<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387461_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-12-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Winsum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-97304.html">Elektronisch gemeenteblad, 20-10-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0003420&amp;artikel=102">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002399&amp;artikel=76">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-10-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening onderwijshuisvesting gemeente Winsum 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Winsum;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 oktober 2014</al><al>gelezen het verslag van het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met
                        de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>besluit vast te stellen de </al><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015</vet></al><al/><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of
                                        om het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="b."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="c."><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als
                                        bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het
                                        primair onderwijs of artikel 76f, negende lid, van de Wet op
                                        het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                        primair onderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs
                                        bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of
                                        gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op
                                        het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                        bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="f."><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en
                                        Wetenschap;</al></li><li nr="g."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op
                                        grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs of
                                        artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is
                                        gebracht;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 van de Wet op
                                        het primair onderwijs of artikel 76g van de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="i."><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp
                                        en de aard van de constructie en materialen ten minste 60
                                        jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                        functioneren;</al></li><li nr="j."><al>programma: programma als bedoeld in artikel in artikel 95
                                        Wet op het primair onderwijs en artikel 76f van de Wet op
                                        het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>school:</al><al>1°. school voor basisonderwijs: basisschool als bedoeld in artikel 1
                                van de Wet op het primair onderwijs;</al><al>2°. school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap
                                voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en
                                middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend
                                beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de
                                artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="l."><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door
                                        de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en
                                        materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor
                                        het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="m."><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als
                                        bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="n."><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                        zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele,
                                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="o."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                        volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage
                                        II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="p."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die
                                        volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage
                                        II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="q."><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in
                                        artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende
                                    voorzieningen onderscheiden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen,
                                    bestaande uit:</al></lid><lid><lidnr/><al>1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk
                                    voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een
                                    gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te
                                    vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;</al></lid><lid><lidnr/><al>2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is
                                    gehuisvest;</al></lid><lid><lidnr/><al>3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand
                                    gebouw voor het huisvesten van een school;</al></lid><lid><lidnr/><al>4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen
                                    voor het huisvesten van een school;</al></lid><lid><lidnr/><al>5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een
                                    voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al></lid><lid><lidnr/><al>6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en
                                    hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de
                                    gemeente is bekostigd;</al></lid><lid><lidnr/><al>7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door
                                    het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></lid><lid><lidnr>.</lidnr><al>8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw
                                    dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal
                                    bewegingsonderwijs;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een
                                    gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals
                                    uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare
                                    materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
                                    uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                    onderwijsleerpakket of meubilair ingeval van bijzondere
                                    omstandigheden;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een
                                    bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor
                                    het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.Voorbereidingskrediet</label></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, sub 1 en
                                2, kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het
                                opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden
                                ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a,
                                        sub 1, 2, 6 en 7, wordt de vergoeding vastgesteld
                                        overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.
                                        Normbedrag wordt gehanteerd: als aantoonbaar blijkt dat de
                                        norm niet toereikend is, volgt overleg tussen
                                        gemeentebestuur en schoolbestuur.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid
                                        wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke
                                        kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in
                                        artikel 3 wordt vastgesteld op een percentage van de
                                        geraamde normbedragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Informatieverstrekking</label></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die
                                noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze
                                verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6. Indienen aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het
                                            programma wordt door het bevoegd gezag bij het college
                                            ingediend en moet voor 1 februari van het jaar waarin
                                            van het betreffende programma wordt vastgesteld zijn
                                            ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door
                                            het college vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het
                                            college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het
                                            gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de
                                            gewenste voorziening, bestaande uit:</al><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                    school voor basisonderwijs, of de school voor voortgezet
                                    onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel a, sub 1°, 2°, 3°, 6°, 7° of 8°,
                                    onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is
                                    vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in
                                    samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor
                                    basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door
                                    het bevoegd gezag wordt onderschreven;</al><al>2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of
                                    gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw
                                    als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van
                                    een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een
                                    bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat
                                    de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                                    vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                                    voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de
                                    feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten
                                    voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag
                                    betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet
                                    als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de
                                            voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel
                                            2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding
                                            van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
                                            gerealiseerd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari
                                                  schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld
                                                  in het eerste of tweede lid ontbreken. De
                                                  aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de
                                                  gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen.
                                                  Als dit niet gebeurt, neemt het college de
                                                  aanvraag niet in behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen
                                                  aanvraag mede is gebaseerd op het aantal
                                                  leerlingen van de betrokken school op 1 oktober
                                                  van het jaar waarin het programma wordt
                                                  vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal
                                                  voor 15 oktober te registeren in de
                                                  Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst
                                                  Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                                  registratie niet binnen de gestelde termijn
                                                  gerealiseerd, dan deelt het college dit
                                                  schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de
                                                  aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen
                                                  drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                                  mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen
                                                  drie dagen is verstrekt, neemt het college de
                                                  aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor 15
                                    meieen opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn
                                    ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden
                                    genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag
                                            nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2
                                            maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede
                                            lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de
                                            aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de
                                            vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en
                                            het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                            overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen
                                            van het bekostigingsplafond, het programma en het
                                            overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor
                                                  de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan,
                                                  en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in
                                                  het overleg geen overeenstemming is bereikt over
                                                  de hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                            vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een
                                            overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de
                                            voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te
                                            brengen.</al></li><li nr="2."><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het
                                            jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen
                                            programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen
                                            worden ten minste 2 weken voor de door het college
                                            vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van
                                            het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud
                                            van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het
                                            overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen
                                            schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college
                                            stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen
                                            in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door
                                            de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte
                                            zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende
                                            zienswijzen en de reactie van het college hierop worden
                                            opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een
                                            maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde
                                            gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad
                                            verzoeken een advies uit te brengen over het
                                            conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk
                                            gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover
                                            advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te
                                            hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van
                                            het programma en de vrijheid van richting en inrichting.
                                            Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte
                                            zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in
                                            het vierde lid.</al></li><li nr="6."><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek
                                            om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor
                                            dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig
                                            zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het
                                            verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                            advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                            toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het
                                            advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke
                                            bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het
                                            programma worden de bevoegde gezagsorganen door het
                                            college bij het toezenden van het afschrift van het
                                            advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle
                                            andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                            bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                            noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het
                                            toezenden van het afschrift van het advies.</al></li><li nr="8."><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats
                                            binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan
                                            de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt
                                            van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                            verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                            vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij
                                            kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of
                                            per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                            uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop
                                            het programma betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het
                                            bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                            worden door het college binnen 2 weken na de datum
                                            waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het
                                            toezenden of uitreiken van het besluit aan de
                                            aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige
                                            bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de
                                            genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter
                                            inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld
                                            treedt het college in overleg met de aanvrager over de
                                            wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening
                                            wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie
                                            verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de
                                            voorziening en worden, voor zover van toepassing,
                                            afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de
                                                  Wet op het primair onderwijs en artikel 76n van de
                                                  Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting
                                                  door de aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze
                                                  waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd,
                                                  met inachtneming van het beschikbaar te stellen
                                                  bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de
                                                  begroting toetst, en of het naar het oordeel van
                                                  het college noodzakelijk is bij het toetsen van
                                                  het bouwplan en de begroting rekening te houden
                                                  met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn
                                                  ten opzichte van het moment waarop het programma
                                                  is vastgesteld, waardoor het eerder genomen
                                                  besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van
                                                  verantwoording over het besteden van de
                                                  beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding
                                                  plaatsvindt;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van
                                            het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen
                                            voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot
                                            een percentage van het geraamde investeringsbedrag.</al></li><li nr="3."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg
                                            niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college
                                            schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt
                                            het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de
                                            aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is
                                            ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van
                                            de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht
                                            overeenstemming of geen overeenstemming te zijn
                                            bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het
                                            college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt
                                            een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging
                                            aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van
                                            overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt,
                                            deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag
                                            is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en
                                            vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de
                                            uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede
                                            lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en,
                                            als de voorziening wordt bekostigd op basis van de
                                            feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het
                                            college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de
                                            hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13,
                                            eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het
                                            tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college
                                            moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat
                                            een bouwopdracht wordt verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn
                                            ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende
                                            begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start.
                                            Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                                            aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet
                                            binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht
                                            instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                                            begroting en start de bekostiging op het door de
                                            aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de
                                            aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing
                                            over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                            tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na
                                            de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn
                                            verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt
                                            vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige
                                            inschrijving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Aanvang bekostiging</label></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de
                                    bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald
                                    worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een
                                    zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële
                                    verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het
                                    programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma
                                            betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of
                                            sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af.
                                            Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het
                                            college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet
                                            aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn
                                                  onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van
                                                  het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal
                                                  werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                                  opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de
                                                  datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de
                                                  overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van
                                                  aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het
                                            overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn
                                            veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de
                                                  aanvrager zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk
                                                  gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de
                                                  termijn heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor 15 september op een verzoek tot
                                            het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het
                                            verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                            de termijn wordt verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 17. Indienen aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op
                                    de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt
                                    binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij
                                    het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het
                                    college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Inhoud aanvraag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aan vraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast
                                            de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de
                                            omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt
                                            geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de
                                            datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de
                                            hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid
                                            ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de
                                            ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                            gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                            behandeling.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 19. Tijdstip beslissing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is
                                            ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende
                                            gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn
                                            verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan
                                            worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager
                                            schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn
                                            waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden
                                            gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de
                                            datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing
                                            in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in
                                            artikel 19, eerste lid, waarbij een vergoeding is
                                            toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in
                                            overleg met de aanvrager over de wijze waarop de
                                            voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de
                                            artikelen 13, 14, 15 en 16, tweede tot en met vierde
                                            lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien
                                            verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in
                                            artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3
                                            weken geldt.</al></li><li nr="2."><al>Binnen 3 maanden na bekendmaking van een beslissing als
                                            bedoeld in het eerste lid van artikel 19 geeft de
                                            aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-
                                            of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen 2
                                            weken een afschrift aan het college. De aanspraak op
                                            bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen
                                            wordt voldaan. Als niet aan deze verplichting kan worden
                                            voldaan treden aanvrager en college hierover in
                                            overleg.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4 .</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4 .1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</label></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een
                                voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III,
                                        deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het
                                        bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de
                                        artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een
                                        andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare
                                        berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet
                                        volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de
                                        school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs
                                        gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22. Omschrijving leegstand</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als
                                        overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de
                                        vastgestelde capaciteit van het gebouw groter is dan de
                                        vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                        als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs en de som van het aantal
                                                klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld
                                                minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig
                                                bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte
                                                blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt
                                                gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het
                                                lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                                eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het
                                                geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen
                                                voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs, en de
                                                som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b,
                                                minder is dan 40 klokuren.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23.Nalaten vorderen</label></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de
                                leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet
                                plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of
                                scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat
                                gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare
                                huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24.Overleg en mededeling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover
                                        met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg
                                        als bedoeld in artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van
                                        een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het
                                        daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen
                                        1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het
                                        college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt
                                        schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                        geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor
                                                wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor
                                                gevorderd wordt of, als het betreft het
                                                bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat
                                                gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking
                                                heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte
                                                dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25.Vergoeding</label></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de
                                vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt
                                genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn.</al><al>Als uitgangspunt wordt de bekostiging voor een 7e groep
                                basisonderwijs gehanteerd.</al><al>Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling
                                overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college
                                    met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overleg komt in ieder geval aan de orde:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                    onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het
                                    medegebruik ondervindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een
                                    redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd
                                    gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                    gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken,
                                    worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als
                                    het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan
                                    bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten
                                    waarover geen overeenstemming was bereikt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 27.Verzoek toestemming college</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om
                                        toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de
                                        Wet op het primair onderwijs of artikel 76s, eerste lid, van
                                        de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een
                                        huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden
                                        dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 28.Staat van onderhoud</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat
                                        een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten
                                        van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake
                                        is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of
                                        terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                        onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt
                                        een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd
                                        gezag opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                        bevoegd gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                        achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld
                                        welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt
                                        en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het
                                        uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een
                                        in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt.
                                        Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen
                                        vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege
                                        als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6 .</nr><titel>Gebruik lokaal bewegingsonderwijs door basisonderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 29.Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast
                                        het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school
                                        voor basisonderwijs in het daaropvolgende schooljaar
                                        aanspraak maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het
                                        aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende
                                        schooljaar op de school staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31
                                        december een rooster op voor het gebruik van de lokalen
                                        bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met
                                        de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                                onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs,
                                                bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van
                                                het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school
                                                als eerste ingeroosterd voor het lokaal
                                                bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel
                                                mogelijk ingeroosterd in één lokaal
                                                bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster
                                        voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het
                                        rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens
                                        vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt
                                                ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                                bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                                plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het
                                        voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een
                                        overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats
                                        voor 15 februari. In het overleg kunnen de
                                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op
                                        het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast
                                        en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in
                                        te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                        vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                        uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit
                                        beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college
                                        extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd
                                        gezag van de school.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7 .</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 30.Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</label></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en
                                waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31.Indexering</label></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                                gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                                basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van
                                prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na
                                        bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                        voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente BMWE 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33. Intrekken</label></kop><al>De verordening onderwijshuisvesting gemeente Winsum 2010 wordt
                                ingetrokken op het moment van inwerkingtreding van deze
                                verordening.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 oktober
                        2015.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage I Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                                    voorzieningen</vet></al><al>Deel A Lesgebouwen</al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1
                                (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met
                                een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties
                                met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden
                                kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het
                                college plaatsvinden.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="1."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                        bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                        verwacht en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht,
                                of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht,
                                en</al><lijst><li nr="1."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school, en</al></li><li nr="2."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="3."><al>2 Vervangende bouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="1."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde
                                        bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of
                                        renovatie niet zal leiden tot de gewenste
                                        levensduurverlenging;</al></li><li nr="2."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="3."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke
                                        ordening en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, en</al><lijst><li nr="1."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school
                                        (met in ieder geval aandacht voor doelmatigheid, veilig en
                                        gezond, functioneel en duurzaamheid), en</al></li><li nr="2."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="3."><al>3 Uitbreiding</al></li></lijst><al/><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="1."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde
                                        capaciteit van een schoolgebouw van een school voor
                                        basisonderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de
                                        overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de
                                        ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs of een
                                        voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de
                                        drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="2."><al>daarnaast:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden
                                verwacht,</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit
                                aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of
                                kunnen worden verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen
                                van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is
                                niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen
                                kunnen worden gehuisvest, en</al><lijst><li nr="1."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school, en</al></li><li nr="2."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren.</al></li><li nr="3."><al>4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="1."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                                        bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw
                                        moet worden vervangen of uitgebreid;</al></li><li nr="2."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden
                                        verwacht en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht,
                                of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft
                                een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze
                                leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht,
                                en</al><lijst><li nr="1."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school;</al></li><li nr="2."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel
                                        van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten
                                        van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="1."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                        prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor
                                        minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of
                                        leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="2."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of
                                        geschikt te maken is als passende huisvesting voor de
                                        school;</al></li><li nr="3."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende
                                        huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="4."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college
                                        in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe
                                        tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en
                                        voor dezelfde tijdsduur.</al></li><li nr="5."><al>6 Terrein</al></li></lijst><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een
                                deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een
                                voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en
                                met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende
                                is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein
                                moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel
                                D.</al><lijst><li nr="1."><al>7 Eerste inrichting</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van
                                                onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en
                                                hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt
                                                toegekend die uitbreiding van de totale
                                                huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg
                                                heeft en deze niet voor1 januari 2015 is
                                                bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding
                                                van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket,
                                                meubilair [of leer- en hulpmiddelen] toegekend als
                                                het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het
                                                totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de
                                                fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>8 Medegebruik</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor
                                                basisonderwijs of een school voor voortgezet
                                                onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de
                                                overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde
                                                capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                                                vastgestelde ruimtebehoefte:</al><lijst><li nr="1."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde,
                                                  bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="2."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde
                                                  prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage
                                                  III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                                  ruimtebehoefte voor minimaal vier jaar
                                                  noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid
                                                van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een
                                                afstand van ten hoogste 6 km, gemeten langs de
                                                kortste voor de leerling voldoende begaanbare en
                                                veilige weg.</al></li><li nr="3."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogsteéén
                                                gebouw.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>9 Herstel van constructiefouten</al></li></lijst><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                                bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten
                                die hersteld moeten worden.</al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                                en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw,
                                onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg
                                van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere
                                omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                                gehinderd.</al><al>Deel B Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en
                                ingebruikneming.</al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouwis aanwezig als de minister de desbetreffende
                                        school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                                        brengt;</al></li><li nr="2."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een
                                        overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage
                                        wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden
                                        tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar of dit het
                                        gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="3."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig
                                        als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante
                                        meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor
                                        belemmerd wordt, of</al></li><li nr="4."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                        aanwezig als:</al></li></lijst><al>1°. de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                                aanmerking brengt;</al><al>2°. het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                                aanmerking komt; of</al><al>3°. de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van
                                het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van
                                vervangende bouw, en</al><al>e.het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                                bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                                komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><al>1°. een school voorbasisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik
                                van:</al><lijst><li nr="1."><al>ten minste 20 klokuren binnen 1 km gemeten langs de kortste
                                        voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al></li><li nr="2."><al>ten minste 15 klokuren binnen 3,5 km gemeten langs de
                                        kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                        weg; of</al></li><li nr="3."><al>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de
                                        kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                        weg; of</al></li></lijst><al>2°. een school voor voortgezet onderwijs binnen 4 km gemeten langs
                                de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige
                                weg;</al><al>en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat
                                gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor
                                het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is,
                                aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.</al><al>B.2 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een
                                deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of
                                de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig
                                als:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                                        bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het
                                        basisonderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                                        bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende
                                        leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder
                                        bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is
                                        verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet
                                        onderwijs</al></li></lijst><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het
                                lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt
                                over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een
                                ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente
                                vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat
                                daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen
                                bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al>B.6 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                                bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten
                                die hersteld moeten worden.</al><al>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                                en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw,
                                onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is
                                aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het
                                onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al/><al>Bijlage II Prognosecriteria</al><al>A. Algemeen</al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een
                                        school voor basisonderwijs of voor voortgezet onderwijs
                                        wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar,
                                        met als eerste jaar het jaar waarin de start van de
                                        bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes
                                        jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat
                                        voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is
                                        niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag
                                        gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie
                                        voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door
                                        het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van
                                        Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in
                                        ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de
                                        analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de
                                        gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames
                                        waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><al>B. Voedingsgebied</al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit
                                        het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal
                                        zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een
                                        beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een
                                        school voor voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied
                                        zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met
                                        een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied
                                        worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele
                                        gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op
                                        de basisgeneratie zijn toegepast.</al></li></lijst><al/><al>C. Prognose school voor basisonderwijs</al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar
                                inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of
                                nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="1."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="2."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                                        leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="3."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een
                                        eventuele wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="4."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte
                                        in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="5."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in
                                        de woningvoorraad;</al></li><li nr="6."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de
                                        belangstelling voor de basisschool, en</al></li><li nr="7."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al>D. Prognose school voor voortgezet onderwijs</al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht
                                geven in:</al><lijst><li nr="1."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="2."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="3."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de
                                        belangstelling voor de basisschool;</al></li><li nr="4."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar 30 procent van de 12
                                        jarigen, en</al></li><li nr="5."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven.</al></li></lijst><al/><al><vet>Bijlage III Criteria vaststellen capaciteit,ruimtebehoefte en
                                    aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>Deel A Vaststellen capaciteit</al><al>A.1 Uitgangspunten</al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                                vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd
                                gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met
                                onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe
                                beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige,
                                culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel
                                van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en
                                hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de
                                capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                                geregistreerd.</al><al>A.1.1 School voor basisonderwijsof voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor
                                        basisonderwijs of voortgezet onderwijs wordt vastgelegd in
                                        de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald
                                        overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder
                                        gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90
                                        vierkante meter bvo als een ruimte in het schoolgebouw is
                                        verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal,
                                        buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor
                                        deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="3."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het
                                        voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto
                                        vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een
                                        bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt
                                        van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen,
                                        kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling
                                        van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor
                                        de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                                bouwaard</al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel
                                E, vastgesteld.</al><al>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging,
                                nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het
                                college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.</al><al>A.1.4 Terrein</al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen
                                waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                                terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale
                                registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet
                                overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met
                                overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                                vastgelegd.</al><al>A.1.5 Inventaris</al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op1 januari 2015 alle
                                scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente
                                zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en
                                leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de
                                basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige
                                inventaris.</al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40
                                klokuren.</al><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het
                                Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen
                                bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van
                                het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015wordt geacht voldoende te
                                zijn.</al><al/><al>Deel B Vaststellenruimtebehoefte</al><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>B.1.1 School voor basisonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt
                                        bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is
                                        inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend
                                        voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                                        nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een
                                        nevenvestiging wordt voor het berekenen van de
                                        ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De
                                        ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en
                                        een toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="1."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al>B = 200 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte,
                                afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                                waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn
                                ingeschreven.</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op
                                hele vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle
                                gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter
                                grootte van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen,
                                waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst
                                wordt afgerond op een geheel getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent
                                van het aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom
                                vastgesteld op 80 procent van het aantal ingeschreven
                                leerlingen.</al><al>B.1.2School voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs
                                        wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De
                                        totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet
                                        onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten:</al></li><li nr="2."><al>een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr="3."><al>een vaste voet.</al></li><li nr="4."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in
                                        tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te
                                        vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school
                                        voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De
                                        leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort
                                        onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling
                                        volgt.</al></li><li nr="5."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor
                                        de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter
                                        bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond
                                        van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor
                                        aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak
                                        geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter
                                        bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt
                                        niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet
                                        per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend
                                        op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte
                                        leerweg(en) wordt aangeboden.</al></li><li nr="6."><al>De ruimtebehoefte van een school voor voortgezet onderwijs
                                        is de som van:</al></li><li nr="7."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende
                                        normoppervlakten;</al></li><li nr="8."><al>de vaste voet per instelling;</al></li><li nr="9."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector,
                                        uitgedrukt in bruto vierkante meter, en</al></li><li nr="10."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet voor een afdeling
                                        praktijkonderwijs.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een school voor praktijkonderwijs is
                                        de som van:</al></li><li nr="2."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal
                                        leerlingen met de bijbehorende normoppervlakten, en</al></li><li nr="3."><al>de vaste voet voor praktijkonderwijs.</al></li><li nr="4."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van
                                        de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand
                                        in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet
                                        onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent geen
                                        afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch
                                        centrum.</al></li></lijst><al>Tabel 2.a Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                                onderwijs</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,18</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>6,41</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>7,07</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,98</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,47</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>8,99</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,44</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>12,72</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,95</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,89</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,56</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,25</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>3,06</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,33</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,10</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,71</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,22</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,85</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>5,53</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,94</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,37</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>2,34</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>5,03</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>4,69</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>4,41</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Tabel 2.b Vaste voet per instelling voor het berekenen van de
                                ruimtebehoefte</al><al>voortgezet onderwijs</al><al/><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>980</al></entry></row><row><entry><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>550</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke nevenvestiging</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>299</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>196</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>168</al></entry></row><row><entry><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>117</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al>306]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                        vastgesteld:</al></li><li nr="2."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week
                                        per groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="3."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op
                                        3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li><li nr="4."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de
                                        ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden
                                        bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal
                                        lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het
                                        ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als
                                        volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto
                                        vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460.
                                        Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs
                                        wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen
                                        * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                                        bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al></li></lijst><al>Tabel 3 Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal
                                bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Onderwijssoort</al></entry><entry><al>Leerweg</al></entry><entry><al>BVO per leerling</al></entry></row><row><entry><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,66</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>0,78</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry><al>TLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,26</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry><al>GLW</al></entry><entry><al>1,11</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>BLW</al></entry><entry><al>1,38</al></entry></row><row><entry><al>-</al></entry><entry><al>LWOO</al></entry><entry><al>1,57</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>-</al></entry><entry><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Deel C Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</al><al>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de
                                overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens
                                vijftien jaar blijft bestaan.</al><al>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig
                                deel B vastgesteld.</al><al>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                                ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al><lijst><li nr="1."><al>school voor basisonderwijs vastgesteld als het verschil
                                        tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en
                                        de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk
                                        of groter is dan de drempelwaarde van 55 vierkante meter
                                        bruto vloeroppervlakte voor een voorziening
                                        basisonderwijs;</al></li><li nr="2."><al>school voor voortgezet onderwijs vastgesteld als het
                                        verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                                        capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde
                                        ruimtebehoefte gelijk of groter is dan 10% van de bestaande
                                        capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter.
                                        Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de
                                        overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de
                                        overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met
                                        10%.</al></li></lijst><al>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de
                                ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening.
                                Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens
                                vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het
                                vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorziening moet het verschil:</al><lijst><li nr="1."><al>bij een school voor basisonderwijs ten minste 40 vierkante
                                        meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="2."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het
                                        gestelde onder C.1.2, onder b.</al></li></lijst><al>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="1."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                                        terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald
                                        door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                                        schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of
                                        krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                                        terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel
                                        D.</al></li><li nr="2."><al>eerste aanschaf van:</al></li></lijst><al>1°. onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school
                                voor basisonderwijs, en</al><al>2°. leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste
                                aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor
                                voortgezet onderwijs,</al><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al><al/><lijst><li nr="1."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                        meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als
                                        gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of
                                        specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of
                                        werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding
                                        voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de
                                        vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren
                                        ruimte.</al></li><li nr="2."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                                        gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en
                                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt
                                        bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                                        voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw,
                                        vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal
                                        bewegingsonderwijs wordt:</al></li><li nr="2."><al>voor een school voor basisonderwijs vastgesteld op het
                                        verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A,
                                        vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste
                                        lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="3."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de
                                        overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte
                                        als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van
                                        de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening, uitbreidingvan
                                        een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor
                                        basisonderwijs, wordt vastgesteld op de minimaal
                                        noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen
                                        voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder
                                        D.3.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of
                                        uitbreiding van het terrein, voor een lokaal
                                        bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal
                                        noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de
                                        uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="6."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de
                                        eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig
                                        bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in
                                        gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor
                                        het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt
                                        uitgebreid.</al></li><li nr="7."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van
                                        constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                                        onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                        omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor
                                        de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de
                                        voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al>Deel D Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe
                                voorzieningen</al><al>D.1 Terreinoppervlakte</al><al>Voor een school voor basisonderwijs geldt voor het verharde gedeelte
                                (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter
                                per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf
                                200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter
                                netto.</al><al>D.2 Speellokaal</al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs
                                        is minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens
                                        5 meter.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="1."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee
                                        kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al>Deel EMeetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                                vloeroppervlakte van schoolgebouwen</al><al>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld
                                volgens NEN 2580.</al><al>E.2Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</al><al>E.2.1 Basisonderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die
                                        uitsluitend van buitenaf bereikbaar</al></li></lijst><al>zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of
                                        aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan
                                        het lesgebouw.</al></li><li nr="2."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige
                                        lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte
                                        gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al>E.2.2 Voortgezet onderwijs</al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto
                                vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare
                                binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op
                                vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies
                                die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren
                                eveneens:</al><lijst><li nr="1."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en
                                        leidingschachten op elk vloerniveau, en</al></li><li nr="2."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor
                                        zover groter dan 0,5 vierkante meter.</al></li></lijst><al>E.2.3 Uitzonderingen</al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste
                                        buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto
                                        vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of
                                        wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels,
                                        dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande
                                        verdiepingen, fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een
                                        gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet
                                        meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet
                                        meegerekend.</al></li></lijst><al/><al>Bijlage IV Normbedragen voor vergoeding en indexering</al><al>(prijspeil 2015)</al><al>Deel AIndexering</al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in
                                overeenstemming met de onderstaande systematiek van
                                prijsbijstelling:</al><al>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                  woningen, jaar t,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                                  inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t 1,</al><al>bruto investeringen door bedrijven in
                                                  woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>-------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t,</al><al>bruto investeringen door bedrijven in
                                                  woningen</al><al>(bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe
                                                  woningen, jaar t-1,</al><al>tweede kwartaal</al><al>(bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                                  inclusief btw)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>1</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t,
                                                  per 1 juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers,</al><al>cijfer van de maand juni jaar t)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>MEV, jaar t 1</al><al>prijsmutatie netto materiële
                                                  overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                                  sector)</al></entry></row><row><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>----------------------------------------</al></entry><entry><al>*</al></entry><entry><al>-------------------------------</al></entry></row><row><entry><al>MEV, jaar t,</al><al>prijsmutatie netto materiële
                                                  overheidsconsumptie</al><al>(bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                                  sector)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar
                                                  t-1, per 1 juli</al><al>(bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand
                                                  juni jaar t-1)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Deel B Normbedragen</al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW (prijspeil
                                2015).</al><al>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard</al><al>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de
                                        volgende kostencomponenten:</al></li><li nr="2."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="3."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="4."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                        vervangende bouw;</al></li><li nr="5."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft,
                                        toeslag paalfundering;</al></li><li nr="6."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het
                                        uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander
                                        gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.</al></li></lijst><al>A.2 Kosten voor terreinen</al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na
                                aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het
                                juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een
                                terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een
                                terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar
                                stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de
                                gemeente gangbare wijze van waarde vaststelling van terreinen. Bij
                                vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren
                                de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor
                                terreinen.</al><al>A.3.1Bouwkosten</al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="2."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="3."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                        schoolterrein.</al></li><li nr="4."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een
                                        aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter
                                        bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de
                                        in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde
                                        aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                                  m2 BvO</al></entry><entry><al>€ 645.888,86</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m2 BvO</al></entry><entry><al>€ 1.105,30</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>A.3.3Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw
                                        en uitbreiding.</al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf
                                        460 vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag
                                        per voorziening en een vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto
                                        vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke kosten per
                                        project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de
                                        bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante
                                        meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen
                                        per vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen
                                        per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al></li><li nr="6."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage
                                        III, deel C, vastgestelde aantal vierkante meter per type
                                        ruimte van de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande
                                        bedragen per ruimtesoort:</al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt; 460 m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m2</al></entry><entry><al>&gt; 2.500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.729,25</al></entry><entry><al>€ 1.026,25</al></entry><entry><al>€ 1.001,67</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.688,97</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry><entry><al>€ 1.366,24</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.050,93</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry><entry><al>€ 1.728,20</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>a.sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene
                                vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de
                                werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit de
                                overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende voorziening bestaat,
                                verhoogd met de onderstaande bedragen:</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt;460 m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m2</al></entry><entry><al>&gt; 2.500 m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 109.111,49</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen, excl. consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 214.177,61</al></entry><entry><al>€ 299.040,94</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 39602,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="1."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al></li><li nr="2."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde,
                                        gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie,
                                        en</al></li><li nr="3."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk,
                                        kantoorpraktijk, etaleren.</al></li><li nr="4."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al></li><li nr="5."><al>techniek algemeen:</al></li></lijst><al>1°. Bouwtechniek;</al><al>2°. Machinale houtbewerking;</al><al>3°. Meten;</al><al>4°. Elektrotechniek;</al><al>5°. installatietechniek;</al><al>6°. lasserij;</al><al>7°. Metaal;</al><al>8°. Motorvoertuigentechniek, en</al><al>9°. Mechanische techniek;</al><lijst><li nr="1."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="2."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="3."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li><li nr="4."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene
                                        ruimte.</al></li></lijst><al>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van
                                        de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de
                                        volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien
                                        noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar
                                        gesteld:</al></li><li nr="2."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="3."><al>bemaling.</al></li><li nr="4."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde
                                        paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto
                                        vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende
                                        formules:</al></li></lijst><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.180,75 (€ 16,69 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 3.386,31 (€ 28,23 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 3.780,70 (€ 50,52 * A)</al><al>Uitbreiding &gt;= 1000 m2</al><al>Paallengte 1 tot 15 meter € 3.884,27 (€ 5,84 * A)</al><al>Paallengte 15 tot 20 meter € 5.066,39 (€ 15,17 * A)</al><al>Paallengte 20 meter of langer € 7.693,73 (€ 30,67 * A)</al><al>3.Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt,
                                is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per
                                vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De
                                vergoeding bedraagt € 11,18 per vierkante meter terrein.</al><al>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw school voor primair onderwijs.</al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor
                                        basisonderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats, moet het
                                        desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden
                                        hersteld en moeten de leerlingen verhuizen naar een
                                        tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding
                                        voor deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per
                                        vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op
                                        basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 44,81</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 30,75</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>B.1 Reikwijdte</al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de
                                huisvesting in permanente bouwaard van een school voor
                                basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto. Op overige
                                uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.</al><al>B.2Kosten terrein</al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in
                                A.2 overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten
                                voor het voor uitbreiding benodigde terrein.</al><al>B.3.1 Bouwkosten</al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al></li><li nr="2."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="3."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                        schoolterrein.</al></li><li nr="4."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een
                                        aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter.
                                        Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage
                                        III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden
                                        gerealiseerd.</al></li></lijst><al>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de
                                volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry><al>€ 94.583,99</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m2
                                                  bvo</al></entry><entry><al>€ 63.055,99</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 1.259,96</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>B.3.3Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het
                                bepalen van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en
                                bemaling bij uitbreiding.</al><al>B.3.4Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij
                                vervangende bouw op dezelfde plaats</al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het
                                bepalen van de omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein
                                en verhuizing bij uitbreiding.</al><al/><al>C.Tijdelijke voorziening</al><al>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn
                                        afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk
                                        gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid
                                        gemaakt tussen:</al></li><li nr="2."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                        hoofdlocatie;</al></li><li nr="3."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                        tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="4."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                        gebouwen.</al></li><li nr="5."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met
                                        het bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel
                                        van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al>C.2 Kosten voor terreinen</al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het
                                aanwezige terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein
                                bepaald overeenkomstig A.2.</al><al>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente
                                hoofdlocatie</al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een
                                startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn
                                begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van
                                terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige
                                aansluitkosten op nutsvoorzieningen.</al><al>C.3.2 Vergoeding basisschool</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m2 BvO of
                                                  groter</al></entry><entry><al>€ 36.782,32</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m2
                                                  BvO</al></entry><entry><al>€ 24.521,55</al></entry></row><row><entry><al>Naaste startbedrag voor elke m2 BvO</al></entry><entry><al>€ 903,92</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>C.3.3Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                                bepaald op basis van de vergoedingsformule € 550,26 * A € 37.831,59,
                                waarbij A het overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting
                                is.</al><al>C.4.1Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair
                                onderwijs</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke
                                        voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per
                                        vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de
                                        bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor
                                        herstel en inrichting van terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen
                                        van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het
                                        oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor
                                        tijdelijke verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al>C.4.2 Vergoeding basisschool</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m2 bvo of
                                                  groter</al></entry><entry><al>€ 20.675,64</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m2
                                                  bvo</al></entry><entry><al>€ 13.783,76</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 947,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>C.5Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van
                                een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke
                                kosten.</al><al>D. Eerste inrichting</al><al>D.1.1Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit
                                te keren bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het
                                verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw
                                berekende vergoeding.</al><al>D.1.2 Vergoeding basisschool</al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                                volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 38.361,60</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke m2 bvo</al></entry><entry><al>€ 134,19</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>D.2School voor voortgezet onderwijs</al><al>1.De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en
                                meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw,
                                niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming,
                                niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw.
                                Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog
                                niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van
                                de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil
                                tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is
                                vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per
                                ruimtetype. De hoogte van de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald
                                op basis van de volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Ruimtetype</al></entry><entry><al>Functie</al></entry><entry><al>Per m2</al></entry></row><row><entry><al>Algemeen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>€ 158,31</al></entry></row><row><entry><al>Specifiek</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al><al>Handel/verkoop/administratie</al><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>€ 370,01</al><al>€ 226,35</al><al>€ 303,90</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al><al>Consumptief</al><al>Grafische techniek</al><al>Landbouw</al></entry><entry><al>€ 388,19</al><al>€ 751,75</al><al>€ 1.437,23</al><al>€ 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>2.Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van
                                een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris
                                slechts toegekend als de </al><al/><al>inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of
                                niet geschikt is.</al><al>E.Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>E.1Bouwkosten nieuwbouw</al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een
                                        lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van
                                        252 vierkante meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het
                                        schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 715.034,52 als
                                        deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze
                                        vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal
                                        en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven
                                        op basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry></row><row><entry><al>1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 13.657,18</al></entry></row><row><entry><al>15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 18.827,13</al></entry></row><row><entry><al>&gt;20m</al></entry><entry><al>€ 26.441,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>E.2Uitbreiding</al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op
                                het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een
                                lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een
                                oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder,
                                kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252
                                vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis
                                van de volgende bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Uitbreiding</al></entry><entry><al>Normbedrag</al></entry><entry><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry><al>&gt; 20 meter</al></entry></row><row><entry><al>112 t/m 120 m2</al></entry><entry><al>€ 157.755,32</al></entry><entry><al>€ 6.114,09</al></entry><entry><al>€ 10.589,94</al></entry><entry><al>€ 17.313,39</al></entry></row><row><entry><al>121 t/m 150 m2</al></entry><entry><al>€ 191.773,25</al></entry><entry><al>€ 7.645,09</al></entry><entry><al>€ 13.234,02</al></entry><entry><al>€ 21.641,73</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of
                                meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool
                                bedraagt € 51.392,63.</al><al>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet
                                onderwijs</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en
                                hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor
                                voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende
                                bedragen:</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Meubilair</al></entry><entry><al>Leer- en hulpmiddelen</al></entry><entry><al>Totaal</al></entry></row><row><entry><al>Eerste lokaal</al><al>Tweede lokaal</al><al>Derde lokaal</al><al>Oefenplaats 1</al><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 1.085,40</al><al>€ 0,00</al><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 64.724,70</al><al>€ 50.490,18</al><al>€ 21.950,77</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry><entry><al>€ 65.810,10</al><al>€ 51.575,58</al><al>€ 23.036,17</al><al>€ 14.294,33</al><al>€ 1.650,09</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Bij de voorzieningen vervangende nieuwbouw en medegebruik bestaat
                                geen aanspraak op eerste inrichting.</al><al>E.4Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                                bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal
                                bewegingsonderwijs door middel van:</al><lijst><li nr="1."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de
                                        gemeente, of</al></li><li nr="2."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al>F. Vergoeding feitelijke kosten</al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4,
                                tweede lid, wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde
                                offerte inclusief de kosten van technische advisering, voor zover
                                het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en
                                c.</al><al>G. Huur sportvelden</al><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                        vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8
                                        weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor
                                        de periode van 8 weken € 20,94 per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid
                                        bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs
                                        niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt
                                        van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.</al></li></lijst><al/><al>Bijlage V criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                                aangevraagde voorziening</al><al>1. Algemeen</al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11
                                vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde
                                voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het
                                programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt
                                een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld
                                dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt
                                vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond
                                voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het
                                programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het
                                programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al>2. Onderscheid voorzieningen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid
                                        gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al></li><li nr="2."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="3."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li><li nr="4."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen
                                        onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende
                                        voorzieningen:</al></li><li nr="5."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="6."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="7."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                        inclusief terrein;</al></li><li nr="8."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="9."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of
                                        leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="10."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                        meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="11."><al>medegebruik.</al></li></lijst><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                                hoofdprioriteit 2. </al><al/><lijst><li nr="1."><al>Het betreft de volgende voorzieningen:</al></li><li nr="2."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                        terrein;</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="4."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li><li nr="5."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende
                                        nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat
                                        deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van
                                        de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is
                                        omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in
                                        bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al>3. Hoofd- en subprioriteit</al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                                        onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en
                                        subprioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder
                                        2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de
                                        ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel
                                        C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als
                                        de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft
                                        plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen
                                        in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst.
                                        Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de
                                        subprioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende
                                        uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                                        voorzieningen voor het plaatsen op het programma in
                                        aanmerking komen:</al></li><li nr="4."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                        herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="5."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                        herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="6."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs
                                        en sportterreinen opheft.</al></li></lijst><al>Toelichting</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle
                                bevoegde gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening
                                onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk
                                staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging,
                                nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).</al><al>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op
                                grond van de Wet op het primair onderwijs (WPO en Wet op het
                                voortgezet onderwijs (WVO)] door het bevoegd gezag bij het college
                                kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit
                                betekent dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de
                                schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een
                                voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen
                                die een bevoegd gezag wenst, maar die niet in de onderwijswetten
                                zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting
                                zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om
                                voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de
                                minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële
                                instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel,
                                meubilair). Het college wijst een dergelijk aangevraagde voorziening
                                af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO of
                                artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om
                                aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de
                                gemeenten geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in
                                stand gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO
                                en artikel 77 van de WVO).</al><al>Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken
                                van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere
                                juridische basis worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze
                                voorzieningen geldt de “Verordening materiële financiële
                                gelijkstelling”.</al><al/><al>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende
                                nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal
                                leerlingen op de school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen
                                van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I
                                opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde
                                uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III, deel C,
                                opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het
                                bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding
                                is ontvangen en het college een bestaand gebouw of een gedeelte
                                daarvan beschikbaar heeft. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat
                                geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om
                                een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een
                                onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt
                                zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de
                                betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor
                                basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het
                                huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in
                                gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van
                                medegebruik, zie 8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de
                                bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over
                                het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen
                                is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan
                                noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij
                                vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is
                                afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de
                                oppervlakte van het terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen
                                wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw
                                (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                                bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie
                                dat het college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat
                                een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning
                                van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal
                                leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het
                                bevoegd gezag nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij
                                toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de
                                drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende
                                nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend </al><al/><al>omdat het bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de
                                eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in
                                bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of
                                lokaal bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch
                                eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal
                                leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van
                                ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand
                                hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde
                                resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is
                                ingeroosterd.</al><al/><al>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is
                                aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van
                                jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de
                                voortgang van het onderwijs belemmert kan voor het herstel van de
                                constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd.
                                Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het
                                onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de
                                reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt
                                opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of
                                deze voorziening past binnen het door het college vastgestelde
                                bekostigingsplafond.</al><al>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het
                                begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de
                                verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’
                                omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het
                                bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een
                                gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de
                                aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van
                                het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of
                                brand). Het college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het
                                college geen verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen
                                risico’ voor het college.</al><al>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor
                                voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in
                                bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een
                                schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een
                                vergoeding voor het huren van een sportterrein voor
                                buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet
                                beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van
                                een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de
                                situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de
                                normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van
                                het voorbereidingskrediet is dat het bevoegd gezag vroegtijdig kan
                                starten met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het
                                voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de
                                voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd,
                                na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de
                                voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
                                voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om
                                een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een
                                aanbesteding te laten plaatsvinden. Uitsluitend als de investering
                                wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis
                                van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de
                                aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het
                                vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden,
                                dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden
                                nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
                                voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden
                                bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt
                                onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in
                                mindering gebracht op het totaal vastgestelde
                                investeringskrediet.</al><al>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting
                                onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen
                                (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. De
                                normbedragen voor de diverse voorzieningen die op basis daarvan
                                worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd
                                gezag aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige
                                normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat
                                als de werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (=
                                uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het schoolbestuur een
                                financieel voordeel heeft en in de andere situatie een financieel
                                nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de
                                beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is
                                verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten,
                                wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn.
                                offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).</al><al>Artikel 5. Informatieverstrekking</al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle
                                informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening
                                voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te
                                kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO en artikel 76w van de
                                WVO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd
                                als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een
                                voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="1."><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres
                                        voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="2."><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur,
                                        adres school, telefoonnummer);</al></li><li nr="3."><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="4."><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="5."><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het
                                college een formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde
                                gezagsorganen toegezonden. Het college kan in dit formulier opnemen
                                de gegevens die al bij het college bekend zijn. Het bevoegd gezag
                                kan zich dan beperken tot het vermelden van de wijzigingen. Beschikt
                                het college over digitale informatievoorziening, dan kan van deze
                                digitale informatievoorziening gebruik worden gemaakt.</al><al>Artikel 6. Indienen aanvraag</al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt
                                ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier. Door te werken met een standaardformulier worden
                                de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de
                                aanvraag </al><al/><al>(zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot
                                de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het overzicht
                                wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht
                                worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het programma,
                                maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO en 76c van
                                de WVO en toelichting bij artikel 13).</al><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de bevoegde
                                gezagsorganen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal
                                Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn.
                                ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De reden is dat
                                een IHP geen juridische status heeft.</al><al>Is het college of een bestuurscommissie ex artikel 82 van de
                                Gemeentewet bevoegd gezag van een openbare school (= integraal
                                bestuur) dan gelden dezelfde procedures en termijnen als voor een
                                bestuur van een bijzondere school. In de bestuurspraktijk is het
                                geen unieke situatie dat een college bij het eigen orgaan een
                                verzoek indient (voor het realiseren van een gemeentelijk project -
                                bijv. stadhuis - moet het college bij zichzelf een verzoek om een
                                bouwvergunning indienen). Dit betekent dat het college altijd moet
                                kunnen aantonen dat men de ‘eigen’ aanvragen ook daadwerkelijk in
                                alle opzichten gelijk behandelt ten opzichte van de andere
                                aanvragen.</al><al>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                behandelen onvolledige aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil
                                het college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de
                                gegevens van bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de
                                onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs
                                worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige
                                rapportage. Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag bij de aanvraag
                                een leerlingenprognose indient. Het college en het bevoegd gezag
                                kunnen overeenkomen dat het college een leerlingenprognose opstelt
                                voor alle basisscholen en dat deze leerlingenprognose dan bepalend
                                is als onderbouwing van de aanvraag. Een bevoegd gezag van een
                                school voor basisonderwijs kan dan afzien van het laten opstellen
                                van een leerlingenprognose.</al><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat
                                moet stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze
                                ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te
                                vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet
                                volledig dan besluit het college de aanvraag niet in behandeling te
                                nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare
                                beslissing.</al><al>Lid 3</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen
                                (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat
                                op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen
                                zijn verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie
                                Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het
                                aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober
                                van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv.
                                bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal
                                leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig
                                beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de
                                wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar
                                waarvoor het programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de
                                laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde
                                voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I
                                tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste
                                gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid
                                opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de
                                gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit om
                                de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en
                                beroep vatbare beslissing.</al><al>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een
                                overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met
                                dit overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er
                                aan aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs
                                is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden
                                genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het
                                beoordelen van de aanvragen.</al><al>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                begroting</al><al>Lid 1</al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen
                                of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich
                                complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt
                                voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere
                                toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig
                                belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de
                                aanvragen.</al><al>Lid 2</al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de
                                feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend.
                                Is het college na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van
                                oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden
                                bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met het bevoegd gezag.
                                Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                                kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde kosten
                                die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend.
                                Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het
                                programma is afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij
                                de aanvraag is overlegd.</al><al>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies
                                Onderwijsraad</al><al>Lid 1-4</al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt
                                vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het
                                voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte
                                overleg over het vaststellen of wijzigen van de verordening
                                voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO en
                                artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming
                                gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg
                                plaatsvindt met alle bevoegde gezagsorganen. In plaats van een
                                overleg met alle bevoegde gezagsorganen kan het college besluiten
                                het overleg in te richten per onderwijssector (primair en voortgezet
                                onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs
                                kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het
                                kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve
                                agenda. Het staat de aanvrager </al><al>die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten
                                schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg
                                deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van
                                de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het
                                overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al>Lid 5-8</al><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO en
                                artikel 76m van de WVO. Zowel een bevoegd gezag als het college kan
                                de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het
                                vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs.
                                De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor
                                het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben
                                op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van
                                het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van
                                vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Het college is in
                                alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de
                                Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet
                                het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen)
                                zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht
                                (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de
                                adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de
                                Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de
                                advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van
                                belang dat het college goed in de gaten houdt dat hierdoor de
                                besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad
                                alle noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Het
                                college zendt het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig
                                mogelijk aan de bevoegde gezagsorganen. Afhankelijk van het
                                ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op
                                de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in
                                algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de
                                Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede
                                lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van
                                artikel 3:6, tweede lid, het college het programma voorzieningen
                                huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies
                                niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is,
                                uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is het college gehouden, al dan
                                niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de
                                Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer
                                het college afwijkt van het advies van de Onderwijsraad worden op
                                grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de
                                motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het
                                overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven
                                over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de
                                Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid
                                bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich
                                tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het
                                recht van een individueel schoolbestuur of van het college om de
                                Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan
                                geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten
                                schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen
                                van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen
                                zal willen betrekken.</al><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad
                                wordt ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt
                                toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van het
                                college.</al><al>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en
                                overzicht</al><al>Lid 1</al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is
                                voor het honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te
                                stellen. Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een
                                afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden
                                genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma en
                                overzicht.( LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1).</al><al>Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het
                                investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                                bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle
                                aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden
                                gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per
                                onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze
                                mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde
                                voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt,
                                waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden
                                gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                                investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen
                                is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering
                                van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden
                                op basis van een door de gemeenteraad vastgesteld
                                meerjareninvesteringsplan.</al><al>Lid 2</al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit
                                noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december
                                van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen
                                fatale termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31
                                december vastgesteld dan betekent dit niet dat alle aangevraagde
                                voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking komen. Op
                                grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het bevoegd gezag, omdat het
                                college niet tijdig een besluit heeft genomen, de mogelijkheid om in
                                deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De
                                overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen
                                voor het college.</al><al>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht</al><al>Artikel 95 van de WPO en 76f van de WVO vermelden de criteria die
                                het college moet hanteren bij het vaststellen van het programma
                                voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het
                                overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel
                                96 van de WPO en 76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op
                                welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en
                                overzicht aan de bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al>Lid 1</al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De
                                aanvragers ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee
                                weken nadat het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze
                                termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie toelichting
                                artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het programma is
                                vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening moet
                                plaatsvinden met het college. Op grond van artikel 3:43 van de Awb
                                moet het college het besluit meedelen aan degenen die bij de
                                voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben
                                gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van
                                het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het
                                programma is in de modelverordening opgenomen dat het besluit aan
                                alle schoolbesturen wordt verzonden.</al><al>Lid 2</al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen
                                van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond,
                                programma en overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het
                                programma als overzicht ter inzage wordt gelegd.</al><al>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk
                                voorgeschreven overleg over het maken van afspraken over de zaken
                                die van belang zijn om te komen tot het beschikbaar stellen van een
                                investeringskrediet voor de voorziening die op het programma is
                                opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan de
                                start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en
                                misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al>Lid 1</al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO en artikel 76n van de WVO is
                                opgenomen dat het college binnen vier weken met het betrokken
                                bevoegd gezag in overleg treedt over de uitvoering van het
                                programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een
                                verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’
                                betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen
                                betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn
                                opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen
                                bouwplan noodzakelijk) en het college daarnaast van mening is dat
                                het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor
                                een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven.
                                De onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="1."><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat
                                        het bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het
                                        bepaalde in artikel 103, eerste lid , van de WPO en artikel
                                        76n, eerste lid, van de WVO). Het alternatief is dat het
                                        college de voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede
                                        lid, van de WPO en artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In
                                        het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid
                                        gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de
                                        mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele
                                        accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="2."><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten
                                        zoals die op het vastgestelde programma zijn opgenomen
                                        (bijv. aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="3."><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen
                                        tussen het moment van het vaststellen van het programma en
                                        het aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de
                                        kostenraming kan toetsen of zich nieuwe feiten en
                                        omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor het
                                        eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg
                                        wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                                        mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot
                                        goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting kan
                                        besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;</al></li><li nr="4."><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van
                                        verantwoording over de besteding van de middelen
                                        plaatsvindt. De wijze van verantwoording is grotendeels
                                        afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting
                                        artikel 15);</al></li></lijst><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                                voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure
                                te volgen. Wordt de voorziening </al><al>nde voorzieningen is de aanvrager verplicht een
                                aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de voorziening </al><lijst><li nr="1."><al>bekostigd op basis van de genormeerde vergoeding dan is de
                                        uitkomst van de aanbesteding voor het college feitelijk niet
                                        relevant, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                        normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de
                                        feitelijke kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel
                                        relevant voor het bepalen voor de hoogte van het definitieve
                                        investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan
                                        het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante
                                        Europese regelgeving. Daarnaast is van toepassing wat de
                                        gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk
                                        aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er
                                        geen Europese regelgeving van toepassing is.</al></li></lijst><al>Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene
                                dat in het gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het
                                opvragen van offertes en wat is opgenomen in de Europese
                                richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten onder het Europese
                                drempelbedrag kan het college op verzoek van het bevoegd gezag
                                besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al>Type opdracht</al></entry><entry><al>Uitgangspunten aanbestedingsprocedure (genoemde
                                                  bedragen zijn exclusief BTW)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Nationaal</al></entry><entry><al>Europees</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Onderhandse procedures</al><al>(offerte-traject)</al></entry><entry><al>Openbare procedure of</al><al>niet-openbare procedure met voorafgaande
                                                  selectie</al></entry><entry><al>Europees verplichte procedures</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Enkelvoudig</al></entry><entry><al>Meervoudig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Werken</al></entry><entry><al>t/m</al><al>€ 150.000</al></entry><entry><al>vanaf € 150.000 t/m € 1.500.000</al></entry><entry><al>vanaf € 1.500.000 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al>vanaf € 5.186.000,00</al></entry></row><row><entry><al>Leveringen</al></entry><entry><al>t/m</al><al>€ 50.000</al></entry><entry><al>vanaf € 50.000 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>A-diensten</al></entry><entry><al>t/m</al><al>€ 50.000</al></entry><entry><al>vanaf € 50.000 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>vanaf € 207.000,00</al></entry></row><row><entry><al>B-diensten</al></entry><entry><al>t/m</al><al>€ 50.000</al></entry><entry><al>vanaf € 50.000 tot de Europese drempel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>alléén indien de opdracht grensoverschrijdend
                                                  is</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder
                                meer de overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter
                                goedkeuring worden voorgelegd.</al><al>Lid 2</al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over
                                de afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening
                                is bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter
                                instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn
                                instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct
                                vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van
                                uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het
                                verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog
                                overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens
                                te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit
                                ook schriftelijk door beide partijen vastgelegd.</al><al>Lid 3</al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen
                                van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen
                                nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde
                                omstandigheden zal plaatsvinden. Over het algemeen betreft het
                                voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is
                                overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt.
                                Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de
                                aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt.</al><al>Lid 4</al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt
                                over de wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het
                                vastgestelde verslag is opgenomen dan is het college de instantie
                                die een definitief besluit neemt. Dit besluit deelt het college mee
                                aan het bevoegd gezag. In het besluit zijn opgenomen de overwegingen
                                om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste wijze van
                                uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit in de
                                zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van
                                bezwaar en beroep openstaat.</al><al>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en
                                omstandigheden; overleggen offertes</al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan
                                dan nadat het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend
                                als een dergelijk plan naar het oordeel van college gezien de aard
                                van de voorziening niet vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan
                                het goedkeuren van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen
                                (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen
                                besluit het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag
                                van de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde
                                offertes.</al><al>[Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan
                                in het overleg deze mogelijkheid alsnog worden besproken.]</al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO
                                en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13,
                                eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt
                                het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het college toetst,
                                voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe
                                ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="1."><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel
                                        wordt bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan
                                        op grond van de bouwverordening, dus het verlenen van de
                                        omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het
                                        bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking (toegekend
                                        investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende
                                        BvO).</al></li></lijst><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                                afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd.
                                Maakt het bevoegd gezag aan</al><lijst><li nr="1."><al>spraak op:</al></li><li nr="2."><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal
                                        getoetst, omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het
                                        normbedrag en het college geen hoger bedrag dan het
                                        normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="3."><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt
                                        een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het
                                        definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen.
                                        De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor
                                        het programma was namelijk een raming van de kosten. Deze
                                        begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen
                                        van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het
                                        programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen
                                        van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het
                                        programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging
                                        afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel van
                                        de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering
                                        van een voorziening die volgens de offertelijn wordt
                                        gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de
                                        begroting.</al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op
                                welk moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in
                                relatie daarmee de bekostiging.</al><al>Lid 2</al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het
                                college niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de
                                gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging
                                plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de aanvrager is
                                aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het aanvragen
                                van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is
                                noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering
                                van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager.
                                Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt
                                het college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang
                                neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO en
                                artikel 76j van de WVO.</al><al>Lid 3</al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de
                                laagste prijs maar de economisch meest voordelige aanbieding
                                bepalend is. Dit is conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet
                                2012. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken.</al><al>Artikel 15. Aanvang bekostiging</al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO
                                en artikel 76m van de WVO. Het geeft het college de vrijheid om per
                                voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de
                                bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk
                                afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de
                                opdracht, hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de
                                aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen
                                voldoen.</al><al>[Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="1."><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer
                                        wordt uitbetaald;</al></li><li nr="2."><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen
                                        worden uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de
                                        termijnbetalingen aan de aannemer op basis van de door de
                                        aannemer ingediende termijnstaat (automatische verwerking
                                        met valutadata in financiële administratie), en</al></li><li nr="3."><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van
                                        de nota’s van het bevoegd gezag.]</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de
                                opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt
                                overeengekomen dat de vergoeding door het college rechtstreeks aan
                                de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten
                                bestaat er uitsluitend een relatie tussen college en bevoegd gezag.
                                Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat het college het
                                bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het bevoegd gezag het bedrag
                                aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd gezag ook
                                verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan
                                worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle
                                rekeningen die op het project betrekking hebben, of een
                                accountantsverklaring.</al><al>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</al><al>Lid 1</al><al>De data van 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment
                                dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel
                                perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma
                                toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk
                                in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar
                                door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat
                                realisatie niet mogelijk is:</al><lijst><li nr="1."><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend
                                        begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet
                                        gehandhaafd, en</al></li><li nr="2."><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het
                                        beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg
                                        van dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner
                                        tijd opnieuw moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van
                                belang voor het college, omdat het college na de genoemde data actie
                                in de richting van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de
                                aanvrager’ betekent dat, als het college optreedt als bouwheer en de
                                termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt.
                                De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</al><al>Lid 3</al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde
                                termijnen kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan het
                                gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de schuld van de
                                aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="1."><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="2."><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="3."><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te
                                dienen om de gestelde termijnen te verlengen.</al><al>Lid 4</al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid.
                                Als het verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige
                                datum worden gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog
                                voor de in het eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera
                                te overleggen. Als het college dus niet tijdig beslist is voor de
                                aanvrager de in het eerste lid genoemde datum niet haalbaar.</al><al>Artikelen 17-20. Aanvragen met spoedeisend karakter</al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het
                                onderwijs wordt </al><al>belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                                aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting
                                onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit
                                is die op korte termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op
                                de reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus
                                duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag. Bij
                                aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="1."><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces
                                        (tijdelijk) in een andere accommodatie moet
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="2."><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten
                                        (verwijderen asbest), of</al></li><li nr="3."><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort
                                ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een
                                situatie:</al><lijst><li nr="1."><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van
                                        artikel 6 van de verordening – een aanvraag in te dienen
                                        voor het programma, of</al></li><li nr="2."><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is
                                        geplaatst wegens het toepassen van de financiële
                                        weigeringsgrond omdat het bekostigingsplafond niet
                                        toereikend is.</al></li></lijst><al>Artikel 17. Indienen aanvraag</al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele
                                jaar worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich
                                voordoet niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig
                                mogelijk (telefonisch) worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen
                                moeten worden genomen. Na de melding moet de aanvrager binnen de
                                gestelde termijn de aanvraag indienen.</al><al>Artikel 18. Inhoud aanvraag</al><al>Lid 1</al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een
                                aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid)
                                is het bevoegd gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening
                                spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de
                                aanvraag betrekking heeft op een calamiteit die niet voorzienbaar
                                was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden,
                                omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen
                                voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al>Artikel 19. Tijdstip beslissing</al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de
                                beslistermijn een korte periode aangehouden.</al><al>Artikel 20. Uitvoeren beslissing</al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de
                                spoedprocedure aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn
                                opgenomen in de bijlagen I tot en met III van de verordening. Als
                                extra toets geldt het element van de spoedeisendheid: het treffen
                                van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de
                                voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere
                                procedure kan het college bij de spoedprocedure geen financiële
                                weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel
                                98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste lid, van de WPO en
                                artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel 76k, eerste lid, van
                                de WVO.</al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met
                                16 van toepassing.</al><al>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de
                                WPO en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad
                                bij verordening een procedure vaststellen voor het medegebruik en de
                                verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen
                                van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de
                                eigen school.</al><al>De artikelen 21 t/m 26 worden door het college toegepast als het
                                college een aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van
                                een voorziening huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college
                                kan besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt
                                afgewezen omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke
                                huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</al><al>Onderdelen a en c</al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te
                                vorderen op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19
                                een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting
                                onderwijs nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een
                                school heeft ontvangen. Het college moet twee zaken vaststellen, te
                                weten dat:</al><lijst><li nr="1."><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk
                                        een tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="2."><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op
                                medegebruik door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel
                                van het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe
                                in overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en
                                aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al>Onderdeel b</al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet
                                onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet
                                educatie en beroepsonderwijs.</al><al>Artikel 22. Omschrijving leegstand</al><al>Lid 1</al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante
                                meters’. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo
                                tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de
                                berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen
                                van de leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde.
                                Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een
                                school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs.
                                Dit betekent dat het college kan besluiten leegstand die wordt
                                vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een
                                school voor voortgezet onderwijs of andersom.</al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn.
                                eigendoms- en huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de
                                voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het
                                vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden </al><al>toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een bevoegd gezag een
                                andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft
                                gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd gezag een andere
                                bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk
                                onderwijsgebruik.</al><al>Lid 2</al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                                bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor
                                basisonderwijs kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26
                                klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze
                                scholen buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs
                                worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40
                                klokuren in gebruik is.</al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het
                                inroosteren uitgegaan van minimaal 32 lesuren en maximaal 40
                                lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40
                                lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de
                                maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal
                                bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="1."><al>voor een school voor basisonderwijs minder dan 26 klokuren
                                        zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere
                                        school voor basisonderwijs voor het verschil tussen 26
                                        klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="2."><al>voor een school voor basisonderwijs minder dan 26 klokuren
                                        of 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is
                                        door een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende
                                        klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al></li><li nr="3."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs minder dan 40
                                        klokuren ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is
                                        door:</al></li><li nr="4."><al>een school voor basisonderwijs als de klokuren medegebruik
                                        passen binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="5."><al>een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende
                                        klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                                onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al>Artikel 23. Nalaten vorderen</al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling
                                overleg medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een
                                onderlinge regeling hebben getroffen is er voor het college geen
                                reden om dat te doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld
                                dat de school die medegebruiker is in de eigen accommodatie
                                voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als
                                bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling hebben geregeld moet
                                het college hiervan in kennis worden gesteld. Het college moet
                                vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale situatie is
                                gecreëerd.</al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere
                                schoolgebouwen wordt in onderling overleg vastgesteld in welk
                                schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd. Wordt geen
                                overeenstemming bereikt, dan besluit het college zelfstandig in welk
                                schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al>Artikel 24. Overleg en mededeling</al><al>Lid 1</al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot
                                het vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het
                                toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om
                                deze reden maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het
                                wettelijk verplichte overleg over het programma. Voor beide bevoegde
                                gezagsorganen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot
                                medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid
                                een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt
                                niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk
                                besluit van het college.</al><al>Lid 2</al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen
                                van een voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is
                                geen termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen
                                kan namelijk met zich meebrengen dat een en ander op zeer korte
                                termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier het
                                'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben om
                                de nodige maatregelen te treffen.</al><al>Lid 3</al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de
                                gelegenheid hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen
                                te nemen. Daarom is de termijn waarop het besluit tot vorderen
                                bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk gehouden. Voordat het
                                college het besluit tot vorderen heeft genomen heeft over dit
                                besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het bevoegd
                                gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in de
                                gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het
                                medegebruik.</al><al>Lid 4</al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan
                                toe is. Om deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen
                                elementen in de beschikking worden opgenomen, waarvan vooral de
                                onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke de leegstand wordt
                                gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden gebaseerd op de
                                uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het
                                besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het
                                vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand
                                voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt
                                noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de verordening is dat eigen
                                gebruik voor medegebruik gaat.</al><al>Artikel 25. Vergoeding</al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik
                                geeft te maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik.
                                De bevoegde gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding
                                voor het medegebruik overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke
                                exploitatiekosten worden vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd
                                gezag dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de eigen
                                accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke
                                kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële
                                instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke
                                kosten niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte
                                subsidiëring van de medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een
                                gedeelte van de school in medegebruik heeft geven de ontvangen
                                rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen.
                                De hoogte van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die
                                worden gemaakt over de activiteiten die voor rekening van de school
                                en de medegebruiker komen.</al><al>Als tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan
                                moeten de partijen vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te
                                komen tot het vaststellen van het bedrag van de vergoeding.
                                Overeengekomen kan bijv. worden dat een onafhankelijke derde het
                                definitieve vergoedingsbedrag bepaalt.</al><al>Artikel 26. Overleg en mededeling</al><al>Artikel 26 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor
                                culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen
                                kan plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik
                                voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de
                                bestemming van het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het
                                onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt
                                noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de
                                bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het
                                medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van
                                het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in
                                overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het
                                noodzakelijk dat het bevoegd gezag in het overleg met het college de
                                gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik
                                naar voren te brengen. Voor het bevoegd gezag kan daarbij de
                                vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en
                                bevoegd gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door
                                een niet onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet,
                                voordat het instemt met het medegebruik, in het overleg in de
                                gelegenheid gesteld worden zich een oordeel te vormen over de aard
                                van de activiteit en de invloed van die activiteit op het
                                onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de
                                activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                                noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige
                                maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van
                                de vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik
                                voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het
                                staat het bevoegd gezag vrij om een ander tarief in rekening te
                                brengen, maar ook aan te sluiten bij de systematiek die is opgenomen
                                in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker
                                wordt in het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt
                                vertegenwoordigd door het college. Het is aan het college om te
                                besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet deelneemt aan het
                                overleg. Het bevoegd gezag, college en de medegebruiker moeten voor
                                de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische)
                                afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd
                                door het besluit tot vordering door college.</al><al>Lid 3</al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het
                                college een beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is
                                gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het
                                vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden.</al><al>Artikel 27. Verzoek toestemming college</al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend
                                plaatsvinden door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het
                                college een schoolgebouw waarvan het bevoegd gezag juridisch
                                eigenaar is niet kan vorderen voor verhuur. De afweging om een
                                ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het
                                bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het (een gedeelte van)
                                het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college toestemming
                                voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is een
                                huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het
                                aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag
                                het college inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de
                                activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode
                                van verhuur en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte
                                van de school. Daarnaast betrekt het college bij het verlenen van de
                                toestemming ook de te verwachten ruimtebehoefte van de overige
                                scholen. Dit om te voorkomen dat het college toestemming voor de
                                verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag wordt
                                ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het
                                college het verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel
                                108, eerste lid, van de WPO en artikel 76s van de WVO is het niet
                                toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="1."><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede
                                        lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek,
                                        of</al></li><li nr="2."><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de
                                        school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval
                                de voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn
                                nodig is voor het onderwijs, dat het college deze ruimte dan
                                vordert. De wet bepaalt dat de risico's voor verhuur en de eventuele
                                schadeplicht die ontstaat bij het voortijdig opzeggen van het
                                huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het college gebruik maakt
                                van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd gezag.</al><lijst><li nr="1."><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en
                                        een huurprijs bepaald worden. Onderscheid moet worden
                                        gemaakt in de vergoeding voor de exploitatiekosten (=
                                        gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                                        investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur
                                        stelt de hoogte van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer
                                        en onderhoud van het schoolgebouw) vast. In het derde lid is
                                        opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan de
                                        toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor
                                        de verhuur een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door
                                        het college wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op
                                        wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding
                                        is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte
                                        door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het bevoegd
                                        gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden
                                        afgedragen aan het college als bijdrage in de
                                        investeringslasten van het schoolgebouw. De Raad van State
                                        heeft vastgesteld dat het college een huurvergoeding kan
                                        vragen onder de volgende voorwaarden: .</al></li><li nr="2."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet
                                        doorberekenen van de huur de gemeente een financieel nadeel
                                        leidt;</al></li><li nr="3."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of
                                        het verlies aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="4."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede
                                        komen aan onderwijshuisvesting</al></li></lijst><al>Artikel 28. Staat van onderhoud</al><al>In artikel 110 van de WPO en artikel 76u van de WVO is geregeld in
                                welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een
                                (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein aan het college. Over
                                het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein
                                gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder </al><al>onderwijs) of het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door
                                de minister van OCW. Overdracht door het bevoegd gezag van een
                                schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats
                                als het bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd
                                openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van
                                het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het
                                schoolgebouw en -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte
                                van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan ook
                                plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is
                                gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het college
                                en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte
                                opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden
                                gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt geen onderscheid
                                gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit onderscheid
                                bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen
                                moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd
                                moet worden.</al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het
                                beëindigen van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het
                                gebruik van een gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake van
                                integraal bestuur dan blijft het opmaken van een staat van onderhoud
                                achterwege. Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling van het
                                openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële zin gekozen worden
                                voor een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het
                                bevoegd gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten
                                uitvoeren. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra
                                opknapbeurt moet krijgen voordat het buiten gebruik wordt
                                gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de
                                eigendomsoverdracht plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog
                                eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig
                                onderhoud is toe te rekenen. De staat van onderhoud maakt ook
                                onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht.</al><al>Lid 3</al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met
                                daarin een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht
                                wordt, vanuit het oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een
                                onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Voordat de
                                opdracht wordt verstrekt heeft het college overleg met het betrokken
                                bevoegd gezag over de inhoud van de opdracht en over de instantie
                                die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf
                                onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud
                                van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond van
                                artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag
                                gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen
                                meerjarenonderhoudsplanning en/of bewijsstukken dat er geregeld
                                onderhoud is uitgevoerd).</al><al>Lid 5</al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het
                                opmaken van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd
                                en het bevoegd gezag met deze constatering instemt, kan in het
                                overleg overeengekomen worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="1."><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het
                                        noodzakelijke onderhoud, of</al></li><li nr="2."><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud
                                        aan het college betaalt, waarna het college de opdracht
                                        verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                                uitkomst van de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de
                                vervolgprocedure zal zijn. Er kan worden overeengekomen dat
                                arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen afspreken zich te
                                zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat het
                                college zicht wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het
                                feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft gepleegd
                                door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw
                                behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al>Lid 6</al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele
                                aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig
                                onderhoud, of een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat,
                                maar er geen reden is om dit nog te laten vastleggen in een rapport.
                                Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen bestaat het
                                schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te
                                verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroosteren en gebruik</al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting
                                onderwijs en kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het
                                bevoegd gezag of een derde. In het kader van de ruimtebehoefte van
                                de lokalen bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de
                                gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het vaststellen van
                                de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria
                                zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de
                                verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                                bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door
                                een school voor basisonderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt
                                uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is
                                afhankelijk is van het aantal gymgroepen.</al><al>Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal
                                formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen afhankelijk van het
                                aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven fluctueert het
                                aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal
                                leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de
                                jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en
                                de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn
                                te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse
                                mutaties in het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt
                                in ieder geval als het aantal klokuren binnen de bestaande
                                capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een
                                uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 29 een afzonderlijke procedure
                                opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op
                                basis van het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1
                                oktober het aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren
                                bewegingsonderwijs vaststelt en op basis van het aantal klokuren het
                                conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stelt het college
                                vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal
                                bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de
                                procedure voor het aanvragen van bekostiging van een
                                huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure heeft het
                                college, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><lijst><li nr="1."><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs,
                                        inclusief de accommodaties die op grond van de
                                        onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn.
                                        ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="2."><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke
                                        school geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="2."><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal
                                        bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en</al></li><li nr="3."><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een
                                        genormeerd gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op
                                        feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 15 december op basis van de teldatum
                                        1 oktober het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus
                                        (start schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt voor 31 december daaropvolgend een
                                        conceptrooster op; als basis kan dienen het rooster
                                        bewegingsonderwijs van het lopende schooljaar en daarin
                                        worden de mutaties als gevolg van mutaties in het aantal
                                        gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 15 januari
                                        daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde
                                        rooster bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 maart op het
                                        aangeboden conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum
                                        van 1 maart een overleg over het conceptrooster te
                                        beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het
                                        komende schooljaar vast voor 15 maart.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer
                                klokuren bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college
                                genormeerd is vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als
                                binnen de bestaande accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is.
                                Aan het bevoegd gezag worden dan de kosten van deze extra klokuren
                                doorberekend.</al><al>Artikel 31. Indexering</al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten
                                jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage
                                IV integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de
                                onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld
                                door de gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het
                                aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat
                                het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan
                                het college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in
                                bijlage IV, deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het
                                onderwijsveld dat voor een wijziging van de verordening noodzakelijk
                                is, kan plaatsvinden door het toezenden van de voorgenomen
                                prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te
                                reageren.</al><al/><al>Bijlage IBeoordelingscriteria noodzaak aangevraagde
                                voorzieningen</al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het
                                vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De
                                bijlage is onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen
                                bewegingsonderwijs.</al><al>Deel A Lesgebouwen</al><al>Algemeen</al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het
                                vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening
                                beschreven.</al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een
                                dislocatie. De dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting,
                                voor de situatie dat de hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om
                                alle leerlingen te huisvesten. Is het aantal leerlingen zodanig
                                afgenomen dat alle leerlingen weer op de hoofdvestiging kunnen
                                worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten. Ontvangt het
                                college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor
                                een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze
                                aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="1."><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als
                                        aanvullende huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="2."><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te
                                        huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing,
                                        of</al></li><li nr="3."><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie
                                        beschikbaar is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt
                                toegekend is op basis van het voorgaande een financiële afweging van
                                het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet
                                het college beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="1."><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                                        ingeschreven;</al></li><li nr="2."><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt
                                        verwacht;</al></li><li nr="3."><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= bruto
                                        vloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de
                                        school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte,
                                        en</al></li><li nr="4."><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de
                                        gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting
                                onderwijs noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te
                                voorkomen. Is de (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor
                                een korte periode noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend
                                gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de
                                voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de
                                voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de leerlingenprognose.
                                De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het aantal
                                leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de
                                aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                                uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen
                                waarvoor de aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is
                                bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een
                                periode van:</al><lijst><li nr="1."><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting
                                        toegekend omdat wordt verondersteld dat de school de extra
                                        ruimtebehoefte voor deze beperkte periode binnen de eigen
                                        school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit
                                        onmogelijk is, wordt een andere voorziening
                                        goedgekeurd;</al></li><li nr="2."><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor
                                        tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="3."><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik
                                        bestemde voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen
                                voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs
                                constructiefouten en vervanging of herstel van schade in geval van
                                bijzondere omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde
                                voorzieningen huisvesting on</al><al>derwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt, onafhankelijk
                                van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de
                                mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                                gebouw.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut
                                of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een
                                onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en
                                voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie
                                beschikbaar is.</al><al>A.2 Vervangende (nieuw)bouw</al><al>Vervangende (nieuw)bouwkan het gevolg zijn van een tweetal
                                situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige
                                staat) van een gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat
                                van het gebouw en om verschillen in de bouwkundige staat tussen
                                verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen wordt voor
                                de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op grond
                                van NEN 2767.Uitgangspunt van deze methode is dat de
                                onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en
                                bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een
                                afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het
                                maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de
                                aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden
                                kosten) essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting
                                NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt
                                toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook rekening
                                gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf
                                vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de
                                vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het
                                onderhoud in aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de
                                intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek
                                wordt uitgedrukt in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de
                                'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale
                                schoolgebouw vastgesteld.</al><al>Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende
                                conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare
                                kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een
                                beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer
                                onder conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de
                                bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw
                                noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen
                                van het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging
                                rechtstreeks van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is
                                niet alleen bestemd voor activiteiten met een kortlopende cyclus,
                                maar ook met een</al><al>langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit
                                betekent dat als sprake is van een bouwkundige rapportage met of
                                conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de afgelopen jaren het
                                onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het
                                schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag
                                voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen
                                college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en
                                aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken worden gemaakt
                                over het bekostigen van de totale</al><al>investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen
                                ontvangen rijksvergoeding niet voor dit doel hoeft in te
                                zetten.</al><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                                herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen
                                voordoen:</al><lijst><li nr="1."><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen
                                        te ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit
                                        voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar
                                        dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft
                                        en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door
                                        onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige
                                        aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of
                                        in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand
                                        schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de
                                        schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een
                                        schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="2."><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                        herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook
                                        gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk
                                        door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het
                                        ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden
                                        afgestoten;</al></li><li nr="3."><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen
                                        in de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv.
                                        stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor
                                        het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de
                                        bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een
                                herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik
                                van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor het college een
                                budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra
                                investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan
                                uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de
                                vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de
                                (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande (te vervangen)
                                locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is bereikt
                                met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het bevoegd gezag van
                                het rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het
                                onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering
                                worden ingezet.</al><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van het
                                schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het
                                huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school is
                                ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare
                                huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan het college
                                te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar
                                wordt gesteld. Bij het besluit kan het college rekening houden met
                                de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als
                                dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het
                                schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.</al><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is
                                afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="1."><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect
                                        afstand alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie
                                        wordt van een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw
                                        noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuwe school dan
                                        is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="2."><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of
                                        en zo ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk
                                        zijn om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het
                                        huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="3."><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw
                                        is van belang om vast te stellen welke bouwkundige
                                        investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en
                                        onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte
                                        huisvesting. Het college kan besluiten tot het bekostigen
                                        van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het
                                        gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals
                                        aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met
                                        (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten
                                        van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                                        ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich
                                        meebrengt;</al></li><li nr="2."><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="3."><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="4."><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde
                                        is.</al></li><li nr="5."><al>5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al></li></lijst><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet
                                aard en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van
                                een tijdelijk gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van
                                verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn
                                opnieuw verwijderen. Op dit punt kan het college een afweging maken
                                tussen het verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe
                                voorziening.</al><al>A.6 Terrein</al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch
                                wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het
                                schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden
                                gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen
                                terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming
                                voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze
                                voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al>A.7 Eerste inrichting</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd
                                aan een school voor basisonderwijs. Eerste inrichting leer- en
                                hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet
                                onderwijs.Voor alle onderwijssectoren is de bekostiging van de
                                eerste inrichtinggekoppeld aan het aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                                waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt
                                toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot
                                één school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het
                                moment van fusie ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting
                                ontvangen. Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke
                                scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting
                                als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder of
                                gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie
                                afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt
                                uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het
                                schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school
                                geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de
                                voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het
                                realiseren van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de
                                efficiënte inzet van middelen.</al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om
                                inzicht te hebben:</al><lijst><li nr="1."><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door
                                        middel van de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="2."><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de
                                        leegstand is vastgesteld (wordt op korte termijn een toename
                                        van het aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of
                                        medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een
                                schoolgebouw van scholen van verschillende onderwijssectoren. De
                                leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de
                                vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van
                                bijlage III, deel A, en de voor de school vastgestelde
                                ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende
                                genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor
                                medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="1."><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs en
                                        een school voor voortgezet onderwijs is per definitie
                                        geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="2."><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft
                                        bekostigd, maar waarvoor het college een vergoeding
                                        verstrekt (zogenaamde eigendoms- en huurscholen) maken
                                        onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en
                                        komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="3."><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen
                                        heeft gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de
                                        overheid is ontvangen kunnen niet in medegebruik worden
                                        gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de
                                        voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III,
                                        deel A).</al></li></lijst><al>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                                bewoner</al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw
                                (A.4) en medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige
                                voorzieningen moeten worden getroffen om het betreffende
                                (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe bewoner. De
                                investeringskosten van deze investering komen voor rekening van de
                                gemeente.</al><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting
                                onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt
                                toegekend is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk
                                gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het
                                ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout
                                o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk
                                worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het
                                moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd
                                een rol. In dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat
                                herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk
                                was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden
                                aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen
                                het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van
                                bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van
                                oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake
                                meer kan zijn van een constructiefout, maar dat </al><al>sprake is van regulier onderhoud. Het herstel van een
                                constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs
                                en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout
                                het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100,
                                tweede lid, van de WPO en artikel 76k, tweede lid, van de WVO)
                                .</al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket
                                en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van
                                bijzondere omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag
                                geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme,
                                ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te
                                verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van
                                de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie
                                van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal
                                afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met minder
                                bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding
                                geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een ander
                                schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                                veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv.
                                inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten
                                voor rekening van het bevoegd gezag komen.</al><al>Deel BVoorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend
                                het traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten),
                                maar ook het gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal
                                bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het
                                bevoegd gezag, of een derde.</al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                                ingebruikgeving</al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde
                                voorzieningen is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat
                                moet worden ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat
                                van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs
                                voor de gemeente financieel een goed alternatief is kan het college
                                besluiten in plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal
                                bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt
                                genomen voert het college overleg met het bevoegd gezag. Voor het
                                bekostigen van deze voorzieningen geldt de verordening materiële
                                financiële gelijkstelling onderwijs.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                                bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als
                                een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="1."><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de
                                        oefenzaal wordt vergroot, of</al></li><li nr="2."><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter
                                        lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd
                                voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande
                                eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen,
                                respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs
                                niet eerder de volledige bekostiging eerste inrichting
                                verstrekt.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal bewegingsonderwijswordt
                                vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat het
                                college heeft vastgesteld voor de scholen voor primair onderwijs en
                                het rooster bewegingsonderwijs dat het bevoegd gezag van de school
                                voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor
                                voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Bijlage IIPrognosecriteria</al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid,
                                is het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen
                                als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting
                                onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste
                                inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik
                                wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor het
                                beoordelen van de noodzaak van de door de bevoegde gezagsorganen
                                aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de
                                periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk
                                is.</al><al/><al>Bijlage IIIBeoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en
                                aanvullende ruimtebehoefte</al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per
                                voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen
                                de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk
                                ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw
                                die wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m2 bruto
                                vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft
                                gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt.
                                Deze capaciteit wordt wel geregistreerd.</al><al>Deel AVaststellen capaciteit</al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m2 bruto
                                vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden
                                beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="1."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="2."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                                        (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het
                                college opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit
                                gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren van de
                                verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende
                                nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de
                                verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college worden
                                doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de
                                gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest
                                actuele bruto vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto
                                vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van
                                deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto
                                vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als
                                gevolg van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde
                                capaciteit niet volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een
                                gangenschool). Het schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als
                                gevolg van een onevenwichtige indeling van het schoolgebouw. Op dat
                                moment kan het bevoegd gezag het college vragen om de capaciteit
                                lager vast te stellen. Het college neemt over dit verzoek een
                                besluit. Besluit het college aan het verzoek van het bevoegd gezag
                                te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto
                                vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte
                                die geschikt is als op minder onderwijs</al><al>capaciteit. Op het moment dat het college een aanvraag voor het
                                bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangt stelt het
                                college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of
                                gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de ‘overdimensionering’
                                van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van
                                huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het
                                aantal leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties
                                kan worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd
                                gezag een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt
                                gesteld en wordt overgedragen aan het college, tenzij een van de
                                locaties een gebouw is waarvoor het college een huurvergoeding
                                betaalt. Een schoolgebouw waarvoor het college een huurvergoeding
                                betaalt wordt als eerste buiten gebruik gesteld. Als het college van
                                mening is dat het buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw
                                de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen het bevoegd gezag
                                en het college.</al><al>A.1.4 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de
                                grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd.
                                Het kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen
                                met de grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de
                                terreinoppervlakte van het openbaar groen en eventueel andere
                                openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel is
                                geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met
                                overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                                vastgelegd.</al><al>A.1.5 Inventaris</al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting
                                is bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag
                                voor het bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt
                                voor het schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting
                                gekoppeld aan de uitbreiding met het aantal m2 bruto
                                vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de eerste
                                inrichting is bekostigd waarop het bevoegd gezag tot die datum
                                aanspraak maakte.</al><al>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs
                                is van belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor
                                een school voor basisonderwijs of het aantal lesuren voor een school
                                voor voortgezet kan worden ingeroosterd.</al><al>A.1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan
                                de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd.
                                Of de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs
                                afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de ligging van
                                het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal
                                bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="1."><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het
                                        onderdeel uit van de terreinoppervlakte van het
                                        schoolgebouw;</al></li><li nr="2."><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw
                                        is gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt
                                        het afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="3."><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                                        geregistreerd;</al></li><li nr="4."><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs
                                        en ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt
                                        het niet afzonderlijk geregistreerd.</al></li></lijst><al>A.1.6.3 Inventaris</al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd
                                is wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen
                                van het bewegingsonderwijs.</al><al>Deel BVaststellen ruimtebehoefte</al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal
                                leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het
                                indienen van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis van het
                                aantal leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte)
                                vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de leerlingenprognose
                                wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte
                                noodzakelijk is.</al><al>B.1 Lesgebouwen</al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs en een school
                                voor voortgezet onderwijs wordt gebaseerd op het aantal leerlingen
                                vermenigvuldigd met een m2 bruto vloeroppervlakte per leerling. Een
                                school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een
                                vaste voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="1."><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een
                                        nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="2."><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al>B.1.1 School voor basisonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit
                                de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De
                                basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m2) en de som van
                                het aantal ongewogen leerlingen dat op de school voor basisonderwijs
                                is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m2 per leerling. Op
                                aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school
                                ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De aanvullende
                                ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de
                                basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale
                                ruimtebehoefte. Onderdeel van deze totale ruimtebehoefte is een
                                speellokaal.</al><al>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de
                                basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste
                                voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen
                                vermenigvuldigd met de m2 bruto vloeroppervlakte per leerling, die
                                geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat
                                ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging
                                van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met
                                spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de
                                afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een
                                nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van
                                de door de minister van OCW aan het bevoegd gezag afgegeven
                                beschikking.</al><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de
                                school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie
                                met de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector
                                en kan uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW
                                hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet
                                onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk
                                van het totaal aan</al><al>tal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                                ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is
                                afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de
                                school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal
                                formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de
                                splitsingstabel gehanteerd die het college hanteert bij het
                                vaststellen van de materiele vergoeding. Beschikt de school voor
                                basisonderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op
                                gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de
                                leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de
                                school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto
                                vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al>Deel CVaststellen aanvullende ruimtebehoefte</al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="2."><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="3."><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo
                                        capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="4."><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is
                                        dan de drempelwaarde</al></li><li nr="5."><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="6."><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op
                                        bekostigen voorziening,</al></li><li nr="7."><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak
                                        op het bekostigen van een voorziening op basis van de
                                        uitkomst van stap 3.</al></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                                vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto
                                vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en bruto
                                vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor basisonderwijs
                                binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal
                                gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal
                                bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van
                                een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs
                                een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen
                                gebruiken als het college hiervoor toestemming verleend, binnen het
                                lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is
                                en het bevoegd gezag bereid is een huurvergoeding te betalen.</al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening
                                onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is
                                gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw
                                lager vast te stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van
                                het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft deze situatie zich
                                voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van het
                                aantal m2 uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil
                                tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde
                                capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie
                                zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een
                                bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet
                                leiden tot het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan
                                leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of beperkte
                                uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het
                                schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de
                                investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking tussen de
                                investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de
                                investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een
                                eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt
                                vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing hoger zijn
                                dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het
                                gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden.</al><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van
                                de voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde
                                ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto
                                vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de
                                ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de
                                onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding
                                wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="1."><al>de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                        toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er
                                        wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van
                                        10%;</al></li><li nr="2."><al>de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt
                                        toegekend het aantal m2 dat de 10% overschrijdt, de
                                        aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur
                                        binnen de bestaande capaciteit opvangen.</al></li></lijst><al>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in
                                voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend
                                gebruik bestemde voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of
                                permanent is afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening
                                noodzakelijk is. Bij een periode van:</al><lijst><li nr="1."><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="2."><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik
                                        bestemde huisvesting;</al></li><li nr="3."><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik
                                        bestemde huisvesting.</al></li></lijst><al>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen</al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de
                                vastgestelde ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het
                                schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw
                                volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde
                                leegstand in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde
                                ruimtebehoefte en de afstand tussen de hoofdvestiging en de
                                vestiging waar het medegebruik kan worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond
                                van het schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal
                                noodzakelijke oppervlakte voor een school voor basisonderwijs is
                                opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel
                                noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een
                                kiss-en-ride-strook.</al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de
                                uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of
                                uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een
                                alternatief (bijv. ingebruikgeving, medegebruik), dan ontstaat
                                aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting
                                onderwijs die betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs
                                zijn gelijk aan de bepalingen die van toepassing zijn op het
                                toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen.</al><al>Deel DMinimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is
                                aan het bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw
                                te bepalen. Daarbij moet het </al><al>bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al/><al>Bijlage IVNormbedragen voor vergoeding en indexering</al><al>Algemeen</al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO en artikel 76m, derde lid, van de
                                WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het
                                bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden
                                toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze
                                bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin
                                is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van
                                normbedragen</al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen
                                onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor het
                                bekostigen van de onroerend zaak belasting (artikel 133 van de WPO
                                en artikel 96c.1 van de WVO). Het bedrag dat de gemeente voor de OZB
                                moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde
                                aanslag.</al><al>Deel AIndexering</al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan
                                geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een
                                indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht.
                                De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks,
                                gelijktijdig met de miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het
                                vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad
                                gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de verordening).</al><al>Deel BNormbedragen</al><al>Vergoeding voorbereidingskrediet</al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid
                                opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te
                                kennen. Het voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op 8% van het
                                normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op 8% van het
                                geraamde bedrag van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve
                                bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar
                                stellen van de vergoeding het al beschikbaar gestelde
                                voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de
                                vastgestelde bekostiging.</al><al>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard</al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals
                                eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting
                                en dergelijke en zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>-een school voor basisonderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte
                                en</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte.</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met
                                spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de
                                toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal
                                specifiek en sectie specifiek).</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet
                                onderwijs wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande
                                        capaciteit bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding
                                        bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="2."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het
                                        onder a vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="3."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school
                                voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het
                                schoolgebouw moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk
                                bestaande ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden
                                teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen,
                                afhankelijk van de toe te kennen voorziening, aanvullende
                                vergoedingen worden toegekend voor bijv. fundering, inrichting van
                                het terrein en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een
                                terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van
                                de ligging sterk kunnen variëren.</al><al>A.2Kosten voor terreinen</al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent
                                dat alle kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken
                                (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et
                                cetera) voor rekening van de gemeente komen</al><al>C. Tijdelijke voorziening</al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van
                                nieuwbouw, of door middel van huur van een tijdelijke voorziening of
                                bestaande huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan ook
                                betrekking hebben op een semipermanent gebouw). De keuze tussen
                                aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van
                                aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en
                                multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk
                                zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="2."><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="3."><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats
                                van het realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de
                                uitkomst van een vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een
                                        permanente voorziening, en</al></li><li nr="2."><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten
                                        van huur van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de
                                kosten van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te
                                huren resp. aan te kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn
                                dat gelet op de:</al><lijst><li nr="1."><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de
                                        kosten van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor
                                        permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de
                                        tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn
                                        noodzakelijk is);</al></li><li nr="2."><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                                        huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="3."><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt
                                        overgegaan tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit
                                        goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al>D. Eerste inrichting</al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                                basisonderwijs bestaat uit </al><al>een basisbedrag en een bedrag per m2.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het
                                bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor
                                voortgezet onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als
                                de berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw.
                                Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is
                                niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet
                                        ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke
                                        ruimte) wordt het verschil in inventariskosten
                                        gecompenseerd;</al></li><li nr="2."><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt
                                        tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in
                                        principe wordt de school gekort op het bedrag voor
                                        inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt
                                        vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging
                                        heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening
                                        aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al>E. Lokalen bewegingsonderwijs</al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn
                                onderverdeeld in bedragen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="3."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al>F. Vergoeding feitelijke kosten</al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke
                                kosten wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in
                                artikel 2, onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder
                                b en c. In de kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen
                                zijn opgenomen de kosten van de architect en het bouwkundig
                                toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen
                                offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of
                                andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde
                                kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van technische
                                advisering.</al><al>G. Huur sportvelden</al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een
                                vergoeding van het college voor het gebruik van een sportveld. Op
                                deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet
                                is gerealiseerd met gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een
                                vergoeding in de investeringskosten. Naast de vergoeding voor de
                                investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan de
                                verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening
                                brengen een vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de
                                exploitatiekosten wordt vastgesteld door degene die het sportveld
                                beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig voor rekening van
                                het bevoegd gezag. De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de
                                periode van 8 weken en wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal
                                lesuren dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld
                                gebruik maakt.</al><al/><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>