<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387672_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening Ouder-Amstel 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening Ouder-Amstel 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Huisvestingswet 2014</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening Ouder-Amstel 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel
                                    2.2.3, eerste lid, waarop door corporaties woonruimte,
                                    aangewezen in artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2
                                    van de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="c."><al>Bezettingsnormen: de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                    voorrangsregels;</al></li><li nr="d."><al>Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5
                                    gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor
                                    voorrang bij de verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="e."><al>Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en
                                    wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door
                                    burgemeester en wethouders is aangewezen;</al></li><li nr="g."><al>COA-voorziening: als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal
                                    orgaan opvang asielzoekers;</al></li><li nr="h."><al>Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70,
                                    eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer
                                    gemeenten van de Stadsregio Amsterdam;</al></li><li nr="i."><al>DAEB-norm: het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van
                                    de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
                                    toegelaten instellingen volkshuisvesting genoemde bedrag, of,
                                    als Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
                                    (kamerstuk dossiernummer 32769) in werking is getreden: de
                                    inkomensgrens bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de
                                    Woningwet;</al></li><li nr="j."><al>Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende
                                    aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                    aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></li><li nr="k."><al>Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of
                                    zonder kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren
                                    of wensen te voeren;</al></li><li nr="l."><al>Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7,
                                    eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="m."><al>Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor
                                    het enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een
                                    woonwagen, uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens
                                    het woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit
                                    huurprijzen woonruimte;</al></li><li nr="n."><al>Indicatie: een beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van
                                    een woningzoekende, gemaakt door burgemeester en wethouders of
                                    een door hen aan te wijzen adviseur, ter voorbereiding van een
                                    door hen te nemen beslissing op een aanvraag om een
                                    huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="o."><al>Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder
                                    i van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="p."><al>Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                    lid;</al></li><li nr="q."><al>Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></li><li nr="r."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling als
                                    bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="s."><al>liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste
                                    lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="t."><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1,
                                    onderdeel b van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="u."><al>Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder
                                    van een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel
                                    2.6.4, derde lid;</al></li><li nr="v."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke
                                    niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder
                                    dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke
                                    voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke
                                    voorzieningen worden aangemerkt: keuken en toilet.</al></li><li nr="w."><al>passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel
                                    2.6.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></li><li nr="x."><al>passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van
                                    artikel 2.4.4, tweede lid of vierde lid gesteld aan
                                    woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang bij de
                                    verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="y."><al>peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen
                                    datum, bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></li><li nr="z."><al>Platform: het Platform Woningcorporaties Noordvleugel
                                    Randstad.</al></li><li nr="aa."><al>rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                    2.4.8;</al></li><li nr="bb."><al>regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de
                                    woningmarktregio;</al></li><li nr="cc."><al>Regioraad: het algemeen bestuur van de Stadsregio
                                    Amsterdam.</al></li><li nr="dd."><al>Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                    verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals
                                    omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="ee."><al>Student: studenten als bedoeld in artikel 7:274 lid 4 van het
                                    Burgerlijk Wetboek alsmede voltijdspromovendi bij binnen het
                                    gebied van de woningmarktregio gevestigde universiteiten;</al></li><li nr="ff."><al>Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking
                                    hebbende huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al><lijst><li nr="i."><al>in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na
                                            beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een
                                            student zal worden verhuurd; en,</al></li><li nr="ii."><al>die woonruimte door het college van burgemeester en
                                            wethouders in de regiogemeente waarin de woonruimte is
                                            gelegen na overleg met de eigenaar is erkend als
                                            studentenwoning;</al></li></lijst></li><li nr="gg."><al>Stuurgroep Wonen: het overleg bestaande uit een
                                    vertegenwoordiging van burgemeester en wethouders van de
                                    regiogemeenten en de binnen de woningmarktregio actieve
                                    corporaties;</al></li><li nr="hh."><al>SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een
                                    woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                    aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></li><li nr="ii."><al>Traditionele doelgroep: de groep (degenen) die volgens de
                                    bepalingen in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                    bewonersverklaring in aanmerking kon (konden) komen;</al></li><li nr="jj."><al>urgentieverklaring: de beschikking, verleend door burgemeester
                                    en wethouders van een tot de woningmarktregio behorende
                                    gemeente, waarmee een woningzoekenden in een urgentiecategorie
                                    als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de wet wordt
                                    ingedeeld; </al></li><li nr="kk."><al>vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel
                                    28 van de Huisvestingswet 2014; </al></li><li nr="ll."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard
                                    en doel, wordt geacht voor het oplossen van het
                                    huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te
                                    zijn;</al></li><li nr="mm."><al>Wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="nn."><al>Woningmarktregio: de woningmarktregio gevormd door de gemeenten
                                    Amsterdam die bestaat uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen,
                                    Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer,
                                    Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn,
                                    Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang.</al></li><li nr="oo."><al>Woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="pp."><al>Woningruil: ruil waarbij twee of meer huishoudens zich
                                    daadwerkelijk vestigen in elkaars woning;</al></li><li nr="qq."><al>Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede
                                    lid, in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen
                                    categorie woonruimte;</al></li><li nr="rr."><al>Woongroep: een samenlevingsverband bestaande uit tenminste drie
                                    personen tussen wie geen familierechtelijke relatie
                                    bestaat.</al></li><li nr="ss."><al>Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals
                                    dat wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen
                                    woonruimte.</al></li><li nr="tt."><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of
                                    meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door
                                    een huishouden;</al></li><li nr="uu."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op
                                    een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                    verplaatst.</al></li><li nr="vv."><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft
                                    en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                    huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                    buiten de woonruimte;</al></li><li nr="ww."><al>zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te
                                    kunnen wonen;</al></li><li nr="xx."><al>Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte, welke verhuurd
                                    wordt;</al></li><li nr="yy."><al>Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde
                                    lid en artikel 2.6.4;</al></li><li nr="zz."><al>Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3,
                                    eerste lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Verdeling van woonruimte</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>I</nr><titel>WOONRUIMTEVERDELING</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de gemeente
                                    Ouder-Amstel.</al></li><li nr="2."><al>In het gebied bedoeld in het eerste lid worden als woonruimten
                                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet aangewezen alle
                                    zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de
                                    liberalisatiegrens.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze afdeling
                                    niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt voor
                                    inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>De complexen genoemd in bijlage 1 behorende bij deze
                                    verordening;</al></li><li nr="d."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en
                                    met c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="e."><al>studentenwoningen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden
                                    zelfstandige huurwoningen welke geen eigendom zijn van
                                    corporaties niet aangewezen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                    huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens
                                    artikel 2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon
                                    die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toelating tot het aangewezen deel van de woningmarkt</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Toelatingscriteria</titel></kop><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient
                                    de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de
                                            woningzoekende is niet minderjarig als bedoeld in
                                            artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende
                                            bezitten de Nederlandse nationaliteit of worden op grond
                                            van een wettelijke bepaling als Nederlander behandeld of
                                            zijn vreemdeling en verblijven rechtmatig in Nederland
                                            als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van de Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanvullend toelatingscriterium particuliere
                                        huurvoorraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1
                                        geldt om toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het
                                        bepaalde in paragraaf 4 van toepassing is de volgende
                                        voorwaarde: het inkomen van het huishouden bedraagt maximaal
                                        € 43.000.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van
                                        het kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar
                                        geacht te zijn verhoogd met het percentage waarmee in het
                                        daaraan voorafgaande kalenderjaar het Europees
                                        geharmoniseerde prijsindexcijfer voor consumentenprijzen is
                                        gestegen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Aanbieden van woonruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                        eenduidig en transparant te huur aan via een
                                        aanbodinstrument of via meerdere aanbodinstrumenten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke
                                        eisen de woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te
                                        komen voor de aangeboden woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                                        toepassing op directe bemiddeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Woningzoekenden en inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als
                                        woningzoekenden inschrijven via een aanbodinstrument. De
                                        inschrijving in een in de woningmarktregio gebruikt
                                        aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                                        woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als
                                        woningzoekende ingeschreven staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving
                                        geldt voor de ingeschreven woningzoekende en de leden van
                                        zijn huishouden, niet-zijnde meeverhuizende inwonende
                                        kinderen, wier medeverhuizing noodzakelijk was voor het
                                        verkrijgen van een huisvestingsvergunning voor de bewoning
                                        van de betreffende woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                        inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder
                                        woonruimte aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                        genomen, voor zover die woonruimte geen eigendom is van een
                                        corporatie en niet via het aanbodinstrument Woningnet te
                                        huur is aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Voorwaarden aan inschrijving via het
                                        aanbodinstrument</titel></kop><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                                    aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid
                                    bedoelde inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn
                                    openbaar en te raadplegen via de website van het
                                    aanbodinstrument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Aanvraag vergunning en in te dienen bescheiden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen
                                            burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende
                                            bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende,
                                            verstrekt door diens werkgever, uitkeringsinstantie of
                                            pensioeninstantie dan wel de meest recente aanslag
                                            inkomstenbelasting of een accountantsverklaring indien
                                            aanvrager zelfstandig werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de
                                            woonplaats van aanvrager; en,</al><lijst><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de
                                            woningzoekende en de overige leden van het huishouden
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft niet de Nederlandse
                                            nationaliteit bezitten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig
                                            identiteitsbewijs van alle leden van het huishouden
                                            waarop de aanvraag betrekking heeft, te tonen.</al></li><li nr="4."><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt
                                            voor woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede
                                            lid, eerste kolom, derde rij, dient de aanvraag tevens
                                            vergezeld te gaan van een indicatie op basis waarvan
                                            beoordeeld kan worden of de specifieke eigenschappen van
                                            de woonruimte tegemoetkomen aan de verminderde
                                            zelfredzaamheid van één of meerdere leden van het
                                            huishouden.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere
                                            gegevens te vragen die nodig zijn om de aanvraag te
                                            beoordelen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na
                                        datum van indiening op de aanvraag voor een
                                        huisvestingsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn
                                        eenmalig te verlengen met vier weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.8</nr><titel>Gegevens op vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte
                                            wil betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking
                                            op heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na
                                            verlening van de vergunning de woonruimte in gebruik
                                            wordt genomen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking
                                            tevens opnemen dat de vergunning slechts geldig is
                                            indien het gehele huishouden waarvoor de vergunning is
                                            verleend, de woonruimte betrekt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Vergunningverlening particuliere huurvoorraad</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 3</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                        huisvestingsvergunning indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in
                                        artikel 2.2.1 en artikel 2.2.2;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het huishouden al in het bezit is van een geldige
                                        huisvestingsvergunning;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor de
                                        huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of,</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in
                                        gebruik zal nemen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning indien geen van de in het eerste lid
                                        genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Bezettingsnormen</titel></kop><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt
                                    overeenkomstig het bepaalde in Bijlage 2 voorrang verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><al>a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet
                                    binnen de genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de
                                    vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                    redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Toewijzing en vergunningverlening
                                    corporatiewoningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Reikwijdte paragraaf 4</titel></kop><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op
                                    ingevolge artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is
                                    van een corporatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de
                                            huisvestingsvergunning indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria
                                            genoemd in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een
                                    huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.6 niet
                                    voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komt;</al></li><li nr="d."><al>het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in
                                    gebruik zal nemen; of,</al></li><li nr="e."><al>de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of
                                    haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar
                                    verantwoordelijkheid voor de bescherming van de belangen van de
                                    overige huurders en voor de waarborging van het woongenot,
                                    redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met
                                    aanvrager heeft kunnen weigeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning
                                    indien geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden
                                    zich voordoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet
                                    binnen de genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de houder van de
                                    vergunning verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                    redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte
                                        en prijs van woonruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de
                                    wet worden aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in
                                    kolom 1 van de in het tweede lid opgenomen tabel.</al></li><li nr="2."><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor
                                    woonruimte die behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie
                                    woonruimte wordt voorrang gegeven aan de categorieën
                                    woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de desbetreffende
                                    categorie woonruimte.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                  (labels)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                  (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>senioren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens waarvan één lid tenminste </al><al>de leeftijd van 55 jaar of ouder </al><al>heeft bereikt. Indien er geen huishouden </al><al>dat voldoet aan het in de eerste zin </al><al>bepaalde voor de woonruimte in </al><al>aanmerking komt, wordt voorrang gegeven</al><al>aan het huishouden met een lid dat de</al><al>leeftijd van 55 jaar het dichtst
                                                  benadert.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>jongeren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens bestaande uit één </al><al>persoon, zijnde een jongere </al><al>met een leeftijd tot 26 jaar die geen </al><al>student is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>personen met verminderde </al><al>zelfredzaamheid</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens in het bezit van een indicatie </al><al>waaruit blijkt dat de specifieke </al><al>eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen
                                                  aan de verminderde zelfredzaamheid van één of
                                                  meerdere </al><al>leden van het huishouden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een laag inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een laag inkomen als </al><al>bedoeld in lid 3.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een hoger inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een hoger inkomen </al><al>als bedoeld in lid 3</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al>Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een
                                    inkomen tot een nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte,
                                    door burgemeester en wethouders te bepalen hoogte. Huishoudens
                                    met een hoog inkomen zijn huishoudens met een inkomen boven een
                                    nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door
                                    burgemeester en wethouders te bepalen hoogte.</al></li><li nr="4."><al>Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet
                                    wordt voorts aangewezen: woonruimte in het bijzonder geschikt
                                    voor de huisvesting van grote huishoudens.</al></li><li nr="5."><al>Voorts is bij het verlenen het bepaalde in Bijlage 2 van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                                        binding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten
                                    hoogste 50 procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen
                                    categorieën woonruimte, voorrang gegeven aan huishoudens omdat
                                    zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan de
                                    woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde
                                    percentage mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen
                                    voorrang worden gegeven aan woningzoekenden omdat zij economisch
                                    of maatschappelijk gebonden zijn aan een tot de gemeente
                                    behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de
                                    wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Algemene volgordebepaling</titel></kop><al>1.Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een
                                    aanbodinstrument wordt de volgorde waarin de woningzoekenden die
                                    op het aanbod gereageerd hebben in aanmerking komen voor een
                                    huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het bepaalde in
                                    artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                    volgende groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    passendheids- en bindingscriteria;</al><al>b.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    passendheidscriteria;</al><al>c.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    bindingscriteria;</al><al>d.de overige woningzoekenden.</al><al>3.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de
                                    te huur aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                    opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6a</nr><titel>Bijzondere volgordebepaling</titel></kop><al>1.Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur
                                    aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid,
                                    opgenomen passendheidscriterium van toepassing is.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de
                                    volgende negen groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    bindingscriteria, in het bezit zijn van een urgentieverklaring
                                    en wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende
                                    kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>b.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    bindingscriteria, in het bezit zijn van een urgentieverklaring
                                    en wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind
                                    jonger dan 18 jaar;</al><al>c.woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring en
                                    wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen
                                    jonger dan 18 jaar;</al><al>d.woningzoekenden die in het bezit zijn van een
                                    urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat uit tenminste
                                    één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>e.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit drie of
                                    meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>f.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                                    bindingscriteria en wier huishouden mede bestaat uit tenminste
                                    één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>g.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit drie of meer
                                    inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>h.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit tenminste één
                                    inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>i.overige woningzoekenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Volgorde van houders van een urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in
                                    artikel 2.4.6, tweede lid aanhef en onder a tot en met d
                                    bedoelde groepen of in één van de in artikel 2.4.6a, tweede lid
                                    aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen, komen als
                                    eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de houders
                                    van een urgentieverklaring indien de woonruimte voldoet aan het
                                    in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.</al><al>2.Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                                    urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor
                                    een huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het
                                    huishouden waarvan de urgentieverklaring als eerste is verleend
                                    of waarvoor voorziening in de behoefte aan woonruimte naar het
                                    oordeel van burgemeester en wethouders het meest dringend
                                    noodzakelijk is.</al><al>3.De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling
                                    in één van de in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden geacht
                                    te voldoen aan de bindingscriteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Volgorde van de overige woningzoekenden</titel></kop><al>1.De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van
                                    een urgentieverklaring, die behoren tot één van de in artikel
                                    2.4.6, tweede lid, aanhef en onder a tot en met d, bedoelde
                                    groepen of tot één van de in artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef
                                    en onder a tot en met i bedoelde groepen, in aanmerking komen
                                    voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald aan de hand van
                                    een in de volgende leden beschreven rangordecriterium.</al><al>2.De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><al>a.Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste inschrijfduur
                                    komt als eerste in aanmerking voor de
                                    huisvestingsvergunning.</al><al>b.Loting. Bij loting wordt door de corporatie op elektronische
                                    of andere geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de
                                    loting deelnemende woningzoekenden voor de
                                    huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij heeft elk
                                    deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
                                    totale rangorde.</al><al>3.Per kalenderjaar wordt in de gehele woningmarktregio op ten
                                    hoogste 15 % en per gemeente op ten hoogste 20 % van door
                                    corporaties te huur aangeboden woonruimten het rangordecriterium
                                    loting toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Directe bemiddeling</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan
                                    de woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien
                                    het betreft de huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt
                                    dat het naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet
                                    doelmatig is om hen via een aanbodinstrument naar woonruimte te
                                    laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:</al><al>a.vergunninghouders;</al><al>b.houders van een urgentieverklaring; en,</al><al>c.huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Bijzondere gevallen</titel></kop><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van
                                    huishoudens in bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende
                                    voorwaarden, direct bemiddeld worden:</al><al>a.het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke
                                    situatie vraagt om een oplossing op maat, welke niet kan worden
                                    geboden met toepassing van het bepaalde in deze
                                    verordening;</al><al>b.het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
                                    regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de
                                    met toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren
                                    woonruimte;</al><al>c.de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd
                                    en jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij
                                    wordt de Stuurgroep Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel
                                    gevallen het per regiogemeente betrof.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Experimenten woonruimteverdeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>1.Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze
                                    van in gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond
                                    van deze verordening is geregeld maar wel in een op grond van de
                                    Huisvestingswet 2014 vast te stellen verordening geregeld zou
                                    kunnen worden.</al><al>2.De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in
                                    het eerste lid staat ten dienste van een rechtvaardige,
                                    doelmatige, evenwichtige en transparante verdeling van
                                    woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Experimenten met woonruimten van corporaties</titel></kop><al>1.Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een
                                    experiment organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het
                                    experiment vast, welke tenminste het volgende bevat:</al><al>a.een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment;
                                    en,</al><al>b.het toepassingsbereik van het experiment; en,</al><al>c.de tijdsduur van het experiment; en,</al><al>d.de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur
                                    van het experiment; en,</al><al>e.de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd
                                    wordt.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en
                                    betreft per jaar maximaal tien procent van de in dat jaar toe te
                                    wijzen woonruimten van de corporaties die bij het experiment
                                    betrokken zijn.</al><al>3.Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                                    experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot
                                    goed- dan wel afkeuring van de experimentenovereenkomst neemt de
                                    Stuurgroep Wonen de belangen van een evenwichtige,
                                    rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van
                                    woonruimte in acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Experiment met overige aangewezen woonruimten</titel></kop><al>1.Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking met
                                    één of meer regiogemeenten een experiment organiseren. Het
                                    bepaalde in artikel 2.5.2, eerste lid, is hierop van
                                    overeenkomstige toepassing.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en vangt
                                    pas aan nadat burgemeester en wethouders, na raadpleging van de
                                    Stuurgroep Wonen, de de experimentenopzet hebben goedgekeurd.
                                    Bij hun beslissing omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van
                                    een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante
                                    verdeling van woonruimte in acht.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Urgentie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Bevoegdheid tot beslissen op een aanvraag om een
                                        urgentieverklaring</titel></kop><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester
                                    en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2,
                                    eerste lid, aangevraagd moet worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanvraag om een urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><al>a.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de
                                    aanvrager blijkens diens inschrijving in de basisregistratie
                                    zijn woonadres heeft; of,</al><al>b.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de
                                    aanvrager wil gaan wonen, als de aanvrager niet in de
                                    woningmarktregio woont.</al><al>2.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de
                                    datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn
                                    eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun
                                    besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde
                                    termijn.</al><al>3.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende
                                    gegevens en bescheiden:</al><al>a.stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is
                                    ingeschreven in een aanbodinstrument;</al><al>b.informatie over de aard en de oorsprong van het
                                    huisvestingsprobleem dat aan de aanvraag ten grondslag ligt;
                                    en</al><al>c.informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden
                                    van aanvrager.</al><al>4.Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van
                                    toepassing op een aanvraag die een verzoek om indeling in een
                                    urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6 inhoudt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Inhoud van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor
                                    woonruimte.</al><al>2.Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest
                                    sobere woningtype of de meest sobere woningtypen, naar het
                                    oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk voor het
                                    oplossen van het huisvestingsprobleem.</al><al>3.Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de
                                    urgentieverklaring geldig is.</al><al>4.De urgentieverklaring bevat verder de volgende
                                    informatie:</al><al>a.de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager;</al><al>b.de geboortedatum van aanvrager;</al><al>c.het dossiernummer van de aanvraag;</al><al>d.de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig
                                    is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Het zoekgebied</titel></kop><al>1.Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en
                                    wethouders die de urgentieverklaring hebben verleend.</al><al>2.Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van
                                    toepassing op een urgentieverklaring waarmee de woningzoekende
                                    is ingedeeld in een in artikel 2.6.8 genoemde
                                    urgentiecategorie.</al><al>3.Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar
                                    een andere regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is
                                    afgegeven, kunnen burgemeester en wethouders van de ontvangende
                                    regiogemeente:</al><al>a.het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de
                                    wijziging van het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel
                                    opgenomen zoekgebied te vervallen; en,</al><al>b.de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het
                                    voor de ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke
                                    urgentiecategorie, met inachtneming van het bepaalde in artikel
                                    2.6.3, tweede lid, gangbare woningtype of woningtypen.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid
                                    bedoelde wijziging van het zoekgebied weigeren indien naar hun
                                    oordeel de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van
                                    schaarste aan goedkope woonruimte daartoe nopen.</al><al>5.Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van
                                    vier weken op een verzoek om wijziging van het zoekgebied,
                                    bedoeld in het tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring
                                    indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de
                                    volgende omstandigheden:</al><al>a.het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel
                                    2.2.1 genoemde eisen;</al><al>b.er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;</al><al>c.de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs
                                    voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een
                                    andere wijze oplossen;</al><al>d.het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden
                                    opgelost door gebruik te maken van een voorliggende
                                    voorziening;</al><al>e.het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                    huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar
                                    doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn
                                    huishouden;</al><al>f.het aan de aanvraag ten grondslag liggende
                                    huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost
                                    worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere
                                    zelfstandige woonruimte;</al><al>g.de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan
                                    aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende
                                    urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel
                                    2.6.10, eerste lid, aanhef en onder a en d;</al><al>h.de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de
                                    kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te
                                    voorzien;</al><al>i.de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen
                                    van de aanvraag blijkens diens inschrijving in de
                                    basisadministratie niet tenminste twee jaar onafgebroken in de
                                    gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig
                                    was;</al><al>j.het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al><al>2.Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een
                                    urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid, kunnen
                                    burgemeester en wethouders vervolgens het aangevraagde weigeren
                                    indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i,
                                    bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en
                                    krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening
                                    voor permanente bewoning bestemde woonruimte.</al><al>3.Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het
                                    aangevraagde indien de aanvrager niet valt onder één van de in
                                    artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8 opgenomen
                                    urgentiecategorieën.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Wettelijke urgentiecategorieën</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                    van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en
                                    met h en j genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot
                                    tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:</al><al>a.woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor
                                    tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van
                                    relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en
                                    waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien
                                    de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen
                                    woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van
                                    burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is;</al><al>b.woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan
                                    woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van
                                    mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor
                                    aanvrager dringend noodzakelijk is.</al><al>2.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                    vergunninghouder die, gelet op de in artikel 28 van de wet
                                    genoemde taakstelling, gehuisvest moet worden door het college
                                    van burgemeester en wethouders waar de urgentieverklaring wordt
                                    aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><al>a.de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan opvang
                                    asielzoekers als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan
                                    opvang asielzoekers bij een andere gemeente voorgedragen voor
                                    huisvesting; en,</al><al>b.de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden woonruimte
                                    geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Regionale urgentiecategorie: uitstroom</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een
                                    woningzoekende die moet omzien naar woonruimte aansluitend op
                                    verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang, een
                                    psychiatrische instelling of een erkende hulp- of
                                    dienstverleningsinstelling, indien:</al><al>a.de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct
                                    voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de
                                    inschrijving in de basisadministratie woonachtig was in de
                                    woningmarktregio;</al><al>b.geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a,
                                    c, d, f, h of j genoemde omstandigheden zich voordoet; en,</al><al>c.de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                    voldoende zelfredzaam is.</al><al>2.Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een
                                    in de woningmarktregio gelegen instelling als bedoeld in het
                                    eerste lid, zijn de volgende leden van toepassing.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel
                                    2.6.2, eerste lid, wordt op een aanvraag om een
                                    urgentieverklaring waarmee een woningzoekende wordt ingedeeld in
                                    een urgentiecategorie als bedoeld in het vorige lid, besloten
                                    door burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de
                                    locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft
                                    resideert.</al><al>4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid,
                                    omvat het in de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied e
                                    regiogemeente waarin aanvrager tenminste twee van de drie jaren
                                    direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling blijkens de
                                    inschrijving in de basisadministratie woonachtig was, tenzij
                                    burgemeester en wethouders gelet op de problematiek van
                                    aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied
                                    opnemen.</al><al>5.Het college van burgemeester en wethouders van de
                                    regiogemeente die tot het in de urgentieverklaring opgenomen
                                    zoekgebied behoort, stelt het in de urgentieverklaring op te
                                    nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                    2.6.3, tweede lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Overige regionale urgentiecategorieën</titel></kop><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen
                                    van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde
                                    omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de
                                    volgende urgentiecategorieën behoort:</al><al>a.woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;</al><al>b.woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen
                                    dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in
                                    artikel 2.6.7 bedoelde urgentiecategorie;</al><al>c.woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een
                                    door burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid
                                    aangewezen complex.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan
                                    de bewoners in verband met sloop of ingrijpende renovatie of
                                    herstructurering van het gebied waarin de complexen zijn
                                    gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar niet meer in hun
                                    huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en
                                    wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de
                                    bewoners van de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring
                                    kunnen aanvragen.</al><al>3.Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en
                                    onder a en c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid
                                    aanhef en onder j en het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid,
                                    niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Geldigheid van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het
                                    derde en vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de
                                    SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een
                                    woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld
                                    in artikel 2.6.6, tweede lid, of artikel 2.6.7, eerste lid.</al><al>2.De urgentieverklaring vervalt:</al><al>a.nadat de houder ervan niet meer behoort tot de
                                    urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                                    urgentieverklaring; of,</al><al>b.na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de
                                    urgentieverklaring.</al><al>3.Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                                    urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten
                                    dat de urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in
                                    het tweede lid geldig blijft indien:</al><al>a.de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, zich
                                    niet voordoen;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de
                                    urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                                    urgentieverklaring.</al><al>4.Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging
                                    vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een
                                    periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in
                                    indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt
                                    zouden zijn geweest, de urgentieverklaring zou zijn
                                    geweigerd;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de
                                    urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                                    urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel
                                    2.6.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende
                                    urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen;</al><al>c.de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of,</al><al>d.de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft
                                    geweigerd of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om
                                    zijn huisvestingsprobleem op te lossen.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring
                                    wijzigen indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt
                                    zouden zijn geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn
                                    geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten; of</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere
                                    urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening
                                    van de urgentieverklaring.</al><al>3.Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging
                                    van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich
                                    laten adviseren door een ter zake deskundig persoon.</al><al>4.Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de
                                    urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de
                                    urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is
                                    voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze
                                    verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring,
                                    bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen
                                    indien:</al><al>a.weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende
                                    situatie; en,</al><al>b.sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de
                                    verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel
                                    van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de
                                    verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.</al><al>2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met
                                    toepassing van het in het eerste lid bepaalde een
                                    urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat
                                    tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend
                                    en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de
                                    verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden
                                    tenminste eenmaal per jaar besproken in de Stuurgroep
                                    Wonen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Overgangsrecht urgentieverklaringen</titel></kop><al>Urgentieverklaringen die zijn verleend op grond van de Regionale
                                    Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 zoals deze
                                    luidt onmiddellijk vóór 1 januari 2016 of daarmee gelijkgesteld
                                    is, worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1 van
                                    deze verordening te verlenen urgentieverklaringen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>(Gereserveerd)</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>II</nr><titel>VERDELING VAN STANDPLAATSEN WOONWAGENS</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Standplaatsen voor woonwagens</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>In de gemeenten worden alle standplaatsen aangewezen als
                                    woonruimte als bedoeld in artikel 1, derde lid onder a, van de
                                    wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.2</nr><titel>Reikwijdte vergunningplicht</titel></kop><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een aangewezen
                                    standplaats in gebruik te nemen of te geven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.3</nr><titel>Inschrijving register</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders houden een register bij van
                                        standplaatszoekenden. Het register vermeldt de
                                        standplaatszoekenden in volgorde van inschrijvingsdatum.
                                    </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Om op de in het eerste lid genoemde lijst te kunnen worden
                                        ingeschreven moet de standplaatsgerechtigde aantonen dat hij
                                        voldoet aan de criteria genoemd in artikel 4.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving in het register is geldig voor één jaar.
                                        Burgemeester en wethouders kunnen de termijn van de
                                        inschrijving verlengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan de
                                        standplaatszoekende een bewijs van inschrijving, waarop in
                                        ieder geval de volgende gegevens zijn vermeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>inschrijvingsnummer;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>datum van inschrijving;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>naam en adres van aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in
                                        het register indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende niet meer aan de vereisten
                                                voor inschrijving voldoet;</al></li><li nr="b."><al>de standplaatszoekende daarom verzoekt;</al></li><li nr="c."><al>de standplaatszoekende is overleden;</al></li><li nr="d."><al>de geldigheidstermijn van de inschrijving is
                                                verstreken; </al></li><li nr="e."><al>de standplaatszoekende een standplaats of woning in
                                                Nederland krijgt toegewezen en deze accepteert;</al></li><li nr="f."><al>de standplaatszoekende een standplaats achterlaat
                                                bij toewijzen en acceptatie van een woning;</al></li><li nr="g."><al>de standplaatszoekende gegevens heeft verstrekt bij
                                                de inschrijving waarvan deze wist of redelijkerwijs
                                                kan vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                                waren;</al></li><li nr="h."><al>de standplaatszoekende niet binnen tien dagen zijn
                                                inschrijving heeft gecontinueerd door inzending van
                                                een door burgemeester en wethouders te verstrekken
                                                enquêteformulier.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.4</nr><titel>In te dienen bescheiden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij inschrijving in het register worden de volgende
                                            bescheiden overgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie
                                            van de woonplaats van aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>een geldig identiteitsbewijs;</al></li><li nr="c."><al>een geldig verblijfsdocument indien aanvrager niet de
                                            Nederlandse nationaliteit bezit;</al></li><li nr="d."><al>bewijzen van inkomsten waaruit het huidige inkomen van
                                            het huishouden blijkt;</al></li><li nr="e."><al>indien de aanvrager behoort tot de groep personen
                                            genoemd in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet:
                                            een bewonersverklaring waaruit blijkt dat de
                                            woningzoekende daadwerkelijk tot de traditionele
                                            doelgroep behoort.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de gemeente Amsterdam worden eveneens bescheiden
                                            overgelegd waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende een bedrijf of beroep
                                                  uitoefent dat verband houdt met de exploitatie van
                                                  het circus- of kermisbedrijf;</al></li><li nr="b."><al>minimaal 70% van zijn/haar gemiddeld jaarinkomen
                                                  over de afgelopen drie kalenderjaar binnen het
                                                  onder a genoemde bedrijf of beroep heeft
                                                  vergaard.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens te
                                    vragen die nodig zijn om de inschrijving te beoordelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.5</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen de
                                        huisvestingsvergunning voor het betrekken van een
                                        standplaats, indien het huishouden voldoet aan de
                                        voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 en het huishouden
                                        volgens de volgordebepaling bedoeld in artikel 2.8.7 als
                                        eerste voor de standplaats in aanmerking komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 2.2.6, 2.2.7 en 2.2.8, eerste lid, zijn van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er kan één huisvestingsvergunning per huishouden worden
                                        verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.6</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven
                                            van de vergunning geen gebruik meer te willen
                                            maken;</al></li><li nr="b."><al>de vergunninghouder de in de vergunning vermelde
                                            standplaats niet binnen de genoemde termijn in gebruik
                                            heeft genomen;</al></li><li nr="c."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.7</nr><titel>Nadere uitwerking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders stellen regels op over de wijze van
                                    verdeling en volgordebepaling bij toewijzing van een standplaats
                                    aan een standplaatszoekende.</al></artikel></paragraaf></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Wijziging van de woonruimtevoorraad</titel></kop><structuurtekst><al>Gereserveerd</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Verdere bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Wijzigingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Overleg bij wijziging</titel></kop><al>Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening
                            plegen burgemeester en wethouders overleg met burgemeester en wethouders
                            van de andere regiogemeenten, met de in de woningmarktregio werkzame
                            corporaties en met andere daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking
                            komende organisaties die binnen de woningmarktregio werkzaam zijn op het
                            gebied van de volkshuisvesting.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Verslaglegging en monitoring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verstrekken het portefeuillehoudersoverleg de
                            v inlichtingen, die nodig zijn voor een juiste afstemming over de wijze
                            waarop burgemeester en wethouders deze verordening uitvoeren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Handhaving en toezicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Handelen zonder of in strijd met een vergunning</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij
                            overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8, 21 of 22 van de wet of
                            handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in
                            artikel 24 van de wet.</al><al>2.De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld in
                            artikel 8, eerste lid, van de wet bedraagt:</al><al>a.voor de eerste overtreding en voor een herhaalde overtreding na een
                            periode van 12 maanden: € 340;</al><al>b.voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12 maanden: €
                            340.</al><al>3.De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld in
                            artikel 8, tweede lid, van de wet bedraagt:</al><al>a.voor de eerste overtreding en voor een herhaalde overtreding na een
                            periode van 12 maanden: € 3.000;</al><al>b.voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12 maanden: €
                            4.500.</al><al>4.De bestuurlijke boete voor overtreding van het verbod, bedoeld in
                            artikel 21 of 22 van de wet, of voor handelen in strijd met de
                            voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet,
                            bedraagt:</al><al>a.voor de eerste overtreding en voor een herhaalde overtreding na een
                            periode van 12 maanden: € 12.000;</al><al>b.voor een herhaalde overtreding binnen een periode van 12 maanden: €
                            18.500.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Restbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing
                            van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt
                            ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Overgangsbepalingen beschikkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip
                                    van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het
                                    tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening
                                    verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen,
                                    urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan
                                    verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een huisvestingsvergunning, een
                                    onttrekkingsvergunning of een splitsingsvergunning of een
                                    beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die
                                    nog niet onherroepelijk is.</al></li><li nr="3."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2016 blijft
                                    van toepassing op een beschikking tot toepassing van een
                                    bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het
                                    bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking
                                    tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet
                                    onherroepelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De voor de inwerkingtreding gedane inschrijvingen van
                                    standplaatszoekenden, worden geacht inschrijvingen te zijn als
                                    bedoeld in artikel 2.8.3 van deze verordening.</al></li><li nr="5."><al>De voor inwerkingtreding van deze verordening vastgestelde
                                    beleidsregels blijven onverkort van toepassing indien ze door de
                                    inwerkingtreding van deze verordening niet worden
                                    gewijzigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten woonduur
                            naar inschrijfduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016
                                    tot 1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die
                                    hij heeft opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december
                                    2015, omgezet naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of
                                    na die inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of
                                    bij een corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur
                                    omgezet moet worden naar inschrijfduur.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur
                                    naar inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al></li><li nr="3."><al>De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is
                                    ontstaan door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli
                                    2030.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening
                            Ouder-Amstel 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016 en vervalt op 1
                            januari 2020.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel>Bijlage 2</titel></kop><tussenkop>Behorende bij artikel 2.3.3</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="45*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="55*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Woning met aantal kamers</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Huishouden met minimaal</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>1 persoon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>2 personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>3 personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>