<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387573_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Ouder-Amstel 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Ouder-Amstel 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Ouder-Amstel 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>RAADSBESLUIT</vet></al><al>Verordening tegenprestatie Ouder-Amstel 2015</al><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van …….;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening tegenprestatie Ouder-Amstel
                        2015.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>-<cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan de
                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet</al><al> mogelijk binnen één jaar;</al><al>-<cursief>korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan de
                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al><al><cursief>-mantelzorg</cursief>: langdurige zorg die niet in het kader
                            van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als
                                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al> naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                            arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al> niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al> worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                                            arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al> niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Belanghebbende krijgt zelf de gelegenheid binnen twintig
                                            werkdagen een tegenprestatieplaats bij een organisatie,
                                            instelling, club of vereniging te zoeken;</al></li><li nr="3."><al>Belanghebbende kan gebruik maken van de
                                            vrijwilligersvacaturebank bij Coherente;</al></li><li nr="4."><al> Indien is gebleken dat het vinden van een
                                            tegenprestatie moeizaam verloopt, is beperkte
                                            begeleiding vanuit de gemeente mogelijk;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>De verplichting tot tegenprestatie wordt middels een
                                        beschikking opgelegd met als bijlage een plan van aanpak
                                        waarin de afspraken met belanghebbende zijn vastgelegd met
                                        betrekking tot de omvang, de duur en de aard van de
                                        werkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>Indien de uitkeringsgerechtigde reeds onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden verricht, dan kunnen
                                        die, op verzoek van de uitkeringsgerechtigde, indien aan de
                                        overige voorwaarden wordt voldaan, worden beschouwd als
                                        activiteiten in het kader van de tegenprestatie;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 6
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 16 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen 6 maanden slechts drie keer worden
                                opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Ouder-Amstel 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>Van</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening.</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader
                            van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip “mantelzorg” is van
                            belang omdat artikel 5 van deze verordening bepaalt dat het college geen
                            tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht
                            voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                            college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip “mantelzorg” zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener;</al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd
                                    verband;</al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie “De mantelzorger in beeld”) en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                            Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te
                            stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat
                            onder gebruikelijke zorg valt, kan worden aangesloten bij de definitie
                            van gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke
                            Zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse
                            zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                            onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                            voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor
                            het functioneren van dat huishouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 2 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het college
                            dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie.
                            Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere
                            relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                            opgedragen “naar vermogen”. Het is dus van belang dat belanghebbende ook
                            in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank </al><al>Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van de belanghebbende, moet
                            het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden
                            (zie artikel 3, lid 2, onder b). Het moet voor een belanghebbende immers
                            duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/36,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen van additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 802, nr. 3 p. 30).</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                            verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom
                            niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet
                            belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p.
                            14).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49).</al><al>De gemeenteraad heeft ervoor gekozen de tegenprestatie alleen op te
                            leggen aan mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt, zodat
                            personen met een korte afstand zich volledig kunnen richten op de
                            arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar vermogen
                            algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte
                            afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun
                            inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in
                            beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen
                            tegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren
                            van passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren
                            aangezien werk boven uitkering als uitgangspunt geldt. Aan personen met
                            een lange afstand tot de arbeidsmarkt kan het college wel een
                            tegenprestatie opdragen.</al><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt</cursief></al><al>Artikel 3, derde lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                            belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een
                            tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat
                            rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie
                            waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door
                            belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte
                            termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er
                            ruimte een tegenprestatie op te leggen.</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen –zoals zorgtaken- aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van de belanghebbende om de
                            tegenprestatie te verrichten op basis van het individuele geval de
                            hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 3, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. </al><al><cursief>Tegenprestatie “naar vermogen”</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term “naar
                            vermogen” heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p. 30).</al><al><cursief>Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                                belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien
                            een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit
                            aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                            belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat
                            hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                            tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                            voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder
                            of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. </al><al>Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur
                            en omvang van de tegenprestatie.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                            zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis
                            van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie</cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor
                            een maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor
                            maximaal 16 uur per week. Voor dit aantal uren is gekozen om personen
                            werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college
                            het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                            heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging
                            met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24,
                            p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van
                            het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                            verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                            verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                            redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende
                            geen tegenprestatie op (artikel 5 van deze verordening).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>