<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR387002_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening VERONTREINIGINGSHEFFING Rijnland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-8766.html">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening VERONTREINIGINGSHEFFING Rijnland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005108">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:WATERWET&amp;artikel=hoofdstuk 7&amp;g=2015-10-13"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15.081619</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening VERONTREINIGINGSHEFFING Rijnland 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Artikel 1 <onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al/><al/><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>.a oppervlaktewaterlichaam: samenhangend geheel van vrij aan het
                        aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de
                        bijbehorende bodem en oevers ten aanzien waarvan het waterschap ingevolge
                        artikel 3.2 van de Waterwet is aangewezen als beheerder, met uitzondering
                        van de gronden die ingevolge artikel 3.1 of 3.2 zijn aangewezen als droge
                        oevergebieden.</al><al>15.b stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al><al>15.c lozen: het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam als
                        bedoeld onder a;</al><al>15.d woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om als
                        een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen
                        blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                        gebruik te worden gegeven;</al><al>15.e bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                        afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een
                        woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering;</al><al>15.f riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                        stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die
                        door een gemeente met het beheer is belast;</al><al>15.g zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                        afvalwater, in exploitatie bij een </al><al>15.waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur
                        van een waterschap met de </al><al>15.zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij
                        dat werk behorende werk voor </al><al>15.het transport van stedelijk afvalwater;</al><al>15.h stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan
                        met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander
                        afvalwater.</al><al>15.i de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, of de
                        door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 124,
                        vijfde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet;</al><al>15.j watersysteem: het watersysteem zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                        van de Waterschapswet;</al><al>15.k drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet;</al><al>15.l ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                        onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al><al>15.m warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
                        de Drinkwaterwet.</al><al>15.<vet><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 2</vet></al><al>15.Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al>15.– Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                        berekening;</al><al>15.– Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel
                        122k, derde lid, van de Waterschapswet;</al><al>15.<vet><onderstreept>Belastbaar feit en
                        heffingsplicht</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 3</vet></al><al>15.1 Onder de naam verontreinigingsheffing wordt een directe belasting
                        geheven ter zake van lozen.</al><al>15.2 Aan de heffing worden onderworpen:</al><al>15. a ter zake van het lozen vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte:
                        degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al><al>15. b ter zake van het lozen met behulp van een riolering of van een
                        zuiveringtechnisch werk: degene bij wie die riolering of dat
                        zuiveringtechnisch werk in beheer is;</al><al>15. c ter zake van het lozen anders dan bedoeld onder a of b: degene die
                        loost.</al><al>15.3 Voor de toepassing van het tweede lid onder a, wordt:</al><al>15. a gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden aangemerkt
                        als gebruik door het door de ambtenaar belast met de heffing aangewezen lid
                        van dat huishouden;</al><al>15. b gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik
                        is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die het deel in gebruik heeft
                        gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing
                        als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                        gegeven;</al><al>15. c het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor
                        volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die ruimte ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft
                        gesteld is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de
                        ruimte ter beschikking is gesteld.</al><al>15.4 De opbrengst van de verontreinigingsheffing komt ten goede aan de
                        bekostiging van het beheer van het watersysteem door het waterschap;</al><al>15.5 Van de heffing is vrijgesteld een lozing van het waterschap zelf met
                        behulp van een werk voor het zuiveren van afvalwater op oppervlaktewater als
                        bedoeld in artikel 1, onderdeel a.</al><al>15.6 Van de heffing is vrijgesteld een lozing door middel van een overstort
                        vanuit een riolering op oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                        a.</al><al>15.<vet><onderstreept>Vrijstellingen</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 3a</vet></al><al>15.Van de verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</al><al>15.a het lozen met behulp van een openbaar vuilwaterriool;</al><al>15.b het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk door het waterschap
                        zelf;</al><al>15.c het lozen vanuit een zuiveringstechnisch werk anders dan door het
                        waterschap zelf, mits de hoeveelheid stoffen niet is toegenomen.</al><al>15.<vet><onderstreept>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsevenredigheid</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 4</vet></al><al>15.1 De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                        in artikel 15 is verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit
                        later is, bij de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>15.2 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                        eerste lid in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de heffing
                        verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar
                        verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de
                        heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. </al><al>15.3 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het eerste
                        lid in de loop van het heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing
                        voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing
                        als er in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle
                        kalendermaanden overblijven. </al><al>15.4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de gebruiker
                        van een woonruimte binnen het gebied van het waterschap verhuist en daarbij
                        weer het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt
                        geloosd.</al><al>15.<vet><onderstreept>Heffingsjaar</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 5</vet></al><al>15.Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al>15.<vet><onderstreept>Aangifte</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 5a</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Met betrekking tot de verontreinigingsheffing geheven van gebruikers
                                van bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet met een
                                        aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen op
                                        de wijze als bedoeld in lid 3, onderdeel b.</al></li><li nr="c."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in lid 3, onderdeel b.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Op verzoek van degene die op de wijze bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel c, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de
                                ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></li><li nr="3"><al>Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Indien het derde lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de
                                eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of al dan
                                niet overeenkomstig het eerste lid toegezonden.</al></li><li nr="5"><al>Degenen die betrokken zijn bij de aangifte, bedoeld in het derde
                                lid, onderdeel b, dragen zorg voor de nodige voorzieningen van
                                technische en organisatorische aard tegen verlies of aantasting van
                                de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of
                                verstrekking daarvan.</al></li><li nr="6"><al>De via de programmatuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, toe
                                te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan
                                die welke toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden voor
                                de aangifte als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Grondslag en
                        heffingsmaatstaf</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 6</vet></al><al>15.1 Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de hoeveelheid
                        en de hoedanigheid van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        geloosd.</al><al>15.2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd. De vervuilingswaarde wordt
                        uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al><al>15. 3 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                        stoffen wordt bepaald op basis </al><al>15. van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                        door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I
                        van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                        tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                        kilogram zuurstof.</al><al>15.<vet><onderstreept>Meting, bemonstering en
                        analyse</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 7</vet></al><al>15.1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                        wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen
                        gegevens. De meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                        achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al><al>15.2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                        geschieden ieder etmaal van het heffingsjaar, behoudens het bepaalde in
                        artikel 8.</al><al>15.3 De meting en de bemonstering geschieden zodanig dat:</al><al>15. a de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                        werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>15. b het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                        stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel wordt geloosd.</al><al>15.4 De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met een
                        beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur voor aanvang van het
                        heffingsjaar ter kennis van de ambtenaar belast met de heffing.</al><al>15.5 De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>15. a kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                        afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdelen A en B, opgenomen
                        voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter
                        voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>15. b beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat meting en
                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in
                        Bijlage I, onderdelen A en B, opgenomen voorschriften, indien de
                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het
                        bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>15. c beslist op aanvraag van de heffingsplichtige dat kan worden afgeweken
                        van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien de
                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>15. d kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c
                        nadere voorschriften geven.</al><al>15.6 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                        het vijfde lid, onderdelen a, b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking.
                        Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>15. a de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                        afgeweken;</al><al>15. b de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>15. c de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven. </al><al>15.7 De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                        het vijfde lid genomen beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde
                        bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al><al>15.8 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                        verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde,
                        respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld
                        in het vijfde lid, ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het
                        bepaalde in het eerste lid en het derde lid.</al><al>15.<vet><onderstreept>Beperkte meting, bemonstering en analyse
                            </onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 8</vet></al><al>15.1 Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                        berekening van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                        gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt
                        aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                        dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor
                        bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>15. a een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                        onderzoek dienen te worden betrokken;</al><al>15. b de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                        etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                        daarvan;</al><al>15. c de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                        herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                        onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven. </al><al>15.2 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                        verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de geloosde,
                        respectievelijk te lozen stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in
                        het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                        berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot een ander
                        aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen.</al><al>15.3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                        het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al><al>15.<onderstreept>Hoedanigheidscorrectie</onderstreept></al><al>15.<vet>Artikel 9</vet></al><al>15.1 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                        zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed door
                        biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van
                        de heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al><al>15.2 De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                        voorschriften welke zijn opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al><al>15.3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld in
                        het eerste lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat
                        in elk geval:</al><al>15. a de wijze van berekening van de correctie;</al><al>15. b de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                        van toepassing is;</al><al>15. c de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                        bemonstering en analyse;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>15.<onderstreept>Tabel afvalwatercoëfficiënten</onderstreept></al><al>15.<vet>Artikel 10</vet></al><al>15.1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het aantal
                        vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                        kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden
                        vastgesteld met behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen
                        tabel afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige aannemelijk
                        is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal
                        aan de hand van de hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al><al>15.2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                        berekend volgens de formule A x B, waarbij</al><al>15. A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>15. B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                        II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><al>15.3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                        worden vastgesteld aan de hand van watermeterstanden die aan het begin en
                        aan het einde van het kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast
                        met de heffing die hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen
                        wijze.</al><al>15.4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ als
                        bedoeld in het tweede lid wordt bepaald met toepassing van het Besluit
                        vervuilingswaarde ingenomen waarde 2009.</al><al>15.5 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een
                        onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal vervuilingseenheden met
                        toepassing van de in het eerste lid, aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere
                        uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen bij berekening op de voet van
                        artikel 7, eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                        bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                        vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al>15.<vet><onderstreept>Vervuilingswaarde van
                            tuinbouwkassen</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 11</vet></al><al>15.1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die worden geloosd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van
                        een bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen
                        te telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al><al>15.2 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                        vloeroppervlak waarop onder glas of kunststof wordt geteeld en per deel van
                        een hectare vloeroppervlak een evenredig deel van drie
                        vervuilingseenheden.</al><al>15.3 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                        eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan
                        wel van een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij
                        in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat
                        deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald
                        aantal vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al><al>15. 4 Bij beëindiging van het gebruik of vermindering van het aantal hectare
                        vloeroppervlak in de loop </al><al>15. van het kalenderjaar wordt, op aanvraag van de gebruiker, ontheffing
                        c.q. vermindering verleend. Vermeerdering van het aantal hectare
                        vloeroppervlak die zich in de loop van het kalenderjaar voordoet dient
                        onverwijld aan het hoogheemraadschap te worden gemeld.</al><al>15.5 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                        bedrijfsruimte, berekend op basis van het tweede of derde lid, van minder
                        dan vijf vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één
                        of minder dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.</al><al>15.<vet><onderstreept>Totale vervuilingswaarde van een
                                bedrijfsruimte</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 12</vet></al><al>15.De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte wordt bepaald op de som van
                        de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 7
                        tot en met 11, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al>15.<onderstreept>Vervuilingswaarde van kleine
                        bedrijfsruimten</onderstreept></al><al>15.<vet>Artikel 13</vet></al><al>15.1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch
                        werk voor het zuiveren van afvalwater worden geloosd gesteld op drie
                        vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt
                        dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op
                        één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is
                        gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>15.2 Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                        vervuilingseenheden en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                        vervuilingswaarde één vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat
                        aanspraak op vermindering. De heffingsplichtige kan daartoe na afloop van
                        het heffingsjaar of, bij beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van
                        het heffingsjaar een aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de
                        heffing.</al><al>15.<vet><onderstreept>Vervuilingswaarde van
                        woonruimten</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 14</vet></al><al>15.1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die vanuit een woonruimte worden geloosd, gesteld op drie
                        vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door
                        één persoon gebruikte woonruimte worden geloosd, bedraagt één
                        vervuilingseenheid.</al><al>15.2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                        bestemde woonruimten die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie
                        bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                        bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan
                        wel als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al><al>15.3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                        gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de
                        vervuilingswaarde op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de
                        eerstvolgende kalendermaand. </al><al>15.<vet><onderstreept>Schatting</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 15</vet></al><al>15.De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                        een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                        vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><al>15.a meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                        overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>15.b het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, eerste of vijfde lid, 13, eerste lid, of 14, eerste lid, niet
                        mogelijk is;</al><al>15.c het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 11, eerste of vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                        heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat
                        artikel is gedaan :</al><al>15.d niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                        artikel 8, 9 of 10 bedoelde toestemming.</al><al>15.<vet><onderstreept>Tarief</onderstreept></vet><vet><onderstreept> en niet
                                opleggen van aanslagen</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 16</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Het tarief bedraagt € 52,80 per vervuilingseenheid.</al></li><li nr="2."><al> Belastingaanslagen van € 5,00 of minder worden niet opgelegd. Voor
                                de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen voor belastingen of
                                andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Wijze van heffing en termijnen van
                                betaling</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 17</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De heffing wordt geheven bij wege van aanslag. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt dat, ingeval het
                                totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als
                                het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is
                                dan € 75,--, doch minder dan € 5.000,--, en zolang de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                                afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke
                                termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van
                                het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand
                                later. </al></li><li nr="4."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen. </al></li></lijst><al>15.<onderstreept>Nadere regels</onderstreept></al><al>15.<vet>Artikel 18</vet></al><al>15.Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering.</al><al>15.<vet><onderstreept>Kwijtschelding</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 19</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kwijtschelding wordt uitsluitend verleend ter zake van de heffing
                                voor het lozen vanuit een woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Bij de kwijtschelding als bedoeld in lid 1 wordt, in afwijking van
                                artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met
                                betrekking tot de kosten van bestaan, het forfaitaire percentage van
                                100 gehanteerd. </al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Inwerkingtreding en
                        citeertitel</onderstreept></vet></al><al>15.<vet>Artikel 20</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De 'Verordening verontreinigingsheffing Rijnland 2015’, vastgesteld
                                bij besluit van 5 november 2014, wordt ingetrokken met ingang van de
                                in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                                zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2"><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de
                                bekendmaking.</al></li></lijst><al>15.3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al><al>15.4 Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                        Verontreinigingsheffing Rijnland 2016'.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>15.Leiden, 4 november 2015</ondertekening><ondertekening>15.De Verenigde vergadering voornoemd,</ondertekening><ondertekening>15.G.J. Doornbos</ondertekening><ondertekening>15.dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>15.ir. A. Haitjema</ondertekening><ondertekening>15.secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage II</vet></al><al><vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten </vet>artikel 7.3b, vijfde lid, Waterwet,
                    juncto artikel 122k, derde lid, Waterschapswet)</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Klasse</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden met
                                        betrekking tot het zuurstofverbruik</al><al>per ³ ingenomen water</al></entry><entry colname="col4"><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                        vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                        heffingsjaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>ondergrens</al></entry><entry colname="col3"><al>bovengrens</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0013</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0010</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0020</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0016</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0031</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0048</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0039</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0075</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0060</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry colname="col3"><al>0,012</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0094</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,012</al></entry><entry colname="col3"><al>0,018</al></entry><entry colname="col4"><al>0,015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,018</al></entry><entry colname="col3"><al>0,029</al></entry><entry colname="col4"><al>0,023</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,029</al></entry><entry colname="col3"><al>0,045</al></entry><entry colname="col4"><al>0,036</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,045</al></entry><entry colname="col3"><al>0,070</al></entry><entry colname="col4"><al>0,056</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,070</al></entry><entry colname="col3"><al>0,11</al></entry><entry colname="col4"><al>0,088</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,11</al></entry><entry colname="col3"><al>0,17</al></entry><entry colname="col4"><al>0,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,17</al></entry><entry colname="col3"><al>0,27</al></entry><entry colname="col4"><al>0,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,27</al></entry><entry colname="col3"><al>0,42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,42</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><al><vet>Toelichting op de verordening verontreinigingsheffing</vet></al><al><vet>A ALGEMEEN</vet></al><al><cursief>Doelstelling en karakter verontreinigingsheffing</cursief></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wet van
                    13 november 1969, Stb. 536) kreeg de verontreinigingsheffing als doelstelling de
                    financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de
                    verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid). De
                    verontreinigingsheffing is dus een bestemmingsheffing (dekkingsmiddel van
                    kosten). </al><al>De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn onder
                    te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren van
                    afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer
                    (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                    waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot dusver geduid
                    als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. </al><al>Met de inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21
                    mei 2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al><al>Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4, eerste
                    lid, van de Waterwet, een taak die bij het waterschap is ondergebracht. De
                    financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de behartiging van de taak
                    inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met ingang van 2009 uit de opbrengst
                    van de zuiveringsheffing, waarvoor de bepalingen zijn opgenomen in de artikelen
                    122c tot en met 122k van de Waterschapswet.</al><al>Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren van
                    afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de zorg voor
                    de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg voor het
                    watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden uit de opbrengst van
                    de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de waterschapsomslagen
                    (artikel 117 van de Waterschapswet).</al><al>Hierdoor zou de situatie ontstaan dat directe lozingen op oppervlaktewater niet
                    langer aan een specifieke heffing zouden zijn onderworpen. Dit werd niet
                    wenselijk geacht, zodat de verontreinigingsheffing voor deze categorie lozingen
                    wordt gecontinueerd. Met ingang van 1 januari 2010 is de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren echter vervallen en zijn de relevante bepalingen betreffende
                    de verontreinigingsheffing opgenomen in Hoofdstuk 7 van de Waterwet. In artikel
                    7.2, vijfde lid, Waterwet, is bepaald dat de opbrengst van de
                    verontreinigingsheffing ten goede komt aan het watersysteem. </al><al/><al><vet>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Considerans</vet></al><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                    belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de Waterschapswet.
                    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de belastingverordening
                    (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al><cursief>Bevoegdheid instellen verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De bevoegdheid voor waterschappen om een verontreinigingsheffing in te stellen,
                    ligt in artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet. Voorts zijn in hoofdstuk 6 van
                    het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels gesteld.</al><al>De essentialia van de verontreinigingsheffing zijn opgenomen in de artikelen
                    7.2, 7.3, 7.3a en 7.3b van de Waterwet. In deze verordening zijn deze
                    essentialia overgenomen. In artikel 7.3b, vijfde lid, van de Waterwet is bepaald
                    dat de artikelen 122h, eerste, vijfde en zesde lid, en 122i tot en met 122l van
                    de Waterschapswet van overeenkomstige toepassing zijn. De tabel
                    afvalwatercoëfficiënten zoals die is opgenomen in artikel 122k van de
                    Waterschapswet maakt als Bijlage I onderdeel uit van deze verordening.</al><al><vet><onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al/><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening voorkomende
                    begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is van deze
                    begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is zo veel mogelijk
                    aangesloten bij de begripsbepalingen in de Waterwet.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ is omschreven in artikel 1.1 van de
                    Waterwet. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten, met die verstande, dat alleen
                    de oppervlaktewateren waarvan het waterschap is aangewezen als beheerder onder
                    de reikwijdte van deze verordening vallen. </al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                    artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap in
                    de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die stoffen.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Lozen is het direct brengen van stoffen in oppervlaktewaterlichaam in beheer bij
                    het waterschap.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>In artikel 7.1 van de Waterwet is een definitie van het begrip woonruimte
                    opgenomen. Dit onderdeel regelt, in overeenstemming met de definitie uit de
                    Waterwet, wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet elke bewoonde
                    ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte wordt geacht te zijn
                    bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit
                    het geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze definitie
                    wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig
                    bruikbaar is en derhalve niet meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in
                    het gebouw aanwezige voorzieningen die voor de woonfunctie wel van wezenlijk
                    belang zijn. Hierbij moet worden gedacht aan het met gebruikers van andere
                    ruimten delen van faciliteiten als kookgelegenheid, sanitair of bad- en
                    douchegelegenheid. Dit komt vaak in onder meer studentenhuizen en pensions voor.
                    In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van een woonruimte in de
                    zin van deze verordening. Zie hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23
                    juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB
                    1995/92, Belastingblad 1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77,
                    Belastingblad 1996, blz. 168).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden uit het
                    arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip als
                    woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>In artikel 7.1 van de Waterwet is een definitie van het begrip bedrijfsruimte
                    opgenomen. Bij Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor
                    een negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                    geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden
                    aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte
                    aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). </al><al>In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter anders.
                    Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels weiland- dat niet
                    als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden namelijk geen opstallen op
                    en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik van machines die elders, in de
                    schuur achter zijn boerderij, werden gestald. Hierdoor was hij meer dan
                    bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor de bedrijfsexploitatie
                    wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18 februari 1997, Belastingblad
                    1997, blz. 729). </al><al>Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                    duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het lozen van met
                    slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22 augustus
                    1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van
                    twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge Raad van
                    14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                    verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één bedrijfsruimte werd
                    aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het feit dat de stortplaats
                    maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen
                    deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat wordt
                    bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit kan worden
                    beheerd door de gemeente zelf, of door een rechtspersoon, in opdracht van de
                    gemeente. In de Waterwet is een zelfde definitie opgenomen voor het begrip
                    “openbaar vuilwaterriool”. Omdat de Waterwet en de Verordening voor de heffing
                    uitgaan van het begrip “riolering”, is er voor gekozen het begrip “riolering” te
                    definiëren. </al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>Een zuiveringtechnisch werk is een werk voor het zuiveren van stedelijk
                    afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een
                    rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van
                    stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende werk
                    voor het transport van stedelijk afvalwater. Deze definitie is ontleend aan
                    artikel 1.1 van de Waterwet. Het begrip omvat naast
                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve van
                    het afvalwater. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder begrepen (zie
                    onderdeel f, waarbij het begrip riolering is gedefinieerd). </al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>De definitie van stedelijk afvalwater is ontleend aan artikel 1.1 van de
                    Waterwet.</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>i</cursief></al><al>De inspecteur is het bestuursorgaan aan wie de wetgever door middel van de
                    Algemene wet inzake rijksbelastingen de bevoegdheid tot het opleggen van
                    aanslagen en het doen van uitspraak op bezwaarschriften heeft geattribueerd. In
                    artikel 123 van de Waterschapswet wordt onder meer de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen van toepassing verklaard voor het heffen van belastingen door
                    waterschappen. Dit artikel bepaalt voorts dat de bevoegdheden van de inspecteur
                    toekomen aan de daartoe aangewezen ambtenaar van het waterschap. Die aanwijzing
                    geschiedt bij een door het dagelijks bestuur te nemen aanwijzingsbesluit. Tevens
                    kan, op grond van het vijfde lid van artikel 124 van de Waterschapswet, een
                    ambtenaar van een gemeenschappelijke regeling worden aangesteld als ambtenaar
                    belast met de heffing. Behalve het opleggen van aanslagen en het doen van
                    uitspraak op bezwaarschriften komt krachtens deze verordening aan deze
                    functionaris ook de bevoegdheid tot het afgeven van meetbeschikkingen toe
                    (artikel 7 en verder).</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>j</cursief></al><al>Hoewel de Waterschapswet dit begrip niet expliciet omschrijft, moet onder het
                    watersysteem worden verstaan de zorg voor de waterkering, de waterbeheersing en
                    het passieve waterkwaliteitsbeheer. De Waterwet kent in artikel 1.1. een
                    definitie van het begrip watersysteem. Omdat in deze verordening bedoeld wordt
                    het watersysteem, zoals de zorg daarvoor dat als taak aan het waterschap is
                    opgedragen, wordt aansluiting gezocht bij artikel 1.2 uit de Waterschapswet. </al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>k</cursief></al><al>De definitie van drinkwater is ontleend aan artikel 1, eerste lid, van de
                    Drinkwaterwet.</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>l</cursief></al><al>Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo wordt op
                    steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik hemelwater
                    opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt geloosd, dient het eveneens in de
                    berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken. Ditzelfde geldt voor
                    warm tapwater (zie onderdeel m).</al><al><cursief>Onderdeel </cursief><cursief>m</cursief></al><al>In de Drinkwaterwet komt het begrip warm tapwater voor (artikel 1, eerste lid).
                    Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier wordt opgewarmd
                    alvorens het aan de consument wordt geleverd. Door de Drinkwaterwet wordt warm
                    tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip drinkwater. Het is echter wel
                    water dat na gebruik wordt afgevoerd en valt daarom binnen de ratio van
                    ingenomen water (zie onderdeel l).</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>De grondslag voor de verontreinigingsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                    en de hoedanigheid van de stoffen die worden geloosd. Als heffingsmaatstaf geldt
                    de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden geloosd,
                    uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 7.3b, eerste lid,
                    van de Waterwet, is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden wordt
                    vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de wijze van
                    meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband ook de artikelen
                    7, 8 en 9 van de verordening.</al><al>In artikel 7.3b, vijfde lid, van de Waterwet is bepaald dat de artikelen 122h,
                    eerste, vijfde en zesde lid, en 122i tot en met 122l van de Waterschapswet van
                    overeenkomstige toepassing zijn. In deze artikelen ook een aantal uitzonderingen
                    op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in casu voor woonruimten,
                    kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en bedrijven met een
                    vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en minder, zijn eveneens in deze
                    verordening opgenomen.</al><al>Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik
                    van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder voorwaarden de berekening van
                    het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden met behulp van de tabel
                    afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van meting, bemonstering en
                    analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k, derde lid, van Waterschapswet
                    en volledigheidshalve eveneens in Bijlage II. De wijze waarop deze tabel moet
                    worden toegepast, is geregeld in artikel 10.</al><al>De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><tussenkop>Belastbaar feit en heffingsplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De verontreinigingsheffing is verschuldigd wanneer stoffen in oppervlaktewater
                    worden geloosd. Deze doelstelling is tot uitdrukking gebracht in het eerste lid
                    van artikel 3. De opbrengst komt, zoals blijkt uit het vierde lid, ten goede aan
                    de bekostiging van het beheer van het watersysteem. De verontreinigingsheffing
                    is dus primair een bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende
                    nevenwerking kan hebben. </al><al>Het belastbare feit is het lozen van stoffen, dat wil zeggen het direct brengen
                    van stoffen in een oppervlaktewater, waarvoor het waterschap bevoegd tot het
                    verlenen van vergunningen in het kader van de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. De vraag of het geloosde water van slechtere kwaliteit is
                    dan het oppervlaktewater waarop wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit
                    een arrest waarbij het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd
                    gebruikt als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                    1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                    oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens weer wordt
                    geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de berekening van de
                    vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling in aanmerking genomen
                    (zie Bijlage I bij de verordening). Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart
                    1996 (BNB 1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                    wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende regeling (zie
                    ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</al><al>Ook wordt de verontreinigingsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                    is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de richtige
                    heffing in hoofdstuk VI van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen in een oppervlaktewater lozen.
                    Dergelijke lozingen kunnen op verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de
                    omschrijving van de belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het
                    object van waaruit wordt geloosd.</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                    gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de
                    ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels opstelt
                    op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan worden
                    aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                    voor de heffingsplichtigen. </al><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Vindt de lozing plaats vanuit een woonruimte of vanuit een bedrijfsruimte, dan
                    is de gebruiker van die ruimte aan de heffing onderworpen. Het komt voor dat een
                    woonruimte of een bedrijfsruimte aan een gebruiker wordt verhuurd, waarbij één
                    van de voorwaarden luidt dat de belastingen, waar onder de
                    verontreinigingsheffing, worden gedragen door de verhuurder. Dergelijke
                    overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de gebruiker blijft
                    heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst zelf het bedrag van
                    de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand kan
                    bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te worden
                    aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3,
                    derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie ook Hoge Raad
                    23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari
                    1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker van een
                    bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden aangemerkt degene
                    die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                    bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in opdracht van de
                    landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken
                    voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                    Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op zijn
                    gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van wisselende,
                    opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de verhuurder/exploitant
                    belastingplichtig.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Vindt de lozing plaats vanuit een riolering of vanuit een zuiveringstechnisch
                    werk, dan is de beheerder van die riolering of van dat zuiveringstechnisch werk
                    heffingsplichtig. </al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Wanneer er sprake is van een lozing die niet kan worden gerangschikt onder één
                    van de in onderdeel a of onderdeel b genoemde situaties, dan is degene die
                    feitelijk loost aan de heffing onderworpen. </al><al>Deze bepaling is ontleend aan artikel 7.2, derde lid, onderdeel c, van de
                    Waterwet. Deze bepaling is oorspronkelijk ingevoerd nadat was gebleken dat een
                    (incidentele) lozing vanuit een tankauto niet als een lozing vanuit een
                    bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien bleek in de praktijk het
                    achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler niet altijd
                    mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van individuele vervuilingswaarden
                    indien de stoffen van meer dan één adres afkomstig zijn. In die gevallen biedt
                    deze bepaling soelaas, omdat de feitelijke lozer (in het geval van een tankauto
                    dus de vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al><al>Door de gekozen formulering zijn overigens niet alleen lozingen vanuit
                    tankauto’s aan de heffing onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van
                    lozen anders dan vanuit een woonruimte, een bedrijfsruimte, een riolering of een
                    zuiveringstechnisch werk. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><tussenkop>Onderdeel a</tussenkop><al>Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                    gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van de
                    aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond waarvan die
                    belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in beleidsregels.</al><tussenkop>Onderdeel b</tussenkop><al>Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven
                    aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de aan dat deel
                    toe te rekenen verontreinigingsheffing verhalen op degene die het in gebruik
                    heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Onderdeel c</tussenkop><al>Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                    perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt gesteld,
                    kan de heffingsplichtige de verontreinigingsheffing verhalen op degenen aan wie
                    hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Hoewel het watersysteem in de vorm van de watersysteemheffing een eigen
                    financieringsstructuur kent, komt de opbrengst van de verontreinigingsheffing
                    ten goede aan de financiering van de kosten van het watersysteem. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er wordt geloosd vanuit een eigen zuiveringsinstallatie van het
                    waterschap, dan is die lozing vrijgesteld van de heffing. </al><tussenkop>Vrijstellingen</tussenkop><al>Artikel 3a</al><al>In de Waterwet zijn in artikel 7.5, eerste lid, verschillende wettelijke
                    vrijstellingen voor de verontreinigingsheffing opgenomen. Deze vrijstellingen
                    zijn in artikel 3a overgenomen. </al><tussenkop>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                    tijdsevenredigheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                    woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                    regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft
                    als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd
                    (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot
                    het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet zonder
                    meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het heffingsjaar op te
                    leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na afloop van het
                    heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                    belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                    precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15
                    december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof
                    Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                    verontreinigingsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                    definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                    heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij om:</al><al>– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin
                    van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                    heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit geregeld
                    in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten voorziet
                    artikel 13, tweede lid, daar in);</al><al>– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien de
                    heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor woonruimten is
                    dit geregeld in artikel 14, derde lid en voor kleine bedrijfsruimten in artikel
                    13, tweede lid). </al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                    waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13 van
                    de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op drie
                    vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één vervuilingseenheid
                    (artikel 14, eerste lid). De verontreinigingsheffing is echter een
                    tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet gedurende
                    het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de berekening van
                    de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde lid, van de Waterwet
                    bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar aanvangt, de
                    heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen voor een evenredig gedeelte
                    van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden. In de verordening moet zijn
                    aangegeven op welke wijze dat evenredig deel wordt vastgesteld.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de heffing op
                    grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterwet oppervlaktewateren eveneens
                    voor een evenredig deel verschuldigd. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van waaruit
                    eveneens wordt geloosd, zijn zowel het tweede als het derde lid van toepassing.
                    Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is van het eindigen van
                    de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de heffingsplicht. Dit zou
                    resulteren in een vermindering van een al opgelegde, en mogelijk zelfs al
                    betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe aanslag voor de nieuwe
                    woning. Om pragmatische redenen kan worden bepaald dat in een dergelijk geval
                    het tweede en het derde lid niet van toepassing zijn. De aanslag verhuist dan
                    als het ware mee.</al><al>Uiteraard gaat dit niet op wanneer vanuit de nieuwe woning op een
                    zuiveringstechnisch werk van het waterschap wordt afgevoerd: dan is de
                    zuiveringsheffing verschuldigd. </al><tussenkop>Heffingsjaar</tussenkop><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit
                    is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening niet
                    meer mogelijk is.</al><tussenkop>Aangifte</tussenkop><tussenkop>Artikel 5a</tussenkop><al>De verontreinigingsheffing van bedrijfsruimten kan worden geheven na
                    voorafgaande aangifte. Het onderhavige artikel regelt de wijze van uitnodigen
                    tot het doen van aangifte. Tevens is in het derde lid de wijze waarop aangifte
                    moet worden gedaan geregeld. </al><tussenkop>Grondslag en heffingsmaatstaf</tussenkop><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die
                    in een kalenderjaar worden geloosd. In het tweede lid is gekozen voor één
                    uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde van de stoffen die
                        <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden geloosd. Deze
                    heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende als de overige stoffen
                    en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan het lozen is
                    belast. Een verbruik van 54,8 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                    vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de stoffen die worden genoemd in
                    het vierde lid, gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In
                    het vierde lid zijn alle andere stoffen opgenomen die in de heffing worden
                    betrokken. </al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen zuurstofbindende
                    stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de heffingsmaatstaf de
                    vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                    stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om die stoffen af te
                    breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het chemisch
                    zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                    stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte die
                    ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één persoon
                    per jaar. </al><al>In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater dat één
                    persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit onderzoek
                    concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de op dat moment
                    geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6 kilogram per jaar
                    beter in overeenstemming moest worden gebracht met de meest recente gegevens.
                    Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte verhoogd naar 150 gram per
                    etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar.</al><tussenkop>Meting, bemonstering en analyse</tussenkop><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de verontreinigingsheffing
                    de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                    alleen ter zake van het lozen vanuit woonruimten of vanuit bedrijfsruimten, maar
                    ook ter zake van het lozen vanuit zuiveringtechnische werken of op andere
                    wijze.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt het
                    aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering en
                    analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                    geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                    heffingsplichtige.</al><al> Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk wordt
                    vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage
                    oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke verhouding tot de
                    verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988, blz. 626). Hiervan is
                    sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van de verschuldigde
                    heffing.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden
                    gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                    omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en bemonstering aan
                    moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering in Bijlage I zijn
                    een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als aan de
                    voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan onder
                    omstandigheden worden afgeweken.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van de te
                    gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de heffing. Ook
                    de ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het heffingsjaar valt
                    onder de meldingsplicht.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de in
                    Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te voldoen
                    aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat ook
                    dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat de
                    nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt beïnvloed.</al><al>Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                    genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                    open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                    heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik maakt
                    van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in die
                    beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer de
                    heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking onherroepelijk
                    vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de vereiste aangifte te
                    kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in dat geval de aanslag
                    immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting vaststellen en de
                    heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die schatting onvoldoende
                    of geen tegenbewijs leveren. </al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient
                    te bevatten.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde bedrijf of
                    bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die in één
                    geschrift combineren.</al><tussenkop>Achtste lid</tussenkop><al>Hier is aangegeven dat de ambtenaar bevoegd is de beschikkingen ambtshalve te
                    wijzigen of kan intrekken, bij (te verwachten) veranderingen in de hoeveelheid
                    of hoedanigheid van de afgevoerde of af te voeren stoffen. </al><tussenkop>Beperkte meting, bemonstering en analyse</tussenkop><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder etmaal
                    meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen aan de
                    nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een lagere
                    frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige. De
                    heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere frequentie
                    kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de ambtenaar
                    belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze aanvraag wordt
                    beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de volledige fiscale
                    rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de voorschriften moeten worden
                    nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking
                    en zolang deze nog niet onherroepelijk vaststaat.</al><al>In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking tot de
                    in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><tussenkop>Hoedanigheidscorrectie</tussenkop><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de uitkomst ook
                    zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het natuurlijk milieu
                    niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van jurisprudentie komt
                    “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer dan 10%. Wanneer het
                    gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het totale chemisch
                    zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt de gevonden CZV
                    gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke mate” voor ten minste
                    25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal als T-correctie geduid.</al><al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap betreffende de
                    T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook Bijlage I,
                    onderdeel C). Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor
                    toepassing van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast
                    met de heffing beslist hier op in een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit
                    opent voor de heffingsplichtige in voorkomende gevallen de volledige fiscale
                    rechtsgang. Hiermee is deze procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming
                    van de heffingsplichtige met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                    bevatten.</al><tussenkop>Tabel afvalwatercoëfficiënten </tussenkop><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden achterwege
                    blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar wordt het
                    aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met behulp van de
                    tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in Bijlage II en kent
                    vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                        <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal vervuilingseenheden
                    van meer dan 1.000 en</al><al>2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                    vervuilingswaarde van de geloosde stoffen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel geloosde stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend
                    door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                    vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende afvalwatercoëfficiënt.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet direct
                    vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het drinkwaterbedrijf
                    afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er sprake zijn van een
                    andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In dergelijke gevallen worden
                    de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken over het kalenderjaar. De wijze
                    waarop dit gebeurt, liggen vast in beleidsregels van het waterschap.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of het
                    bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in artikel 2
                    van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 30 november 2000,
                    Stb. 534).</al><al>Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de ambtenaar
                    belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het bedrijfsonderdeel in
                    een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden daarvoor staan in
                    artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al> De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van meer dan 1.000
                    vervuilingseenheden. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot een
                    vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt gevonden op
                    basis van meting, bemonstering en analyse.</al><tussenkop>Vervuilingswaarde van tuinbouwkassen</tussenkop><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente
                    opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de heffing
                    betrokken op basis van een forfait van drie vervuilingseenheden per hectare
                    permanente opstand. Uit onderzoek naar een afvalwatercoëfficiënt voor
                    glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen
                    geen relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                    vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek gezien de
                    relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee
                    is voor tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de
                    wet opgenomen (artikel 122j, tweede lid, Waterschapswet).</al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder dan vijf
                    vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine bedrijfsruimten
                    van toepassing.</al><tussenkop>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</tussenkop><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 11
                    berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                    binnen één bedrijfsruimte:</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke meting,
                    bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                    afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                    geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                    afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al><al>– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen worden
                    geloosd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens
                    van niet–zuurstofbindende stoffen).</al><al> De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in decimalen
                    nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden opgeteld,
                    moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke totale
                    vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                    afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                    keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4 of
                    20.</al><tussenkop>Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten</tussenkop><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel122i,
                    eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                    dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf bedraagt, wordt de
                    vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en op één
                    vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                    met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                    gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                    vervuilingseenheden opgelegd. Dit is mogelijk op grond van de bepaling in
                    artikel 4, eerste lid. Na afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de
                    vervuilingswaarde één of minder dan één vervuilingseenheid bedraagt. </al><al>Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                    ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                    het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                    belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid gesteld. Het
                    betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid, van de
                    Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken nadat de
                    omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de ambtenaar
                    belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><tussenkop>Vervuilingswaarde van woonruimten</tussenkop><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In navolging van artikel 122h, eerste lid, Waterschapswet wordt de
                    vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie vervuilingseenheden,
                    met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door één persoon wordt bewoond
                    één vervuilingseenheid bedraagt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                    recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                    recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd. Samen
                    met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één bedrijfsruimte
                    aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de heffingsplichtige.</al><al>Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het voor
                    dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                    particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar houden,
                    of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers gedurende de
                    weken dat zij er zelf niet zijn.</al><al>In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad aan dat
                    dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht. Hoewel deze
                    procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                    onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                    verontreinigingsheffing.</al><al>Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is hij de
                    heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing. Bij het
                    vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de woonruimte buiten
                    beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook via de exploitant aan
                    anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk van de vraag op wie het
                    exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een vaste vergoeding ongeacht de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de woonruimte als onderdeel van de
                    bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant van het recreatieterrein
                    heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar krijgt wel afhankelijk van de
                    werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het exploitatierisico bij hem en is
                    hij als heffingsplichtige het gewone woonruimteforfait verschuldigd.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot één.
                    Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan artikel 4,
                    derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar tijdsevenredigheid in de
                    aanslag tot uitdrukking komt.</al><tussenkop>Schatting</tussenkop><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>In artikel 122j Waterschapswet is geregeld dat onder bepaalde, in de onderdelen
                    a tot en met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden
                    vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet
                    voldoet aan zijn verplichting tot meting, bemonstering en analyse of indien het
                    bedrijf dat doet op een wijze die niet in overstemming is met de in de
                    verordening of meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het lozen ter zake van stoffen
                    vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere regelingen zijn
                    opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en
                    analyse) niet kan worden toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden kunnen
                    zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. In artikel 122j Waterschapswet
                    ontbreekt de omstandigheid dat de heffingsplichtige de afgegeven meetbeschikking
                    niet heeft nageleefd. Omwille van de volledigheid is een overeenkomstige,
                    daartoe strekkende bepaling als onderdeel d toegevoegd.</al><tussenkop>Tarief en niet opleggen van aanslagen</tussenkop><tussenkop>Artikel 16 </tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Dit artikel regelt het tarief per vervuilingseenheid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat een aanslag van € 5,00 of minder, niet wordt
                    opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                    voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers al snel kunnen overstijgen. Indien meerdere aanslagen op
                    één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het voorgaande voor het totaal van de
                    aanslagen. Indien voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet
                    zijn verenigd, wordt wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel
                    uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd.</al><tussenkop>Wijze van heffing en termijnen van betaling</tussenkop><tussenkop>Artikel 17</tussenkop><al>De betalingstermijnen in het tweede en in het derde lid wijken af van die in
                    artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Uitgangspunt is dat aanslagen worden
                    betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag
                    van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                    vermeld en de tweede twee maanden later (tweede lid). Een uitzondering op deze
                    regel geldt voor aanslagen die door middel van automatische incasso worden
                    betaald (derde lid). Die worden betaald in acht gelijke betalingstermijnen. Deze
                    mogelijkheid bestaat alleen indien het totaalbedrag van het aanslagbiljet hoger
                    is dan € 75,00 en lager dan € 5.000,00. Dit voorkomt dat de termijnbedragen te
                    laag worden (sommige banken stellen daar voorwaarden aan) en anderzijds bij hoge
                    aanslagen een te hoge rentederving ontstaat. Aanslagen die buiten het genoemde
                    minimum- en maximumbedrag vallen kunnen overigens wel door middel van
                    automatische incasso betalen, maar dan in de twee betalingstermijnen zoals
                    genoemd in het tweede lid.</al><tussenkop>Nadere regels</tussenkop><tussenkop>Artikel 18</tussenkop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving
                    (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                    rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld aan de Minister van
                    Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap
                    (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                    kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur van het
                    waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels ten aanzien van de
                    volgende bevoegdheden:</al><al>– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                    belastingverordening geregeld. Artikel 20 is thans in de verordening opgenomen
                    om expliciet aan de belastingplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks
                    bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van
                    de verontreinigingsheffing.</al><tussenkop>Kwijtschelding</tussenkop><tussenkop>Artikel 19</tussenkop><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. Voor de
                    verontreinigingsheffing wordt alleen ter zake van woonruimten kwijtschelding
                    verleend. In alle andere situaties wordt geen kwijtschelding verleend.</al><al>Bij de hiervoor bedoelde kwijtschelding voor woonruimten wordt, in afwijking van
                    artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met betrekking tot
                    de kosten van bestaan, het forfaitaire percentage van 100 gehanteerd (in plaats
                    van 90%).</al><tussenkop>Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van
                    de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft echter gelden
                    voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. Voor die
                    feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op basis van de oude
                    verordening.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten van
                    het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet verbinden
                    dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                    belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73 geschiedt
                    bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te
                    geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch worden uitgegeven.
                    Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de bekendmaking door
                    terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de secretarie van het
                    waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats en
                    door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-,
                    nieuws- of huis-aan-huisblad.. De bekendgemaakte besluiten treden conform
                    artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die
                    van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen. In deze verordening is geregeld dat deze in werking treedt op de
                    eerste dag na die van bekendmaking. </al><al>Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van het
                    tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met de
                    heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is slechts
                    mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de heffing wordt
                    genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het derde lid.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de onderwerpen die
                    in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip van ingang van de
                    heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding,
                    maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting op het tweede lid is
                    uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van inwerkingtreding in de
                    verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan die verordening automatisch
                    in werking treedt acht dagen na haar bekendmaking. Het tijdstip van ingang van
                    de heffing is wel essentieel, omdat daarmee duidelijk wordt op welk moment de
                    nieuwe financiële verplichtingen die aan de burgers worden opgelegd, een aanvang
                    nemen.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als gevolg van het vierde lid wordt de verordening voorzien van een
                    citeertitel.</al><tussenkop>15.081675</tussenkop></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage I bij de Verordening Verontreinigingsheffing Rijnland
                        2016</titel></kop><tussenkop>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                    berekening</tussenkop><tussenkop>Definitiebepalingen</tussenkop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                    etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische inductie)
                    het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment van
                    meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van
                    toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van
                    een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                    nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding
                    of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met
                    de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                    afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar de
                    nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van de
                    voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster
                    waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden
                    vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van binnenlabreproduceerbaarheid.</al><tussenkop>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                    regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet- en
                    bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                    respectievelijk NEN 6600-1 2009 geïnstalleerd en onderhouden. Een
                    afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem worden
                    gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                    bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                    etmaalverzamelmonster.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Meting</tussenkop><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                    gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden bepaald
                    op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het
                    bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het laatstbedoelde geval mag de per
                    etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde
                    periode toegevoerde hoeveelheid water.</al><tussenkop>2.1 Open meetsystemen</tussenkop><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder
                    dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal,
                    van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd,
                    minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                    overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In het
                    kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt
                    tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het
                    kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de
                    periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil
                    wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                    afwijking.</al><tussenkop>2.2 Gesloten meetsystemen</tussenkop><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                    mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                    debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                    pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een printer
                    of datalogger.</al><tussenkop>Inbouw</tussenkop><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt een
                    ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de meterspecifieke
                    kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante staat aangegeven.
                    Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling
                    van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot het
                    uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf maal
                    de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal de
                    diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk aan
                    de diameter van de meetbuis.</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                    water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een aardelektrode
                    die is ingebouwd in de meter.</al><tussenkop>Natte kalibratie</tussenkop><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde toestand
                    nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet tevens een droge
                    kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie jaarlijks
                    plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                    25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een ijkbevoegde- of
                    NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut.</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                    toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een vooraf
                    nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid
                    (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde meetprincipe
                    gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan
                    wel op een andere, door de ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde
                    methode.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                    wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf
                    meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De natte
                    kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde- of
                    NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                    de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer
                    de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde
                    installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                    deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde moet
                    blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt bij die
                    van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                    meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij gebruik
                    van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het meetbereik waarin de
                    te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                    kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                    middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per
                    uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook de
                    ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al>f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die betrokken
                    is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><tussenkop>Droge kalibratie</tussenkop><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                    gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                    elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de meetbuis
                    (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                    geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                    gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                    kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor zover
                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                    gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                    wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                    gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                    kalibratie.</al><tussenkop>Kalibratierapport</tussenkop><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                    overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke op
                    het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een daartoe
                    bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én gerapporteerd op
                    het kalibratierapport:</al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                    correctiefactor/meterconstante);</al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                    aanpassing/justering;</al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><tussenkop>Paragraaf 3 Bemonstering</tussenkop><tussenkop>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</tussenkop><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                    monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                    6600-1 (Water–Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                    bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                    bepaald.</al><tussenkop>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</tussenkop><tussenkop>4.1 Algemeen</tussenkop><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1
                    (Water-Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                    6600-1 (2009) wordt na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3
                    (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5° C. Van
                    elk verzameld monster wordt een representatief deel van drie liter gedurende 24
                    uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het donker te worden
                    bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap. De monsterflessen
                    bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor contra-analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap worden om en om gevuld. Op deze wijze wordt
                    bewerkstelligd dat het monster voor de analyse op een heffingsparameter door de
                    heffingplichtige en voor de desbetreffende contra-analyse vanwege de
                    heffingsambtenaar van het waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><tussenkop>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</tussenkop><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                    bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als een
                    monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                    geconserveerd, geschiedt dit binnen twaalf uur na afloop van het etmaal. De
                    eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                    aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                    gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor de
                    onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve van een
                    analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn
                    die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                    het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen het
                    ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en binnen een
                    zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het monster niet wordt
                    verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch
                    is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen
                    van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het
                    vlak van de chemische conservering gelden.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="12*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="27*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Tabel A </vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Omgevingstemperatuur </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Maximale</vet><vet>b</vet><vet>e</vet><vet>waartijd</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>tot einde
                                        b</vet><vet>e</vet><vet>waartermijn</vet></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry colname="col5"><al>1 dag</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV &gt;50
                                        mg/l)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry colname="col3"><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Koelen en aanzuren met H2SO4 tot pH &lt; 2</al></entry><entry colname="col5"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry colname="col4"><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry colname="col5"><al>6 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                    verontreinigingsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                    berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                    berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                    toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van de
                    biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><tussenkop>B Analysevoorschriften</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 1 Algemeen</tussenkop><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is verkregen
                    op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het onderzoek wordt in het
                    water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn
                    verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                    Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                    aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een normblad
                    wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de
                    bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                    desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Paragraaf 2 Analyse</tussenkop><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                    tabel B.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Tabel B</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Meting</vet><vet>volgens
                                            nor</vet><vet>m</vet><vet>blad</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>1</sup>)</al></entry><entry colname="col4"><al>5 mg/l <sup>2</sup>)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry colname="col4"><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>NEN 6645</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN-EN 12260</al><al>voor correctie </al><al>nitriet/nitraat:</al><al>NEN-EN-ISO 13395, NEN 6604 of </al><al>ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of</al><al> ISO 15923-1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN-ISO 5663</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>NEN 6646</al></entry><entry colname="col3"><al>NEN 6646</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>NEN 6604 of</al><al> ISO 15923</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><sup>1</sup><sup/>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor
                    onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l en
                    chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast met de
                    heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar zijn oordeel
                    andere omstandigheden daartoe aanleiding geven. </al><al><sup>2 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                    aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15
                    mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van één
                    laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van maximaal 1.000
                    mg/l. </al><al><vet>C</vet><vet><onderstreept>Berekeningsvoorschriften</onderstreept></vet></al><al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> (artikel 6, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik wordt
                    berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in het
                    kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8
                    kilogram.</al><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal afgevoerde
                    zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><tussenkop> Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</tussenkop><al> 1000</al><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van deze
                    bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de in
                    onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch niet of
                    nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een
                    correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk <onderstreept>100
                        – T</onderstreept></al><al> 75</al><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                    afbreekbare stoffen.</al><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 11, wordt gebruik gemaakt
                    van de volgende formule:</al><al> x N</al><al> n =  , waarbij</al><al> + N</al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> n = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                    gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende
                    het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO </al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen.</al><al>.</al><al>Artikel II</al><al>1 Dit besluit treedt in werking met ingang van de &lt;achtste&gt; dag na die van
                    de bekendmaking.</al><al>2 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van &lt;datum +
                    jaartal&gt;. </al><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>Algemeen</al><al>Bij Wet van 18 december 2013 (Stb. 2014. 21) is de Waterwet op een aantal
                    onderdelen gewijzigd. De wijzigingen raken onder meer de verontreinigingsheffing
                    en bestaan uit het repareren van enkele omissies en het vervallen van de zware
                    metalen en zouten als heffingsparameters. De wet is op 1 juli 2014 in werking
                    getreden (Stb. 2014, 155). In het verlengde daarvan moet de modelverordening
                    verontreinigingsheffing 2010 op enkele onderdelen worden gewijzigd.</al><al>Behalve de verordening zelf moet ook Bijlage I ingrijpend worden aangepast.
                    Omwille van doelmatigheid is gekozen voor een geheel nieuwe versie. </al><al>Artikelsgewijs</al><al>Artikel I</al><al>A</al><al>Met de Invoeringswet Waterwet (Stb. 2009, 489) is “een openbaar vuilwaterriool”
                    onbedoeld gewijzigd in “ een vuilwaterriool”. Met deze wijziging wordt dit
                    hersteld.</al><al>B</al><al>Met deze wijziging vervallen de zware metalen en de zouten als
                    heffingsparameters.</al><al>C</al><al>Dit betreft het herstel van een schrijffout.</al><al>D</al><al>Met het vervallen van de zware metalen en de zouten als heffingsparameters
                    kunnen ook de voorschriften ten aanzien van franchise, drempel en
                    meetverplichting vervallen.</al><al>E</al><al>Met het vervallen van de artikelen 15 en 16 wordt de vervuilingswaarde alleen
                    nog bepaald op basis van de som van de aantallen vervuilingseenheden als
                    berekend overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14.</al><al>F</al><al>Bijlage I is in zijn geheel vernieuwd. Ten opzichte van de vorige versie zijn de
                    volgende wijzigingen aangebracht. In de tabellen A en B zijn de voorschriften
                    met betrekking de zware metalen en de zouten verdwenen. Voorts is in tabel B
                    NEN-ISO 15705, de zogeheten cuvettenmethode, opgenomen als analysemethode om het
                    chemisch zuurstofverbruik te bepalen. Omdat deze methode, naast ingeval van
                    hoger zuurstofverbruik en/of hogere chloridenconcentraties, ook bij andere
                    eigenschappen van afvalwater niet toepasbaar is of tot afwijkende uitkomsten kan
                    leiden, kan de heffingsambtenaar besluiten om in dergelijke gevallen de methode
                    niet toe te staan. </al><al>In onderdeel C zijn de berekeningsvoorschriften met betrekking tot andere dan
                    zuurstofbindende stoffen komen te vervallen.</al><al>Voorts zijn enkele redactionele wijzigingen aangebracht.</al><al>Artikel II</al><al>Dit onderdeel regelt de inwerkingtreding van het besluit en de datum van ingang
                    van de heffing.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>