<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR386952_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING ZUIVERINGSHEFFING RIJNLAND 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-11-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2015-8766.html">GVOP</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005108">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005108"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-11-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING ZUIVERINGSHEFFING RIJNLAND 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>15.081612</al><al>15.DE VERENIGDE VERGADERING VAN HET HOOGHEEMRAADSCHAP VAN RIJNLAND;</al><al>15.Gelezen het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden d.d. 13 oktober 2015,
                        nr. 15.081344;</al><al>15.gelet op de artikelen 110 en hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk 6.2 van het </al><al>15.Waterschapsbesluit;</al><al>15.BESLUIT:</al><al>15.Vast te stellen de: <vet>Verordening zuiveringsheffing Rijnland
                            2016</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>15.<vet><onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 1</onderstreept></al><al>15.Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>stoffen: de stoffen genoemd in artikel 6 van deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport van
                                afvalwater, in beheer bij een</al><al> gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer
                                is belast;</al></li><li nr="c."><al>zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van stedelijk
                                afvalwater, in exploitatie bij een</al></li></lijst><al>15. waterschap of gemeente, dan wel een rechtspersoon die door het bestuur
                        van een waterschap met de</al><al>15. zuivering van stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij
                        dat werk behorende werk voor</al><al>15. het transport van stedelijk afvalwater;</al><lijst><li nr="d."><al>afvoeren: het brengen van stoffen op een riolering of op een
                                zuiveringtechnisch werk in beheer bij</al><al> het waterschap;</al></li><li nr="e."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is om
                                als een afzonderlijk geheel te</al><al> voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de
                                inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                                gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als
                                afzonderlijk geheel te beschouwen</al><al> terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een
                                zuiveringtechnisch werk of een riolering.</al></li><li nr="g."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks bestuur
                                aangewezen ambtenaar, bedoeld</al><al> in artikel 123, derde lid, onderdeel b, of de door het dagelijks
                                bestuur aangewezen ambtenaar bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                onderdeel a, van de Waterschapswet;</al></li><li nr="h."><al>drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet;</al></li><li nr="i."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, warm tapwater,
                                onttrokken grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="j."><al>afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 3.4 van de
                                Waterwet;</al></li><li nr="k."><al>warm tapwater: tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                Drinkwaterwet.</al><al><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2</onderstreept></al><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><al> – Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                berekening;</al><al> Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten, zoals opgenomen in
                                artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet. </al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Belastbaar feit en
                        heffingsplicht</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 3</onderstreept></al><al>15. 1 Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van
                        de taak inzake het zuiveren van</al><al>15.afvalwater, wordt onder de naam “zuiveringsheffing” een directe belasting
                        geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch
                        werk in beheer bij het waterschap. </al><al>15. 2 Aan de heffing worden onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte:
                                degene die het gebruik heeft van die ruimte;</al></li><li nr="b."><al>ter zake het afvoeren anders dan bedoeld onder a: degene die
                                afvoert.</al><al> 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is
                                heffingsplichtig:</al></li><li nr="a."><al>in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een
                                huishouden: degene die door de ambtenaar belast met de heffing is
                                aangewezen;</al></li><li nr="b."><al>in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een
                                bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik
                                heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik
                                heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op
                                degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="c."><al>in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van
                                een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter
                                beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de
                                ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als
                                zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is
                                gesteld.</al></li></lijst><al>15.4 Indien stoffen met behulp van een riolering worden afgevoerd, is degene
                        bij wie die riolering in beheer is, slechts voor die stoffen die de
                        beheerder zelf op de riolering heeft gebracht aan een heffing
                        onderworpen.</al><al>15. 5 De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed:</al><lijst><li nr="a."><al>aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten
                                van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden
                                met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van
                                die maatregelen zijn gehouden;</al></li><li nr="b."><al>aan het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot behoud
                                van het gebruik van zuiveringstechnische werken teneinde een
                                stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                voorkomen.</al></li></lijst><al>15.6 Het afvoeren door het waterschap is vrijgesteld van de heffing.</al><al>15.<onderstreept>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                            tijdsevenredigheid</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 4</onderstreept></al><al>15. 1 De heffing ter zake van woonruimten en van bedrijfsruimten als bedoeld
                        in artikel 15 is </al><al>15. verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij
                        de aanvang van de heffingsplicht.</al><al>15. 2 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht als bedoeld in het
                        eerste lid in de loop van het </al><al>15. heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel twaalfde
                        gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar,
                        na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. </al><al>15. 3 Indien ter zake van woonruimten de heffingsplicht bedoeld in het
                        eerste lid in de loop van het </al><al>15. heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
                        twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er in dat
                        jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle kalendermaanden
                        overblijven. </al><al>15.4 Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                        heffingsplichtige het gebruik van een woonruimte beëindigt en direct
                        aansluitend het gebruik krijgt van een woonruimte van waaruit eveneens wordt
                        afgevoerd. </al><al>15.<onderstreept>Heffingsjaar</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 5</onderstreept></al><al>15.Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al>15.<vet><onderstreept>Aangifte</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 5a</onderstreept></al><lijst><li nr="1"><al>Met betrekking tot de zuiveringsheffing geheven van gebruikers van
                                bedrijfsruimten, wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte
                                gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet met een
                                        aangiftebrief waarin wordt verzocht om aangifte te doen op
                                        de wijze als bedoeld in lid 3, onderdeel b.</al></li><li nr="c."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in lid 3, onderdeel b.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Op verzoek van degene die op de wijze bedoeld in het eerste lid,
                                onderdeel c, is uitgenodigd tot het doen van aangifte wordt door de
                                ambtenaar belast met de heffing een aangiftebiljet als bedoeld in
                                het eerste lid, onderdeel a, toegezonden of uitgereikt.</al></li><li nr="3"><al>Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Indien het derde lid, onderdeel b, toepassing vindt, worden de
                                eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk ingeleverd of al dan
                                niet overeenkomstig het eerste lid toegezonden.</al></li><li nr="5"><al>Degenen die betrokken zijn bij de aangifte, bedoeld in het derde
                                lid, onderdeel b, dragen zorg voor de nodige voorzieningen van
                                technische en organisatorische aard tegen verlies of aantasting van
                                de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of
                                verstrekking daarvan.</al></li><li nr="6"><al>De via de programmatuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, toe
                                te zenden dan wel in te leveren gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan
                                die welke toegezonden dan wel ingeleverd hadden moeten worden voor
                                de aangifte als bedoeld in het derde lid, onderdeel a.</al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Grondslag en
                        heffingsmaatstaf</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 6</onderstreept></al><al>15. 1 Voor de heffing bedoeld in artikel 3 geldt als grondslag de
                        hoeveelheid en de hoedanigheid van de </al><al>15. stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al><al>15. 2 Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de
                        stoffen die in een </al><al>15. kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt in
                        vervuilingseenheden.</al><al>15. 3 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot zuurstofbindende
                        stoffen wordt bepaald op basis </al><al>15. van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                        door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in Bijlage I
                        van deze verordening. Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking
                        tot zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van 54,8
                        kilogram zuurstof.</al><al>15. 4 Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de stoffen chroom,
                        koper, lood, nikkel, zilver, </al><al>15. zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald
                        op basis van de afgevoerde </al><al>15. gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven in Bijlage I van deze
                        verordening. Eén </al><al>15. vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde
                        gewichtshoeveelheid van:</al><al>15. a 1 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                        zink;</al><al>15. b 0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;</al><al>15. c 650 kilogram van de stoffen chloride en sulfaat;</al><al>15. d 20 kilogram van de stof fosfor.</al><al>15.<vet><onderstreept>Meting, bemonstering en
                        analyse</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 7</onderstreept></al><al>15. 1 Het aantal vervuilingseenheden van zuurstofbindende en andere stoffen
                        wordt berekend met behulp </al><al>15. van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting,
                        bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van de in
                        Bijlage I opgenomen voorschriften.</al><al>15. 2 De in het eerste lid bedoelde meting, bemonstering en analyse
                        geschieden ieder etmaal van het </al><al>15. heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.</al><al>15.3 De meting, bemonstering en analyse geschieden zodanig dat:</al><al>15. a de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de
                        werkelijke hoeveelheid afvalwater;</al><al>15. b het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid
                        stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.</al><al>15. 4 De heffingsplichtige brengt de wijze van meting en bemonstering met
                        een beschrijving van de </al><al>15. daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter
                        kennis van de ambtenaar belast met de heffing. Indien het gebruik van de
                        apparatuur in de loop van het heffingsjaar aanvangt of wijzigt, dan wordt
                        dit vóór de ingebruikname of de wijziging ter kennis van de ambtenaar belast
                        met de heffing gebracht. </al><al>15. 5 De ambtenaar belast met de heffing:</al><al>15. a kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden in
                        afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen
                        voorschriften, indien deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter
                        voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen a en b;</al><al>15. b beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer van de in
                        Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het derde
                        lid, onderdelen a en b;</al><al>15. c beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden afgeweken
                        van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen analysevoorschriften, indien de
                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed;</al><al>15. d kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c
                        nadere voorschriften geven.</al><al>15. 6 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                        het vijfde lid, onderdelen a, b </al><al>15. en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in
                        elk geval:</al><al>15. a de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan wordt
                        afgeweken;</al><al>15. b de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en c;</al><al>15. c de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel d;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven. </al><al>15. 7 De ambtenaar belast met de heffing is bevoegd twee of meer ingevolge
                        het vijfde lid genomen </al><al>15. beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                        bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al><al>15. 8 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                        verwachten veranderingen in de </al><al>15. hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te
                        voeren stoffen, de desbetreffende beschikkingen, bedoeld in het vijfde lid,
                        ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in het eerste
                        lid en het derde lid.</al><al>15.<vet><onderstreept>Beperkte meting, bemonstering en analyse
                            </onderstreept></vet></al><al>15. <onderstreept>Artikel 8</onderstreept></al><al>15.1 Op aanvraag van de heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de
                        berekening van het aantal </al><al>15. vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met behulp
                        van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal etmalen zijn
                        verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing dat meting en
                        bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede
                        lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare
                        beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>15. a een opgave van de afvalwaterstromen en de stoffen welke in het
                        onderzoek dienen te worden betrokken;</al><al>15. b de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden, hetzij ieder
                        etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer daartoe aangewezen etmalen
                        daarvan;</al><al>15. c de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen uitkomsten worden
                        herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                        onderscheidenlijk over het heffingsjaar;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven. </al><al>15.2 De ambtenaar belast met de heffing kan bij veranderingen of te
                        verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de
                        afgevoerde, respectievelijk af te voeren stoffen, de desbetreffende
                        beschikking, bedoeld in het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken,
                        indien toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage
                        I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die beschikking is
                        opgenomen.</al><al>15.3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing, bedoeld in
                        het tweede lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking.</al><al>15.<onderstreept>Hoedanigheidscorrectie</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 9</onderstreept></al><al>15. 1 Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch
                        zuurstofverbruik bedoeld in </al><al>15. artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of
                        nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de
                        heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al><al>15. 2 De berekening van de correctie geschiedt met inachtneming van de
                        voorschriften welke zijn </al><al>15. opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al><al>15. 3 De ambtenaar belast met de heffing neemt zijn beslissing als bedoeld
                        in het eerste lid, bij voor </al><al>15. bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><al>15. a de wijze van berekening van de correctie;</al><al>15. b de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de correctie
                        van toepassing is;</al><al>15. c de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot meting,
                        bemonstering en analyse;</al><al>15. d een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren waarvoor de
                        beschikking wordt gegeven.</al><al>15.<onderstreept>Tabel afvalwatercoëfficiënten</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 10</onderstreept></al><al>15. 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, kan het aantal
                        vervuilingseenheden met </al><al>15. betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                        bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met behulp van de
                        in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel afvalwatercoëfficiënten,
                        indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal
                        vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een
                        kalenderjaar 1.000 of minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de
                        hoeveelheid ingenomen water kan worden bepaald.</al><al>15. 2 Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                        berekend volgens de formule A x </al><al>15. B, waarbij</al><al>15. A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water;</al><al>15. B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in Bijlage
                        II opgenomen tabel met de klassengrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met
                        betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte
                        of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen.</al><al>15. 3 Indien de in het kalenderjaar ingenomen hoeveelheid water niet kan
                        worden vastgesteld aan de hand </al><al>15. van watermeterstanden die aan het begin en aan het einde van het
                        kalenderjaar zijn opgenomen, stelt de ambtenaar belast met de heffing die
                        hoeveelheid vast op een door hem nader vast te stellen wijze.</al><al>15. 4 De vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³
                        als bedoeld in het tweede lid </al><al>15. wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als
                        bedoeld in artikel 122k van de Waterschapswet.</al><al>15. 5 Indien het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik in een kalenderjaar </al><al>15. voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt
                        en de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                        vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid, aanhef,
                        bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke wordt verkregen
                        bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid, beslist de ambtenaar
                        belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van
                        heffingsplichtige dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met
                        toepassing van de tabel.</al><al>15.<vet><onderstreept>Vervuilingswaarde van
                            tuinbouwkassen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 11</onderstreept></al><al>15. 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die worden </al><al>15. afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                        bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of
                        een bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen te
                        telen, bepaald op basis van het tweede lid.</al><al>15. 2 De vervuilingswaarde bedraagt drie vervuilingseenheden per hectare
                        vloeroppervlak waarop onder </al><al>15. glas of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
                        vloeroppervlak een evenredig deel van drie vervuilingseenheden.</al><al>15. 3 Indien in de loop van het kalenderjaar het gebruik van een in het
                        eerste lid bedoelde bedrijfsruimte </al><al>15. of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door
                        de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor die
                        bedrijfsruimte, voor dat onderdeel of voor dat deel voor een evenredig
                        gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald aantal
                        vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen.</al><al>15. 4 Bij beëindiging van het gebruik of vermindering van het aantal hectare
                        vloeroppervlak in de loop </al><al>15. van het kalenderjaar wordt, op aanvraag van de gebruiker, ontheffing
                        c.q. vermindering verleend. Vermeerdering van het aantal hectare
                        vloeroppervlak die zich in de loop van het kalenderjaar voordoet dient
                        onverwijld aan het hoogheemraadschap te worden gemeld.</al><al>15. 5 Een vervuilingswaarde voor de bedrijfsruimte of het onderdeel van een
                        bedrijfsruimte, berekend op </al><al>15. basis van het tweede of derde lid, van minder dan vijf
                        vervuilingseenheden wordt op drie vervuilingseenheden, en van één of minder
                        dan één vervuilingseenheid op één vervuilingseenheid gesteld.</al><al>15.<vet><onderstreept>Franchise en drempel</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 12</onderstreept></al><al>15. 1 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                        heffingsjaar voor de groep van stoffen </al><al>15. chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink wordt een aftrek toegepast,
                        met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op
                        nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                        vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond
                        van de artikelen 7 tot en met 10, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al><al>15. 2 Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden in het
                        heffingsjaar voor de groep van stoffen </al><al>15. arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien verstande
                        dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden
                        gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden
                        van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7
                        tot en met 10, te vermenigvuldigen met 0,0027.</al><al>3Voor de berekening van het aantal vervuilingseenheden van de stoffen
                        chloride, fosfor en sulfaat </al><al>15.wordt een aftrek toegepast, met dien verstande dat het aantal
                        vervuilingseenheden niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek
                        wordt bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                        zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en
                        met 10, te vermenigvuldigen met 15,0 kg voor chloride, 0,5 kg voor fosfor en
                        15,0 kg voor sulfaat.</al><al>15.<vet><onderstreept>Meetverplichting</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 13</onderstreept></al><al>15.1 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                        stoffen van een bedrijfsruimte </al><al>15. minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking van
                        het bepaalde in artikel 7:</al><al>15. a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                        lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast
                        met de heffing aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                        betrekking tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid bedoelde aftrek te
                        boven gaat;</al><al>15. b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen,
                        cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                        stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.</al><al>15. c Het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride, fosfor en
                        sulfaat op nihil gesteld, tenzij de ambtenaar belast met de heffing
                        aannemelijk maakt dat aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                        stoffen de in artikel 12, derde lid, bedoelde aftrek te boven gaat.</al><al>15.2 Indien de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                        stoffen van een bedrijfsruimte </al><al>1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van het
                        bepaalde in artikel 7:</al><al>1. a het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen chroom, koper,
                        lood, nikkel, zilver en zink op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                        stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven
                        gaat;</al><al>1. b het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen arseen, cadmium
                        en kwik op nihil gesteld, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                        het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel
                        12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.</al><al>1. c het aantal vervuilingseenheden van de stoffen chloride, fosfor en
                        sulfaat op nihil gesteld. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                        het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in artikel
                        12, derde lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.</al><al>15.<vet><onderstreept>Totale vervuilingswaarde van een
                                bedrijfsruimte</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 14</onderstreept></al><al>15.De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                        de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de artikelen 7
                        tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al>15.<onderstreept>Vervuilingswaarde van kleine
                        bedrijfsruimten</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 15</onderstreept></al><al>15.1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die vanuit een </al><al>15.bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren
                        van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien
                        door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                        minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid
                        indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één
                        vervuilingseenheid of minder bedraagt.</al><al>15.2 Indien de aanslag in het heffingsjaar al is opgelegd voor drie
                        vervuilingseenheden en de </al><al>15.heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde één
                        vervuilingseenheid of minder bedraagt, bestaat aanspraak op vermindering. De
                        heffingsplichtige kan daartoe na afloop van het heffingsjaar of, bij
                        beëindiging van de heffingsplicht, in de loop van het heffingsjaar een
                        aanvraag indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al><al>15.<vet><onderstreept>Vervuilingswaarde van
                        woonruimten</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 16</onderstreept></al><al>15.1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                        de stoffen die vanuit een </al><al>15.woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De
                        vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte
                        woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.</al><al>15.2 Het eerste lid is niet van toepassing op de voor recreatiedoeleinden
                        bestemde woonruimten die zich </al><al>15.bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als zodanig
                        wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde woonruimten worden
                        tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
                        bedrijfsruimte.</al><al>15.3 Indien de in het eerste lid bedoelde situatie dat een woonruimte wordt
                        gebruikt door één persoon </al><al>15.ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op
                        één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerstvolgende
                        kalendermaand. </al><al>15.<vet><onderstreept>Schatting</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 17</onderstreept></al><al>15.De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                        een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                        vaststellen, indien door de heffingsplichtige:</al><al>15.a meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn geschied in
                        overeenstemming met de in Bijlage I opgenomen voorschriften;</al><al>15.b het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse en bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 10, eerste of vijfde lid, 11, eerste lid, 15, eerste lid, of 16,
                        eerste lid, niet mogelijk is;</al><al>15.c het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting,
                        bemonstering en analyse, bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                        artikel 10, eerste of vijfde lid, wel mogelijk is, maar door de
                        heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen verzoek als bedoeld in dat
                        artikel is gedaan :</al><al>15.d niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan de in
                        artikel 7, 8 of 9 bedoelde toestemming.</al><al>15.<vet><onderstreept>Tarief en niet
                                opleggen van aanslagen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 18</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het tarief bedraagt € 52,80 per vervuilingseenheid. </al></li><li nr="2."><al>Belastingaanslagen van € 5,00 of minder worden niet opgelegd. Voor
                                de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één
                                aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen voor belastingen of
                                andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Wijze van heffing en termijnen van
                                betaling</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 19</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De heffing wordt geheven bij wege van aanslag. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan
                                de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand
                                die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede
                                twee maanden later. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt dat, ingeval het
                                totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als
                                het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is
                                dan € 75,--, doch minder dan € 5.000,--, en zolang de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                                afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke
                                termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van
                                het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand
                                later. </al></li><li nr="4."><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen. </al></li></lijst><al>15.<onderstreept>Nadere regels</onderstreept></al><al>15.<onderstreept>Artikel 20</onderstreept></al><al>15.Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering. </al><al>15.<vet><onderstreept>Kwijtschelding</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 21</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Kwijtschelding wordt uitsluitend verleend ter zake van de heffing
                                voor het afvoeren vanuit een woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Bij de kwijtschelding als bedoeld in lid 1 wordt, in afwijking van
                                artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, met
                                betrekking tot de kosten van bestaan, het forfaitaire percentage van
                                100 gehanteerd. </al></li></lijst><al>15.<vet><onderstreept>Inwerkingtreding en
                        citeertitel</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 22</onderstreept></al><al>15.1 De ‘Verordening zuiveringsheffing Rijnland 2015’, vastgesteld bij
                        besluit van 5 november 2014, wordt ingetrokken met ingang van de in het
                        derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat
                        zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum
                        hebben voorgedaan.</al><al>15.2 Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                        van de bekendmaking.</al><al>15.3 De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al><al>15.4 Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening zuiveringsheffing
                        Rijnland 2016’.</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>15.Leiden, 4 november 2015</ondertekening><ondertekening>15.De Verenigde vergadering voornoemd,</ondertekening><ondertekening>15.G.J. Doornbos, </ondertekening><ondertekening>15.dijkgraaf</ondertekening><ondertekening>15.ir. A. Haitjema,</ondertekening><ondertekening>15.secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al>15.<vet>Bijlage II</vet></al><al>15.<vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 122k, derde lid,
                            Water</vet><vet>schapswet)</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="29*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Klasse</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal vervuilingseenheden
                                            met betrekking tot het zuurstofverbruik</al><al>per ³ ingenomen water</al></entry><entry colname="col4"><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                            vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                            heffingsjaar</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Ondergrens</al></entry><entry colname="col3"><al>bovengrens</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0013</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0010</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0020</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0016</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0031</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0025</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0048</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0039</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry colname="col3"><al>0,0075</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0060</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry colname="col3"><al>0,012</al></entry><entry colname="col4"><al>0,0094</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,012</al></entry><entry colname="col3"><al>0,018</al></entry><entry colname="col4"><al>0,015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,018</al></entry><entry colname="col3"><al>0,029</al></entry><entry colname="col4"><al>0,023</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,029</al></entry><entry colname="col3"><al>0,045</al></entry><entry colname="col4"><al>0,036</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,045</al></entry><entry colname="col3"><al>0,070</al></entry><entry colname="col4"><al>0,056</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,070</al></entry><entry colname="col3"><al>0,11</al></entry><entry colname="col4"><al>0,088</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,11</al></entry><entry colname="col3"><al>0,17</al></entry><entry colname="col4"><al>0,14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,17</al></entry><entry colname="col3"><al>0,27</al></entry><entry colname="col4"><al>0,21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,27</al></entry><entry colname="col3"><al>0,42</al></entry><entry colname="col4"><al>0,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15</al></entry><entry colname="col2"><al>&gt; 0,42</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><nota-toelichting><al>15. Toelichting op de Verordening zuiveringsheffing</al><al>15.<vet>A ALGEMEEN</vet></al><al>15.<cursief>Doelstelling en karakter zuiveringsheffing</cursief></al><al>15.Bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                        (Wet van 13 november 1969, Stb. 536) kreeg de zuiveringsheffing als
                        doelstelling de financiering van de kosten van maatregelen tot het tegengaan
                        en voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18,
                        eerste lid). De zuiveringsheffing is dus een bestemmingsheffing
                        (dekkingsmiddel van kosten). </al><al>15.De maatregelen om verontreiniging van oppervlaktewater tegen te gaan zijn
                        onder te verdelen in actief beheer (het feitelijk transporteren en zuiveren
                        van afvalwater, alsmede het verbranden van zuiveringsslib) en passief beheer
                        (vergunningverlening, toezicht en controle, handhaving,
                        waterkwaliteitsbeheersplannen). Deze activiteiten samen werden tot dusver
                        geduid als de zorg voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Met de
                        inwerkingtreding van de Wet modernisering waterschapsbestel (Wet van 21 mei
                        2007, Stb. 208) is hier verandering in gekomen.</al><al>15.Het zuiveren van stedelijk afvalwater is, zoals blijkt uit artikel 3.4,
                        eerste lid, van de Waterwet, een taak die bij het waterschap is
                        ondergebracht. De financiering daarvan (de Waterschapswet spreekt van: de
                        behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater) gebeurt met
                        ingang van 2009 uit de opbrengst van de zuiveringsheffing, waarvoor de
                        bepalingen zijn opgenomen in de artikelen 122c tot en met 122k van de
                        Waterschapswet.</al><al>15.Alle overige activiteiten die niet tot het zuiveren en/of transporteren
                        van afvalwater behoren, zijn samen met de zorg voor de waterkering en de
                        zorg voor de beheersing van het oppervlaktewater nu ondergebracht in de zorg
                        voor het watersysteem. De kosten daarvan worden voortaan bestreden uit de
                        opbrengst van de watersysteemheffing, die in de plaats is gekomen van de
                        waterschapsomslagen (artikel 117 van de Waterschapswet).</al><al>15.<vet>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al>15.<vet>Considerans</vet></al><al>15.<cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>15.Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van de
                        belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                        Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van de
                        belastingverordening (artikel 84 van de Waterschapswet).</al><al>15.<cursief>Wettelijke grondslag</cursief></al><al>15.De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de
                        zuiveringsheffing ligt in hoofdstuk XVIIb van de Waterschapswet. Voorts zijn
                        in hoofdstuk 6 van het Waterschapsbesluit nog enkele nadere regels
                        gesteld.</al><al>15.<vet><onderstreept>Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 1</onderstreept></al><al>15.Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening
                        voorkomende begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te bevorderen, is
                        van deze begrippen een omschrijving gegeven in artikel 1. Daarbij is
                        aangesloten bij de begripsbepalingen in artikel 122c van de
                        Waterschapswet.</al><al>15.<cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>15.Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen genoemd in
                        artikel 6. In dat artikel zijn de stoffen opgenomen die door het waterschap
                        in de heffing worden betrokken, alsmede de gewichtseenheden van die
                        stoffen.</al><al>15.<cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>15.Onder riolering wordt verstaan het gemeentelijk rioolstelsel zoals dat
                        wordt bedoeld in artikel 10.33, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit kan
                        worden beheerd door de gemeente zelf, of door een rechtspersoon, in opdracht
                        van de gemeente. </al><al>15.<cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>15.Een zuiveringtechnisch werk is een werk voor het zuiveren van stedelijk
                        afvalwater, in exploitatie bij een waterschap of gemeente, dan wel een
                        rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap met de zuivering van
                        stedelijk afvalwater is belast, met inbegrip van het bij dat werk behorende
                        werk voor het transport van stedelijk afvalwater. Deze definitie is ontleend
                        aan artikel 1.1 van de Waterwet. Het begrip omvat naast
                        afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                        vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten behoeve
                        van het afvalwater. De gemeentelijke riolering wordt hier niet onder
                        begrepen (zie onderdeel b, waarbij het begrip riolering is
                        gedefinieerd).</al><al>15.<cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>15.Afvoeren is het brengen van stoffen op een riolering of op een
                        zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.</al><al>15.<cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>15.Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan. Niet
                        elke bewoonde ruimte kan als woonruimte worden aangemerkt. Een woonruimte
                        wordt geacht te zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                        woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de inrichting van de
                        ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan
                        om een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet meer dan
                        bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen
                        die voor de woonfunctie wel van wezenlijk belang zijn. Hierbij moet worden
                        gedacht aan het met gebruikers van andere ruimten delen van faciliteiten als
                        kookgelegenheid, sanitair of bad- en douchegelegenheid. Dit komt vaak in
                        onder meer studentenhuizen en pensions voor. In een dergelijke situatie kan
                        niet worden gesproken van een woonruimte in de zin van deze verordening. Zie
                        hiervoor ook de arresten van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                        Belastingblad 1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                        1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                        168).</al><al>15.Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te leiden
                        uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een kajuitzeilschip
                        als woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213, Belastingblad 1991, blz.
                        479).</al><al>15.<cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>15.Bij de omschrijving van het begrip bedrijfsruimte is gekozen voor een
                        negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan het begrip te
                        geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een bedrijfsruimte worden
                        aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een
                        bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad
                        1993, blz. 457). </al><al>15.In een ogenschijnlijk soortgelijke situatie oordeelde de rechter echter
                        anders. Hierbij ging het om een kavel los land –deels akkerbouw, deels
                        weiland- dat niet als bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Er stonden
                        namelijk geen opstallen op en voor de exploitatie maakte de agrariër gebruik
                        van machines die elders, in de schuur achter zijn boerderij, werden gestald.
                        Hierdoor was hij meer dan bijkomstig afhankelijk van elders aanwezige, voor
                        de bedrijfsexploitatie wezenlijke, voorzieningen (Hof ’s-Gravenhage, 18
                        februari 1997, Belastingblad 1997, blz. 729). </al><al>15.Of daar ook sprake van was bij de zandopspuiting wordt uit de casus niet
                        duidelijk. Het Hof stelde alleen vast dat er sprake was van het afvoeren van
                        met slib verontreinigd perswater en liet de aanslag in stand (Hof Arnhem 22
                        augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of sprake is van
                        één of van twee bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de
                        Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627)
                        waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als
                        één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelde onder andere een rol het
                        feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de gehele stortplaats een
                        hek staat en er geen deugdelijke afscheiding is tussen beide delen van de
                        stortplaats.</al><al>15.<cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>15.Op grond van artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet is de
                        directeur van de BSGR aangewezen als heffingsambtenaar.</al><al>15.<cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>15.De definitie van drinkwater is ontleend aan artikel 1, eerste lid, van de
                        Drinkwaterwet.</al><al>15.<cursief>Onderdeel i</cursief></al><al>15.Behalve via nutsbedrijven wordt ook op andere wijze water verkregen. Zo
                        wordt op steeds grotere schaal door bedrijven voor sanitair gebruik
                        hemelwater opgevangen. Omdat dit water na gebruik wordt afgevoerd, dient het
                        eveneens in de berekening van de vervuilingswaarde te worden betrokken.
                        Ditzelfde geldt voor warm tapwater (zie onderdeel k).</al><al>15.<cursief>Onderdeel j</cursief></al><al>15.In artikel 3.4 Waterwet is de zuivering van stedelijk afvalwater
                        opgenomen. Waar in deze verordening wordt gesproken van afvalwater wordt
                        hiermee stedelijk afvalwater bedoeld. </al><al>15.<cursief>Onderdeel k</cursief></al><al>15.In de Drinkwaterwet komt het begrip warm tapwater voor (artikel 1, eerste
                        lid). Dit is water voor huishoudelijk gebruik dat door een leverancier wordt
                        opgewarmd alvorens het aan de consument wordt geleverd. Door de
                        Drinkwaterwet wordt warm tapwater nadrukkelijk uitgezonderd van het begrip
                        drinkwater. Het is echter wel water dat na gebruik wordt afgevoerd en valt
                        daarom binnen de ratio van ingenomen water (zie onderdeel i).</al><al>15.<vet><onderstreept>Bijlagen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 2</onderstreept></al><al>15.De grondslag voor de zuiveringsheffing wordt gevormd door de hoeveelheid
                        en de hoedanigheid van de stoffen die worden afgevoerd. Als heffingsmaatstaf
                        geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                        afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Zoals blijkt uit artikel 122g
                        van de Waterschapswet is de hoofdregel dat het aantal vervuilingseenheden
                        wordt vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en
                        analyse verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over de
                        wijze van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in dit verband
                        ook de artikelen 7, 8 en 9 van de verordening.</al><al>15.In de artikelen 122h, 122i en 122k van de Waterschapswet is ook een
                        aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gegeven. Deze uitzonderingen, in
                        casu voor woonruimten, kleine bedrijfsruimten, glastuinbouwbedrijven en
                        bedrijven met een vervuilingswaarde van 1.000 vervuilingseenheden en </al><al>15.minder, zijn eveneens in deze verordening opgenomen.</al><al>15.Voor bedrijven met een vervuilingswaarde met betrekking tot het
                        zuurstofverbruik van 1.000 vervuilingseenheden en minder kan onder
                        voorwaarden de berekening van het aantal vervuilingseenheden plaatsvinden
                        met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van
                        meting, bemonstering en analyse. Deze tabel is opgenomen in artikel 122k,
                        derde lid, van de Waterschapswet en volledigheidshalve eveneens in Bijlage
                        II. De wijze waarop deze tabel moet worden toegepast, is geregeld in artikel
                        10. </al><al>15.De Bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>15.<vet><onderstreept>Belastbaar feit en
                        heffingsplicht</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 3</onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.De opbrengst van de zuiveringsheffing dient ter bestrijding van de kosten
                        die zijn verbonden aan het zuiveren van afvalwater. De zuiveringsheffing is
                        daarmee primair een bestemmingsheffing met een retributief karakter. </al><al>15.Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het
                        direct of indirect afvoeren van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in
                        beheer bij het waterschap. Om beheerder en daarmee heffingsbevoegd te zijn,
                        is het niet vereist dat de juridische eigendom van het zuiveringstechnisch
                        daadwerkelijk bij het waterschap berust. Dit is met name van belang is
                        situaties waar sprake is van zogeheten grensoverschrijdend afvalwater: het
                        afvalwater ontstaat in het gebied van het ene waterschap en wordt afgevoerd
                        naar een zuiveringstechnisch werk van een ander waterschap. In een dergelijk
                        geval is het ontvangende waterschap bevoegd om degene die de stoffen heeft
                        afgevoerd in de zuiveringsheffing te betrekken. Hierdoor kan de situatie
                        ontstaan dat ten aanzien van hetzelfde adres aanslagen worden opgelegd door
                        verschillende waterschappen.</al><al>15.Die veelal ongewenste situatie kan worden voorkomen door het sluiten van
                        een medebeheersovereenkomst tussen de betrokken waterschappen. waarin onder
                        andere de wederzijdse financiële verplichtingen worden vastgelegd. Het
                        waterschap waar het afvalwater ontstaat wordt daardoor ook beheerder van het
                        ontvangende zuiveringstechnisch werk en daardoor heffingsbevoegd (Hoge Raad
                        11 december 1991, nr. 27 512, Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>15.Ook wordt de zuiveringsheffing aangemerkt als een directe belasting. Dat
                        is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de
                        richtige heffing in hoofdstuk VI van de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Heffingsplichtig zijn degenen die afvoeren. Dit afvoeren kan op
                        verschillende wijzen plaatsvinden. Voor de omschrijving van de
                        belastingplicht wordt daarbij een koppeling gemaakt met het object van
                        waaruit wordt afgevoerd.</al><al>15.Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld wie
                        gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat
                        de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels
                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als heffingsplichtige kan
                        worden aangewezen. Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze
                        kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen. </al><al>15.<cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>15.Vindt het afvoeren plaats vanuit een woonruimte of vanuit een
                        bedrijfsruimte, dan is de gebruiker van die ruimte aan de heffing
                        onderworpen. Het komt voor dat een woonruimte of een bedrijfsruimte aan een
                        gebruiker wordt verhuurd, waarbij één van de voorwaarden luidt dat de
                        belastingen, waar onder de zuiveringsheffing, worden gedragen door de
                        verhuurder. Dergelijke overeenkomsten doen niet af aan de heffingsplicht: de
                        gebruiker blijft heffingsplichtig. Deze kan op grond van de huurovereenkomst
                        zelf het bedrag van de aanslag terugvorderen bij de verhuurder.</al><al>15.De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat er geen misverstand
                        kan bestaan dat studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te
                        worden aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van
                        artikel 3, derde lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken. (Zie
                        ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984, blz. 544 en
                        Hoge Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92).</al><al>15.In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als gebruiker
                        van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening slechts kan worden
                        aangemerkt degene die zich daadwerkelijk min of meer duurzaam te eigen
                        behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden uitvoert om
                        deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet als gebruiker worden
                        aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>15.Ook kan het gebruik van een woonruimte of van een bedrijfsruimte er op
                        zijn gericht om die voor kortere perioden ter beschikking te stellen van
                        wisselende, opeenvolgende gebruikers. In dergelijke gevallen is de
                        verhuurder/exploitant belastingplichtig.</al><al>15.<cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>15.Vindt het afvoeren niet vanuit een woonruimte of vanuit een
                        bedrijfsruimte plaats, dan is degene die afvoert heffingsplichtig. Deze
                        bepaling komt overeen met die in artikel 122d, tweede lid, onderdeel b, van
                        de Waterschapswet. Dit artikel komt weer overeen met de bepaling in artikel
                        7.2, tweede lid, onderdeel c, uit de Waterwet. Deze bepaling is in het
                        verleden in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud) ingevoerd nadat
                        was gebleken dat (incidenteel) afvoeren vanuit een tankauto niet als
                        afvoeren vanuit een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt. Bovendien bleek in
                        de praktijk het achterhalen van de identiteit van de achterliggende
                        vervuiler niet altijd mogelijk te zijn, evenals het vaststellen van
                        individuele vervuilingswaarden indien de stoffen van meer dan één adres
                        afkomstig zijn. In die gevallen biedt deze bepaling soelaas, omdat degene
                        die feitelijk afvoert (in het geval van een tankauto dus de vervoerder)
                        rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken. Door de gekozen formulering
                        zijn overigens niet alleen lozingen vanuit tankauto’s aan de heffing
                        onderworpen, maar ook alle andere denkbare wijzen van afvoeren anders dan
                        vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte. Zo valt ook het afvoeren vanuit
                        een zuiveringstechnisch werk onder de ratio van deze bepaling. </al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.<cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>15.Wanneer er met betrekking tot dezelfde woonruimte sprake is van meerdere
                        gebruikers, wijst de ambtenaar belast met de heffing voor het opleggen van
                        de aanslag één van hen aan als belastingplichtige. De criteria op grond
                        waarvan die belastingplichtige wordt aangewezen, liggen vast in
                        beleidsregels.</al><al>15.<cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>15.Wanneer een (onzelfstandig) deel van een bedrijfsruimte in gebruik is
                        gegeven aan een ander, dan kan degene die dit in gebruik heeft gegeven de
                        aan dat deel toe te rekenen zuiveringsheffing verhalen op degene die het in
                        gebruik heeft. Hierbij kan worden gedacht aan bedrijfsverzamelgebouwen en
                        dergelijke.</al><al>15.<cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>15.Wanneer het gaat om een woonruimte of een bedrijfsruimte die voor kortere
                        perioden aan wisselende, opeenvolgende gebruikers ter beschikking wordt
                        gesteld, kan de heffingsplichtige de zuiveringsheffing verhalen op degenen
                        aan wie hij de ruimte ter beschikking heeft gesteld.</al><al>15.<cursief>Vierde lid</cursief></al><al>15.In verreweg de meeste gevallen vindt het afvoeren naar het
                        zuiveringstechnisch werk van het waterschap plaats via de gemeentelijke
                        riolering. Dit vierde lid voorziet er in dat in dergelijke gevallen niet de
                        gemeente, maar degene die via de riolering heeft afgevoerd in de heffing
                        wordt betrokken. De gemeente zelf is alleen heffingsplichtig voor zover het
                        gaat om het afvoeren vanuit objecten waarvan de gemeente als gebruiker kan
                        worden aangemerkt.</al><al>15.<cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>15.Hier wordt aangegeven waar de opbrengst van de zuiveringsheffing, naast
                        het financieren van het zuiveren van afvalwater, aan kan worden
                        besteed.</al><al>15.<cursief>Zesde lid</cursief></al><al>15.Het waterschap kiest er om doelmatigheidsredenen voor om het afvoeren
                        vanuit objecten die het zelf in gebruik heeft, vrij te stellen van de
                        zuiveringsheffing. </al><al>15..</al><al>15.<vet><onderstreept>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                tijdsevenredigheid</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 4</onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat bij
                        woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële belastingschuld door de
                        regeling in het eerste lid toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit
                        heeft als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden
                        opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te
                        worden tot het heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het
                        echter niet zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het
                        heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na
                        afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken
                        van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994 inzake
                        precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam
                        15 december 1995 inzake liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331)
                        en Hof Amsterdam 23 april 1997 (Belastingblad 1997, blz. 495) inzake
                        zuiveringsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat om een
                        definitieve aanslag al in het heffingsjaar zelf op te leggen, de
                        heffingsverordening in een aantal zaken moet voorzien. Het gaat hierbij
                        om:</al><al>15.– een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                        begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 4, eerste lid);</al><al>15.– een regeling op grond waarvan aanspraak op ontheffing bestaat indien de
                        heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt (voor woonruimten is dit
                        geregeld in artikel 4, derde en vierde lid en voor kleine bedrijfsruimten
                        voorziet artikel 15, tweede lid, daar in);</al><al>15.– een regeling op grond waarvan aanspraak op vermindering bestaat indien
                        de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt (voor
                        woonruimten is dit geregeld in artikel 16, derde lid en voor kleine
                        bedrijfsruimten in artikel 15, tweede lid). </al><al>15.Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, kan een
                        waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 13
                        van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de
                        bevoegdheid.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.De vervuilingswaarde van een woonruimte wordt forfaitair vastgesteld op
                        drie vervuilingseenheden en bij bewoning door één persoon op één
                        vervuilingseenheid (artikel 16, eerste lid). De zuiveringsheffing is echter
                        een tijdvakbelasting. Dit betekent dat wanneer de heffingsplicht zich niet
                        gedurende het gehele heffingstijdvak voordoet, dit gevolgen heeft voor de
                        berekening van de hoogte van de verschuldigde heffing. Artikel 122h, zesde
                        lid, van de Waterschapswet bepaalt dat wanneer de heffingsplicht in de loop
                        van het jaar aanvangt, de heffingsplichtige aan de heffing wordt onderworpen
                        voor een evenredig gedeelte van het vastgestelde aantal vervuilingseenheden.
                        In de verordening moet zijn aangegeven op welke wijze dat evenredig deel
                        wordt vastgesteld.</al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.Wanneer de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt, dan is de
                        heffing op grond van artikel 122h, zesde lid, van de Waterschapswet eveneens
                        voor een evenredig deel verschuldigd. </al><al>15.<cursief>Vierde lid</cursief></al><al>15.Wanneer de heffingsplichtige verhuist naar een andere woonruimte van
                        waaruit eveneens wordt afgevoerd, zijn zowel het tweede als het derde lid
                        van toepassing. Er kan immers worden gesteld dat ook in dat geval sprake is
                        van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw ontstaan van de
                        heffingsplicht. Dit zou resulteren in een vermindering van een al opgelegde,
                        en mogelijk zelfs al betaalde, aanslag voor de oude woning en een nieuwe
                        aanslag voor de nieuwe woning. Om pragmatische redenen kan worden bepaald
                        dat in een dergelijk geval het tweede en het derde lid niet van toepassing
                        zijn. De aanslag verhuist dan als het ware mee. Uiteraard gaat dit niet op
                        wanneer vanuit de nieuwe woning op een oppervlaktewater in beheer bij het
                        waterschap wordt afgevoerd: dan is de verontreinigingsheffing verschuldigd. </al><al>15.<vet><onderstreept>Heffingsjaar</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 5</onderstreept></al><al>15.In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het
                        kalenderjaar. Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende regeling
                        in de verordening niet meer mogelijk is.</al><al>15.<vet><onderstreept>Aangifte</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 5a</onderstreept></al><al>15.De zuiveringsheffing van bedrijfsruimten kan worden geheven na
                        voorafgaande aangifte. Het onderhavige artikel regelt de wijze van
                        uitnodigen tot het doen van aangifte. Tevens is in het derde lid de wijze
                        waarop aangifte moet worden gedaan geregeld. </al><al>15.<vet><onderstreept>Grondslag en
                        heffingsmaatstaf</onderstreept></vet></al><al>15.<vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 6</onderstreept></al><al>15.De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de
                        stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is
                        gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de vervuilingswaarde
                        van de stoffen die <onderstreept>in een kalenderjaar</onderstreept> worden
                        afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de zuurstofbindende
                        als de overige stoffen en is gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten
                        aanzien waarvan het afvoeren is belast. Een verbruik van 54,8 kilogram
                        zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de
                        stoffen die worden genoemd in het vierde lid, gelden verschillende
                        gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het vierde lid zijn alle andere
                        stoffen opgenomen die in de heffing worden betrokken. </al><al>15.Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen
                        zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de
                        heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij
                        zuurstofbindende stoffen gaat het om de hoeveelheid zuurstof die nodig is om
                        die stoffen af te breken. Die hoeveelheid wordt bepaald op de som van het
                        chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                        stikstofverbindingen. Daarbij is één vervuilingseenheid de zuurstofbehoefte
                        die ontstaat door de gemiddelde afvoer van huishoudelijk afvalwater van één
                        persoon per jaar.</al><al>15.In 2001 is onderzoek gedaan naar de vervuilingswaarde van het afvalwater
                        dat één persoon gemiddeld per jaar produceert. Naar aanleiding van dit
                        onderzoek concludeerde de toenmalige Commissie Integraal Waterbeheer dat de
                        op dat moment geldende getalswaarde van 136 gram zuurstof per etmaal of 49,6
                        kilogram per jaar beter in overeenstemming moest worden gebracht met de
                        meest recente gegevens. Als gevolg daarvan is de gemiddelde zuurstofbehoefte
                        verhoogd naar 150 gram per etmaal, of wel 54,8 kilogram per jaar. </al><al>15.Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de
                        vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die worden afgevoerd.
                        Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in het
                        heffingsjaar afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                        zink is één afgevoerde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de grotere
                        schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een afgevoerde hoeveelheid van
                        100 gram al één vervuilingseenheid. Voor de stoffen chloride, sulfaat en
                        fosfor gewichtshoeveelheden respectievelijk 650 kilogram, 650 kilogram en 20
                        kilogram één vervuilingseenheid.</al><al>15.<vet>Meting, bemonstering en analyse</vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 7</onderstreept></al><al>15.Hier is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan bij de zuiveringsheffing
                        de vervuilingswaarde dient te worden vastgesteld. Deze hoofdregel geldt niet
                        alleen ter zake van het afvoeren vanuit bedrijfsruimten, maar ook ter zake
                        van het afvoeren vanuit zuiveringtechnische werken of op andere wijze.</al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.Voor zowel de zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen wordt
                        het aantal vervuilingseenheden bepaald door middel van meting, bemonstering
                        en analyse van het afvalwater. Daarbij maakt het niet uit of dit elk etmaal
                        geschiedt of gedurende een beperkt aantal etmalen.</al><al>15.In Bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>de wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al></li><li nr="-"><al>analysevoorschriften;</al></li><li nr="-"><al>berekeningsvoorschriften.</al></li></lijst><al>15.De kosten van een dergelijk onderzoek zijn voor rekening van de
                        heffingsplichtige.</al><al>15. Het spreekt voor zich dat de vervuilingswaarde zo nauwkeurig mogelijk
                        wordt vastgesteld. Echter niet tot elke prijs. Het Gerechtshof te
                        ’s-Gravenhage oordeelde op 16 maart 1988 dat de kosten in redelijke
                        verhouding tot de verschuldigde heffing moeten staan (Belastingblad 1988,
                        blz. 626). Hiervan is sprake wanneer de kosten niet hoger zijn dan 40% van
                        de verschuldigde heffing.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Volgens het tweede lid dienen meting, bemonstering en analyse plaats te
                        vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan echter onder
                        omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.In het derde lid zijn de voorwaarden opgenomen waar meting en
                        bemonstering aan moeten voldoen. De voorschriften van meting en bemonstering
                        in Bijlage I zijn een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria.
                        Als aan de voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan, kan hiervan
                        onder omstandigheden worden afgeweken.</al><al>15.<cursief>Vierde lid</cursief></al><al>15.De wijze van meting en bemonstering wordt, samen met een beschrijving van
                        de te gebruiken apparatuur, vooraf meegedeeld aan ambtenaar belast met de
                        heffing. Ook de ingebruikname en wijziging van apparatuur gedurende het
                        heffingsjaar valt onder de meldingsplicht.</al><al>15.<cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>15.De ambtenaar belast met de heffing mag onder voorwaarden afwijken van de
                        in Bijlage I opgenomen voorschriften. Dit mag hij:</al><al>15.– ambtshalve wanneer hij aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is om te
                        voldoen aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>15.– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                        ook dan nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden in het derde lid;</al><al>15.– op aanvraag van de belastingplichtige indien deze aannemelijk maakt dat
                        de nauwkeurigheid van de analyseresultaten er niet door wordt
                        beïnvloed.</al><al>15.Verder mag hij nadere voorschriften stellen.</al><al>15.De beslissing op aanvraag wordt bij een voor bezwaar vatbare beschikking
                        genomen. Hiertegen staat de gewone fiscale rechtsgang van bezwaar en beroep
                        open. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is wel dat wanneer de
                        heffingsplichtige zich niet kan verenigen met de beschikking en gebruik
                        maakt van de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen, de voorschriften in
                        die beschikking wel moeten worden nageleefd. Dit om te voorkomen dat wanneer
                        de heffingsplichtige in het ongelijk is gesteld en de beschikking
                        onherroepelijk vaststaat, hij over onvoldoende gegevens beschikt om de
                        vereiste aangifte te kunnen doen. De ambtenaar belast met de heffing zal in
                        dat geval de aanslag immers geheel of gedeeltelijk op basis van schatting
                        vaststellen en de heffingsplichtige kan vervolgens bij het betwisten van die
                        schatting onvoldoende of geen tegenbewijs leveren. </al><al>15.<cursief>Zesde lid</cursief></al><al>15.Hier is aangegeven welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval
                        dient te bevatten.</al><al>15.<cursief>Zevende lid</cursief></al><al>15.Wanneer het gaat om meer dan één beschikking betreffende hetzelfde
                        bedrijf of bedrijfsonderdeel, dan mag de ambtenaar belast met de heffing die
                        in één geschrift combineren.</al><al>15.<cursief>Achtste lid</cursief></al><al>15.Hier is aangegeven dat de ambtenaar bevoegd is de beschikkingen
                        ambtshalve kan wijzigen of intrekken, bij (te verwachten) veranderingen in
                        de hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde of af te voeren stoffen. </al><al>15.<vet><onderstreept>Beperkte meting en
                        bemonstering</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 8</onderstreept></al><al>15.In veel gevallen kan worden volstaan met een lagere frequentie dan ieder
                        etmaal meten, bemonsteren en analyseren, zonder al te veel afbreuk te doen
                        aan de nauwkeurigheid van het eindresultaat. Het spreekt voor zich dat een
                        lagere frequentie zich vertaalt in lagere kosten voor de heffingsplichtige.
                        De heffingsplichtige die aannemelijk weet te maken dat met een lagere
                        frequentie kan worden volstaan, kan daar door middel van een aanvraag bij de
                        ambtenaar belast met de heffing toestemming voor vragen. Ook op deze
                        aanvraag wordt beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking, waartegen de
                        volledige fiscale rechtsgang open staat. Hierbij geldt eveneens dat de
                        voorschriften moeten worden nageleefd indien de heffingsplichtige zich niet
                        kan verenigen met de beschikking en zolang deze nog niet onherroepelijk
                        vaststaat.</al><al>15.In zijn beschikking geeft hij in ieder geval voorschriften met betrekking
                        tot de in de onderdelen a t/m d genoemde onderwerpen.</al><al>15.<vet><onderstreept>Hoedanigheidscorrectie</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 9</onderstreept></al><al>15.Bij het bepalen van het chemisch zuurstofverbruik (CZV) kan in de
                        uitkomst ook zuurstofverbruik tot uitdrukking komen van stoffen die in het
                        natuurlijk milieu niet of nagenoeg niet afbreekbaar zijn. Op grond van
                        jurisprudentie komt “nagenoeg niet” overeen met een percentage van niet meer
                        dan 10%. Wanneer het gevonden zuurstofverbruik van dergelijke stoffen het
                        totale chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate beïnvloedt, dan wordt
                        de gevonden CZV gecorrigeerd. In de jurisprudentie staat “in belangrijke
                        mate” voor ten minste 25%. De correctie die dan plaatsvindt, wordt veelal
                        als T-correctie geduid.</al><al>15.Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap
                        betreffende de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen
                        (zie ook Bijlage I, onderdeel C). Daarnaast is in het artikel bepaald dat de
                        heffingsplichtige voor toepassing van de T–correctie een aanvraag moet
                        indienen. De ambtenaar belast met de heffing beslist hier op in een voor
                        bezwaar vatbare beschikking. Dit opent voor de heffingsplichtige in
                        voorkomende gevallen de volledige fiscale rechtsgang. Hiermee is deze
                        procedure uit het oogpunt van de rechtsbescherming van de heffingsplichtige
                        met voldoende waarborgen omkleed.</al><al>15.Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                        bevatten.</al><al>15.<vet><onderstreept>Tabel afvalwatercoëfficiënten
                        </onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 10</onderstreept></al><al>15.Meting, bemonstering en analyse van afvalwater kan onder voorwaarden
                        achterwege blijven. Bij verreweg de meeste bedrijven gebeurt dit ook en daar
                        wordt het aantal vervuilingseenheden van het zuurstofverbruik berekend met
                        behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten. Deze tabel is opgenomen in
                        Bijlage II en kent vijftien klassen met elk een afvalwatercoëfficiënt.</al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al><al>15.1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van de tabel
                            <onderstreept>niet</onderstreept> leidt tot een aantal
                        vervuilingseenheden van meer dan 1.000 en</al><al>15.2 er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid ingenomen water en de
                        vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.De vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar door het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel afgevoerde stoffen kan met behulp van de tabel worden
                        berekend door het aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water
                        te vermenigvuldigen met de bij de klasse behorende
                        afvalwatercoëfficiënt.</al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.Vaak is de feitelijk in het heffingsjaar ingenomen hoeveelheid water niet
                        direct vast te stellen, omdat de verbruiksperiode waarover het
                        drinkwaterbedrijf afrekent, niet gelijk is aan het kalenderjaar. Ook kan er
                        sprake zijn van een andere tariefstructuur dan gemeten waterverbruik. In
                        dergelijke gevallen worden de beschikbare gegevens herleid tot verbruiken
                        over het kalenderjaar. </al><al>15.<cursief>Vierde lid</cursief></al><al>15.De indeling in een klasse is afhankelijk van de aard van het bedrijf of
                        het bedrijfsonderdeel. Daarbij wordt uitgegaan van de conversietabel in
                        artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water (Besluit van 30
                        november 2000, Stb. 534).</al><al>15.Uit onderzoek op initiatief van zowel de heffingsplichtige als de
                        ambtenaar belast met de heffing kan blijken dat het bedrijf of het
                        bedrijfsonderdeel in een andere klasse moet worden ingedeeld. De voorwaarden
                        daarvoor staan in artikel 4 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen
                        water. </al><al>15.<cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>15. De tabel kan ook worden toegepast bij vervuilingswaarden van 1.000
                        vervuilingseenheden en meer. Voorwaarde is dan wel dat dit niet leidt tot
                        een vervuilingswaarde die lager is dan de vervuilingswaarde die wordt
                        gevonden op basis van meting, bemonstering en analyse.</al><al>15.<vet><onderstreept>Belasting van tuinbouwkassen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 11</onderstreept></al><al>15.Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                        permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt
                        in de heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Uit onderzoek naar een
                        afvalwatercoëfficiënt voor glastuinbouwbedrijven is gebleken dat de
                        vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie heeft met de hoeveelheid
                        ingenomen water. Bepaling van de vervuilingswaarde op basis van meting,
                        bemonstering en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen
                        thans een heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen
                        (artikel 122i, tweede lid, Waterschapswet).</al><al>15.Indien de vervuilingswaarde als berekend op grond van artikel 11 minder
                        dan vijf vervuilingseenheden bedraagt, is de forfaitregeling voor kleine
                        bedrijfsruimten van artikel 15 van toepassing.</al><al>15.<vet><onderstreept>Franchise en drempel</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 12</onderstreept></al><al>15.Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde voor
                        bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een
                        heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De hoogte van deze
                        aftrek is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                        afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De achterliggende gedachte
                        bij de aftrek is dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor het
                        afvoeren van zuurstofbindende stoffen en niet voor het afvoeren van andere
                        stoffen. Uit onderzoek blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater
                        een, zij het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze
                        blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een
                        ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten en bedrijfsruimten is in artikel 12
                        een aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van
                        huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.</al><al>15.<vet><onderstreept>Meetverplichting</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 13</onderstreept></al><al>15.Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek
                        dienen te verrichten naar de samenstelling van het afvoeren van
                        niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de artikelen 7 en 8
                        staat dat de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten wordt vastgesteld door
                        middel van (al dan niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit
                        voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere
                        stoffen.</al><al>15.Volgens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten aanzien van
                        de andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij bedrijfsruimten
                        waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende stoffen
                        minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt. Indien de ambtenaar belast
                        met de heffing echter aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de
                        andere stoffen hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel
                        12, dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is geregeld
                        in het eerste lid van artikel 13.</al><al>15.Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                        zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt, geldt
                        het omgekeerde. Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                        bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf aannemelijk
                        maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is dan de heffingsvrije
                        grens als bedoeld in artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van
                        artikel 13.</al><al>15.Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een
                        voorbeeld.</al><al>15.Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende stoffen
                        van 900 vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 13 wordt het aantal
                        vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                        vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft het bedrijf
                        voor die overige stoffen dus niet te bemeten en te bemonsteren. Stel echter
                        dat het waterschap aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid
                        lood afvoert dat groter is dan de in artikel 12 bedoelde aftrek. Die aftrek
                        bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf
                        zal dus moeten gaan meten en bemonsteren voor de overige stoffen (niet
                        alleen lood maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde
                        gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram
                        lood wordt afgevoerd met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden.
                        Daarop moet als gevolg van artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden
                        gebracht. De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,52
                        vervuilingseenheden.</al><al>15.In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog vier kilogram zink
                        (vier vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (drie vervuilingseenheden)
                        wordt afgevoerd, geldt het volgende. In dat geval geldt een aftrek van 14,58
                        voor de stoffen lood en zink samen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor
                        arseen (900 x 0,0027). De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58)
                        + (3 – 2,43) = 915,09 vervuilingseenheden.</al><al>15.<vet><onderstreept>Totale vervuilingswaarde van een
                                bedrijfsruimte</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 14</onderstreept></al><al>15.Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13
                        berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                        bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van belang indien
                        binnen één bedrijfsruimte:</al><al>15.– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;</al><al>15.– voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte afzonderlijke
                        afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;</al><al>15.– voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten, bemonsterd en
                        geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die bedrijfsruimte een
                        afvalwatercoëfficiënt van toepassing is;</al><al>15.– naast zuurstofbindende stoffen eveneens niet–zuurstofbindende stoffen
                        worden afgevoerd die in de heffing worden betrokken (na aftrek van de
                        heffingsvrije grens van niet–zuurstofbindende stoffen).</al><al>15. De vervuilingswaarde kan worden uitgedrukt in hele getallen of tot in
                        decimalen nauwkeurig. Indien hiervoor verschillende uitkomsten moeten worden
                        opgeteld, moet worden uitgegaan van niet afgeronde waarden. De uiteindelijke
                        totale vervuilingswaarde kan niet worden afgerond volgens de gebruikelijke
                        afrondingsregels. Er dient te worden “gekapt”. Zo wordt, afhankelijk van de
                        keuze, 7,94 uiteindelijk 7,9 of 7 op het aanslagbiljet en 20,49 wordt 20,4
                        of 20.</al><al>15.<vet><onderstreept>Forfaits voor kleine
                            bedrijfsruimten</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 15</onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.De regeling voor kleine bedrijfsruimten vindt haar basis vindt in artikel
                        122i, eerste lid, van de Waterschapswet. Indien de heffingsplichtige
                        aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden minder dan vijf
                        bedraagt, wordt de vervuilingswaarde op drie vervuilingseenheden gesteld en
                        op één vervuilingseenheid indien die één of minder bedraagt. </al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Hoewel de zuiveringsheffing een tijdvakbelasting is, wordt aan bedrijven
                        met een vervuilingswaarde van minder dan vijf vervuilingseenheden in veel
                        gevallen al aan het begin van het heffingsjaar een aanslag voor drie
                        vervuilingseenheden opgelegd. Dit is in artikel 4, eerste lid, geregeld. Na
                        afloop van het heffingsjaar kan echter blijken dat de vervuilingswaarde één
                        of minder vervuilingseenheid bedraagt. </al><al>15.Daarom moet de verordening ook voorzien in een deugdelijke regeling voor
                        ontheffing of vermindering. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                        dat het aantal vervuilingseenheden één of minder bedraagt, wordt op aanvraag
                        van de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid
                        gesteld. Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste
                        lid, van de Waterschapswet. Deze moet worden ingediend binnen zes weken
                        nadat de omstandigheid zich heeft voorgedaan. De vermindering kan door de
                        ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden verleend.</al><al>15.<vet><onderstreept>Forfaits voor woonruimten</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 16</onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.In navolging van artikel 122h, eerste lid, van de Waterschapswet wordt de
                        vervuilingswaarde voor een woonruimte vastgesteld op drie
                        vervuilingseenheden, met dien verstande dat die wanneer de woonruimte door
                        één persoon wordt bewoond één vervuilingseenheid bedraagt.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Een uitzondering op deze hoofdregel geldt voor woonruimten die voor
                        recreatiedoeleinden zijn bestemd en zich bevinden op een voor
                        recreatiedoeleinden bestemd terrein dat als zodanig wordt geëxploiteerd.
                        Samen met de andere voorzieningen op dat terrein worden zij als één
                        bedrijfsruimte aangemerkt. De exploitant van het terrein is dan de
                        heffingsplichtige.</al><al>15.Deze regeling gaat echter niet in alle gevallen op. Steeds vaker komt het
                        voor dat recreatiewoningen op een recreatieterrein in eigendom zijn bij
                        particulieren. Die kunnen de woning dan alleen voor zichzelf beschikbaar
                        houden, of de woning via de exploitant verhuren aan wisselende gebruikers
                        gedurende de weken dat zij er zelf niet zijn.</al><al>15.In zijn arrest van 22 november 2002, nummer 37 361, geeft de Hoge Raad
                        aan dat dit onder voorwaarden gevolgen kan hebben voor de heffingsplicht.
                        Hoewel deze procedure betrekking had op het gebruikersdeel van de
                        onroerende-zaakbelastingen, is zij ook van betekenis voor de
                        zuiveringsheffing.</al><al>15.Indien de woonruimte alleen ter beschikking staat van de eigenaar, dan is
                        hij de heffingsplichtige en is het gewone woonruimteforfait van toepassing.
                        Bij het vaststellen van de aanslag voor het recreatieterrein moet de
                        woonruimte buiten beschouwing worden gelaten. Wordt de woonruimte echter ook
                        via de exploitant aan anderen verhuurd, dan is de heffingsplicht afhankelijk
                        van de vraag op wie het exploitatierisico drukt. Krijgt de eigenaar een
                        vaste vergoeding ongeacht de werkelijke verhuurde periode(s), dan wordt de
                        woonruimte als onderdeel van de bedrijfsruimte beschouwd en is de exploitant
                        van het recreatieterrein heffingsplichtig. Is de vergoeding die de eigenaar
                        krijgt wel afhankelijk van de werkelijke verhuurde periode(s), dan rust het
                        exploitatierisico bij hem en is hij als heffingsplichtige het gewone
                        woonruimteforfait verschuldigd.</al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.Na aanvang van de heffingsplicht kan het aantal bewoners verminderen tot
                        één. Dit heeft gevolgen voor de vervuilingswaarde. Het is, analoog aan
                        artikel 4, derde lid, de keuze van het waterschap hoe dit naar
                        tijdsevenredigheid in de aanslag tot uitdrukking komt.</al><al>15.<vet><onderstreept>Schatting</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 17</onderstreept></al><al>15.In artikel 122j, Waterschapswet is expliciet bepaald dat onder bepaalde,
                        in de onderdelen a tot en met c nader omschreven, omstandigheden de
                        vervuilingswaarde kan worden vastgesteld door middel van schatting.
                        Bijvoorbeeld indien een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot
                        meting, bemonstering en analyse of indien het bedrijf dat doet op een wijze
                        die niet in overstemming is met de in de verordening of meetbeschikking
                        opgenomen voorschriften.</al><al>15.De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren ter zake van
                        stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen bijzondere
                        regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting,
                        bemonstering en analyse) niet kan worden toegepast.</al><al>15.Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere omstandigheden
                        kunnen zijn op grond waarvan schatting kan plaatsvinden. In artikel 122j
                        Waterschapswet ontbreekt de omstandigheid dat de heffingsplichtige de
                        afgegeven meetbeschikking niet heeft nageleefd. Omwille van de volledigheid
                        is een overeenkomstige, daartoe strekkende bepaling als onderdeel d aan
                        artikel 17 toegevoegd. </al><al>15.<vet><onderstreept>Tarief en niet
                                opleggen van aanslagen</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 18 </onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.Het eerste lid regelt het tarief per vervuilingseenheid. </al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Het tweede lid bepaalt dat een aanslag van € 5,00 of minder, niet wordt
                        opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling
                        voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                        opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de
                        belasting in deze gevallen immers al snel kunnen overstijgen. Indien
                        meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                        voorgaande voor het totaal van de aanslagen. Indien voor deze
                        belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet zijn verenigd, wordt
                        wellicht boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan
                        dus wel een aanslag worden opgelegd.</al><al>15.<vet><onderstreept>Wijze van heffing en termijnen van
                                betaling</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 19</onderstreept></al><al>15.De betalingstermijnen in het tweede en in het derde lid wijken af van die
                        in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Uitgangspunt is dat aanslagen
                        worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de
                        laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                        aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later (tweede lid). Een
                        uitzondering op deze regel geldt voor aanslagen die door middel van
                        automatische incasso worden betaald (derde lid). Die worden betaald in acht
                        gelijke betalingstermijnen. Deze mogelijkheid bestaat alleen indien het
                        totaalbedrag van het aanslagbiljet hoger is dan € 75,00 en lager dan €
                        5.000,00. Dit voorkomt dat de termijnbedragen te laag worden (sommige banken
                        stellen daar voorwaarden aan) en anderzijds bij hoge aanslagen een te hoge
                        rentederving ontstaat. Aanslagen die buiten het genoemde minimum- en
                        maximumbedrag vallen kunnen overigens wel door middel van automatische
                        incasso betalen, maar dan in de twee betalingstermijnen zoals genoemd in het
                        tweede lid.</al><al>15.<vet><onderstreept>Nadere regels</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 20</onderstreept></al><al>15.In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene
                        wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde
                        aanpassingswetgeving (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de
                        Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld
                        aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het dagelijks
                        bestuur van het waterschap (zie artikel 123, derde lid, onderdeel a, van de
                        Waterschapswet). Voor die datum kwamen deze formele belastingbevoegdheden
                        toe aan het algemeen bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van
                        nadere regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><al>15.– de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen;</al><al>15.– het berekenen van invorderingsrente.</al><al>15.De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in de
                        belastingverordening geregeld. Artikel 20 is thans in de verordening
                        opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige kenbaar te maken dat ook
                        het dagelijks bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de
                        invordering van de zuiveringsheffing.</al><al>15.<vet><onderstreept>Kwijtschelding</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 21</onderstreept></al><al>15.Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het
                        algemeen bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel
                        slechts gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. Voor de
                        zuiveringsheffing wordt alleen ter zake van woonruimten kwijtschelding
                        verleend. In alle andere situaties wordt geen kwijtschelding verleend.</al><al>15.Bij de hiervoor bedoelde kwijtschelding voor woonruimten wordt, in
                        afwijking van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990,
                        met betrekking tot de kosten van bestaan, het forfaitaire percentage van 100
                        gehanteerd (in plaats van 90%).</al><al>15.<vet><onderstreept>Inwerkingtreding en
                        citeertitel</onderstreept></vet></al><al>15.<onderstreept>Artikel 22</onderstreept></al><al>15.<cursief>Eerste lid</cursief></al><al>15.Het eerste lid regelt dat de oude verordening wordt ingetrokken met
                        ingang van de datum van ingang van de heffing. De oude verordening blijft
                        echter gelden voor de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                        voorgedaan. Voor die feiten kunnen dus nog aanslagen worden opgelegd op
                        basis van de oude verordening.</al><al>15.<cursief>Tweede lid</cursief></al><al>15.Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat besluiten
                        van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden, niet
                        verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                        belastingverordeningen. Zoals blijkt uit het tweede lid van artikel 73
                        geschiedt bekendmaking door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke
                        wijze uit te geven waterschapsblad. Het waterschapsblad kan elektronisch
                        worden uitgegeven. Bij gebreke van een waterschapsblad geschiedt de
                        bekendmaking door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op de
                        secretarie van het waterschap of op een andere door het waterschapsbestuur
                        te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk
                        verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.. De bekendgemaakte
                        besluiten treden conform artikel 74 van de Waterschapswet in werking met
                        ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze
                        besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. In deze verordening is
                        geregeld dat deze in werking treedt op de eerste dag na die van
                        bekendmaking. </al><al>15.Voor een goed begrip van een en ander wordt erop gewezen dat regeling van
                        het tijdstip van inwerkingtreding nog niet inhoudt dat op dat tijdstip met
                        de heffing op de voet van de nieuwe verordening kan worden begonnen. Dat is
                        slechts mogelijk wanneer in de verordening het tijdstip van ingang van de
                        heffing wordt genoemd. Zie voor laatstgenoemd tijdstip de toelichting op het
                        derde lid.</al><al>15.<cursief>Derde lid</cursief></al><al>15.Als gevolg van artikel 111 van de Waterschapswet is een van de
                        onderwerpen die in de belastingverordening moet worden geregeld het tijdstip
                        van ingang van de heffing. Dit tijdstip kan samenvallen met het tijdstip van
                        inwerkingtreding, maar dit is niet beslist noodzakelijk. In de toelichting
                        op het tweede lid is uiteengezet dat het niet nodig is dat het tijdstip van
                        inwerkingtreding in de verordening wordt vermeld, omdat bij gebreke daarvan
                        die verordening automatisch in werking treedt acht dagen na haar
                        bekendmaking.</al><al>15.Het tijdstip van ingang van de heffing is wel essentieel, omdat daarmee
                        duidelijk wordt op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen die aan
                        de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><al>15.<cursief>Vierde lid</cursief></al><al>15.Als gevolg van het vierde lid wordt de verordening voorzien van een
                        citeertitel.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikel Bijlage I bij de Verordening Zuiveringsheffing Rijnland 2016 </titel></kop><al>Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en berekening </al><al/><al>Definitiebepalingen </al><al/><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al>a etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                        etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;</al><al>b debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende het etmaal;</al><al>c debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van magnetische
                        inductie) het debiet gemeten wordt;</al><al>d momentaan debiet: de hoeveelheid afgevoerd afvalwater gedurende een moment
                        van meting;</al><al>e kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een
                        van toepassing zijnde standaard;</al><al>f droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming
                        van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;</al><al>g nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een
                        nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt
                        geleid;</al><al>h gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten
                        leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in
                        contact staat met de buitenlucht;</al><al>i open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende
                        afvalwater in contact staat met de buitenlucht;</al><al>j moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden herleid naar
                        de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut;</al><al>k bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het begin van
                        de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van de analyse;</al><al>l aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het
                        monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan
                        worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding van
                        binnenlabreproduceerbaarheid.</al><al/><al>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling </al><al/><al>Paragraaf 1 Algemeen </al><al/><al>De meet- en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat, worden
                        regelmatig choongemaakt en zijn altijd goed en veilig toegankelijk. De meet-
                        en bemonsteringsvoorzieningen worden overeenkomstig onderstaande bepalingen
                        respectievelijk NEN 6600-1 2009 geïnstalleerd en onderhouden. Een
                        afvalwaterstroom kan zowel in een open als in een gesloten meetsysteem
                        worden gemeten en bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                        bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het samengestelde
                        etmaalverzamelmonster.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Meting</vet></al><al/><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                        gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden
                        bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
                        watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het
                        laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater
                        niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid
                        water.</al><al/><al><vet>2.1 Open meetsystemen</vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.</al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                        minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                        debiet;</al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                        minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten
                        debiet.</al><al/><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het
                        etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet,
                        gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                        overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd. In
                        het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking
                        gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van
                        het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van
                        de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater
                        over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele
                        verschil wordt hierbij worden aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt
                        ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en
                        gecorrigeerd bij afwijking.</al><al/><al><vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                        mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                        debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                        pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een
                        printer of datalogger.</al><al/><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem wordt
                        een ‘af fabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de
                        meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of meterconstante
                        staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde toestand vindt direct
                        plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.</al><al/><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot
                        het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.</al><al>b De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt minimaal vijf
                        maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de
                        meter.</al><al>c De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal twee maal
                        de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart van de meter.</al><al>d De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is exact gelijk
                        aan de diameter van de meetbuis.</al><al>e Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit.</al><al>f De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig gevuld is met
                        water.</al><al>g De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                        aardelektrode die is ingebouwd in de meter.</al><al/><al>Natte kalibratie </al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde
                        toestand nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet
                        tevens een droge kalibratie te worden uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie
                        jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf
                        meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op een
                        ijkbevoegde- of NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan
                        worden herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands
                        Meetinstituut.</al><al/><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in ingebouwde
                        toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie wordt verstaan dat een
                        vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid water door de te kalibreren meter
                        wordt geleid (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b
                        genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op
                        hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en
                        fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door de ambtenaar belast
                        met de heffing goedgekeurde methode.</al><al>b Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een moedermeter,
                        wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd bij minimaal de volgende
                        vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De
                        natte kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde- of
                        NKO-geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan worden herleid
                        naar de nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi).
                        Ook wanneer de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op één van de
                        genoemde installaties, waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of
                        meetwagen waarin deze in de praktijk zal worden ingezet.</al><al>c Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b bepaalde
                        moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit kalibratierapport wordt
                        bij die van het gekalibreerde meetsysteem gevoegd.</al><al>d Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te kalibreren
                        meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen worden bereikt. Bij
                        gebruik van een moedermeter vindt de natte kalibratie plaats in het
                        meetbereik waarin de te kalibreren meter onder normale
                        bedrijfsomstandigheden functioneert.</al><al>e Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water van de te
                        kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer daarvan sprake is) door
                        middel van printers of dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal
                        per uur geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers worden ook
                        de ruwe, onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd.</al><al>f Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover die
                        betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                        gecontroleerd.</al><al/><al>Droge kalibratie </al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar droog
                        gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie plaatsvindt.</al><al/><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld:</al><al>a Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid tussen de
                        elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze controle blijkt dat de
                        meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient deze te worden gereinigd.</al><al>b Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                        geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven. Wanneer de meetbuis is
                        gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                        kalibratierapport vermeld.</al><al>c Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur, voor
                        zover die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een goede
                        werking gecontroleerd.</al><al>d Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter is dan 5%,
                        wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in ingebouwde toestand nat
                        gekalibreerd, volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een natte
                        kalibratie.</al><al/><al>Kalibratierapport </al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de aangifte
                        overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter plekke
                        op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank van een
                        daartoe bevoegde instantie), worden de volgende aspecten vastgesteld én
                        gerapporteerd op het kalibratierapport:</al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);</al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);</al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                        correctiefactor/meterconstante);</al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                        aanpassing/justering;</al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al><al/><al>Paragraaf 3 Bemonstering </al><al/><al><vet>3.1 Algemeen, instelling en uitvoering van apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                        monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met NEN
                        6600-1 (Water–Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009), met dien verstande dat
                        bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan, tenzij anders
                        bepaald.</al><al/><al>Paragraaf 4 Monsterbehandeling </al><al/><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600-1
                        (Water-Monsterneming Deel 1: Afvalwater 2009) en conform paragraaf 9 van NEN
                        6600-1 (2009) wordt na monsterneming geconserveerd volgens NEN-EN-ISO 5667-3
                        (2012). De monsters worden gekoeld en in donker bewaard tussen 1° en 5° C.
                        Van elk verzameld monster wordt een representatief deel van drie liter
                        gedurende 24 uur in een goed gesloten vat/fles bij maximaal 5° C in het
                        donker te worden bewaard ten behoeve van contra-analyse door het waterschap.
                        De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                        contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het waterschap worden om en
                        om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de
                        analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de
                        desbetreffende contra-analyse vanwege de heffingsambtenaar van het
                        waterschap zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al><vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde van de
                        bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in tabel A. Als
                        een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren of chemisch
                        geconserveerd, geschiedt dit binnen twaalf uur na afloop van het etmaal. De
                        eventuele voorschriften met betrekking tot chemische conservering gelden in
                        aanvulling op de voorschriften met betrekking tot de
                        conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden voor
                        de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. De voorbehandeling ten behoeve
                        van een analyse vangt na het einde van het etmaal aan, binnen de maximale
                        bewaartermijn die bij de desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De
                        voorbehandeling van het monster ten behoeve van de analyse, waaronder
                        ondermeer wordt begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt
                        uitgevoerd op een wijze en binnen een zodanige termijn dat daardoor de
                        representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster dat op
                        één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet
                        gebruikt voor één van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor
                        op basis van tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de
                        chemische conservering gelden.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel A </vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Voor analyse op</vet></al></entry><entry><al><vet>Omgevingstemperatuur </vet></al></entry><entry><al><vet>Methode conservering</vet></al></entry><entry><al><vet>Maximale bewaartijd</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>tijdens transport</vet></al></entry><entry><al><vet>tot einde bewaartermijn</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik </al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen onder uitsluiting van licht.</al></entry><entry><al>1 dag</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>1 mnd (indien BZV &lt; =50 mg/l) 6 mnd (indien BZV
                                            &gt;50 mg/l)</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot
                                            pH &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met H<inf>2</inf>SO<inf>4</inf> tot
                                            pH &lt; 2</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>&lt;-18 °C</al></entry><entry><al>Invriezen binnen twaalf uur </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                                            zink</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt;
                                            2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Arseen</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt; 2
                                            Indien hydride techniek wordt gebruikt aanzuren met HCl
                                            tot pH &lt; 2</al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HNO<inf>3</inf> tot pH &lt; 2
                                        </al></entry><entry><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>tussen 2 en 8 °C</al></entry><entry><al>tussen 1 en 5 °C</al></entry><entry><al>Koelen en aanzuren met HCl, 1 ml/100 ml</al></entry><entry><al>2 dagen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter voor de
                        zuiveringsheffing, maar wordt aangewend bij toepassing van
                        berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze bijlage. Op grond van dit
                        berekeningsvoorschrift wordt de methode van het biochemisch zuurstofverbruik
                        toegepast voor de bepaling van het percentage chemisch zuurstofverbruik van
                        de biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al><al/><al>B Analysevoorschriften </al><al/><al><vet>Paragraaf 1 Algemeen</vet></al><al/><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is
                        verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het
                        onderzoek wordt in het water als zodanig </al><al>uitgevoerd, dus zonder dat daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen
                        zijn verwijderd. Er is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven
                        door het Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen
                        wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een
                        normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op dat
                        waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse Staatscourant
                        heeft plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van de
                        desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond moeten
                        kunnen worden.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2 Analyse</vet></al><al/><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze zoals die is aangegeven in
                        tabel B.</al><al/><table><tgroup cols="5"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><colspec colname="colE"/><tbody><row><entry><al><vet>Tabel B</vet></al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>Parameter/stof</vet></al></entry><entry><al><vet>Ontsluiting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Meting volgens normblad</vet></al></entry><entry><al><vet>Aantoonbaar- heidsgrens
                                            </vet><sup>1</sup>)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>chemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6633 of</al><al>NEN-ISO 15705 <sup>2</sup>)</al></entry><entry><al>5 mg/l <sup>3</sup>)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 1899-1</al></entry><entry><al>volgens norm</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></entry><entry><al>NEN 6645</al></entry><entry><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al>0,5 mg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 11732</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN 12260</al></entry><entry><al>NEN-EN 12260</al><al/><al>voor correctie nitriet/nitraat: </al><al>NEN-EN-ISO 13395, NEN 6604 of </al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 5663</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al>NEN 6646</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6604 of</al><al>ISO 15923</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>arseen</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11969</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11969</al></entry><entry><al>2 µg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES) </al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>chloride (Cl<sup>-</sup>)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al>5 mg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6476</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 10304-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15682</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>fosfor</al></entry><entry><al>NEN 6645</al></entry><entry><al>NEN 6604 of ISO 15923-1</al></entry><entry><al> 0,1 mg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-2</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 6878</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 6878</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15681-2</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Onopgeloste stoffen</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN-EN 872</al></entry><entry><al> 2 mg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>cadmium (Cd), chroom (Cr), koper (Cu), lood (Pb), nikkel
                                            (Ni), zilver (Ag), zink (Zn)</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al>Cd: 0,3 µg/l Cr: 2 µg/l Cu: 10 µg/l Pb: 10 µg/l Ni: 7
                                            µg/l Ag: 10 µg/l Zn: 40 ug/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 <sup>4</sup>)</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>kwik</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 15587-1</al></entry><entry><al>NEN-EN-ISO 12846 (AAS)</al></entry><entry><al> 0,25 µg/l</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17852 (AFS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 11885 (ICP-AES)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 17294-2 (ICP-MS)</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>sulfaat (SO<inf>4</inf><sup>-</sup>)</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN 6604 of </al><al>ISO 15923-1</al></entry><entry><al>volgens norm</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-EN-ISO 10304-1</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>NEN-ISO 22743</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al/><al><sup>1</sup><sup/>) De aantoonbaarheidsgrenzen voor zware metalen zijn
                        gebaseerd op een afvalwatermonster met een soortelijke geleiding tot 1500
                        µS/cm en een zwevend stof gehalte tot 100 mg/l. Bij afvalwatermonsters met
                        een matrix die groter is dan genoemde waarden voor geleiding en zwevende
                        stof kan een hogere aantoonbaarheidsgrens gelden.</al><al><sup>2 </sup>) De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 is toepasbaar voor
                        onverdunde monsters met een gehalte aan zuurstofverbruik tot aan 1.000 mg/l
                        en chloridenconcentraties die lager zijn dan 1.000 mg/l. De ambtenaar belast
                        met de heffing kan voorts de methode niet toepasbaar verklaren indien naar
                        zijn oordeel andere omstandigheden daartoe aanleiding geven.</al><al><sup>3 )</sup> De analyse volgens normblad NEN-ISO 15705 heeft een
                        aantoonbaarheidsgrens van 6 mg/l voor fotometrische detectie bij 600nm en 15
                        mg/l voor titrimetrische detectie (gebaseerd op één enkelvoudige meting van
                        één laboratorium) wanneer cuvetten worden gebruikt met een bereik van
                        maximaal 1.000 mg/l. </al><al><sup>4 )</sup> NEN 6953, hoofdstuk 5.3.3.3 mag alleen worden toegepast op
                        afvalmonsters met een soortelijke geleiding tot 1500 µS/cm en een zwevend
                        stof gehalte tot 100 mg/l. </al><al><sup/></al><al/><al><vet>C <onderstreept>Berekeningsvoorschriften</onderstreept></vet></al><al/><al> I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> a Zuurstofbindende stoffen:</al><al> (artikel 6, derde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik
                        wordt berekend door het totale aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de in
                        het kalenderjaar afgevoerde zuurstofbindende stoffen te delen door 54,8
                        kilogram.</al><al/><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal
                        afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de formule:</al><al/><al><onderstreept>Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)</onderstreept></al><al> 1000</al><al/><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel B van
                        deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof volgens de
                        in onderdeel B van de deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in
                        mg/l.</al><al/><al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen:</al><al> (artikel 6, vierde lid)</al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                        zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal kilogrammen
                        van deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen door
                        respectievelijk:</al><al/><al> 1 1,00 kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en
                        zink;</al><al> 2 0,100 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium;</al><al> 3 650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat;</al><al> 4 20,0 kilogram voor de stof fosfor.</al><al/><al> De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b genoemde
                        stoffen worden bepaald met behulp van de formule: <onderstreept>Q x
                            C</onderstreept></al><al> 1000</al><al/><al> In deze formules wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald op de
                        onder B omschreven wijze.</al><al/><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van biologisch
                        niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die
                        waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de breuk
                            <onderstreept>100 – T</onderstreept></al><al> 75</al><al/><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg niet
                        afbreekbare stoffen.</al><al/><al> III Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt gebruik
                        gemaakt van de volgende formule:</al><al/><al> x N</al><al> n =  , waarbij</al><al> + N</al><al/><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal dagen per jaar waar op wordt afgevoerd;</al><al> sn = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van de
                        gemiddelde hoeveelheid zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten
                        gedurende het heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid = 35/e 0,000175*VeO, met
                        dien verstande dat VeO vervangen kan worden door respectievelijk VeZ en VeG,
                        waarbij:</al><al> VeO = vervuilingswaarde van de afgevoerde zuurstofbindende stoffen;</al><al> VeG = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen chroom, koper, lood,
                        nikkel, zilver en zink;</al><al> VeZ = vervuilingswaarde van de afgevoerde stoffen arseen, cadmium en
                        kwik.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>