<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387540_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet Ouder-Amstel 2015.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Ouder-Amstel 2015.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet Ouder-Amstel 2015.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>RAADSBESLUIT</vet></al><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet </vet><vet>Ouder-Amstel
                        2015</vet></al><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel; gelezen het voorstel van
                        burgemeester en wethouders van……; gelet op artikel 8a, eerste lid,
                        aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de
                        Participatiewet;</al><al>Besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet
                        Ouder-Amstel 2015.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid
                                    als bedoeld in de wet, waarbij al dan niet gebruik wordt gemaakt
                                    van een voorziening;</al></li><li nr="b."><al>ANW: algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsmarktregio: regio als bedoeld in artikel 10, eerste lid,
                                    van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="d."><al>arbeidsre-integratie: verkrijgen, aanvaarden of behouden van
                                    algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede de activiteiten en
                                    voorzieningen die hierop zijn gericht;</al></li><li nr="e."><al>beschut werk; werk in een beschutte omgeving en onder aangepaste
                                    omstandigheden als bedoeld in artikel 10b van de wet;</al></li><li nr="f."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Ouder-Amstel</al></li><li nr="g."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>loonkostensubsidie: zoals bedoel in artikel 10d van de wet;</al></li><li nr="j."><al>niet-uitkeringsgerechtigde: de persoon bedoeld in artikel 6,
                                    eerste lid, onder a, van de wet;</al></li><li nr="k."><al>raad: gemeenteraad van Ouder-Amstel;</al></li><li nr="l."><al>uitkeringsgerechtigde: persoon die algemene bijstand op grond
                                    van de wet ontvangt, dan wel een uitkering ontvangt op grond van
                                    de IOAW of de IOAZ, en die niet tevens een uitkering ontvangt
                                    van het UWV;</al></li><li nr="m."><al>UWV: Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="n."><al>voorziening; re-integratievoorziening als bedoeld in artikel 1
                                    van de Wet Participatiebudget</al></li><li nr="o."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="p."><al>sociale activering: onbetaalde maatschappelijk nuttige
                                    activiteiten als eerste stap richting werk</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De doelgroep van deze verordening zijn personen wonende in de gemeente
                            Ouder-Amstel, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, zoals
                            bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, hebben
                            bereikt en:</al><lijst><li nr="a."><al> Die uitkeringsgerechtigde zijn;</al></li><li nr="b."><al>Die niet-uitkeringsgerechtigde zijn;</al></li><li nr="c."><al>Die een nabestaanden- of wezenuitkering ingevolgde de ANW
                                    ontvangen;</al></li><li nr="d."><al>Waarvoor een gemeentelijke loonkostensubsidie wordt
                                    betaald;</al></li><li nr="e."><al>Aan wie het UWV een uitkering verstrekt, indien en voor zover
                                    het college en UWV dit overeenkomen;</al></li><li nr="f."><al>Die behoren tot de personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                    onderdeel a, onder 2, van de wet die vanuit of volgend op een
                                    dienstverband met een loonkostensubsidie een
                                    arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn gaan ontvangen;</al></li><li nr="g."><al>Die een individuele studietoeslag ontvangen als bedoeld in
                                    artikel 36b van de wet;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan vaststellen dat een persoon bedoeld in artikel
                                    7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, die arbeidsmogelijkheden
                                    heeft, niet in staat is met voltijdse arbeid het wettelijk
                                    minimumloon te verdienen en daarmee behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 6, eerste lid,
                                    onderdeel e, van de wet.</al></li><li nr="2."><al> De vaststelling dat iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                    behoort vindt plaats op aanvraag van de persoon, bedoeld in het
                                    eerste lid. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10c, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de
                            vaststelling ook ambtshalve plaatsvinden, behalve voor niet-uitkeringsgerechtigden en
                            ANW-gerechtigden.</al></li><li nr="3."><al>Bij de vaststelling, bedoeld in het vorige lid, neemt het college in
                            aanmerking of sprake is van beperkingen van lichamelijke,
                            verstandelijke, psychische of andere aard die naar verwachting leiden
                            tot een arbeidsprestatie met een loonwaarde van minder dan 80% van het
                            wettelijk minimumloon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Vaststelling doelgroep beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werken aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke of psychische
                                beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassing van de
                                werkplek nodig heeft, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                                niet kan worden verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. Dit
                                kan blijken uit het functioneren van belanghebbende in een
                                voorziening, stage of arbeidsmatige dagbesteding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                maken en wint bij het UWV advies in voor de beoordeling of zij
                                uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                                omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het
                                college selecteert voor deze beoordeling uitsluitend personen met
                                een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Taak college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college draagt zorg voor het ondersteunen bij
                                arbeidsinschakeling van en zo nodig aanbieden van voorzieningen aan
                                personen behorende tot de doelgroep van deze verordening, gericht op
                                de kortste weg naar algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
                                betrokkene in staat is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van flankerende
                                voorzieningen die belemmeringen voor toetreding tot de arbeidsmarkt
                                kunnen opheffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid kan het college met
                                inachtneming van de Wet participatiebudget voorzieningen aanbieden
                                aan personen die niet tot de doelgroep van deze verordening
                                behoren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Personen aan wie met toepassing van het vorige lid een voorziening
                                wordt aangeboden, worden door de toepassing van deze verordening
                                gelijkgesteld met personen behorende tot de doelgroep.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college kan een of meer voorzieningen met betrekking tot
                                personen uit de doelgroep toekennen aan de werkgever of beoogd
                                werkgever van deze persoon.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan met betrekking tot het bepaalde in deze verordening
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Ondersteuning bij arbeidsre-integratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij
                                arbeidsre-integratie ten behoeve van het realiseren van de kortste
                                weg naar algemeen geaccepteerde arbeid waartoe deze in staat
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt na samenspraak met de persoon uit de doelgroep
                                vast welke voorziening het meest geschikt is om het beoogde doel te
                                behalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een voorziening geeft het college de inhoud,
                                doelstelling en duur van de voorziening aan. Indien van toepassing
                                motiveert het college waarom geen uitvoering wordt gegeven aan de
                                door de belanghebbende gewenste ondersteuning bij
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Indien door het college aan een persoon uit de doelgroep een
                                voorziening wordt aangeboden, wordt bij de voorziening, indien
                                nodig, de mogelijkheid geboden om verlof op te nemen in verband met
                                vakantie, sollicitaties en bijzondere omstandigheden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Een persoon uit de doelgroep dient bij zijn aanspraak op
                                ondersteuning bij arbeidsre-integratie:</al><lijst><li nr="-"><al>mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de
                                        beoordeling van de aanspraak op ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>naar vermogen mee te werken aan een aangeboden voorziening
                                        en aan het realiseren van het doel van de voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Het college informeert de belanghebbende op adequate wijze over de
                                voor hem geldende rechten en plichten jegens het college en derden
                                welke voortvloeien uit deze verordening of anderszins betrekking
                                hebben op diens arbeidsre-integratie en medewerking aan
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Werkgevers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan met betrekking tot personen uit de doelgroep
                                    samenwerken met werkgevers bij het uitvoeren van een of meerdere
                                    voorzieningen en/of aan hen een of meer voorzieningen
                                    toekennen.</al></li><li nr="2."><al>De werkgever met wie wordt samengewerkt of die met betrekking
                                    tot een persoon uit de doelgroep in aanmerking wil komen voor
                                    een voorziening, dient:</al><lijst><li nr="a."><al>opgaven en inlichtingen te verstrekken die van belang
                                            zijn voor de uitvoering of de beoordeling van diens aanspraak op een voorziening;</al></li><li nr="b."><al>naar behoren bij te dragen aan het realiseren van het doel van
                                    de voorziening, waaronder het bieden van de nodige aansturing en
                                    begeleiding aan personen uit de doelgroep voor wie aan hem
                                    voorzieningen zijn verleend;</al></li><li nr="c."><al>zich als een goed werkgever te gedragen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de samenwerking met werkgevers en
                                            het toekennen van een voorziening aan werkgevers nadere
                                            voorschriften en voorwaarden verbinden.</al></li><li nr="4."><al>Bij een werkgever die ernstig of bij herhaling
                                            tekortschiet bij het voldoen aan het bepaalde bij of
                                            krachtens het tweede en derde lid of door wie andere dan
                                            algemeen geaccepteerde arbeid wordt uitgevoerd, kan het
                                            college afzien van toepassing van het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in artikel 1.6, zesde lid, is van
                                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon behorende tot de doelgroep begeleiden of
                                laten begeleiden bij het zoeken naar en verwerven en behouden van
                                arbeid, alsmede bij het wegnemen van belemmeringen voor arbeid. Het
                                college kan hiertoe op eigen initiatief, dan wel op verzoek van de
                                persoon uit de doelgroep of van een werkgever of beoogd werkgever
                                van deze persoon, een of meer voorzieningen aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De voorzieningen kunnen onder meer worden onderscheiden in:</al><lijst><li nr="a."><al>Begeleiding op de werkplek, bijvoorbeeld door een
                                        gecertificeerde jobcoach, en andere ondersteunende
                                        voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, van de
                                        wet ten behoeve van personen behorende tot de
                                        doelgroep;</al></li><li nr="b."><al>Beschut werk of arbeidsmatige dagbesteding;</al></li><li nr="c."><al>No-riskpolis, deze kan tevens worden ingezet als bedoeld in
                                        artikel 8a, tweede lid onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>Leerstage bij een werkgever of andere organisatie voor een
                                        aaneengesloten periode van maximaal zes maanden met de
                                        mogelijkheid deze periode tot maximaal twaalf maanden te
                                        verlengen;</al></li><li nr="e."><al>Leertraject in een praktijkomgeving, gericht op het aanleren
                                        en toepassen van werknemers- en beroepsvaardigheden, voor
                                        een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden met de
                                        mogelijkheid deze periode tot maximaal zes maanden te
                                        verlengen;</al></li><li nr="f."><al>Loonkostensubsidie of andere tegemoetkoming aan een
                                        werkgever, waaronder de gemeentelijke loonkostensubsidie
                                        anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 10d van
                                        de wet;</al></li><li nr="g."><al>Ondersteunende instrumenten, waaronder onderzoeken door
                                        deskundigen en taal- of beroepsgerichte scholing;</al></li><li nr="h."><al>Ondersteuning bij een leer-werktraject als bedoeld in
                                        artikel 10f van de wet;</al></li><li nr="i."><al>Participatieplaats als bedoeld in artikel 10 a van de
                                        wet;</al></li><li nr="j."><al>Premies en vergoedingen met betrekking tot activiteiten of
                                        resultaten van personen behorend tot de doelgroep;</al></li><li nr="k."><al>Sociale activering;</al></li><li nr="l."><al>Proefplaats met het oog op het tot stand komen van een
                                        dienstverband, hieronder begrepen het bij een werkgever
                                        onbeloonde werkzaamheden laten verrichten, als bedoeld in
                                        artikel 10d, derde lid van de wet, met het oog op een reële
                                        vaststelling van de loonwaarde;</al></li><li nr="m."><al>Traineeplaats voor jongeren;</al></li><li nr="n."><al>Werkplekaanpassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen afspraken maken
                                met derden, waaronder werkgevers, alsmede subsidies
                                verstrekken;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                voorwaarden en invulling en eventuele hoogte van de voorzieningen
                                genoemd in artikel 2.1 lid 2.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                arbeidsre-integratie van personen uit de doelgroep, door het opdoen
                                van werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het
                                opdoen van een werkritme, maatschappelijke participatie, dan wel
                                door het op andere wijze vergroten van de eigen persoonlijke en
                                maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Afweging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een besluit tot het aanbieden of voortzetten van een voorziening
                                    aan of met betrekking tot een persoon uit de doelgroep gebeurt
                                    met inachtneming van:</al><lijst><li nr="-"><al>de mogelijkheden en belemmeringen van de
                                            belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>de actuele of toekomstige vraag op de arbeidsmarkt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Indien nodig gebeurt de afweging als bedoeld in het eerste lid
                                    tevens met inachtneming van:</al><lijst><li nr="-"><al>de mogelijkheden van kinderopvang;</al></li><li nr="-"><al>het belang van scholing voor arbeidsre-integratie</al></li><li nr="-"><al>de kosten van een voorziening in relatie tot de daarmee
                                            te dienen financiële Belangen van de gemeente en de persoonlijke belangen van de persoon uit
                            de doelgroep.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Wanneer een re-integratievoorziening wordt ingezet, kan het college
                            hieraan de voorwaarde verbinden dat belanghebbende de kosten van de
                            voorziening terugbetaalt indien de belanghebbende om verwijtbare redenen
                            niet meewerkt aan het traject.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Beëindiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beëindigen, dan wel intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>Als een persoon die deelneemt aan een voorziening, zijn
                                        verplichtingen als, bedoeld in artikel 9 van de wet, artikel
                                        37 van de IOAW of artikel 37 van de IOAZ, dan wel artikel
                                        1.6 niet of niet voldoende nakomt en hem dit te verwijten
                                        valt;</al></li><li nr="b."><al>Als een werkgever het bepaalde in of krachtens artikel 7.1
                                        niet of niet voldoende nakomt;</al></li><li nr="c."><al>Als een persoon die deelneemt aan een voorziening, niet meer
                                        tot de doelgroep bedoeld in artikel 1.2 behoort;</al></li><li nr="d."><al>Indien het college een andere voorziening aanbiedt;</al></li><li nr="e."><al>Als een persoon die deelneemt aan een voorziening,
                                        neveninkomsten heeft die naar oordeel van het college
                                        betekenen dat hij in staat is zonder voorziening een plaats
                                        te vinden of te behouden op de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="f."><al>Als de persoon verhuist naar een andere gemeente;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een persoon die werkzaam is bij een werkgever verhuist naar een
                                andere gemeente, zet het college zich ervoor in dat de voorzieningen
                                die aan of ten behoeve van de werkgever worden verleend, op
                                zorgvuldige wijze worden overgenomen door de andere gemeente dan wel
                                worden beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Als een persoon die verhuist naar een andere gemeente naar vermogen
                                meewerkt aan een voorziening en zich inzet voor het verkrijgen of
                                behouden van werk, zet het college zich ervoor in dat voorzieningen
                                en aanspraken van de belanghebbende krachtens deze verordening op
                                zorgvuldige wijze worden afgewikkeld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen met betrekking tot afzonderlijke voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de loonwaarde vast van een persoon behorende tot
                                de doelgroep loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 1.3, indien
                                een werkgever voornemens is met deze een dienstbetrekking aan te
                                gaan. De loonwaarde wordt vastgesteld als een percentage van het
                                wettelijk minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Bij de vaststelling van de loonwaarde betrekt het college in elk
                                geval opgaven en inlichtingen van de beoogd werknemer en van of
                                namens de werkgever op basis van hun praktijkervaringen,
                                bijvoorbeeld tijdens een leerstage of proefplaats, als bedoeld in
                                artikel 2.1, tweede lid, onder d, respectievelijk l.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen loonwaarde wordt vastgesteld indien niet is voldaan aan het
                                bepaalde in de artikelen 1.6 en 1.7.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college heeft samen met de colleges in de arbeidsmarktregio en
                                het UWV besloten om de loonwaardemetingsystematiek VTA te hanteren
                                voor de vaststelling van de loonwaarde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan de persoon, behorend tot de doelgroep, die
                                arbeid in dienstbetrekking verricht of gaat verrichten of arbeid op
                                een proefplaats verricht of gaat verrichten, voorzieningen toekennen
                                die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid
                                tot het verrichten van arbeid op die proefplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de
                                        belanghebbende zijn werkplek of opleidingslocatie kan
                                        bereiken;</al></li><li nr="b."><al>intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een
                                        visuele, auditieve</al><al> of motorische handicap;</al></li><li nr="c."><al>meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van
                                        de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de
                                        inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken
                                        hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de belanghebbende zijn
                                        afgestemd; en</al></li><li nr="d."><al>noodzakelijke persoonlijke ondersteuning bij het verrichten
                                        van de aan de belanghebbende opgedragen taken, indien die ondersteuning
                                        een compensatie vormt voor zijn beperkingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, op
                                aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot
                                verbetering van zijn leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan
                                wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in het
                                tweede lid, onderdeel a.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
                                personen, behorend tot de doelgroep, die scholing of opleiding in
                                het kader van de bevordering van de inschakeling in het
                                arbeidsproces volgen of gaan volgen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regels bepalen dat voor een voorziening
                                een eigen bijdrage is verschuldigd of dat een voorziening niet wordt
                                verstrekt of wordt beëindigd indien het inkomen of vermogen van de
                                belanghebbende meer bedraagt dan een door het college vast te
                                stellen bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Persoonlijke voorzieningen zelfstandigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 3.2 is van overeenkomstige toepassing ten
                                aanzien van personen, behorend tot de doelgroep, die arbeid als
                                zelfstandige verrichten of zich hierop voorbereiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het eerste lid vindt uitsluitend toepassing in verband met een
                                beperking die:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de aanvang van de arbeid als zelfstandige of tijdens de
                                        voorbereiding hierop aanwezig was, of</al></li><li nr="b."><al>tijdens de verlening van algemene bijstand ingevolge het
                                        Besluit bijstandsverlening zelfstandigen is ontstaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De zelfstandige aan wie een voorziening wordt verstrekt, wordt
                                aangemerkt als behorend tot de doelgroep van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan met betrekking tot een persoon in de doelgroep
                                    een werkgever in aanmerking brengen voor een verzekeringspolis
                                    voor loonkosten over perioden waarin de persoon
                                    arbeidsongeschikt is.</al></li><li nr="2."><al>De verzekeringspolis als bedoeld in het eerste lid kan alleen
                                    worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De werkgever voor ten minste zes maanden een
                                            dienstverband aangaat;</al></li><li nr="b."><al>De werknemer behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie
                                            of een verhoogd risico heeft op verzuim als gevolg van
                                            arbeidsongeschiktheid en artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Toezicht en handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Maatregelen bij misbruik en oneigenlijk gebruik van
                                voorzieningen</titel></kop><al>Ingeval het recht op een verstrekte voorziening, zoals bedoeld in
                            artikelen 3.1 en 3.2 is ingetrokken, kan deze voorziening worden
                            teruggevorderd als de voorziening is verleend op basis van onjuist
                            verstrekte gegevens, verplichtingen niet zijn nagekomen of de
                            voorziening anderszins onverschuldigd is betaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist
                                    het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de
                                    bepalingen in deze verordening, als toepassing daarvan tot
                                    onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></li><li nr="3."><al>De re-integratieverordening Wwb 2004 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="5."><al>Deze verordening wordt aangehaald als Re-integratieverordening
                                    Participatiewet Ouder-Amstel 2015.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van….</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>ARTIKEL 1.2 DOELGROEP</al><al>Het participatiebudget, waarvoor in de Wet op het Participatiebudget
                            algemene regels zijn gesteld, is wettelijk gezien breed inzetbaar. De
                            doelgroep zoals afgebakend in de verordening valt grotendeels samen met
                            de gemeentelijke doelgroep voor de Participatiewet (art. 7, eerste lid,
                            Participatiewet). Het gaat dan in hoofdzaak om mensen die een uitkering
                            (algemene bijstand volgens de Participatiewet, IOAW of IOAZ) of een
                            loonkostensubsidie ontvangen. In aanvulling op de wettelijke doelgroep
                            van de Participatiewet worden de volgende groepen aangemerkt als
                            doelgroep voor een re-integratievoorziening:</al><lijst><li nr="·"><al>mensen die een uitkering van het UWV ontvangen en voor wie UWV
                                    en gemeente zijn overeengekomen dat de gemeente de
                                    re-integratietaken kan uitvoeren (artikel 1, onderdeel e): in
                                    beginsel heeft het UWV de re-integratietaak voor mensen aan wie
                                    het UWV uitkering verleent, bijvoorbeeld WW. Gemeente en UWV
                                    kunnen overeenkomen om van deze regel af te wijken (artikel 7,
                                    zevende lid, Participatiewet).</al></li><li nr="·"><al>mensen die een individuele studietoeslag ontvangen (artikel 1,
                                    onderdeel g): het gaat hier om mensen van 18 tot 27 jaar met een
                                    arbeidsbeperking die een opleiding met recht op WSF of WTOS
                                    volgen. Wanneer zij tijdens hun studie werken of naar werk
                                    zoeken, kunnen zij hierbij ondersteuning krijgen van de
                                    gemeente.</al></li><li nr="·"><al>er kunnen zich situaties voordoen waarbij de toepassing van
                                    artikel 1 tot een onwenselijke breuk in de dienstverlening leidt
                                    of op een andere manier contraproductief is. Artikel 5.1, derde
                                    lid, voorziet dan in een mogelijkheid om af te wijken van de
                                    doelgroepomschrijving in artikel 1.2.</al></li></lijst><al>Artikel 1.3 VASTSTELLING DOELGROEP LOONKOSTENSUBSIDIE</al><al>Artikel 1.3 geeft –in samenhang met artikel 3.1- uitvoering aan artikel
                            6, tweede lid, Participatiewet. Overeenkomstig deze bepaling dient de
                            gemeenteraad bij verordening regels vast te stellen over de doelgroep
                            van de wettelijke loonkostensubsidie en de loonwaarde. De regels dienen
                            in ieder geval te bepalen:</al><lijst><li nr="·"><al>De wijze waarop wordt vastgesteld wie tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie behoort, en </al></li><li nr="·"><al>De wijze waarop de loonwaarde wordt vastgesteld.</al></li></lijst><al>De wet beperkt de inzet van de loonkostensubsidie tot personen die onder
                            de wettelijke doelgroep van de Participatiewet vallen. Het is daarmee
                            niet mogelijk hieraan gemeentelijke doelgroepen toe te voegen via de
                            verordening of bijvoorbeeld een convenant met UWV.</al><al>Bij verordening moeten regels worden gesteld om binnen de brede
                            doelgroep Participatiewet te komen tot een afbakening van de doelgroep
                            loonkostensubsidie. In 1.3 gebeurt dit aan de hand van een inschatting
                            vooraf van iemands arbeidsproductiviteit in een toekomstige
                            werkomgeving. Daarbij wordt een bovengrens gehanteerd. Is de verwachting
                            vooraf dat iemand in vergelijking met andere werknemers een
                            productiviteit zal hebben van meer dan 80% van het wettelijk minimumloon
                            (WML) per uur, dan wordt diegene niet tot de doelgroep van de
                            loonkostensubsidie gerekend. Bij een productiviteit die dicht bij het
                            WML-niveau ligt, zijn andere instrumenten beter passend.</al><al>Hiermee wordt tegengegaan dat iemand al te snel het label krijgt niet in
                            staat te zijn om het WML te verdienen.</al><al>Het college kan op verzoek vaststellen wie tot de doelgroep van de
                            loonkostensubsidie behoort. Behalve voor niet-uitkeringsgerechtigden en
                            ANW-gerechtigden kan het college ook “ambtshalve” overgaan tot deze
                            vaststelling, dat wil zeggen: uit eigen beweging, zonder daartoe
                            ingediend verzoek (artikel 10c Participatiewet).</al><al>Wanneer iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie wordt gerekend, wordt
                            dit vastgelegd in een beschikking. Wanneer iemand begeleid wordt naar
                            een baan zal dan in de regel sprake zijn van een voorafgaande
                            proefplaats, waarbij de loonwaarde wordt vastgesteld. Voor de
                            vaststelling geldt een wettelijk kader: de loonwaarde is een vastgesteld
                            percentage van het rechtens geldende loon voor de door een persoon –die
                            behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie- verrichte arbeid in een
                            functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van
                            een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die
                            niet tot een doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel 6, eerste
                            lid, onderdeel g, Participatiewet). In lagere regelgeving wordt dit
                            wettelijk kader verder uitgewerkt. Met inachtneming van dit kader is het
                            aan de gemeente om een methodiek te kiezen voor het vaststellen van de
                            loonwaarde op de werkplek (zie artikel 3.1).</al><al>Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een
                            dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de
                            loonwaarde van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid,
                            Participatiewet). Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde
                            loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de
                            betrokken persoon als diens (potentiele) werkgever bezwaar en beroep
                            kunnen instellen. De bovengrens die de gemeente hanteert bij het vooraf
                            bepalen van de doelgroep van de loonkostensubsidie, heeft geen gevolgen
                            voor de uiteindelijke loonkostensubsidie. Als bijvoorbeeld op de
                            werkplek een loonwaarde wordt vastgesteld van 85% WML heeft de werkgever
                            recht op een loonkostensubsidie van 15% WML (de subsidie vult de
                            vastgestelde loonwaarde aan tot 100% WM). Komt de gemeten loonwaarde uit
                            op bijvoorbeeld 25% WML, dan heeft de werkgever recht op een
                            loonkostensubsidie van 70% WML (het wettelijk maximum voor de
                            subsidie).</al><al>Overigens geldt volgens de wet dat de loonkostensubsidie maximaal 70%
                            van het wettelijk minimumloon kan bedragen. Bij een loonwaarde onder
                            circa 30% WML neemt de loonkostensubsidie die een werkgever kan
                            ontvangen dus niet verder toe.</al><al>ARTIKEL 1.4 VASTSTELLING DOELGROEP BESCHUT WERK</al><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt. Hiervoor kan het
                            college –na advies van het UWV- ambtshalve vaststellen of iemand
                            uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepast omstandigheden
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft (art. 10b, eerste en tweede
                            lid, Participatiewet). Bij verordening moeten regels worden vastgesteld
                            over de volgende aspecten van het aanbod beschut werk:</al><lijst><li nr="a."><al>de toegang tot de voorziening beschut werk </al></li><li nr="b."><al>de voorzieningen om beschut werken mogelijk te maken </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de omvang van het beschut werk wordt
                                    vastgesteld.</al></li></lijst><al>Wanneer het college –op basis van het UWV advies- heeft vastgesteld dat
                            iemand behoort tot de doelgroep beschut werk, moet het college ervoor
                            zorgen dat hij of zij ook daadwerkelijk een dienstbetrekking krijgt waar
                            in een beschutte werkomgeving en onder aangepaste omstandigheden wordt
                            gewerkt.</al><al>Randvoorwaarde is dat iemand arbeidsvermogen heeft –daarbij is te denken
                            aan zaken als:</al><lijst><li nr="·"><al>een taak kunnen uitvoeren binnen een arbeidsorganisatie</al></li><li nr="·"><al>beschikken over basale werknemersvaardigheden</al></li><li nr="·"><al>ten minste een uur achtereen kunnen werken</al></li><li nr="·"><al>ten minste vier uur per dag belastbaar zijn (of het WML per uur
                                    kunnen verdienen).</al></li></lijst><al>Landelijke regels hierover worden neergelegd in nadere regelgeving
                            (algemene maatregel van bestuur beschut werk).</al><al>Voor beschut werk moet daarnaast sprake zijn van zodanige beperkingen
                            dat zodanige technische of organisatorische aanpassingen nodig zijn en
                            een zodanige begeleiding dat deze niet binnen redelijke grenzen door een
                            reguliere werkgever kunnen worden gerealiseerd.</al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een
                            persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Het UWV voert op basis
                            van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid,
                            Participatiewet). Het advies van het UWV is zo goed als bindend: alleen
                            als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan
                            de gemeente besluiten het advies niet te volgen.</al><al>ARTIKEL 1.5 TAAK COLLEGE</al><al>In artikel 1.5 wordt de rol van het college beschreven in het kader van
                            de Participatiewet. Het college heeft een rol ten aanzien van
                            individuele rechthebbenden: zorg dragen voor ondersteuning van
                            werkzoekenden via de kortste weg richting werk. Het college stelt vast
                            of en welke voorziening hierbij nodig is. Dit laat de mogelijkheid
                            onverlet dat mensen hiervoor zelf voorstellen doen.</al><al>Bij het inrichten en aanbieden van voorzieningen ziet het college erop
                            toe dat hierdoor geen onverantwoorde beïnvloeding van
                            concurrentieverhoudingen of verdringing van betaalde arbeid plaatsvindt.
                            Het college kan dit doen door na te gaan dat het werk dat verricht gaat
                            worden niet of slechts in beperkte mate productief is, of dat er geen
                            recent ontslag heeft plaatsgevonden.</al><al>Voor maximale re-integratie op de arbeidsmarkt zijn niet alleen
                            trajecten nodig die hierop gericht zijn. Ook andere instrumenten kunnen
                            hieraan bijdragen, zoals schuldhulpverlening, maatschappelijke
                            ondersteuning en jeugdzorg. De re-integratietaak van het college richt
                            zich op de groepen genoemd in artikel 1.2 Het college kan hiervan in
                            uitzonderingssituaties van afwijken. Hierbij is te denken aan het
                            tijdelijk voortzetten van de ondersteuning van een werkzoekende die
                            tijdens zijn traject verhuist naar een buurgemeente. Het zal in de regel
                            gaan om situaties waarin wordt tegemoet gekomen aan redelijke
                            verwachtingen van werkzoekenden, de uitvoerder van een trajectonderdeel
                            of een werkgever.</al><al>Werkgevers zijn een belangrijke partner bij het re-integratiebeleid. Dit
                            komt mede tot uitdrukking in de bepaling dat re-integratievoorzieningen
                            niet alleen aan een persoon behorend tot de doelgroep worden aangeboden,
                            maar ook aangeboden kunnen worden aan een werkgever of beoogd werkgever
                            van een persoon behorend tot de doelgroep. </al><al>ARTIKEL 1.6 ONDERSTEUNING BIJ ARBEIDSRE-INTEGRATIE</al><al>Een persoon uit de doelgroep kan aanspraak maken op ondersteuning bij
                            arbeidsre-integratie gericht op de kortste weg naar algemeen
                            geaccepteerd werk. Natuurlijk moet het hierbij gaan om werk waartoe de
                            betrokkene ook in staat is. Het bepalen van de wijze van ondersteuning
                            gebeurt na samenspraak met de belanghebbende. Bij het aanbieden van een
                            voorziening geeft het college de inhoud, doelstelling en duur van de
                            voorziening aan. Wanneer aan bepaalde wensen of verwachtingen van de
                            belanghebbende niet wordt toegekomen wordt dit door het college
                            onderbouwd. Uiteraard moet de gemeentelijke ondersteuning daadwerkelijk
                            bijdragen aan een verbetering van iemands kansen op werk. Er is dan ook
                            aandacht nodig voor de kwaliteit van voorzieningen en voor de
                            effectiviteit van de inzet.</al><al>Als deze persoon gebruik maakt van een voorziening bestaat natuurlijk de
                            mogelijkheid om –in overleg met de uitvoerder c.q. consulent- verlof op
                            te nemen in verband met vakantie, sollicitaties en bijzondere
                            omstandigheden.</al><al>Uitkeringsgerechtigden zijn volgens de Participatiewet verplicht om naar
                            vermogen werk te verkrijgen en behouden, mee te werken aan voorzieningen
                            en onderzoeken en om relevante informatie te geven aan het college. Er
                            bestaat in de gemeentelijke uitvoeringspraktijk ook behoefte aan
                            verplichtingen die zijn gericht op niet-uitkeringsgerechtigde personen
                            binnen de gemeentelijke doelgroep die deelnemen of willen deelnemen aan
                            een traject. Daarom zijn voor dit doel een aantal verplichtingen in de
                            verordening gespecificeerd.</al><al>Het college moet werkzoekenden adequaat informeren over hun rechten en
                            plichten. Ook is belangrijk dat de werkzoekende weet wat er van hem of
                            haar wordt verwacht en ook wat deze zelf kan verwachten: wat is de aard
                            en de duur van de trajectonderdelen en met welk doel worden zijn
                            ingezet.</al><al>ARTIKEL 1.7 WERKGEVERS</al><al>Werkgevers kunnen rechtstreeks aanspraak maken op bepaalde
                            voorzieningen. Daar hoort ook bij dat zij bepaalde verplichtingen
                            hebben. In artikel 1.7 zijn verplichtingen geformuleerd rond
                            informatievoorziening, meewerken aan onderzoek, het bieden van
                            begeleiding en goed werkgeverschap.</al><al>Verplichtingen voor de werkgever kunnen verder worden geconcretiseerd
                            door het opleggen van nadere voorwaarden en contractuele afspraken,
                            bijvoorbeeld in het kader van een proefplaatsing. Wanneer werkgevers
                            zich onvoldoende houden aan deze verplichtingen kunnen zij hun
                            (subsidie)aanspraken kwijtraken. Wanneer er minder goede ervaringen
                            bestaan met de uitvoering van een bepaald arrangement bij een werkgever,
                            kan worden afgezien van het aangaan van eenzelfde arrangement bij deze
                            werkgever met nieuwe kandidaten.</al><al>ARTIKEL 2.1 VOORZIENINGEN</al><al>Hoofdstuk 2 van de verordening bevat algemene bepalingen over
                            re-integratievoorzieningen. Een voorziening kan bestaan uit begeleiding
                            namens of in opdracht van het college. In het eerste geval wordt de
                            begeleiding zelf uitgevoerd door de gemeente, in het tweede geval is er
                            een andere uitvoerder bij betrokken. Een re-integratievoorziening kan op
                            initiatief van het college worden ingezet of worden aangevraagd door een
                            werkzoekende of een werkgever.</al><al>Het tweede lid noemt een aantal voorzieningen; het heeft geen limitatief
                            karakter.</al><al>Het doel is om aan te geven dat de daar genoemde interventies in elk
                            geval zijn aan te merken als re-integratievoorziening. Ten opzichte van
                            re-integratieverordening in het kader van de Wet werk en bijstand wordt
                            een aantal nieuwe voorzieningen genoemd, zoals beschut werk en
                            proefplaats. Een uitwerking van deze gemeentelijke voorzieningen vindt
                            plaats bij nadere regels. De bedoeling is dat deze beleidsregels binnen
                            de arbeidsmarktregio worden geharmoniseerd, zodat de positie van de
                            gemeenten ten opzichte van werkgevers gelijk is.</al><al>Het college kan voor de uitvoering van voorzieningen samenwerken met
                            derden, met name re-integratiebedrijven en werkgevers. Dit kan op basis
                            van contractuele afspraken, bijvoorbeeld na een aanbesteding. Ook kan
                            bij de samenwerking een subsidie worden ingezet; het vierde lid biedt
                            hiervoor de juridische grondslag.</al><al>ARTIKEL 2.2 AFWEGING</al><al>Het is van belang dat de inzet van een re-integratievoorziening wordt
                            gebaseerd op een goede diagnose van de werkzoekende en met inachtneming
                            van de actuele en toekomstige mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Het
                            tweede lid biedt de mogelijkheid dat ook financiële overwegingen een rol
                            kunnen spelen bij de afweging om een bepaalde voorziening aan te bieden:
                            de investering moet dan in een redelijke verhouding staan tot de
                            opbrengsten, zowel voor de persoon zelf als voor de gemeente. Voor de
                            inzet van scholing wordt een uitdrukkelijke afweging gevraagd, omdat het
                            de arbeidsinschakeling juist kan vertragen. De afweging rond
                            kinderopvang hangt samen met de vergewisplicht die het college op dit
                            punt heeft ten aanzien van alleenstaande ouders met een kind tot 12 jaar
                            (artikel 9, vierde lid, Participatiewet).</al><al>Met re-integratievoorzieningen zijn soms flinke investeringen gemoeid.
                            In onze gemeente komt soms de situatie voor dat een
                            uitkeringsgerechtigde een traject volgt en een paar maanden naar het
                            buitenland vertrekt, waarop vervolgens de uitkering wordt
                            stopgezet.</al><al>Een paar maanden later is deze persoon weer terug en vraagt weer een
                            uitkering aan, waarna de gemeente weer een traject dient aan te bieden
                            om deze persoon aan het werk te helpen. Deze cyclus kan zich een paar
                            keer herhalen. In deze gevallen wil het college de mogelijkheid hebben
                            om de trajectkosten in het geval van het afbreken van een traject te
                            kunnen verhalen op betrokkene. Dit zal worden vastgelegd in de
                            trajectovereenkomst met betrokkene.</al><al>ARTIKEL 2.3 BEEINDIGING</al><al>Deze bepaling geeft een limitatieve opsomming van gronden om een
                            voorziening te beëindigen of (met terugwerkende kracht) in te trekken.
                            Het gaat om een kan-bepaling: het college is dan ook niet verplicht in
                            de hier genoemde situaties een voorziening te staken. Wel dient in deze
                            gevallen het beëindigen of intrekken van een voorziening te worden
                            overwogen.</al><al>Voor het beëindigen van voorzieningen wanneer een persoon uit de
                            doelgroep naar een andere gemeente verhuist, geldt dat dit op een
                            zorgvuldige manier moet gebeuren, zowel richting de werkzoekende als
                            richting werkgever (tweede en derde lid). Het college streeft ernaar dat
                            voorzieningen die bij een werkgever worden ingezet na een verhuizing
                            door de nieuwe gemeente worden voortgezet. Bij beëindiging van een
                            voorziening door de gemeente Ouder-Amstel kan het vanuit het oogpunt van
                            zorgvuldigheid bijvoorbeeld nodig zijn dat dit gebeurt met inachtneming
                            van een afbouwperiode. De wet bepaalt overigens dat de oorspronkelijke
                            woongemeente van een werknemer met een loonkostensubsidie
                            verantwoordelijk blijft voor de voortzetting van de subsidie gedurende
                            de dienstbetrekking (artikel 10d, achtste lid, Participatiewet).</al><al>Het derde lid geeft aan dat ook richting personen uit de doelgroep een
                            lopende voorziening zorgvuldig wordt afgewikkeld bij verhuizing naar een
                            andere gemeente. Dit geldt ook voor lopende aanspraken die uit deze
                            verordening voortkomen, bijvoorbeeld het recht op een premie. Dit recht
                            vervalt niet ineens doordat de betrokkene verhuist naar een andere
                            gemeente. Voorwaarde is wel dat de betrokkene zich blijft inzetten voor
                            het voltooien van de voorziening en het vinden of behouden van
                            werk.</al><al>ARTIKEL 3.1 LOONKOSTENSUBSIDIE</al><al>Heeft het college vastgesteld dat iemand behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie en is werkgever voornemens met diegene een
                            dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de
                            loonwaarde van die persoon vast (artikel 10d, eerste lid,
                            Participatiewet). Hiervoor is geen aanvraag vereist. De loonwaarde is
                            een vastgesteld percentage van het rechtens geldende loon voor de door
                            een persoon –die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie- verrichte
                            arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die
                            functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en
                            ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort (artikel
                            6, eerste lid, onderdeel g, Participatiewet). Het college vertaalt deze
                            loonwaarde naar een percentage van het wettelijk minimumloon en legt dit
                            vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken
                            werknemer/werkzoekende als de (potentiele) werkgever bezwaar en beroep
                            kunnen instellen.</al><al>De subsidieaanspraak van de werkgever is geregeld in landelijke regels.
                            Wel is het aan de gemeente om bij verordening regels vast te stellen
                            voor het vaststellen van de loonwaarde. Deze loonwaarde is, samen met de
                            overeengekomen arbeidsduur, rechtstreeks bepalend voor de hoogte van de
                            loonkostensubsidie voor de werkgever. Ook in gevallen waarin de gemeente
                            werkgever wordt van iemand die behoort tot de doelgroep
                            loonkostensubsidie bestaat volgens de landelijke regelgeving recht op
                            een loonkostensubsidie.</al><al>De loonwaarde wordt door het college vastgesteld in een
                            praktijksituatie, bijvoorbeeld een proefplaatsing, met betrokkenheid van
                            zowel de werkzoekende/werknemer als van de werkgever. Van beiden wordt
                            medewerking verwacht aan het onderzoek. De werknemer moet zich naar
                            vermogen inzetten, van de werkgever wordt verwacht dat hij de nodige
                            begeleiding en aansturing biedt en in het algemeen als een goed
                            werkgever optreedt. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan wordt
                            geen loonwaarde vastgesteld door het college, en ontstaat voor de
                            werkgever geen recht op loonkostensubsidie.</al><al>De methode die het college hanteert voor het bepalen van de loonwaarde
                            is de VTA-methodiek. Er heeft een regionale aanbesteding plaatsgevonden,
                            waaruit deze methodiek is gekozen. Deze methodiek zal in de gehele
                            arbeidsmarktregio worden toegepast.</al><al>ARTIKEL 3.2 PERSOONLIJKE VOORZIENINGEN BIJ WERK OF SCHOLING</al><al>Voorheen was het UWV verantwoordelijk voor het inzetten van zogenoemde
                            werknemersvoorzieningen, ook waar het ging om personen met een
                            structurele functionele beperking binnen de Wwb-doelgroep. Vanaf 1
                            januari 2015 gaat deze verantwoordelijkheid over op gemeenten. Het gaat
                            om de volgende categorieën voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>Vervoersvoorzieningen: om naar werk te reizen, in de vorm van
                                    aanpassing van het eigen vervoermiddel of van een vergoeding
                                    voor ander vervoer.</al></li><li nr="b."><al>Intermediaire voorzieningen: voor medewerkers met
                                    arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen,
                                    bijvoorbeeld doventolk of voorleeshulp.</al></li><li nr="c."><al> Meeneembare voorzieningen: aanpassingen of hulpmiddelen die ook
                                    op een andere werkplek gebruikt kunnen worden (en niet standaard
                                    beschikbaar zijn binnen een bedrijf), bijvoorbeeld orthopedische
                                    schoenen en brailleleesregels.</al></li><li nr="d."><al>Noodzakelijke persoonlijke ondersteuning: begeleiding op de
                                    werkplek of tijdens een proefplaatsing.</al></li></lijst><al>De VNG heeft aangegeven de tolk gebarentaal voor het werk in het kader
                            van de Participatiewet landelijk te kunnen en willen (laten) uitvoeren.
                            Ook voor de meeneembare voorzieningen, waarbij het gaat om een klein
                            aantal gebruikers en veelal zeer specifieke producten, hebben gemeenten
                            in VNG-verband besloten om deze landelijk te coördineren. Naar het zich
                            nu laat aanzien, zal het UWV deze voorzieningen gaan verstrekken.</al><al>Voor de organisatie van jobcoaching en vervoersvoorzieningen bestaan
                            geen landelijke afspraken. Amsterdam heeft ervaring met jobcoaches. In
                            G4-verband wordt met het oog op de Participatiewet gewerkt aan een
                            geharmoniseerde jobcoachvoorziening. Het is wellicht aantrekkelijk om
                            regionaal gebruik te gaan maken van de jobcoachvoorziening van Amsterdam
                            en daar begeleiding in te kopen.</al><al>Indien er een vervoersvoorziening nodig is, zal worden bekeken op welke
                            manier kan worden aangesloten bij de bestaande regionale
                            vervoersvoorzieningen in de gemeente.</al><al>De inhoud en omvang van voorzieningen kunnen in nadere regels worden
                            opgenomen. Ook kan het college regels stellen met betrekking tot het
                            hanteren van een eigen bijdrage, een inkomens- en/of
                            vermogensgrens.</al><al>ARTIKEL 3.3 PERSOONLIJKE VOORZIENINGEN ZELFSTANDIGEN</al><al>Personen behorend tot de doelgroep van de verordening die als
                            zelfstandige starten of actief zijn, kunnen net als
                            werknemers/werkzoekenden, in geval van een arbeidsbeperking aanspraak
                            maken op een persoonlijke voorziening. Een zelfstandige aan wie een
                            voorziening is toegekend, kan deze ook na afloop van een eventuele
                            bijstandsuitkering voor zelfstandigen blijven ontvangen. De zelfstandige
                            die een voorziening ontvangt, blijft namelijk behoren tot de doelgroep
                            van de verordening (derde lid), vergelijkbaar met een werknemer die
                            dankzij de inzet van een voorziening geen bijstandsgerechtigde of
                            niet-uitkeringsgerechtigde is.</al><al>ARTIKEL 3.4 NO-RISKPOLIS</al><al>Tot 2015 konden alle werkzoekenden met een structurele functionele
                            beperking onder de Ziektewet (ZW) vallen. In de eerste plaats ging het
                            om mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals de Wajong of de
                            Wia. Ook voormalige rechthebbenden op zo’n uitkering vielen als
                            werknemer nog vijf jaar onder de Ziektewet. Maar ook Wwb-gerechtigden
                            met een structurele functionele beperking konden bij het UWV als
                            werknemer een beroep doen op de Ziektewet. Daarmee werd het loonrisico
                            voor de werkgever bij uitval door ziekte van de werknemer sterk
                            beperkt.</al><al>Met de invoering van de Participatiewet gaan middelen voor bestaande
                            bijstandsgerechtigden en nieuwe werkzoekenden met een arbeidsbeperking
                            van het UWV over naar gemeenten. Volgens de wet moet de gemeente bij
                            verordening bepalen voor welke vergoeding naar hoogte en duur een
                            werkgever in aanmerking komt bij ziekte van de werknemer die een
                            structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van wie
                            die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt (voor zover artikel 29b
                            van de Ziektewet niet van toepassing is; de Ziektewet blijft namelijk
                            behalve voor bijvoorbeeld Wajong-gerechtigden, ook van toepassing voor
                            personen die vijf jaar tevoren Wajong-gerechtigd waren of bijvoorbeeld
                            een SW-indicatie hadden).</al><al>De gemeente zal hiervoor een no-riskpolis inkopen. De
                            verzekeringsmaatschappij compenseert de werkgever voor het doorbetaalde
                            loon bij ziekte. De gemeente sluit deze polis af op de werknemer om het
                            financieel risico te beperken. Dit instrument zetten wij op dit moment
                            ook al in om werkgevers over te halen iemand met een grotere kans op
                            ziekteverzuim in dienst te nemen.</al><al>De beleidsregels voor de inzet van de no-riskpolis zijn al
                            geharmoniseerd in de regio.</al><al>ARTIKEL 4.1 MAATREGELEN BIJ MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK VAN
                            VOORZIENINGEN </al><al>Bij misbruik en ongelijk gebruik bestaat de mogelijkheid betalingen in
                            het kader van bepaalde voorzieningen terug te vorderen. Het gaat hier om
                            betaalde premies en vergoedingen aan personen, behorend tot de
                            doelgroep, en om subsidies en andere tegemoetkomingen, betaald aan
                            werkgevers. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>