<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387353_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet West Maas en Waal 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">West Maas en Waal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/12-20 15int718</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet West Maas en Waal 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet 2016</vet></al><al/><al>Vastgesteld bij raadsbesluit van 3 december 2015, kenmerk 2012/12-20
                        15int718</al><al>De raad van de gemeente West Maas en Waal;</al><al>Gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        20 oktober 2015, kenmerk 1.2.5;</al><al>Gelet op artikel gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder
                        a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid, van de
                        Participatiewet;</al><al>Besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>“Re-integratieverordening
                    Participatiewet West Maas en Waal
                        2016”</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="d."><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het aanbod van voorzieningen kan het college onderscheid maken
                                tussen personen met een korte afstand, of een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de inzet van ondersteuning en het aanbieden van
                                voorzieningen wordt door het college afgewogen of de ondersteuning
                                of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de
                                belanghebbende(n), het meest doelmatig is met het oog op
                                inschakeling in de arbeid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met
                                de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De
                                omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die
                                persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk.
                                Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zorgt voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen en zorgt voor een evenwichtige aanpak
                                binnen de verschillende doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod van voorzieningen
                                prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en
                                maatschappelijke-, economische- en conjuncturele ontwikkelingen.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt welke voorzieningen kunnen worden aangeboden en
                                de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt; </al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, als bedoeld in dit
                                artikel, nadere regels stellen. Deze regels hebben o.a. betrekking
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanbod van voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="c."><al>de aanvraag van- en de besluitvorming over subsidies;</al></li><li nr="d."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="e."><al>intrekken of wijziging van subsidieverlening of
                                        -vaststelling;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies;</al></li><li nr="g."><al>het aanbieden/vergoeden aan werkgevers van de
                                        no-riskpolis;</al></li><li nr="h."><al>het aanbod van scholing of opleiding zoals bedoeld in
                                        artikel 10a, vijfde lid van de wet;</al></li><li nr="i."><al>de premie, als bedoeld in artikel 10a zesde lid van de
                                        wet;</al></li><li nr="j."><al>beschut werk zoals bedoeld in artikel 10b van de wet en
                                        artikel 6 van deze verordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ten aanzien van de
                                noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt
                                maximaal € 300,00 per zes maanden, mits voldoende is meegewerkt aan
                                het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Deze
                                premie wordt verstrekt naar rato van het aantal gewerkte uren per
                                week op de participatieplaats inclusief scholing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de
                                werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen
                                in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar
                                stelt. In verband hiermee overlegt het college met het
                                Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de gemeente
                                gelieerde bedrijven en andere reguliere werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al><cursief>Vervallen per 1-1-2016.</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen en overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Re-integratieverordening Wwb 2015 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                    grond van de Re-integratieverordening Wwb 2012, die moet worden
                                    beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                    voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                    Re-integratieverordening Wwb 2012 voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van
                                            deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode
                                            als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                    bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                    voortgezet.</al></li><li nr="4."><al>De Re-integratieverordening Wwb 2012 blijft van toepassing ten
                                    aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het
                                    tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2016.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet 2016.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>DE RAAD VAN DE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, wnd.</ondertekening><ondertekening>Mw. E (Esther) Jonkman </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.A.M. (Thomas) Steenkamp</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>persoonlijke ondersteuning (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en
                            10, eerste lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het
                    betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdeel b, artikel 35,
                            vierde lid, onderdeel b en artikel 36, derde lid, onderdeel b van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat
                            het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel10d van
                            de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                    aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Onder korte afstand wordt verstaan de personen die ingedeeld zijn in groep 1 en
                    2. </al><tussenkop>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</tussenkop><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Onder grote afstand wordt verstaan de personen die ingedeeld zijn
                    in groep 3 (en 4). </al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening aandacht besteden aan de verdeling van de
                    voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de
                    omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt
                    besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en
                    functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming
                    met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De
                    doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het
                    volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en
                    fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de
                    eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande
                    uitvoering gegeven.</al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, derde
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                    werk).</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid,
                    onderdeel b en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het moment dat het
                    inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten
                    minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                    geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is
                    verstrekt.</al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het derde lid geeft het college de mogelijkheid om met betrekking tot de
                    voorzieningen nadere regels vast te stellen. Dit biedt het college de
                    mogelijkheid tot het voeren van een adequaat en flexibel re-integratiebeleid,
                    zonder dat daarvoor steeds de verordening moet worden aangepast. </al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de loonkostensubsidie via een andere
                    verordening wordt geregeld. Maar ook met betrekking tot loonkostensubsidie kan
                    het college nadere regels vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 4. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of vwo-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                    mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                    sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                    arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet).
                    Dit is voor de volledigheid opgenomen in het derde lid.</al><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief> Wanneer een
                    persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een
                    startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of
                    opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de
                    werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 5. Participatieplaats</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet en het eerste lid van artikel 5 van deze verordening). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al> Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan op een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats
                    beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt
                    opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente
                    concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de
                    persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                    kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval
                    dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van
                    de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling
                    plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).</al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onder c, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 6. Beschut werk</tussenkop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren. Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat het college uitsluitend personen met een grote afstand
                    tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                    beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                    Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) advies inwinnen voor de
                    beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving
                    onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een persoon tot
                    de doelgroep beschut werk behoort. Het UWV voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de
                    doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                    totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het advies
                    niet te volgen.</al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen individueel of in groepsverband in een beschutte omgeving bij reguliere
                    werkgevers werken.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten organiseren
                    het werk via de aan de gemeente gelieerde SW-organisatie. Ook kunnen zij
                    afspraken maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij
                    deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.</al><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers.
                    Daarom moet het college overleg voeren met partners om de omvang van het aanbod
                    te kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 7. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In dit artikel wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                    begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al><tussenkop>Artikel 8. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). Het college kan
                    de kosten van de no-riskpolis voor werkgevers vergoeden (eerste lid). De
                    no-riskpolis is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te
                    nemen om mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt
                    ervoor dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een
                    werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                    aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                    toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Bij wet, TK 2014-2015, 34194, nr 3 blz. 4, is de grondslag voor het
                    regelen van een no risk polis ingetrokken voor de periode 2016 –
                    2020.</tussenkop><tussenkop>In deze periode wordt de no risk uitgevoerd door het UWV en ook landelijk
                    bekostigd.</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In dit artikel is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 10,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorziening wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening Wwb 2012. Wordt niet meer aan die voorwaarden voldaan,
                    dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als een belanghebbende
                    geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De
                    periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van
                    deze verordening.</al><al> Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Wwb 2012
                    worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze
                    verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 10, derde lid). Hierbij kan het college
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratie-voorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al> Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening Wwb
                    2012 of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na
                    inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te
                    worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening Wwb 2012 van
                    toepassing (artikel 10, vierde lid, van deze verordening).</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>