<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387928_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel Bibob 2015 gemeente Best</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Best</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Best</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad 2015-12-28</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel Bibob 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Bibob, Algemene wet bestuursrecht artikel 4:81, Drank- en Horecawet artikelen 3, 27, 30a en 31, Wet op de kansspelen artikel 30b, Algemene bepalingen omgevingsrecht artikelen 2.1 en 2.17, Algemene plaatselijke verordening Best artikelen 2.25 en 3.4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">burgemeester</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-12-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel Bibob 2015 gemeente Best</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bevordering
                                integriteitsbeoordelingen </vet><vet>door het openbaar
                                </vet><vet>bestuur
                                201</vet><vet>5</vet><vet>[</vet><vet>Beleidsregel Bibob
                                201</vet><vet>5</vet><vet> gemeente </vet><vet>Best</vet><vet>],
                                vas</vet><vet>tgesteld door de burg</vet><vet>e</vet><vet>meester
                                bij besluit van </vet><vet>22</vet><vet> december 2015</vet><vet> en
                                het college van burgemeester en wethouders bij besluit van
                                </vet><vet>22</vet><vet> december 2015</vet></al><al>De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Best, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>overwegende, dat de Wet Bevordering integriteitbeoordelingen door het
                            openbaar bestuur hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming
                            omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende
                            bevoegdheden;</al><al>gelet op het bepaalde in de Wet bevordering integriteitsbepalingen door
                            het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de
                            artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Drank- en Horecawet, artikel 30b van
                            de Wet op de kansspelen, de artikelen 2.1 en 2.17 van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2:25 en 3.4 van de Algemene
                            plaatselijke verordening. </al><al>Besluiten </al><al>vast te stellen de volgende:</al><al><vet>Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bevordering
                                integriteitsbeoordelinge</vet><vet>n door het openbaar bestuur
                                2015</vet><vet>.</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1.In deze beleidsregel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvraag: de aanvraag om een beschikking bedoeld in artikel 1
                                    van de wet;</al></li><li nr="b."><al>advies: het advies bedoeld in artikel 9 van de wet;</al></li><li nr="c."><al>beschikkingen: alle besluiten waarop de wet kan worden
                                    toegepast;</al></li><li nr="d."><al>bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college
                                    van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="e."><al>betrokkene: de aanvrager van een beschikking, de houder van een
                                    vergunning, de subsidieontvanger, de gegadigde die wil deelnemen
                                    aan een aanbestedingsproces, de natuurlijke persoon of
                                    rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden
                                    gegund, de onderaannemer;</al></li><li nr="f."><al>overheid: rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn
                                    ingesteld;</al></li><li nr="g."><al>semi-overheid: rechtspersonen die met enig openbaar gezag zijn
                                    bekleed voor zover de aanvraag om een beschikking wordt
                                    ingediend in de uitoefening van hun publiekrechtelijke
                                    bevoegdheden.</al></li><li nr="h."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="i."><al>Bibobtoets: de wijze van behandelen van een aanvraag waarbij met
                                    toepassing van de wet door het bestuursorgaan wordt beoordeeld
                                    of er redenen aanwezig zijn om de aanvraag te weigeren,
                                    respectievelijk de beschikking in te trekken of te beëindigen,
                                    daaraan voorschriften te verbinden dan wel een advies bij het
                                    Bureau aan te vragen;</al></li><li nr="j."><al>Landelijk Bureau Bibob: het Bureau bevordering
                                    integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, als bedoeld
                                    in artikel 8 van de wet;</al></li><li nr="k."><al>overheidsopdracht: een opdracht als bedoeld in artikel 1 van de
                                    wet en waarop de wet kan worden toegepast;</al></li><li nr="l."><al>rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Best;</al></li><li nr="m."><al>RIEC: het Regionaal informatie- en expertisecentrum;</al></li><li nr="n."><al>wet: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het
                                    openbaar bestuur.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Publiekrechtelijke beschikkingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Toepassingsbereik bij nieuwe beschikkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan zal de Bibobtoets in beginsel toepassen met
                                    betrekking tot elke aanvraag om een beschikking zoals vermeld
                                    in:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 3 van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening
                                            van het horecabedrijf, met uitzondering van een
                                            dergelijke aanvraag ingediend door een paracommerciële
                                            rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van die wet en
                                            waarvan de horeca-inrichting in eigen beheer van de
                                            rechtspersoon is en niet is verpacht aan een derde. Het
                                            bestuursorgaan kan van deze uitzondering afwijken en bij
                                            moverende redenen alsnog besluiten een bibobtoets toe te
                                            passen;</al></li><li nr="b."><al>artikel 30a van de Drank- en Horecawet voor de melding
                                            van een wijziging leidinggevende op het aanhangsel bij
                                            de vergunning; </al></li><li nr="c."><al>artikel 30b van de Wet op de Kansspelen voor het
                                            aanwezig hebben van een of meer kansspelautomaten; </al></li><li nr="d."><al>artikel 2:25 van de algemene plaatselijke verordening
                                            voor zover het betreft het organiseren van
                                                <onderstreept>evenementen</onderstreept> met
                                            betrekking tot vechtsporten, zoals free fight (het vrije
                                            gevecht), vale tudo (Braziliaans Mixed Martial Arts),
                                            cage fight (kooigevecht), kickboksen en Muay Thai
                                            (Thaiboksen) in al hun varianten;</al></li><li nr="e."><al>artikel 3:4 van de Algemene plaatselijke verordening
                                            voor de exploitatie van een <onderstreept>seksinrichting
                                                en/of escortbedrijf. </onderstreept></al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan zal de Bibobtoets in beginsel toepassen met
                                    betrekking tot aanvragen om een beschikking als bedoeld in:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet
                                            Algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning
                                            bouwactiviteit);</al></li><li nr="b."><al>artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wet
                                            Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat
                                            onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld
                                            in artikel 1.1, eerste lid van die wet
                                            (omgevingsvergunning inrichtingen Wet
                                            Milieubeheer);</al></li><li nr="c."><al>artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van de Wet
                                            Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat
                                            onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor
                                            bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel
                                            2.17 van die wet is bepaald, dat de beschikking in het
                                            geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van
                                            de wet kan worden geweigerd (omgevingsvergunning
                                            beperkte milieutoets).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De Bibobtoets met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid, aanhef en onder a </al></li></lijst><al>blijft beperkt tot de aanvragen met een bepaalde bouwsom (zie bijlage 1)
                            of aanvragen die vallen onder specifieke risicocategorieën of
                            risicogebieden dan wel waarbij sprake is van cumulatie van aanvragen of
                            bijzondere gevallen en wordt uitgevoerd volgens de toetsingscriteria die
                            zijn opgenomen in bijlage 1 behorende bij deze beleidsregel.</al><lijst><li nr="4."><al>De Bibobtoets met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in het
                                    tweede lid, aanhef en onder b blijft beperkt tot de inrichtingen
                                    die behoren tot de risicocategorie afval, vuurwerk,
                                    transportsector en automobielbranche, alsmede inrichtingen, waar
                                    bewerking, verwerking of recycling van afval of reststoffen een
                                    belangrijk onderdeel is van het productieproces, en betreft
                                    zowel de aanvraag van een vergunning als ook een
                                    wijzigingsvergunning.</al></li><li nr="5."><al>De Bibobtoets wordt in beginsel niet toegepast indien de
                                    aanvraag als bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder a
                                    afkomstig is van:</al><lijst><li nr="a."><al>overheidsinstanties; definitie toegevoegd;</al></li><li nr="b."><al>semioverheidsinstanties; definitie toegevoegd;</al></li><li nr="c."><al>door de Minister van Volkshuisvestiging conform het
                                            Woningbesluit 1932 middels een daartoe verstrekte
                                            vergunning toegelaten woning(bouw)corporaties;</al></li><li nr="d."><al>door het college van burgemeester en wethouders bij
                                            specifiek besluit aan te wijzen aanvragers (moet dan nog
                                            wel gebeuren), zoals Publiek-Private
                                            Samenwerkingsconstructies van particuliere ondernemingen
                                            en overheid in bijvoorbeeld de ontwikkeling van een
                                            schouwburg of een winkelcentrum.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>De Bibobtoets wordt niet toegepast indien de aanvraag als
                                    bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b afkomstig is
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>overheidsinstanties; </al></li><li nr="b."><al>semioverheidsinstanties.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Als bij een aanvraag vanuit eigen informatie of informatie
                                    verkregen van een of meer partners binnen het
                                    samenwerkingsverband RIEC of van het Openbaar Ministerie
                                    informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet er duidelijke
                                    aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat bij de
                                    aanvraag sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel
                                    3 van de wet zal het bestuursorgaan de Bibobtoets in beginsel
                                    toepassen met betrekking tot elke aanvraag om een beschikking,
                                    zoals vermeld in:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2.1 eerste lid, aanhef, en onder e, van de Wet
                                            Algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover dat
                                            onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld
                                            in artikel 1.1, eerste lid van die wet,
                                            (omgevingsvergunning inrichtingen Wet Milieubeheer),
                                            niet behorend tot de risicocategorieën en gevallen als
                                            bedoeld in artikel 2.1, vierde lid;</al></li><li nr="b."><al>artikel 3 van de Drank- en Horecawet voor de uitoefening
                                            van het horecabedrijf, ingediend door een para
                                            commerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van
                                            de Drank- en horecawet en waarvan de horeca-inrichting
                                            in eigen beheer van de rechtspersoon is en niet is
                                            verpacht aan een derde.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Toepassing in bijzondere situaties bij aanvragen voor een
                                beschikking genoemd in artikel 2.1</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan zal, naast de in artikel 2.1, eerste lid
                                aangeduide aanvragen bij een aanvraag voor de in artikel 2.1, tweede
                                lid genoemde beschikkingen ook overgaan tot een Bibobtoets, als
                                vanuit eigen informatie of informatie verkregen van een of meer
                                partners binnen het samenwerkingsverband RIEC of van het Openbaar
                                Ministerie informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet er
                                duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat
                                bij de aanvraag sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in
                                artikel 3 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als bij navraag door het bestuursorgaan bij het Bureau Bibob blijkt,
                                dat tegen de aanvrager van een beschikking in de twee jaar
                                voorafgaande aan de datum van indiening van een aanvraag genoemd in
                                artikel 2.1 door het Bureau Bibob een advies is uitgebracht of een
                                aanvraag om een advies door het Bureau Bibob in behandeling is
                                genomen dan moet worden over gegaan tot toepassing van de wet
                                Bibob.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuursorgaan <vet>kan </vet>de wet in beginsel toepassen met
                                betrekking tot reeds verleende beschikkingen indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de verleende beschikking betrekking heeft op een locatie, die
                                gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een
                                daartoe genomen besluit van het college na de verstrekking van de
                                beschikking, is aangewezen als risicogebied;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de verleende beschikking onderdeel uitmaakt van een branche of
                                onderdeel in deze branche, die op basis van een door het college
                                genomen besluit na de verstrekking van de beschikking is aangewezen
                                voor een Bibobtoets;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vanuit eigen informatie of informatie verkregen van een of meer
                                partners binnen het samenwerkingsverband RIEC of van het Openbaar
                                Ministerie informatie als bedoeld in artikel 26 van de wet er
                                duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat
                                bij de aanvraag sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in
                                artikel 3 van de wet Bibob;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>bekend wordt, dat tegen betrokkene in een andere gemeente bij een
                                Bibobtoets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd en aan
                                betrokkene in de gemeente Best een soortgelijke beschikking is
                                verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval aan betrokkene als bedoeld in het vorige lid, aanhef en
                                onder d, in meer gemeenten binnen het samenwerkingsverband RIEC
                                eerder al een soortgelijke beschikking is verleend, zal het
                                bestuursorgaan het RIEC om coördinatie in de Bibobtoets
                                verzoeken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Privaatrechtelijke transacties.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toepassingsbereik bij aanbestedingen</titel></kop><al>[Gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Toepassingsbereik bij vastgoed</titel></kop><al>[Gereserveerd]</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking beleidsregel</titel></kop><al>De “Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob voor de horeca- en
                            prostitutiebranche, coffeeshops, smart- en growshops en
                            speelautomatenhallen met bijbehorende toelichting” van 21 september 2011
                            en de “Bibob-beleidslijn betreffende de aanvraag om een
                            Omgevingsvergunning-Bouwactiviteit met bijbehorende toelichting” van 16
                            april 2013 worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Datum inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze beleidsregel treedt de dag na bekendmaking(28 december 2015)
                            daarvan in werking op 29 december 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregel kan worden aangehaald als <vet>"Beleidsregel Bibob
                                </vet><vet>2</vet><vet>01</vet><vet>5</vet><vet>"</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld op 22 december 2015</ondertekening><ondertekening>door het college van burgemeester en wethouders van Best </ondertekening><ondertekening>de gemeentesecretaris de burgemeester, C. Noordman A. van Aert </ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld op 22 december 2015</ondertekening><ondertekening>door de burgemeester van Best</ondertekening><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>A.van Aert </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1: toepassingscriteria geldend voor de uitvoering van de
                        Bibobtoetsing bij de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in artikel
                        2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht (omgevingsvergunning bouwactiviteit). </titel></kop><al>Uitgaande van het doel van de Wet Bibob, het waarborgen van de integriteit van
                    het bestuursorgaan en het voorkomen van ongewild faciliteren van criminele
                    activiteiten en daarmee het tegenhouden van vergunningen waarbij een bepaalde
                    mate van criminele beïnvloeding te verwachten valt, zal de uitvoering van de
                    Bibobtoetsing plaatsvinden bij aanvragen, die vallen onder één van de hierna
                    genoemde gevallen:</al><tussenkop>A. Bouwsom </tussenkop><al>In geval van een aanvraag voor een omgevingsvergunning-bouwactiviteit, waarbij
                    sprake is van een bouwsom van meer dan € 500.000,- (exclusief btw). De bouwsom
                    wordt door de gemeente berekend. </al><tussenkop>B. Risicocategorieën </tussenkop><al>Indien de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder
                    bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw)
                        <onderstreept>en</onderstreept> waarbij sprake is van een of meerdere
                    onderstaande risicocategorieën:</al><tussenkop>Risicocategorieën </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was of anders dan om niet: - logies wordt verstrekt (waaronder
                                <vet>hotels, kamerverhuurbedrijven, pensions</vet>), - dranken
                            worden geschonken (waaronder <vet>horecabedrijven</vet>), of - rookwaren
                            of spijzen (waaronder <vet>coffeeshops</vet>) voor directe consumptie
                            worden verstrekt;</al></li><li nr="2."><al>Voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig,
                            in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele
                            handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of
                            vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden (waaronder
                                <vet>prostitutiebedrijven, darkrooms, seksbioscopen, sekswinkels,
                                erotische massagesalons</vet>);</al></li><li nr="3."><al>Een natuurlijke persoon, een groep van natuurlijke personen of een
                            rechtspersoon die bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig
                            was of anders dan om niet seksuele handelingen verricht of seksuele
                            diensten aanbiedt in een andere ruimte dan de bedrijfsruimte (waaronder
                                <vet>escortbedrijven</vet>);</al></li><li nr="4."><al>Inrichtingen die in het maatschappelijk verkeer worden aangeduid als
                                <vet>smartshops, headshops of growshops</vet>;</al></li><li nr="5."><al>Inrichtingen die zijn bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een
                            spel door middel van speelautomaten te beoefenen als bedoeld in artikel
                            30c, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de kansspelen (waaronder
                                <vet>speelautomatenhallen en gamecenters</vet>);</al></li><li nr="6."><al>Afvalbewerkings- en verwerkingsbedrijven;</al></li><li nr="7."><al>Wisselkantoren;</al></li><li nr="8."><al>Kapsalons;</al></li><li nr="9."><al>Cadeauwinkels;</al></li><li nr="10."><al>Belwinkels;</al></li><li nr="11."><al>Internetcafés;</al></li><li nr="12."><al>Niet-geregistreerde uitzendbureaus;</al></li><li nr="13."><al>Transportondernemingen;</al></li><li nr="14."><al>Autohandel (verkoop en verhuur);</al></li><li nr="15."><al>Sloopbedrijven;</al></li><li nr="16."><al>Sportscholen;</al></li><li nr="17."><al>Beauty-, welness- en saunabedrijven;</al></li><li nr="18."><al>Import- en exportbedrijven (handelsondernemingen; schoenen, kleren,
                            onderdelen);</al></li><li nr="19."><al>Vastgoedbedrijven;</al></li><li nr="20."><al>Vrijplaatsen (locaties waar en/of groepen waartegen een effectief
                            overheidsoptreden wordt belemmerd, leidend tot een maatschappelijk
                            ongewenste situatie, waarbij aanwijzingen bestaan voor het aanwezig zijn
                            van strafbare gedragingen waaronder (fiscale) fraude en waarbij we
                            spreken over handhavingsknelpunten. De belemmering betreft soms een
                            bestaande of vermeende dreiging, soms een sociaal-culturele
                            hindernis);</al></li><li nr="21."><al>Vuurwerkbranche.</al></li></lijst><al>NB.: Bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet limitatief. Deze
                    risicocategorieën kunnen, indien nieuwe ontwikkelingen dit noodzakelijk maken,
                    door het college van burgemeester en wethouders worden aangepast.</al><tussenkop>C. Bijzondere gevallen </tussenkop><al>Vanaf de 4<sup>e</sup> aanvraag op jaarbasis van dezelfde aanvrager en/of
                    betrokkene met een bouwsom van meer dan € 50.000,- en minder dan € 500.000,-. </al><al>In geval reeds is beginnen met de realisatie van een vergunningplichtig
                    bouwwerk, zonder dat daarvoor de vereiste vergunning is aangevraagd
                        <onderstreept>en</onderstreept>de bouwsom meer bedraagt dan €
                    50.000,- (exclusief btw) en minder bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,-
                    (exclusief btw).</al><tussenkop>D. Risicogebied</tussenkop><al>indien de bouwsom meer bedraagt dan € 50.000,- (exclusief btw) en minder
                    bedraagt dan of gelijk is aan € 500.000,- (exclusief btw)
                        <onderstreept>en</onderstreept> de aanvraag een locatie betreft die gelegen
                    is in een door het college aangewezen risicogebied. </al><tussenkop>NB.: Bovenstaande opsomming van risicocategorieën is niet limitatief.
                    Deze risicocategorieën kunnen, indien nieuwe ontwikkelingen dit noodzakelijk
                    maken, door het college van burgemeester en wethouders worden
                    aangepast.</tussenkop><tussenkop>Bijzondere omstandigheden </tussenkop><al>Naast de hiervoor genoemde gevallen waarbij als regel een zogenoemde bibob-toets
                    plaatsvindt, kan de Wet Bibob (binnen de mogelijkheden van de wet) ook in
                    bijzondere gevallen worden ingezet als instrument in het kader van de handhaving
                    van (lokaal) beleid. Om die reden zal, naast de hiervoor aangeduide gevallen,
                    ook een bibob-toets mogelijk zijn bij aanvragen van vergunningen, waarbij op
                    basis van feiten en omstandigheden, of gebaseerd op (aanvullend) lokaal beleid,
                    gemotiveerd een risico-inschatting conform de Wet Bibob in dat geval geboden
                    is.</al><al>De burgemeester is via deze beleidslijn gemandateerd hiertoe dit besluit te
                    nemen, gezien zijn/haar betrokkenheid en informatiewinning in het
                    driehoeksoverleg. </al><tussenkop>1 Algemeen</tussenkop><tussenkop>1.1 Inleiding</tussenkop><al>Een van de conclusies die de Parlementaire Enquête Commissie Van Traa in 1996
                    trok was dat de ernst van georganiseerde criminaliteit vooral was gelegen in het
                    grote financiële gewin en de economische macht die daaruit voortvloeit. Die
                    economische macht beperkt zich niet tot de onderwereld, maar dringt in allerlei
                    gedaanten in de bovenwereld door, aldus de commissie. Criminele personen kunnen
                    met al dat geld infiltreren in het economische leven door ondermeer gebruik te
                    maken van bestuurlijke faciliteiten, zoals vergunningen, subsidies en
                    overheidsopdrachten. Dit heeft een aantasting van de integriteit van de overheid
                    tot gevolg. </al><tussenkop>1.2 De Wet Bibob algemeen</tussenkop><al>De integriteit van het overheidsorgaan wordt aangetast als bij een verleende of
                    te verlenen beschikking (vergunning, subsidie), overheidsopdracht of
                    vastgoedtransactie, er sprake is van het aanwenden door betrokkene van
                    financieel voordeel uit (reeds gepleegde) criminele activiteiten dan wel het
                    plegen van strafbare feiten. </al><al>Ter bescherming van haar integriteitsrisico, hebben bestuursorganen er sinds 1
                    juni 2003 een instrument bij gekregen: de Wet Bevordering
                    Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur(Wet Bibob). Deze wet dient
                    primair ter bescherming van het integriteitsrisico van overheidsorganen; zij is
                    dus niet het instrument om criminele gedragingen van personen/organisaties te
                    bestrijden.</al><al>De toepassing van dit instrument is beperkt tot de gevallen, die zijn opgenomen
                    in Wet Bibob en Besluit Bibob. Na uitvoerige evaluatie van deze regelgeving,
                    zijn er per 1 juli 2013 o.a. een aantal aanvullingen/wijzingen doorgevoerd op
                    het toepassingsbereik.</al><tussenkop>1.3 De Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013</tussenkop><al>In de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 zijn allereerst de wettelijke
                    veranderingen vanuit andere onderliggende wet- en regelgeving verwerkt. Het
                    betreft bv artikel 30a Drank- en Horecawet (DHW) i.c. de invoering van een
                    aanhangsel bij de reguliere vergunning voor het uitoefenen van het horeca- of
                    slijtersbedrijf, alsmede ook koppeling van de wet aan onderdelen binnen de Wet
                    administratieve bepalingen omgevingsrecht (WABO).</al><tussenkop>Toepassingsbereik</tussenkop><al>Daarnaast is <onderstreept>het toepassingsbereik</onderstreept> uitgebreid met
                    de volgende onderdelen:</al><al><cursief><onderstreept>Gemeentelijke vergunningen en
                            ontheffingen:</onderstreept></cursief>tot 1 juli
                    2013 regelde de Wet Bibob in artikel 7 en het Besluit Bibob in artikel 4 de
                    inrichtingen, waarvoor een daarop van toepassing verklaarde gemeentelijke
                    vergunning onder het Bibobbeleid kon vallen. Deze limitatieve opsomming is nu
                    losgelaten. Dit betekent dat in beginsel elke gemeentelijke vergunning, die
                    voorgeschreven wordt voor een inrichting of bedrijf, voortaan onder het
                    Bibobbeleid kan vallen. Voorwaarde daarbij is wel, dat dit specifieke onderdeel
                    in het lokale Bibobbeleid, goed gemotiveerd kan worden. </al><tussenkop>Verbetering van de informatiepositie.</tussenkop><al>De Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 betekent ook een duidelijke
                    verandering in de zienswijze omtrent het verloop van de Bibobtoetsing. Tot dan
                    toe was de benadering dat het overheidsorgaan in beperkte mate een vooronderzoek
                    (het zogenaamde eigen huiswerk) deed en aansluitend voor de verdere beoordeling
                    van niet-transparante aanvragen, daarvoor een adviesverzoek deed bij het
                    Landelijk Bureau Bibob.</al><al>In de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 is er voor gekozen om
                    bestuursorganen in eerste aanleg al zoveel mogelijk in positie te brengen om tot
                    een meer diepgaande beoordeling van de aanvraag te kunnen komen. </al><al>De informatiepositie voor het openbaar bestuur is in de Evaluatie- en
                    uitbreidingswet Bibob 2013 verbeterd. Om bestuursorganen beter eigen onderzoek
                    te kunnen laten doen, is de mogelijkheid tot het opvragen van justitiële en
                    strafvorderlijke gegevens uitgebreid. </al><tussenkop>Politiegegevens:</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan bij de politie informatie opvragen over de betrokkene(n)
                    bij het toepassen van de Wet Bibob. Dit is nu mogelijk voor alle aanvragen om
                    vergunningen en subsidies, aanbestedingen en vastgoedtransacties, waarop de Wet
                    Bibob van toepassing is. Hiervoor is artikel 4.3 eerste lid van het Besluit
                    politiegegevens (Bpg) gewijzigd.</al><al>Tot 1 juli 2013 was dit alleen mogelijk voor specifieke vergunningen, zoals de
                    Drank- en </al><al>Horecawetvergunning.</al><tussenkop>Justitiële en strafvorderlijke gegevens:</tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan van betrokkene(n) justitiële en strafvorderlijke gegevens
                    opvragen. Hiervoor is artikel 15 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke
                    gegevens (Bjsg) gewijzigd. Ook hier geldt dat dit voor alle vergunningen,
                    subsidies, aanbestedingen en vastgoedtransacties, waar de Wet Bibob op van
                    toepassing is verklaard, mogelijk wordt. In beginsel kunnen daarbij alle
                    justitiële en strafvorderlijke gegevens worden verstrekt. </al><al>De uitbreiding van het verstrekken van informatie door politie en justitie geldt
                    daarbij alleen ten aanzien van de betrokkene(n).</al><al>In de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 wordt met betrokkene(n) bedoeld:
                        <cursief>de aanvrager van een beschikking, de subsidieontvanger, de
                        vergunninghouder, de gegadigde, de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan
                        wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer, de
                        natuurlijke persoon of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is of
                        zal worden aangegaan. Indien een aanvraag een rechtspersoon betreft, worden
                        alle natuurlijke personen binnen deze rechtspersoon aangeduid als
                        betrokkene.</cursief></al><tussenkop>Landelijk Bureau Bibob (Bureau Bibob):</tussenkop><al>Bestuursorganen kunnen bij het Bureau Bibob informatie opvragen of over de
                    betrokkene in de afgelopen twee jaar eerder een advies is uitgebracht en zo ja,
                    welke conclusie het advies had (ernstig gevaar, mindere mate van gevaar, geen
                    gevaar). Als het adviesverzoek niet tot een advies heeft geleid, bijvoorbeeld
                    omdat de betrokkene de aanvraag uit eigen beweging heeft ingetrokken, kan het
                    Landelijk Bureau Bibob dat ook melden.</al><tussenkop>RIEC:</tussenkop><al>Een andere uitbreiding betreft het feit, dat het bestuursorgaan direct vanaf de
                    start van de Bibobtoetsing daarin ondersteuning kan krijgen vanuit het RIEC. De
                    nieuwe wet zorgt ervoor dat ook het RIEC toegang heeft tot alle Bibobinformatie,
                    inclusief het adviesrapport van het Landelijk Bureau Bibob. Het RIEC mag deze
                    informatie alleen gebruiken voor haar ondersteunende taak; de informatie mag
                    door haar niet gebruikt worden voor andere doeleinden (bijvoorbeeld de integrale
                    aanpak van casussen).</al><al>De Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 geeft de mogelijkheid om in de eigen
                    onderzoeksfase een aanvraag om een vergunning of overheidsopdracht te bespreken
                    in het samenwerkingsverband RIEC. Voorwaarde hierbij is wel dat het
                    bestuursorgaan deel uitmaakt van het samenwerkingsverband (i.c. convenantpartner
                    is van het RIEC). </al><al>Dit betekent dat het bestuursorgaan de informatie, die het bestuursorgaan
                    verkregen heeft in het kader van het eigen onderzoek, in beginsel mag delen in
                    RIEC-verband ten behoeve van de ondersteuning bij het toepassen van de Wet
                    Bibob. De partners in het RIEC mogen deze informatie niet zelfstandig gebruiken,
                    er blijft een geheimhoudingsplicht gelden. De verkregen informatie mag alleen
                    gebruikt worden ter ondersteuning aan het bestuursorgaan bij het toepassen van
                    de Wet Bibob.</al><tussenkop>Handelsregister:</tussenkop><al>Bestuursorganen krijgen de mogelijkheid om in het Handelsregister te zoeken op
                    natuurlijke personen. Dit kan handig zijn om te achterhalen bij welke
                    ondernemingen een betrokkene(n) nog meer actief is. Hiervoor is artikel 28 lid 3
                    van de Handelsregisterwet aangepast. </al><tussenkop>1.4 Algemeen toepassingsbereik Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob
                    2013</tussenkop><al>De Wet Bibob en het daarbij behorende Besluit Bibob bieden de mogelijkheid tot
                    toepassing door bestuursorganen. Daarbij is een onderscheid te maken tussen
                    enerzijds haar status als publiekrechtelijk orgaan en anderzijds haar status als
                    privaatrechtelijke partij. </al><al>Toepassing van het Bibobinstrumentarium vanuit de positie van publiekrechtelijk
                    orgaan kan bij:</al><al>1.de beoordeling van een aanvraag en/of intrekking van een beschikking ter zake
                    een</al><al> vergunning, toekenning, erkenning of ontheffing als bedoeld in:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 7 van de Wet Bibob: een gemeentelijke vergunning die op grond
                            van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of
                            bedrijf;</al></li><li nr="b."><al>artikelen 3 en 30a van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6 van de Opiumwet;</al></li><li nr="d."><al>artikel 3, eerste lid, van de marktverordening voor het wegvervoer,
                            bedoeld in artikel 1.1 van de Wet wegvervoer goederen en artikel 7.1,
                            eerste lid, van de Wet wegvervoer goederen;</al></li><li nr="e."><al>artikel 4 van de Wet personenvervoer 2000;</al></li><li nr="f."><al>artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht (Wabo); </al></li><li nr="g."><al>artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo, voor zover dat
                            onderdeel</al></li></lijst><al>betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van
                    die wet;</al><lijst><li nr="h."><al>artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i van die wet, voor zover dat
                            onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene
                            maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald,
                            dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in
                            artikel 3 van de Wet Bibob kan worden geweigerd;</al></li><li nr="i."><al>artikel 70l van de Woningwet;</al></li><li nr="j."><al>artikel 4.3, derde lid, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet;</al></li><li nr="k."><al>artikelen 9.2.2.3 en 11.2 van de Wet milieubeheer, voor zover die
                            artikelen betrekking hebben op een handeling onderscheidenlijk
                            werkzaamheid, waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van
                            artikel 9.2.2.3 onderscheidenlijk artikel 11.2 van de Wet milieubeheer
                            is bepaald, dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden,
                            bedoeld in artikel 3 Wet Bibob, kan worden geweigerd dan wel
                            ingetrokken;</al></li><li nr="l."><al>artikelen 30b en 30h van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="m."><al>artikel 3:1 van de Algemene douanewet, voor zover dat artikel betrekking
                            heeft op een handeling onderscheidenlijk werkzaamheid, waarvoor bij of
                            krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 3:1 van de
                            Algemene douanewet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder
                            de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, kan worden
                            geweigerd dan wel worden ingetrokken</al></li><li nr="n."><al>artikel 14, eerste lid van de Wet strategische diensten;</al></li><li nr="o."><al>artikelen 7, eerste lid, 30 en 33 van de Huisvestingswet;</al></li><li nr="2."><al>de beoordeling van een aanvraag en/of intrekking van een beschikking ter
                            zake een subsidie.</al></li></lijst><al>Toepassing van het Bibobinstrumentarium vanuit haar positie van betrokkene in
                    privaatrechtelijke transacties kan bij:</al><lijst><li nr="1."><al>de gunning dan wel intrekking van een overheidsopdracht aan een
                            gegadigde, voor</al><al> zover het een overheidsopdracht betreft in de bij algemene maatregel
                            van bestuur </al><al> aangewezen sectoren;</al></li><li nr="2."><al>het aangaan, opschorten of ontbinden van een vastgoedtransactie.</al></li></lijst><tussenkop>1.5 Toepassingsbereik Wet Bibob voor het bestuursorgaan
                    gemeente</tussenkop><al>Voor de gemeentelijke overheid als publiekrechtelijk orgaan beperken de
                    toepassingsmogelijkheden van de Wet Bibob en Besluit Bibob zich tot:</al><lijst><li nr="1."><al>de beschikking ingevolge de artikel 3 en 30a van de Drank- en
                            Horecawet:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning voor de uitoefening van het horeca- en
                                    slijtersbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>melding van een leidinggevende tot wijziging van het aanhangsel
                                    behorende bij de vergunning genoemd onder a;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>vergunning ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting;</al></li><li nr="3."><al>vergunning voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten in een
                            horecabedrijf;</al></li><li nr="4."><al>vergunningen vanuit de Huisvestingswet<sup/>:</al><lijst><li nr="a."><al>huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="b."><al>vergunning tot onttrekken, samenvoegen of splitsen van een
                                    woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>vergunning voor splitsen van recht op gebouw in
                                    appartementsrechten;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>vergunningen en ontheffingen op grond van gemeentelijke
                            verordeningen;</al></li><li nr="6."><al>omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten;</al></li><li nr="7."><al>omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>vergunningplichtige inrichtingen binnen aangewezen
                                    sectoren;</al></li><li nr="b."><al>omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM);</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>beschikking tot het toekennen van subsidies.</al></li></lijst><al>Voor de gemeentelijke overheid als privaatrechtelijke partner in transacties,
                    beperken de toepassingsmogelijkheden van de Wet Bibob en Besluit Bibob zich tot
                    de gunning dan wel intrekking van een overheidsopdracht aan een gegadigde </al><lijst><li nr="1."><al>voor zover het een overheidsopdracht betreft in de sectoren bouw, milieu
                            en ICT;</al></li><li nr="2."><al>het aangaan, opschorten of ontbinden van een vastgoedtransactie.</al></li></lijst><tussenkop>1.6 Waarom een beleidsregel?</tussenkop><al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de Wet Bibob. Het
                    betreft een facultatieve wet, waarbij het bestuursorgaan zelf de bevoegdheid
                    heeft om te bepalen in welke van de door de wet geboden mogelijkheden, zij dit
                    instrument daadwerkelijk zal toepassen. </al><al>Door het vaststellen en implementeren van een beleidsregel biedt het
                    bestuursorgaan meer structuur en zekerheid in haar werkwijze aan zowel de
                    ambtenaren als aan de burgers. In de beleidsregel staat aangegeven op welke
                    beschikkingen, subsidies en aanbestedingen de Wet Bibob wordt toegepast en in
                    welke gevallen de toetsing zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob (hierna
                    de Bibobtoets) zal plaatsvinden. </al><al>Voor de burger wordt door de beleidsregel voorkomen, dat er sprake is van
                    willekeur in de toepassing van beleid. Voor de gemeentelijke overheid wordt door
                    de beleidsregel een nadrukkelijk signaal voor de bescherming van haar
                    integriteit afgegeven en kan daaruit een preventieve werking het gevolg
                    zijn.</al><al>In de gevallen, waarin toepassing van het Bibobinstrumentarium beperkt zal
                    worden tot <cursief>aangewezen branches of gebieden en daarop toegeschreven
                        risico-indicatoren </cursief>is het noodzakelijk, dat hierin een zorgvuldige
                    afweging wordt gemaakt. In de modelbeleidsregel is daarbij op onderdelen al een
                    suggestie gedaan. </al><al>In de hier toe te passen beleidsafweging kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden
                    van bestuurlijke rapportages en bestuurlijke criminaliteitsbeeldanalyses. De
                    Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC's) kunnen bij deze
                    beleidsafweging een adviserende en ondersteunende rol vervullen.</al><al>Juist in deze categorie binnen de modelbeleidsregel kan er dus sprake zijn van
                    een wat grotere beleidsdiversiteit tussen gemeenten. </al><tussenkop>1.7 Algemene uitgangspunten Beleidsregel Bibob 2015</tussenkop><al><onderstreept>Subsidiariteit en proportionaliteit</onderstreept>:</al><al>Ook in de Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 blijven deze beginselen
                    belangrijke uitgangspunten. De Bibobtoetsing geldt daarbij als ultimum remedium.
                    Dit betekent dat het bestuursorgaan eerst de toepasbaarheid van haar
                    bevoegdheden uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) en de reguliere
                    weigerings- en intrekkingsgronden uit de onderliggende wet- en regelgeving dient
                    te onderzoeken. Van belang hierbij is bijvoorbeeld de eis "niet in enig opzicht
                    van slecht levensgedrag te zijn".</al><al>Indien een Bibobtoetsing toch noodzakelijk blijkt, kan de nadruk in eerste
                    aanleg gelegd worden op het z.g. "eigen onderzoek". Vanuit de versterking van de
                    informatiepositie kan dit in een aantal gevallen al leiden tot een zelfstandige
                    beslissing van het bestuursorgaan zonder het inwinnen van advies bij het
                    landelijk Bureau Bibob.</al><al>Vanuit de risicoprofielen van de verschillende sectoren, waarop de
                    Bibobwetgeving van toepassing kan worden verklaard, is voorts zoveel mogelijk
                    gekozen voor een meer risicogerichte inzet van het Bibobinstrumentarium. Dit
                    betekent dat er enerzijds nog sprake is van een generieke toepassing
                    (bijvoorbeeld bij de horecasector) maar er in andere sectoren gekozen wordt voor
                    een nadere beperking van de toepassing vanuit specifiek geformuleerde
                    risicofactoren.</al><tussenkop>Administratieve lasten</tussenkop><al>Het toepassen van de Bibobtoetsing zorgt voor een lastenverzwaring bij de
                    aanvrager; deze zal namelijk meer gegevens bij de aanvraag om een beschikking
                    moeten overleggen.</al><al>Tot 1 juli waren bestuursorganen vrij in het hanteren van
                    Bibobvragenformulieren. Dit leidde tot enige diversiteit op dit vlak binnen
                    bestuursorganen. Om daarin tot eenduidigheid te komen en enige beperking op te
                    leggen in de te stellen vragen, heeft de Minister van Veiligheid en Justitie bij
                    de invoering van de Evaluatie- en uitbreidingswet 2013, landelijk de daarvoor te
                    hanteren vragenformulieren vastgesteld. Dit heeft tot gevolg dat door elk
                    bestuursorgaan vanaf 1 november 2013 dezelfde Bibobvragenformulieren gebruikt
                    dienen te worden.</al><al>Naast de administratieve lasten voor de aanvrager, is er ook sprake van extra
                    administratieve lasten voor het bestuursorgaan. De hiervoor genoemde landelijke
                    vaststelling van het Bibobvragenformulier kan hierin al enige beperking
                    betekenen. Een verdere beperking is in de beleidsregel ingevoerd door de
                    toepassing per sector mede afhankelijk te laten zijn van specifiek benoemde
                    risicofactoren. Bij de omgevingsvergunning-bouwactiviteit zijn daarbij
                    bijvoorbeeld toepassingsbeperkingen opgelegd vanuit enerzijds het aspect
                        <cursief>bouwsom </cursief>en anderzijds specifieke <cursief>gebruiksvormen
                        bouwwerk. </cursief>De specifiek op deze vergunning van toepassing te
                    verklaren beperkingen zijn opgenomen in bijlage 1 bij de beleidsregel. Deze
                    beperking leidt er in de praktijk toe, dat gemiddeld minder dan 5% van het
                    totale aantal aanvragen om een omgevingsvergunning bouwactiviteit daadwerkelijk
                    onderdeel van een Bibobtoetsing worden.</al><tussenkop>Eenduidig Bibobbeleid</tussenkop><al>De kracht van het Bibobinstrumentarium neemt nadrukkelijk toe als de toepassing
                    door zoveel mogelijk bestuursorganen gebeurt en de onderliggende
                    toepassingscriteria binnen de bestuursorganen zo veel mogelijk eenduidig zijn.
                    Het RIEC kan daarbij een sterke ondersteunende en coördinerende rol vervullen.
                    Met deze modelbeleidsregel wordt een aanzet gegeven tot meer eenduidigheid van
                    Bibob-beleid van de bestuursorganen binnen de omgeving van de politie-eenheid
                    Oost Brabant. Dit in aansluiting op het daartoe strekkende besluit van het
                    regionaal veiligheidscollege Oost Brabant van mei 2013. </al><tussenkop>2. Beleidsregel Bibob 2015</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In de Beleidsregel Bibob 2015 is rekening gehouden met de uitbreiding op
                    toepassingsmogelijkheden, zoals vermeld in de Evaluatie- en uitbreidingswet
                    Bibob 2013. Vervolgens is gekozen voor een beperking van de toepassing van het
                    Bibobinstrumentarium bij beschikkingen van de bestuursorganen van de gemeente
                    als publiekrechtelijk rechtspersoon. Voor de toepassing van het
                    Bibobinstrumentarium in de positie van gemeente als privaatrechtelijke partij
                    (bij aanbestedingen en vastgoed) zullen op een later moment voorstellen worden
                    gedaan. Deze zullen worden begeleid met adviezen voor de zorgvuldige inrichting
                    van het algemeen kader in deze.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 2 Publiekrechtelijke beschikkingen</tussenkop><al>In <vet>artikel 2.1, eerste lid</vet>zijn de beschikkingen opgenomen,
                    waarbij het wenselijk is om bij <cursief>elke</cursief> aanvraag, uitgezonderd
                    de paracommercie, een Bibobtoets te doen<sup/>. De keuze hiertoe is ingegeven
                    door ervaringen in de achterliggende jaren, waarbij gebleken is, dat de
                    betreffende bedrijfsmatige activiteiten middels deze beschikkingen gekenmerkt
                    worden door onder meer:</al><lijst><li nr="a."><al>zeer laagdrempelig door de geringe functie-eisen voor de onderhavige
                            ondernemingen;</al></li><li nr="b."><al>grootschalig gebruik van z.g. cash-geld, waardoor zij extra bevattelijk
                            zijn voor invloeden vanuit criminele organisaties voor z.g.
                            "witwaspraktijken";</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsmatige activiteiten die minder locatie/plaatsgebonden zijn,
                            waardoor het z.g. "waterbedeffect" zich hier nadrukkelijk kan
                            voordoen;</al></li><li nr="d."><al>betrokkenheid vanuit criminele organisaties in de voorbereiding en
                            uitvoering van de activiteit. </al></li></lijst><al>Als het bestuursorgaan met de betrokken ondernemer middels een Bibobtoets een
                    verantwoorde inschatting heeft gemaakt van haar integriteitsrisico, kan in het
                    verdere verloop van de bestuurlijke relatie tussen het overheidsorgaan en
                    betrokkene, vanuit een oogpunt van terugdringing van administratieve lasten,
                    maatwerk worden ontwikkeld in geval er sprake is van een aanvraag voor een
                    nieuwe beschikking. Belangrijk daarbij is, dat zowel ten aanzien van de
                    betrokkene zelf als de personen die op hem invloed kunnen uitoefenen, zich geen
                    veranderingen hebben voorgedaan.</al><al>In <vet>artikel 2.1, tweede lid </vet>zijn vervolgens de beschikkingen genoemd,
                    waarbij de toepassing van het Bibobinstrumentarium in <vet>artikel 2.1, derde
                        lid</vet> wordt beperkt vanuit risico-indicatoren bij specifieke branches en
                    gebieden. </al><al>Het gaat daarbij om:</al><al>a.artikel 2.1, tweede lid aanhef en onder a: de omgevingsvergunning
                    bouwactiviteit:</al><al>Uitgangspunt is daarbij geweest, dat een Bibobtoets niet bij elke aanvraag
                    plaats hoeft te vinden maar dat de toepassing beperkt zou dienen te blijven tot
                    de gevallen waarin sprake is van een financiële investering van redelijke omvang
                    dan wel het betrokken bouwwerk op enigerlei wijze een faciliterende rol kan
                    vervullen in bedrijfsmatige activiteiten die een vergroot risico in zich hebben
                    voor criminele invloeden. Dit laatste kan ingegeven zijn door branche- en/of
                    omgevingskenmerken.</al><al>In de bijlage bij deze modelbeleidsregel is hierin een voorzet gedaan. De daarin
                    genoemde risico-indicatoren komen overeen met de duiding, die op dit punt eerder
                    is gebeurd binnen de bestuurlijke omgeving van de regio Zuidoost Brabant alsmede
                    ook binnen de z.g. B-5 gemeenten. De uiteindelijke keuze voor beperking van het
                    toepassingsbereik kan plaatsvinden in regionaal overleg, waarbij door het RIEC
                    een coördinerende en ondersteunende rol kan worden vervuld.</al><al>b.artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder b: de omgevingsvergunning
                    inrichtingen Wet Milieubeheer:</al><al>De reguliere toepassing blijft vooralsnog beperkt tot de inrichtingen, die
                    vallen onder de in <vet>artikel 2.1, vierde lid</vet> genoemde risicocategorie.
                    De Bibobtoets zal in alle gevallen worden uitgevoerd bij zowel de aanvraag om
                    een vergunning als ook bij een revisie- en een veranderingsvergunning.</al><al>De algemene toepassing van de Bibobtoets zal vooralsnog beperkt worden tot de in
                    de beleidsregel aangegeven bijzondere omstandigheden i.c. handhavingsbeschikking
                    of aanwezige specifieke informatie.</al><al>Op de Bibobtoets in de gevallen sub a. en b. wordt in <vet>artikel 2.1, zesde en
                        zevende lid</vet> een uitzondering gemaakt namelijk als sprake is van
                    aanvragen afkomstig van overheidsinstanties, semioverheidsinstanties,
                    woningcorporaties en Publiek-Private Samenwerkingsverbanden (zogenaamde
                    PPS-constructies), wordt de Bibobtoets niet uitgevoerd. De semioverheid is een
                    particulier opgezette onderneming waarin de overheid met kapitaal en als garant
                    deelneemt. Kenmerken van semioverheid zijn dat sprake is van wettelijke taken
                    en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang, en dat ze (grotendeels)
                    worden gefinancierd door de overheid. Door deze financiële afhankelijkheid kan
                    de overheid in grote mate toezicht houden en invloed uitoefenen op de
                    instellingen.</al><al>Naast deze regeling voor inzet van het Bibobinstrumentarium in alle daarvoor
                    benoemde gevallen, wordt in <vet>artikel 2.1, achtste lid</vet> de mogelijkheid
                    geboden om een Bibobtoets uit te voeren in de gevallen, die niet vallen onder de
                    hier geduide reguliere toepassing maar waarin specifieke omstandigheden kunnen
                    nopen tot deze toetsing.</al><al>c.artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder c: de omgevingsvergunning beperkte
                    milieutoets:</al><al>De toepassing van de Bibobtoets bij deze vergunning zal in beginsel beperkt
                    blijven tot de gevallen, waarin specifieke informatie daartoe aanleiding
                    vormt.</al><al>d.artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder d: de aanvraag voor nader te benoemen
                    vergunningen conform lokale verordeningen:</al><al>De Evaluatie- en uitbreidingswet Bibob 2013 biedt de mogelijkheid om elke
                    vergunning, die gekoppeld wordt aan een lokale verordening, onder Bibobbeleid te
                    voegen. Voorwaarde daarbij is wel dat de inzet van dit instrument op deze lokale
                    vergunning goed gemotiveerd kan worden. Deze verruiming in de wet biedt dus de
                    mogelijkheid om een mogelijk integriteitsrisico bij reeds bestaande andere
                    beschikkingen vanuit lokale verordeningen onderdeel te maken van het
                    gemeentelijk Bibobbeleid. Dit geldt ook voor activiteiten, waarbij de invoering
                    van een vergunningsplicht zou kunnen bijdragen in het beter beheersbaar maken
                    van ondervonden problematiek daarin. In overleg met RIEC-partners zullen de
                    daarvoor in aanmerking komende andere evenementvergunning(en) worden
                    vastgesteld, die vervolgens door de burgemeester worden aangewezen als
                    vergunning waarvoor de Bibobtoets geldt (<vet>artikel 2.1,</vet><vet>vijfde
                        lid</vet>)</al><al>De inmiddels als risicovol te duiden evenementenvergunning voor vechtsportgala's
                    is opgenomen onder artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder g in de
                    beleidsregel. Dit betekent dat voor deze vergunning bij elke aanvraag een
                    Bibobtoetsing zal plaatsvinden.</al><al>In <vet>artikel 2.1, achtste lid </vet>wordt de toepasbaarheid mogelijk gemaakt
                    voor daartoe benoemde beschikkingen, waarbij sprake is van specifieke
                    omstandigheden. Hieronder valt dus ook de toepassing van het
                    Bibobinstrumentarium bij het gemeentelijk subsidiebeleid.</al><tussenkop>Artikel 2.2 </tussenkop><al>voorziet in de mogelijkheid om toch een Bibobtoets te kunnen laten plaatsvinden
                    in gevallen, waarin de toepasbaarheid in eerste aanleg is beperkt tot specifieke
                    criteria. Het kan bijvoorbeeld gaan om de aanvraag van een omgevingsvergunning
                    bouwen, waarbij de onderhavige bouwsom lager is dan de bouwsom, die geldt voor
                    reguliere Bibobtoetsing.</al><tussenkop>Artikel 2.3 </tussenkop><al>voorziet in de mogelijkheid om alsnog een Bibobtoets te laten uitvoeren voor een
                    reeds verleende beschikking. De noodzaak hiertoe kan ontstaan vanuit specifieke
                    informatie op een specifieke uitgegeven beschikking.</al><al>Bij een weigering om de Bibobvragenformulieren volledig ingevuld te retourneren,
                    zullen allereerst de daartoe gestelde regels van de Algemene wet bestuursrecht
                    toegepast worden. Bij volharding wordt het een weigering overeenkomstig het
                    bepaalde in artikel 4 van de Wet Bibob en wordt het beschouwd als een ernstig
                    gevaar als genoemd in artikel 3 van de Wet Bibob. De verstrekte vergunning wordt
                    als gevolg daarvan ingetrokken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties</tussenkop><al>De toepassing van de Wet Bibob bij privaatrechtelijke transacties wordt in deze
                    beleidsregel nog niet opgenomen. Reden hiervoor is het feit, dat in dit soort
                    transacties de overheid niet als overheidsorgaan optreedt maar als private
                    partij. Dit betekent dat zij daarin te maken krijgt met de regels van het
                    verbintenissenrecht. Daarin is niet automatisch de koppeling met de toepassing
                    van de Wet Bibob geregeld. De juridische kaders waarin de gemeente wil acteren
                    bij haar privaatrechtelijke handelingen zullen dus eerst vooraf goed
                    geformuleerd moeten worden. Pas als dit goed is uitgewerkt, kan beleidsmatig ook
                    de inzet van het Bibobinstrumentarium worden ingevoerd. De verwachting is dat
                    daarvoor in de loop van 2015 voorstellen zullen worden aangereikt door de
                    Bestuurlijke werkgroep Bibob.</al><tussenkop>3. Uitvoering</tussenkop><tussenkop>3.1 Eigen onderzoek</tussenkop><al>In de in deze beleidsregel bepaalde gevallen, zal betrokkene, naast de
                    gebruikelijke aanvraagformulieren, de Bibobvragenformulieren dienen in te vullen
                    en inleveren bij het bestuursorgaan. De Bibobvragenformulieren zijn bij
                    Ministeriele Regeling van 24 juni 2013 vastgesteld en uiterlijk 1 november 2013
                    ingevoerd.</al><al>In geval de aanvraag betrekking heeft op een nieuwe beschikking, maken de
                    Bibobvragenformulieren en alle daarin gevraagde (kopieën van) documenten
                    onderdeel uit van de aanvraag.</al><al>Alvorens het eigen onderzoek naar het zich voordoen van weigeringsgronden als
                    bedoeld in artikel 3 van de wet wordt gestart, zal een aanvraag eerst beoordeeld
                    worden conform de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht en de reguliere
                    weigeringsgronden vanuit de onderliggende regelgeving van de desbetreffende
                    vergunning.</al><al>Als het bestuursorgaan op basis van het eigen onderzoek in het kader van de Wet
                    Bibob genoeg aanwijzingen heeft om in redelijkheid te kunnen aantonen dat er
                    sprake is van een 'ernstig gevaar' als bedoeld in de Wet Bibob, kan het de
                    vergunning weigeren of intrekken. </al><al>Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als
                    hiervoor genoemd, kan ook nog een advies bij het Bureau Bibob worden gevraagd
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de
                            persoon van de aanvrager en/of daarmee in verband te brengen
                            betrokkenen, de financier van de betreffende activiteiten en/of
                            onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is
                            gevestigd;</al></li><li nr="b."><al>na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur
                            van aan de uitvoering van de beschikking te verbinden
                            onderneming(en);</al></li><li nr="c."><al>na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van
                            de aan de betreffende beschikking te verbinden activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>de Officier van Justitie de gemeente de tip geeft om in een bepaalde
                            zaak een Bibob-advies aan te vragen.</al></li></lijst><al>Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan ondersteuning gevraagd worden aan
                    het RIEC. Dit kan vanaf de start van de aanvraag tot en met de uiteindelijke
                    beslissing op de aanvraag. </al><tussenkop>3.2 Informatieplicht</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een
                            adviesaanvraag aan het Bureau Bibob. Betrokkene wordt daarbij gewezen op
                            de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 9 van de Wet
                            Bibob. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek
                            aan het Bureau Bibob.</al></li><li nr="2."><al>In geval een van het Bureau Bibob ontvangen adviesverzoek leidt tot het
                            voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder
                            verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van
                            het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het
                            bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in
                            artikel 28 van de Wet Bibob.</al></li></lijst><tussenkop>3.3 Adviestermijn</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau Bibob,
                            wordt op grond van artikel 31 van de wet, de wettelijke termijn
                            waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de
                            duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het
                            Bureau Bibob in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop
                            het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet
                            langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15, eerste lid van
                            de wet. Die termijn bedraagt acht weken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het Bureau Bibob het advies niet binnen de in het eerste lid van
                            artikel 15 gestelde termijn kan geven, heeft het de mogelijkheid om op
                            grond van artikel 15, derde lid van de wet, de termijn te verlengen.
                            Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel
                            15, derde lid van de wet, dat is vier weken. </al></li><li nr="3."><al>Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging
                            als bedoeld in punt 2. </al></li><li nr="4."><al>De verlenging van de adviestermijn van het Bureau Bibob, alsmede
                            eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau
                            Bibob in gevallen als bedoeld in artikel 15, tweed lid van de wet
                            (verzoek om aanvullende informatie dor het Bureau Bibob), leiden tot een
                            verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de
                            beschikking.</al></li></lijst><tussenkop>3.4 Beschikking</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het bestuursorgaan kan overgaan tot een negatief besluit op de aanvraag
                            op de beschikking, indien uit het eigen onderzoek en een eventueel
                            daarop afgegeven advies van het Bureau Bibob blijkt, dat er sprake is
                            van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bestuursorgaan voornemens is negatief te beschikken op de
                            aanvraag om de beschikking op grond van de wet, wordt betrokkene in de
                            gelegenheid gesteld daartegen een zienswijze in te brengen.</al></li><li nr="3."><al>Een door het bestuursorgaan op grond van de wet genomen besluit op de
                            aanvraag voor een beschikking, is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al></li><li nr="4."><al>Het bestuursorgaan, die een advies van het Bureau als bedoeld in de wet
                            ontvangt, kan dit advies gedurende twee jaren gebruiken in verband met
                            een andere beslissing.</al></li></lijst><tussenkop>4. Tot slot</tussenkop><al>De Bibob Beleidsregel 2015 is bedoeld voor het actualiseren van het huidige
                    lokale Bibobbeleid en de daaraan gekoppelde uitvoeringsprocedure aan de recente
                    wetswijzigingen. Zij omvat dus nog geen uitbreidingen in toepassingsbereik
                    vanuit de per 1 juli 2013 van kracht geworden Evaluatie- en uitbreidingswet
                    2013. Uitbreiding van het huidige Bibob-beleid zal vanuit de bestuurlijke
                    werkgroep Bibob verder worden voorbereid.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>