<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387942_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Vallei en Veluwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad, Nr. 10017</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet art. 117</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit tot vaststelling van de ‘Verordening watersysteemheffing
                            Waterschap Vallei en Veluwe 2016’</vet></al><al/><al>Het algemeen bestuur van Waterschap Vallei en Veluwe;</al><al>Op voordracht van het college van dijkgraaf en heemraden van 13 oktober
                        2015;</al><al>Gelet op de artikelen 110,113 en 117 Waterschapswet;</al><al><vet>Besluit:</vet></al><al>Vast te stellen de ‘Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en
                        Veluwe 2016’.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                    van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                    woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van GBLT
                                    aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                    onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur van GBLT
                                    aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                    onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>Kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>bemalen gebieden: delen van het waterschapsgebied die niet vrij
                                    afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit de lager
                                    gelegen gebieden water wordt opgemalen;</al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare; </al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="i."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de zorg
                                    voor het watersysteem aan het waterschap is opgedragen;</al></li><li nr="j."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, Waterschapswet.</al></li><li nr="k."><al>GBLT: het openbaar lichaam Gemeenschappelijk Belastingkantoor
                                    Lococensus – Tricijn te Zwolle.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en heffingsplichtigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor
                                    het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een
                                    directe belasting geheven.</al></li><li nr="2."><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b, c
                                    en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                    rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij
                                    blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht is;</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                    heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten
                                    als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de
                                    heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 50,60 per
                            woonruimte. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2,
                                onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt als
                                één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of
                                een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen voor
                                openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                ongebouwde onroerende zaken € 33,64 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor ongebouwde
                                onroerende zaken die zijn gelegen in bemalen gebieden, € 50,46 per
                                hectare; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 5 van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                openbare wegen, € 67,28 per hectare;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming
                                van het bepaalde dienaangaande in artikel 6 van de
                                Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                openbare wegen die zijn gelegen in bemalen gebieden als bedoeld in
                                artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening € 84,10 per
                                hectare.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 2,14 per hectare.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel d van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende
                                zaak aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                        indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                        gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                        bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde
                                        gedeelten daarvan die bij dezelfde heffingsplichtige in
                                        gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij
                                        elkaar behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een
                                        in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld
                                        samenstel;</al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van
                                        een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in onderdeel b
                                        bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel
                                        of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e,
                                deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                waardebepaling op de voet van hoofdstuk III van de Wet waardering
                                onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel
                                uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,0214% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in
                            artikel 3, onderdeel c van deze verordening. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                heffingsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde
                                belastbare feit twee of meer personen heffingsplichtig zijn, stelt
                                de heffingsambtenaar de aanslag ten name van een van hen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de heffingplicht, bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit
                                het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of
                                beperkt recht en de aanslag ten name van een van de
                                heffingsplichtigen is gesteld, kan de invorderingsambtenaar de
                                belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op
                                wiens naam de aanslag ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder
                                rekening te houden met de rechten van de overige heffingsplichtigen.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanslag van minder dan € 5,00 wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet
                                geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het
                                waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven ter zake
                                van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet geheven
                                ter zaken van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen- worden begrepen die zijn
                                        geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten
                                        dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het
                                        waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                                        verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                        banken, abri’s, hekken en palen.</al></li><li nr="b."><al>gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belastingaanslagen moeten, met in achtneming van het overigens in
                                dit artikel bepaalde, worden betaald in één termijn die vervalt twee
                                maanden na de dagtekening van de aanslag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belastingaanslagen waarvoor de heffingschuldige een machtiging
                                heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische
                                incasso, dienen te worden betaald in zoveel gelijke maandelijkse
                                termijnen als er na de dagtekening van de aanslagen nog in het
                                desbetreffende kalenderjaar volle dan wel gedeeltelijke
                                kalendermaanden resteren, met dien verstande dat het aantal
                                maandelijkse termijnen niet minder dan zes bedraagt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel geldt als restrictie
                                dat het bedrag per afschrijving op het totaalbedrag van het
                                desbetreffende aanslagbiljet niet minder dan € 5,00 bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing
                            ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven met betrekking
                            tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing
                                en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en Veluwe
                                    2015’, vastgesteld bij besluit van 26 november 2014, wordt
                                    ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                                    van ingang van de heffing. Zij blijft van toepassing op
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan, met
                                    uitzondering van het bepaalde in artikel 15 van die verordening.
                                </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening
                                    watersysteemheffing Waterschap Vallei en Veluwe 2016’.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering op 25 november 2015.</ondertekening><ondertekening>mr. G.P. Dalhuisen drs. T. Klip-Martin</ondertekening><ondertekening>secretaris dijkgraaf</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de ‘Verordening watersysteemheffing Waterschap Vallei en
                        Veluwe 2016’</titel></kop><tussenkop>Toelichting Algemeen</tussenkop><al>1.<vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                    Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet
                    modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft artikel
                    10, eerste lid, van de verordening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de
                    Wet van 3 juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in
                    artikel XII van de Wet modernisering waterschapbestel blijven de
                    belastingbepalingen van hoofdstuk XVII van de Waterschapswet gelden voor de
                    belastingtijdvakken die vóór 1 januari 2009 zijn aangevangen. Ook op belastbare
                    feiten die zich voor dat tijdstip hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde
                    belastingbepalingen van toepassing. </al><al>2.<vet>De watersysteemtaak</vet></al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                    watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor kort
                    werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term “zorg voor
                    het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge samenhang kennen
                    en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is de zorg voor de zuivering van
                    afvalwater als andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat
                    de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen
                    kan zijn of worden opgedragen. De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak
                    door een aantal waterschappen is een uiting van dit laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                    uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel de
                    wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat de
                    uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen
                    taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                    watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De nadere invulling
                    ervan vindt plaats in het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook
                    in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Waterwet. Op grond van
                    artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de taken van het waterschap
                    door Provinciale Staten bepaald. </al><al>3.<vet>De watersysteemheffing</vet></al><al>Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><al>de ingezetenen;</al><al>de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;</al><al>de eigenaren van natuurterreinen en</al><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. Natuurterreinen zijn in wezen
                    ongebouwde onroerende zaken. Natuurterreinen hebben in de Waterschapswet een
                    aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                    waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                    Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal steeds een
                    duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen enerzijds en ongebouwd,
                    niet zijnde natuur, anderzijds. </al><al>Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel
                    hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per definitie
                    belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun betaling is
                    hierop gebaseerd. </al><al>4.<vet>De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing</vet></al><al>De Waterschapswet geeft in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                    ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter zake van
                    de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                    oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                    heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
                    vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de
                    Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen),
                    op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op
                    een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                    daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al>5.Tariefdifferentiatie</al><al>Tariefdifferentiatie is voor de waterschappen een mogelijkheid om rekening te
                    houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer voor bepaalde
                    onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van andere onroerende
                    zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap de
                    mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een
                    oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Om dezelfde
                    redenen is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk begrensd.
                    Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger van het
                    waterschap als waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen in
                    bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden
                    bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van de tariefdifferentiatie
                    staat in artikel 122 van de Waterschapswet. Het waterschap heeft ervoor gekozen
                    om slechts een tariefdifferentiatie toe te passen voor ongebouwde onroerende
                    zaken, die geen natuurterreinen zijn, in bemalen gebieden en voor verharde
                    openbare wegen. </al><tussenkop>Cumulatie van tariefsdifferentiatie</tussenkop><al>Op grond van artikel 122, lid 4, van de Waterschapswet, kunnen
                    tariefsdifferentiaties naast elkaar worden toegepast. Dit wordt ook wel
                    ‘cumulatie van tariefsdifferentiatie’ genoemd. In het gebied van het waterschap
                    cumuleren de tarieven voor verharde openbare wegen gelegen in bemalen gebied.
                    Het tarief bij cumulatie wordt bereikt door het optellen en aftrekken van de
                    differentiaties en niet door het vermenigvuldigen van de differentiaties. De
                    juiste tariefsdifferentiatie voor dergelijke situaties wordt verkregen door het
                    optellen en aftrekken van de resultaten na toepassing van elk van de
                    differentiaties. </al><al>6.Hoofdstukindeling</al><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 18
                    artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot en
                    met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van ingezetenen, ongebouwde
                    onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde
                    onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en
                    de invordering van de watersysteemheffing. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Aanhef</tussenkop><al>Het besluit om deze heffing in te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen
                    bestuur van het waterschap, welke wordt geconcretiseerd door de vaststelling van
                    de belastingverordening. Dit wordt in de aanhef van de verordening tot
                    uitdrukking gebracht, waarbij ook de relevante wettelijke bepalingen worden
                    genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de wettelijke bepaling die over het
                    besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor benodigde vaststelling van
                    de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de wettelijke bepaling die aangeeft
                    welke belastingen en rechten door de waterschappen geheven mogen worden en
                    artikel 117 is de bepaling op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van
                    kosten verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam
                    watersysteemheffing een belasting mogen heffen. In de aanhef wordt daarnaast tot
                    uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de verordening door het
                    algemeen bestuur een voordracht van het dagelijks bestuur vooraf gaat. </al><tussenkop>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in
                    de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><tussenkop>a. Ingezetenen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116, onder a,
                    van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet
                    sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het
                    gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan
                    de hand van gegevens uit de basisregistratie personen bepaald. De situatie bij
                    het begin van het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een
                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                    gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet worden
                    gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                    van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar
                    huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                    verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van
                    artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt
                    voor bewoners van studentenhuizen. </al><tussenkop>b. Heffingsambtenaar</tussenkop><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                    (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent,
                    wordt in de verordening de heffingsambtenaar genoemd. Tot de
                    inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                    belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                    bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit
                    nemen waarin de heffingsambtenaar wordt aangewezen. De wettelijke basis is
                    artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet. Indien – zoals hier het
                    geval is - twee of meer waterschappen samenwerken in een gemeenschappelijke
                    regeling en indien bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld (GBLT),
                    kan een ambtenaar van dit openbaar lichaam als heffingsambtenaar worden
                    aangewezen. Dit is in artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet
                    geregeld. Aanwijzing tot heffingsambtenaar gebeurt dan bij besluit van het
                    openbaar lichaam. </al><tussenkop>c. Invorderingsambtenaar</tussenkop><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                    Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term
                    ‘invorderingsambtenaar’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                    bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                    kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                    noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien
                    van de heffingsambtenaar het geval is, is in dit geval - samenwerking in een
                    gemeenschappelijke regeling waarbij een openbaar lichaam (GBLT) is ingesteld –
                    een ambtenaar van dit openbaar lichaam als invorderingsambtenaar aangewezen. Dit
                    volgt uit artikel 124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. Aanwijzing
                    tot invorderingsambtenaar gebeurt bij besluit van het openbaar lichaam. </al><tussenkop>d. Woonruimte</tussenkop><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel a,
                    hiervoor. </al><tussenkop>e. Kostentoedelingsverordening</tussenkop><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                    Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                    vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                    belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                    Kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                    Kostentoedelingsverordening ook in het kader van de tariefdifferentiatie van
                    belang. </al><tussenkop>f. Bemalen gebieden</tussenkop><al>Bemalen gebieden zijn omschreven als delen van het waterschapsgebied die niet
                    vrij afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit de lager gelegen
                    gebieden water wordt opgemalen. Het gaat kortom om alle gebieden die een vorm
                    van bemaling hebben. De omschrijving is gelijk aan de omschrijving uit de
                    Kostentoedelingsverordening. </al><tussenkop>g. Natuurterreinen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                    onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                    van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als
                    natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende
                    zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de
                    zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of
                    uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel
                    nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels
                    eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd
                    zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                    plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie
                    niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. </al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van
                    tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                    open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een
                    natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer
                    van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van
                    tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel
                    of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of meer. </al><tussenkop>h. Ongebouwde onroerende zaken</tussenkop><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken,
                    worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld.
                    Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van
                    de Waterschapswet. </al><tussenkop>i. Gebied van het waterschap</tussenkop><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                    waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een
                    bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem
                    aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij
                    provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                    aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                    reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan
                    de waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle</cursief> zorg voor het
                    watersysteem in een bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere
                    overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening
                    opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid
                    tot uitoefening van het watersysteembeheer heeft. </al><tussenkop>j. De heffing</tussenkop><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                    watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                    bedoeld. </al><tussenkop>k. GBLT</tussenkop><al>In dit onderdeel is uitgelegd wat GBLT precies is. GBLT is het openbaar lichaam
                    Gemeenschappelijk Belastingkantoor Lococensus – Tricijn. Dit gemeenschappelijk
                    belastingkantoor is ontstaan uit een fusie tussen Gemeenschappelijk
                    Belastingkantoor Rijn Midden (h.o.d.n. Tricijn belastingen) dat gevestigd was te
                    Harderwijk en Gemeenschappelijk belastingkantoor Oost Nederland (h.o.d.n.
                    Lococensus) dat gevestigd was te Zwolle. Deze beide openbare lichamen waren bij
                    de fusie per 1 januari 2011 nog slechts enkele jaren actief. Om de
                    belastingplichtigen niet lastig te vallen met herhaaldelijke naamswijzigingen is
                    besloten om de (handels)namen ‘Tricijn belastingen’ en ‘Lococensus’ enkele jaren
                    te handhaven in de respectievelijke waterschapsbeheersgebieden waar deze
                    voormalige openbare lichamen actief waren. Met ingang van 1 januari 2013 voert
                    GBLT voor enkele gemeenten ook de Wet WOZ en de heffing en inning van lokale
                    heffingen uit. Met ingang van 1 januari 2014 vervalt het gebruik van de
                    (handels)namen ‘Tricijn belastingen’ en ‘Lococensus’. Vanaf dat moment wordt de
                    (handels)naam GBLT gebruikt. </al><tussenkop>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</tussenkop><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is
                    in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                    belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                    belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                    belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                    Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen
                    die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik
                    hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                    waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, van natuurterreinen of van gebouwde onroerende zaken. Deze
                    vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen a
                    tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                    kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                    onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen
                    en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het
                    tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                    artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook bepalend voor de
                    ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de
                    Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal specifieke
                    situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige aangegeven. Deze
                    regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van de verordening
                    overgenomen. </al><tussenkop>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</tussenkop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                    bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                    heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende
                    zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde. </al><tussenkop>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Tarief ingezetenen</tussenkop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is, conform het bepaalde in artikel 121, eerste lid,
                    onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag
                    per woonruimte wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is niet mogelijk. </al><tussenkop>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                    heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt de
                    afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                    ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één
                    ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een
                    gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet
                    wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet
                    een natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten
                    aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de verordening
                    komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en
                    banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                    bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                    aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt
                    op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                    aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten. </al><tussenkop>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en de
                    relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                    opgenomen. </al><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 zes situaties waarin het mogelijk is om
                    de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de
                    bepaling die de tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op het
                    uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per hectare
                    wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is geen verplichting voor de waterschappen.
                    De Kostentoedelingsverordening moet uitsluitsel geven over de vraag of er in een
                    concreet geval gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate.</al><tussenkop>Lid 2 Tariefdifferentiatie bemalen gebieden</tussenkop><al>Het waterschap heeft ervoor gekozen om het tarief te differentiëren voor
                    ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen die in bemalen gebieden
                    liggen. Het waterschap mag dit tarief maximaal 100% hoger vaststellen maar heeft
                    ervoor gekozen dit tarief 50% hoger vast te stellen. In artikel 6, tweede lid
                    van de verordening is dit uitgewerkt. </al><tussenkop>Lid 3 Tariefsdifferentiatie verharde openbare wegen</tussenkop><al>Het waterschap heeft ervoor gekozen om het tarief te differentiëren voor
                    verharde openbare wegen. Het waterschap heeft er voor gekozen om het tarief 100%
                    hoger vaststellen. In artikel 6. derde lid van de verordening is dit
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Lid 4 Cumulatie van tariefsdifferentiatie</tussenkop><al>De tariefsdifferentiatie voor verharde openbare wegen wordt toegepast naast de
                    tariefsdifferentiatie voor ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen
                    zijn en die gelegen zijn in bemalen gebieden. Dit heet de cumulatie van
                    tariefsdifferentiatie. Het geldende tarief in deze situatie wordt berekend met
                    de volgende rekensom:</al><al>Tarief + (50% van het tarief) + (100% van het tarief) = gecumuleerd tarief. </al><tussenkop>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Belastingobject </tussenkop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een kadastraal
                    perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook natuurterreinen
                    worden dus op basis van de kadastrale registratie afgebakend. Hierbij wordt
                    hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde
                    onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten
                    aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4, Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met
                    andere woorden door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                    bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                    voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen
                    sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al>Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen
                    aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden
                    geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft
                    hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de
                    praktijk moeilijk is te maken . </al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden ook
                    een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als
                    agrarische grond aangemerkt. </al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden ook
                    voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden gedacht aan
                    wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren niet tot deze
                    categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde natuurterreinen. </al><tussenkop>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</tussenkop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is
                    in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. In
                    artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in
                    deze bepaling de relatie met de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking
                    gebracht.</al><tussenkop>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Belastingobject</tussenkop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                    gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en
                    tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                    artikel 9 van de verordening overgenomen. De Waterschapswet sluit wat betreft de
                    afbakening ter zake van gebouwde onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de
                    objectafbakening van de Wet waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ
                    genoemd). De wetgever heeft deze aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel
                    van ongebouwde en gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde
                    onroerende zaak. De ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel
                    uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold
                    voor de vorming van samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog
                    het dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan
                    het gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een
                    dergelijk object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden
                    aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                    economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden betrokken.
                    Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en
                    kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met
                    oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze objecten
                    voortaan in hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De bepaling leidt
                    ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten
                    afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                    samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                    artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde
                    eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet waardering onroerende
                    zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn
                    opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus
                    bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen,
                    natuurterreinen, openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun
                    kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met
                    een gebouwd eigendom, dus ongebouwd. </al><tussenkop>Artikel 10 Tarief</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                    percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste
                    lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de verordening
                    overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, van de verordening de
                    relatie met de Kostentoedelingsverordening aan. </al><tussenkop>Lid 2 Tariefdifferentiatie </tussenkop><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 zes situaties waarin het mogelijk is om
                    de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de
                    bepaling die de tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op het
                    uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk percentage per
                    heffingseenheid wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is geen verplichting voor de
                    waterschappen. De Kostentoedelingsverordening moet uitsluitsel geven over de
                    vraag of er in een concreet geval gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke
                    mate. Het waterschap heeft ervoor gekozen om het tarief gebouwde onroerende
                    zaken niet te differentiëren. </al><tussenkop>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Wijze van heffing</tussenkop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op de
                    volgende wijzen worden geheven:</al><lijst><li nr="·"><al>bij wege van aanslag;</al></li><li nr="·"><al>bij wege van voldoening op aangifte of</al></li><li nr="·"><al>op andere wijze.</al></li></lijst><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane
                    heffingstechnieken verschillen van elkaar. De huidige praktijk is dat de
                    watersysteemheffing bij wege van aanslag worden geheven. De watersysteemheffing
                    wordt voor het waterschap geheven door middel van aanslagbiljetten van GBLT. Het
                    bestuur van GBLT heeft de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap
                    aangewezen. </al><tussenkop>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                    belastingplichtigen</tussenkop><al>GBLT is bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp van de
                    belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                    belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen.
                    Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een onroerende zaak en is de
                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de
                    invorderingsambtenaar van GBLT de gehele belastingschuld op laatstbedoelde
                    persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de aanslag voldoen.
                    Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn
                    belastingplicht, naar evenredigheid van ieders belastingplicht op de overige
                    belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel 142, eerste tot en met
                    derde lid, van de Waterschapswet. De regeling van artikel 142 Waterschapswet
                    maakt de toevoeging ‘cum suis’, die in het verleden in voorkomende gevallen wel
                    eens op het aanslagbiljet placht te worden opgenomen, overbodig. </al><tussenkop>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</tussenkop><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers als snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling blijkt
                    in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere objecten met
                    een relatief geringe waarde in het gebied van het waterschap is. Indien GBLT de
                    voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt
                    wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus
                    wel een aanslag worden opgelegd. </al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de gemeentelijke
                    onroerende-zaakbelastingen bepaald, dat gemeenten geen belastingaanslagen hoeven
                    op te leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de € 12.000, - of beneden een in
                    de belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een vergelijkbare
                    bepaling komt in de Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij de
                    hoogte van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen en in de
                    heffingsverordening neer te leggen. Het waterschap heeft besloten om aanslagen
                    niet op te leggen wanneer het totaalbedrag van het aanslagbiljet lager is dan €
                    5,00.</al><tussenkop>Artikel 14 Vrijstellingen</tussenkop><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing
                    niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken (ongebouwde, zowel als gebouwde
                    en natuurterreinen) die bij het waterschap in eigendom zijn. Door een
                    vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen wordt voorkomen dat het
                    waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig
                    (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor
                    straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde
                    onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken
                    is dat het straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                    voor vrijstelling in aanmerking te komen. </al><tussenkop>Artikel 15 Betaaltermijnen </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 9 van de Invorderingswet 1990 is een belastingaanslag
                    invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet. Hiervan mag op
                    grond van artikel 139 van de Waterschapswet in de belastingverordening van
                    worden afgeweken. Van deze mogelijkheid tot afwijken is gebruik gemaakt. In dit
                    artikellid is de hoofdregel opgenomen dat een aanslag moet worden betaald binnen
                    twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In dit onderdeel is bepaald dat aanslagen waarvoor een machtiging voor
                    automatische incasso is afgegeven in termijnen mogen worden betaald. Het aantal
                    termijnen is dan gelijk aan het aantal in dat jaar nog resterende volle dan wel
                    gedeeltelijke kalendermaanden met een minimum van zes maandelijkse termijnen
                    ongeacht het heffingsjaar waarop de aanslag betrekking heeft.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In lid 3 is een restrictie voor automatische incasso opgenomen. Die restrictie
                    houdt in dat de af te schrijven termijnbedragen bij automatische incasso
                    tenminste € 5,00 bedragen. Dit laatste heeft als reden dat er aan deze
                    afschrijvingen kosten zijn verbonden en die kosten moeten in een redelijke
                    verhouding staan tot het te innen bedrag. Het aantal termijnen kan hierdoor
                    minder worden dan in de voorgaande artikelleden bepaald.</al><tussenkop>Artikel 16 Kwijtschelding</tussenkop><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. In artikel 16 is
                    bepaald dat in het geheel geen kwijtschelding wordt verleend ten aanzien van de
                    watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de
                    watersysteemheffing gebouwd. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt op
                    grond van deze bepaling – uiteraard onder bepaalde voorwaarden - dus wel
                    kwijtschelding verleend. </al><tussenkop>Artikel 17 Nadere regels</tussenkop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 in beginsel toe aan het dagelijks bestuur van het
                    waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet).
                    Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen
                    bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten
                    aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>– de verplichting te verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet;</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>Deze bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de belastingverordening
                    geregeld. Artikel 17 is thans in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                    belastingplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan
                    stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                    watersysteemheffing. Het dagelijks bestuur van het waterschap heeft deze
                    bevoegdheden via de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijk
                    Belastingkantoor Lococensus - Tricijn neergelegd bij het dagelijks bestuur van
                    deze gemeenschappelijke regeling.</al><tussenkop>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                    heffing en citeertitel</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt de oude heffingsverordening ingetrokken
                    met ingang van de datum van ingang van de heffing. De datum van ingang van de
                    heffing is 1 januari 2016. De oude verordening blijft van toepassing op
                    belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2016 hebben voorgedaan. Het blijft dus
                    mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de oude verordening te belasten,
                    ook al is de verordening ingetrokken. De eerbiedigende werking geldt niet voor
                    de invorderingsbepalingen uit de oude verordening. Vanaf het nieuwe
                    belastingjaar geschiedt de invordering van alle nog te innen aanslagen op grond
                    van de invorderingsbepalingen van de nieuwe verordening.</al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                    belastingverordeningen. Met ingang van 2014 dient deze bekendmaking via de
                    elektronische weg plaats te vinden. Bekendmaking door ter inzage legging en
                    mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad behoort
                    dan niet meer tot de mogelijkheden. De bekendgemaakte besluiten treden conform
                    artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die
                    van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 18 treedt de verordening met ingang van de
                    eerste dag na die van haar bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd
                    op artikel 74 van de Waterschapswet.</al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. In het derde lid is bepaald 1 januari 2016 ingangsdatum van de heffing
                    is.</al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal 2016
                    genoemd. Het jaar 2016 verwijst naar het eerste jaar waarin het waterschap de
                    watersysteemheffing op basis van deze verordening zal heffen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>