<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387415_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente West Maas en Waal 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente West Maas en Waal 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>215/12-20 15int718</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente West Maas en Waal 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2016</vet></al><al/><al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 3 december 2015, kenmerk 2015/12-20
                        15int718</al><al>De raad van de gemeente West Maas en Waal;</al><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        20 oktober 2015, kenmerk 2.1.5;</al><al>Gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 37 lid 1 onder f van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 37 lid 1
                        onder f van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>“Verordening tegenprestatie Participatiewet
                        gemeente West Maas en Waal 2016”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;</al></li><li nr="-"><al>Belanghebbende: de persoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                    van de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a)"><al>Naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b)"><al>Niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c)"><al>Worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d)"><al>Niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke werkzaamheden het
                                college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij
                                gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere
                                bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="c."><al>De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden.</al></li><li nr="e."><al>De tegenprestatie moet geen belemmering zijn voor scholing-
                                        of re- integratieactiviteiten. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van 12 maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd
                                met 12 maanden, nadat de consulent heeft beoordeeld of de
                                omstandigheden en situatie van de belanghebbende verder onveranderd
                                zijn gebleven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 376 uur per
                                jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is en de te verlenen
                            mantelzorg een belemmering vormt voor het verrichten van een
                            tegenprestatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet gemeente West Maas en Waal 2016</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Intrekken oude verordening.</titel></kop><al>De Verordening tegenprestatie Participatiewet wordt ingetrokken per 1
                            januari 2016.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, wnd.</ondertekening><ondertekening>Mw. E (Esther) Jonkman </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.A.M. (Thomas) Steenkamp</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet
                                gemeente West Maas en Waal 2016</vet></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                            een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                            samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar
                            of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag
                            van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit
                            is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar
                            vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende
                            immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen –zoals zorgtaken- aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                            naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De
                            plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de
                            gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                            vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012.
                            De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een
                            gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een
                            sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens
                            de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de
                            arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten in de samenleving als tegenprestatie voor
                            het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie
                            heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te
                            bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de
                            samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie
                            is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt
                            en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een
                            tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt
                            geldt werk boven uitkering.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van
                            18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht
                            is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet.
                            Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                            tegenprestatie te regelen (zie TK 2013 – 2014, 33 801, nr. 24, p.
                            6).</al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college</cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig
                            de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting verordening tegenprestatie
                                Participatiewet gemeente West Maas en Waal 2016</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening.</al><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip ‘korte afstand tot de arbeidsmarkt’. Onder een korte afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één
                            jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt (klantgroep 1 en 2
                            Werkzaak). Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot
                            het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze
                            verordening.</al><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip ‘grote afstand tot de arbeidsmarkt’. Onder een grote afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet
                            binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit
                            begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van
                            een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze verordening.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip ‘mantelzorg’ zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener;</al></li><li nr="-"><al>Mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd
                                    verband;</al></li><li nr="-"><al>Het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="-"><al>Het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (notitie ‘de mantelzorger in beeld’) en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                            van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                            Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te
                            stellen of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat
                            onder gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van
                            gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke
                            zorg wordt in dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse
                            zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                            onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden
                            voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor
                            het functioneren van dat huishouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                            doeltreffendheid van het beleid inzake het opdragen van een
                            tegenprestatie.</al><al><cursief>Cliëntenraad betrekken bij beleid</cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat
                            de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het
                            beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening
                            cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van
                            artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid inzake het
                            opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad
                            bevatten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen.</al><al>Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                            inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen
                            bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden
                            met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder
                            leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke
                            omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar
                            vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de
                            werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                            25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                            een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                            Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                            tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijke nuttige
                                werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijke nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze
                            verordening genomen voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie
                            in te zetten werkzaamheid:</al><lijst><li nr="a."><al>Naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>Niet is bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al>Wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin deze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>Niet leidt tot verdringing.</al></li></lijst><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                            tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                            2010-2011, 32 815, nr. 3, p.14).</al><al>In een beleidsplan kan het college vastleggen welke werkzaamheden in
                            ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede
                            lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de artikel 3,
                            eerste lid, van deze verordening gestelde voorwaarden.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op de toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                            verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom
                            niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratieinspanning niet
                            belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3,
                            p.14).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49).</al><al><cursief>Tegenprestatie opdragen aan personen met lange afstand tot
                                arbeidsmarkt</cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het
                            college een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een
                            belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit
                            impliceert dat aan belanghebbende die een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake
                            is van bijzondere omstandigheden (zie hierover de toelichting bij
                            artikel 4, tweede lid, onder de kop ‘belanghebbende moet een korte
                            afstand tot de arbeidsmarkt). Zie artikel 1 van deze verordening voor de
                            begrippen korte en grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al><al>De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte zich
                            volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht,
                            zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Bij
                            personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs
                            worden verwacht dat hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom.
                            Daarom wordt in beginsel aan personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt geen tegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag
                            immers het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering
                            als uitgangspunt geldt. Aan personen met een lange afstand tot de
                            arbeidsmarkt kan het college wel en tegenprestatie opdragen.</al><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt</cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                            belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een
                            tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat
                            rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie
                            waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door
                            belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte
                            termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er
                            ruimte een tegenprestatie op te leggen.</al><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen –zoals zorgtaken- aanwezig zijn, kan
                            het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De verplichting tot het verrichten van een
                            tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig
                            en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur
                            van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                            p.29).</al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.</al><al><cursief>Factor: tegenprestatie ‘naar vermogen’</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door belanghebbende verricht kunnen worden. De term ‘naar
                            vermogen’ heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden kunnen
                            worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801,
                            nr. 3, p. 30).</al><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het
                            fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen
                            van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren.</al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                            praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van
                            kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                            verricht.</al><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten
                                belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het
                            college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                            belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een
                            belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën
                            aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het
                            college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn
                            keuze voor het verrichten van maatschappelijke nuttige activiteit
                            kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                            belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel
                            van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                            tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde
                            bij of krachtens artikel 3 van deze verordening en mot die werkzaamheid
                            beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen
                            van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen.
                            Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college
                            belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen
                            voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college
                            een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een
                            belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.</al><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                                belanghebbende</cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p.6). indien
                            een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit
                            aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                            belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat
                            hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                            tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                            voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder
                            of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houden daarbij rekening met de duur en de omvang.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het college kan
                            ook besluiten vrijwilligerswerk van zes uren per week aanmerken als
                            tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de
                            minimale en maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in
                            artikel 5 van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het
                            vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van
                            aard is, is geen begripsomschrijving opgenomen.</al><al><cursief>Factor: tegenprestatie moet geen belemmering zijn voor
                                scholing- of re-integratieactiviteiten</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                            scholing- of re-integratieactiviteiten van een belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 5 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de
                            tegenprestatie.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                            zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis
                            van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in dagen</cursief></al><al>Artikel 5, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor
                            een maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de
                            maximale duur van twee weken. Uit het onderzoeksrapport ‘Voor wat hoort
                            wat’ blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de
                            tegenprestatie uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar
                            en bij iets minder dat de heft is de gemiddelde duur meer dan een half
                            jaar. Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de
                            tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet
                            beperkt in duur en in omvang.</al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in uren</cursief></al><al>Artikel 5, derde lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor
                            een maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor
                            maximaal 376 uur per 12 maanden. Voor het minimaal aantal uren is
                            gekozen om personen werkzaamheden te laten verrichten van enige omvang.
                            Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie van
                            relatief geringe omvang te laten zijn. De tegenprestatie kan dan
                            bijvoorbeeld maximaal 32 uur per week in 3 maanden of 8 uur in 12
                            maanden gevraagd worden.</al><al>Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt
                            ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de
                            re-integratie van een belanghebbende. Bovendien is het verstandig de
                            tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de
                            veilige kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het
                            verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM).
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college
                            het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt en deze
                            mantelzorg een belemmering vormt voor het verrichten van een
                            tegenprestatie. De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk
                            benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen
                            WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p.6). Of sprake is van mantelzorg
                            wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                            neergelegd in artikel 1 van deze verordening en is het verrichten van
                            mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt
                            het college een belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 6 van
                            deze verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 7 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden
                            voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat
                            indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn binnen
                            de eigen gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht moet worden
                            naar maatschappelijke nuttige werkzaamheden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf
                            die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd
                            om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>Door middel van dit artikel wordt de oude verordening, welke in november
                            2014 is vastgesteld, ingetrokken.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>