<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR386996_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening watersysteemheffing Rijnland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-04-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-8766.html">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing Rijnland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005108">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>15.081607</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing Rijnland 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al>Verordening Watersysteemheffing Rijnland 2012</al><al>15.081607</al><al>15.DE VERENIGDE VERGADERING VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN RIJNLAND;</al><al>15.Gelezen het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden d.d. 13 oktober
                            2015, nr 15.081344; </al><al>15.gelet op de artikelen 110, 113 en 117 Waterschapswet;</al><al>15. B E S L U I T :</al><al>15.Vast te stellen de <vet>Verordening watersysteemheffing Rijnland
                                2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>15.<vet>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</vet></al><al>15.<vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>15.Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij
                                    het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                    van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                    woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>heffingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, derde
                                    lid, onderdeel b, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde
                                    lid, onder a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="c."><al>invorderingsambtenaar: de ambtenaar bedoeld in artikel 123,
                                    derde lid, onderdeel c, of de ambtenaar bedoeld in artikel 124,
                                    vijfde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap,
                                    bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                                    Waterschapswet;</al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                    gelegen;</al></li><li nr="g."><al>waterbergingsgebieden: een krachtens de Wet ruimtelijke ordening
                                    voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied, niet zijnde
                                    een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient ter
                                    verruiming van de bergingscapaciteit van één of meer
                                    watersystemen en ook als bergingsgebied op de legger is
                                    opgenomen;</al></li><li nr="h."><al>bemalen gebieden: delen van het waterschapsgebied die niet vrij
                                    afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit de lager
                                    gelegen gebieden water wordt opgemalen;</al></li><li nr="i."><al>glasopstand: constructie van staand glas of staande constructie
                                    van met glas overeenkomend materiaal die bedrijfsmatig wordt
                                    aangewend voor de teelt of kweek van gewassen;</al></li><li nr="j."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                    inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur.
                                    Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open
                                    wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare;</al></li><li nr="k."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                    geen natuurterreinen zijn;</al></li><li nr="l."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op de
                                    bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin de zorg
                                    voor het watersysteem aan het hoogheemraadschap is
                                    opgedragen;</al></li><li nr="m."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117,
                                    aanhef, Waterschapswet. </al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor
                                    het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een
                                    directe belasting geheven.</al></li><li nr="2."><al>De heffing wordt geheven van hen die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de heffingsambtenaar aan te
                                            wijzen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap;</al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdelen b,
                                    cen d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar
                                    als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                                    tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is;</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen b, c en d, is
                                    heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik;</al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten
                                    als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de
                                    heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;</al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier.</al></li></lijst></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</vet></al><al>15.Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                    natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                    uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het
                                    kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.</al></li></lijst><al>15.<vet>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</vet></al><al>15.<vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></al><al>15.Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                            watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 102,31 per
                            woonruimte.</al><al>15.<vet>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende
                                zaken</vet></al><al>15.<vet>Artikel 5 Belastingobject</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2,
                                    onderdeel b en artikel 9, derde lid van deze verordening, wordt
                                    als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal
                                    perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten
                                    aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                            aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>een natuurterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen
                                    voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                    kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde
                                    onroerende zaken.</al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                    Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing
                                    voor ongebouwde onroerende zaken € 75,45 per hectare.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met
                                    inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de
                                    Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde
                                    openbare wegen, € 301,80 per hectare;</al></li></lijst><al>15.<vet>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</vet></al><al>15.<vet>Artikel 7 Belastingobject</vet></al><al>15.Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt
                            een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                            buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid wordt
                                    aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde
                                    onroerende zaak.</al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</vet></al><al>15.Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            natuurterreinen € 4,00 per hectare.</al><al>15.<vet>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende
                            zaken</vet></al><al>15.<vet>Artikel 9 Belastingobject</vet></al><al>1.Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                            onderdeel d, van</al><al>15.deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak
                            aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling
                                    is bestemd om</al></li></lijst><al>15. als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;</al><al>c.een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a bedoelde
                            gebouwde</al><al>15. eigendommen of van in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij
                            dezelfde </al><al>15. belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden
                            beoordeeld, bij </al><al>15. elkaar behoren;</al><al>d.het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een in
                            onderdeel a</al><al>15. bedoelde eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte of van
                            een in </al><al>15. onderdeel c bedoeld samenstel;</al><al>e.het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van een in
                            onderdeel a</al><al>15. bedoelde eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte, van een
                            in onderdeel </al><al>15. c bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde
                                    eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd
                                    eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met
                                    e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de
                                    ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de
                                    waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18,
                                    vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen
                                    deel uit van de gebouwde onroerende zaak.</al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 10 Tarief</vet></al><al>15.Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                            Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                            gebouwde onroerende zaken 0,0280 % van de heffingsmaatstaf als bedoeld
                            in artikel 3, onderdeel c, van deze verordening.</al><al>15.<vet>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</vet></al><al>15.<vet>Artikel 11 Wijze van heffing</vet></al><al>15.De heffing wordt bij wege van aanslag geheven. </al><al>15.<vet>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                meer belastingplichtigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of
                                    hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                                    belastingplichtig zijn, stelt de heffingsambtenaar de aanslag
                                    ten name van één van hen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belastingplicht, bedoeld in het eerste lid,
                                    voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van één
                                    van de belastingplichtigen is gesteld, kan de
                                    invorderingsambtenaar de belastingaanslag op de gehele
                                    onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag
                                    ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder rekening te houden
                                    met de rechten van de overige belastingplichtigen.</al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</vet></al><al>15.Belastingaanslagen van € 5,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen voor belastingen of
                            andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al><al>15.<vet>Artikel 14 Vrijstellingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet
                                    geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het
                                    waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                    recht is.</al></li><li nr="2."><al>De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven ter
                                    zake van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></li><li nr="3."><al>De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet
                                    geheven ter zake van:</al><lijst><li nr="a."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                            eigendommen - niet zijnde</al></li></lijst></li></lijst><al>15. gebouwen worden begrepen die zijn geplaatst ten gerieve of in het
                            belang van het </al><al>15. publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in
                            het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten,
                            verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                            abri's, hekken en palen.</al><al>b.gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al><al>15.<vet>Artikel 15 Betaaltermijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet
                                    1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke
                                    termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de
                                    maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt dat, ingeval het
                                    totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of
                                    als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan,
                                    meer is dan €75,--, doch minder dan € 5.000,--, en zolang de
                                    verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                    betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten
                                    worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn
                                    vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk
                                    van de volgende termijnen telkens één maand later. </al></li><li nr="3."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen. </al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 16 Kwijtschelding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kwijtschelding wordt uitsluitend verleend ter zake van de
                                    watersysteemheffing van ingezetenen.</al></li><li nr="2."><al>Bij de kwijtschelding als bedoeld in lid 1 wordt, in afwijking
                                    van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990,
                                    met betrekking tot de kosten van bestaan, het forfaitaire
                                    percentage van 100 gehanteerd. </al></li></lijst><al>15.<vet>Artikel 17 Nadere regels</vet></al><al>15.Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing.</al><al>15.<vet>Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van
                                de heffing en citeertitel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ‘Verordening watersysteemheffing Rijnland 2015’, vastgesteld
                                    bij besluit van 5 november 2014, wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van haar bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                                    watersysteemheffing Rijnland 2016’. </al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>15.Leiden, 4 november 2015,</ondertekening><ondertekening>15. De Verenigde Vergadering voornoemd,</ondertekening><ondertekening>15.G.J. Doornbos</ondertekening><ondertekening>15.dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>15.ir. A. Haitjema</ondertekening><ondertekening>15.secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting Algemeen</vet></al><al><vet>1.</vet><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening op de watersysteemheffing is gebaseerd op de tekst van de
                            Waterschapswet, zoals die is komen te luiden na de inwerkingtreding van
                            de Wet modernisering waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208) en, wat
                            betreft artikel 10, eerste lid, van de verordening, de inwerkingtreding
                            van artikel XIII van de Wet van 3 juli 2008 (Staatsblad 2008, 262). In
                            deze toelichting op de verordening worden de bepalingen uit het zojuist
                            genoemde hoofdstuk XVII van de Waterschapswet (Bijzondere bepalingen
                            omtrent de omslagen) ook wel aangeduid als de bepalingen uit de 'oude'
                            Waterschapswet. De term 'nieuwe Waterschapswet' staat in deze
                            toelichting dan voor de bepalingen van het nieuwe hoofdstuk XVII van de
                            wet, getiteld: De watersysteemheffing.</al><al><vet>2.</vet><vet>De watersysteemtaak</vet>In artikel 1,
                            tweede lid, van de Waterschapswet is "de zorg voor het watersysteem" als
                            eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                            watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                            waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor
                            kort werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term
                            "zorg voor het watersysteem" wordt benadrukt dat zij een nauwe
                            onderlinge samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden
                            uitgevoerd.</al><al>In artikel 1, lid 2, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op de
                            voet van artikel 3.4 van de Waterwet als andere hoofdtaak van het
                            waterschap genoemd. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het
                            waterschap, uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied
                            uitoefent. Alhoewel de wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft,
                            moet worden aangenomen dat de uitzonderingen gevallen betreffen waarin
                            andere overheden dan de waterschappen taken ter zake uitoefenen. In de
                            Waterschapswet wordt de zorg voor het watersysteem in algemene zin aan
                            de waterschappen toegekend. De nadere invulling ervan vindt plaats in
                            het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook in
                            belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Waterwet. Op grond
                            van artikel 2 van de Waterschapswet worden het gebied en de taken van
                            het waterschap door Provinciale Staten bepaald.</al><al><vet>3. De watersysteemheffing</vet></al><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die met ingang van
                            1 januari 2009 de tot nu toe bestaande waterschapsomslagen en de
                            voormalige verontreinigingsheffing (deels) vervangt. Belastingplichtig
                            voor de watersysteem heffing zijn: de ingezetenen; de eigenaren van
                            ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; de eigenaren
                            van natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. De watersysteemheffing kent
                            ten opzichte van de waterschapsomslagen dus een nieuwe
                            belastingplichtige categorie: de eigenaren van natuurterreinen.
                            Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde onroerende zaken. Onder de oude
                            Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de categorie ongebouwd.
                            Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter een aparte
                            status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                            waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige
                            ongebouwd. Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken
                            die geen natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal
                            steeds een duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen
                            enerzijds en ongebouwd, niet zijnde natuur, anderzijds. Blijkens de
                            Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel
                            hebben degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per
                            definitie belang bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun
                            betaling is hierop gebaseerd.</al><al><vet>4.</vet><vet>De heffingsmaatstaven en de tarieven van de
                                heffing</vet></al><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de nieuwe
                            Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                            ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter
                            zake van de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De
                            heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde
                            onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen
                            is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak en voor
                            gebouwde onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op de voet van de
                            Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het
                            tarief van de belasting moet op grond van de Waterschapswet worden
                            gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk
                            bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op een
                            vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                            daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al><vet>5. Tariefdifferentiatie</vet></al><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen nieuwe mogelijkheid om
                            rekening te houden met het feit dat het belang bij het
                            watersysteembeheer voor bepaalde onroerende zaken duidelijk afwijkend
                            kan zijn dan dat van andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het
                            algemeen bestuur van een waterschap de mogelijkheid, maar niet de
                            verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van
                            uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin
                            tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Om
                            dezelfde redenen is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk
                            begrensd. Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor
                            buitendijks gelegen onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens
                            de legger van het waterschap als waterberging worden gebruikt, voor
                            onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden, voor onroerende zaken die
                            in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan en voor verharde openbare wegen.
                            De regeling van de tariefdifferentiatie staat in artikel 122 van de
                            Waterschapswet. Rijnland heeft ervoor gekozen uitsluitend
                            tariefdifferentiatie toe te passen voor verharde openbare wegen.</al><al><vet>6. Hoofdstukindeling</vet></al><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en
                            18 artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken
                            II tot en met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van
                            ingezetenen, ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen),
                            natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat
                            algemene bepalingen over de heffing en de invordering van de
                            watersysteemheffing.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De watersysteemheffing is een nieuwe heffing. Het besluit om deze
                            heffing in te voeren, is een bevoegdheid van de Verenigde Vergadering
                            van het hoogheemraadschap, welke wordt geconcretiseerd door de
                            vaststelling van de belastingverordening. Dit wordt in de aanhef van de
                            verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij ook de relevante
                            wettelijke bepalingen worden genoemd. Artikel 110 Waterschapswet is de
                            wettelijke bepaling die over het besluit tot invoering van de belasting
                            en de daarvoor benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat.
                            Artikel 113 is de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en
                            rechten door de waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de
                            bepaling op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten
                            verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam
                            watersysteemheffing een belasting mogen heffen. In de aanhef wordt
                            daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de vaststelling van de
                            verordening door het algemeen bestuur een voordracht van het dagelijks
                            bestuur vooraf gaat.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen
                            opgenomen van in de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al><vet>a.</vet><vet>Ingezetenen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116,
                            onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen
                            worden, moet sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik
                            van woonruimte in het gebied van het waterschap. Of sprake is van het
                            hebben van woonplaats, wordt aan de hand van gegevens uit de
                            gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bepaald. De situatie
                            bij het begin van het kalenderjaar is bepalend.</al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om
                            als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent
                            dat de gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig
                            afhankelijk mag zijn van voorzieningen elders in het gebouw. In het
                            geval van woonruimten moet worden gedacht aan voorzieningen als keuken,
                            douche en toilet. Deze moeten de gebruiker van de woonruimte, met
                            uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar huishouden behoren,
                            exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                            verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de
                            zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt.
                            Hetzelfde geldt voor bewoners van studentenhuizen.</al><al><vet>b.</vet><vet>Heffingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar die de heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden) uit de
                            Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent, wordt in de verordening
                            de heffingsambtenaar genoemd. Tot de inspecteurbevoegdheden behoort de
                            bevoegdheid tot het vaststellen van belastingaanslagen en de bevoegdheid
                            tot het doen van uitspraken op bezwaarschriften. De directeur van de
                            BSGR is als heffingsambtenaar aangewezen.</al><al><vet>c.</vet><vet>Invorderingsambtenaar</vet></al><al>De ambtenaar die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet 1990
                            uitoefent, wordt in de verordening met de term 'invorderingsambtenaar'
                            aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de
                            invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van
                            belasting is een ontvangersbevoegdheid. De directeur van de BSGR is als
                            invorderingsambtenaar aangewezen.</al><al><vet>d.</vet><vet>Woonruimte</vet></al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar
                            onderdeel a, hiervoor.</al><al><vet>e.</vet><vet>Kostentoedelingsverordening</vet></al><al>Het waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin,
                            van de Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een
                            verordening vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor
                            elk van de belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze
                            verordening wordt de Kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van
                            1 januari 2009 is de Kostentoedelingsverordening ook in het kader van de
                            tariefdifferentiatie van belang.</al><al><vet>f.</vet><vet>Buitendijks gelegen onroerende zaken</vet></al><al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als onroerende
                            zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                            gelegen. </al><al><vet>g.</vet><vet>Waterbergingsgebieden</vet></al><al>Waterbergingsgebieden zijn omschreven als een krachtens de Wet
                            ruimtelijke ordening voor waterstaatkundige doeleinden bestemd gebied,
                            niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam of onderdeel daarvan, dat dient
                            ter verruiming van de bergingscapaciteit van één of meer watersystemen
                            en dat ook als bergingsgebied op de legger is opgenomen..</al><al><vet>h. Bemalen gebieden</vet></al><al>Bemalen gebieden zijn omschreven als delen van het waterschapsgebied die
                            niet vrij afwateren en delen van het waterschapsgebied waarin uit de
                            lager gelegen gebieden water wordt opgemalen. Het gaat kortom om alle
                            gebieden die een vorm van bemaling hebben. De omschrijving is gelijk aan
                            de omschrijving uit de kostentoedelingsverordening.</al><al><vet>i. Glasopstand</vet></al><al>Een glasopstand is omschreven als een constructie van staand glas of een
                            staande constructie van met glas overeenkomend materiaal die
                            bedrijfsmatig wordt aangewend voor de teelt of kweek van gewassen. De
                            omschrijving is gelijk aan de omschrijving uit de
                            kostentoedelingsverordening.</al><al><vet>j. Natuurterreinen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel
                            116, onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve
                            omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting
                            en beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een
                            ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of
                            nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                            ontwikkeling van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve
                            omschrijving), zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de
                            onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken
                            grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel
                            groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal
                            worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                            plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve
                            functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden.</al><al>Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een
                            oppervlakte van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van
                            wetsduiding: zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare
                            of meer heeft, is sprake van een natuurterrein. In deze gevallen is niet
                            relevant of de inrichting en het beheer van de onroerende zaak zijn
                            afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe
                            dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare
                            tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel of nagenoeg
                            geheel staat overigens voor 90% of meer.</al><al><vet>k. Ongebouwde onroerende zaken</vet></al><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende
                            zaken, worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein
                            zijn, bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in
                            artikel 117, onder b, van de Waterschapswet.</al><al><vet>l. Gebied van het waterschap</vet></al><al>In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                            waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging
                            van een bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor
                            het watersysteem aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt
                            door de provincie, bij provinciaal reglement. In de praktijk wordt het
                            gebied van het waterschap veelal aangeduid op een (al dan niet
                            elektronische) kaart die bij het provinciale reglement behoort. Omdat de
                            toekenning van 'de zorg voor het watersysteem' aan de waterschappen niet
                            impliceert dat <cursief>alle </cursief>zorg voor het watersysteem in een
                            bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere overheden
                            kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening opgenomen
                            dat het moet gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid tot
                            uitoefening van het watersysteembeheer heeft.</al><al><vet>m. Deheffing</vet></al><al>Waar in de verordening over 'de heffing' wordt gesproken, wordt steeds
                            de watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de
                            Waterschapswet, bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot nu toe
                            bestaande heffingen voor waterkwantiteit, waterkering en het onderdeel
                            van de Wvo-heffing waaruit het passieve waterkwaliteitsbeheer van
                            oppervlaktewateren bekostigd wordt.</al><al>De onderdelen f tot en met i van artikel 1 zijn overigens alleen van
                            belang indien het waterschap gebruik maakt van de mogelijkheid om
                            tarieven te differentiëren. In dit verband is dus uitsluitend onderdeel
                            f van belang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al><vet>Belastbaar feit en belastingplichtigen</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven.
                            Tezelfdertijd is in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn
                            in het artikel de belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de
                            omschrijving van de belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen
                            te wiens aanzien het belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming
                            met artikel 117 van de Waterschapswet zijn als belastingplichtigen
                            respectievelijk aangewezen degenen die woonachtig zijn in het gebied van
                            het waterschap en die aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de
                            ingezetenen) en degenen die in het gebied van het waterschap eigenaar
                            zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, van
                            natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze vier
                            belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen
                            a tot en met d, van de verordening opgenomen.</al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                            kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van
                            ongebouwde onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren
                            van natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit
                            volgt uit artikel 119, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien het
                            genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak
                            in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat dus geen invloed
                            op de belastingplicht vanwege het tijdstipkarakter van de heffing. Het
                            begin van het kalenderjaar is blijkens artikel 1, onderdeel a, van de
                            verordening overigens ook bepalend voor de ingezetenen. Deze bepaling
                            stoelt op artikel 116, onder a, van de Waterschapswet.</al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal
                            specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige
                            aangegeven. Deze regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel
                            2 van de verordening overgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Heffingsmaatstaf</titel></kop><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf
                            aan. De bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de
                            Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en
                            voor natuurterreinen en ongebouwde onroerende zaken die geen
                            natuurterreinen zijn, is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de
                            onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende zaken is de heffingsmaatstaf
                            de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Watersysteem heffing ingezetenen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de
                            Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, conform het
                            bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder a, van de Waterschapswet,
                            vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt
                            gesteld. Tariefdifferentiatie is niet mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingobject ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing
                            betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde
                            lid regelt de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen
                            natuurterreinen is. Het ongebouwd wordt afgebakend op basis van de
                            kadastrale registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt
                            aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan. Hierbij geldt
                            wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet wordt aangemerkt als een
                            gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet een natuurterrein
                            is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking moet
                            worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de verordening komt deze
                            wettelijke regeling terug. In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in
                            artikel 118, vijfde lid, van de Waterschapswet, is bepaald, weergegeven.
                            Er is niet zozeer sprake van een afbakeningsvoorschrift, maar van een
                            fictiebepaling op grond waarvan de in dit artikellid genoemde objecten
                            als ongebouwde eigendommen, niet zijnde natuurterreinen, worden
                            aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en banen voor
                            openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                            waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                            diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde
                            wettelijke bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen, aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat
                            de afbakening plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van
                            waterverdedigingswerken die worden aangemerkt als woning, kwalificeren
                            uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tarief ongebouwde onroerende zaken</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                            Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                            onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling
                            en de relatie met de Kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid
                            van artikel 6 opgenomen. De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf
                            situaties waarin het mogelijk is om de tarieven van de belasting lager
                            of hoger vast te stellen. Artikel 122 (de bepaling die de
                            tariefdifferentiatie regelt) maakt dus een inbreuk op het uitgangspunt
                            dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per hectare wordt
                            gesteld. In artikel 6, tweede lid van de verordening zijn deze
                            situaties, voor zover relevant voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                            natuurterreinen zijn, nader uitgewerkt. De Kostentoedelingsverordening
                            geeft uitsluitsel geven over de vraag of er in een concreet geval
                            gedifferentieerd wordt en zo ja, in welke mate. Tariefdifferentiatie is
                            geen verplichting voor de waterschappen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit artikellid is de tariefdifferentiatie voor verharde openbare
                            wegen opgenomen. Het is mogelijk het tarief maximaal 400% hoger vast te
                            stellen. De mate waarin wordt gedifferentieerd blijkt uit de
                            Kostentoedelingsverordening van het waterschap. Hierin is opgenomen dat
                            het tarief voor wegen 300% hoger wordt vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Watersysteem heffing natuurterreinen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een
                            kadastraal perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook
                            natuurterreinen worden dus op basis van de kadastrale registratie
                            afgebakend. Hierbij wordt hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en
                            hetgeen als een ongebouwde onroerende zaak, niet zijnde een
                            natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten aanmerking gelaten (artikel 118,
                            lid 4, Waterschapswet). Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende
                            zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en
                            duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Of
                            een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met andere woorden door
                            de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de bestemming
                            volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                            voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord 'duurzaam' erop duidt
                            dat geen sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld.
                            Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare
                            worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als
                            natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen
                            dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op
                            het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen
                            die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen
                            vallen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het onderscheid in
                            niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen die wel als
                            zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken.</al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze
                            gebieden ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als
                            natuurterrein maar als agrarische grond aangemerkt.</al><al>De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet
                            gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens
                            worden gedacht aan wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen
                            behoren niet tot deze categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet
                            zijnde natuur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare
                            gesteld. Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Waterschapswet bepaald. In artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo
                            aangegeven. Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met de
                            Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat
                            onder één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit
                            artikel 118, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling
                            van de Waterschapswet is in artikel 9 van de verordening
                            overgenomen.</al><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                            onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de
                            Wet waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De
                            wetgever heeft deze aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van
                            ongebouwde en gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één
                            gebouwde onroerende zaak. De ongebouwde onroerende zaak gaat in deze
                            gevallen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Onder de 'oude'
                            Waterschapswet gold voor de vorming van samenstellen tussen gebouwde en
                            ongebouwde eigendommen nog het dienstbaarheidscriterium.</al><al>Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan het gebouwde deel,
                            konden geen samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk object
                            deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden
                            aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                            economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden
                            betrokken. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met
                            kantine en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en
                            kazerneterreinen met oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de
                            Waterschapswet zijn deze objecten voortaan in hun geheel als gebouwde
                            objecten aan te merken. De bepaling leidt ertoe dat het aantal gebouwde
                            objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten afneemt. De
                            gemeentelijke objectafbakening is leidend.</al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                            samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde
                            lid van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling
                            kunnen ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de
                            Wet waardering onroerende zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen
                            deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de
                            ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling
                            uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde
                            cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare
                            land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze
                            onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd
                            eigendom, dus ongebouwd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tarief</titel></kop><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een
                            vast percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel
                            121, eerste lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in
                            de verordening overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, van
                            de verordening de relatie met de Kostentoedelingsverordening aan.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Heffing en invordering</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen
                            waterschapsbelastingen op de volgende wijzen worden geheven:</al><lijst><li nr="·"><al>bij wege van aanslag;</al></li><li nr="·"><al>bij wege van voldoening op aangifte of</al></li><li nr="·"><al>op andere wijze.</al></li></lijst><al>Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De
                            toegestane heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke
                            heffingswijze wordt gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid
                            van de te heffen belasting afhangen. De huidige praktijk is dat de
                            watersysteemheffing bij wege van aanslag worden geheven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                                belastingplichtigen</titel></kop><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde
                            voorwerp van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee
                            of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name
                            van één van hen te stellen. Vloeit de belastingplicht voort uit de
                            eigendom van een onroerende zaak en is de aanslag ten name van een van
                            de belastingplichtigen gesteld, dan kan de invorderingsambtenaar van het
                            waterschap de gehele belastingschuld op laatstbedoelde persoon verhalen.
                            Deze persoon moet het gehele bedrag van de aanslag voldoen. Hij is wel
                            bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan overeenkomt met zijn
                            belastingplicht, naar evenredigheid van ieders belastingplicht op de
                            overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel 142,
                            eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De regeling van
                            artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging 'cum suis', die in het
                            verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet placht te
                            worden opgenomen, overbodig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><al>Artikel 13 bepaalt dat een aanslag van € 5,00 of minder, niet wordt
                            opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                            voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                            opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de
                            belasting in deze gevallen immers al snel kunnen overstijgen. Indien
                            meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                            voorgaande voor het totaal van de aanslagen. Indien voor deze
                            belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet zijn verenigd, wordt
                            wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en
                            kan dus wel een aanslag worden opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de
                            watersysteemheffing niet wordt geheven terzake van onroerende zaken
                            (ongebouwde, zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het
                            waterschap in eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de
                            verordening op te nemen wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf
                            aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig (vestzak-broekzak). In
                            artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen.
                            Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde onroerende zaken. Het
                            verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken is dat het
                            straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                            voor vrijstelling in aanmerking te komen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Betaaltermijnen</titel></kop><al>De betalingstermijnen in het eerste en in het tweede lid wijken af van
                            die in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Uitgangspunt is dat
                            aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste
                            vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden
                            later (eerste lid). Een uitzondering op deze regel geldt voor aanslagen
                            die door middel van automatische incasso worden betaald (tweede lid).
                            Die worden betaald in acht gelijke betalingstermijnen. Deze mogelijkheid
                            bestaat alleen indien het totaalbedrag van het aanslagbiljet hoger is
                            dan € 75,00 en lager dan € 5.000,00. Dit voorkomt dat de termijnbedragen
                            te laag worden (sommige banken stellen daar voorwaarden aan) en
                            anderzijds bij hoge aanslagen een te hoge rentederving ontstaat.
                            Aanslagen die buiten het genoemde minimum- en maximumbedrag vallen
                            kunnen overigens wel door middel van automatische incasso betalen, maar
                            dan in de twee betalingstermijnen zoals genoemd in het eerste lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het
                            algemeen bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan
                            wel slechts gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend.
                            Voor de watersysteemheffing wordt alleen aan ingezetenen kwijtschelding
                            verleend. In alle andere situaties wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al><al>Bij de hiervoor bedoelde kwijtschelding voor woonruimten wordt, in
                            afwijking van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet
                            1990, met betrekking tot de kosten van bestaan, het forfaitaire
                            percentage van 100 gehanteerd (in plaats van 90%).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de
                            heffing en de </al><al>invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de
                            verordening opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat
                            er op het gebied van de heffing en de invordering van de belasting ook
                            op andere plaatsen dan in de verordening zelf relevante regels kunnen
                            zijn opgenomen. Het gaat hierbij met name om regels die gelden voor het
                            doen van aangifte (voor de watersysteemheffing minder relevant), het
                            opleggen van voorlopige aanslagen, regels in het kader van de
                            invorderingsrente en nadere regels in het kader van de heffing op andere
                            wijze. Voor dit laatste wordt ook verwezen naar artikel 125a, eerste
                            lid, tweede volzin, Waterschapwet.</al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen
                            strekt zich uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake
                            rijksbelastingen aan de Minister van Financiën, het bestuur van 's
                            Rijksbelastingen en de directeur zijn toegekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing
                                en citeertitel</titel></kop><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt de oude heffingsverordening (de
                            verordening op de watersysteemheffing) ingetrokken met ingang van de
                            datum van de heffing. De datum van ingang de heffing is 1 januari 2016.
                            De oude verordening blijft van toepassing op belastbare feiten die zich
                            vóór 1 januari 2016 hebben voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze
                            belastbare feiten op basis van de oude verordening te belasten, ook al
                            is de verordening ingetrokken. </al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat
                            besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels
                            inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt
                            derhalve ook voor belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede
                            lid van artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in het op een
                            algemeen toegankelijke wijze uit te geven waterschapsblad. Het
                            waterschapsblad kan elektronisch worden uitgegeven. Bij gebreke van een
                            waterschapsblad geschiedt de bekendmaking door terinzagelegging voor de
                            tijd van twaalf weken op de secretarie van het waterschap of op een
                            andere door het waterschapsbestuur te bepalen plaats en door het doen
                            van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of
                            huis-aan-huisblad.. De bekendgemaakte besluiten treden conform artikel
                            74 van de Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander
                            tijdstip is aangewezen. In deze verordening is geregeld dat deze in
                            werking treedt op de eerste dag na die van bekendmaking. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>