingegaan op 1 april 2011.</al>
            <al>8.2 Reguliere kinderopvang</al>
            <al>Voor de kosten van reguliere kinderopvang blijven de beleidsregels Kinderopvang
                gemeente Olst-Wijhe van toepassing. </al>
            <al>Deze beleidsregels zijn ingegaan op 1 januari 2013.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze beleidsregels uitvoeringsregels
                    opstellen.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bedragen, zoals genoemd in het in bijlage 1 opgenomen Financieel besluit
                    kunnen jaarlijks worden aangepast.</al></li>
              <li nr="3."><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan
                    niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.</al></li>
              <li nr="4."><al>Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2016 en vervangen de
                    daarvoor geldende beleidsregels bijzondere bijstand en Minimabeleid gemeente
                    Olst-Wijhe 2015.</al></li>
              <li nr="5."><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere
                    Bijstand en Minimabeleid gemeente Olst-Wijhe 2016.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente
                Olst-Wijhe op 22 december 2015.</ondertekening>
        <ondertekening>Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,</ondertekening>
        <ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening>
        <ondertekening>D.L.W. (Dries) Zielhuis.</ondertekening>
        <ondertekening> A.G.J. (Ton) Strien.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Bijlage</label>
          <nr>1:</nr>
          <titel>Financieel besluit 2016</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>Onderstaande bedragen zijn de bedragen per 1-1-2016 en worden waar nodig jaarlijks
            geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijs index van het CBS. Voor 2016
            bedraagt deze 0,7%.</al>
        <al>3.3. Individuele inkomenstoeslag </al>
        <al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>voor een alleenstaande € 292,-;</al></li>
          <li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 376,-;</al></li>
          <li nr="c."><al>voor gehuwden € 418,-.</al><lijst>
              <li nr="5."><al>4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <al>De hoogte bedraagt de te betalen premie aanvullende ziektekostenverzekering tot
            een maximum bedrag van € 400,- per jaar per betalende verzekerde van 18 jaar en
            ouder.</al>
        <al>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering</al>
        <al>De hoogte bedraagt € 200,- per jaar per betalende verzekerde van 18 jaar en ouder. </al>
        <al>5.6 Brillen/contactlenzen</al>
        <al>Ad 1. SallandPlus vergoedt in 2016 maximaal € 75,- (inclusief montuur). De klant
            kan op grond van de voorwaarden van Salland ook kiezen voor een bril via
            gecontracteerde partijen. In de meeste gevallen is hier een korting aan verbonden. </al>
        <al>Ad 2.Indien geen aanvullende zorgverzekering bedraagt de hoogte maximaal € 75,-
            per twee jaar.</al>
        <al>Ad 5. De maximale vergoeding bedraagt bij toepassing van lid 4 voor een bril
            (montuur en glazen) </al>
        <al>€ 355,-.</al>
        <al>5.7 Hoortoestellen</al>
        <al>Ad 1. Eén keer per vijf jaar € 200,- .</al>
        <al>Ad 2. Vergoeding basisverzekering één keer per vijf jaar € 509,50 per
            hoorapparaat. </al>
        <al>Ad 3. Maximaal € 200,- </al>
        <al>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</al>
        <al>Ad 2. Forfaitair bedrag € 60,- per jaar.</al>
        <al>Ad 3. € 25,- bij één en € 45,- bij twee hoortoestellen</al>
        <al>5.17 Maaltijdvoorziening</al>
        <al>Ad 2. De eigen bijdrage warme maaltijd voor een alleenstaande bedraagt € 2,- en
            voor een echtpaar € 4,-. De maximale vergoeding voor een warme maaltijd wordt
            vastgesteld op € 6,60 (afgerond).</al>
        <al>5.18 Tandheelkundige hulp</al>
        <al>Ad 1. De vergoeding bedraagt 75% tot een maximum bedrag van € 500,- per
            jaar.&#x2028;</al>
        <al>Ad 2. De vergoeding bedraagt 750% tot een maximum bedrag van € 500,- per
            jaar.</al>
        <al>Ad 3. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt € 250,- per
            jaar.</al>
        <al>5.23 Huishoudelijke hulp</al>
        <al>Ad 3. Het maximum uurtarief bedraagt € 15,- per uur.</al>
        <al>Ad 4. Het uurtarief bedraagt € 6,- per uur.</al>
        <al>6.4 Reiskosten</al>
        <al>Ad 3. € 0,20 per kilometer.</al>
        <al>6.4.6 Reiskosten voor inburgeringscursus</al>
        <al>Ad 4 Kosten (op basis tarief reizen met de NS)</al>
        <al>NS naar Deventer Vanaf Olst Vanaf Wijhe</al>
        <al>Dagkaart 2e klas € 5,20 € 7,40</al>
        <al>3 keer per week is per maand € 67,60 € 96,20</al>
        <al>Vergoeding € 67,60 per maand € 96,20 per maand</al>
        <al>Ad 5 Kosten (op basis tarief reizen met de NS)</al>
        <al>NS naar Zwolle</al>
        <al> Vanaf Olst Vanaf Wijhe</al>
        <al>Dagkaart 2e klas € 8,80 € 6,40</al>
        <al>3 keer per week is per maand € 114,40 € 83,20</al>
        <al>Vergoeding € 114,40 per maand € 83,20 per maand</al>
        <al>6.5 Reductieregeling</al>
        <al>Ad 3. De reductieregeling bedraagt per jaar;</al>
        <al> Voor een echtpaar 250,-</al>
        <al> Voor een alleenstaande € 200,-</al>
        <al> Voor elk inwonend kind onder de 18 jaar € 300,-</al>
        <al>6.6 Computerregeling</al>
        <al>Ad 5. De bijstand voor een computer met toebehoren bedraagt maximaal € 750,-. In
            geval er voor een tablet wordt gekozen bedraagt de bijstand maximaal € 350,-.</al>
        <al>7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</al>
        <al>Ad 6. De vergoeding voor voorrijdkosten bedraagt maximaal € 40,-.</al>
        <al>7.2 Woninginrichtingskosten</al>
        <al>Voor woninginrichting kan maximaal worden vergoed voor een;</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>alleenstaande (kamerbewoner) € 1.624,-</al></li>
          <li nr="b."><al>alleenstaande (zelfstandig gehuisvest) € 3.111,-</al></li>
          <li nr="c."><al>gezin van 2 personen € 4.607,-</al></li>
          <li nr="d."><al>Voor elke persoon meer € 828,-</al><lijst>
              <li nr="7."><al>3 Overbruggingsuitkering</al></li>
            </lijst></li>
        </lijst>
        <al>Ad 4. De overbruggingsuitkering moet op de volgende wijze worden berekend.</al>
        <al>Datum ingang uitkering ..-..-….</al>
        <al>Maand waarin de eerste keer volledige bijstandsuitkering wordt ontvangen
            …………….</al>
        <al>Welke maand dient volledig te worden overbrugd …………….</al>
        <al>Van toepassing zijnde norm + toeslag exclusief VT €……..,..</al>
        <al>Eigen bijdrage in de woonkosten over deze volledige maand €……..,..</al>
        <al>Eigen bijdrage in de woonkosten van de niet volledige maand minus huurtoeslag
            €……..,..</al>
        <al>De te betalen huurnota inclusief kosten van Salland wonen €……..,..</al>
        <al>Overbruggingsuitkering voor betrokkene is €………,..</al>
        <al>Betaling aan Salland wonen €………,..</al>
        <al>7.4 Baby-uitzet</al>
        <al>Ad 1. Voor het eerste kind maximaal € 530,-.</al>
        <al>Ad 2. Maximaal € 530,- (inclusief reservering) wordt verstrekt in de vorm van een
            geldlening via het BAD.</al>
        <al>Ad 6. Het eerste gedeelte van € 310,- wordt in de 6de maand van de zwangerschap
            uitbetaald. Het tweede gedeelte van € 220,- wordt na de geboorte van het kind
            uitbetaald.</al>
        <al>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente
            Olst-Wijhe op 22 december 2015.</al>
        <al>Burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe,</al>
        <al>de secretaris, de burgemeester,</al>
        <al>D.L.W. (Dries) Zielhuis</al>
        <al> A.G.J. (Ton) Strien.</al>
      </bijlage>
      
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Inhoudsopgave</label>
        </kop>
        <al/>
        <al>Hoofdstuk 1 Inleiding </al>
        <al>Participatiewet </al>
        <al>Individuele inkomenstoeslag </al>
        <al>Reductieregeling </al>
        <al>Bijzondere bijstand voor kosten Huishoudelijke hulp </al>
        <al>Kostendelersnorm </al>
        <al>Alleenstaande ouders </al>
        <al>Financiële tegemoetkoming in de ziektekosten </al>
        <al>Directe benadering </al>
        <al>1.1 Leeswijzer </al>
        <al>Hoofdstuk 2 Algemeen </al>
        <al>2.1 Inleiding </al>
        <al>2.2 Algemene bepalingen </al>
        <al>Artikel 1 Begripsbepaling </al>
        <al>Artikel 2 Recht op bijzondere bijstand </al>
        <al>Artikel 3 Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand </al>
        <al>Artikel 4 Voorliggende voorzieningen </al>
        <al>Artikel 5 Noodzakelijke kosten </al>
        <al>Artikel 6 Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele situatie
              </al>
        <al>Artikel 7 Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen </al>
        <al>Artikel 8 Reserveringscapaciteit </al>
        <al>Artikel 9 Draagkracht </al>
        <al>Artikel 10 Periode draagkracht </al>
        <al>Artikel 11 Toepassing draagkracht </al>
        <al>Artikel 12 Aanvraag </al>
        <al>Artikel 13 De wijze van verstrekken </al>
        <al>Artikel 14 Uitbetaling </al>
        <al>Artikel 15 Terugvordering </al>
        <al>Hoofdstuk 3 Kosten van algemene aard </al>
        <al>3.1 Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar al dan niet verblijvende in een
              inrichting </al>
        <al>3.2 Aanvulling alleenstaande ouders </al>
        <al>3.3 Toeslag voor alleenstaanden met inwonend, niet meer ten laste komend kind
            </al>
        <al>3.4 Individuele inkomenstoeslag </al>
        <al>Hoofdstuk 4 Woonkosten </al>
        <al>4.1 Woonkostentoeslag </al>
        <al>4.1.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning </al>
        <al>4.1.2 Woonkostentoeslag bij een koopwoning </al>
        <al>4.2 Waarborgsom </al>
        <al>Hoofdstuk 5 Kosten van medische aard </al>
        <al>5.1 Inleiding </al>
        <al>5.2 Medisch advies </al>
        <al>5.3 Collectieve ziektekostenverzekering </al>
        <al>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering </al>
        <al>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering </al>
        <al>5.6 Brillen/contactlenzen </al>
        <al>5.7 Hoortoestellen </al>
        <al>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen </al>
        <al>5.9 Bewassing- en kleding slijtagekosten </al>
        <al>5.10 Dieetpreparaten en dieetkosten </al>
        <al>5.10.1 Dieetpreparaten </al>
        <al>5.10.2 Dieetkosten </al>
        <al>5.11 Zelfzorggeneesmiddelen </al>
        <al>5.12 Geneesmiddelen </al>
        <al>5.13 Alternatieve geneeswijzen </al>
        <al>5.14 Bevalling en Kraamhulp </al>
        <al>5.15 Persoonlijke alarmering </al>
        <al>5.16 Extra Stookkosten </al>
        <al>5.17 Maaltijdvoorziening </al>
        <al>5.18 Tandheelkundige hulp </al>
        <al>5.19 Gebitsprothese </al>
        <al>5.20 Fysiotherapie </al>
        <al>5.21 Eigen bijdrage voor de (medisch) noodzakelijke voorzieningen genoemd in de
              zorgverzekeringswet </al>
        <al>5.22 Mobiliteitshulpmiddelen </al>
        <al>5.23 Eigen bijdrage Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of eigen bijdrage
              Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorg zonder verblijf </al>
        <al>5.24 Huishoudelijke hulp </al>
        <al>Hoofdstuk 6 Kosten van maatschappelijke aard </al>
        <al>6.4.1 Psychische/medische behandeling </al>
        <al>6.4.2 Bezoek aan gedetineerde </al>
        <al>6.4.3 Bezoek aan elders verpleegden/verzorgden </al>
        <al>6.4.4 Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen </al>
        <al>6.4.5 Scholing en opleiding van (ten laste komende) kinderen </al>
        <al>6.4.6 Inburgeringscursus </al>
        <al>Hoofdstuk 7 Kosten van inrichting en verhuizing </al>
        <al>Hoofdstuk 8 Kosten van kinderopvang </al>
        <al>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen </al>
        <al>Bijlage 1: Financieel besluit 2016 </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>