<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387604_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013:</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel XXIII, derde lid, van de Wet afschaffing plusregio’s, de Huisvestingswet 2014 en de Gemeenschappelijke Regeling Stadsregio Amsterdam</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015.26</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op het bovenstaande stelt het dagelijks bestuur van de Stadsregio
                        Amsterdam de regioraad voor over te gaan tot vaststelling van het volgende
                        besluit:</al><al>De regioraad van de Stadsregio Amsterdam:</al><al>gelezen het voorstel nummer 2015.26 van het dagelijks bestuur;</al><al>gelet op artikel XXIII, derde lid, van de Wet afschaffing plusregio’s, de
                        Huisvestingswet 2014 en de Gemeenschappelijke Regeling Stadsregio
                        Amsterdam</al><al>besluit:</al><al>tot de navolgende wijzigingen van de Regionale Huisvestingsverordening
                        Stadsregio Amsterdam 2013:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>I</nr><titel/></kop><al>Artikel 1 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013
                        komt te luiden:</al><al><cursief>Artikel 1 Definities</cursief></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Aanbodinstrument: een aanbodinstrument als bedoeld in artikel 2.2.3,
                                eerste lid, waarop door corporaties woonruimte, aangewezen in
                                artikel 2.1.1 te huur wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>Basisadministratie: de basisadministratie bedoeld in artikel 1.2 van
                                de Wet basisregistratie personen;</al></li><li nr="c."><al>Betrokken gemeente: de gemeente waarin de woonruimte waarop de
                                ingevolge deze verordening gegeven of af te geven beschikking
                                betrekking heeft is gelegen;</al></li><li nr="d."><al>Bezettingsnormen: de in artikel 2.3.3 vastgestelde
                                voorrangsregels;</al></li><li nr="e."><al>Bindingscriterium: bindingscriterium op grond van artikel 2.4.5
                                gesteld aan woningzoekenden, om in aanmerking te komen voor voorrang
                                bij de verlening van een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="f."><al>Burgemeester en wethouders: het College van burgemeester en
                                wethouders;</al></li><li nr="g."><al>Complex: een aaneengesloten groep woonruimten die door burgemeester
                                en wethouders is aangewezen;</al></li><li nr="h."><al>COA-voorziening: als bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan
                                opvang asielzoekers;</al></li><li nr="i."><al>Corporaties: toegelaten instellingen als bedoeld in artikel 70,
                                eerste lid van de Woningwet die werkzaam zijn in één of meer
                                gemeenten van de Stadsregio Amsterdam;</al></li><li nr="j."><al>DAEB-norm: het in artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, van de
                                Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
                                toegelaten instellingen volkshuisvesting genoemde bedrag, of, als
                                Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting (kamerstuk
                                dossiernummer 32769) in werking is getreden: de inkomensgrens
                                bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Woningwet;</al></li><li nr="k."><al>Dagelijks Bestuur: het dagelijks bestuur van de Stadsregio
                                Amsterdam;</al></li><li nr="l."><al>Directe bemiddeling: het rechtstreeks aan een woningzoekende
                                aanbieden van woonruimte zonder dat die woonruimte via het
                                aanbodinstrument te huur is aangeboden;</al></li><li nr="m."><al>Gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte,
                                geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;</al></li><li nr="n."><al>Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder
                                kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te
                                voeren;</al></li><li nr="o."><al>Huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste
                                lid, van de wet;</al></li><li nr="p."><al>Huurprijs: de prijs die bij huur of verhuur is verschuldigd voor het
                                enkele gebruik van een woonruimte of standplaats voor een woonwagen,
                                uitgedrukt in een bedrag per maand berekend volgens het
                                woningwaarderingstelsel behorende bij het Besluit huurprijzen
                                woonruimte;</al></li><li nr="q."><al>Indicatie: een beoordeling van de mate van zelfredzaamheid van een
                                woningzoekende, gemaakt door burgemeester en wethouders of een door
                                hen aan te wijzen adviseur, ter voorbereiding van een door hen te
                                nemen beslissing op een aanvraag om een huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="r."><al>Inkomen: rekeninkomen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder i
                                van de Wet op de huurtoeslag; </al></li><li nr="s."><al>Inschrijfduur: de inschrijfduur bedoeld in artikel 2.2.4, tweede
                                lid;</al></li><li nr="t."><al>Inschrijving: het ingeschreven staan als woningzoekende;</al></li><li nr="u."><al>instelling voor maatschappelijke opvang: een instelling als bedoeld
                                in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning 2015;</al></li><li nr="v."><al>liberalisatiegrens: het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste
                                lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="w."><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel b
                                van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="x."><al>Onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30,
                                eerste lid, van de Huisvestingswet;</al></li><li nr="y."><al>Ontvangende regiogemeente: de regiogemeente waarnaar een houder van
                                een urgentieverklaring wil verhuizen, als bedoeld in artikel 2.6.4,
                                derde lid;</al></li><li nr="z."><al>Onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet-zijnde woonruimte
                                bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft of welke niet
                                door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit
                                huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden
                                aangemerkt: keuken en toilet.</al></li><li nr="aa."><al>passende woonruimte: woonruimte die voldoet aan het in artikel
                                2.6.3, eerste lid, bedoelde zoekprofiel;</al></li><li nr="bb."><al>passendheidscriterium: passendheidscriterium op grond van artikel
                                2.4.4, tweede lid of vierde lid gesteld aan woningzoekenden, om in
                                aanmerking te komen voor voorrang bij de verlening van een
                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="cc."><al>peildatum: de door burgemeester en wethouders vast te stellen datum,
                                bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;</al></li><li nr="dd."><al>Platform: het Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad.</al></li><li nr="ee."><al>rangordecriterium: een rangordecriterium als bedoeld in artikel
                                2.4.8;</al></li><li nr="ff."><al>regiogemeenten: de gemeenten die op 31 december 2014 deel uitmaakten
                                van de Stadsregio Amsterdam;</al></li><li nr="gg."><al>Regioraad: het algemeen bestuur van de Stadsregio Amsterdam.</al></li><li nr="hh."><al>Rekenhuur: de prijs die bij huur en verhuur per maand is
                                verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals
                                omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="ii."><al>Short stay: het structureel aanbieden van een zelfstandige
                                woonruimte voor tijdelijke bewoning aan één huishouden voor een
                                aaneensluitende periode van tenminste één week en maximaal zes
                                maanden;</al></li><li nr="jj."><al>Splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de
                                Huisvestingswet;</al></li><li nr="kk."><al>Stadsregio Amsterdam: plusregio in de zin van artikel 104 van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen zoals dat gold op 31 december 2014 dat
                                bestaat uit de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster,
                                Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan,
                                Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad
                                en Zeevang;</al></li><li nr="ll."><al>Student: studenten als bedoeld in artikel 7:247 lid 4 van het
                                Burgerlijk Wetboek alsmede voltijdspromovendi bij binnen het gebied
                                van de Stadsregio Amsterdam gevestigde universiteiten;</al></li><li nr="mm."><al>Studentenwoning: woonruimte krachtens de daarop betrekking hebbende
                                huurovereenkomst bestemd voor studenten indien:</al><lijst><li nr="i."><al>in de huurovereenkomst is bepaald dat de woonruimte na
                                        beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student
                                        zal worden verhuurd; en,</al></li><li nr="ii."><al>die woonruimte die door het college van burgemeester en
                                        wethouders in de regiogemeente waarin de woonruimte is
                                        gelegen na overleg met de eigenaar is aangewezen als
                                        studentenwoning;</al></li></lijst></li><li nr="nn."><al>Stuurgroep Wonen: het overleg bestaande uit een vertegenwoordiging
                                van burgemeester en wethouders van de regiogemeenten en de binnen de
                                regio actieve corporaties;</al></li><li nr="oo."><al>SV-urgentieverklaring: een urgentieverklaring waarmee een
                                woningzoekende is ingedeeld in de in artikel 2.6.8, eerste lid
                                aanhef en onder c bedoelde urgentiecategorie;</al></li><li nr="pp."><al>Traditionele doelgroep: de groep (degenen) die volgens de bepalingen
                                in artikel 18 van de voormalige Woonwagenwet voor een
                                bewonersverklaring in aanmerking kon (konden) komen;</al></li><li nr="qq."><al>Tweede woning huur: woonruimte met een rekenhuur hoger dan de huurtoeslaggrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid onder a, van de Wet
                        op de huurtoeslag, die uitsluitend door de hoofdhuurder (of zijn gezinsleden) als
                        tweede woning in gebruik is. De hoofdhuurder heeft zijn hoofdverblijf buiten
                        de gemeente Amsterdam;</al></li><li nr="rr."><al>Tweede woning koop: woonruimte die wordt gebruikt door een
                                natuurlijk persoon die eigenaar is in de zin van het burgerlijk
                                wetboek en die zijn hoofdverblijf niet heeft in de gemeente
                                Amsterdam, waarbij het om niet meer dan één woonruimte kan
                                gaan;</al></li><li nr="ss."><al>urgentieverklaring: de beschikking waarmee een woningzoekenden in
                                een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de
                                wet wordt ingedeeld; </al></li><li nr="tt."><al>vergunninghouders: de vergunninghouders als bedoeld in artikel 28
                                van de Huisvestingswet 2014; </al></li><li nr="uu."><al>voorliggende voorziening: een voorziening die gelet op haar aard en
                                doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem
                                van belanghebbende toereikend en passend te zijn;</al></li><li nr="vv."><al>Wet: de Huisvestingswet 2014;</al></li><li nr="ww."><al>Woningmarktregio: Stadsregio Amsterdam die bestaat uit de gemeenten
                                Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beemster, Diemen, Edam-Volendam,
                                Haarlemmermeer, Landsmeer, Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend,
                                Uithoorn, Waterland, Wormerland, Zaanstad en Zeevang.</al></li><li nr="xx."><al>Woning: zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="yy."><al>Woningruil: ruil waarbij twee of meer huishoudens zich daadwerkelijk
                                vestigen in elkaars woning;</al></li><li nr="zz."><al>Woningtype: de ingevolge het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid,
                                in het zoekprofiel van een urgentieverklaring op te nemen categorie
                                woonruimte;</al></li><li nr="aaa."><al>Woongroep: een samenlevingsverband bestaande uit tenminste drie
                                personen tussen wie geen familierechtelijke relatie bestaat.</al></li><li nr="bbb."><al>Woonoppervlak: het gezamenlijk oppervlak van de vertrekken zoals dat
                                wordt berekend volgens het Besluit huurprijzen woonruimte.</al></li><li nr="ccc."><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer
                                andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een
                                huishouden;</al></li><li nr="ddd."><al>Woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een
                                standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden
                                verplaatst.</al></li><li nr="eee."><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en
                                welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit
                                huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen
                                buiten de woonruimte;</al></li><li nr="fff."><al>zelfredzaamheid: het naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                voldoende zelfstandig redzaam zijn om zelfstandig te kunnen
                                wonen;</al></li><li nr="ggg."><al>Zelfstandige huurwoning: zelfstandige woonruimte, welke verhuurd
                                wordt;</al></li><li nr="hhh."><al>Zoekgebied: het zoekgebied als bedoeld in artikel 2.6.3, derde lid
                                en artikel 2.6.4;</al></li><li nr="iii."><al>Zoekprofiel: het zoekprofiel als bedoeld in artikel 2.6.3, eerste
                                lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>II</nr><titel/></kop><al>De artikelen 2 tot en met 18 van de Regionale Huisvestingsverordening
                        Stadsregio Amsterdam 2013 vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>III</nr><titel/></kop><al>In paragraaf 1 van afdeling I van hoofdstuk 2 van de Regionale
                        Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 worden twee artikelen
                        ingevoegd, luidende:</al><al><cursief>Artikel 2</cursief><cursief>.1.1</cursief><cursief>
                            Werkingsgebied</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het bepaalde in deze afdeling is van toepassing in de volgende
                                gemeenten:</al><lijst><li nr="a."><al>Aalsmeer;</al></li><li nr="b."><al>Amstelveen;</al></li><li nr="c."><al>Amsterdam;</al></li><li nr="d."><al>Beemster; </al></li><li nr="e."><al>Edam-Volendam;</al></li><li nr="f."><al>Diemen;</al></li><li nr="g."><al>Haarlemmermeer;</al></li><li nr="h."><al>Landsmeer;</al></li><li nr="i."><al>Oostzaan;</al></li><li nr="j."><al>Ouder-Amstel;</al></li><li nr="k."><al>Purmerend;</al></li><li nr="l."><al>Uithoorn;</al></li><li nr="m."><al>Waterland;</al></li><li nr="n."><al>Wormerland;</al></li><li nr="o."><al>Zaanstad;</al></li><li nr="p."><al>Zeevang.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de regiogemeenten genoemd in het eerste lid worden als
                                woonruimten als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de wet
                                aangewezen alle zelfstandige huurwoningen met een rekenhuur tot de
                                liberalisatiegrens.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is het bepaalde in deze afdeling
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onzelfstandige woonruimte en woonruimte gebruikt voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>Woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>De complexen genoemd in bijlage 1 behorende bij deze
                                verordening;</al></li><li nr="d."><al>Woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a tot en met
                                c, van de Leegstandwet;</al></li><li nr="e."><al>studentenwoningen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid worden in de
                                gemeenten Aalsmeer, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Uithoorn en
                                Zaanstad zelfstandige huurwoningen welke geen eigendom zijn van
                                corporaties niet aangewezen.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.1.2 </cursief><cursief>Reikwijdte
                            vergunningplicht</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel
                                2.1.1 voor bewoning in gebruik te nemen zonder
                                huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel
                                2.1.1 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet
                                beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>IV</nr><titel/></kop><al>De paragrafen 2 tot en met 6 van afdeling I van hoofdstuk 2 de Regionale
                        Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 komen te luiden:</al><al><cursief>Paragraaf 2 Toelating tot het aangewezen deel van de
                            woningmarkt</cursief></al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.1
                            </cursief><cursief>Toelatingscriteria</cursief></al><al>Om in aanmerking te komen voor een huisvestingsvergunning dient een
                        woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden van de woningzoekende
                                is niet minderjarig als bedoeld in artikel 1:233 van het Burgerlijk
                                Wetboek;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden van de woningzoekende bezitten de
                                Nederlandse nationaliteit of worden op grond van een wettelijke
                                bepaling als Nederlander behandeld of zijn vreemdeling en verblijven
                                rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, a t/m e en l van
                                de Vreemdelingenwet 2000.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.2</cursief><cursief> Aanvullend
                            toelatingscriterium particuliere huurvoorraad</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>In aanvulling op de voorwaarden genoemd in artikel 2.2.1 geldt om
                                toegelaten te worden tot de woonruimten waarop het bepaalde in
                                paragraaf 4 van toepassing is de volgende voorwaarde: het inkomen
                                van het huishouden bedraagt maximaal € 43.000.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt bij aanvang van het
                                kalenderjaar 2016 en elk daarop volgende kalenderjaar geacht te zijn
                                verhoogd met het percentage waarmee in het daaraan voorafgaande
                                kalenderjaar het Europees geharmoniseerde prijsindexcijfer voor
                                consumentenprijzen is gestegen.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.3</cursief><cursief> Aanbieden van
                            woonruimte</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Corporaties bieden hun voor verhuur beschikbare woonruimten
                                eenduidig en transparant te huur aan via een aanbodinstrument of via
                                meerdere aanbodinstrumenten.</al></li><li nr="2."><al>Bij het aanbieden van woonruimte wordt vermeld aan welke eisen de
                                woningzoekende moet voldoen om in aanmerking te komen voor de
                                aangeboden woonruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op
                                directe bemiddeling.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.4</cursief><cursief> Woningzoekenden
                            en inschrijving</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Personen van 18 jaar en ouder kunnen zich als woningzoekenden
                                inschrijven via een aanbodinstrument. De inschrijving in een in de
                                regio gebruikt aanbodinstrument geldt als inschrijving in elk in de
                                regio gebruikt aanbodinstrument.</al></li><li nr="2."><al>De inschrijfduur is gelijk aan de periode dat men als woningzoekende
                                ingeschreven staat.</al></li><li nr="3."><al>De inschrijving eindigt nadat een woningzoekende als huurder
                                woonruimte aangewezen in artikel 2.1.1 in gebruik heeft
                                genomen.</al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde beëindiging van de inschrijving betreft
                                tevens de leden van het huishouden, niet-zijnde meeverhuizende
                                inwonende kinderen, wier medeverhuizing noodzakelijk was voor het
                                verkrijgen van een huisvestingsvergunning voor de bewoning van de
                                betreffende woonruimte.</al></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in het derde lid eindigt de
                                inschrijving niet nadat een woningzoekende als huurder woonruimte
                                aangewezen is in artikel 2.1.1 in gebruik heeft genomen, voor zover
                                die woonruimte geen eigendom is van een corporatie en niet via het
                                aanbodinstrument Woningnet te huur is aangeboden.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.5</cursief><cursief> Voorwaarden aan
                            inschrijving via het aanbodinstrument</cursief></al><al>Door of namens de corporatie die verantwoordelijk is voor een
                        aanbodinstrument kunnen voorwaarden aan de in het eerste lid bedoelde
                        inschrijving worden verbonden. De voorwaarden zijn openbaar en te raadplegen
                        via de website van het aanbodinstrument.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.6</cursief><cursief> Aanvraag
                            vergunning en in te dienen bescheiden</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Op een aanvraag om een huisvestingsvergunning beslissen burgemeester
                                en wethouders van de gemeente waarin de woonruimte is gelegen.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>meest recente inkomensgegevens van de woningzoekende, verstrekt door
                                diens werkgever, uitkeringsinstantie of pensioeninstantie dan wel de
                                meest recente aanslag inkomstenbelasting of een
                                accountantsverklaring indien aanvrager zelfstandig werkzaam is;</al></li><li nr="b."><al>een uittreksel uit de basisadministratie van de woonplaats van aanvrager; en,</al></li><li nr="c."><al>een kopie van een geldig verblijfsdocument indien de woningzoekende
                                en de overige leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking
                                heeft niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanvrager kan gevraagd worden een geldig identiteitsbewijs van
                                alle leden van het huishouden waarop de aanvraag betrekking heeft,
                                te tonen.</al></li><li nr="4."><al>Indien aanvrager een huisvestingsvergunning aanvraagt voor
                                woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.4, tweede lid, eerste kolom,
                                derde rij, dient de aanvraag tevens vergezeld te gaan van een
                                indicatie op basis waarvan beoordeeld kan worden of de specifieke
                                eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de verminderde
                                zelfredzaamheid van één of meerdere leden van het huishouden.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere gegevens te vragen
                                die nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.7</cursief><cursief>
                            Beslistermijn</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na datum van
                                indiening op de aanvraag voor een huisvestingsvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn eenmalig te
                                verlengen met vier weken.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.2.8</cursief><cursief> Gegevens op
                            vergunning</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De beschikking op de aanvraag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de samenstelling van het huishouden dat de woonruimte wil
                                betrekken;</al></li><li nr="c."><al>het adres van de woonruimte waar de aanvraag betrekking op
                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>het voorschrift houdende dat binnen vier weken na verlening van de
                                vergunning de woonruimte in gebruik genomen wordt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in de beschikking tevens opnemen
                                dat de vergunning slechts geldig is indien het gehele huishouden
                                waarvoor de vergunning is verleend, de woonruimte betrekt.</al></li></lijst><al><cursief><onderstreept>Paragraaf 3
                            Vergunningverlening</onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>
                                particuliere huurvoorraad</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Artikel
                            </cursief><cursief>2.3.1</cursief><cursief>Reikwijdte
                            paragraaf 3</cursief></al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is niet van toepassing op ingevolge artikel
                        2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.3.2</cursief><cursief>
                            Weigeringsgronden van d</cursief><cursief>e
                            huisvestingsvergunning</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel
                                2.2.1 en artikel 2.2.2;</al></li><li nr="b."><al>het huishouden al in het bezit is van een geldige
                                huisvestingsvergunning;</al></li><li nr="c."><al>het huishouden op grond van artikel 2.3.3 niet voor de
                                huisvestingsvergunning in aanmerking komt; of,</al></li><li nr="d."><al>niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
                                nemen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien
                                geen van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich
                                voordoen.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.3.3 Bezettingsnormen</cursief></al><al>Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning wordt overeenkomstig het
                        bepaalde in Bijlage 3 voorrang verleend.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.3.4 Intrekken
                        vergunning</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                        indien:</al><al>a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de</al><al>genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
                        verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat
                        zij onjuist of</al><al>onvolledig waren.</al><al><cursief><onderstreept>Paragraaf 4
                                </onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>Toewijzing en
                                vergunningverlening corporatiewoningen</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.1 Reikwijdte paragraaf
                            </cursief><cursief>4 </cursief></al><al>Het bepaalde in deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op ingevolge
                        artikel 2.1.1 aangewezen woonruimte die eigendom is van een corporatie.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.2</cursief><cursief>
                            Weigeringsgronden van de huisvestingsvergunning</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders weigeren de huisvestingsvergunning
                                indien:</al></li><li nr="a."><al>het huishouden niet voldoet aan de toelatingscriteria genoemd in
                                artikel 2.2.1;</al></li></lijst><al>b.het huishouden al in het bezit is van een huisvestingsvergunning;</al><al>c.het huishouden op grond van het bepaalde in artikel 2.4.6 niet voor de
                        huisvestingsvergunning in aanmerking komt;</al><al>d.het niet aannemelijk is dat het huishouden de woonruimte in gebruik zal
                        nemen; of,</al><al>e.de corporatie, gelet op haar taak als toegelaten instelling of haar belang
                        als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de
                        bescherming van de belangen van de overige huurders en voor de waarborging
                        van het woongenot, redelijkerwijs het sluiten van een huurovereenkomst met
                        aanvrager heeft kunnen weigeren.</al><al>2.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning indien geen
                        van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden zich voordoen.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.3</cursief><cursief> Intrekken
                            vergunning</cursief></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning intrekken,
                        indien:</al><al>a.het huishouden de in de vergunning vermelde woonruimte niet binnen de</al><al>genoemde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b.de vergunning is verleend op grond van door de houder van de vergunning
                        verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs kan vermoeden dat
                        zij onjuist of</al><al>onvolledig waren.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.4</cursief><cursief>
                            Passendheidscriteria: voorrang gelet op de aard, grootte en prijs van
                            woonruimte</cursief></al><al>1.Als categorieën woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet worden
                        aangewezen de categorieën woonruimte beschreven in kolom 1 van de in het
                        tweede lid opgenomen tabel.</al><al>2.Bij het verlenen van een huisvestingsvergunning voor woonruimte die
                        behoort tot een in kolom 1 genoemde categorie woonruimte wordt voorrang
                        gegeven aan de categorieën woningzoekenden genoemd in kolom 2 achter de
                        desbetreffende categorie woonruimte.</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Kolom 1: Categorie woonruimte
                                                (labels)</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>Kolom 2: Categorie woningzoekenden
                                                (voorrangsgroepen)</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>senioren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens waarvan één lid tenminste </al><al>de leeftijd van 55 jaar of ouder </al><al>heeft bereikt. Indien er geen huishouden </al><al>dat voldoet aan het in de eerste zin </al><al>bepaalde voor de woonruimte in </al><al>aanmerking komt, wordt voorrang gegeven</al><al>aan het huishouden met een lid dat de</al><al>leeftijd van 55 jaar het dichtst benadert.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>jongeren</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens bestaande uit één </al><al>persoon, zijnde een jongere </al><al>met een leeftijd tot 26 jaar die geen </al><al>student is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte in het bijzonder </al><al>geschikt voor de huisvesting van </al><al>personen met verminderde </al><al>zelfredzaamheid</al></entry><entry colname="col2"><al>huishoudens in het bezit van een indicatie </al><al>waaruit blijkt dat de specifieke </al><al>eigenschappen van de woonruimte tegemoetkomen aan de
                                            verminderde zelfredzaamheid van één of meerdere </al><al>leden van het huishouden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een laag inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een laag inkomen als </al><al>bedoeld in lid 3.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonruimte gelet op de </al><al>huurprijs in het bijzonder geschikt voor </al><al>de huisvesting van huishoudens met </al><al>een hoger inkomen</al></entry><entry colname="col2"><al>Huishoudens met een hoger inkomen </al><al>als bedoeld in lid 3</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>3.Huishoudens met een laag inkomen zijn huishoudens met een inkomen tot een
                        nader, bij het te huur aanbieden van woonruimte, door burgemeester en
                        wethouders te bepalen hoogte. Huishoudens met een hoog inkomen zijn
                        huishoudens met een inkomen boven een nader, bij het te huur aanbieden van
                        woonruimte, door burgemeester en wethouders te bepalen hoogte.</al><al>4.Als categorie woonruimte als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt voorts
                        aangewezen: woonruimte in het bijzonder geschikt voor de huisvesting van
                        grote huishoudens.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.5</cursief><cursief>
                            Bindingscriteria: voorrang bij regionale of lokale
                        binding</cursief></al><al>1.Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten hoogste 50
                        procent van de in artikel 2.1.1 aangewezen categorieën woonruimte, voorrang
                        gegeven aan huishoudens omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden
                        zijn aan de woningmarktregio, zoals bedoeld in artikel 14, derde lid, van de
                        wet.</al><al>2.Voor ten hoogste de helft van het in het eerste lid genoemde percentage
                        mag bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang worden gegeven
                        aan woningzoekenden omdat zij economisch of maatschappelijk gebonden zijn
                        aan een tot de gemeente behorende kern als bedoeld in artikel 14, derde lid,
                        van de wet.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.6</cursief><cursief> Algemene
                            volgordebepaling</cursief></al><al>1.Indien woonruimte te huur wordt aangeboden via een aanbodinstrument wordt
                        de volgorde waarin de woningzoekenden die op het aanbod gereageerd hebben in
                        aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning bepaald overeenkomstig het
                        bepaalde in artikel 2.4.6 tot en met 2.4.8.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende groepen
                        woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke passendheids- en
                        bindingscriteria;</al><al>b.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke
                        passendheidscriteria;</al><al>c.de woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria;</al><al>d.de overige woningzoekenden.</al><al>3.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing als op de te huur
                        aangeboden woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid, opgenomen
                        passendheidscriterium van toepassing is.</al><al><cursief>Artikel 2.4.6a Bijzondere volgordebepaling</cursief></al><al>1.Het bepaalde in dit artikel is van toepassing als op te huur aangeboden
                        woonruimte het in artikel 2.4.4, vierde lid, opgenomen passendheidscriterium
                        van toepassing is.</al><al>2.Voor een huisvestingsvergunning komen achtereenvolgens de volgende negen
                        groepen woningzoekenden in aanmerking:</al><al>a.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria, in het
                        bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat uit
                        drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>b.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria, in het
                        bezit zijn van een urgentieverklaring en wier huishouden mede bestaat uit
                        tenminste één inwonend kind jonger dan 18 jaar;</al><al>c.woningzoekenden in het bezit van een urgentieverklaring en wier huishouden
                        mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>d.woningzoekenden die in het bezit zijn van een urgentieverklaring en wier
                        huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                        jaar;</al><al>e.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier
                        huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende kinderen jonger dan 18
                        jaar;</al><al>f.woningzoekenden die voldoen aan de toepasselijke bindingscriteria en wier
                        huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend kind jonger dan 18
                        jaar;</al><al>g.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit drie of meer inwonende
                        kinderen jonger dan 18 jaar;</al><al>h.woningzoekenden wier huishouden mede bestaat uit tenminste één inwonend
                        kind jonger dan 18 jaar;</al><al>i.overige woningzoekenden.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.7</cursief><cursief> Volgorde van
                            houders van een urgentieverklaring</cursief></al><al>1.Van de woningzoekenden die zijn ingedeeld in één van de in artikel 2.4.6,
                        tweede lid aanhef en onder a tot en met d bedoelde groepen of in één van de
                        in artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde
                        groepen, komen als eerste in aanmerking voor een huisvestingsvergunning de
                        houders van een urgentieverklaring indien de woonruimte voldoet aan het in
                        de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel.</al><al>2.Indien op grond van het eerste lid meerdere houders van een
                        urgentieverklaring als eerste in aanmerking zouden komen voor een
                        huisvestingsvergunning, komt als eerste in aanmerking het huishouden waarvan
                        de urgentieverklaring als eerste is verleend of waarvoor voorziening in de
                        behoefte aan woonruimte naar het oordeel van burgemeester en wethouders het
                        meest dringend noodzakelijk is.</al><al>3.De houders van een urgentieverklaring, verleend ter indeling in één van de
                        in artikel 2.6.6 genoemde gronden, worden geacht te voldoen aan de
                        bindingscriteria.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.8</cursief><cursief> Volgorde van de
                            overige woningzoekenden</cursief></al><al>1.De volgorde waarin woningzoekenden, niet zijnde houders van een
                        urgentieverklaring, die behoren tot één van de in artikel 2.4.6, tweede lid,
                        aanhef en onder a tot en met d, bedoelde groepen of tot één van de in
                        artikel 2.4.6a, tweede lid aanhef en onder a tot en met i bedoelde groepen,
                        in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning, wordt bepaald aan de
                        hand van een in de volgende leden beschreven rangordecriterium.</al><al>2.De volgende rangordecriteria kunnen worden toegepast:</al><al>a.Inschrijfduur. De woningzoekende met de langste inschrijfduur komt als
                        eerste in aanmerking voor de huisvestingsvergunning.</al><al>b.Loting. Bij loting wordt door de corporatie op elektronische of andere
                        geschikte wijze bepaald in welke volgorde de aan de loting deelnemende
                        woningzoekenden voor de huisvestingsvergunning in aanmerking komen. Daarbij
                        heeft elk deelnemende woningzoekende een gelijke kans op elke plek in de
                        totale rangorde.</al><al>3.Per kalenderjaar wordt in de gehele regio op ten hoogste 15 % en per
                        gemeente op ten hoogste 20 % van door corporaties te huur aangeboden
                        woonruimten het rangordecriterium loting toegepast.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.9</cursief><cursief> Directe
                            bemiddeling</cursief></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2.3, eerste lid, kan de
                        woonruimte via directe bemiddeling worden aangeboden indien het betreft de
                        huisvesting van woningzoekenden voor wie geldt dat het naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders niet doelmatig is om hen via een aanbodinstrument
                        naar woonruimte te laten zoeken. Dit betreft in ieder geval:</al><al>a.vergunninghouders;</al><al>b.houders van een urgentieverklaring; en,</al><al>c.huishoudens bedoeld in artikel 2.4.10.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.4.10</cursief><cursief> Bijzondere
                            gevallen</cursief></al><al>Op verzoek van corporaties kan bij de huisvesting van huishoudens in
                        bijzondere gevallen die voldoen aan de volgende voorwaarden, direct
                        bemiddeld worden:</al><al>a.het betreft de huisvesting van huishoudens wier specifieke situatie vraagt
                        om een oplossing op maat, welke niet kan worden geboden met toepassing van
                        het bepaalde in deze verordening;</al><al>b.het aantal huisvestingen op grond van dit artikel bedraagt per
                        regiogemeente per kalenderjaar ten hoogste vijf procent van de met
                        toepassing van het bepaalde in deze verordening te verhuren woonruimte;</al><al>c.de huisvestingen op grond van dit artikel worden geregistreerd en
                        jaarlijks gerapporteerd aan de Stuurgroep Wonen. Daarbij wordt de Stuurgroep
                        Wonen in ieder geval medegedeeld hoeveel gevallen het per regiogemeente
                        betrof.</al><al><cursief><onderstreept>Paragraaf 5 Experimenten
                                woonruimteverdeling</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.5.1 Algemeen</cursief></al><al>1.Bij een experiment worden de effecten onderzocht van een wijze van in
                        gebruik geven van woonruimte, welke niet in of op grond van deze verordening
                        is geregeld maar wel in een op grond van de Huisvestingswet 2014 vast te
                        stellen verordening geregeld zou kunnen worden.</al><al>2.De wijze van in gebruik geven van woonruimte als bedoeld in het eerste lid
                        staat ten dienste van een rechtvaardige, doelmatige, evenwichtige en
                        transparante verdeling van woonruimte.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.5.2</cursief><cursief> Experimenten
                            met woo</cursief><cursief>nruimten van corporaties</cursief></al><al>1.Corporaties en één of meer regiogemeenten kunnen een experiment
                        organiseren. Zij stellen daartoe de opzet van het experiment vast, welke
                        tenminste het volgende bevat:</al><al>a.een beschrijving van het doel en de inhoud van het experiment; en,</al><al>b.het toepassingsbereik van het experiment; en,</al><al>c.de tijdsduur van het experiment; en,</al><al>d.de wijze van begeleiding van het experiment gedurende de duur van het
                        experiment; en,</al><al>e.de wijze en punten waarop het experiment geëvalueerd wordt.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en betreft per jaar
                        maximaal tien procent van de in dat jaar toe te wijzen woonruimten van de
                        corporaties die bij het experiment betrokken zijn.</al><al>3.Een experiment vangt pas aan nadat de Stuurgroep Wonen de
                        experimentenopzet heeft goedgekeurd. Bij zijn beslissing tot goed- dan wel
                        afkeuring van de experimentenovereenkomst neemt de Stuurgroep Wonen de
                        belangen van een evenwichtige, rechtvaardige, doelmatige en transparante
                        verdeling van woonruimte in acht.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.5.3</cursief><cursief> Experiment met
                            overige aangewezen woonrui</cursief><cursief>mten</cursief></al><al>1.Andere verhuurders dan corporaties kunnen in samenwerking met één of meer
                        regiogemeenten een experiment organiseren. Het bepaalde in artikel 2.5.2,
                        eerste lid, is hierop van overeenkomstige toepassing.</al><al>2.Een experiment heeft een maximale duur van twee jaar en vangt pas aan
                        nadat het dagelijks bestuur van Stadsregio Amsterdam van de betrokken
                        regiogemeenten de experimentenopzet hebben goedgekeurd. Bij hun beslissing
                        omtrent goedkeuring nemen zij de belangen van een evenwichtige,
                        rechtvaardige, doelmatige en transparante verdeling van woonruimte in
                        acht.</al><al><cursief><onderstreept>Paragraaf 6
                                </onderstreept></cursief><cursief><onderstreept>Urgentie</onderstreept></cursief></al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.1</cursief><cursief> Bevoegdheid tot
                            beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring</cursief></al><al>Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslissen burgemeester en
                        wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.6.2, eerste lid,
                        aangevraagd moet worden.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.2</cursief><cursief> Aanvraag om een
                            urgentieverklaring</cursief></al><al>1.Een urgentieverklaring wordt aangevraagd:</al><al>a.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager
                        blijkens diens inschrijving in de basisregistratie zijn woonadres heeft;
                        of,</al><al>b.bij burgemeester en wethouders van de regiogemeente waar de aanvrager wil
                        gaan wonen, als de aanvrager niet in de regio woont.</al><al>2.Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van
                        ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten
                        hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de
                        vorige zin genoemde termijn.</al><al>3.De aanvraag gaat in ieder geval vergezeld van de volgende gegevens en
                        bescheiden:</al><al>a.stukken waaruit blijkt dat de aanvrager als woningzoekende is ingeschreven
                        in een aanbodinstrument;</al><al>b.informatie over de aard en de oorsprong van het huisvestingsprobleem dat
                        aan de aanvraag ten grondslag ligt; en</al><al>c.informatie over het inkomen en het vermogen van het huishouden van
                        aanvrager.</al><al>4.Het bepaalde in het vorige lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing
                        op een aanvraag die een verzoek om indeling in een urgentiecategorie als
                        bedoeld in artikel 2.6.6 inhoudt.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.3</cursief><cursief> Inhoud van de
                            urgentieverklaring</cursief></al><al>1.De urgentieverklaring bevat een zoekprofiel voor woonruimte.</al><al>2.Het zoekprofiel bevat het qua ligging, grootte, en aard meest sobere
                        woningtype of de meest sobere woningtypen dat naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders noodzakelijk is voor het oplossen van het
                        huisvestingsprobleem.</al><al>3.Het zoekprofiel bevat voorts het zoekgebied waarvoor de urgentieverklaring
                        geldig is.</al><al>4.De urgentieverklaring bevat verder de volgende informatie:</al><al>a.de naam, het adres en de woonplaats van aanvrager;</al><al>b.de geboortedatum van aanvrager;</al><al>c.het dossiernummer van de aanvraag;</al><al>d.de termijn gedurende welke de urgentieverklaring geldig is.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.4</cursief><cursief> Het
                            zoekgebied</cursief></al><al>1.Het zoekgebied omvat de gemeente van burgemeester en wethouders die de
                        urgentieverklaring hebben verleend.</al><al>2.Het bepaalde in de volgende leden is uitsluitend van toepassing op een
                        urgentieverklaring waarmee de woningzoekende is ingedeeld in een in artikel
                        2.6.8 genoemde urgentiecategorie.</al><al>3.Indien de houder van de urgentieverklaring wil verhuizen naar een andere
                        regiogemeente dan die waar de urgentieverklaring is afgegeven, kunnen
                        burgemeester en wethouders van de ontvangende regiogemeente:</al><al>a.het zoekgebied wijzigen zodat het hun gemeente omvat. Met de wijziging van
                        het zoekgebied komt een eerder in het zoekprofiel opgenomen zoekgebied te
                        vervallen; en,</al><al>b.de in het zoekprofiel opgenomen woningtypen wijzigen in het voor de
                        ontvangende gemeente, gelet op de toepasselijke urgentiecategorie, met
                        inachtneming van het bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid, gangbare
                        woningtype of woningtypen.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen de in het tweede lid bedoelde wijziging
                        van het zoekgebied weigeren indien naar hun oordeel de onevenwichtige en
                        onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte daartoe
                        nopen.</al><al>5.Burgemeester en wethouders beslissen binnen een termijn van vier weken op
                        een verzoek om wijziging van het zoekgebied, bedoeld in het tweede lid.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.5</cursief><cursief> Algemene
                            weigeringsgronden urgentieverklaring</cursief></al><al>1.Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun
                        oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:</al><al>a.het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1
                        genoemde eisen;</al><al>b.er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;</al><al>c.de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan
                        het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;</al><al>d.het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door
                        gebruik te maken van een voorliggende voorziening;</al><al>e.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is
                        ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een
                        lid van zijn huishouden;</al><al>f.het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet
                        of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige
                        woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;</al><al>g.de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager
                        of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is ingetrokken
                        met toepassing van artikel 2.6.10, tweede lid, aanhef en onder a en d;</al><al>h.de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van
                        bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;</al><al>i.de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de
                        aanvraag blijkens diens inschrijving in de basisadministratie niet tenminste
                        twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt
                        aangevraagd woonachtig was;</al><al>j.het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.</al><al>2.Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie
                        bedoeld in artikel 2.6.8, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders
                        vervolgens het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het
                        vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige
                        en krachtens een besluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening voor
                        permanente bewoning bestemde woonruimte.</al><al>3.Burgemeester en wethouders weigeren vervolgens het aangevraagde indien de
                        aanvrager niet valt onder één van de in artikel 2.6.6 tot en met 2.6.8
                        opgenomen urgentiecategorieën.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.6</cursief><cursief> Wettelijke
                            urgentiecategorieën</cursief></al><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in
                        artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a tot en met h en j genoemde
                        omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende
                        urgentiecategorieën behoort:</al><al>a.woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang
                        van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld
                        hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening
                        aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente
                        gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is;</al><al>b.woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als
                        gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is.</al><al>2.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een vergunninghouder die,
                        gelet op de in artikel 28 van de wet genoemde taakstelling, gehuisvest moet
                        worden door het college van burgemeester en wethouders waar de
                        urgentieverklaring wordt aangevraagd indien wordt voldaan aan de volgende
                        voorwaarden:</al><al>a.de woningzoekende is niet door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers als
                        bedoeld in artikel 2 van de Wet Centraal orgaan opvang asielzoekers bij een
                        andere gemeente voorgedragen voor huisvesting; en,</al><al>b.de woningzoekende heeft niet eerder aangeboden woonruimte geweigerd.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.7</cursief><cursief> Regionale
                            urgentiecategorie: uitstroom</cursief></al><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend aan een woningzoekende die moet
                        omzien naar woonruimte aansluitend op verblijf in een instelling voor
                        maatschappelijke opvang, een psychiatrische instelling of een erkende hulp-
                        of dienstverleningsinstelling, indien:</al><al>a.de aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het
                        verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie
                        woonachtig was in de regio;</al><al>b.geen van de in artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, f, h of
                        j genoemde omstandigheden zich voordoet; en,</al><al>c.de aanvrager, naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende
                        zelfredzaam is.</al><al>2.Indien een urgentieverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt
                        aangevraagd door een woningzoekende die verblijft in een in de regio gelegen
                        instelling als bedoeld in het eerste lid, zijn de volgende leden van
                        toepassing.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.1. en artikel 2.6.2, eerste
                        lid, wordt op een aanvraag om een urgentieverklaring waarmee een
                        woningzoekende wordt ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in het
                        vorige lid, besloten door burgemeester en wethouders van de regiogemeente
                        waar de locatie van de opvanginstelling waar de woningzoekende verblijft
                        resideert.</al><al>4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, omvat het in
                        de urgentieverklaring op te nemen zoekgebied de regiogemeente waarin
                        aanvrager tenminste twee van de drie jaren direct voorafgaand aan het
                        verblijf in de instelling blijkens de inschrijving in de basisadministratie
                        woonachtig was, tenzij burgemeester en wethouders gelet op de problematiek
                        van aanvrager een andere regiogemeente in het zoekgebied opnemen.</al><al>5.Het college van burgemeester en wethouders van de regiogemeente die tot
                        het in de urgentieverklaring opgenomen zoekgebied behoort, stelt het in de
                        urgentieverklaring op te nemen woningtype vast, overeenkomstig het bepaalde
                        in artikel 2.6.3, tweede lid.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.8</cursief><cursief> Overige
                            regionale urgentiecategorieën</cursief></al><al>1.Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in
                        artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de
                        aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën
                        behoort:</al><al>a.woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;</al><al>b.woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend
                        woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde
                        urgentiecategorie;</al><al>c.woningzoekenden waarvan de huidige woonruimte behoort tot een door
                        burgemeester en wethouders op grond van het tweede lid aangewezen
                        complex.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen complexen aanwijzen waarvan de bewoners
                        in verband met sloop of ingrijpende renovatie of herstructurering van het
                        gebied waarin de complexen zijn gelegen, redelijkerwijs binnen twee jaar
                        niet meer in hun huidige woonruimte kunnen blijven wonen. Burgemeester en
                        wethouders stellen daarbij een datum vast met ingang waarvan de bewoners van
                        de aangewezen complexen een SV-urgentieverklaring kunnen aanvragen.</al><al>3.Op de urgentiecategorieën bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a en
                        c, is het bepaalde in artikel 2.6.5, eerste lid aanhef en onder j en het
                        bepaalde in artikel 2.6.3, tweede lid, niet van toepassing.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.9</cursief><cursief> Geldigheid van
                            de urgentieverklaring</cursief></al><al>1.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
                        SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende
                        is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.6.6, tweede
                        lid, of artikel 2.6.7, eerste lid.</al><al>2.De urgentieverklaring vervalt:</al><al>a.nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke
                        aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of,</al><al>b.na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de
                        urgentieverklaring.</al><al>3.Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de
                        urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort kunnen besluiten dat de
                        urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het tweede lid
                        geldig blijft indien:</al><al>a.de omstandigheden bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid, zich niet
                        voordoen;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de
                        urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                        urgentieverklaring.</al><al>4.Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt een
                        urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52 weken na het
                        moment waarop zij verleend is.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.10</cursief><cursief> Wijzigen en
                            intrekken van de urgentieverklaring</cursief></al><al>1.Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op de
                        SV-urgentieverklaring.</al><al>2.Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
                        indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                        urgentieverklaring zou zijn geweigerd;</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de
                        urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de
                        urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.6.5,
                        eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie
                        toepasselijke weigeringsgronden voordoen;</al><al>c.de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of,</al><al>d.de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd of
                        zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem
                        op te lossen.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen
                        indien:</al><al>a.bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er,
                        indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de
                        urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou
                        zijn besloten; of</al><al>b.de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere
                        urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de
                        urgentieverklaring.</al><al>4.Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de
                        urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren
                        door een ter zake deskundig persoon.</al><al>5.Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring
                        hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de
                        voorwaarde is voldaan.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.11</cursief><cursief>
                            Hardheidsclausule</cursief></al><al>1.Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening
                        zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een
                        urgentieverklaring toe te kennen indien:</al><al>a.weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie;
                        en,</al><al>b.sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening
                        onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening
                        redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring
                        zouden kunnen zijn.</al><al>2.Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing
                        van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De
                        registratie bevat tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt
                        verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de
                        verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden tenminste
                        eenmaal per jaar besproken in de Stuurgroep Wonen.</al><al><cursief>Artikel </cursief><cursief>2.6.12</cursief><cursief> Overgangsrecht
                            urgentieverklaringen</cursief></al><al>1.Urgentieverklaringen die vóór 1 januari 2015 zijn verleend op grond van
                        artikel 14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
                        2013 of artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam
                        en Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013
                        zoals deze luidden onmiddellijk vóór 1 juli 2015, worden gelijkgesteld met
                        de op grond van artikel 2.6.1 van deze verordening te verlenen
                        urgentieverklaringen.</al><al>2.Beslissingen op een aanvraag om een urgentieverklaring als bedoeld in
                        artikel 14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
                        2013 en op verzoeken om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6 van
                        het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en Platform
                        Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals deze
                        luidden onmiddellijk vóór 1 juli 2015, genomen in de periode van 1 januari
                        2015 tot 1 juli 2015 worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.6.1
                        van deze verordening te nemen besluiten om een urgentieverklaringen.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid is het bepaalde
                        in 2.6.4, derde tot en met vijfde lid, van deze verordening niet van
                        toepassing op urgentieverklaringen die zijn afgegeven op grond van artikel
                        14 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 of
                        artikel 6 van het Convenant woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en
                        Platform Woningcorporaties Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals
                        deze luidden vóór 1 juli 2015.</al><al>4.Op aanvragen om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 14 van de
                        Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 en op verzoeken
                        om een urgentieverklaring als bedoeld in artikel 6 van het Convenant
                        woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam en Platform Woningcorporaties
                        Noordvleugel Randstad d.d. 1 januari 2013 zoals deze luidden onmiddellijk
                        vóór 1 juli 2015 waarop op 1 juli 2015 nog niet is besloten, wordt besloten
                        overeenkomstig het bepaalde in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>V</nr><titel/></kop><al>Artikel 64 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
                        2013 wordt als volgt gewijzigd:</al><al>A.</al><al>Het eerste, derde en vierde lid vervalt onder vernummering van de resterende
                        leden.</al><al>B.</al><al>Aan artikel 64 twee nieuwe leden (een zesde en een zevende lid) toegevoegd,
                        luidende:</al><lijst><li nr="6."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2015 blijft van
                                toepassing op een huisvestingsvergunning, een onttrekkingsvergunning
                                of een splitsingsvergunning of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></li><li nr="7."><al>Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 juli 2015 blijft van
                                toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke
                                sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of
                                krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking tot weigering,
                                wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk
                                is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>VI</nr><titel/></kop><al>Na artikel 64 worden een nieuw artikel ingevoegd, luidend:</al><al><cursief>Artikel 64a Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten
                            woonduur naar inschrijfduur</cursief></al><al>1.De woonduur die een woningzoekende die onmiddellijk voorafgaand aan 31
                        december 2015 als zodanig stond ingeschreven op grond van het Convenant
                        woonruimteverdeling Stadsregio Amsterdam 2013 heeft opgebouwd, is met ingang
                        van 31 december 2015 omgezet naar inschrijfduur.</al><al>2.Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016 tot 1 juli
                        2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die hij heeft opgebouwd
                        onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 2015, omgezet naar inschrijfduur
                        indien de woningzoekende bij of na die inschrijving bij de beheerder van het
                        aanbodinstrument of bij een corporatie aangegeven heeft dat bedoelde
                        woonduur omgezet moet worden naar inschrijfduur.</al><al>3.De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur naar
                        inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1.</al><al>4.De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is ontstaan door
                        omzetting van woonduur vervalt op 1 juli 2030.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>VII</nr><titel/></kop><al>De Bijlagen van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam
                        2013 worden als volgt gewijzigd:</al><al>A.</al><al>In Bijlage 1 wordt de zinsnede &lt;&lt; artikel 2, vijfde lid&gt;&gt;
                        vervangen door: artikel 2.1.1, derde lid.</al><al>B.</al><al>In Bijlage 3 wordt de zinsnede &lt;&lt; artikel 10 &gt;&gt; vervangen door:
                        artikel 2.3.3.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>VIII</nr><titel/></kop><al>Bijlage 2 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013
                        komt te vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>IX</nr><titel/></kop><al>Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de regioraad van Stadsregio
                        Amsterdam op 16 juni 2015</ondertekening><ondertekening>Secretaris</ondertekening><ondertekening>drs. A. Joustra</ondertekening><ondertekening>Voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. E.E. van der Laan</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>