<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR386711_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening Gelderland 2016</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Gelderland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2016 nr. 5581</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Gelderland 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet. art. 105, lid 1, juncto art. 145</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet 139</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-06-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-10-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-07-05</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-02-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaaknummer 2016-006650</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>subsidies, zorg en welzijn, verkeer en vervoer, natuur en landschap, stedelijke vernieuwing, onderwijs, jeugdzorg, sociale participatie, economische zaken, recreatie, milieu, bibliotheken, ouderenzorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>red. Het besluit van Provinciale Staten tot wijziging van een regeling, nr. PS2016-404-I van 29 juni 2016, zaaknummer 2016-006650 had, gelet op de inwerkingtreding van 5 juli 2016, eerder bekendgemaakt moeten worden in een Provinciaal Blad. Dit besluit is echter pas bekendgemaakt op 12 oktober 2016. De inwerkingtreding van dit besluit is derhalve bepaald op 13 oktober 2016 met terugwerkende kracht tot 5 juli 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Gelderland 2016</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>PROVINCIALE STATEN VAN GELDERLAND</al><al>Gezien het voorstel van Gedeputeerde Staten PS2016-404 betreffende de
                        vaststelling van de Voorjaarsnota 2016; Gelet op artikel 143 van de
                        Provinciewet;</al><al>BESLUITEN</al><al>Vast te stellen de navolgende gewijzigde regeling: Algemene
                        subsidieverordening Gelderland 2016 </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel>§ 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde regels wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="a."><al> controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het
                                    geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van
                                    de accountantscontrole;</al></li><li nr="b."><al> provinciebestuur: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het
                                    nemen van beslissingen omtrent subsidie;</al></li><li nr="c."><al> wet: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al> VwEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Toepassingsbereik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening is van toepassing op alle besluiten van het
                                provinciebestuur omtrent subsidie, tenzij bij of krachtens deze
                                verordening, in een bijzondere subsidieverordening of in een besluit
                                van Provinciale Staten anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Titel 4.2 van de wet en deze verordening zijn van toepassing op
                                aanspraken op financiële middelen die op grond van deze verordening
                                of een bijzondere verordening uitsluitend kunnen worden verstrekt
                                aan rechtspersonen die krachtens publiek recht zijn ingesteld,
                                tenzij in deze verordening, in nadere regels op grond van deze
                                verordening of in een bijzondere subsidieverordening anders is
                                bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze verordening is niet van toepassing op besluiten omtrent
                                subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Bevoegdheid Gedeputeerde Staten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het nemen van besluiten
                                omtrent subsidie indien zij daartoe in deze verordening, in een
                                bijzondere verordening of in een bijzonder besluit van
                                ProvincialeStaten bevoegd zijn verklaard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het nemen van besluiten
                                omtrent subsidie als de begroting de subsidieontvanger en het bedrag
                                waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld,
                                vermeldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd afwijzend te beslissen op
                                aanvragen om subsidie in incidentele gevallen als bedoeld in artikel
                                4:23, derde lid, onderdeel d, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd een controleprotocol vast te
                                stellen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd ten aanzien van door hen te
                                bepalen categorieën van kosten normbedragen vast te stellen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd nadere regels vast te
                                stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Subsidieplafond</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten stellen een of meerdere subsidieplafonds vast voor
                            zover hun de bevoegdheid toekomt subsidie te verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Subsidieontvangers </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Provinciale Staten kunnen in een bijzondere verordening of in een
                                bijzonder besluit en Gedeputeerde Staten kunnen in nadere regels
                                bepalen dat subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen kan
                                worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen subsidie wordt verstrekt aan rechtspersonen of andere personen
                                wier doelstellingen of feitelijke activiteiten in strijd zijn met
                                fundamentele rechtsbeginselen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Per boekjaar verstrekte subsidies </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing op per boekjaar
                                verstrekte subsidies van meer dan € 125.000, tenzij het
                                provinciebestuur anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Afdeling 4.2.8 van de wet is niet van toepassing op subsidies
                                waarbij een lening wordt verstrekt of een garantie wordt
                                afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidieontvanger heeft de toestemming van het provinciebestuur
                                nodig voor handelingen als bedoeld in artikel 4:71 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidieontvanger vormt een egalisatiereserve als bedoeld in
                                artikel 4:72 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 4:76 van de wet is van overeenkomstige toepassing als de
                                subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan
                                subsidies, tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het provinciebestuur kan in bijzondere gevallen vrijstelling of
                                ontheffing verlenen van de verplichting als bedoeld in het vierde en
                                vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Artikel 28 is van overeenkomstige toepassing op per boekjaar
                                verstrekte subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Aanvraag om subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag om subsidie wordt ingediend tenminste dertien weken
                                voor de aanvang van de activiteiten, tenzij het provinciebestuur een
                                andere termijn heeft bepaald. Het provinciebestuur kan aanvragen
                                weigeren die buiten de termijn zijn ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien een aanvraagformulier is vastgesteld, is de aanvrager om
                                subsidie verplicht gebruik te maken van dit formulier bij het
                                indienen van de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Subsidiabele kosten</titel></kop><al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt in verband met kosten die:</al><lijst><li nr="a."><al> doelmatig zijn;</al></li><li nr="b."><al> redelijkerwijs nodig zijn voor het uitvoeren van de
                                    subsidiabele activiteiten;</al></li><li nr="c."><al> rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de uitvoering van de
                                    subsidiabele activiteiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Weigeringsgronden </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur weigert subsidie in ieder geval indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet
                                        zijn gericht op de provincie, niet ten goede komen aan de
                                        ingezetenen van de provincie of op een andere wijze niet het
                                        belang van de provincie dienen;</al></li><li nr="b."><al> verstrekking van de subsidie zou leiden tot strijdigheid
                                        met Europese regels inzake staatssteun;</al></li><li nr="c."><al> niet is voldaan aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld
                                        in deze verordening, een bijzondere verordening, een
                                        bijzonder besluit of nadere regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur kan subsidie in ieder geval weigeren indien: </al><lijst><li nr="a."><al> is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet
                                        bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                        bestuur;</al></li><li nr="b."><al> het provinciebestuur voor dezelfde subsidiabele activiteit
                                        eerder subsidie heeft verstrekt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Europese regelgeving </titel></kop><al>Het provinciebestuur kan van de bepalingen van deze verordening, een
                            bijzondere verordening en nadere regels afwijken of die bepalingen
                            buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de
                            uitvoering van Europese regelgeving.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 2 Gewone en bijzondere programma’s</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Gewone programma’s</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot verstrekking van subsidie in het
                            kader van de in de bijlage bij deze verordening genoemde
                            programma’s.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Bijzondere programma’s </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten kunnen een bijzonder programma vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het besluit van Provinciale Staten tot vaststelling van een
                                bijzonder programma maakt melding van de grondslag voor het
                                programma in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een bijzonder programma bevat een omschrijving van de doelen die
                                met de uitvoering van het programma worden gediend en een financiële
                                onderbouwing. Het bevat voorts de beoogde resultaten die naar
                                verwachting met de uitvoering worden bereikt en een indicatie van de
                                activiteiten die in dat verband worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een bijzonder programma heeft een bepaalde duur. Provinciale Staten
                                kunnen de duur van een programma verlengen indien bijzondere
                                omstandigheden daartoe aanleiding geven. Inclusief verlenging is de
                                duur maximaal zeven jaar.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Provinciale Staten stellen voor elk bijzonder programma vast aan
                                welke partijen subsidie wordt verstrekt. Zij kunnen de bevoegdheid
                                delegeren aan Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid. Artikel 5, tweede lid, is niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het nemen van besluiten
                                omtrent subsidie ter uitvoering van een bijzonder programma. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 3 Beslissing op de aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13 Beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voorafgaande aan een subsidievaststelling wordt een beschikking tot
                                subsidieverlening gegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In een bijzondere subsidieverordening, in een besluit van
                                Provinciale Staten en in nadere regels kan worden bepaald dat alleen
                                een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het bestuursorgaan neemt binnen 13 weken na ontvangst van de
                                aanvraag een beslissing op de aanvraag om subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien subsidie wordt verstrekt door middel van onderlinge
                                vergelijking van aanvragen neemt het bestuursorgaan een beslissing
                                op de aanvraag om subsidieverlening binnen dertien weken na afloop
                                van de periode waarin de aanvragen kunnen worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde termijn bedraagt 22 weken
                                indien: </al><lijst><li nr="a."><al> ten behoeve van het verlenen van subsidie een besluit nodig
                                        is van Provinciale Staten als bedoeld in artikel 4:23, derde
                                        lid, aanhef en onder c, van de wet;</al></li><li nr="b."><al> over de aanvraag advies wordt ingewonnen als bedoeld in
                                        afdeling 3.3 van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Maximale duur periodieke subsidie </titel></kop><al>Het tijdvak dat wordt vermeld in beschikkingen tot verlening van
                            subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen,
                            bedoeld in artikel 4:32 van de wet, is ten hoogste vier jaar. In
                            bijzondere gevallen kan het provinciebestuur een langer tijdvak
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Aanvullende weigeringsgrond bij directe
                                vaststelling</titel></kop><al>Indien alleen een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven, is
                            artikel 4:35, eerste lid, van de wet van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 4 Verplichtingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 Algemene bepalingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan de subsidieontvanger verplichtingen
                                opleggen als bedoeld in de artikelen 4:38 en 4:39 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij de toepassing van artikel 4:37, eerste lid, van de wet neemt
                                het provinciebestuur het volgendein acht: </al><lijst><li nr="a."><al> verplichtingen als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid,
                                        aanhef en onder b en f, van de wet worden niet opgelegd bij
                                        een subsidie tot € 25.000;</al></li><li nr="b."><al> verplichtingen als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid,
                                        aanhef en onder b, van de wet worden niet opgelegd bij een
                                        subsidie tussen € 25.000 en € 125.000, tenzij een verklaring
                                        als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt gevraagd. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Vermogensvorming </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger is aan de provincie de door het
                                provinciebestuur vastgestelde vergoeding voor vermogensvorming
                                verschuldigd zoals bepaald in artikel 4:41 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen
                                van het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Verplichtingen bij bijzondere programma’s</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd de artikelen 17 en 18 brengt de ontvanger van subsidie
                                in het kader van een bijzonder programma van meer dan € 125.000
                                eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit aan Gedeputeerde Staten
                                over de inhoudelijke en financiële voortgang van de uitvoering van
                                de activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Gedeputeerde Staten
                                kunnen in bijzondere gevallen bepalen dat ten hoogste viermaal per
                                jaar schriftelijk verslag over de inhoudelijke en financiële
                                voortgang wordt uitgebracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat bij een of meerdere van de
                                in het eerste lid bedoelde verklaringen een accountantsverklaring
                                wordt overgelegd waaruit blijkt dat het controleprotocolis
                                gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikel 27, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de
                                controleverklaring als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 5 Intrekking en wijziging </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Intrekking en wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan een subsidie intrekken of ten nadele van
                                de subsidieontvanger wijzigen voor zover de subsidie leidt tot
                                ongeoorloofde staatssteun.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur kan een subsidie intrekken of ten nadele van
                                de subsidieontvanger wijzigen indien is voldaan aan de voorwaarden
                                van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door
                                het openbaar bestuur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ingeval van wijziging of intrekking van de subsidieverlening of
                                susidievaststelling ten nadele van de subsidieontvanger kan het
                                provinciebestuur bepalen dat over terug te betalen subsidiebedragen
                                rente verschuldigd is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 6 Betalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Voorschotverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan voorschotten verlenen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorschotten bedragen in totaal ten hoogste 80% van de verleende
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid bedragen de voorschotten in totaal
                                ten hoogste 95% van de verleende subsidie indien de financiële
                                verantwoording geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 17a
                                van de Financiële-verhoudingswet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid bedragen de voorschotten voor per
                                boekjaar verstrekte subsidies in totaal ten hoogste 100% van de voor
                                het betreffende boekjaar verleende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid bedragen de voorschotten voor
                                subsidie ter uitvoering van een bijzonder programma in totaal ten
                                hoogste 95% van de verleende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kunnen
                                Gedeputeerde Staten in afwijking van het tweede, derde en vijfde lid
                                tot in totaal ten hoogste 100% van de verleende subsidie
                                voorschotten verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Verrekening</titel></kop><al>Het provinciebestuur is bevoegd een bestuurlijke geldschuld te
                            verrekenen met een bestaande vordering.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 7 Vaststelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23 Algemene bepalingen omtrent vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven waarin een
                                bedrag is vermeld waarop de subsidie ten hoogste kan worden
                                vastgesteld, stelt het provinciebestuur de subsidie vast op basis
                                van de werkelijke baten en lasten van de activiteiten waarvoor de
                                subsidie is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing voor zover bij de verlening
                                van de subsidie rekening is gehouden met door Gedeputeerde Staten
                                vastgestelde normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen bij het
                                verstrekken van subsidie afwijken van de normbedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Termijn voor indiening aanvraag om
                                vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger dient binnen 13 weken na afloop van de
                                activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een
                                aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij in nadere
                                regels bij de verlening of in een overeenkomst als bedoeld in
                                artikel 4:36 van de wet een andere termijn is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien sprake is van subsidie die is verleend als cofinanciering
                                bij een specifieke uitkering van het rijk, dient de
                                subsidieontvanger in afwijking van het eerste lid binnen 12 maanden
                                na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is
                                verleend de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 17a van de
                                Financiele-verhoudingswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Vaststelling van subsidies tot € 25.000</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur stelt een subsidie tot € 25.000 direct vast,
                                tenzij sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende
                                voorwaarde.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het provinciebestuur stelt een subsidie tot € 25.000 ambtshalve
                                vast binnen 13 weken na de vervulling van de opschortende voorwaarde
                                indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende
                                voorwaarde.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De artikelen 23 en 24 zijn niet van toepassing op subsidie als
                                bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het provinciebestuur afwijken van het
                                eerste tot en met derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Vaststelling van subsidies tussen € 25.000 en €
                                125.000</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag om vaststelling van een subsidie tussen € 25.000 en €
                                125.000 gaat vergezeld van een activiteitenverslag. Artikel 4:80 van
                                de wet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien bij de beschikking tot verlening van een subsidie als
                                bedoeld in het eerste lid is bepaald dat de aard van de activiteiten
                                meebrengt dat hun kosten en opbrengsten zodanig ongewis zijn dat een
                                realistische begroting niet vereist kan worden, kan het
                                provinciebestuur bepalen dat de subsidieontvanger aan de hand van
                                een verklaring inzake de werkelijke kosten en opbrengsten kan
                                aantonen dat de activiteiten zijn verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikelen 23 is niet van toepassing op subsidies als bedoeld in het
                                eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In bijzondere gevallen kan het provinciebestuur afwijken van het
                                eerste tot en met derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing op subsidie die is verleend als
                                cofinanciering bij een specifieke uitkering van het rijk. In dat
                                geval is artikel 27 van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Vaststelling van subsidies vanaf € 125.000 </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De aanvraag om vaststelling van een subsidie van € 125.000 of meer
                                gaat vergezeld van een financieel verslag en een
                                activiteitenverslag. Artikel 4:80 van de wet is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de subsidieontvanger ingevolge een wettelijk voorschrift
                                verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening, kan hij in
                                plaats van het financieel verslag de jaarekening overleggen indien
                                op grond daarvan de werkelijke kosten en opbrengsten van de
                                gesubsidieerde activiteit kenbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het financieel verslag onderscheidenlijk de jaarrekening is
                                voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het
                                controleprotocol is toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het provinciebestuur kan vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Beslistermijn</titel></kop><al>Het provinciebestuur beslist binnen 22 weken na ontvangst op de aanvraag
                            om vaststelling. Indien de aanvraag tot vaststelling conform het
                            bepaalde in artikel 24, tweede lid, wordt ingediend, beslist het
                            provinciebestuur binnen 22 weken nadat de stukken, als bedoeld in
                            artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, door het provinciebestuur
                            zijn ontvangen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 8 Overige bepalingen </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 29 Leningen en garanties </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het provinciebestuur kan bepalingen die zijn gesteld bij of
                                krachtens deze verordening buiten toepassing laten voor zover het
                                betreft subsidie waarbij een lening wordt verstrekt of een garantie
                                wordt afgegeven, met uitzondering van de bepalingen van paragraaf
                                1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 17, tweede lid, en
                                artikel 20, eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Subsidie door andere bestuursorganen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien het provinciebestuur subsidie verstrekt voor activiteiten
                                waarvoor ook door andere bestuursorganen subsidie wordt verstrekt,
                                kan het provinciebestuur afwijken van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening en van bijzondere subsidieverordeningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op subsidie die
                                wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op
                                grond van de Uitvoeringswet EFRO.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing als afwijking
                                wenselijk is ter afstemming van de op de betrokken subsidies
                                toepasselijke voorschriften, mits daardoor de belangen met het oog
                                waarop de bepalingen waarvan wordt afgeweken zijn gesteld, niet
                                onevenredig worden geschaad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Waarderingssubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten zijn bevoegd in incidentele gevallen
                                waarderingssubsidie te verstrekken voor activiteiten die van
                                provinciaal belang zijn waarvan het onderwerp niet in een
                                subsidieregeling is geregeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie bedraagt jaarlijks niet meer dan € 5.000 en kan een
                                keer voor ten hoogste vier achtereenvolgende jaren worden
                                verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Toezicht en handhaving</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten wijzen ambtenaren aan die zijn belast met het
                            toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze verordening is
                            bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Register van subsidies</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten houden een register bij van alle aan ondernemingen
                            verstrekte subsidies en een opgave daarbij van de toepasselijke Europese
                            regels inzake staatssteun.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Evaluatieverslag</titel></kop><al>Het in artikel 4:24 van de wet bedoelde verslag wordt ten minste eenmaal
                            in de vier jaren door Gedeputeerde Staten aan Provinciale Staten
                            aangeboden en gepubliceerd in het Provinciaal Blad.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ 9 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 35 Intrekking bestaande verordeningen</titel></kop><al>De volgende verordeningen worden ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al> Algemene subsidieverordening Gelderland 1998;</al></li><li nr="b."><al> Subsidieverordening vitaal Gelderland 2011;</al></li><li nr="c."><al> Subsidieregeling meerjarenprogramma’s Gelderland 2012;</al></li><li nr="d."><al> Verordening Leningverstrekking Betuwse Bloem Gelderland
                                    2012.</al><al/><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 36 Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2016.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in artikel 35 bedoelde verordeningen en en de daarop gebaseerde
                                regels blijven van kracht op aanvragen om subsidie die zijn
                                ingediend en besluiten omtrent subsidie die zijn genomen voorafgaand
                                aan de inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening
                            Gelderland 2016.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Provinciale Staten van Gelderland</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage bij de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016</titel></kop><al><vet>Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer</vet></al><al> 1. Programma 'Doelgericht Uitvoeren'; 2. De ontwikkeling en uitvoering van het
                    provinciale ruimtelijke beleid indien daarmee een publiek belang wordt
                    nagestreefd; 3. Prioritair Programma Gelderse Gebiedsontwikkeling 2012-2015
                    (PS2012-342); 4. Woningbouwprojecten die gerealiseerd worden door middel van
                    collectief particulier opdrachtgeverschap , indien de activiteit past binnen het
                    door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatieve Woonprogramma; 5. Impulsplan
                    Wonen (PS2012-656); 6. SteenGoed Benutten (PS2015-398) 7. Leefbaarheid;</al><al><vet>Milieu energie en klimaat </vet></al><al> 8. Meerjarenprogramma Bodem en Ondergrond 2015-2020; 9. Beleidsnotitie 'Samen
                    in versnelling' (PS2016-383) 10. Prioritair programma Energietransitie
                    (PS2012-193) voor de sectoren energie- en milieutechnologie en biobased economy;
                    11. Woningisolatie (amendement 15A16 bij de Beleidsbegroting 2016
                    (PS2015-616));</al><al><vet>Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden </vet></al><al>12. Beleidsuitwerking Natuur en Landschap (PS2012-401); 13. Opruimen van
                    drugsafval; 14. Activiteiten van de faunabeheereenheden; 15. Innovatiekrediet
                    Betuwse Bloem Innoveert;</al><al><vet>Regionale bereikbaarheid en regionaal openbaar vervoer </vet></al><al>16. Programma mobiliteit: a. het verrichten van openbaar vervoer, zoals
                    omschreven in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000; b. het verrichten van
                    voor een ieder openstaand personenvervoer per auto anders dan volgens een
                    dienstregeling als bedoeld in artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000
                    (regiotaxi); c. (infrastructurele) openbaar vervoervoorzieningen; d.
                    infrastructuurprojecten; e. activiteiten die de sociale veiligheid van het
                    openbaar vervoer verbeteren; f. maatregelen, voorzieningen en activiteiten die
                    het bovenlokale fietsnetwerk verbeteren, complementeren of het gebruik hiervan
                    vergroten; g. activiteiten in het kader van het optimaliseren van de
                    locatiebereikbaarheid gericht op de vraag uit de markt (mobiliteitsmanagement);
                    h. activiteiten van consumentenorganisaties als bedoeld in artikel 27 van de Wet
                    personenvervoer 2000; i. activiteiten die zijn opgenomen in het strategisch
                    uitvoeringsprogramma logistiek en Gelderse motor 2016-2019.</al><al><vet>Regionale economie </vet></al><al>17. Beleidsuitwerking Land- en Tuinbouw (PS2011-644) voor wat betreft sanering
                    van asbestdaken van gebouwen gelegen op de bedrijfslocatie van een agrarische
                    onderneming of van gebouwen gelegen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie
                    of een voormalig agrarisch bedrijfsblok; 18. Gelderland Sport! 2016-2019
                    (PS2016-589); 19. Beleidskader economie: ‘Werken aan de economie van de
                    toekomst. Circulair, Innovatief en Internationaal’ (PS2016-385); 20. Prioritair
                    programma topsectoren en innovatie (PS2012-191) voor de sectoren Food, Health en
                    de Maakindustrie; 21. Beleidsuitwerking Lange termijnvisie economie
                    (PS2011-644); 22. Gelders evenementenbeleid 2013-2016: 'Beleef de Gelderse
                    Streken' (PS2013-477); 23. Operationeel Programma EFRO 2014-2020 Oost-Nederland;
                    24. Samenwerking Gelderland-Lubelskie; 25. Gelders beleidskader Onderwijs en
                    Arbeidsmarkt 2016-2019 (PS2016-34);</al><al><vet>Cultuur en erfgoed </vet></al><al>26. Gelderland Cultuurprovincie! 2013-2016 (PS2012-457); 27. Beleidsprogramma
                    Cultuur en Erfgoed 2017-2020 ‘Beleef het mee’ (PS2016-382);</al><al><vet>Kwaliteit van het openbaar bestuur </vet></al><al>28. Programma Sterk Bestuur in Gelderland.</al></bijlage><nota-toelichting><al><vet>Toelichting bij Algemene subsidieverordening Gelderland 2016 </vet></al><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht bevat in hoofdstuk 4 een titel (4.2) voor
                    subsidies. De doelstellingen van de Algemene wet bestuursrecht op het onderdeel
                    subsidies zijn de beheersbaarheid van de overheidsuitgaven, het verschaffen van
                    rechtszekerheid voor subsidieontvangers en het tegengaan van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik. Vanuit die doelstellingen zijn bijvoorbeeld bepalingen van
                    toepassing omtrent subsidieplafonds en het begrotingsvoorbehoud, maar ook
                    bepalingen die zien op de behandeling van aanvragen, advisering, de
                    voorbereiding en de motivering van besluiten.</al><al>Het uitgangspunt van de Algemene wet bestuursrecht is dat subsidieverlening
                    plaatsvindt op wettelijke grondslag. Deze verordening voorziet in een wettelijke
                    grondslag voor het merendeel van de provinciale subsidies. Daarnaast kan
                    subsidie worden verstrekt op grond van een bijzondere subsidieverordening. In
                    bijzondere situaties kunnen subsidies ook worden verstrekt zonder wettelijke
                    grondslag, namelijk in incidentele gevallen of als de begroting de ontvanger en
                    het maximale subsidiebedrag vermeldt. Vanwege het ontbreken van een wettelijke
                    grondslag behoren dergelijke subsidies alleen in bijzondere gevallen te worden
                    verstrekt.</al><al>Deze verordening geldt in beginsel voor alle subsidies die door bestuursorganen
                    van de provincie worden verstrekt. In dat verband kan gedacht worden aan
                    projectsubsidies, programmatische subsidies, boekjaarsubsidies,
                    begrotingssubsidies, leningen en garanties. Meestal wordt subsidie verstrekt
                    door Gedeputeerde Staten, in een enkel geval door Provinciale Staten of een
                    ander bestuursorgaan. Voor het uitwerken van beleid in criteria voor
                    subsidieverlening zijn nadere regels vereist. In nadere regels kunnen
                    uiteenlopende onderwerpen worden geregeld, zoals de maximale hoogte van de
                    subsidie en aan subsidie verbonden verplichtingen. De subsidie zelf, dat wil
                    zeggen de aanspraak op financiële middelen, wordt op vastgelegd in een
                    beschikking tot subsidieverlening. In het kielzog daarvan komen veelal ook
                    andere besluiten aan de orde, zoals bevoorschotting en vaststelling. De Algemene
                    wet bestuursrecht bevat daarover diverse bepalingen, evenals over bijvoorbeeld
                    wijziging en intrekking van subsidies.</al><al>Voor subsidieverlening zijn Europese mededingingsregels, en dan vooral regels
                    omtrent staatssteun, van belang. Het Verdrag betreffende de werking van de
                    Europese Unie verbiedt het verstrekken van overheidssteun aan ondernemingen,
                    tenzij er een vrijstelling van toepassing is of indien de steun vooraf is
                    goedgekeurd. Het Europese recht bevat regels om ongeoorloofde staatssteun tegen
                    te gaan. Bij het verstrekken van subsidie zijn provinciale bestuursorganen
                    gebonden aan die regels. Ten aanzien van bepaalde onderwerpen voorziet deze
                    verordening in een regeling met het oog op het Europese recht. Voor het overige
                    zal het Europese recht vooral invloed hebben op de nadere regels, met name bij
                    criteria voor subsidieverlening en de maximale subsidiebedragen of
                    –percentages.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Artikel 1 </vet></al><al>Het provinciebestuur is de benaming voor het bevoegde provinciale
                    bestuursorgaan. De term sluit aan bij de terminologie in de Provinciewet. Onder
                    beslissingen omtrent subsidie kunnen besluiten tot verlening of weigering van
                    subsidie vallen, maar bijvoorbeeld ook het buiten behandeling laten van een
                    aanvraag, het toekennen van een voorschot of het vaststellen van nadere regels.
                    De Provinciewet, de Algemene wet bestuursrecht, deze verordening of bijzondere
                    verordeningen bepalen welk bestuursorgaan bevoegd is.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het eerste lid regelt dat deze verordening van toepassing is op alle subsidies
                    van provinciale bestuursorganen. Doorgaans zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om
                    subsidie te verlenen. Verder regelt het eerste lid dat de bevoegdheid om deze
                    verordening niet toe te passen berust bij Provinciale Staten. Andere
                    bestuursorganen hebben alleen die bevoegdheid door Provinciale Staten krachtens
                    delegatie is overgedragen, zoals bijvoorbeeld is geregeld in artikel 10 over
                    Europese regelgeving.</al><al>In het tweede lid wordt vastgelegd dat de subsidietitel van de Algemene wet
                    bestuursrecht en deze verordening ook van toepassing zijn op aanspraken op
                    financiële middelen die worden verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift
                    dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan publiekrechtelijke rechtspersonen.
                    Dat betekent dat dergelijke aanspraken worden aangemerkt als subsidie en dat de
                    regels voor subsidies daarop van toepassing zijn. Publiekrechtelijke
                    rechtspersonen zijn de Staat, provincies, gemeenten, waterschappen en openbare
                    lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Wanneer gebruik
                    wordt gemaakt van de uitzonderingsbevoegdheid van het tweede lid, kunnen
                    financiële aanspraken ook contractueel worden vastgelegd. Daarvoor kan
                    aanleiding bestaan als de subsidieregels te zwaar of niet passend zijn. Als
                    verstrekking aan zowel publiekrechtelijke rechtspersonen als aan andere
                    (rechts)personen kunnen worden gedaan, brengt artikel 4:21, derde lid, van de
                    Algemene wet bestuursrecht mee dat de financiële relatie kwalificeert als
                    subsidie. De subsidie wordt dan immers niet uitsluitend aan publiekrechtelijke
                    rechtspersonen verstrekt. Een tweede voorwaarde is dat er een wettelijk
                    voorschrift is, ofwel een subsidieverordening, waar de subsidie op wordt
                    gebaseerd. Dat betekent dat financiële aanspraken die worden gebaseerd op een
                    begrotingsbesluit (artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c, van de Algemene
                    wet bestuursrecht) in alle gevallen subsidies zijn. Een begrotingsbesluit is
                    immers geen wettelijke voorschrift.</al><al>Het derde lid regelt de verhouding tot subsidieverstrekking in het kader van het
                    Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling EFRO. Op subsidies ter uitvoering van
                    het EFRO-programma 2014-2020 is de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Krachtens
                    die wet zijn Gedeputeerde Staten aangewezen als managementautoriteit, het orgaan
                    dat bevoegd is voor het verstrekken van subsidies. Omdat de Uitvoeringswet EFRO
                    is bedoeld als exclusief wettelijk kader, is in het derde lid bepaald dat deze
                    verordening niet van toepassing is op besluiten omtrent subsidies die worden
                    genomen op grond van de Uitvoeringswet EFRO.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>In beginsel komt de bevoegdheid tot het nemen van besluiten omtrent subsidie op
                    grond van de Provinciewet toe aan Provinciale Staten. Die bevoegdheid wordt in
                    het eerste lid bij Provinciale Staten gelaten, tenzij zij wordt gedelegeerd aan
                    Gedeputeerde Staten. Voorbeelden daarvan zijn artikel 11, eerste lid, en artikel
                    12, zevende lid, van deze verordening. Indien Provinciale Staten zelf beslissen
                    over verlening van subsidie, dan zijn het Gedeputeerde Staten die op grond van
                    artikel 158, eerste lid, aanhef en onder b van de Provinciewet bevoegd zijn voor
                    de voorbereiding en de uitvoering van dergelijke besluiten. Daarbij moet onder
                    andere worden gedacht aan het opvragen van aanvullende gegevens bij de aanvraag,
                    het verdagen van een beslissing op de aanvraag, het verstrekken en het
                    terugvorderen van voorschotten, het sluiten van uitvoeringsovereenkomsten en het
                    vaststellen van de subsidie. De bevoegdheid tot het wijzigen of intrekken van de
                    subsidie blijft in die gevallen evenwel bij Provinciale Staten.</al><al>Het tweede lid regelt de bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om alle besluiten
                    omtrent subsidie te nemen in die gevallen waarin Provinciale Staten met
                    toepassing van artikel 4:23, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet
                    bestuursrecht in de provinciale begroting de naam van de ontvanger hebben
                    vastgelegd en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden
                    vastgesteld.</al><al>Op grond van het derde lid zijn Gedeputeerde Staten bevoegd een aanvraag om
                    incidentele subsidie af te wijzen, dat wil zeggen een subsidie waarvoor geen
                    subsidieregeling is vastgesteld. Is er wel een regeling dan is subsidie niet
                    incidenteel, ongeacht of de aanvraag voldoet aan de criteria van die regeling.
                    Een aanvraag die niet voldoet aan de criteria van een subsidieregeling zal
                    moeten worden afgewezen. Gedeputeerde Staten zijn op grond van het derde lid
                    alleen bevoegd tot het afwijzen van een verzoek om incidentele subsidie. Voor
                    het toewijzen van een incidentele subsidie zijn Provinciale Staten bevoegd.</al><al>Het vierde lid geeft aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om een
                    controleprotocol vast te stellen dat wordt toegepast bij de verantwoording en de
                    vaststelling van subsidie.</al><al>Gedeputeerde Staten kunnen op grond van het vijfde lid voor categorieën van
                    kosten normbedragen vaststellen. Die kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op
                    personeelskosten.</al><al>Het zesde lid bevat de delegatie aan Gedeputeerde Staten van de bevoegdheid
                    nadere regels te stellen. Daarin kunnen bijvoorbeeld afbakening van de
                    subsidiabele activiteiten, criteria voor subsidieverlening, aanvullende
                    weigeringsgronden, de wijze van verdeling van middelen, de hoogte van de
                    subsidie, verplichtingen van de subsidieontvanger en regels over
                    egalisatiereserve worden vastgelegd. Ook kunnen in nadere regels bijvoorbeeld
                    eisen aan een aanvraag en de wijze van indiening van aanvragen worden
                    vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 4 </vet></al><al>Het subsidieplafond is volgens artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht
                    het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de
                    verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het
                    subsidieplafond beoogt met andere woorden de aanspraken op geldmiddelen te
                    beperken. Artikel 4:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht schrijft
                    voor dat een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift kan
                    worden vastgesteld. Artikel 4 van deze verordening voorziet daarin door te
                    bepalen dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn een subsidieplafond vast te stellen
                    voor zover hun de bevoegdheid toekomt subsidies te verstrekken. In de praktijk
                    worden voor afzonderlijke subsidiabele activiteiten meestal afzonderlijke
                    plafonds vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 5 </vet></al><al>Rechtspersonen zijn limitatief opgesomd in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Er
                    zijn zowel privaatrechtelijke (bijvoorbeeld stichtingen en naamloze
                    vennootschappen) als publiekrechtelijke rechtspersonen (zoals gemeenten en
                    waterschappen). In de meeste gevallen zijn ontvangers van provinciale subsidie
                    rechtspersoon. Als hoofdregel heeft daarom te gelden dat rechtspersonen subsidie
                    kunnen ontvangen. Mocht er reden zijn om ook andere personen dan rechtspersonen
                    voor subsidie in aanmerking te laten komen, dan kan daartoe worden besloten.
                    Landbouwsubsidie wordt bijvoorbeeld veelal verstrekt aan natuurlijke personen of
                    maatschappen, die beide geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Het derde lid biedt
                    de grondslag om bijvoorbeeld organisaties die aanzetten tot vreemdelingenhaat
                    van subsidie uit te kunnen sluiten.</al><al><vet>Artikel 6 </vet></al><al>Afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een regeling voor per
                    boekjaar verstrekte subsidies. Die worden vaak verstrekt ter bekostiging van
                    structurele activiteiten. Door het eerste lid is die afdeling van toepassing op
                    boekjaarsubsidies die in totaal, dus gedurende de volledige duur van de
                    subsidie, meer dan € 125.000 bedragen. Subsidie als bedoeld in afdeling 4.2.8
                    wordt uitsluitendverstrekt aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.
                    Rechtspersonen zonder volledige rechtsbevoegdheid en natuurlijke personen zijn
                    derhalve uitgezonderd van deze regeling. In het eerste lid wordt ten slotte de
                    bevoegdheid vastgelegd een uitzondering te maken, die is bedoeld voor de
                    gevallen waarin toepassing van afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht
                    niet doelmatig is.</al><al>In het derde lid wordt vanuit een oogpunt van beheersing van risico´s toepassing
                    gegeven aan artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht, dat een
                    toestemmingsvereiste mogelijk maakt voor een aantal handelingen die van invloed
                    kunnen zijn op de vermogenspositie van de subsidieontvanger.</al><al>Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht geeft een aantal eisen voor de
                    inhoud van het financiële verslag. Omdat ontvangers van provinciale
                    boekjaarsubsidie meestal ook andere inkomsten hebben, is in het vijfde lid
                    gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 4:77 van de Algemene wet
                    bestuursrecht om artikel 4:76 van die wet van overeenkomstige toepassing te
                    laten zijn. Daarmee wordt de kwaliteit van de financiële verslaglegging
                    verbeterd.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Voor een goede beoordeling van aanvragen is een termijn van 13 weken
                    realistisch. Door de mogelijkheid aanvragers toe te staan een kortere termijn
                    aan te houden tussen het indienen van de aanvraag en de aanvang van de
                    activiteiten, is flexibiliteit gewaarborgd. Het is aan de aanvrager om te zorgen
                    voor een kwalitatieve en volledige aanvraag. Indien aanvullende informatie moet
                    worden gevraagd, dan kan de situatie zicht voordoen dat nog geen beslissing is
                    genomen op de aanvraag terwijl de aanvrager al wel een aanvang wil maken met de
                    activiteiten. In die situatie ligt het risico daarvan bij de aanvrager. De
                    termijn van 13 weken wordt tevens aangehouden in artikel 4:60 van de Algemene
                    wet bestuursrecht inzake boekjaarsubsidies.</al><al>Het werken met een aanvraagformulier leidt tot een verbetering van de kwaliteit
                    van de aanvraag. Dat bevordert de snelheid waarmee op de aanvraag kan worden
                    beslist. De wijze van indiening van aanvragen en de exacte eisen die aan een
                    aanvraag worden gesteld, kunnen worden uitgewerkt in nadere regels. Daarbij kan
                    onderscheid worden gemaakt tussen aanvragen om verschillende subsidies, zoals
                    subsidies in verband met gewone programma’s en subsidies in verband met
                    bijzondere programma’s. Het elektronisch indienen van een aanvraag leidt in de
                    regel tot snellere besluitvorming; ook daar kan in nadere regels uitwerking aan
                    worden gegeven.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Voor het bepalen van de subsidiabele kosten is de hoofdregel dat zij doelmatig
                    zijn en redelijkerwijs nodig voor de uitvoering van de subsidiabele
                    activiteiten. Daarnaast moeten de kosten direct zijn toe te kennen aan de
                    activiteiten. Voor zover de kosten niet aan deze randvoorwaarden voldoen kan de
                    provincie besluiten in zoverre subsidie niet toe te kennen. Gedeputeerde Staten
                    kunnen nadere regels over de subsidiabele kosten vaststellen.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Dit artikel somt enkele verplichte en enkele facultatieve weigeringsgronden op.
                    In nadere regels kunnen aanvullend andere weigeringsgronden worden
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Het artikel regelt de (uitzonderlijke) situatie dat de provinciale
                    subsidieregelgeving niet kan worden toegepast vanwege Europese regelgeving. In
                    het bijzonder moet daarbij gedacht worden aan regels omtrent staatssteun. In die
                    situatie wijkt de provinciale regelgeving, door daarvan af te wijken of door
                    bepalingen ervan buiten toepassing te laten. Het plaatst deze verordening in een
                    juiste verhouding tot het Europese recht. Indien sprake is van subsidieverlening
                    ten laste van Europese middelen, dan zal vanwege de specifieke
                    Europeesrechtelijke kaders veelal een zelfstandige verordening worden
                    voorgesteld, die dus naast deze verordening zal komen te staan.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Provinciale Staten stellen beleidsprogramma’s vast en middelen beschikbaar voor
                    de uitvoering daarvan. Dat zijn in de terminologie van deze verordening gewone
                    programma’s, waarmee het onderscheid wordt gemaakt ten opzichte van bijzondere
                    programma’s waarvoor deze verordening in artikel 12 eveneens een regeling biedt.
                    Door het opnemen van een programma in de bijlage bij deze verordening, ontstaat
                    voor Gedeputeerde Staten de bevoegdheid over te gaan tot het verstrekken van
                    subsidies binnen de kaders van dat programma. Gedeputeerde Staten zijn op grond
                    van deze verordening bevoegd om nadere regels te stellen die meer vorm en inhoud
                    geven aan het programma.</al><al><vet>Artikel 12 </vet></al><al>Dit artikel geeft een regeling voor bijzondere programma’s. Het belangrijkste
                    voorbeeld is het programma Stad en Regio 2012-2015/2017. Op grond van het eerste
                    lid zijn alleen Provinciale Staten bevoegd om een bijzonder programma vast te
                    stellen. Om duidelijkheid te verkrijgen over de aard van het programma, wordt de
                    grondslag (dus dit artikel van deze verordening) in het besluit van Provinciale
                    Staten tot vaststelling van het programma vermeld. Er is vanwege de
                    flexibiliteit geen definitie gegeven van een bijzonder programma, wel zijn in
                    het derde lid de minimale vereisten genoemd die voor een bijzonder programma
                    gelden. Provinciale Staten beslissen per bijzonder programma aan welke partijen
                    subsidie wordt verstrekt. Desgewenst kan het aanwijzen van partijen ook op een
                    later tijdstip plaatsvinden, bijvoorbeeld als er eerst een procedure wordt
                    gevolgd voor de selectie van de aanvragers. De meest voor de hand liggende
                    ontvangers in het kader van een bijzonder programma zijn gemeenten, regio’s,
                    waterschappen en eventueel andere overheden. Het is ook mogelijk dat
                    stichtingen, verenigingen en andere rechtspersonen ontvanger zijn, maar de
                    ontvanger zal doorgaans in staat en bereid moeten zijn een forse eigen bijdrage
                    te leveren. Met een bijzonder programma zijn bovendien substantiële middelen
                    gemoeid. De bevoegdheid om ontvangers aan te wijzen kan worden gedelegeerd aan
                    Gedeputeerde Staten. Dat is bijvoorbeeld zinvol in de situatie waarin aanvragers
                    na een selectieprocedure worden aangewezen, of als gedurende de looptijd van een
                    bijzonder programma aanvullend ontvangers worden aangewezen.</al><al>Een bijzonder programma heeft bepaalde duur, die inclusief eventuele
                    verlengingen maximaal zeven jaar is. Verlenging zal alleen aan de orde zijn als
                    bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. De beslissing daarover is
                    aan Provinciale Staten. Een verlenging kan betrekking hebben op een geheel
                    programma en op onderdelen daarvan. Per jaar worden de geprogrammeerde middelen
                    in de begroting daadwerkelijk beschikbaar gesteld. Subsidieverlening vindt
                    daarom plaats onder voorbehoud van jaarlijkse vaststelling van de
                    begroting.</al><al>Op basis van het zesde lid komen alleen rechtspersonen met volledige
                    rechtsbevoegdheid voor subsidie in aanmerking, omdat die meer zekerheid bieden
                    als partij bij subsidieverlening. Het zevende lid artikel legt de bevoegdheid
                    tot uitvoering van een bijzonder programma bij Gedeputeerde Staten. Hieronder
                    vallen onder andere de bevoegdheid subsidie te verlenen, vast te stellen, te
                    wijzigen en in te trekken, bevoorschotting, monitoring en het afsluiten van
                    uitvoeringsovereenkomsten. De informatie die tussentijds beschikbaar komt, geeft
                    Provinciale Staten inzicht in de mate waarin de beoogde resultaten en de doelen
                    worden gehaald.</al><al><vet>Artikel 13 </vet></al><al>De hoofdregel is dat subsidie in twee stappen wordt verstrekt. Eerst wordt een
                    beschikking tot subsidieverlening gegeven, die een voorwaardelijke aanspraak op
                    subsidie doet ontstaan. Na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de
                    subsidie is verleend, wordt nagegaan of de activiteiten zijn verricht en of
                    daarbij aan de voorwaarden bij de subsidie is voldaan. Daarna wordt de subsidie
                    vastgesteld. Door vaststelling ontstaat een onvoorwaardelijke aanspraak op de
                    subsidie. In bepaalde gevallen kan de subsidieverlening achterwege blijven en
                    kan de subsidie meteen worden vastgesteld, bijvoorbeeld als de activiteiten al
                    zijn verricht. Het tweede lid biedt daarvoor de basis.</al><al><vet>Artikel 14 </vet></al><al>De beslistermijn bedraagt maximaal 13 weken, die ofwel begint te lopen na
                    indiening van de aanvraag dan wel na afloop van de periode waarbinnen aanvragen
                    kunnen worden ingediend. Indien een aanvraag onvolledig is, wordt de
                    beslistermijn opgeschort met toepassing van artikel 4:15 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Gezien de benodigde proceduretijd bedraagt de beslistermijn bij
                    subsidies waarvoorProvinciale Staten een besluit moeten nemen maximaal 22 weken.
                    Dat is ook de maximale beslistermijn indien advies wordt gevraagd van een
                    wettelijke adviseur als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemenewet
                    bestuursrecht.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Op grond van artikel 4:32 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een subsidie
                    in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen verleend voor een
                    bepaald tijdvak. In dit artikel wordt als regel bepaald dat dit tijdvak maximaal
                    vier jaar bedraagt. Op die manier wordt periodiek onderzoek gestimuleerd naar de
                    wenselijkheid van voortzetting van de subsidie. In bijzondere gevallen kan een
                    langere termijn worden vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht bevat een aantal gronden voor
                    weigering van verlening van subsidie. Teneinde deze gronden ook toe te kunnen
                    passen bij subsidies die meteen worden vastgesteld (dus zonder voorafgaande
                    verlening), is artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht van
                    overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht somt acht standaardverplichtingen
                    op die het provinciebestuur aan de subsidieontvanger kan opleggen. Daarnaast kan
                    het provinciebestuur op grond van artikel 4:38 van de Algemene wet bestuursrecht
                    ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel
                    van de subsidie. Hierbij geldt als eis dat de verplichting bij of krachtens
                    wettelijke voorschrift wordt opgelegd indien de subsidie is gebaseerd op een
                    wettelijk voorschrift. Als dat niet het geval is, met name bij subsidies zonder
                    wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, aanhef en onder c
                    (de zogenaamde begrotingssubsidies), kunnen dergelijke doelgebonden
                    verplichtingen worden opgelegd bij de subsidiebeschikking. Ten slotte vormt
                    artikel 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht de grondslag om ook
                    verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel
                    van de subsidie. Voor dergelijke verplichtingen geldt dat die alleen mogen
                    worden opgelegd voor zover dat bij wettelijk voorschrift is bepaald. Het eerste
                    lid van artikel 17 voorziet voor zover noodzakelijk in de grondslag voor alle
                    verplichtingen, die kunnen worden opgelegd door het provinciebestuur. Het tweede
                    lid beoogt de verplichtingen bij kleinere subsidies beperkt te houden. Overige
                    verplichtingen worden uitgewerkt in de nadere regels.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>Deze bepaling strekt tot uitwerking van artikel 4:41 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Dat artikel biedt de mogelijkheid om een vergoeding te vragen van
                    de subsidieontvanger, indien die dankzij de subsidie vermogensvoordeel heeft
                    behaald. De Algemene wet bestuursrecht somt de gevallen op waarin dat toegestaan
                    is. Een wettelijk voorschrift is vereist voor het bepalen van de hoogte van de
                    vergoeding. Uitwerking vindt plaats in nadere regels.</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Kenmerkend voor bijzondere programma’s zijn onder andere hun langere duur en de
                    substantiële bedragen die ermee gemoeid zijn. Het is wenselijk om risico’s aan
                    de zijde van de provincie te beperken en om goed en tijdig te worden
                    geïnformeerd over de voortgang. Om die redenen is het van belang dat
                    Gedeputeerde Staten op regelmatige basis informatie ontvangen over de
                    activiteiten en de daarmee samenhangende uitgaven. Indien nodig wordt een
                    accountantsverklaring gevraagd over de tussentijdse verantwoording. </al><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>In de artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn gronden voor
                    intrekking en wijziging opgenomen van subsidie die nog niet is vastgesteld. Op
                    grond van artikel 4:50, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht
                    kunnen die gronden worden aangevuld. Het eerste lid bevat een intrekkings- en
                    wijzigingsbevoegdheid met het oog op het tegengaan van ongeoorloofde
                    staatssteun. De rente die op grond van het vierde lid verschuldigd is, wordt
                    ingeval van terugvordering van ongeoorloofde staatssteun berekend met toepassing
                    van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot
                    uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere
                    bepalingen or de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag.</al><al><vet>Artikel 21</vet></al><al>De basis voor bevoorschotting is artikel 4:95, eerste lid, van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Daarin is bepaald dat het bestuursorgaan, vooruitlopend op de
                    vaststelling van de verplichting tot betaling van een geldsom, een voorschot kan
                    verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot
                    betaling zal worden vastgesteld. Vaak worden opeenvolgende voorschotten
                    verleend, waarbij telkens een deel van de subsidie als voorschot wordt
                    uitbetaald. Er gelden op grond van dit artikel maximale percentages voor
                    voorschotten, afhankelijk van het soort subsidie. Die zijn hoger ingeval van
                    verantwoording volgens het principe van Single audit, single information (derde
                    lid) en bij bijzondere programma’s (vijfde lid). Volledige bevoorschotting is
                    altijd mogelijk bij exploitatiesubsidies die per boekjaar worden verleend.
                    Alleen als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kunnen ook bij
                    andere soorten subsidie tot ten hoogste 100% van de verleende subsidie
                    voorschotten worden verleend. Uit de aard van deze bevoegdheid volgt dat daar
                    terughoudend mee moet worden omgegaan.</al><al><vet>Artikel 22</vet></al><al>Dit artikel is aanvullend op de specifieke verrekeningsmogelijkheden bij
                    subsidies die in de Algemene wet bestuursrecht zijn opgenomen. Op grond van
                    artikel 4:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen onverschuldigd
                    betaalde subsidiebedragen worden teruggevorderd en verrekend met een aan
                    dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten verstrekte subsidie voor
                    een ander tijdvak. Daarnaast kunnen op grond van artikel 4:95, vierde lid, van
                    de Algemene wet bestuursrecht betaalde voorschotten worden verrekend met de
                    geldsom die is betaald aan de subsidieontvanger voor de betreffende subsidiabele
                    activiteit. Op grond van dit artikel kan het provinciebestuur ook verrekenen met
                    andere vorderingen.</al><al><vet>Artikel 23</vet></al><al>Een subsidie wordt vastgesteld op basis van de werkelijke lasten en baten van de
                    activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Op die manier wordt voorkomen dat
                    meer subsidie wordt gegeven dan feitelijk nodig is voor de uitvoering van de
                    activiteiten. Voor bepaalde categorieën kosten kunnen Gedeputeerde Staten
                    normbedragen vaststellen op grond van artikel 3, vijfde lid. Ten aanzien daarvan
                    zijn niet de werkelijke kosten maatgevend, maar de normbedragen. Het derde lid
                    maakt het mogelijk om van de normbedragen af te wijken. Dat zal slechts bij hoge
                    uitzondering het geval zijn en uit de aard van deze bevoegdheid zal dat goed
                    gemotiveerd moeten worden, mede met het oog op de rechtsgelijkheid ten aanzien
                    van andere subsidieontvangers.</al><al><vet>Artikel 24</vet></al><al>De termijn van 13 weken van het eerste lid is normaal gesproken voldoende voor
                    de vaststelling van subsidies. Een uitzondering daarop zal in de regel alleen
                    worden gemaakt voor boekjaarsubsidies. De financiële jaarstukken die nodig zijn
                    voor de vaststelling daarvan zijn meestal niet binnen 13 weken na afloop van het
                    boekjaar beschikbaar. In de verleningsbeschikkingen zal op dit onderdeel
                    maatwerk worden geleverd. Voorts kan in een uitvoeringsovereenkomst een andere
                    termijn worden vastgelegd. In het tweede lid wordt een langere termijn
                    toegestaan voor subsidieontvangers die provinciale subsidie hebben ontvangen als
                    cofinanciering bij een specifieke uitkering van het rijk.</al><al><vet>Artikel 25</vet></al><al>Als uitwerking van het Rijksbreed kader vereenvoudiging en uniformering
                    financieel beheer rijkssubsidies is in het eerste lid bepaald dat subsidies tot
                    € 25.000 meteen worden vastgesteld, dat wil zeggen dat er geen aparte
                    verleningsbeschikking aan de vaststelling vooraf gaat. Indien subsidie wordt
                    verstrekt onder opschortende voorwaarde, zal wel een verleningsbeschikking
                    worden genomen. Het tweede lid bepaalt dat in dat geval de subsidieontvanger
                    niet zelf een aanvraag om vaststelling behoeft in te dienen. Het
                    provinciebestuur stelt dan ambtshalve binnen 13 weken na vervulling van de
                    voorwaarde de subsidie vast. De Europese staatssteunregels kunnen in de weg
                    staan aan vaststelling zonder verlening. In dat geval wordt toepassing gegeven
                    aan artikel 10 van deze verordening. De afwijkingsmogelijkheid van het vierde
                    lid is bedoeld voor bijzondere gevallen waarin het niet voor de hand ligt om de
                    subsidie direct vast te stellen. Van deze bevoegdheid zal terughoudend gebruik
                    worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 26</vet></al><al>Subsidies tussen € 25.000 en € 125.000 worden vastgesteld op het niveau van de
                    verlening, indien de activiteiten zijn verricht of de vooraf afgesproken
                    prestaties zijn gehaald. Vaststelling kan daarom in beginsel plaatsvinden op
                    basis van een activiteitenverslag. In bepaalde, in het tweede lid omschreven
                    gevallen kan worden toegestaan dat in plaats van een activiteitenverslag aan de
                    hand van een overzicht van de werkelijke baten en lasten wordt aangetoond dat de
                    activiteiten zijn verricht. Indien vaststelling conform de verlening zou leiden
                    tot ongeoorloofde staatssteun, biedt artikel 10 de bevoegdheid daar een passende
                    voorziening voor te treffen. De afwijkingsmogelijkheid in het vierde lid is
                    bedoeld voor bijzondere gevallen en zal restrictief worden toegepast.</al><al><vet>Artikel 27</vet></al><al>De hoofdregel bij subsidies vanaf € 125.000 is dat die worden vastgesteld op
                    basis van de werkelijke lasten en baten van de activiteiten. Verantwoording
                    wordt afgelegd door middel van een activiteitenverslag en een financieel
                    verslag. Het financieel verslag wordt gestaafd door een accountantsverklaring
                    die is opgesteld met inachtneming van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld
                    protocol. Het is een subsidieontvanger toegestaan om in plaats van een
                    financieel verslag de jaarrekening te overleggen, mits die aan bepaalde
                    voorwaarden voldoet. Die voorwaarden zijn noodzakelijk voor het benodigde
                    inzicht in de lasten en baten.</al><al><vet>Artikel 29</vet></al><al>Leningen en garanties vallen onder het subsidiebegrip. Niet alle bepalingen van
                    deze verordening of van nadere regels zijn in alle gevallen toepasbaar bij
                    subsidies in de vorm van leningen of garanties. Daarom is voorzien in de
                    bevoegdheid bepalingen buiten toepassing te laten.</al><al><vet>Artikel 30</vet></al><al>Met een ander bestuursorgaan in het eerste lid wordt gedoeld op bijvoorbeeld
                    organen van de Rijksoverheid. Het tweede lid regelt de verhouding tussen
                    subsidieverlening op grond van de Uitvoeringswet EFRO enerzijds en provinciale
                    cofinanciering bij EFRO-projecten anderzijds. In beide gevallen zijn
                    Gedeputeerde Staten het bevoegde orgaan, alleen verschilt de grondslag voor die
                    bevoegdheid. Het tweede lid maakt inhoudelijke en procedurele afstemming
                    mogelijk tussen EFRO-subsidie en provinciale cofinanciering.</al><al><vet>Artikel 31</vet></al><al>Het gaat bij waarderingssubsidies om activiteiten die niet onder het bereik van
                    een subsidieregeling vallen en waarvoor door het beschikbaar stellen van een
                    beperkte bijdrage de waardering van de provincie tot uitdrukking wordt gebracht.
                    Het betreft incidentele gevallen, niet om een vaste stroom van subsidies of een
                    vaste, duidelijk af te bakenen groep van ontvangers waarvoor het is aangewezen
                    dat een programma wordt vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 32</vet></al><al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht komen aan toezichthouders
                    bevoegdheden toe met betrekking tot het toezicht op de naleving van wettelijke
                    voorschriften, waaronder verplichtingen die aan een subsidie zijn verbonden. Het
                    uitoefenen van toezicht kan een inperking meebrengen van de rechten van de
                    subsidieontvanger. Daarom is een wettelijke grondslag nodig voor
                    aanwijzing.</al><al><vet>Artikel 33</vet></al><al>Het register wordt bijgehouden met het oog op de informatie die periodiek ter
                    kennis van de Europese Commissie moet worden gebracht over toegekende
                    staatssteun. De opzet van het register wordt afgestemd met de eisen die
                    voortvloeien uit de Europese regelgeving.</al><al><vet>Artikel 34</vet></al><al>Op grond van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht geldt een
                    evaluatieplicht, die ziet op de doeltreffendheid en de effecten van subsidie in
                    de praktijk. De periode waarover verslag wordt gedaan, is gesteld op vier jaar.
                    Daarmee stemt een verslagperiode overeen met de gebruikelijke looptijd van
                    programma’s.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>