<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387946_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende-zaakbelastingen Alphen-Chaam 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alphen-Chaam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ons Weekblad, 11-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen Alphen-Chaam 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=220">Gemeentewet, art. 220 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerende-zaakbelastingen Alphen-Chaam 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Alphen-Chaam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders 17
                        november 2015;</al><al>gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet,</al><al> BESLUIT:</al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Onder de naam ‘onroerende zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen
                            de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:
                        </al><lijst><li nr="a."><al> een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; </al></li><li nr="b."><al> een
                            eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van
                            een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                            recht, verder te noemen: eigenarenbelasting;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><lijst><li nr="a."><al> gebruik door degene aan wie een
                            deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de
                            gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik
                            heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de
                            belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik
                            is gegeven; </al></li><li nr="b."><al> het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                            volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende
                            zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                            verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van
                            het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
                            die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De heffingsmaatstaf is de op de voet van Hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet
                            van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                            van: </al><lijst><li nr="a."><al> Voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                            cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                            ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de
                            kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                            voedingsbodem te gebruiken; </al></li><li nr="b."><al> glasopstanden, die bedrijfsmatig worden
                            aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond
                            daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; </al></li><li nr="c."><al> onroerende
                            zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor
                            het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke
                            aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                            zaken die dienen als woning; </al></li><li nr="d."><al> één of meer onroerende zaken die deel
                            uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen
                            landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het
                            Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de
                            daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al></li><li nr="e."><al> natuurterreinen, waaronder
                            mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen
                            en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid
                            welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                            natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al></li><li nr="f."><al> openbare land- en
                            waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met
                            inbegrip van kunstwerken; </al></li><li nr="g."><al> waterverdedigings- en
                            waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                            diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                            delen van zodanige werken die dienen als woning; </al></li><li nr="h."><al> werken die zijn
                            bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden
                            beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                            rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die
                            dienen als woning; </al></li><li nr="i."><al> werktuigen die van een onroerende zaak kunnen
                            worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                            werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde
                            eigendommen zijn aan te merken. </al></li><li nr="j."><al> onroerende zaken voor zover die
                            bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente,
                            met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd
                            zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs; </al></li><li nr="k."><al>
                            straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                            niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang
                            van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                            gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                            monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; </al></li><li nr="l."><al> plantsoenen,
                            parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan
                            de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
                            met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning; </al></li><li nr="m."><al> begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                            uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                            lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                            eigen¬dom, bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al> de
                            gebruikersbelasting 0,1089 % </al></li><li nr="b."><al> de eigenarenbelasting: </al><lijst><li nr="•"><al> voor onroerende
                            zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1107 % </al></li><li nr="•"><al> voor onroerende
                            zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1406 %</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Belastingbedragen tot € 10,00 worden niet geheven. Voor de toepassing
                            van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde
                            verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen
                            aangemerkt als één belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen
                            waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de
                            tweede twee maanden na de eerste vervaldatum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt, in
                            geval het totaalbedrag van alle op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                            meer bedraagt dan € 10.000,00, dat dit bedrag en een bestuurlijke boete
                            op dit aanslagbiljet moeten worden betaald op de laatste dag van de
                            maand volgend op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid
                            geldt, ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het
                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 100,00 of
                            meer doch niet meer dan € 10.000,00 bedraagt, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in tien gelijke termijnbedragen waarvan de eerste termijn
                            vervalt op de 28e dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De in het derde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso
                            wordt geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen
                            niet zijn betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van
                            de belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen 56 dagen na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als
                            bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en invordering van de onroerende
                            zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen
                            kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen Alphen-Chaam 2015’,
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 18 december 2014, wordt ingetrokken met
                            ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing,
                            met dien verstande, dat zij van toepassing blijft op de belastbare
                            feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Deze verordening treedt inwerking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen Alphen-Chaam 2016’.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 december
                            2015.</ondertekening><ondertekening> De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>