<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR386407_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene Plaatselijke Verordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zuidplas</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-02-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zuidplas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Hart van Holland, 21-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidplas</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-02-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-10-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art.1:1, 1:2, 1:8, 2:1, 2:10, 2:11, 4:11, 4:12</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>R100114</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. bebouwde kom: de
                                bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben
                                vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;
                                b. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste
                                lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; c. bouwwerk:
                                bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; d. gebouw:
                                gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                Woningwet; e. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van
                                goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel
                                belang te dienen; f. openbaar water: wateren die voor het publiek
                                bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; g. openbare plaats:
                                een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg
                                als bedoeld onder i h. rechthebbende: degene die over een zaak
                                zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; i.
                                weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste zes weken
                                verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen,
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste dertien weken.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een
                                vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan
                                verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.
                            indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                            verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden
                            of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning,
                            intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de
                            belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
                            c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                            beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning
                            of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde
                            termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een
                            redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Vergunning voor onbepaalde tijd</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde;
                            b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van
                            het milieu.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b. het doel van de betoging;</al><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                    van aanvang en van</al><al>beëindiging;</al><al>d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                    plaats van beëindiging;</al><al>e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                    een regelmatig verloop te</al><al>bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperkingen aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Nieuw Artikel</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare</al><al>veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare
                                    plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of een gedeelte anders te
                                    gebruiken dan overeenkomstig de</al><al>publieke functie daarvan, als:</al><al>a. het gebruik schade toebrengt aan een openbare plaats, gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van een openbare plaats of voor
                                    het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan</al><al>wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van een openbare plaats;</al><al>b. het gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de
                                    omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon-
                                    en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen
                                    en uitstallingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j . of onder k.</al><al>van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet
                                    voor:</al><al>a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al>b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;</al><al>c. terrassen behorend bij een openbare inrichting waarbij een
                                    vergunning als bedoeld in artikel</al><al>2:28 is verleend.</al><al>d. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een
                                    vergunning voor het gebruik van een openbare plaats is
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet, of</al><al>de provinciale wegenverordening.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Straatreclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 2:10 is niet van toepassing op straatreclame.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder straatreclame wordt verstaan: elke aanduiding van
                                    commerciële en niet-commerciële aard in de vorm van een
                                    opschrift, aankondiging en/of mededeling, voor zover deze op een
                                    openbare plaats geplaatst is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Straatreclame mag alleen worden aangebracht op de door het
                                    college aangewezen plekken door middel van de door het college
                                    beschikbaar gestelde middelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het gebod in het derde lid geldt niet voor spandoeken, deze
                                    mogen alleen worden aangebracht op de door het college
                                    aangewezen plekken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent
                                    straatreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college wijst aanplakobjecten aan waarop gedachten of
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden
                                    geopenbaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><al>a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                    activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                    beheersverordening, exploitatieplan of
                                    voorbereidingsbesluit;</al><al>b. door het college in overige gevallen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergunning kan, in aanvulling op artikel 1:8, worden
                                    geweigerd in het belang van:</al><al>a. de bruikbaarheid van de weg;</al><al>b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al><al>c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                    omgeving;</al><al>d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                    opdracht van een bestuursorgaan of</al><al>openbaar lichaam publieke taken worden verricht.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale
                                    wegenverordening,</al><al>de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college:</al><al>a. een uitweg te maken naar de weg;</al><al>b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                    uitweg;</al><al>c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergunning kan, in aanvulling op artikel 1:8, worden
                                    geweigerd in het belang van:</al><al>a. de bruikbaarheid van de weg;</al><al>b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al><al>c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                    omgeving;</al><al>d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciaal
                                    wegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen ofte
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan
                                    wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende</al><al>voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet
                                    voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of</al><al>andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,
                                    hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                    elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                    toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de
                                    hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden:</al><al>a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al><al>b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen ofte belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt
                                    onder evenement verstaan: elke voor een publiek toegankelijke
                                    verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><al>a. bioscoopvoorstellingen;</al><al>b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van
                                    de Gemeentewet;</al><al>c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d. verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare
                                    inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 geldt
                                    is verleend, mits die vergunning mede betrekking heeft op deze
                                    verrichting van vermaak;</al><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de
                                    Wet openbare manifestaties;</al><al>f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:a. een
                                    herdenkingsplechtigheid;b. een braderie;c. een optocht, niet
                                    zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze
                                    verordening, op de weg;d. een feest, muziekvoorstelling of
                                    wedstrijd op of aan de weg;e. een klein evenement. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:3 kan de burgmeester besluiten om de
                                    aanvraag niet te behandelen indien de aanvraag minder dan 13
                                    weken voor aanvang van het evenement wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester stelt voor het indienen van een aanvraag voor
                                    een evenementenvergunning een</al><al>aanvraagformulier vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester kan nadere regels stellen in het belang van de
                                    openbare orde en veiligheid, verkeersveiligheid, volksgezondheid
                                    en milieuhygiëne.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                    aanvraag is gebleken, dienen door de aancrafer of
                                    vergunninghouder onverwijld aan de burgemeester te worden
                                    gemeld.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De burgemeester kan aan de evenementenvergunning voorschriften
                                    verbinden, die onder meer betrekking kunnen hebben op:</al><al>a. de plaats en het tijdstip van het evenement;</al><al>b. de benodigde technische voorzieningen;</al><al>c. de inrichting van het evenemententerrein;</al><al>d. het activiteitenprogramma;</al><al>e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;</al><al>f. een verkeersplan.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De burgmeester kan plaatsen aanwijzen waar het aantal
                                    evenementen en de tijden waarop deze plaatsvinden, beperkt kan
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voorzover in het geregeld onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 en 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht is niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25a</nr><titel>Klein evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod gesteld in artikel 2:25 lid 1 geldt niet voor een
                                    (klein) evenement, indien:</al><al>a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150
                                    personen;</al><al>b. het evenement tussen 09:00 uur en 23:00 uur plaats
                                    vindt;</al><al>c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na
                                    23.00 uur en het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van
                                    enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);</al><al>d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan of
                                    (brom)fietspad of anderszins een belemmering of gevaar vormt
                                    voor het verkeer en de hulpdiensten;</al><al>e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                    van minder dan 25 m2 per object;</al><al>g. de organisator twee weken voorafgaand aan het evenement
                                    daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van
                                    een door de burgemeester vastgesteld formulier;</al><al>h. de organisator een ontvangstbevestiging van de melding kan
                                    tonen en de organisator gedurende het evenement aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen zeven dagen na ontvangst van de
                                    melding besluiten het organiseren van het klein evenement te
                                    verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare
                                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25b</nr><titel>Meerjarige evenementenvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen
                                    waarvoor een meerjarige vergunning kan worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een meerjarige vergunning kan worden verleend indien:</al><al>a. het evenement reeds twee jaar eerder voorafgaand aan de
                                    aanvraag voor een meerjarige vergunning heeft
                                    plaatsgevonden;</al><al>b. het evenement in ongewijzigde vorm en onder exact dezelfde
                                    omstandigheden zal plaats vinden;</al><al>c. het evenement in dezelfde periode zal plaats vinden;</al><al>d. de tijdstippen van het evenement ongewijzigd zijn;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De organisator legt jaarlijks minimaal 13 weken voorafgaand aan
                                    het evenement een melding ter beoordeling voor aan de
                                    burgemeester, inclusief programma en draaiboek door middel van
                                    het daarvoor vastgestelde formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De meerjarige evenementenvergunning wordt verleend voor de duur
                                    van maximaal 5 jaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien uit de melding als bedoeld in het derde blijkt dat het
                                    evenement niet voldoet aan het bepaalde in het tweede lid zal de
                                    melding worden gezien als een aanvraag voor een
                                    evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is artikel 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. openbare inrichting: de
                                voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig
                                of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt
                                of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting
                                wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café,
                                cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder
                                openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf
                                behorend terras en andere aanhorigheden. b. terras: een buiten de
                                besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar
                                sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waartegen vergoeding
                                dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie
                                kunnen worden bereid of verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester stelt voor het indienen van een aanvraag van een
                                    vergunning een aanvraagformulier vast.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien:</al><al>a. de vestiging of exploitatie van de openbare inrichting in
                                    strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening,
                                    exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, of</al><al>b. de aanvrager geen verklaring omtrent het gedrag met
                                    betrekking tot de leidinggevende overlegt die uiterlijk drie
                                    maanden voor de datum waarop de aanvraag is ingediend, is
                                    afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet
                                    worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van de openbare inrichting of openbare orde op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij de toepassing van de in liet derde lid, onder a, genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter
                                    van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting</al><al>is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare
                                    inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse
                                    reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                    exploitatie.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor:</al><al>a. een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel
                                    1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de
                                    openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de
                                    winkelactiviteit;</al><al>b. een openbare inrichting in een zorginstelling of museum;</al><al>c. een openbare inrichting waarvan de exploitatie en
                                    openingstijden aansluiten bij winkelvoorzieningen en waar
                                    overwegend kleinere spijzen voor directe consumptie worden
                                    bereid en verstrekt en uitsluitend niet-alcoholhoudende dranken
                                    worden geschonken, zoals een</al><al>koffie- en theeschenkerij, lunchroom, konditorei of
                                    ijssalon;</al><al>d. een openbare inrichting die zich bevindt in een
                                    bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant;</al><al>e. een Bed&amp;Breakfast voor maximaal vier personen, die niet
                                    toegankelijk is voor anderen dan de
                                    Bed&amp;Breakfastgasten.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Terassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning als bedoeld in artikel 2:28
                                    een terras te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een aanvraag voor een exploitatievergunning als
                                    bedoeld in artikel 2:28 tevens van toepassing is op één of meer
                                    bij de openbare inrichting behorende terrassen, beslist de
                                    burgemeester eveneens omtrent de ingebruikneming van de openbare
                                    weg als bedoeld in artikel</al><al>2:10.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan het in het tweede lid bedoelde gebruik van
                                    de openbare weg weigeren indien de verwachting bestaat dat het
                                    gebruik:</al><al>a. schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar kan veroorzaken
                                    voor de bruikbaarheid van de weg of voor doelmatig en veilig
                                    gebruik daarvan;</al><al>b. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud
                                    van de weg;</al><al>c. afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare
                                    ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op openbare
                                    inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid,
                                    indien:</al><al>a. het terras is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de
                                    openbare inrichting;</al><al>b. de omvang van het terras beperkt is tot maximaal zes tafels
                                    en twaalf stoelen;</al><al>c. het terras tussen 0.00 uur en 8.00 uur gesloten is;</al><al>d. de stoelen en tafels niet buiten worden opgeslagen;</al><al>e. op het terras geen muziek te gehore wordt gebracht, tenzij
                                    het een collectieve festiviteit betreft</al><al>als bedoeld in artikel 4:2;</al><al>f. de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht en de
                                    doorgang van het verkeer niet wordt belemmerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten van maandag tot en met
                                    vrijdag tussen 1.00 uur en 6.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                    tussen 2.00 uur en 6.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan:</al><al>a. ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde
                                    sluitingstijden.</al><al>b. door middel van een vergunningvoorschrift andere
                                    sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare
                                    inrichting en/of een daartoe behorend terras.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid gelden voor openbare
                                    inrichtingen als bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, onder a en
                                    c, en daartoe behorende terrassen de sluitingstijden van de
                                    Verordening winkeltijden Zuidplas 2014.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                    sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van
                                    de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>verboden gedragingen</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren;
                                b. voor bezoekers zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de
                                tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in openbare inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van
                                artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd
                                bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met
                                2:31.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horeca bedrijven ald bedoeld in de Drank- en Horecawet</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34a</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan
                                    onder:</al><al>a. inrichting: de lokaliteiten, waarin bedrijfsmatig of anders
                                    dan om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik
                                    ter plaatse, met de daarbij behorende terrassen voor zover die
                                    terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van
                                    alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke
                                    lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere
                                    besloten ruimte;</al><al>b. paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde
                                    een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte
                                    aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve,
                                    sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke
                                    of godsdienstige</al><al>aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een
                                    horecabedrijf;</al><al>c. paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een
                                    paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het horecabedrijf
                                    exploiteert;</al><al>d. sterke drank: de drank, die bij een temperatuur van twintig
                                    graden Celsius voor vijftien of meer volumenprocenten uit
                                    alcohol bestaat, met uitzondering van wijn;</al><al>e. vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de
                                    Drank- en Horecawet;</al><al>f. de wet: Drank- en Horecawet;</al><al>g. zwak-alcoholhoudende drank: alcoholhoudende drank, met
                                    uitzondering van sterke drank.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige
                                    begrippen in deze afdeling verstaan hetgeen de wet daaronder
                                    verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b </nr><titel>schenktijden paracommerciële rechtspersonen,
                                    privébijeenkomsten en bijeenkomsten derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon die zich richt op het
                                    organiseren van activiteiten van sportieve, sociaal-culturele,
                                    educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard kan
                                    alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12.00 uur
                                    tot uiterlijk 00.30 uur tijdens een activiteit die wordt
                                    uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de
                                    rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden voor een paracommercieel rechtspersoon die zich
                                    richt op het organiseren van jeugdwerk en daarbij gelegenheid
                                    schept tot verantwoorde en vormende activiteiten die jongeren in
                                    contact kunnen brengen met cultuur, amusement en informatie, om
                                    sterke drank te schenken, zwak-alcoholhoudende drank kan
                                    uitsluitend verstrekt worden op:</al><al>- woensdag en donderdag van 18.00 uur tot uiterlijk 0.30
                                    uur;</al><al>- vrijdag en zaterdag van 12.00 uur tot uiterlijk 1.30 uur;</al><al>- zondag van 13.00 uur tot uiterlijk 19.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden alcoholhoudende drank te verstrekken in een
                                    paracommerciële inrichting tijdens bijeenkomsten van
                                    persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen
                                    welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
                                    desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden
                                    tot aantoonbare oneerlijke mededinging of dit buiten de in het
                                    eerste en tweede lid genoemde schenktijden gebeurt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester verleent op aanvraag ontheffing van de in het
                                    derde lid gestelde verboden indien de paracommerciële
                                    rechtspersoon kan aantonen dat in een straal van 10 kilometer
                                    rond de paracommerciële inrichting geen commercieel
                                    horecabedrijf in staat en bereid is om de in dat artikel
                                    bedoelde bijeenkomsten te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing op de aanvraag om ontheffingen als bedoeld in het
                                    vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>Schenktijden voor commerciële kantines</titel></kop><al>In een inrichting, niet door een paracommerciële rechtspersoon
                                uitgebaat, welke deel uitmaakt van een gebouw, dat uitsluitend of in
                                hoofdzaak in gebruik is bij één of meer sportorganisaties of -
                                instellingen of welke zich richt op sociaal-culturele,
                                levensbeschouwelijke of godsdienstige activiteiten kan
                                alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 12:00 uur tot
                                uiterlijk 00:30 uur tijdens een activiteit die wordt uitgeoefend in
                                verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34d</nr><titel>Ontheffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in de
                                    artikelen 2:34b, lid 1, 2 en 2:34c gestelde verboden. Aan deze
                                    ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden
                                    verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing op de aanvraag om ontheffingen als bedoeld in dit
                                    artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34e</nr><titel>Prijsacties horeca</titel></kop><al>Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de
                                openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse
                                tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is
                                dan 60^0 van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op
                                het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34f</nr><titel>Aanvullende vragen aan paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een paracommercieel rechtspersoon geeft bij de aanvraag voor het
                                    verkrijgen van een vergunning tot uitoefening van het
                                    horecabedrijf nadere informatie over de doelstelling van de
                                    paracommerciële rechtspersoon en de doelgroep waarop de
                                    rechtspersoon zich richt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hiertoe wordt het in de bijlage IV van deze verordening
                                    opgenomen formulier ingevuld en verstrekt de paracommerciële
                                    rechtspersoon een afschrift van de statuten en het
                                    bestuursreglement als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de
                                    wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34g</nr><titel>Voorschriften aan vergunningen</titel></kop><al>De burgemeester kan aan een vergunning voor een horecabedrijf en een
                                slijtersbedrijf voorschriften verbinden. Deze voorschriften kunnen
                                alleen worden gesteld: a. ter bescherming van de volksgezondheid, of
                                b. in het belang van de openbare orde, of c. ter bevordering van de
                                naleving van artikel 20 van de wet.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen
                                    waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de
                                    Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b.
                                    speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                    Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                    verlenen; c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                    geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de
                                    Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                    speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de
                                    kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a,
                                    van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn
                                    oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de
                                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie
                                    van de speelgelegenheid; b. indien de exploitatie van de
                                    speelgelegenheid in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: a. Wet: de Wet op de
                                    kansspelen; b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel
                                    30, onder c, van de Wet; c. hoogdrempelige inrichting:
                                    inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; d.
                                    laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een
                                    niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                                    dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet
                                    voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                    bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een
                                    aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan
                                    te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen
                                    of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of
                                    verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen
                                    of te doen aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of
                                    niet zijn bestemd voor de in de het eerste lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    wordt vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de provinciale wegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te
                                    bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                    openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                    afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                    straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te
                                    houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg
                                    gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het
                                    Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats of op openbaar water, dan
                                    wel in voor publiek toegankelijke gebouwen alcoholhoudende drank
                                    te nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                    openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of
                                    anderszins overlast veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor: a. een terras
                                    dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet; b. de plaats, niet zijnde een
                                    horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing
                                    geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, softdrugs te gebruiken
                                    of openlijk voor handen te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder softdrugs worden verstaan: de middelen genoemd in lijst
                                    II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of
                                    poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een
                                    raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten ofte liggen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel,
                                parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het
                                publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te
                                bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                                bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fiesten e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen ofte laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:
                                a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang
                                versperd wordt. 16</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                    woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                    optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op
                                    de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het
                                    publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
                                    kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door
                                    het college aangewezen plaats; c. op de weg zonder voorzien te
                                    zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de
                                    eigenaar of houder duidelijk doet kennen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid onder a niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voorzover de eigenaar of houder van een hond: a. die zich
                                    vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond
                                    laat begeleiden, of b. deze hond aantoonbaar gekwalificeerd
                                    opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op: a. een
                                    gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het
                                    verkeer van voetgangers en/of fietsers; b. een voor het publiek
                                    toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte
                                    kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; c. een andere door het
                                    college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a en b niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich
                                    met de hond op een plaats als bedoeld in het eerste lid bevindt,
                                    een plasticzakje of schepje voor de directe verwijdering van de
                                    uitwerpselen van de hond bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht het in het
                                    vierde lid bedoelde hulpmiddel op verzoek van een
                                    toezichthouders als bedoeld in artikel 6:2 te laten zien.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De geboden genoemd in het eerste, vierde en vijfde lid gelden
                                    niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege
                                    zijn handicap door een geleidehond of een sociale hulphond laat
                                    begeleiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al><al/></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a.
                                    vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig
                                    rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van
                                    de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond
                                    niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een
                                    geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen
                                    binnen de korf aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid, onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben,of
                                    b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                    hen gestelde regels, of c. aanwezig te hebben tot een groter
                                    aantal dan in die aanwijzing is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is verboden bijen te houden: a. binnen een afstand van
                                    dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
                                    verblijven; b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of
                                    gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door de provinciale wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking
                                    tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het
                                    goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -
                                    voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
                                    d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de
                                burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: O
                                dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn
                                woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende
                                vestiging; O van een verandering van de onder a, sub 1", bedoelde
                                adressen; O als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
                                O dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;
                                b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register
                                ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een
                                kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming
                                duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed
                                gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat
                                waarin het goed verkregen is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop vekregen goederen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><al>[Dit artikel is verplaatst naar artikel 2:32]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuunwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                    is of zal worden gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd liet bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.11, 2.16, 2.18, 2.47,
                                2.48, 2.49, 2.50, 2.74 van de Algemene Plaatselijke Verordening
                                gemeente Zuidpias groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera's voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Gebiedsontzeggingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken
                                    van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van
                                    personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een
                                    persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende
                                    handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste
                                    48 uur niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een
                                    openbare plaats op te houden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                    burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel
                                    als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare
                                    feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een
                                    bevel geven zich gedurende ten hoogste twaalf weken niet in een
                                    of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op
                                    te houden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven
                                    als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling
                                    binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op
                                    grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester beperkt de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke
                                    omstandigheden van betrokken noodzakelijk oordeelt. De
                                    burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van
                                    een bevel.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich
                                beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich
                                beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek
                                toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
                                alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
                                seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                                prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d.
                                escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het
                                publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden
                                verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of
                                personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting
                                of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde
                                natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke
                                persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding
                                uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of
                                escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een
                                seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de
                                beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de
                                seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen
                                op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen
                                wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen
                                noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegdbestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>IVlet het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het
                                college over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen. </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een sel^sinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de
                                    persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De exploitant en de beheerder: a. staat niet onder curatele en
                                    is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet
                                    in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd
                                    van eenentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het
                                    Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                    of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                    ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijfjaar
                                    onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in
                                    Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een
                                    andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                    recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                    eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.
                                    binnen de laatste vijfjaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: "
                                    bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; -
                                    de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 toten met 249,
                                    252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis,
                                    426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; " de
                                    artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel
                                    8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; " de
                                    artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de
                                    kansspelen; " de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
                                    " de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                    artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                    bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                    voorwaardelijke straf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:a.
                                    bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;b. bij de
                                    intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van
                                    de intrekking van deze vergunning. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijfjaar geen
                                    exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 04:00 en 08:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:a. tijdelijk andere dan de
                                    krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende
                                    sluitingsuren vaststellen;b. van een afzonderlijke
                                    seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of
                                    algehele sluiting bevelen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden,
                                    waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
                                    (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de
                                    persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                    XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht,
                                    in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen
                                    prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het
                                    bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het
                                    college aangewezen wegen of gebieden; b. gedurende andere dan
                                    door het college vastgestelde tijden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te
                                    bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan
                                    aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare
                                    orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan
                                    overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang
                                    van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                    regels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:a. de exploitant of de beheerder niet voldoet
                                    aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;b. de vestiging of de
                                    exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd
                                    is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                    leefmilieuverordening;c. er aanwijzingen zijn dat in de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of
                                    zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van
                                    Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                    vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:a. de openbare orde;b. het voorkomen of beperken van
                                    overlast;c. het voorkomen of beperken van aantasting van het
                                    woon- en leefklimaat;d. de veiligheid van personen of
                                    goederen;e. de verkeersvrijheid of -veiligheid;f. de gezondheid
                                    of zedelijkheid;g. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In aanvulling op lid één en twee, kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien
                                    weigeringsgronden als bedoeld in de Wet Bibob en de daarbij
                                    behorende beleidslijn, aan de orde zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beeindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beeindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:16</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a. besluit: het Besluit
                                algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting:
                                inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; c. houder
                                van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                beheerder of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve
                                festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein
                                aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit:
                                festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein
                                aantal inrichtingen; f. geluidsgevoelige gebouwen: woningen en
                                gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet Geluidhinder worden
                                aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van
                                gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; g.
                                geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van
                                de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen
                                met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende
                                inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                versterkt. i. Dagperiode: de periode gelegen tussen 7.00 uur en
                                19.00 uur; j. Avondperiode: de periode gelegen tussen 19.00 uur en
                                23.00 uur; k. Nachtperiode: de periode gelegen tussen 23.00 uur en
                                7.00 uur.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij
                                    geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag
                                    en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn
                                    gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve
                                    festiviteiten anders is aangegeven;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB{A) in de dag-, 60 dB(A)
                                    in de avond- en 55 dB(A) in de nachtperiode, gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Het ten
                                    gehore brengen van muziek wordt uiterlijk om 00.00 uur op zondag
                                    tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag
                                    beëindigd;</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief
                                    onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de
                                    muziektoeslag worden hierbij buiten beschouwing gelaten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is een inrictiting toegestaan maximaal 12 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit en artikel 4:5 niet van toepassing zijn, mits de
                                    houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang
                                    van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148 , eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot
                                    en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten
                                    moeten zijn gedoofd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 65 dB(A) in de dag-, 60 dB(A)
                                    in de avond- en 55 dB(A) in de nachtperiode, gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. Het ten
                                    gehore brengen van muziek wordt uiterlijk om 00.00 uur op zondag
                                    tot en met donderdag en 1.00 uur op vrijdag en zaterdag
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De geluidswaarden als bedoeld in het zesde lid zijn inclusief
                                    onversterkte muziek. De bedrijfsduurcorrectie en de
                                    muziektoeslag worden hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onverstrekte muziek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van
                                    het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel
                                    van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel
                                    aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen
                                    niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
                                    toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                                    uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven
                                    waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de
                                    grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige
                                    gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in
                                    geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; d. bij het bepalen
                                    van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen
                                    bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e. Tabel</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>dagperiode</al></entry><entry><al>avondperiode</al></entry><entry><al>nachtperiode</al></entry></row><row><entry><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry><entry><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>35 dB(A)</al></entry><entry><al>30 dB(A)</al></entry><entry><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>70 dB(A)</al></entry><entry><al>65 dB(A)</al></entry><entry><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmaxin in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>55 dB(A)</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek,
                                    vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                    harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende
                                    de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde
                                    geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen
                                    worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele
                                    samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in
                                    werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige
                                    wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:a. houtopstand: hakhout,
                                    een houtwal of een of meer bomen;b. hakhout: een of meer bomen
                                    die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de
                                    houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op
                                    de bomenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a. de
                                    natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde
                                    van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads-
                                    en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;
                                    e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f. de waarde
                                    voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te
                                    stellen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college stelt de bomenlijst, als bedoeld in het eerste lid,
                                    vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen,vaartuigen,mest,afvalstoffen enz.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten
                                    een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                    openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, de volgende voonwerpen of stoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun
                                    oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of
                                    onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of
                                    onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel
                                    4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                    hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins
                                    voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelder of andere
                                    verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof
                                    of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
                                    oude metalen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof:op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen in het belang van de
                                    verkeersveiligheid en het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:a. de bescherming van natuur
                                    en landschap;b. de bescherming van een stadsgezicht. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>[vervallen]</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vervoer gevaarlijke stoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Vervoer van gevaarlijke stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met transporteenheden ontplofbare stoffen en
                                    voorwerpen van klasse 1 in hoeveelheden als bedoeld in artikel 1
                                    van bijlage 2, Hoofdstuk 2 van het Reglement vervoer over land
                                    van gevaarlijke stoffen alsmede gevaarlijke stoffen als bedoeld
                                    in dat artikel te vervoeren over andere wegen of weggedeelten
                                    dan die, welke voor dat transport door burgemeester en
                                    wethouders zijn aangewezen en als zodanig zijn aangeduid met
                                    borden overeenkomstig model K 14 van bijlage 1 van het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ter uitvoering van het eerste lid worden aangewezen:a. een route
                                    of routes voor doorvoer door de gemeente;b. een route of routes
                                    van en naar de laad , los en overslagplaatsen in de gemeente.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. Het verleent deze ontheffing slechts op een
                                    schriftelijke aanvraag, waarbij ten minste is vermeld ten
                                    behoeve van wie en naar welk adres het vervoer dient te
                                    geschieden.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:a. voertuigen: voertuigen als
                                bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals:
                                kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;b. parkeren: parkeren als
                                bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en
                                verkeerstekens (RVV 1990). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:a.
                                    het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;b. het
                                    gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                                    betaling. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:a. voertuigen waaraan herstel- of
                                    onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer
                                    dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en
                                    gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;b. voertuigen voor
                                    persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
                                </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:a. drie of meer
                                    voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te
                                    parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als
                                    middelpunt een van deze voertuigen;b. de weg als werkplaats voor
                                    voertuigen te gebruiken. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbioeden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:a. langer dan
                                    op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een
                                    door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                    gemeente;b. op een door het college aangewezen plaats te
                                    parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de provinciale
                                    wegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor hen
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:a. op de weg;b. op voertuigen
                                    die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de
                                    overheid;c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                    ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor: a. instellingen die zijn vermeld op
                                    het landelijke collecte rooster van het Centraal Bureau
                                    Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen
                                    door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode en
                                    drie maanden voor de inzameling bij het college hebben gemeld
                                    dat van de toegewezen periode gebruik wordt gemaakt, en b. in de
                                    gemeente Zuidplas gevestigde verenigingen en stichtingen die
                                    krachtens hun statuten en activiteiten een doel nastreven dat
                                    van algemeen belang is, die geld of goederen inzamelen buiten de
                                    periodes die door het Centraal Bureau Fondswerving zijn
                                    toegewezen aan gecertificeerde instellingen, </al><al>die voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><al>1°. De collectanten zijn onbezoldigd en worden, indien zij
                                    jonger zijn dan 16 jaar, begeleid door een volwassene. 2°. De
                                    collectanten moeten tijdens het collecteren een door vereniging
                                    of stichting gewaarmerkt geldig legitimatiebewijs dragen waarop
                                    in ieder geval de naam en/of doel van de vereniging en stichting
                                    en de periode waarin wordt gecollecteerd staan vermeld; 3°. De
                                    inzameling vindt niet plaats op maandag tot en met zaterdag voor
                                    8.00 uur en na 21.00 uur; 4°. Uiterlijk vier weken voor aanvang
                                    van de inzameling moet aan het college melding worden gedaan van
                                    de inzameling onder vermelding van de naam van de inzamelende
                                    instelling, naam contactpersoon, het doel waarvoor de opbrengst
                                    is bestemd, de plaats, datum en het tijdstip van de
                                    inzameling;</al><al>5°. bij een inzameling van geld dient de collecteopbrengst
                                    binnen 14 dagen na afloop van de collecte, door middel van een
                                    door de leiding van de collecte ondertekende collectestaat, te
                                    worden verantwoord bij de gemeente; 6°. bij inzameling van geld
                                    mag uitsluitend worden gecollecteerd met collectebussen die zijn
                                    verzegeld of met een sleutelslot of plombe zijn afgesloten en
                                    waarop duidelijk de naam en/of doel van de collecterende
                                    instelling staat vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan binnen veertien dagen na ontvangst van de
                                    melding als bedoeld in het vierde lid, onder b, sub 5° de
                                    inzameling verbieden of aan de inzameling de voorwaarde
                                    verbinden dat die in een ander tijdvak of op een andere locatie
                                    plaatsvindt dan in de melding staat vermeld.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:a. het aan huis afleveren van
                                    goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van
                                    zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;b.
                                    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;c. het te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het
                                    aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel
                                    5:17. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 21:00 en 9:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Venten met gedrukte stukken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het
                                    eerste lid beperken door een verbod in te stellen:a. op door het
                                    college aangewezen openbare plaatsen, ofb. voor bepaalde dagen
                                    en uren. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden,, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:a. een vaste plaats op een
                                    jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet;b. een vaste plaats op een
                                    evenement als bedoeld in artikel 2:24. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert het college de
                                    vergunning: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij
                                    in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke
                                    welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in
                                    de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                    verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een
                                    standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                    verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt;
                                    c. het maximaal aantal standplaatsen is ingenomen zoals bepaald
                                    in artikel 5:17a, lid 1.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan een aanvrager kan één standplaatsvergunning per dag worden
                                    verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18a</nr><titel>Locaties en tijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Standplaatsen kunnen op gemeentegrond worden ingenomen op de
                                    onderstaande locaties en zoals aangegeven op de bij deze
                                    verordening gevoegde plattegronden:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Locatie</al></entry><entry><al>Dorpskern</al></entry><entry><al>Aantal standplaatsen</al></entry></row><row><entry><al>J.A. Beijerinkstraat 53</al></entry><entry><al>Nieuwerkerk aan den IJssel</al></entry><entry><al>2 (waarvan één met geurverspreidende
                                                  waren)</al></entry></row><row><entry><al>Raadhuisplein (ingang raadhuis)</al></entry><entry><al>Nieuwerkerk aan den IJssel</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>Raadhuisplein</al></entry><entry><al>Moerkapelle</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>Dorpsplein gemeentehuis</al></entry><entry><al>Zevenhuizen</al></entry><entry><al>1</al></entry></row><row><entry><al>Parkeerterrein bij oude begraafplaats aan de
                                                  Kerklaan nabij de hoek van Kon. Julianastraat</al></entry><entry><al>Moordrecht</al></entry><entry><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard zulks
                                    noodzakelijk maken, kan het college wijziging aanbrengen in de
                                    situering van de vaste standplaatsen en elders in de gemeente
                                    een andere locatie aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan als naar haar oordeel bijzondere omstandigheden
                                    daartoe aanleiding geven afwijken van het in het eerste lid
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan standplaatsvergunningen verlenen voor maandag
                                    tot en met zaterdag van 8.00 tot 20.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De standplaatsvergunningen worden niet verleend op de dag dat de
                                    weekmarkt plaats vindt in het betreffende dorp.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De standplaats moet worden ingenomen met een verplaatsbare
                                    verkoopwagen/kraam die buiten de verkoopuren van de standplaats
                                    verwijderd wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Standplaatsen in winkelcentra</titel></kop><al>Geen vergunning is vereist voor een standplaats in een
                                winkelcentrum, dat 's nachts is afgesloten, indien de
                                standplaatshouder binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de inname van
                                de standplaats melding heeft gedaan aan het college en de iname van
                                de standplaats voldoet aan de brandveiligheidseisen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Gronden voor intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verleende standplaatsvergunning kan worden ingetrokken: a.
                                    wanneer de ingeschreven niet langer handelingsbekwaam is of niet
                                    langer voldoet aan alle overige voorgeschreven
                                    publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de
                                    bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisaties; b. bij overlijden
                                    van de standplaatshouder, tenzij het college overschrijving
                                    toestaat; c. als gebleken is dat een ander dan de
                                    vergunninghouder de standplaats in gebruik heeft genomen zonder
                                    dat daarvoor vergunning is verleend; d. als een vergunninghouder
                                    gedurende 3 achtereenvolgende dagen of gedurende 5 dagen binnen
                                    een tijdvak van 13 weken geen gebruik heeft gemaakt van de
                                    standplaats zonder een naar het oordeel van het college geldige
                                    reden;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan, indien zij onverwijld optreden noodzakelijk
                                    acht, de vergunninghouder in afwachting van de besluitvorming
                                    het recht ontzeggen om de standplaats gedurende een periode van
                                    maximaal vier weken daadwerkelijk te gebruiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20a</nr><titel>Rechtsopvolging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij overlijden van de houder van een standplaatsvergunning wordt
                                    de vergunning overgeschreven op de overblijvende
                                    echtgeno(o)t(e), dan wel duurzaam samenwonende partner, of een
                                    kind dat bij voortduring zijn ouder op diens standplaats heeft
                                    bijgestaan, mits een schriftelijk verzoek daartoe binnen vier
                                    weken na het overlijden wordt ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De standplaatsvergunning kan analoog aan het in lid 1 bepaalde
                                    ook overgeschreven worden bij blijvende arbeidsongeschiktheid of
                                    pensioen van de vergunninghouder, mits daartoe een schriftelijk
                                    verzoek wordt gedaan binnen vier weken na het bekend worden van
                                    de blijvende arbeidsongeschiktheid, dan wel vier weken voor
                                    aanvang van het pensioen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:a. een markt of
                                    jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en
                                    onder h, van de Gemeentewet;b. een evenement als bedoeld in
                                    artikel 2:24. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water of in strijdt met het in krachtens het tweede lid
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:a. nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                    orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                    van de gemeente;b. beperkingen stellen naar soort en aantal
                                    vaartuigen. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek
                                    van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de
                                    Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>[Vervallen; verplaats naar artikel 5:25]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement,
                                    de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen:a. in het belang van het voorkomen of
                                    beperken van overlast;b. in het belang van de bescherming van
                                    het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                    andere milieuwaarden;c. in het belang van de veiligheid van de
                                    deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                    ritten of van het publiek. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste
                                    lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij
                                    regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:a.
                                    in het belang van het voorkomen van overlast;b. in het belang
                                    van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;c. in het belang
                                    van de veiligheid van het publiek. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;b.
                                    die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;c.
                                    die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;d. van de
                                    zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die
                                    gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                    verzorging van de onder d bedoelde personen. </al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:a. op
                                    wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;b. binnen de bij of krachtens de
                                    Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen
                                    stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
                                    krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:a. verlichting door
                                    middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;b. sfeervuren zoals
                                    terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden
                                    verbrand;c. vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat
                                    geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                                    toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:a. verharde delen van
                                    de weg;b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de op
                            grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door het college van burgemeester en
                            wethouders aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Deze verordening treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking
                            in werking. Op hetzelfde tijdstip vervallen de volgende verordeningen:
                            Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Zuidpias, vastgesteld op 4
                            januari 2010; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening,
                            vastgesteld op 30 juni 2010; Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke
                            Verordening, vastgesteld op 26 oktober 2010; Algemene Plaatselijke
                            Verordening Zuidpias 2010, vastgesteld op 28 juni 2011;
                            Wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening 2013,
                            vastgesteld op 16 april 2013; Wijzigingsverordening Algemene
                            Plaatselijke Verordening 2013b,vastgesteld op 11 maart 2014.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                            gemeente Zuidplas.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in openbare vergadering van 14/04/2015</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>P. van Vugt K.J.G. Kats</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><al>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</al><al/><al>een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen begrippen die op een bepaald
                    onderdeel van de verordening betrekking hebben, zijn in de desbetreffende
                    afdeling definities opgenomen. Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan
                    het volgende worden opgemerkt. </al><al/><al>a. <cursief>Bebouwde kom </cursief></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in de APV is beperkt tot de bebouwde kom.
                    In bijlage 1 bij de APV is aangegeven welke gebieden binnen de gemeente Zuidpias
                    als bebouwde kom zijn aangemerkt.</al><al/><al> b. <cursief>bevoegd gezag </cursief></al><al>Met de term "bevoegd gezag" is aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Dit begrip is van toepassing op de vergunning voor aanleg
                    of veranderen van een weg (artikel 2:11 APV) en het vellen van houtopstanden
                    (artikel 4:11 APV). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg
                    is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d van de Wabo en de vergunning
                    voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g van de
                    Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan
                    overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan
                    van roerende zaken (artikel 2:10 APV). De ontheffing voor het opslaan van
                    roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de
                    Wabo. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het college van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. Zie verder ook de
                    toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze verordening. </al><al/><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term ''bevoegd
                    bestuursorgaan'' voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het college van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al/><al>c. <cursief>Bouwwerk</cursief></al><al> Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de Bouwverordening Zuidplas:
                        "<cursief>elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                        materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                        de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de
                        grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren</cursief>"; </al><al/><al>d. <cursief>Gebouw</cursief> Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c,
                    van de Woningwet: "<cursief>elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke
                        overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                    vormt</cursief>". </al><al/><al>e. <cursief>Handelsreclame</cursief></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet, dat zich
                    volgens vaste jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de
                    verspreiding van gedrukte stukken e.d. </al><al>Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het grondwetsartikel niet
                    in de weg. Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van
                    openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                    "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering slechts
                    betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime zin des woords en
                    omvat zij elk aanbod van goederen en diensten (onder een "commercieel belang te
                    dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te zijn tot koop en verkoop. HR
                    11-05-1982, NJ 1983, 68), maar is zij niet van toepassing op reclame voor ideële
                    doeleinden. Dit betekent niet dat handelsreclame helemaal niet beschermd wordt.
                    Voorschriften voor handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 van het
                    Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 19 van het
                    Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) moeten
                    kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                    vergunningsstelsel. </al><al/><al>f. <cursief>Openbaar water</cursief></al><al> Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan
                    "feitelijk voor het publiek toegankelijk". </al><al/><al>g. <cursief>Een openbare plaats</cursief></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Worn). Artikel 1,
                    eerste lid, Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die
                    krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie
                    kent dus twee criteria. Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek.
                    Dat wil volgens de memorie van toelichting zeggen "<cursief>dat in beginsel
                        eenieder vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat
                        het verblijf op die plaats niet door de gerechtigde aan een bepaald doel
                        gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open staat" betekent verder dat geen
                        sprake is van een meldingsplicht, de eis van voorafgaand verlof, of de
                        heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de plaats</cursief>". Op
                    grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen "openbare plaatsen". Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats".</al><al/><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. "<cursief>De bestemming ziet op het karakter dat
                        door de gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of
                        blijkens de uit de inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een
                        openbare plaats krachtens vast gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende
                        zekere tijd wordt gebruikt als had deze die bestemming, en de rechthebbende
                        deze feitelijke toestand gedoogt</cursief>", aldus de memorie van
                    toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16). </al><al/><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, Wom zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen. </al><al/><al>Omdat de definitie van het begrip "openbare plaats" ook een aantal "besloten
                    plaatsen" als bedoeld in artikel 6, tweede lid. Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, Wom expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, </al><al/><al>h. <cursief>Rechthebbende</cursief></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. </al><al/><al>I. <cursief>Weg</cursief></al><al>Uit de begripsomschrijving van "openbare plaats" blijkt dat de weg daar
                    onderdeel van uitmaakt. In de wetgeving bestaan verschillende definities van het
                    begrip "weg". In de APV is aansluiting gezocht bij de definitie in artikel 1,
                    eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet, te weten de voor het openbaar
                    verkeer openstaande weg. </al><al/><al>Verschillende bepalingen in de APV hebben betrekking op (verboden) gedragingen
                    "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een zekere
                    nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van
                    huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter
                    niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. Ook treinstations vallen buiten
                    het bereik van de APV. Artikel 27 van de Spoorwegwet en de daarop gebaseerde
                    Algemeen Reglement Vervoer regelen het bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en
                    rust op en om stations.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al/><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dat
                    in het wettelijk voorschrift de termijn aangegeven wordt waarbinnen de
                    beschikking gegeven dient te worden. Zo kan worden nagegaan wat voor iedere
                    situatie een goede beslistermijn is. In de APV is de beslistermijn vastgesteld
                    op acht weken (eerste lid). Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk
                    bestuursorgaan.</al><al/><al>Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen worden afgehandeld.
                    Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. In dat geval kan de beslistermijn op grond
                    van artikel 1:2, tweede lid met ten hoogste zes weken worden verlengd. Op grond
                    van artikel 4:14 Awb wordt de aanvrager van dit verlengingsbesluit in kennis
                    gesteld.</al><al/><al>De mededeling aan de aanvrager schort de termijn niet op, het is een
                    beleefdheidsvoorschrift om te laten weten dat de termijn niet wordt gehaald. Het
                    is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De aanvrager kan geen
                    bezwaar maken of beroep instellen tegen het verlengingsbesluit. Wel kan de
                    aanvrager, als hij vindt dat de verlenging niet redelijk is, het college of de
                    burgemeester in gebreke stellen en daarna beroep instellen tegen het niet tijdig
                    nemen van een besluit op zijn aanvraag.</al><al/><al><cursief>Dienstrichtlijn</cursief></al><al>Op vergunningprocedures is voor wat betreft diensten artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De termijn van acht
                    weken van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al/><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het ondenwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium. De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het
                    verstrijken van de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht
                    worden. Het tweede lid is een implementatie van deze verplichting.</al><al/><al><vet>Artiekl 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al/><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal dertien weken.</al><al/><al>Indien voor het indienen van de aanvraag van vergunning of ontheffing een
                    afwijkende termijn geldt, is dit bepaald in het betreffende onderdeel van de
                    APV. Voor de aanvraag van een evenementenvergunning geldt een termijn van
                    dertien weken (artikel 2:25 tweede lid ).</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al/><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al/><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al/><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen. Toepassen van
                    bestuursdwang is overigens niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                    ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van
                    het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al/><al>In de in deze APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al/><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma's moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal overtreft.</al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al/><al> Als wordt overwogen de vergunning of ontheffing in te trekken ofte wijzigen,
                    worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun bedenkingen in te dienen
                    (artikel 4:8 Awb).</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Vergunning voor onbepaalde tijd</vet></al><al/><al>Artikel 1:7 bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde
                    tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat
                    stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de
                    vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                    voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare
                    vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een
                    beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                    belang.</al><al/><al>Over punt b: Uit Europese Dienstenrichtlijn volgt dat een vergunning in beginsel
                    voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunning logischerwijs
                    beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag
                    de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande
                    aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben.
                    In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige "herverdeling" van
                    de schaarse vergunningen worden georganiseerd.</al><al/><al>Over punt c: Als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten
                    zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan
                    doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening
                    voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning
                    of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de
                    jaarwisseling.</al><al/><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al/><al>Vergunningstelsels zijn in de APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om
                    een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In artikel 1:8 zijn
                    de algemene gronden voor het weigeren van een vergunning opgenomen. Alleen als
                    er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8
                    genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.</al><al/><al><cursief>Overlast (openbare orde)</cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip
                    'overlast' komt in het EGrecht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al/><al><cursief>Verkeersveiligheid (openbare veiligheid)</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (rule of reason). Maar
                    ook is er sprake van een belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid,
                    als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang
                    betreft.</al><al/><al><cursief>Veilligheid van personen en gezondheid (volksgezondheid)</cursief></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Zedelijkheid (openbare orde)</cursief></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde. Te denken valt aan
                    de bescherming van de menselijke waardigheid of in het geval van
                    dierenmishandeling betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook andere
                    dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een 'zedelijkheidsaspecť hebben.
                    Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige weigeringsgrond
                    opgenomen, omdat het om 'vestiging' gaat.</al><al/><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen (openbare orde)</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling
                    bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de
                    concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt
                    aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan,
                    namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de
                    gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning
                    weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                    plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als
                    vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het is nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een standplaats
                    voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder b). Daarop is
                    de Dienstenrichtlijn niet van toepassing.</al><al/><al><vet>HOODFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Saemnscholing en ongeregeldheden</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Het begrip "samenscholing" is ontleend aan artikel 186 van het Wetboek van
                        strafrecht:<cursief> "Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een
                        volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege
                        het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan
                        samenscholing gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maansen of
                        geldboedte van de tweede categorie.'' </cursief></al><al/><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>in het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al/><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de APV bevat de bevoegdheid tot het
                    geven van een bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel
                    wordt strafbaar gesteld via artikel 6:1 van de APV. In artikel 6:1 van de APV
                    worden op overtreding van de artikelen in de APV een straf van een hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden en een boete van de tweede categorie gesteld.
                    Overtreding van artikel 2:1, tweede lid, valt hier ook onder.</al><al/><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    APV).</al><al/><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1 van de APV blijven uiteraard ook de
                    bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden
                    mogelijk. De hieronder aangehaald uitspraken hebben daarop geen betrekking.
                    Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet, of
                    aanwijzingen in het kader van de Wet Openbare Manifestaties die de politie in
                    mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al><al>[Vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al/><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openabre
                    manifestaties (Wom).</al><al/><al>In artikel 1 van de Wom wordt in het eerste lid "openbare plaats" gedefinieerd
                    als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het
                    publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is begrepen: een gebouw
                    of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet (een
                    kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name wordt gebruikt voor
                    godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al/><al>Uit de artikelen 3 en 4 Wom volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 Wom kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 Wom bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 Wom de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al/><al><cursief>Openbare en andere dan openbare plaatsen </cursief></al><al>Artikel 1, eerste lid, Wom bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al/><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen ''dat in beginsel eenieder vrij is om er te
                    komen, te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet
                    door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats
                    ''open staat'' betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis
                    van voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden
                    van de plaats''.</al><al/><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen "openbare plaatsen". Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats".</al><al/><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. "De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt",
                    aldus de memorie van toelichting (Kamerstukken Z/1985/86, 19 427, nr. 3, p.
                    16).</al><al/><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatiepiassen.</al><al/><al>Omdat de definitie van het begrip "openbare plaats" ook een aantal "besloten
                    plaatsen" als bedoeld in artikel 6, tweede lid. Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (Kamerstukken Z/1986/87, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en
                    nr. 6).</al><al/><al><cursief>Betoging</cursief></al><al>Het begrip betoging behoeft enige toelichting. Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als: </al><al>- een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in
                    beweging, en </al><al>- de groep er op uit is een mening uit te dragen. </al><al/><al>De memorie van toelichting bij de Wom geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (Kamerstukken ii 1986/87, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden
                    dus drie eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens),
                    openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het
                    uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en
                    een optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen "menigte" nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al/><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (Kamerstukken il
                    1975/76, 13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9
                    heeft de regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het
                    begrip "betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van
                    gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het
                    karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen
                    betogingen in de zin van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld
                    het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen (Kamerstukken /Z1976/77,
                    13872, nr. 7, p. 33).</al><al/><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso's, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a Wom (Kamerstukken
                    I11985/86, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo'n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al/><al/><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de Wom, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet.. Deze twee artikelen
                    zijn echter slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt
                    worden wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare
                    orde of als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare
                    orde.</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijl&lt; plaatsvindt, kan de burgemeester
                    derhalve bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals
                    bedoeld in artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval
                    zelfs een verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Daarnaast kan
                    de burgemeester naar aanleiding van de kennisgeving op grond van artikel 5 van
                    de Wom voorschriften of beperkingen stellen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo'n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken</al><al/><al><vet>Artikel 2:6 Beperkingen aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                        of afbeeldingen</vet></al><al/><al>Polderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Van deze in het eerste lid toegekende bevoegdheid
                    mag het college niet zodanig gebruik maken dat er "geen gebruik van enige
                    betekenis" overblijft. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor
                    die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het
                    vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod
                    een ontheffing te verlenen. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel
                    160, onder a, van de Gemeentewet. </al><al/><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet. </al><al/><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt: 1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om
                    door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders
                    verantwoordelijkheid volgens de wet. 2. De wet stelt regels omtrent radio en
                    televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of
                    televisie uitzending. 3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door
                    andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand
                    verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                    volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen
                    jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden. 4. De
                    voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame. De
                    drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is lettertijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest</vet></al><al>Muziek maken kan een evenement zijn, zie artikel 2:24. Echter het optreden van
                    een straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom
                    is de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                    straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9. </al><al/><al>De activiteiten van de straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur
                    en gids vallen onder de werking van artikel 7, derde lid van de Grondwet. Het
                    begrip "openbaren van gedachten of gevoelens" moet volgens de jurisprudentie en
                    de toelichting op artikel 7 Grondwet haast grammaticaal worden uitgelegd. Elke
                    uiting van een gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van
                    degene die zich uit, wordt door artikel 7 Grondwet beschermd. (KB 5 juni 1986,
                    Stb. 337 t/m 342, KB 29 mei 1987, Stb. 365, AB 1988, 15 m.nt. PJS.) Artikel 7,
                    derde lid. Grondwet laat door zijn formulering (niemand heeft voorafgaand verlof
                    nodig wegens de inhoud) een verbod toe voor andere aspecten van de uiting dan de
                    inhoud, zoals bijvoorbeeld de verspreiding. Het is bij de genoemde activiteiten
                    echter moeilijk te scheiden tussen inhoud en verspreiding. Immers, het verbieden
                    van een optreden van een straatartiest op een bepaalde plaats houdt in veel
                    gevallen ook in dat de inhoud van het optreden niet kan worden geuit. </al><al/><al>Dat betekent dat voor de beperkingsgronden van het in artikel 7, derde lid,
                    opgenomen grondrecht, het best kan worden gekozen voor de beperkingsgronden die
                    bij artikel 7, eerste lid. Grondwet zijn toegelaten. In artikel 2:6 (Beperking
                    aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen) is dat
                    uitgewerkt in een verbod met een ontheffingsmogelijkheid dat voor bepaalde
                    straten en uren geldt. In artikel 2:9 is dezelfde redactie gevolgd. Op grond van
                    het derde lid kan de burgemeester ontheffing verlenen van het verbod De
                    bevoegdheid van de burgemeester berust op artikel 174 van de Gemeentewet. </al><al/><al>De regeling in de Algemene wet bestuursrecht biedt ook de mogelijkheid de Lex
                    Silencio Positivo actief van toepassing te verklaren. In dit artikel wordt dit
                    gedaan voor straatartiesten. Doorgaans wordt het optreden als straatartiest niet
                    als een hinderlijke activiteit ervaren. Er is derhalve geen dwingende reden van
                    algemeen belang aanwezig die deze activiteiten in de weg kunnen zitten.
                    Paragraaf 4.1.3.3. wordt van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere
                        openbare plaatsen in strijd met de publieke functie van die weg of
                        plaats</vet></al><al/><al>Dit artikel geeft de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders
                    de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen
                    opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan
                    het plaatsen van containers, billboards, reclame-uitingen of inboedels op de
                    weg, maar ook materialen, machines en afzettingen ten behoeve van bouw-,
                    verbouw-, onderhouds-, reinigings-, en herstelwerkzaamheden op de weg of op, aan
                    of in gebouwen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een
                    nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</al><al/><al> Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.e. het college van burgemeester en wethouders of de
                    burgemeester) ontheffing kan verlenen voor gebruik van de weg dat niet valt
                    onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat om objecten die bedoeld zijn om ter
                    plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn bijvoorbeeld bloembakken,
                    straatmeubilair, terrassen en dergelijke. </al><al/><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project - bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden - zowel een ontheffing van het
                    bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als een omgevingsvergunning (vierde lid)
                    nodig is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen
                    zijn. Het vijfde lid regelt dat het verbod niet geldt voor de volgende
                    categorieën:</al><al>a. Evenementen Indien een evenement wordt gehouden, waarvoor een vergunning is
                    verleend op basis van artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning verleend te worden
                    op basis van artikel 2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide
                    vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan
                    immers ook de bescherming van de met artikel 2:10 te dienen belangen worden b.
                    Standplaatsen Hier wordt een uitzondering gemaakt op standplaatsen waarop
                    afdeling 5.4 van toepassing is. c. Terrassen Het in artikel 2:10 bedoelde
                    verboden gebruik van de weg geldt niet voor terrassen behorend bij een
                    inrichting, waarvoor de burgemeester op grond van artikel 2:28 een
                    exploitatievergunning heeft verleend. Voor de duidelijkheid: het gaat hierom een
                    terras dat behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw (openbare
                    inrichting). </al><al/><al>Artikel 2:10 is niet van toepassing op straatreclame. Daarvoor kent de APV een
                    afzonderlijke bepaling artikel 2:10a.</al><al/><al><vet>Artiekl 2:10a Straatreclame</vet></al><al/><al>Het straatbeeld verrommelt als gevolg van het ontbreken van een eenduidig beleid
                    op het gebied van straatreclame. Met dit artikel wordt beoogd deze verrommeling
                    tegen te gaan.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Artikel 2:10 regelt het gebruik van een openbare plaats anders dan de publieke
                    functie daarvan. Straatreclame valt hier ook onder. Gebleken is echter dat het
                    straatbeeld verrommelt omdat concrete bepalingen over straatreclame in artikel
                    2:10 ontbreken. Daarom is het van belang om naast artikel 2:10 ook een bepaling
                    over straatreclame te hebben, waarin duidelijke regels worden gesteld. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Alle straatreclame wordt verboden tenzij dit wordt geplaatst op door het college
                    aangewezen plaatsen. Bij het aanwijzen van de plaatsen kan het college rekening
                    houden met het soort reclame dat geplaatst wordt. Ten denken valt hierbij dat
                    nabij scholen en sportverenigingen en andere gevoelige objecten bepaalt soort
                    reclame ongewenst is. Tevens dienen aangewezen plaatsen van dien aard te zijn
                    dat er geen verkeersonveilige situaties ontstaan. </al><al/><al>Doordat de straatreclame alleen geplaatst kan worden op de door het college
                    aangewezen middelen wordt voorkomen dat er allerlei soorten borden worden
                    geplaatst en bestaat de mogelijkheid voor het college om het beheer van de
                    straatreclame uit te besteden aan een externe partij. Het is van belang dat er
                    een rustig straatbeeld wordt gecreëerd en dat de middelen duurzaam zijn. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Aangezien een spandoek altijd in het bezit van de degene is die de reclame wil
                    plaatsen, is dit een middel wat het college niet beschikbaar kan stellen. Daarom
                    is in dit lid voor spandoeken een uitzondering gemaakt, het college wijst
                    hiervoor alleen de plaatsen aan. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Bij nadere regels kan gedacht worden aan regels omtrent het ophangen van
                    spandoeken, hoe lang reclame geplaatst mag worden en dergelijke zaken. </al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Artikel 7 van de Grondwet bepaalt de vrijheid van meningsuiting. Op de
                    aanplakobjecten die het college aanwijst kan deze vrijheid van meningsuiting tot
                    zijn recht komen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al/><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d,
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen
                    genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De
                    beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er
                    meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de
                    Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6
                    maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</al><al/><al> De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Voor het aanleggen of
                    veranderen van een weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten
                    opgenomen. </al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al/><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al/><al> Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst
                    onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere
                    aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering,
                    water en gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende
                    lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt. </al><al/><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    "eigen wegen" die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al/><al> Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                    op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                    "alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen" opgenomen. De plicht
                    om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te
                    sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonden de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ''onderwerp'' in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Het nutsbedrijf zal op grond van
                    artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen e.d. in
                    een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en
                    kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een
                    openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken wordt
                    een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde
                    (gemeentelijke) Telecommunicatieverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al/><al>Uit de jurisprudentie over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een
                    weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat
                    regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de
                    vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de instandhouding van de
                    bruikbaarheid van de weg. </al><al/><al>Artikel 2:12 beoogt de aanleg van uitwegen zoveel mogelijk vrij te laten, maar
                    te voorkomen dat er gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer
                    ontstaan, dat een uitrit op onaanvaardbare manier ten koste gaat van openbaar
                    groen, en desgewenst ook dat een ui</al><al/><al>tweg feitelijk opheffing betekent van soms (zeer) schaarse parkeerruimte. Als de
                    gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet ook privaatrechtelijke toestemming
                    worden gegeven. Een publiekrechtelijk toelaatbare uitweg mag niet worden
                    gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde
                    eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft. </al><al/><al>De indiener van een aanvraag moet bij zijn aanvraag een situatieschets van de
                    gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie ter plaatse voegen. Aan de
                    hand van deze gegevens kan het college sneller de afweging maken over het maken
                    van de gewenste uitweg kan worden vergund. </al><al/><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden om het maken van een uitweg te verbieden als dat op een
                    onaanvaardbare manier ten koste gaat van het openbaar groen. Een verbod dat in
                    het belang van de verkeersveiligheid wordt gesteld, strijdt evenmin met artikel
                    14 Wegenwet.</al><al/><al><vet>AFDELING 2.6 VEILIGHEID OP DE WEG</vet></al><al/><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins).</al><al/><al> Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al/><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen ofte snoeien.</al><al/><al><vet>Artikel 2:16 Openbare straatkolken e.d.</vet></al><al/><al>Dit artikel ziet er op toe dat te allen tijde gebruik van de openbare
                    nutsvoorzieningen kan worden gemaakt, zodat er bij calamiteiten snel kan worden
                    opgetreden. Tevens kan met deze bepaling vandalistisch gedrag worden bestreden.
                    Het verbod geldt - vanzelfsprekend - niet voor degene die handelingen verricht
                    aan de nutsvoorzieningen in opdracht van de beheerder.</al><al/><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. </vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al/><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. Dat zou teveel ingrijpen in de particuliere sfeer van
                    burgers. De periode waarin het rookverbod geldt, wordt door het college bepaald.
                    Desgewenst kan het college op ad-hoc basis (bijvoorbeeld bij grote droogte) een
                    periode aanwijzen. </al><al/><al>In het derde lid wordt verwezen naar artikel 429, aanhef en onder 3 , van het
                    Wetboek van Strafrecht, waarin is bepaald: "Met hechtenis van ten hoogste
                    veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door
                    gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bosheide-, helm-,
                    gras- of veenbrand doet ontstaan." </al><al/><al>Deze bepaling verbiedt het roken niet, mits dat maar met de nodige omzichtigheid
                    en voorzorg geschiedt. Aangezien een dergelijke regeling niet of nauwelijks
                    handhaafbaar is, is gekozen voor een stringent rookverbod als aanvulling op
                    artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht. Hetzelfde geldt min of meer voor het
                    tweede lid van artikel 2:18. Het enkele wegwerpen van bijvoorbeeld een brandende
                    peuk is ingevolge dit tweede lid reeds strafbaar. Het is daarbij niet van belang
                    of zulks al dan niet "met de nodige omzichtigheid en voorzorg" geschiedde. Was
                    de nodige omzichtigheid en voorzorg i.e. niet aanwezig, dan is niet de APV, maar
                    het Wetboek van Strafrecht van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al/><al>De in het tweede lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop. </al><al/><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al/><al> Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het
                    onderhavige artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan
                    aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het
                    openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar
                    niet aantasten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al/><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten gebouwen. </al><al/><al>Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de
                    eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen
                    staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een
                    schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook
                    altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de
                    hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het
                    opnemen van dit artikel achterwege blijven. </al><al/><al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld
                    de hoogte van toe te laten gebouwen, i.e. twee meter, uit bestemmingsplan en APV
                    op elkaar afgestemd zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al/><al>Het bepaalde in artikel 2:23 gelt voor alle in de gemeente aanwezige voor het
                    publiek toegankelijke ijsvlakten. Het is daarbij niet relevant onder wiens
                    beheer (provincie, waterschap, gemeente) de desbetreffende ijsvlakte valt. </al><al/><al><vet>AFDELING 7 TOEZICHT OP EVENEMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepaling</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al/><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zogenaamde negatieve benaderingsmethode ten
                    aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen
                    geldend criterium ("namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak") wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de
                    werking van de bepalingen valt:</al><al/><al>a. In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                    voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt. b. Daarnaast gelden de
                    bepalingen niet voor warenmarkten. Indien het college van burgemeester en
                    wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h van de
                    Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de gemeenteraad hiervoor
                    regels vaststellen in een marktverordening. Uitgebreide informatie over markten
                    is te vinden in de Marktverordening gemeente Zuidpias. c. De Wet op de
                    kansspelen kent een eigen toezichtregime. d. Voor evenementen in openbare
                    inrichtingen is geen evenementenvergunning nodig, mits de inrichting is vergund
                    op grond van artikel 2:28, en voor zover die evenementen tot de toegestane
                    exploitatievorm behoren. Een en ander doet niets af aan de voorschriften ten
                    aanzien van geluidsoverlast, zoals omschreven in het Besluit algemene regels
                    voor inrichtingen milieubeheer en in hoofdstuk 4, afdeling 1 van deze APV. Deze
                    voorschriften blijven onverkort van toepassing. e. Betogingen, samenkomsten en
                    vergaderingen zijn al geregeld in de Wom. Zie voor een toelichting op de Wom
                    onder artikel 2:3. f. Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling
                    uitgezonderd 2:9 (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt
                    uiteraard om dubbele regelgeving te voorkomen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al><cursief>Herdinkingsplechtigheid</cursief></al><al>Gezien het feit een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek
                    toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden
                    aangemerkt, wordt ze expliciet als evenement genoemd. </al><al/><al><cursief>Braderie </cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet </al><al/><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso's enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, vallen niet onder de bescherming van
                    de Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en
                    de fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de
                    vrijheid van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wom van toepassing. </al><al/><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningsplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    "besloten" karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. Het college van
                    burgemeester en wethouders kan bij feesten die aan te merken zijn als
                    evenementen en waarvoor geen dus vergunning vereist is, optreden wanneer deze
                    bijvoorbeeld worden georganiseerd in ruimten en het daar vigerende
                    bestemmingplan dit gebruik niet toelaat. Ook in het kader van de
                    Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast. Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet
                    behoren tot de normale bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een
                    bekende disc-jockey of een optreden van een bekende band) zijn
                    vergunningplichtig. Wanneer een feest al dan niet besloten "op of aan de weg"
                    plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt
                    op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten
                    is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van
                    muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in
                    een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van
                    artikel 2:25. Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn
                    opgenomen in het activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van
                    de APV geven het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om
                    ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Voorschriften met
                    betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond van artikel 4:6 van
                    de APV in de vergunning worden opgenomen.</al><al/><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester
                    vereist,krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel
                    2:24, tweede lid, onder d. Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in
                    artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW
                    1994) zijn op grond van artikel 10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste
                    lid van artikel 148 WVW 1994 bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan
                    worden verleend. Het verlenen van die ontheffing geschiedt: a. voor wegen onder
                    beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en Waterstaat; b. voor andere
                    wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt de ontheffing
                    verleend door het college, indien de wegen waarvoor de ontheffing wordt
                    gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. Artikel 1, onder a, van het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geeft aan wat onder voertuigen
                    moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen, invalidenvoertuigen,
                    motorvoertuigen, trams en wagens. Aan de ontheffing kan het college
                    voorschriften verbinden om binnen redelijke grenzen een veilig verloop van de
                    wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW 1994 mogen ook milieumotieven een
                    rol spelen bij het reguleren van het verkeer. In artikel 2, tweede en derde lid,
                    WVW 1994 worden onder meer de volgende motieven worden genoemd:</al><al>- het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder
                    of schade; </al><al>- het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het
                    karakter of van de functie van objecten of gebieden; </al><al>- het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. </al><al/><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze
                    sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator
                    van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen
                    voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De
                    veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig
                    verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften
                    van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als
                    voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze
                    voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt,
                    kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die
                    wedstrijd alsnog verboden worden. </al><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 en wordt hier in voorzien door artikel 10 juncto artikel
                    148 Wegenverkeerswet 1994, dan is artikel 2:25 niet van toepassing. De
                    evenementenbepaling is namelijk van een geheel andere orde dan de
                    wedstrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond
                    van andere motieven, zoals openbare orde, veiligheid in het algemeen en
                    zedelijkheid en gezondheid, weigeren medewerking te verlenen aan het evenement,
                    in casu de wedstrijd op de openbare weg. Vindt echter een wedstrijd met een
                    motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een weg
                    als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de
                    burgemeester op grond van artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor
                    andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet
                    gedacht worden aan bijvoorbeeld "vossenjachten", droppings e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen </cursief></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijvoorbeeld de hele gemeente, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt
                    tot de eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten
                    verschillende belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de
                    organisator worden gemaakt. Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een
                    vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk
                    gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid,
                    volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een
                    vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede
                    afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. In
                    het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. </al><al/><al><cursief>Eerste lid tot en met het derde lid </cursief></al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria. </al><al/><al><cursief>Rol van de burgemeester</cursief></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip "toezicht" is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb. Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid
                    ten aanzien van voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast
                    te stellen. Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is
                    het zaak dat dit van een goede motivering is voorzien.</al><al/><al><cursief>Aansprakelijkheid</cursief></al><al>Voorop staat dat de vergunninghouder of organisator zelf, of degene die
                    bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich
                    vervolgens verwenzenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor
                    daardoor veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart
                    1972, NJ 1972, 278) Is van overeenkomstige toepassing op de houder van de
                    evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een
                    Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat
                    eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet
                    behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder. Een
                    dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan ook
                    niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door de
                    desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren zijn
                    ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al/><al><cursief>Voorschriften</cursief></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                    voorwaarden: a. de voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke
                    regeling. b. de voorschriften moeten redelijkenwijs nodig zijn in verband met
                    het voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8. c. de voorschriften mogen niet in
                    strijd komen met enig beginsel van behoorlijk bestuur. </al><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester
                    aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet
                    hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de
                    voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch,
                    LJN-nr A08495. Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden
                    zijn kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor
                    toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is de
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. De aan de vergunning te verbinden
                    voorschriften gesteld in het zesde lid kunnen onder meer betrekking hebben op de
                    plaats, het tijdstip en de "inrichting" van het evenement, het maximaal toe te
                    laten aantal bezoekers, de aard en de omvang van de door de organisator zelf te
                    nemen maatregelen ter waarborging van openbare orde en veiligheid, de
                    verkeersveiligheid, de verplichting de bereikbaarheid van het evenement per
                    openbaar vervoer in openbare aankondigingen aan te geven, het
                    activiteitenprogramma, het veiligheidsplan, een inzetschema met betrekking tot
                    het aantal verkeersregelaars en hekken- en bordenplan, etc. </al><al/><al>Met de "inrichting" wordt bedoeld de indeling van het evenemententerreinen de
                    opstelling van de diverse voorzieningen ten behoeve van het evenement, zoals
                    toiletten, (drang)hekken, podia en tribunes.</al><al/><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd
                    is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet
                    worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de
                    weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige
                    weigeringsgrond opleveren. Dus is strijd met het bestemmingsplan geen
                    weigeringsgrond in de zin van de APV. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft
                    echter met betrekking tot het houden van terugkerende, meerdaagse evenementen
                    geoordeeld dat bij evenementen die naar omvang, duur en uitstraling een
                    planologische relevantie hebben die in strijd is met het bestemmingsplan,
                    handhavend moet worden opgetreden. Een uitzondering vormen evenementen die
                    eenmalig plaatsvinden of in elk geval niet regelmatig worden herhaald. Artikel
                    17 WRO, bedoeld als planologische vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan
                    hierop worden toegepast. Evenementen die geen of slechts geringe planologische
                    relevantie hebben, kunnen eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen
                    planologische vrijstelling vereist. Voor deze evenementen is wel een
                    evenementenvergunning vereist op grond van de APV en eventuele andere
                    toestemmingen of ontheffingen voor muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het
                    is daarom van belang dat gemeenten naast de vergunningverlening erop toezien dat
                    de bestemmingsplannen voorzien in de te houden evenementen.</al><al/><al><cursief>Evenementen op het water</cursief></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                    plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de
                    openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder advies
                    inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord
                    doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van
                    waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook
                    verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet
                    bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De
                    vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare
                    orde en veiligheid. Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een
                    evenementenvergunning aanvragen bij de gemeente waar het schip aanlegt om de
                    passagiers aan boord te laten gaan en tevens een vergunning bij de gemeente waar
                    het schip eindigt om de passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar
                    het schip tussentijds aanlegt.</al><al/><al><cursief>Evenementen en vuurwerk</cursief></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het
                    bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning
                    aanvragen. Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels
                    over de opslag van het vuunwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek.
                    De politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt
                    contact op met de gemeente voor de door de burgemeester af te geven verklaring
                    van geen bezwaar. De burgemeester kan hier aanvullende regels stellen in het
                    kader van de openbare orde en veiligheid.</al><al/><al><cursief>Lasershows </cursief></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire
                    lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten
                    of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn spectaculair om te
                    zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties.
                    Dit laatste is niet zonder risico's. Voor het geven van een vergunning voor een
                    lasershow moet daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart worden verkregen. </al><al/><al><cursief>Zevende lid</cursief></al><al>Evenementen en (enige)overlast zijn niet van elkaar los te koppelen. Vormen van
                    overlast zijn ondere: grote aantallen publiek, geluid, wegafsluitingen, vuil
                    etc. Met name gaat het hier om overlast voor omwonenden rond het evenement. Er
                    kunnen plaatsen zijn in de gemeente Zuidpias waar dermate veel
                    evenementenvergunningen voor worden aangevraagd, dat de overlast voor omwonenden
                    te veel wordt. Deze bepaling geeft de burgemeester de mogelijkheid om deze
                    plaatsen aan te wijzen en op deze plaats het aantal evenementen te beperken,
                    tevens kan de burgemeester de tijden waarop deze evenementen plaats vinden
                    beperken. </al><al/><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een wedstrijd op of aan de
                    weg, voor zover in het daarvoor geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                    10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><cursief>Negende lid</cursief></al><al>De Lex Silencio Positivo (LSP) is niet van toepassing bij het vergunningstelsel
                    voor grote evenementen. Motivatie: Er zijn dwingende redenen van algemeen belang
                    (art. 40 Dienstenrichtlijn) om van invoering van rechtswege vergunningverlening
                    bij grote evenementen af te zien. Het is van belang om na overleg met onder meer
                    politie- en brandweervoorwaarden in een vergunning vast te kunnen leggen, waar
                    een goede belangenafweging bij gemaakt moet worden. Het verhoogde risico voor de
                    veiligheid, de openbare orde en de volksgezondheid nopen daarom tot gebruik van
                    het voorbehoud via artikel 40 van de Dienstenrichtlijn. Het advies van de VNG
                    werkgroep wordt hiermee opgevolgd.</al><al/><al><vet>Toelichting artikel 2:25a Klein evenement</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een straatfeest of feest op
                    eigen terrein in de openbare ruimte en dansbijeenkomsten is in het kader van de
                    vermindering van administratieve lasten de termijn voor het doen van een melding
                    gesteld op twee weken voorafgaand aan het evenement. Het blijft verboden om
                    zonder melding zo'n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als
                    zonder deze melding de barbecue en of straatfeest wordt georganiseerd. </al><al/><al>Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden en mogen niet langer
                    duren dan één dag. Het vervangen van vergunningvoorschriften door algemene
                    regels in combinatie met het doen van een melding geeft organisatoren van een
                    klein evenement meer vrijheid, maar tegelijkertijd ook meer verantwoordelijkheid
                    voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.</al><al/><al> Een evenement kan met een melding worden afgedaan, indien aan alle in het
                    artikel genoemde vereisten (cumulatief) wordt voldaan. De toestemming is
                    verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan
                    tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Met deze
                    ontvangstbevestiging wordt aangetoond dat de melding daadwerkelijk heeft
                    plaatsgevonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan het klein evenement geen
                    doorgang vinden. </al><al/><al>Het feit dat een klein evenement wordt toegestaan betekent niet dat automatisch
                    ook een ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet is
                    verleend. Indien de organisator dat wenst, dient hij die apart aan te vragen.
                    Met specifieke termijnen voor verkrijging van een dergelijke ontheffing dient
                    rekening te worden gehouden.</al><al/><al><cursief>Eerste lid onder a en b </cursief></al><al>Het aantal personen dat aanwezig is wordt op 150 personen gesteld. Bij grotere
                    groepen is het verstandig om middels een vergunning te reguleren. Met meer dan
                    150 personen bestaat er namelijk grote kans dat de openbare orde wordt
                    verstoord. De tijd gedurende welke het evenement plaatsvindt wordt gesteld
                    tussen 09:00 uur en 23:00 uur. Binnen deze tijden vindt het dagelijks leven van
                    de gemiddelde burger plaats en is de kans op veroorzaking van overlast klein. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder c</cursief></al><al>Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan.
                    De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de sociale cohesie van de
                    buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Er
                    is voor gekozen dat het voor 09:00 uur en na 23.00 uur stil moet zijn. Muziek
                    omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van geluid
                    onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder d</cursief></al><al>Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet voor
                    een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door
                    het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de
                    Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats
                    vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte
                    voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral
                    om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met
                    betrekking tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst
                    wordt opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere
                    bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten
                    (brandweer, ambulance etc.) .Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden
                    gehouden, zijn onder andere parken, plantsoenen, pleintjes, grasveldjes,
                    sportveldjes, e.d.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder e</cursief></al><al>Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden. </al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder f</cursief></al><al> Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:25b Meerjarige evenementenvergunning</vet></al><al/><al>De burgemeester kan categorieën aanwijzen waarvoor een meerjarige vergunning kan
                    worden verleend. Belangrijk hierbij is het effect van het evenement op de
                    openbare orde. Evenementen die veel openbare orde risico's met zich mee kunnen
                    brengen komen minder snel in aanmerking voor een meerjarige vergunning, omdat
                    het van belang is om elk jaar opnieuw naar het effect van het evenement op de
                    openbare orde op dat moment te kijken. Evenementen die ook op het grondgebied
                    van een andere gemeente plaatsvinden komen ook niet in aanmerking voor een
                    meerjarige vergunning.</al><al>Het moet duidelijk zijn dat het een evenement betreft dat jaarlijks terugkeert,
                    dit blijkt uit het feit dat het evenement in de twee voorgaande jaren heeft
                    plaatsgevonden. Tevens is van belang dat het evenement jaarlijks in dezelfde
                    periode plaatsvindt en op dezelfde tijden. Zo is namelijk duidelijk dat de
                    omstandigheden waarin het evenement plaatsvindt onveranderd zijn ten opzicht van
                    het vorige jaar. Hierbij kan gedacht worden aan de jaarlijkse carnavals optocht,
                    kerstmarkt, de tentweek in de zomer, de motorcross op Hemelvaartsdag, of het
                    Oogstfeest. Indien er wijzigingen zijn ten opzichte van het evenement van het
                    voorgaande jaar, zal dat via de melding kenbaar moeten worden gemaakt.
                    Wijzigingen in het evenement zorgen ervoor dat er nieuwe adviezen opgevraagd
                    moeten worden bij de hulpdiensten en dat er opnieuw moet worden overwogen of het
                    evenement kan plaatsvinden. Indien er wijzigingen zijn wordt de melding gezien
                    als een aanvraag voor een nieuwe vergunning. De melding dient, net zoals de
                    aanvraag voor een vergunning, dertien weken voorafgaand aan het evenement ter
                    beoordeling aan de burgemeester te worden voorgelegd. Zodat er voldoende tijd is
                    om de melding, bij veranderende omstandigheden, te behandelen als een aanvraag.
                    De meerjarige vergunning heeft alleen betrekking op de evenementenvergunning en
                    niet op de beschikkingen met betrekking tot geluid, artikel 35 Drank- en
                    horecawet, verkeer en reclame, deze moeten elk jaar worden aangevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>AFDELING 8: TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</vet></al><al/><al>Op openbare inrichtingen zijn, naast de regels van de Drank- en Horecawet, nog
                    vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer. Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing. Wet op de kansspelen. Opiumwet, Wet ruimtelijke
                    ordening en Woningwet. Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels
                    voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit
                    besluit is een aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur,
                    opslag van koolzuur en afvalstoffen opgenomen. </al><al/><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. De exploitatievergunning wordt
                    daarom door de burgemeester verleend. </al><al/><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. In het bestemmingsplan worden horecafuncties positief bestemd,
                    waarbij een zestal categorieën wordt gehanteerd. Indien de gevraagde vergunning
                    betrekking heeft op de exploitatie of vestiging van een openbare inrichting in
                    strijd met het bestemmingsplan weigert de burgemeester de vergunning.. Maar de
                    burgemeester kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot
                    tijdelijke of algehele sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar
                    voor) verstoring van de openbare orde. </al><al/><al><cursief>Droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    "horecabedrijf' zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, dienen een vergunning op
                    grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet te hebben. Die
                    vergunningplichtige bedrijven worden aangeduid als "natte horeca". </al><al/><al>In artikel 2:27, eerste lid,van de APV wordt de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van
                    niet-alcoholische dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik elders,
                    en het verstrekken van rookwaar. Derhalve vallen ook coffeeshops onder de
                    reikwijdte van de APV. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone
                    openbare inrichtingen behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over
                    coffeeshops opgenomen. Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van
                    bijvoorbeeld een internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester
                    verplicht te stellen indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit.
                    Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt, is er geen
                    vergunning nodig.</al><al/><al><cursief>Bibob-toets en VOG</cursief></al><al>Als het gaat om ondememingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een
                    integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid van de Drank- en
                    Horecawet (DHw) jo. artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen
                    (Wet Bibob). De DHw geldt, zoals hierboven vermeld, niet voor bedrijven waar
                    geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Op grond van de
                    vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor
                    leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent het gedrag te vragen
                    en een Bibobonderzoek te doen. Dit is van belang omdat de
                    horeca-exploitatievergunning persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is, is
                    een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te zorgen
                    dat overlast wordt voorkomen. Artikel 4 van het Besluit Bibob bepaalt in
                    overeenstemming met de APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt,
                    onder andere aangewezen worden: "inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een
                    omvang aisof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt
                    verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe
                    consumptie worden verstrekť.Dit zijn dus openbare inrichtingen zoals
                    gedefinieerd in artikel 2:27,van de APV. Dit betekent dat voor openbare
                    inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder
                    de APV is hier geen wettelijke grondslag voor.</al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>In de plaats van de term "horecabedrijf' wordt nu de term "openbare inrichting"
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met de term "horecabedrijf' alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of
                    anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter
                    plaatse (natte horeca). De bepalingen in de APV betreffen juist ook de bedrijven
                    waar geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt (droge horeca).</al><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf</vet></al><al/><al>In het eerste lid van dit artikel wordt het exploiteren van een openbare
                    inrichting zonder exploitatievergunning expliciet strafbaar gesteld. </al><al/><al>Uit artikel 1:6 vloeit voort dat de vergunning uitsluitend wordt verleend aan de
                    exploitant. De exploitant is de vergunninghouder. De exploitatievergunning heeft
                    een persoonsgebonden karakter, dat wil zeggen dat de exploitatievergunning niet
                    overdraagbaar is. Dit betekent dat bij een eventuele overname de rechtsopvolger
                    van de vertrekkende exploitant niet vrij is om in afwachting van de uitkomst van
                    zijn vergunningaanvraag de exploitatie voort te zetten. In de periode dat de
                    vergunningaanvraag behandeld wordt, moet de inrichting gesloten zijn, tenzij
                    uiteraard de vertrekkende exploitant de exploitatie pas beëindigt nadat op de
                    nieuwe aanvraag is beslist.</al><al/><al>Op grond van artikel 1:7 geldt de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de burgemeester en aanvraagformulier vaststelt. De
                    exploitant dient van dit formulier gebruik te maken bij de aanvraag van een
                    exploitatievergunning. Het formulier is beschikbaar via de website van de
                    gemeente.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een openbare inrichting ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake. Als het gaat om
                    ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is een
                    integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid,van de DHw jo.
                    artikel 3, van de Wet Bibob. De DHw geldt, zoals hierboven vermeld, niet voor
                    bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Op grond van
                    de APV is het mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een
                    Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen.
                    Dit is van belang omdat de horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden
                    vergunning is. De mogelijkheid van een Bibob-onderzoek volgt uti artikel 7,
                    eerste lid en tweede lid, van de wet Bibob.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim
                    zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is
                    bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat. </al><al/><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat
                    omschreven in het vijfde lid.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>In het zesde lid van dit artikel worden een aantal categorieën openbare
                    inrichtingen uitgezonderd van de vergunningplicht. Voor die categorieën, waar
                    geen alcohol wordt geschonken en waar de openbare orde evident niet in het
                    geding is, is een exploitatievergunning niet noodzakelijk. Tot deze categorie
                    behoren winkels in de zin van de Winkeltijdenwet die als nevenactiviteit een
                    openbare inrichting exploiteren (onder a), openbare inrichtingen in een
                    zorginstelling of museum (onder b), openbare inrichting die niet in een winkel
                    zijn gevestigd, maar wat betreft de exploitatievorm en openingstijden aansluiten
                    vergelijkbaar zijn een winkel (ondere), en een Bed&amp;Breakfast van een
                    beperkte omvang (onder d). </al><al/><al><cursief>Lex Silencio Positivio is niet van toepassing</cursief></al><al>De Lex Silencio Positivo is niet van toepassing bij de Exploitatievergunning
                    voor het horecabedrijf. Deze vergunningplicht geldt voor zowel natte- als droge
                    horeca (inclusief coffeeshops). In de gemeente Zuidpias is het nodig dat
                    vergunningverlening aan natte- en droge horecagelegenheden gepaard gaat met het
                    stellen van voorwaarden na consultering van onder meer de politie, met name in
                    het belang van derden bescherming (waarbij gesproken moet kunnen worden over
                    inhoudelijke argumenten) en ter bescherming van de openbare orde. In de gemeente
                    zijn enkele 'risico horeca' aanwezig. Er zijn derhalve dwingende redenen van
                    algemeen belang (art. 40 Dienstenrichtlijn) om af te zien van invoering. Lex
                    Silencio Positivo Het advies van de VNG werkgroep hierover wordt op dit punt
                    niet opgevolgd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28A Terrassen</vet></al><al/><al>Artikel 2:28A is een noodzakelijke aanvulling op artikel 2:28. Op grond van
                    artikel 2:28, zesde lid, zijn een aantal openbare inrichtingen immers
                    vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht. Dit betekent dat deze openbare
                    inrichtingen ook voor de exploitatie van een terras geen vergunning nodig
                    hebben. De plaatsing en exploitatie van een terras (van een bepaalde omvang) kan
                    echter voor overlast zorgen en de vrije doorgang van het verkeer in gevaar
                    brengen. Artikel 2:28A, eerste lid, bepaalt daarom dat de
                    exploitatievergunningplicht van toepassing is op alle openbare inrichtingen die
                    een terras exploiteren. Dit verbod geldt derhalve in beginsel ook voor openbare
                    inrichtingen die op grond van artikel 2:28, zesde lid, zijn vrijgesteld van de
                    exploitatievergunningplicht.</al><al/><al><cursief> Tweede en derde lid</cursief></al><al>Op grond van het tweede lid is de burgemeester bevoegd een besluit te nemen over
                    het gebruik van de openbare weg als terras. Hiermee wordt voorkomen dat een
                    exploitant, naast de exploitatievergunning, ook een vergunning als bedoeld in
                    artikel 2:10 APV moet aanvragen. De gronden (derde lid) waarop de burgemeester
                    het gebruik van de openbare weg als terras kan weigeren zijn gelijk aan de
                    gronden van artikel 2:10 APV. </al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>In het vierde lid worden kleine terrassen die door openbare inrichtingen als
                    bedoeld in artikel 2:28, zesde lid, worden geëxploiteerd, uitgezonderd van de
                    vergunningplicht, mits het terras aan bepaalde voorwaarden voldoet. De
                    voorwaarden hebben betrekking op de inrichting, de omvang en de openingstijden
                    van het terras. Indien het terras aan deze voorwaarden voldoet, is de mogelijke
                    overlast zeer beperkt en daarmee aanvaardbaar. Alleen in het geval het terras
                    aan die voorwaarden voldoet, kan het terras zonder vergunning worden
                    geëxploiteerd. Wanneer het terras niet aan de voonwaarden voldoet, dient de
                    exploitant alsnog een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28 APV aan
                    te vragen.</al><al>Verder geldt voor kleine terrassen onverkort dat het gebruik daarvan moet
                    voldoen aan de vereisten van artikel 2:10. Voldoet het terras wel aan de
                    voorwaarden van het voorgestelde artikel 2:28A, vierde lid, maar is de plaatsing
                    daarvan toch in strijd met artikel 2:10 dan kan daarvoor een ontheffing worden
                    gevraagd als bedoeld in artikel 2:10, derde lid APV. </al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden</vet></al><al/><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt
                    tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het
                    weekeinde. </al><al/><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al/><al> Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.). </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare
                    inrichting. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op een
                    beperking. Het derde lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te regelen met
                    ēen voorschrift bij de exploitatievergunning of door middel van een ontheffing
                    indien voor de exploitatie van de openbare inrichting geen vergunning vereist
                    is. Een vergunningvoorschrift moet strekken tot bescherming van het belang of de
                    belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid bepaalt de openingstijden voor de openbare inrichtingen die op
                    grond van artikel 2:28, eerste lid, onder a en c, zijn uitgezonderd van de
                    exploitatievergunningplicht. De bepaling waarborgt dat de openingstijden gelijk
                    zijn aan de openingstijden van winkelvoorzieningen. </al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer of onder de werking van het Activiteitenbesluit.
                    Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen eveneens voorschriften
                    worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter voorkoming van de
                    indirecte gevolgen van de inrichting. </al><al/><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wet
                    milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. De Wet milieubeheer
                    beoogt een uitputtende regeling te geven ter voorkoming of beperking van alle
                    nadelige gevolgen van het milieu door het in werking zijn van krachtens die wet
                    aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij
                    verordening aan te vullen, indien daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te
                    beschermen. </al><al/><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip "bescherming van het milieu" vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de.
                    Wet milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 2:30, eerste lid de burgmeester voor een of meer openbare
                    inrichtingen tijdelijk afwijkende sluitingsuren opleggen of de openbare
                    inrichting tijdelijk sluiten. De exploitant van een openbare inrichting kan zelf
                    ook verzoeken om tijdelijk andere sluitingstijden.</al><al/><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking sluitingstijden of sluiting, moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in
                    artikel 2:29, tweede lid, die een individueel karakter heeft, zich niet alleen
                    kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente
                    aanwezige openbare inrichtingen. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in
                    tegenstelling tot artikel 2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente
                    afwijking kan gaan - tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende
                    sluitingstijden of tot tijdelijke sluiting. </al><al/><al>De bevoegdheid tot sluiting verschaft de burgemeester de mogelijkheid een
                    inrichting (tijdelijk) te sluiten, zonder dat hij vooraf dient over te gaan tot
                    een tijdelijk of voor onbepaalde tijd bedoelde intrekking van de
                    exploitatievergunning. In een dergelijke situatie zouden dan theoretisch twee
                    beroepsprocedures in dezelfde zaak naast elkaar kunnen worden aangespannen,
                    hetgeen zo mogelijk vermeden dient te worden. Bovendien kan het zo zijn dat de
                    burgemeester het om redenen van openbare orde nodig oordeelt dat een bepaalde
                    inrichting te sluiten, zonder dat dit hoeft te leiden tot (tijdelijke)
                    intrekking van de exploitatievergunning.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, stelt
                    het tweede lid buiten twijfel dat niet in dezelfde situaties kan worden
                    opgetreden als waarvoor artikel 13b Opiumwet is bedoeld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</vet></al><al/><al>Deze bepaling geeft onder a een (algemeen) verbod om de orde in horecabedrijven
                    te verstoren, dat zich in algemeenheid tot bezoekers richt. Het verbod onder b
                    richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met
                    goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel in openbare inrichtingen</vet></al><al/><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Met de term 'gebruikte of ongeregelde
                    goederen' worden dezelfde goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek
                    van Strafrecht.</al><al/><al> Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed verhandeld wordt.
                    In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank- en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen. </al><al/><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring</vet></al><al>Bepaling is geschrapt en verplaatst artikel 2:31, onder a.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al/><al>Het begrip "horecabedrijf' als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>AFDELING 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de
                        Drank- en Horecawet</vet></al><al/><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>De Drank- en Horecawet ordent de distributie van alcoholhoudende drank. De wet
                    bestaat sinds 1964. Kern van de wet is dat alcoholgebruik kan leiden tot
                    gezondheidsschade, overlast en ongevallen. Daarom is een gemeentelijke
                    vergunning vereist voor het schenken van alcoholhoudende drank in de horeca en
                    de verkoop van sterke drank in slijterijen. Voor de detailhandelsverkoop van
                    zwakalcoholhoudende drank is geen vergunning vereist. Destijds achtte de
                    wetgever dat niet nodig.</al><al/><al> De Drank- en Horecawet stelt voor het verkrijgen van een vergunning enkele
                    eisen: leidinggevenden dienen te voldoen aan leeftijdseisen (21 jaar of ouder),
                    zedelijkheidseisen (geen crimineel verleden) en eisen ten aanzien van kennis en
                    inzicht in verantwoord verstrekken (meestal Verklaring Sociale Hygiëne). Ook de
                    inrichting zelf moet aan enkele basiseisen voldoen. </al><al/><al>Om het alcoholgebruik onder jongeren zoveel mogelijk te helpen voorkomen, kent
                    de Drank- en Horecawet al vanouds leeftijdsgrenzen. Aan jongeren onder de 18
                    jaar mag geen zwakalcoholhoudende drank (gedistilleerd met minder dan 15%
                    alcohol, wijn en bier) worden verkocht. De leeftijdsgrens voor sterke drank
                    (gedistilleerd met 15% alcohol of meer) ligt eveneens bij 18 jaar. Alle
                    verstrekkers van alcohol (barkeepers, slijters, caissières en dergelijke) dienen
                    de leeftijd van jongeren vooraf vast te stellen. </al><al/><al>Met ingang van 1 januari 2013 is het toezicht op de naleving van vrijwel alle
                    bepalingen van de Dranken Horecawet overgegaan van de Nederlandse Voedsel- en
                    Warenautoriteit naar de gemeente. Het uitgangspunt hierbij is dat gemeenten het
                    toezicht efficiënter in kunnen zetten en vaker toezicht kunnen uitoefenen. De
                    burgemeester is het bevoegd gezag. </al><al/><al>De gemeenteraad heeft meer mogelijkheden gekregen om op lokaal niveau beter
                    invulling te geven aan het alcoholbeleid, met name om (overmatig) alcoholgebruik
                    onder jongeren tegen te gaan. De bestaande gemeentelijke bevoegdheid om
                    leeftijdsgrenzen voor de horeca vast te stellen wordt uitgebreid. </al><al/><al>Gemeenten kunnen een minimum toelatingsleeftijd tot alle horecalokaliteiten en
                    terrassen vaststellen en deze koppelen aan tijdsruimten. Daarnaast heeft de
                    gemeenteraad de mogelijkheid gekregen extreme prijsacties in supermarkten en in
                    de horeca in een verordening te verbieden. </al><al/><al>In de gewijzigde Drank- en Horecawet is opgenomen dat jongeren onder de 18 jaar
                    strafbaar zijn als ze alcohol aanwezig of voor consumptie gereed hebben op voor
                    het publiek toegankelijke plaatsen. Deze landelijke strafbepaling heeft een
                    drieledig doel. Ten eerste is het een beschermingsmaatregel, waarmee het
                    alcoholgebruik onder jongeren onder de 18 jaar wordt tegengegaan. Ten tweede is
                    het een ordemaatregel, waarmee overlastgevende drinkende jeugd op straat kan
                    worden aangepakt. </al><al/><al>Ten derde is de bepaling een antwoord op het veel voorkomende fenomeen dat een
                    oudere persoon alcohol koopt en deze in de horeca of op straat doorgeeft aan een
                    jongere onder de leeftijdsgrens. Het verbod geldt niet voor het aanwezig hebben
                    van alcoholhoudende dranken in supermarkten, slijterijen en dergelijke. Daar is
                    er immers geen indirecte verstrekking en/of consumptie ter plaatse.</al><al/><al>Het geldt wel voor het aanwezig hebben (of voor consumptie gereed hebben) van
                    alcoholhoudende drank in horeca-inrichtingen, inclusief de paracommerciële
                    inrichtingen. Het verkopen en schenken van alcohol aan jongeren onder de 18 jaar
                    kan als gevolg van de wijziging van de Drank- en Horecawet harder worden
                    aangepakt. Supermarkten en andere detailhandelaren die binnen een jaar drie keer
                    betrapt worden op het verkopen van alcohol aan jongeren onder de leeftijdsgrens
                    kan het tijdelijk worden verboden om alcoholhoudende drank te verkopen. De
                    burgemeester kan een alcoholverkoopverbod van één tot twaalf weken opleggen. De
                    horeca- en slijterijvergunning kan al na een overtreding worden geschorst.</al><al/><al>De administratieve lasten voor horeca- en slijtersbedrijven worden fors
                    verminderd. Zo hoeft een ondernemer een nieuwe leidinggevende nog slechts bij de
                    gemeente te melden en hoeft er in zo'n geval ook geen nieuwe vergunning meer te
                    worden aangevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34a Begripsbepalingen</vet></al><al>Behoeft geen toelichting</al><al/><al><vet>Artikel 2:34b Schenktijden paracommerciële rechtspersonen,
                        privé-bijeenkomsten en bijeenkomsten derden</vet></al><al/><al>Artikel 2:34b is gebaseerd op artikel 4 (derde lid onder a) van de Drank- en
                    Horecawet. Dit artikel behandelt de schenktijden voor paracommerciële
                    rechtspersonen. Met het reguleren van de schenktijden van de paracommerciële
                    horeca wordt bewerkstelligd dat het verstrekken van alcoholhoudende drank een
                    nevenactiviteit van de vereniging blijft naast de primaire activiteiten van
                    recreatieve, sportieve, sociaal culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of
                    godsdienstige aard.</al><al/><al> In de APV is ervoor gekozen om per categorie van paracommerciële rechtspersoon
                    andere schenktijden op te nemen. Dit omdat na inspraak is gebleken dat één
                    gelijke schenktijd voor alle paracommerciële rechtspersonen niet aansluit bij de
                    verschillende activiteiten van de verschillende paracommerciële rechtspersonen.
                    Tot welke categorie en rechtspersoon behoort wordt bepaald aan de hand van het
                    statutaire doel. <cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor de in het eerste lid genoemde paracommerciële rechtspersonen is gekozen om
                    vanaf 12.00 uur tot 00.30 uur de mogelijkheid te bieden alcohol te schenken,
                    maar alleen tijdens activiteiten die verband houden met het statutaire doel van
                    de rechtspersoon. Met deze regel worden de schenktijden beperkt ten opzichte van
                    de schenktijden van de commerciële horeca. Tevens wordt de verenigingen nog wel
                    de mogelijkheid geboden om rond hun activiteiten de bar open te hebben en zo de
                    sporters de gelegenheid te geven om naast de sport ook de sociale banden te
                    versterken. </al><al/><al>Om te bepalen wat verstaan wordt onder activiteiten wordt gekeken naar het doel
                    zoals omschreven in de statuten. Als het doel sport is dan wordt onder
                    activiteiten uiteraard alleen sportactiviteiten verstaan. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt er voor gekozen om voor paracommerciële rechtspersonen die zich
                    richten op jeugdwerk andere schenktijden te stellen. Deze schenktijden zijn zeer
                    beperkend ten opzicht van de commerciële horeca. Het moet hier gaan om
                    rechtspersonen die het doel hebben om de jeugd van de straat te houden en hun
                    verantwoorde en vormende activiteiten aanbied. Het is van belang ter voorkoming
                    van openbare orde problemen en overlast deze jongeren een onderkomen te bieden
                    waar ze in contact kunnen komen met cultuur, informatie en verantwoord
                    amusement. Echter in het kader van alcoholmatiging onder jongeren is ervoor
                    gekozen om alleen het schenken van zwakalcoholhoudende drank toe te staan.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Dit lid heeft betrekking op de alcoholverstrekking door paracommerciële
                    rechtspersonen tijdens gelegenheden die niet direct verbonden zijn aan de
                    hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon zelf, zoals bruiloften en
                    partijen, maar ook vergaderingen van bijvoorbeeld politieke partijen of goede
                    doelen organisaties. Artikel 4 van de Drank- en Horecawet bevat onder meer de
                    verplichting ter voorkoming van oneerlijke mededinging bij gemeentelijke
                    verordening regels te stellen waaraan paracommerciële rechtspersonen zich te
                    houden hebben bij de verstrekking van alcoholhoudende drank. Deze regels moeten
                    onder meer betrekking hebben op in de inrichting te houden bijeenkomsten van
                    persoonlijke aard (artikel 4, derde lid onder b, van de wet) en op in de
                    inrichting te houden bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                    rechtstreeks bij de activiteiten van de betreffende rechtspersoon betrokken zijn
                    (artikel 4, derde lid onder c, van de wet).</al><al/><al>In de APV is er voor gekozen de alcoholverstrekking door paracommerciële
                    rechtspersonen tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard pas te verbieden als
                    het tot oneerlijke mededinging leidt. Gezien de lichtere eisen die de Drank- en
                    Horecawet en andere wetten aan paracommerciële rechtspersonen stellen, is het
                    niet wenselijk dat deze rechtspersonen dit als concurrentievoordeel jegens de
                    reguliere horeca kunnen gebruiken. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal
                    gesubsidieerde) paracommerciële instellingen te veel concurreren met de
                    reguliere horeca. Maar er wordt wel enige vrijheid geboden op dit gebied. Met
                    name omdat in deze tijden van bezuinigingen de subsidies minder zijn geworden en
                    de paracommerciële rechtspersonen ook veel al afhankelijk zijn van de
                    barinkomsten. En tot op heden er geen signalen zijn dat er sprake is van
                    oneerlijke mededinging in de gemeente Zuidplas. </al><al/><al><cursief>Oneerlijke mededinging </cursief></al><al>Oneerlijke mededinging is een verzamelbegrip. Het omvat het gehele complex van
                    handelingen die strekken tot afzetbevordering of dienstuitbreiding van een
                    onderneming, die in het normale handelsverkeer ontoelaatbaar worden geacht. </al><al/><al>Dit kan op verschillende manieren voorkomen: </al><al>- wanneer paracommerciële rechtspersonen door subsidies, het gebruik van
                    vrijwilligers en belastingvrijstellingen buiten hun hoofddoelstelling om
                    horecadiensten verlenen aan het publiek; </al><al>- wanneer horecadiensten worden ontwikkeld op locaties die in strijd met het
                    bestemmingsplan zijn </al><al/><al>De regel in het derde lid ziet alleen op bijeenkomsten waarbij alcohol wordt
                    verstrekt. Bij bijeenkomsten waarbij de paracommerciële rechtspersonen geen
                    alcohol verstrekken speelt het concurrentievoordeel dat ontstaat als gevolg van
                    de lichtere eisen die de wet aan deze rechtspersonen stelt immers veel minder
                    een rol. Vanzelfsprekend zal de paracommerciële rechtspersoon bij het houden van
                    dergelijke bijeenkomsten wel aan de overige regelgeving, zoals het
                    bestemmingsplan en huurovereenkomst moeten voldoen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Hier is opgenomen dat de burgemeester op aanvraag van een paracommerciële
                    rechtspersoon ontheffing verleent (let wel niet op aanvraag ontheffing kan
                    verlenen) van de in het derde lid gestelde verboden indien de paracommerciële
                    rechtspersoon kan aantonen dat in een straal van 10 km rond de paracommerciële
                    inrichting geen commercieel horecabedrijf in staat en bereid is om de in dat
                    artikel bedoelde bijeenkomsten te organiseren. Het is dus aan de paracommerciële
                    rechtspersoon om te bewijzen dat de reguliere horeca in de wijde omgeving dat
                    soort bijeenkomsten niet organiseert. De 10/15-kilometergrens is een criterium
                    dat de meeste gemeenten de afgelopen jaren hebben gebruikt bij de uitvoering van
                    de Drank- en Horecawet, ter weging van de plaatselijke en regionale
                    omstandigheden. Deze wegingsplicht vervalt echter bij de inwerkingtreding van de
                    nieuwe Drank- en Horecawet. Gebruik van dat criterium onder de 'oude' Drank- en
                    Horecawet is destijds door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                    toegestaan (4 juli 2007, LJN: BA8746,200609363Z1), maar niet verplicht (22 juli
                    2009, LJN: BE9859,20087420Z1ZHR)<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>In dit lid is bepaald dat de ontheffing, ook al is die madatoir, niet
                    stilzwijgend wordt verleend indien de burgemeester te laat of niet reageert op
                    een aanvraag om een ontheffing. De lex silencio positivo is derhalve niet van
                    toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 2:34c Schenktijden voor commerciële kantines</vet></al><al/><al>In dit artikel wordt de verstrekking van alcoholhoudende dranken door
                    commerciële kantines bij sportclubs, jongerenorganisaties, buurthuizen en
                    dergelijke beperkt. Het artikel legt deze horecabedrijven dezelfde schenktijden
                    op als de 'echte' paracommerciële horeca. De grondslag van deze beperkingen is
                    artikel 25a van de Drank- en Horecawet.</al><al/><al>In de gemeente Zuidpias is een aantal multifunctionele accommodaties. In deze
                    gebouwen zijn vaak sportclubs gevestigd. In deze gebouwen is echter vaak maar
                    één kantine aanwezig die op de volgende manieren wordt uitgebaat: - er wordt een
                    B.V. opgericht, waarbij het/de besturen van de vereniging(en) of stichting(en)
                    de enige aandeelhouder is/zijn; - de kantine wordt verpacht aan een
                    ondernemer.</al><al/><al> Beide alternatieven worden soms ook gekozen door besturen van verenigingen of
                    stichtingen vanwege andere redenen, zoals bijvoorbeeld bij een gebrek aan
                    geïnstrueerde barvrijwilligers.</al><al/><al> Formeel gaat het bij toepassing van deze alternatieven niet meer om een
                    paracommerciële inrichting, maar om een commerciële inrichting. Er zal dan ook
                    een gewone horecavergunning aangevraagd en verstrekt moeten worden, met alle
                    wettelijke verplichtingen die daarbij horen. In de praktijk blijft de gemeente
                    Zuidplas echter vaak gewoon subsidie geven en maakt men gebruik van
                    barvrijwilligers. </al><al/><al>Het voordeel van dit artikel is dat de klassieke kantine en de commerciële
                    kantine deels dezelfde beperkingen opgelegd krijgen. Beide soorten kantines
                    worden regelmatig door veel jongeren bezocht. Bovendien is het onwenselijk dat
                    een bestuur van een vereniging of stichting door het kiezen voor een andere
                    rechtsvorm van de kantine-exploitatie of door verpachting opeens tot later in de
                    avond mag schenken.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34d Ontheffingen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Eerste lid In het eerste lid gaat het om ontheffingen van de verboden zoals
                    genoemd in artikel 2:34b, lid 1, 2 en 3 en 2:34c van deze verordening. Het
                    betreft het verbod om bepaalde tijden alcoholhoudende drank te schenk in een
                    paracommerciële inrichting zoals bedoeld in artikel 2:34b en het verbod om op
                    bepaalde tijden alcoholhoudende drank te schenken in 'commerciële kantines' (zie
                    voor dat begrip de toelichting bij artikel 2:34c van deze verordening). De
                    burgemeester kan ontheffing verlenen. Aan deze ontheffing kan de burgemeester
                    voorschriften en beperkingen verbinden.</al><al/><al> Een ontheffing wordt slechts verleend voor activiteiten die worden uitgeoefend
                    in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Bij de beoordeling of
                    de ontheffing verteend wordt, zal de burgemeester meewegen in hoeverre er sprake
                    is van oneerlijke mededinging. </al><al>Te denken valt hierbij aan een tennistoernooi in de avonduren of een
                    kampioenswedstrijd. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat de lex silencio positivo ook bij deze
                    facultatieve ontheffingen niet van toepassing is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34e Prijsacties horeca</vet></al><al>Artikel 25d van de Drank- en Horecawet biedt gemeenten de mogelijkheid
                    prijsacties, zoals happy hours, gedeeltelijk te beperken. Happy hours zijn
                    doorgaans afgebakende tijden (enkele uren of een dag in de week) waarop alcohol
                    tegen een gereduceerd tarief wordt aangeboden. </al><al/><al>De maatregel kan - zo bepaalt de Drank- en Horecawet - alleen betrekking hebben
                    op het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende
                    dranken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur
                    of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit
                    of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. Met dit artikel worden
                    bijvoorbeeld ook prijsacties als '2 drankjes voor de prijs van 1' verboden. Ook
                    kunnen er bepaalde arrangementen mee tegengaan worden, zoals een avond onbeperkt
                    drinken voor 15,- althans als het onbeperkt dnnken gedurende een avond normaal
                    gesproken voor meer dan 25,- wordt aangeboden en er in het kader van een actie
                    tijdelijk een prijs van 15-, wordt gevraagd. De zogenaamde ladies nights
                    (avonden waarop vrouwen gratis mogen drinken) worden met dit artikel ook
                    verboden.</al><al/><al>Het in artilkel 2:34e van deze afdeling opgenomen verbod heeft uitsluitend
                    betrekking op prijsacties in horecalokaliteiten en op terrassen en geldt dus
                    niet voor goedkoop schenken op andere plaatsen, bijvoorbeeld met een artikel
                    35-ontheffing tijdens bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard
                    (evenementen). Het gaat bij dit verbod ook uitdrukkelijk om de korting op de
                    prijs die normaal daar in die horecalokaliteit of op dat terras wordt gevraagd.
                    Dat is in de horeca na te gaan door de actieprijs te vergelijken met de prijs
                    die wordt vermeld op de (op grond van het Besluit prijsaanduiding producten)
                    verplichte prijslijst. </al><al/><al>Dit verbod is opgenomen om te voorkomen dat er in een kortere periode heel veel
                    alcohol gedronken wordt wat kan leiden tot gezondheidsproblemen bij jongeren,
                    maar ook tot openbare orde problemen. </al><al/><al>Een verbod op prijsacties in de horeca geldt voor alle kopers, dus ook voor
                    meerderjarigen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34f Aanvullende vragen aan paracommerciële
                    rechtspersonen</vet></al><al/><al>De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in 1995 de Regeling
                    aanvraaggegevens en formulieren Drank- en Horecawet gepubliceerd. Deze regeling
                    is in 2000 aangepast. Bij deze regeling horen (als bijlagen) formulieren waarmee
                    de verschillende Drank- en Horecawetvergunningen moeten worden aangevraagd. De
                    verplichtte gebruiken Drank- en Horecawetformulieren zijn in het kader van de
                    nieuwe wijziging van de Drank- en Horecawet aangepast. Er worden ook digitale
                    aanvraagformulieren ontwikkeld. </al><al/><al>Het tweede lid van artikel 26 van de Drank- en Horecawet geeft sinds de meest
                    recente wijziging duidelijker dan voorheen aan dat gemeenten voor het stellen
                    van extra vragen, ter uitvoering van artikel 4 van de Drank- en Horecawet, bij
                    verordening zelf een formulier kunnen vaststellen. Door te verlangen dat dit bij
                    verordening geschiedt, heeft de wetgever aan willen geven dat de gemeenteraad
                    een uitspraak moet doen over de aard en omvang van de aanvullende vragen die aan
                    paracommerciële rechtspersonen gesteld kunnen worden. </al><al/><al>In dit artikel wordt extra gevraagd naar het doel en doelgroep van de
                    paracommerciële rechtspersoon zodat kan worden vastgesteld tot welke categorie
                    zoals genoemd in artikel 2:34b , de paracommerciële rechtspersoon behoort.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34g Voorschriften aan vergunningen</vet></al><al/><al>In dit artikel is opgenomen dat de burgemeester bevoegd is voorschriften te
                    verbinden aan vergunningen om het horecabedrijf uit te oefenen. Bepaald wordt
                    wel dat de voorschriften die de burgemeester stelt zijn: ter bescherming van de
                    volksgezondheid, en/of in het belang van de openbare orde, en/of ter bevordering
                    van de naleving van artikel 20 van de Drank- en Horecawet (waarin onder meer
                    leeftijdsgrenzen worden gesteld voor de verstrekking van alcoholhoudende
                    dranken).</al><al/><al> Artikel 25a van de Drank- en Horecawet biedt gemeenten de mogelijkheid in een
                    verordening op te nemen dat de burgemeester, volgens bij die verordening te
                    stellen regels, vooraf - dat wil zeggen bij de afgifte van de vergunning -
                    voorschriften aan een vergunning kan verbinden of de vergunning kan beperken tot
                    het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank. Dit kan worden bepaald voor
                    horecavergunningen en voor slijterijvergunningen. Deze gemeentelijke bevoegdheid
                    was voorheen opgenomen in artikel 23 van de Drank- en Horecawet, zij het dat
                    toen aan het college van burgemeester en wethouders dat mandaat gegeven kon
                    worden. </al><al/><al>In deze verordening wordt de burgemeester voor wat betreft de horecabedrijven
                    uitsluitend de bevoegdheid gegeven de alcoholverstrekking aan voorschriften te
                    verbinden. Hij krijgt niet de bevoegdheid de verstrekking te beperken tot
                    zwak-alcoholhoudende drank. Omdat er bewust is gekozen om geen onderscheid te
                    maken in deze verordening tussen zwakalcolhoudende- en sterke drank. Er is voor
                    gekozen om de ondernemer ook eigen verantwoordelijkheid te geven. De ondernemer
                    moet zelf bewust omgaan met schenken van alcohol en het verstrekken van
                    zwakalcoholhoudende- dan wel sterke drank.</al><al/><al>Zoals hiervoor reeds vermeld beperkt de gemeenteraad verder de bevoegdheid van
                    de burgemeester door te bepalen dat hij slechts voorschriften kan verbinden
                    vanwege drie specifiek genoemde redenen (bescherming volksgezondheid, openbare
                    orde belang, naleving leeftijdsbepalingen). </al><al/><al>Voorbeelden van voorschriften die de burgemeester kan verbinden aan de
                    vergunning voor een horecabedrijf zijn: </al><al><cursief>Ter bescherming van de volksgezondheid</cursief></al><al>- een gevarieerde drankenkaart verplicht stellen; </al><al>- dit houdt in dat er - naast alcoholhoudende dranken - voldoende betaalbare
                    niet-alcoholhoudende alternatieven moeten worden aangeboden (fris, water, thee,
                    koffie);] </al><al>- het niet schenken tijdens jeugdactiviteiten. </al><al/><al><cursief>In het belang van de openbare orde</cursief></al><al>- eisen stellen ten aanzien van het maximaal aantal bezoekers. Voor de
                    veiligheid kan het aantal bezoekers dat tegelijkertijd in de inrichting aanwezig
                    mag zijn worden gemaximeerd. Het aantal bezoekers maximeren is bovendien ter
                    bescherming van de volksgezondheid. Uit onderzoek blijkt dat hoe meer mensen er
                    in een zaak zijn en hoe minder makkelijk men even kan zitten, des te meer er
                    wordt gedronken (Hughes, 2009). </al><al/><al><cursief>Ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank- en
                        Horecawet</cursief> - verlangen dat polsbandjessystemen worden toegepast. </al><al>- eisen stellen aan het aantal entrees en het aantal portiers. </al><al/><al>Voorbeelden van voorschriften die de burgemeester kan verbinden aan de
                    vergunning voor een slijtersbedrijf zijn: </al><al/><al><cursief>Ter bescherming van de volksgezondheid</cursief></al><al> - Eisen stellen ten aanzien van reclame buiten de inrichting. </al><al>- Bijvoorbeeld het verbieden van losse reclameborden en andere staande
                    reclame-uitingen buiten de inrichting als die slijterij ligt binnen een straal
                    van 200 meter van een school met veel leerlingen onder de 18 jaar. </al><al/><al><cursief>In het belang van de openbare orde</cursief></al><al>- Eisen stellen ten aanzien van het maximaal aantal klanten. </al><al>- Voor de veiligheid kan het aantal klanten dat tegelijkertijd in de inrichting
                    aanwezig mag zijn worden gemaximeerd.</al><al/><al>Ter bevordering van de naleving van artikel 20 van de Drank en Horecawet:</al><al>- Eisen dat er toeganscontrole is op bepaalde tijdstippen. Bijvoorbeeld zaterdag
                    aan het einde van de middag meot bij de deur op leeftijd worden
                    gecontroleerd.</al><al>- Eisen dat effectieve leeftijdscontrole wordt toegepast. Bijvoorbeeld verlangen
                    dat controlesystemen worden ingezet die bewezen vrijwel sluitend zijn, zoals het
                    systeem met leeftijdscontrole op afstand. </al><al/><al><vet>AFDELING 9: TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                        NACHTVERBLIJF</vet></al><al/><al><vet>Artiel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>Het begrip "inrichting" als omschreven in artikel 2:35 sluit aan bij artikel 438
                    Wetboek van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf
                    aan personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen
                    van een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf- en
                    kampeerinnchtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al/><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    innchting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><al/><al><vet>AFDELING 10: TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip "speelgelegenheid" als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino's en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft. </al><al/><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden. </al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan. </al><al/><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 zijn voorwaarden
                    opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</vet></al><al/><al>Om te bepalen of sprake is van een hoog- of laagdrempelige inrichting dient te
                    worden beoordeeld of sprake is van een horecalokaliteit in de zin van de Drank-
                    en Horecawet en of er zich in deze horecalokaliteit zelf geen andere
                    activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend.
                    Over wat wordt beschouwd als een zelfstandige activiteit is veel jurisprudentie.
                    Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen,
                    zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren.</al><al>Waar precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige
                    activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval bekeken
                    moeten worden, gerelateerd aan de jurisprudentie. Voor samengestelde
                    inrichtingen geldt het volgende: Indien er sprake is van een laagdrempelige
                    horeca-inrichting, waarbinnen zich een horecalokaliteit als bedoeld in artikel
                    1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, dient te worden bekeken of de
                    laagdrempelige gedeelten vanaf de openbare weg bereikt kunnen worden via de
                    horecalokaliteit. Als dit het geval is, dan is de horecalokaliteit alsnog
                    laagdrempelig en is het niet toegestaan kansspelautomaten te plaatsen. </al><al/><al>In artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen is bepaald dat een
                    inrichting laagdrempelig is, indien deze niet hoogdrempelig is. In artikel 30c,
                    tweede lid van de Wet op de kansspelen is bepaald dat bij verordening wordt
                    aangegeven hoeveel kansspelautomaten kunnen worden opgesteld, met dien verstande
                    dat voor een hoogdrempelige inrichting het aantal kansspelautomaten op twee
                    wordt bepaald. In laagdrempelige inrichtingen mogen geen kansspelautomaten
                    worden opgesteld.</al><al/><al><vet>AFDELING 11: MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al/><al><vet>artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al/><al><cursief>Eerste en tweede en lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet en artikel 13b van de Opiumwet kan
                    de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                    lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, dan wel een gebouw,
                    open erf of terrein te sluiten, indien door gedragingen in de woning, het
                    lokaal, het gebouw, op het erf of het terrein de openbare orde rond de woning,
                    het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein wordt verstoord. Het doel van een
                    dergelijke sluiting is om de rust in de omgeving te herstellen. Hierbij is het
                    niet wenselijk dat de woning, het lokaal, het gebouw, het erf of het terrein
                    alsnog wordt betreden. Aangezien in de Gemeentewet en de Opiumwet niet de
                    rechtsgevolgen van de sluiting worden geregeld, verdient het aanbeveling dit in
                    de APV te regelen. Dit artikel omvat een dergelijk verbod. In de gevallen waarin
                    de woning etc. niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken, is deze
                    strafbepaling opgesteld die het verbiedt om een gesloten pand te betreden. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning, het gebouw of het
                    lokaal moeten betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel
                    2:41 toegevoegd. Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut
                    zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term ''bekladden''
                    ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om menigsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden
                    aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast
                    andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking
                    in een bepaalde behoefte kan voorzien. </al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat "plakken" slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al/><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. </al><al/><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. </al><al/><al><cursief>Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin
                    uitgebreid dat nu ook het "doen" plakken of het op andere wijze "doen"
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder "doen"
                    aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een
                    actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met
                    succes handhaven. </al><al/><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan
                    te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet
                    plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder
                    dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad. </al><al/><al>Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om
                    bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                    Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                    rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van
                    de burgerlijke rechter.</al><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>[Vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</vet></al><al>[Vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.</vet></al><al/><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling
                    ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving,
                    maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van
                    artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het
                    stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze
                    regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet
                    het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien
                    zijn van rubberbanden. </al><al/><al>De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van
                    rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is
                    opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt
                    hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden. </al><al/><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door
                    voertuigen).</al><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte</vet></al><al/><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden. </al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt "straatschenderij" strafbaar,
                    tenwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart. </al><al/><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid maakt het mogelijk op te treden tegen personen die zich op een
                    openbare plaats - al dan niet in combinatie met drugs - te goed doen aan diverse
                    soorten alcoholica en vervolgens passanten lastig vallen of andere met alcohol
                    samenhangende overlast veroorzaken, zoals luid praten en schreeuwen, onderlinge
                    ruzie maken en vechten, vervuiling van de omgeving, wildplassen, etc. Dit verbod
                    maakt het mogelijk overlastverschijnselen te bestrijden die niet tot bepaalde
                    plaatsen beperkt zijn of waarvoor het instellen van een totaal verbod op het
                    gebruik of bezit van alcohol (tweede lid) als een te zwaar middel moet worden
                    beschouwd.</al><al/><al> Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel
                    2 en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving
                    daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. </al><al/><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de "voorfase" - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt. </al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In het tweede lid is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan
                    te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al/><al><vet>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al/><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gerdrag op of aan de weg). </al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al/><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    "ruimte" gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip "weg".
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd. </al><al/><al>Het ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede "zonder redelijk
                    doel of op voor anderen hinderlijke wijze" in de bepaling tot uitdrukking
                    gebracht. </al><al/><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al/><al>Het plaatsen van voertuigen is in verschillende wettelijke voorschriften
                    geregeld, steeds met een wisselende bedoeling: de instandhouding van het
                    plantsoen, het tegengaan van diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat
                    het om de voorkoming van overlast. </al><al/><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden. </al><al/><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al/><al>Op grond van het RW 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht. </al><al/><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen</vet></al><al/><al>Dit artikel is gericht op excessieve situaties. In die gevallen biedt het
                    strafrecht al het handvat om op te treden. Het artikel voegt dus weinig toe aan
                    het Wetboek van Strafrecht. </al><al/><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met artikel 139a en verder, 374bis en 441a van het
                    Wetboek van Strafrecht niet nodig. Deze bepaling moet gezien worden als
                    aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van
                    Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op
                    eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te
                    dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstalaties</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag. </al><al/><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen: - de bescherming van
                    de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar kan worden gebracht;
                    - het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; - het voorkomen van
                    hinder voor voetgangers; - het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van
                    speelweiden, zandbakken, e.d.); - het voorkomen van schade en dierenleed, die
                    worden veroorzaakt doordat loslopende honden andere dieren en wel met name
                    schapen en kippen naar het leven staan. </al><al/><al>Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de belangen van de
                    hondenbezitter zich tegen een strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten.
                    Het betreft hier onder andere de eigenaren van blindengeleidehonden. Voor deze
                    categorie in het derde lid een voorziening getroffen. Op grond van het tweede
                    lid, kan het college een hondenuitlaatplaats aanwijzen. </al><al/><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is. </al><al/><al>Ook artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming kan worden toegepast. Het
                    eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de bevoegdheid honden
                    en katten op te vangen die 's nachts elders dan op het erf van de eigenaar of
                    houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid van artikel 4 bepaalt
                    dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet berichten van een en ander
                    en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende veertien dagen na de datum
                    van het bericht op te halen. Het ter plaatse doden van loslopende honden en
                    katten is geregeld in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet op de
                    dierenbescherming. </al><al/><al>De mogelijkheid van het ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt
                    in twee opzichten beperkt: - de hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar
                    vormen voor zich op erven of in het veld bevindende dieren, waarvan de
                    instandhouding gewenst is; - geen ander middel ter afwering van het gevaar mag
                    ten dienste staan; - de bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde
                    ambtenaren van politie en de door de minister van justitie aangewezen
                    onbezoldigde ambtenaren van politie.</al><al/><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist. </al><al/><al>Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de eigenaar het dier
                    niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier slechts even
                    verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een "gevonden dier". </al><al/><al>Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn uitputtend bedoeld. De
                    gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van loslopende honden in het
                    geheel niet regelen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden </vet></al><al/><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Eigenaren en
                    houders van honden zijn daarom verplicht er zorg voor te dragen dat hun hond
                    zich niet van zijn uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats. De strafbaarheid
                    wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd. </al><al/><al><cursief>Vierde tot en met zesde lid</cursief></al><al>De handhaving van deze bepaling (betrapping op heterdaad) is in de praktijk
                    lastig. Daarom zijn de bepalingen in lid 4 tot en met lid 6 toegevoegd. De
                    houder of eigenaar van een hond is verplicht bij het uitlaten van de hond een
                    hulpmiddel bij te zich te hebben voor het opruimen van de uitwerpselen. Om
                    discussie tussen de toezichthouder en de (mogelijke) overtreder te voorkomen,
                    heeft het college nauwkeurig omschreven wat voor hulpmiddel dit moet zijn: een
                    plasticzakje of een schepje. De eigenaar of houder dient het hulpmiddel op
                    verzoek van een aangewezen toezichthouder te laten zien. </al><al/><al>Personen die zich vanwege hun handicap door een geleidehond of sociale hulphond
                    laten begeleiden zijn uitgezonderd van de verplichting als bedoeld in de leden
                    1, 4 en 5 van dit artikel.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al/><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren </vet></al><al/><al>Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. </al><al/><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die
                    betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens
                    wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels
                    worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:63 Duiven</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al/><al>Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de "aanvliegbanen" hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. </al><al/><al>Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de
                    aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het
                    zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de
                    bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen
                    zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige
                    gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn. </al><al/><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand "op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats" valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    "openbare belangen".</al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al/><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren ofte volgen. Hierdoor komt de openbare orde in
                    het geding. </al><al/><al>In 2000 is de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) verdwenen. De politie kan hiertegen niet of nauwelijks
                    meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever
                    echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke
                    autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen,
                    indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Op grond
                    van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt.
                    Wanneer er naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een
                    bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen.</al><al/><al> Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan niet verbonden worden aan een vergunning vanwege
                    strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al/><al><vet>AFDELING 12. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. </al><al/><al>Het Wetboek van strafrecht bevat enkele bepalingen die de bestrijding van heling
                    op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis,
                    437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat een
                    strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel 552
                    van het Wetboek van Strafvordering . </al><al/><al>De in artikel 141 Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren
                    hebben om controle uit te oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere
                    plaatsen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar
                    worden gebruikt. Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het
                    bepaalde in de Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen. </al><al/><al><cursief>De politie kan voonverpen in beslag nemen</cursief></al><al>Op grond van artikel 142 Wetboek van Strafvordering kunnen toezichthouders als
                    buitengewone opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting
                    bij hoofdstuk 6. </al><al/><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141, Wetboek van Strafvordering bij de controle op de
                    naleving van voorschriften inzake de helingbestrijding in het algemeen geen
                    plaats. De in artikel 552 Wetboek van Strafvordering neergelegde
                    binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al/><al> Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de
                    verplichting ex artikel 437ter, tweede lid. Wetboek van strafrecht om zich
                    schriftelijk aan te melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen
                    ambtenaar wordt in de huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan. </al><al/><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door artikelen 437 e.v. Wetboek van strafrecht toegekende taken op te dragen aan
                    door hem aan te wijzen ambtenaren. </al><al/><al>Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                    alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal
                    zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek ,
                    (brom)fiets en autohandel). </al><al/><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                    registratieverplichtingen.</al><al/><al><cursief>Handelaar</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ''handelaar'' verijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al/><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto's, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto, film, radio,
                    en videoapparatuur voor automatische registratie. Onder ''handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen'' worden tevens handelaren in antiek en
                    curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden vermeld. </al><al/><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</vet> De
                    in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                    vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van
                    Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot
                    het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle
                    gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd
                    dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat,
                    omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn. </al><al/><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister. </al><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al/><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn. In het eerste
                    lid is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    ("alle" goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto's of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437tervan het
                    Wetboek van Strafrecht Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste
                    lid. Wetboek van Strafrecht bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar
                    voor heling beogen te voorkomen. </al><al/><al>Bij de herziening van de APV in 2008 zijn er geen inhoudelijke wijzigingen
                    aangebracht, maar is getracht een overzichtelijker artikel te formuleren, dat
                    kort en bondig is geformuleerd. Het voorheen gehanteerde begrip "lokaliteit" is
                    vervangen door "vestiging". Daarnaast is het oude artikel 2.5.4 (2:69) in dit
                    artikel geïntegreerd. </al><al/><al><cursief>Onder a, onder 1'</cursief></al><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht legt de handelaar de
                    verplichting op de burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren
                    schriftelijk in kennis te stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                    maakt. De wetgever heeft afgezien van een regeling om de uitoefening van het
                    opkopersbedrijf aan een voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te
                    binden. De aanmeldingsplicht is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt. </al><al/><al><cursief>Onder a, onder 2' en 3' </cursief></al><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden. </al><al/><al><cursief>Onder a, onder 4'</cursief></al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het Wetboek van
                    strafrecht aan. Hier is het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen.
                    Deze bepaling kan niet in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 Wetboek
                    van Strafvordering.</al><al/><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het Wetboek van strafrecht wordt aan de
                    daartoe aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het. Wetboek van strafrecht zodat een regeling in de APV
                    noodzakelijk is. Door de bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de
                    daartoe aangewezen ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als
                    het verkoopregister inzien. </al><al/><al><cursief>Onder d</cursief></al><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin. </al><al/><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f,. Wetboek van strafrecht </al><al/><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven
                    aanwijzingen,,strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van
                    drie dagen, zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt
                    belemmerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</vet></al><al/><al>Deze bepaling is vervallen en opgenomen in artikel 2:68. Artikel 2:70 Handel in
                    horecabedrijven Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op
                    horecabedrijven en is genummerd artikel 2:32. </al><al/><al><vet>AFDELING 13. VUURWERK</vet></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsbepalingen </vet></al><al/><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). </al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren dan wel vervaardigen
                    of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken en afsteken van
                    vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde vervoershandelingen met
                    vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van vuurwerk zijn gesteld ter
                    uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. </al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant. </al><al/><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al> Voor de omschrijving van het begrip "consumentenvuurwerk" is aansluiting
                    gezocht bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk
                    wordt in het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: "vuurwerk dat is bestemd
                    voor particulier gebruik" (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997). </al><al/><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit - indien:
                    a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; b. het te koop wordt
                    aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een
                    particulier; c. het aangetroffen wordt bij een particulier; d. het binnen het
                    grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het
                    oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen of e. het is voorzien
                    van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik. </al><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><al/><al>- vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed, zoals
                    klappertjes voor speelgoedpistolen; - vuurwerk dat bij de Nederlandse
                    krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een bondgenootschappelijke mogendheid of bij
                    de politie in gebruik of beheer is; - vuurwerk dat in het kader van
                    internationaal vervoer per zeeschip of vliegtuig binnen het grondgebied van
                    Nederland wordt gebracht en niet in Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt
                    overgeladen naar een ander zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig. </al><al/><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuunwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fopen schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al/><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling </cursief>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken
                    van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme
                    regels:</al><al>- een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                    particulier (artikel 2.3.2 lid 1); - dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31
                    december met dien verstande dat als een van deze dagen een zondag is het verbod
                    eveneens op die zondag geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter
                    beschikking te stellen dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); -
                    een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan een
                    particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); - een verbod om
                    consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen
                    op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de in bijlage 1
                    gestelde voorschriften en de door het bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3
                    gestelde nadere eisen (artikel 2.3.4); - een verbod om consumentenvuurwerk
                    bedrijfsmatig ter beschikking te stellen aan personen die jonger zijn dan
                    zestien jaar (artikel 2.3.5); - een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen
                    op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van
                    het daarop volgende jaar (artikel 2.3.6). </al><al/><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet
                    en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en afsteken van
                    consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                        verkoopdagen</vet></al><al/><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk </cursief></al><al>Op basis van artikel 2:72 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Artikel 1:7 bepaalt
                    dat de vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor
                    meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al/><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4
                    en het commentaar daarbij.</al><al/><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten
                    via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een speidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel
                    milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid
                    open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en
                    meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente.</al><al/><al><cursief>Koopzondag </cursief></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</vet></al><al/><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al/><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al/><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijv</al><al>oorbeeld een promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al/><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet </cursief>In de Opiumwet wordt geen aandacht
                    besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat. Om hiertegen te
                    kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te nemen dat het
                    voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot
                    doel heeft.</al><al/><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid </cursief></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. Uit het
                    rapport van SGBO (2001) over het gebruik van de APV blijkt dat 86% van alle
                    gemeenten deze bepaling heeft overgenomen in de eigen APV. Ongeveer de helft van
                    de gemeenten gebruikt deze bepaling ook (incidenteel) in de praktijk.</al><al/><al>De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al/><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    ("drugsrunners") strafbaar gesteld. Het "kennelijk doel" kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties, enz.</al><al/><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al/><al>Als gevolg van de wijziging van de Gemeentewet door toevoeging van de artikelen
                    154a, is voor de burgemeester de mogelijkheid gecreëerd om groepen personen voor
                    de duur van maximaal 12 uren op te houden. Bestuurlijk ophouden is het op een
                    bepaalde plaats onderbrengen en vasthouden van groepen ordeverstoorders, met
                    inbegrip van het overbrengen naar die plaats. Overeenkomstig artikel 154a van de
                    Gemeentewet oefent de burgemeester de bevoegdheid tot bestuurlijke ophouding pas
                    uit in geval van groepsgewijze niet-naleving van door de raad, bij verordening
                    vastgestelde en daartoe specifiek aangewezen voorschriften tot handhaving van de
                    openbare orde of beperking van gevaar als bedoeld in artikel 175 Gemeentewet, en
                    indien het ophouden noodzakelijk is ter voorkoming van voortzetting of herhaling
                    van de niet-naleving en de naleving redelijkerwijs niet op andere geschikte
                    wijze kan worden verzekerd.</al><al/><al>Gelet op het bovenstaande heeft de raad een aantal artikelen, betrekking
                    hebbende op de openbare orde en veiligheid, aangewezen op basis waarvan bij
                    overtreding de burgemeester kan besluiten groepen bestuurlijk op te houden.</al><al/><al>Bestuurlijk ophouden is een bestuursrechtelijk ultimum remedium. Bestuurlijk
                    ophouden komt in beeld bij grootschalige verstoringen van de openbare orde,
                    zoals bijvoorbeeld bij demonstraties of grootschalige evenementen. Tot
                    toepassing mag niet lichtvaardig worden besloten. Andere middelen moeten niet
                    toereikend zijn om de openbare orde te herstellen. Deze verstrekkende
                    bevoegdheid zal in de praktijk dan ook niet eerder toegepast worden dan na
                    overleg met de korpschef van de regiopolitie en de hoofdofficier van
                    justitie(driehoeksoverleg). </al><al/><al>Overeenkomstig artikel 154a, zevende lid, mag de ophouding niet langer duren dan
                    de tijd die nodig is ter voorkoming van voortzetting of herhaling van de
                    niet-naleving, met een maximum van 12 uren. In dat kader is het van belang dat
                    de burgemeester met enige regelmaat toetst of de bestuurlijke ophouding nog
                    noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al/><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>vervoermiddelen te onderzoeken; </al></li><li nr="-"><al>een ieders kleding te onderzoeken; </al></li><li nr="-"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend.
                        </al></li></lijst><al/><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:</al><al/><lijst><li nr="-"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan; </al></li><li nr="-"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy); </al></li><li nr="-"><al>subsidiariteit en proportionaliteit; </al></li><li nr="-"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid. </al></li></lijst><al>In artikel 151b van de Gemeentewet de bijbehorende toelichting worden
                    voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al/><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de
                    burgemeester de bevoegdheid verleend tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats in het belang
                    van de handhaving van de openbare orde. </al><al/><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al/><al><cursief>Openbare plaats </cursief></al><al>De invulling van het begrip openbare plaats uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet openbare manifestaties (Wom). Op
                    grond van die wet omvat het begrip openbare plaats, zeer in het algemeen, de
                    plaatsen "waar men komt en gaat". In eerste instantie gaat het hierbij om "de
                    straat" of "de weg" in de ruime zin des woords, ofwel de wegen die voor eenieder
                    vrij toegankelijk zijn. Maar het begrip omvat nog een aantal andere plaatsen die
                    een met de weg vergelijkbare functie vervullen en daarom als het "verlengde" van
                    de weg kunnen worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis staan als voorbeelden
                    vermeld: openbare plantsoenen, speelweiden, parken en de voor eenieder vrij
                    toegankelijke gedeelten van overdekte passages, winkelgalerijen, stationshallen
                    en vliegvelden.</al><al/><al>In artikel 2 is gedefinieerd wanneer sprake is van een openbare plaats (zie
                    toelichting artikel 2:3 betogingen).</al><al/><al>In de Wom zijn kerken en andere gebouwen, die door de rechthebbende zijn bestemd
                    voor de belijdenis van een geloofsovertuiging, uitgesloten van het begrip
                    openbare plaats. Dit betekent dat het ook krachtens artikel 151c Gemeentewet
                    niet is toegestaan toezichtcamera’s te plaatsen in kerken, moskeeën en
                    dergelijke. Evenmin is het toegestaan om, in het kader van dit artikel,
                    toezichtcamera’s te richten op de ingang van dergelijke gebouwen. Indien echter
                    beelden worden gemaakt van een openbare plaats (een straat of plein) waaraan
                    bijvoorbeeld een kerk is gelegen, is het wel toegestaan dat het exterieur van
                    die kerk in beeld komt.</al><al/><al><cursief>Particulier eigendom </cursief></al><al>Bepaalde openbare plaatsen zijn in particulier eigendom. Voorbeelden hiervan
                    zijn de vrijelijk voor publiek toegankelijke gedeelten van stationsterreinen,
                    stationshallen en sommige winkelpassages. De onderhavige regeling geldt indien
                    gemeenten in het desbetreffende gebied cameratoezicht willen toepassen in het
                    belang van de handhaving van de openbare orde.</al><al/><al>Gemeenten kunnen bij openbare plaatsen die in particulier eigendom zijn, zoals
                    bedrijfsterreinen, voor de handhaving van de openbare orde gebruik maken van
                    particuliere camera’s en/of het cameratoezicht samen met particulieren
                    uitvoeren. Deze samenwerking moet dan wel voldoen aan de voorwaarden uit artikel
                    151c Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Vaste camera’s </cursief></al><al>Artikel 151c lid 1 Gemeentewet heeft betrekking op het langdurig plaatsen van
                    vaste camera’s op openbare plaatsen voor de handhaving van de openbare orde. Met
                    het begrip vast (statisch) wordt bedoeld dat de camera’s nagelvast zijn
                    bevestigd. Dit bevestigen gebeurt veelal door montage aan de gevels of dakranden
                    van gebouwen of op daarvoor geplaatste palen. Met het begrip vast (statisch)
                    wordt niet bedoeld dat camera’s een vast ingekaderd beeld weergegeven. Het
                    gebruik van de camera’s kan dynamisch zijn, dat wil zeggen dat de observatiehoek
                    en de grote van de observatiehoek op afstand kan worden ingesteld (pendelen/in-
                    en uitzoomen). Evenmin is er een beperking voor interactieve toepassingen, zoals
                    het gebruik van noodknoppen en de mogelijkheid om vanuit de centrale burgers op
                    hun gedrag toe te spreken.</al><al/><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend
                    op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door
                    de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig
                    en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige
                    ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding
                    bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van
                    de Politiewet 1993.</al><al/><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit </cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al/><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1
                    Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. </al><al/><al>Na het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken
                    noodzaak, worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing
                    te koppelen aan een evaluatie.</al><al/><al><cursief>Kenbaarheid </cursief></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al/><al>In artikel 441b van het Wetboek van Strafrecht is de niet-kenbare toepassing van
                    cameratoezicht op voor het publiek toegankelijke plaatsen strafbaar gesteld. De
                    straf kan een hechtenis van ten hoogste twee maanden inhouden of een geldboete
                    van € 4.500.</al><al/><al><vet>Artikel 2:78 gebiedsontzeggingen</vet></al><al/><al>Met een gebiedsontzegging in de APV kan de burgemeester op treden tegen personen
                    die overlast veroorzaken in de openbare ruimte. De gebiedsontzegging was in
                    eerste instantie bedoeld voor gebruik bij overlast veroorzaakt door drugshandel
                    en drugsgebruik. Maar het instrument kan ook worden toegepast bij andere vormen
                    van overlast. Bijvoorbeeld wanneer de overlast wordt veroorzaakt door
                    samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging, etc. Om
                    onveiligheidsgevoelens en overlast te verminderen, kan dit instrument worden
                    toegepast.</al><al/><al>Toepassing van de gebiedsontzegging moet aan een aantal voorwaarden
                    voldoen:</al><al>- Er moet zijn voldaan aan het situatievereiste, dat wil zeggen dat sprake moet
                    zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde
                    kunnen nopen.</al><al>- Er moet ook zijn voldaan aan het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht
                    op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast, en/
                    of het beperken van de gevolgen daarvan.</al><al>- Het toepassen van de bevoegdheid kan alleen ten tijde van een (dreigende)
                    ordeverstoring. Nadien - bij het terugkeren van de normale situatie - is sprake
                    van oneigenlijk gebruik van de bevoegdheid.</al><al>- Met de maatregel moet de (dreigende) verstoring van de openbare orde - direct
                    worden bestreden. Overigens hanteert de jurisprudentie deze voorwaarde niet
                    altijd even strikt.</al><al>- De duur van de concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie
                    dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. De duur van de maatregel kan daarom
                    niet onevenredig lang zijn.</al><al>- Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke
                    voorschriften tenzij die maatregel gegrond is op een bevoegdheid die daartoe
                    ruimte biedt.</al><al>- De maatregel moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit (er is geen minder
                    zwaar middel voor handen) en proportionaliteit (het bevel moet in verhouding
                    staan tot de bestrijden problematiek c.q. het te bereiken doel).</al><al>- Bij opname van het gebiedsverbod in de APV kan de burgemeester het
                    gebiedsverbod niet baseren op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Eerste tot en met derde lid </cursief></al><al>Deze bepalingen geven voor een deel invulling aan de voorwaarden waaraan een
                    gebiedsontzegging moet voldoen. De bepalingen kennen een getrapte opbouw,
                    waarbij eerst wordt gekozen voor een kortdurende gebiedsontzegging van maximaal
                    48 uur. Indien binnen zes maanden, derhalve na een waarschuwing en een korte
                    durende gebiedsontzegging, dezelfde persoon opnieuw strafbare feiten of
                    ordeverstorende handelingen verricht die tot het opleggen van een
                    gebiedsontzegging noodzaken (recidive), kan de burgemeester een zwaardere
                    maatregel nemen. In dat geval kan de burgemeester een langdurende
                    gebiedsontzegging van maximaal twaalf weken opleggen. In de rechtspraak is een
                    termijn van twaalf weken aanvaardbaar geacht. </al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Op grond van het vierde lid dient de burgemeester bij het opleggen van een
                    gebiedsontzegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de
                    betrokkene. Zo zal, bijzondere omstandigheden daargelaten, geen (langdurige)
                    gebiedsontzegging kunnen worden opgelegd voor het gebied waarin de betrokkene
                    woonachtig of werkzaam is. Indien de betrokkene aannemelijk maakt dat hij een
                    zwaarwegend belang heeft zich in het gebied op te houden, kan de burgemeester
                    daarvoor tijdelijk een ontheffing verlenen.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                    E.D.</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al/><al><cursief>Verordenende bevoegdheid van gemeenten </cursief>Volgens artikel 273f
                    van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van prostitutie niet langer in
                    algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de
                    vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen
                    nadere formele wetgeving vastgesteld. De enige manier om de exploitatie van
                    prostitutie te reguleren is dus via de APV. De gemeentelijke bevoegdheid om bij
                    verordening regels te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek
                    aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter
                    uitvoering daarvan bij (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel
                    autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter
                    regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel
                    108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk
                    beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als
                    gemeentelijke belangen.</al><al/><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al/><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze
                    vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag -
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter “regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding”: in het belang van de
                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al/><al><cursief>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing </cursief></al><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                    verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de
                    vorm van geboden of verboden.</al><al/><al>De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wenst te
                    volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte heeft op (exploitatie van)
                    prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten bij
                    (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften in acht worden genomen
                    die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere
                    voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder
                    meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente
                    de regels “eenmalig” heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van
                    toezicht op de naleving daarvan.</al><al/><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                    behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                    oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                    vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van)
                    prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande
                    toestemming van de gemeente vereist.</al><al/><al>Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de
                    verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een
                    vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op
                    zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht
                    dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval
                    niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming
                    (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren
                    activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk
                    wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien bijzondere
                    omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden. Verboden is in
                    dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze van uitzondering
                    toestemming (ontheffing) kan worden verleend.</al><al/><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag,
                    dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare
                    activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van
                    onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale
                    prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten op het reguleren
                    van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur.</al><al/><al><cursief>Vormen van (exploitatie van) prostitutie </cursief></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in
                    dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed
                    van de exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de
                    “huisregels” voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van
                    verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om onveilig
                    seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt de hoogte van
                    de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het aantal
                    klanten.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van “ramen”, en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf “de regels te bepalen”.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al/><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld
                    geen betoog, dat van “zichtbare” vormen (straat- en raamprostitutie) een veel
                    sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of
                    escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer
                    zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook
                    in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot
                    uitdrukking zal komen.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders </cursief></al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van deze APV en
                    in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb).</al><al/><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                    daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle
                    het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen
                    als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning
                    kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als
                    toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor
                    adequate controle noodzakelijk zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee(onder a en b) </cursief>Deze omschrijving van
                    het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in artikel 273f, eerste
                    lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere taalkundige redenen zijn de
                    termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in
                    deze definitie vervangen door respectievelijk “ander” en “vergoeding”.</al><al/><al><cursief>Seksinrichting (onder c) </cursief>Het begrip seksinrichting is het
                    centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende
                    varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene
                    omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse
                    rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb
                    Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd).
                    “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige
                    wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een
                    zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als
                    bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al/><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al/><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al/><al><cursief>Escortbedrijf (onder d) </cursief>Een escortbedrijf is een bedrijf dat
                    - meestal telefonisch - bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee
                    bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf
                    is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale,
                    een mobiele telefoon of een website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte
                    is bepalend voor de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief
                    aan door middel van advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er
                    ook sprake zijn van een combinatie van een seksinrichting en een
                    escortservice.</al><al/><al><cursief>Sekswinkel (onder e) </cursief>De omschrijving van het begrip
                    “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet. Ook in deze begripsomschrijving
                    is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van goederen in casu van
                    erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die aanduiding zouden
                    immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden aangemerkt.</al><al/><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in
                    artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al/><al><cursief>Bezoeker (onder h) </cursief>Het behoeft geen betoog dat, tegen de
                    achtergrond van de bij of krachtens de artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde
                    sluitingsuren, niet alle in de inrichting aanwezige personen als “bezoeker”
                    moeten worden aangemerkt.</al><al/><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al/><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al/><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en
                    is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</al><al/><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al/><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn
                    bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan
                    af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van
                    de burgemeester zelf of van het college is.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting
                    hoofdstuk 3 onder 2, is er hier voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen
                    en escortbedrijven te reguleren door middel van de vergunningfiguur. Uit het
                    eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht voort. Het
                    wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het
                    wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige aard, het aantal
                    exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of meerdere
                    exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt met de
                    feitelijke situatie.</al><al/><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen,
                    indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle,
                    of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met
                    vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in
                    daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige
                    verboden. Zo’n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare
                    orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid of de bescherming van het
                    milieu (Europese Dienstenrichtlijn) : het concentreren van seksinrichtingen in
                    bepaalde gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende
                    intensiteit toezicht te kunnen uitoefenen. Behalve ten aanzien van
                    seksinrichtingen in het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook
                    worden gevoerd ten aanzien van een of meer vormen daarvan.</al><al/><al>Als grondslag voor een (algemeen) concentratiebeleid, zou artikel 3.2.1 als
                    volgt kunnen luiden:</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 </cursief>In het kader van de
                    Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een
                    verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening
                    wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting
                    om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de
                    Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie
                    voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen onder
                    de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>De ruime strekking van de in het eerste lid
                    genoemde vergunningplicht laat vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd
                    bestuursorgaan zich aan de hand van een ingediende vergunningaanvraag een
                    oordeel moet (kunnen) vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit
                    betrokken belangen (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en inontvangstneming van
                    een aanvraag staan dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle
                    kennis over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een
                    zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                    Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                    invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. Denkbaar is dat het
                    bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een prostitutiebedrijf
                    toelaatbaar acht maar ter voorkoming van verkeersoverlast, een
                    raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte mate. In dat geval moet het
                    bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling van de aanvraag van bewust
                    (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning het voorschrift dient te worden
                    verbonden dat het ter plaatse te exploiteren prostitutiebedrijf niet van
                    zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk slechts van een bepaald aantal
                    vitrines mag zijn voorzien. Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en
                    beheerd is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn
                    en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel
                    3:5. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar.
                    Dit blijkt uit artikel 1:5.</al><al/><al>Blijkens artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het niet-overleggen van de in
                    het tweede lid genoemde gegevens voor het bevoegd bestuursorgaan aanleiding zijn
                    om - mits gelegenheid tot aanvulling is geboden - de aanvraag niet te
                    behandelen. Het kan van meer gegevens wenselijk zijn om ze te kunnen hanteren
                    als behandelingsvereiste als hier bedoeld; daartoe kan het tweede lid worden
                    uitgebreid. </al><al/><al>Ook kan - door het bevoegd bestuursorgaan - een nadere regel (als bedoeld in
                    artikel 3:3) worden vastgesteld. Overwogen kan worden om, al dan niet per type
                    seksinrichting, een aanvraagformulier vast te stellen als bedoeld in artikel 4:4
                    van de Awb.</al><al/><al>De Lex Silencio Positivo is hier niet van toepassing. Motivatie: Er zijn
                    dwingende redenen van algemeen belang (art. 40 Dienstenrichtlijn.) om van
                    invoering van rechtswege bij vergunningverlening voor seksinrichtingen af te
                    zien. Er is sprake van een maatschappelijk risico. Derden belangen dienen
                    gewaarborgd te blijven, in die zin dat over inhoudelijke argumenten en
                    voorwaarden geprocedeerd moet kunnen worden. Voorts dient ter voorkoming van
                    criminaliteit, ter bescherming van de openbare orde en ter bescherming van de
                    openbare gezondheid het benodigde vooronderzoek plaats te vinden en dienen er
                    bij vergunningverlening voorwaarden opgesteld te kunnen worden. </al><al>Het advies van de VNG werkgroep wordt hiermee opgevolgd. </al><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al/><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al/><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens)</al><al/><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en
                    mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de
                    opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de
                    mensenhandel.</al><al/><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</al><al/><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling
                    is gegrond op artikel 149 van de Gemeentewet. De raad kan verplichte
                    sluitingstijden voor openbare (waaronder seks)inrichtingen vaststellen ter
                    bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of
                    de bescherming van het milieu. Deze bevoegdheid houdt evenzeer in dat een
                    afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag. Sommigen
                    concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet dat de gemeenteraad niet bevoegd is
                    een speciaal voor de zondag geldende sluitingsregeling vast te stellen. Volgens
                    HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad echter niet om voor de
                    zondag een afwijkende regeling te treffen voor het sluitingsuur van openbare
                    inrichtingen als deze, mits de grond voor de afwijking van de voor de andere
                    dagen geldende regeling niet is gelegen in het bijzondere karakter van de
                    zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de
                    gemeentelijke wetgever te beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van
                    verstoring van de openbare orde voorzieningen te treffen.</al><al/><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen
                    werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of
                    geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de vorm
                    van een nadere regel als bedoeld in artikel 3:3 - voor verschillende typen
                    seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden
                    vastgesteld.</al><al/><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het bevoegd orgaan kan door middel van een
                    voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 voor een of meer afzonderlijke
                    seksinrichtingen andere sluitingstijden vaststellen. Volgens het tweede lid kan
                    daartoe een voorschrift worden verbonden aan de vergunning die aan de exploitant
                    van </al><al>de betrokken inrichting(en) zal worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is
                    er een als bedoeld in artikel 1.4 en moet mitsdien strekken ter bescherming van
                    het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al/><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en
                    tweede lid, richt het derde lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting.
                    Indien een bezoeker met toestemming van de exploitant of beheerder in de
                    inrichting aanwezig is gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn,
                    handelt hij in strijd met het derde lid. Indien een bezoeker echter zonder
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is en zich
                    niet op diens eerste vordering verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138
                    van het Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat
                    aan het opnemen van het derde lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de
                    bescherming van de aan de eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel
                    3:6 strekt tot handhaving van een publiekrechtelijke regeling.</al><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens
                    welke bepaling kan worden voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het
                    “reguliere” sluitingstijdenregime is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om
                    daarvan al dan niet tijdelijk af te wijken. Volgens het eerste lid kan die
                    afwijking inhouden dat:</al><al>- voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere sluitingstijden
                    worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6 gestelde; of </al><al>- van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                    gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. </al><al/><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3.2.3, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al/><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al/><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven
                    sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een
                    opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het
                    aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief)
                    bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een
                    klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                    daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al/><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op
                    de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                    toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel
                    onder a als b), richt zich doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de
                    betrokken exploitant(en) - en moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig
                    artikel 3:41 van de Awb.</al><al/><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Om effectiever te kunnen op treden tegen
                    schijnbeheer, is in het eerste lid niet slechts een gebod (een verplichting tot
                    aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of
                    beheerder is van belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht,
                    zoals verwoord in het tweede lid.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de
                    beheerder(s) een algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter
                    handhaving van de orde in de inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval,
                    maar niet uitsluitend, moeten richten op het voorkomen en tegengaan van
                    onvrijwillige prostitutie, prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs-
                    of wapenhandel, heling, geweldsdelicten en dergelijke.</al><al/><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al/><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan
                    tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of
                    een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin
                    bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan
                    strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet
                    slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                    inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                    verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht
                    dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht
                    bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder
                    verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid
                    geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt
                    bijgehouden.</al><al/><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                    expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                    exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                    toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang
                    moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of
                    verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig
                    zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een
                    (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief>De wetswijziging tot opheffing van het
                    bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij
                    uitstek een vorm van prostitutie die nadere regulering behoeft. Dat is de
                    laatste jaren gebleken, doordat in verschillende gemeenten - vanuit een oogpunt
                    van handhaving met wisselend succes - zogenaamde gedoogzones zijn aangewezen.
                    Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding” (genoemd in artikel 3:13)
                    ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook ten aanzien van
                    straatprostitutie.</al><al/><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden
                    met de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand van de
                    omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van
                    een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de
                    woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of
                    juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de
                    openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken).</al><al/><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter worden dat
                    het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening betreft. Vooralsnog
                    dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet
                    wordt getippeld, dit in het belang van de openbare ook moeten kunnen voorkomen.
                    In dat geval zou voor dit artikel volstaan kunnen worden met de aanhef van lid 1
                    en het bepaalde in lid 2. In beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo
                    goed mogelijk te worden onderbouwd.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het tweede lid heeft betrekking op
                    straatprostitutie buiten de daartoe aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter
                    handhaving van het verbod daarop - politieambtenaren de bevoegdheid een bevel
                    tot onmiddellijke verwijdering te geven. De plicht om aan zo’n bevel
                    onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>Het derde en vierde lid hebben betrekking op
                    straatprostitutie binnen de daartoe aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het
                    in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld in het belang van de openbare orde en
                    veiligheid of de voorkoming of beperking van overlast ter plaatse, door
                    politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke verwijdering worden gegeven aan
                    prostituees, maar ook aan andere aldaar aanwezige personen. De plicht om aan
                    zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit artikel 184 van het
                    Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op niet-naleving.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief>Als het mondeling bevel tot verwijdering als
                    bedoeld in lid 3 geen soelaas blijkt te bieden, kan naar het middel van de
                    schriftelijke verblijfsontzegging in het vierde lid worden gegrepen. Een
                    verblijfsontzegging behelst een verbod om zich na aanzegging door of vanwege de
                    burgemeester te bevinden - in casu - op de wegen en gedurende de tijden als
                    bedoeld in het eerste lid, voorzover in de aanzegging genoemd. Uit een
                    verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van de bewegingsvrijheid voort,
                    zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel 12 van het Internationaal
                    Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Deze moet daarom
                    met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden opgelegd. De maatregel moet
                    noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in verhouding tot de veroorzaakte
                    ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel, dat
                    erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend middel zou kunnen worden
                    volstaan. Uit de jurisprudentie over verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter
                    de volgende factoren in zijn toetsing betrekt: staat de mate van overlast in
                    verhouding tot de omvang van de maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)?
                    Zijn er op dit verbod individuele uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt
                    het verbod? De beantwoording van deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde
                    lid heeft betrekking op de eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod
                    die in het concrete geval moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of
                    werkadres heeft in het desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het
                    verbod te worden uitgezonderd.</al><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al/><al>Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven)
                    echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. In dat geval kan
                    worden overwogen artikel 3;10 op te nemen, op grond waarvan gebieden of delen
                    van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de
                    openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te
                    (doen) exploiteren. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan
                    onderdeel e in artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van
                    afdeling 2 “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al/><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al/><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><al>a. aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving in gevaar wordt gebracht; </al><al>b. (algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij het
                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en dergelijke
                    als hier bedoeld. </al><al/><al>Zowel “bekendmaking” als bedoeld onder a, als de vaststelling van “regels” als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo’n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</vet></al><al/><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven
                    binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij
                    gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in
                    casu artikel 1:2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan
                    op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen acht weken na
                    de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden
                    verdaagd (tweede lid).</al><al/><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                    exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Indien een langere
                    beslissingstermijn dan de in artikel 1:2 genoemde wenselijk wordt geacht, kan
                    daartoe artikel 3:12 worden opgenomen (vanzelfsprekend is de daarin genoemde
                    termijn van twaalf weken indicatief).</al><al/><al>In dat geval dient tevens het derde lid van artikel 1:2 als volgt te worden
                    gewijzigd !:</al><al><cursief>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                        beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste
                        lid. </cursief></al><al/><al>De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1:2 of artikel 3:12) is een
                    termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te
                    beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve
                    weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel
                    6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel 3:12 ligt daarom in de rede
                    indien moet worden aangenomen dat de in artikel 1:2 genoemde beslissingstermijn
                    niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al/><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de “huishouding”, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><al>- bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden vastgesteld
                    (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen); - nadere regels kunnen worden
                    vastgesteld (als bedoeld in artikel 3:3); - beleidsregels kunnen worden
                    vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb); - vergunning kan worden
                    verleend, onder vergunningsvoorschriften en beperkingen (als bedoeld in artikel
                    1:4); - de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in
                    artikel 1:6) of - vergunning kan worden geweigerd. </al><al/><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</al><al/><al>Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de vergunning
                    te voorkomen, adviseren wij een vergunningsvoorschrift op te nemen dat niet mag
                    worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder a: levensgedrag </cursief>Zie voor toelichting hierop
                    de toelichting onder artikel 3:5.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan </cursief>Net zoals in de praktijk
                    van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3, zal ook hier regelmatig
                    voor kunnen komen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in
                    het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan vestiging van een
                    seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet toelaat. Het is in dat geval
                    lastig en onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar tegelijkertijd moet
                    worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan worden gemaakt.</al><al/><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165 ,
                    is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                    planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid met zich mee dat
                    de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar
                    dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende
                    bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal </cursief>Deze
                    weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker voorkomende
                    weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de openbare orde.
                    Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van politierapportages, dat de
                    voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f is vergunningverlening
                    uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant prostituees onder dwang
                    arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo dient ter bescherming
                    van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de exploitant prostituees
                    zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel inzet. Verwezen
                    wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb Rotterdam van 5-09-1997, JG
                    97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn terecht twee
                    horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen ingetrokken
                    wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een aantasting van de
                    openbare orde.</al><al/><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of
                    het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                    weigeren.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder a: openbare orde </cursief>De bescherming van de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het
                    aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum
                    te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning
                    voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de openbare
                    orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf verder wordt
                    verstoord.</al><al/><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB
                    1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf
                    aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in
                    de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een
                    “boventallige” vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat
                    de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Om in dat geval
                    voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden volstaan met
                    het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is bereikt maar moet
                    ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van bijzondere
                    omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat beleid - toch
                    vergunning te verlenen.</al><al/><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                    horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                    aanvaard. Bij de toepassing van zo’n beleid kan een prostitutienota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                    gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                    welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook een
                    bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het karakter van
                    een bepaalde straat of wijk blijkt.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving </cursief>Het belang van de
                    openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw met elkaar verweven.
                    Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend aan het belang van de
                    openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd als met name gericht
                    op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde delen van de
                    gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een maximumbeleid en een
                    concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in combinatie toegepast. De
                    exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan op plaatsen waar de
                    woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou worden beïnvloed.
                    Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in woonbuurten of in de
                    nabije omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (schoolgebouwen, kerkgebouwen e.d.).
                    Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaats gehad, kan op een aanvraag om
                    vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een aangewezen gebied
                    afwijzend worden beslist in het belang van het woon- en leefklimaat ter
                    plaatse.</al><al/><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en
                    leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met de vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs,
                    bordelen en dergelijke.</al><al/><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens
                    betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het
                    maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of goederen </cursief>Bij de
                    exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot belang
                    de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die
                    zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><al>- is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van
                    de inrichting zelf; en </al><al>- biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover het
                    gaat om het gebruik van de inrichting. </al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of –veiligheid </cursief>Het
                    belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al/><al><cursief>Tweede lid onder f: gezondheid </cursief>Tot de belangen die deel
                    uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook dat van de
                    (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende instantie
                    de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de ontwikkeling en
                    uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt gewezen op de Wet
                    collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300) en meer in het
                    bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid (Stb. 1992, 569).
                    Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op voor de uitvoering
                    van collectieve preventie van onder meer seksueel overdraagbare aandoeningen
                    (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de opheffing van het
                    bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee, waaronder tevens
                    begrepen de gezondheidssituatie, als een van de hoofddoelstellingen bestempeld.
                    Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door de GGD, om een actief
                    volksgezondheidsbeleid te voeren.</al><al/><al>Doelstelling van zo’n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen van
                    voorlichting over besmettingsrisico’s en seksueel veilig gedrag aan prostituees,
                    prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de belangrijkste
                    verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa. Ook kan het
                    beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten te (doen)
                    verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan toegankelijke
                    gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en prostituanten zich tegen een
                    beperkte vergoeding en op professionele wijze kunnen laten onderzoeken op de
                    aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn weerslag vinden in specifieke
                    vergunningvoorschriften. Daarbij valt te denken aan de verplichting voor de
                    exploitant om een “veilig seks beleid” te voeren (dat wil zeggen dat ze geen
                    onveilige seks mogen aanbieden en veilige seks moeten faciliteren) en
                    prostituees in de gelegenheid moeten stellen zich regelmatig op soa te laten
                    onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden opgenomen dat de exploitant
                    verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot de inrichting ten behoeve van de
                    voorlichting van prostituees. Als GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen
                    als toezichthouders is een dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende
                    zijde is echter opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich
                    moeilijk verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift
                    waar in het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                    worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie.</al><al/><al>Waar het gaat om de preventie van soa’s wordt wel eens gedacht over het
                    verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                    Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle mogelijk
                    is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich uitbreidt en
                    dat een toenemende groep, met name seropositieve of drugsgebruikende,
                    prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en medische zorg.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder f: zedelijkheid </cursief>Voor wat betreft de
                    bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat gemeenten hierbij
                    geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de formele wetgever
                    strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239, 240, 240a en 240b
                    van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende bevoegdheid die
                    gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen echter ongemoeid
                    gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve actueel.</al><al/><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief
                    zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans
                    niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het
                    zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor
                    bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden </cursief>Volgens de MvT
                    betreft de bescherming en verbetering van de positie van de prostituee, die als
                    gezegd één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging is, onder meer de
                    arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing van het algemeen
                    bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94) van toepassing op
                    delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van een
                    arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><al/><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                    arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht kwam
                    het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen prostituee en
                    exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke overeenkomst in
                    strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu artikel 250bis zich
                    richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon worden geacht. Met de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze discussie aan belang
                    verloren.</al><al/><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet worden
                    aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de prostituee
                    en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de regelgevende bevoegdheid)
                    van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT stelt ook de wetgever zich op
                    het standpunt dat “de centrale noch de lokale overheid het tot haar taak dient
                    te rekenen om binnen de grenzen van vrijheid en zelfbepaling nadere regels te
                    stellen over de rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee.</al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al><cursief>Eerste en tweede lid </cursief>Dit artikel voorziet in de omstandigheid
                    dat de exploitant zijn bedrijf heeft beëindigd of heeft overgedaan aan een
                    rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt tevens verstaan wijziging van de naam
                    van de exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. Een nieuwe
                    vergunning moet dan worden aangevraagd. In het eerste lid is bepaald dat de
                    vergunning bij feitelijke beëindiging van de exploitatie van rechtswege komt te
                    vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij een actueel overzicht
                    te kunnen hebben van de in de gemeente actieve exploitanten; in verband daarmee
                    is in het tweede lid bepaald, dat binnen een week na de feitelijke beëindiging
                    van de exploitatie daarvan moet worden kennisgegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij
                    eveneens een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente actieve
                    beheerders; in verband daarmee is in het eerste lid bepaald dat, indien een of
                    meer beheerders van een inrichting hun werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd,
                    de exploitant daarvan binnen een week na die feitelijke beëindiging moet
                    kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek
                    van een beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning:
                    denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting in handen is van meer
                    personen of dat het beheer in handen komt van de exploitant zelf.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de
                    vertrokken beheerder(s) wenst te laten innemen door een of meer andere personen.
                    Het tweede lid verlangt in dat geval dat de exploitant het bevoegd
                    bestuursorgaan verzoekt om, zoals is voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid,
                    onder b, de nieuwe beheerder(s) te vermelden in de aan hem verleende vergunning.
                    Daarbij dient ten aanzien van de nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek
                    plaats te vinden.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al
                    aan de slag kan vanaf het moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is
                    enerzijds gewaarborgd dat er voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam
                    kunnen zijn. Dit zou immers het aantonen van schijnbeheer aanzienlijk
                    bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee tegemoet gekomen aan in de praktijk
                    noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van beheer zal immers nog vaker aan de
                    orde zijn dan de wijziging van de exploitatie.</al><al/><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al><al/><al>Als na de inventarisatie van de lokale situatie, die vooraf gaat aan de
                    beleidsformulering, blijkt dat er in de gemeente geen seksinrichtingen zijn
                    gevestigd, bestaat er uiteraard geen noodzaak om overgangsrecht te
                    formuleren.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Met het in hoofdstuk 3 opgenomen vergunningstelsel
                    wordt een nieuw rechtsregime van toepassing, onder meer op bestaande
                    inrichtingen. Vanuit een oogpunt van behoorlijk bestuur dient exploitanten van
                    deze inrichtingen een redelijke termijn te worden gegund om de benodigde
                    vergunning aan te vragen. In het eerste lid, onder a, moet worden vermeld wat
                    daarvoor, mede gelet op de plaatselijke omstandigheden, als redelijke termijn
                    moet worden beschouwd. Indien de exploitant de vergunningaanvraag binnen deze
                    termijn heeft ingediend, mag hij de inrichting zonder vergunning exploiteren
                    zolang op zijn aanvraag niet is beslist (eerste lid, onder b).</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het is echter onwenselijk dat de exploitant
                    gedurende deze termijn zijn bedrijfsvoering geheel naar eigen inzicht gestalte
                    zou kunnen geven. Denkbaar is namelijk dat, hangende het besluit over de
                    vergunningaanvraag, het bevoegd bestuursorgaan kennis krijgt van
                    excesomstandigheden in de inrichting die met het oog op een verantwoorde
                    exploitatie onmiddellijk zouden moeten worden beëindigd; een dergelijke
                    omstandigheid kan bijvoorbeeld zijn dat nooduitgangen geblokkeerd of onbruikbaar
                    zijn, waardoor de veiligheid van in de inrichting aanwezige personen acuut in
                    het geding is. Met het oog op het tegengaan van dergelijke situaties is in het
                    tweede lid bepaald, dat het bevoegd bestuursorgaan de exploitant kan
                    aanschrijven tot het treffen van in de aanschrijving te noemen
                    voorzieningen.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                        HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al><vet>AFDELING 1: GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Inrichtingen</cursief></al><al/><al><cursief>Besluit </cursief>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene
                    regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit
                    besluit vervangt een groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een
                    van die AMvB’s is het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer. Voor de inwerkingtreding van het nieuwe Besluit werd in de APV
                    voor festiviteiten met het begrip “Besluit” verwezen naar het Besluit horeca-,
                    sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer en werd voor diverse begrippen
                    (bijvoorbeeld het begrip inrichting) aangesloten bij dit besluit. Het Besluit
                    geeft, evenals het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer, gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een
                    gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-,
                    trillings- en lichthinder.</al><al/><al>Er zijn ook diverse inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oude besluit.
                    Met de inwerkingtreding van het Besluit wordt het aantal branches en bedrijven
                    dat gebruik kan maken van de regelingen voor collectieve en individuele
                    festiviteiten vergroot. Zo vallen (niet-agrarische) inrichtingen die voorheen
                    onder een van de elf andere AMvB’s vielen nu ook onder het nieuwe besluit. Het
                    gaat om besluiten als bijvoorbeeld Besluit opslag- en transportbedrijven,
                    Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven, Besluit bouw- en houtbedrijven en
                    Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen. Ook diverse soorten inrichtingen die
                    voorheen vergunningplichtig waren, zoals metaalelectrobedrijven, vallen nu onder
                    het Besluit.</al><al/><al>Een tweede belangrijke wijziging is dat het Besluit de mogelijkheid biedt om in
                    de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter
                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al/><al><cursief>Inrichting </cursief>Op grond van de Wet milieubeheer moeten
                    inrichtingen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over
                    een milieuvergunning beschikken, of voldoen aan een algemene maatregel van
                    bestuur (AMvB), welke artikelen met betrekking tot de bescherming van het milieu
                    bevat.</al><al/><al>Een inrichting is volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer “elke
                    door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht.” In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wm zijn de
                    categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen veroorzaken
                    voor het milieu. Deze inrichtingen waren tot 1 januari 2008 in principe
                    vergunningplichtig volgens de Wm. Het uitgangspunt van de Wm was dat een
                    inrichting een milieuvergunning diende te hebben tenzij de inrichting onder een
                    AMvB op basis van artikel 8.40 Wm viel. Met de inwerkingtreding van het Besluit
                    is dit omgedraaid. Een inrichting valt onder het Besluit tenzij de
                    bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval blijft een
                    inrichting vergunningplichtig.</al><al/><al>In het Besluit wordt gesproken over drie typen inrichtingen. Dit zijn:</al><al>- Type A-inrichtingen, deze vallen onder het lichte regime en hoeven geen
                    melding te doen op basis van het Besluit. Ze moeten wel voldoen aan de
                    inrichtinggerelateerde voorschriften uit het Besluit. Type A-inrichtingen zijn
                    bijvoorbeeld kantoren en schoolgebouwen. </al><al>- Type B-inrichtingen zijn bedrijven die tot nog toe onder de artikel
                    8.40-AMvB’s vielen en bedrijven uit onder andere de metaalelectro-industrie,
                    tandheelkundige laboratoria, zeefdrukkerijen en een deel van de afvalverwerkende
                    bedrijven en bedrijven die door versoepeling of het vervallen van de
                    uitsluitcriteria of het “in hoofdzaak”-criterium nu wel onder het Besluit
                    vallen. Type B-inrichtingen vallen geheel onder het Besluit en zijn
                    meldingsplichtig. </al><al>- Type C-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht blijft
                    gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken krijgen met de
                    voorschriften in hoofdstuk 3 van het Besluit. </al><al/><al>Voor deze afdeling van de APV zijn met name de bepalingen in de hoofdstukken 2
                    en 4 van het Besluit relevant. De type A- en type B-inrichtingen moeten voldoen
                    aan de in of bij het in hoofdstuk 2 van het Besluit gestelde voorschriften. Voor
                    sommige type B-inrichtingen is daarnaast ook artikel 4.148 (verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht) van belang.</al><al/><al>In het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer waren
                    de normen voor geluid- en trillingshinder dusdanig laag dat ze bij festiviteiten
                    met levende muziek veelal overtreden zouden worden. Vanwege de maatschappelijke
                    functie van de inrichtingen bood het besluit de mogelijkheid om ontheffing te
                    verlenen van deze voorschriften. In de andere AMvB’s was deze mogelijkheid niet
                    opgenomen. In het nieuwe Besluit wordt deze mogelijkheid voor festiviteiten ook
                    aan de andere inrichtingen geboden, bijvoorbeeld voor een personeelsfeest of een
                    open dag.</al><al/><al><cursief>Geluidsgevoelige gebouwen en terreinen </cursief>Voor deze
                    begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor (geluids)gevoelige
                    gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder. Het begrip
                    onversterkte muziek is niet eerder gedefinieerd.</al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al/><al>De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn
                    geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid
                    genoemde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit
                    artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit. Dit artikel van het Besluit
                    voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al/><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                    aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke
                    bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het
                    Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing
                    voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een
                    bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het
                    college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit
                    zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de
                    verordening zelf.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Volgens artikel 4.148, eerste lid, van het Besluit
                    moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en
                    07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud
                    wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden
                    bij collectieve festiviteiten staat in artikel 4.148, tweede lid, onder a, van
                    het Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die
                    buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen
                    maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is
                    een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. </al><al/><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve
                    wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande
                    toelichting bij het eerste lid.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>De gemeente kan rekening houden met de aard van het
                    gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De
                    gemeenteraad kan het grondgebied van de gemeente bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient
                    plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb
                    mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt
                    tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties. </al><al/><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen
                    collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. </al><al/><al><cursief>Zesde en zevende lid </cursief>Het Besluit biedt gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. Er is voor gekozen om
                    een aantal voorwaarden met betrekking tot geluidniveaus in de APV op te
                    nemen.</al><al/><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het Besluit
                    hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke verordening aan
                    te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen gelden niet bij
                    festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen produceren. Om de
                    omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van onversterkte muziek
                    bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek meegenomen in de
                    geluidsnorm.</al><al/><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al/><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                    (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al>De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn
                    geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal
                    incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening
                    staat in de artikelen 2.21 en 3.148 van het Besluit. Volgens artikel 2.21,
                    eerste lid, onderdeel b kan de gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of
                    dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele
                    festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een
                    incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal
                    inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek
                    bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een “vroege
                    vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal </al><al>dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar betreft. De raad heeft geen gebruik maakt van de bevoegdheid om, rekening
                    houdend met de plaatselijke omstandigheden,dit aantal te verlagen. </al><al/><al>De regeling geldt voor festiviteiten bij alle type A- en B-inrichtingen die
                    onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel,
                    kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op
                    deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet
                    geldt, zijn de type C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig
                    blijven of vallen onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Volgens artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit
                    moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht
                    tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt
                    beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel
                    3:148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen
                    buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik
                    willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi
                    of een “vroege vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen
                    waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of
                    dagdelen per jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit
                    maximum verwezen naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al/><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duister voor
                    de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al/><al><cursief>Zesde tot en met het tiende lid </cursief>Het Besluit biedt gemeenten
                    de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te
                    stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis voor deze bevoegdheid staat
                    in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b, van het Besluit. Voor de
                    algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij
                    festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt
                    kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, zesde
                    tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de
                    regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen
                    onder het Besluit.</al><al/><al>In het achtste en negende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te
                    produceren bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting.
                    Gebouwen hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het
                    buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
                    Daarbij geldt de regeling voor alle type A- en B-inrichtingen, wat met name een
                    belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de omgeving die op
                    verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor muziekgeluid op
                    buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij evenementen, kan dit
                    in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>De verschillende tijden en dB(A)’s die in dit artikel zijn opgenomen, zijn
                    geadviseerd door de Omgevingsdienst Midden-Holland.</al><al/><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f
                    en het vijfde lid van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. </al><al/><al>Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    Om de geluidsnormen van versterkte muziek gelijk te maken aan onversterkte
                    muziek is dit artikel opgenomen. </al><al/><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al/><al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel c zijn niet van
                    toepassing op;</al><al>a. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke
                    bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van
                    deze bijeenkomsten of plechtigheden; </al><al>b. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het
                    hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op
                    militaire inrichtingen; </al><al>c. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                    muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee
                    uren per week op militaire inrichtingen. </al><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder </vet></al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><al>- een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis,
                    een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; - het door middel van
                    luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen
                    doen; - het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; - het
                    gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; - het gebruik van
                    bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; - het
                    toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. - overige
                    handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. </al><al/><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al/><al>Bedacht moet worden bedacht dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens
                    een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond
                    hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren,
                    terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mede te werken.</al><al/><al><vet>AFDELING 2: BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al/><al>Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk
                    worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994
                    handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende
                    gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet.
                    Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking
                    op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde
                    aangeduide dagen en uren.</al><al/><al>Het effectueren van de onderhavige maatregel zal plaatselijk verschillend al dan
                    niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is
                    of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven
                    publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan
                    huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken
                    van eigen borden. Gebruikmaking van verkeersborden in de zin van bijlage II van
                    het RVV lijkt ons voor dit doel dubieus.</al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Artikel 4:8 wordt gebruikt tegen personen die hun natuurlijke behoefte doen
                    binnen de bebouwde kom op een openbare plaats. </al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een onderwerp dat voorheen in de bouwverordening was
                    geregeld. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk
                    maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV besloten. </al><al/><al><vet>AFDELING 3: HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</vet></al><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al><al>De begrippen spreken voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11 Kapvergunning</vet></al><al>In deze bepaling wordt het belangrijkste nieuwe element geïntroduceerd: de
                    bomenlijst.</al><al>Het college stelt de bomenlijst vast. Uitgangspunten van deze lijst zijn:</al><al>- de verantwoordelijkheid ligt bij de gemeenten zelf: d.w.z. voor het
                    inventariseren en actualiseren van het gemeentelijk bomenbestand en het
                    overnemen van de gemeentelijke monumentale bomen die vermeld staan op de
                    landelijke lijst van de Bomenstichting in Utrecht.</al><al>- Duidelijk en inzichtelijk voor de burgers; </al><al>- Zoveel mogelijk de te beschermen bomen verankeren in een bestemmingsplan, op
                    het renvooi van de plankaart of in een landschapsbeleidsplan of bomenplan.</al><al>- De bomenlijst als bijlage opnemen bij de bepalingen. </al><al/><al>De vergunning voor het vellen van houtopstanden is aangewezen in artikel 2.2,
                    eerste lid onder g. van de Wabo. Vaak zal naast de vergunning nog een
                    vergunning, ontheffing of vrijstelling op grond van de Natuurbeschermingswet of
                    de Flora- en Faunawet nodig zijn in verband met de bescherming van vogels en hun
                    nesten in de bomen. De Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet haken aan bij
                    de Wabo. Er wordt dan dus één omgevingsvergunning verleend of geweigerd. De
                    Boswet haakt echter niet aan bij de Wabo. Indien die van toepassing is, blijft
                    dus een aparte vergunning vereist.</al><al/><al>In de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor, Staatscourant 2010-5162) zijn
                    indieningsvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning opgenomen.
                    Naast een aantal algemene indieningsvereisten zijn er in artikel 7.5 van de Mor
                    nog een aantal speciale indieningsvereisten voor het vellen van houtopstanden
                    opgenomen. Dit artikel 7:5 luidt als volgt:</al><al>“1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit, als bedoeld in
                    artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de wet, identificeert de
                    aanvrager op de aanduiding als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van deze
                    regeling iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een
                    nummer.</al><al>2. In of bij de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, vermeldt de aanvrager
                    per genummerde houtopstand: a. de soort houtopstand; b. de locatie van de
                    houtopstand op het voor-, zij- dan wel achtererf; c. de diameter in centimeters,
                    gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; d. de mogelijkheid tot herbeplanten,
                    alsmede het eventuele voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot
                    herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.”</al><al/><al><vet>Artikel 4:12 vergunning van rechtswege</vet></al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>AFDELING 4: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al/><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al/><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al/><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het </al><al/><al>gebruik van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en
                    het parkeren van caravans e.d.</al><al/><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen </vet></al><al>Deze bepaling is vervallen.</al><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</vet></al><al/><al>Deze bepaling bevat een algemene regel die verbiedt om door middel van een
                    reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te
                    veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter is dat voor een reclame van
                    enige omvang of betekenis doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan
                    de welstand kan worden getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar
                    wordt gebracht of overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo
                    weinig voor dat het moeilijk valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een
                    vergunningplicht voor alle reclames in stand te houden.</al><al/><al>Op een vergunnings- en ontheffingsstelsel voor handelsreclame aan gebouwen is de
                    Wabo van toepassing. Omdat een zodanig stelsel in de model-APV geschrapt is, is
                    daarvoor geen regeling opgenomen.</al><al/><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder g, van de APV
                    als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                    beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het
                    artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met
                    de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de
                    grond zijn verenigd.</al><al/><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame </vet></al><al>Deze bepaling is vervallen.</al><al/><al><vet>AFDELING 5: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><al/><al>Uitgangspunt is dat als het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                    of voorbereidingsbesluit niet expliciet toestaat dat een bepaald terrein als
                    kampeerterrein mag worden gebruikt, het terrein niet structureel dan wel
                    incidenteel zal worden gebruikt als kampeerterrein. Dit algemene verbod is de
                    essentie van deze afdeling. Voor de gebieden die in het bestemmingsplan etc.
                    zijn aangewezen als kampeerterrein kunnen algemeen geldende voorschriften worden
                    opgesteld. Overtreding hiervan zal dan worden gesanctioneerd door het opleggen
                    van een dwangsom of het toepassen van bestuursdwang. De woorden ‘eigen gebruik’
                    zijn niet nader ingevuld, maar het eigen gebruik zal wel redelijk moeten zijn.
                    Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat burgers overlast ondervinden van een
                    structureel tentenkamp op het eigenterrein van een rechthebbende.</al><al/><al>Het college kan, op grond van het derde lid, ontheffing van het verbod verlenen.
                    De ontheffing kan geweigerd worden op grond van het bepaalde in artikel 1:8,
                    maar ook in het belang van de bescherming van een stadsgezicht of de bescherming
                    van natuur en landschap Of de bescherming van natuur en landschap dan wel het
                    stadsgezicht in het geding is, ligt ter beoordeling van het college.</al><al/><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>[ vervallen]</al><al><vet>Artikel 4:20 Vervoer van gevaarlijke stoffen</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zichzelf.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting afdeling 5.1 Parkeerexcessen</cursief></al><al><cursief>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</cursief> Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994). </al><al/><al> Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel van een amendement
                    een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd. Dit artikel luidt
                    als volgt:</al><al/><al> “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden hun bevoegdheid om bij
                    verordening regels vast te stellen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet
                    voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze
                    wet vastgestelde regels en voor zover verkeerstekens krachtens deze wet zich
                    daar niet toe lenen.” </al><al/><al> Hierbij werd met name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook
                    blijkt uit de toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve
                    aan dat gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen.
                    De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet. </al><al/><al><cursief>Begrip “parkeerexces”</cursief> In de wegenverkeerswetgeving wordt
                    nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot
                    taak heeft hieromtrent verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren
                    dienen te weten wat dit begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer
                    aan een voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip
                    “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven. Blijkens
                    de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren
                    op de weg worden begrepen, dus: </al><al>a. zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de verdeling
                    van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers, die gelegenheid om
                    te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan
                    worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke aanvulling). </al><al>b. In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                    parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat de aard
                    van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het aantal te parkeren
                    voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de
                    behoefte aan parkeerruimte van anderen; </al><al>c. alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om andere
                    motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde of veiligheid
                    en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, voorkoming van
                    uitzichtbelemmering en stankoverlast (oneigenlijke aanvulling).</al><al/><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel. </al><al/><al>Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van een parkeerexces ingeval het parkeren
                    op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente,
                    beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van personen.
                    Al deze vormen van excessief, hinderlijk en ontsierend gebruik van de weg kunnen
                    door de gemeentelijke wetgever aan regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de
                    beide Dordtse arresten van de Hoge Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en
                    25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567, NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr
                    Veen. </al><al/><al><cursief> Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen</cursief> Gezien de
                    ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een onderscheid
                    te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die
                    excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als “parkeerexcessen”
                    moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief aan het stellen
                    van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt.</al><al/><al> In afdeling 5.1 “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen,
                    welke niet kan worden aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan
                    gesproken kan worden als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW
                    1994. Daar deze voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden
                    ervaren geven wij er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te
                    regelen. Men denke hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van
                    groenvoorzieningen”. </al><al/><al><cursief>Beperking tot gedragingen op de weg </cursief>Bij parkeerexcessen “in
                    eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994.
                    Onder weg verstaat de APV ingevolge artikel 1:1 hetzelfde als de WVW 1994
                    daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994 wordt het
                    begrip wegen als volgt omschreven “alle voor het openbaar verkeer openstaande
                    wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot
                    die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”. </al><al/><al>In de afdeling “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld
                    welke als parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben
                    de artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. </al><al/><al> Bedoelde gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar
                    gesteld, indien zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd.
                    Indien aan een bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de
                    werkingssfeer van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de
                    WVW 1994). Zie bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8,tweede lid. </al><al/><al> Aan de andere bepalingen liggen behalve verkeersmotieven ook andere motieven
                    ten grondslag. Toch regelen ook deze bepalingen slechts gedragingen op de weg
                    (in de zin van de WVW 1994). Voor zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de
                    weg, kan hiertegen reeds op basis van andere voorschriften in voldoende mate
                    worden opgetreden. Zie bij voorbeeld artikel 4:19 (4.6.1 (oud). </al><al/><al> Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de bepalingen betreffende
                    parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de “oneigenlijke” - zoveel mogelijk
                    in een afdeling samengevoegd. De bedoelde gedragingen zullen door het publiek
                    immers alle als parkeerexces worden ervaren. </al><al/><al> Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994). </al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid,
                    en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al/><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al/><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5:8.</al><al/><al><cursief>Onder a </cursief>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip
                    “voertuigen” onzekerheid zal bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen.
                    Tot uitgangspunt is genomen de definitie van “voertuigen” die in artikel 1,
                    onder al, van het RVV 1990 wordt gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel
                    zijn: fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en
                    wagens. In tegenstelling tot artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de omschrijving
                    positief geformuleerd en wordt direct aangesloten bij het RVV 1990. Voor kleine
                    voertuigen, zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering
                    gemaakt, omdat anders sommige bepalingen een te ruime strekking zouden
                    krijgen.</al><al/><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al/><al><cursief>Onder b </cursief>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde
                    als de omschrijving in artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit
                    artikelonderdeel verstaat onder parkeren: het laten stilstaan van een voertuig
                    anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                    onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of
                    lossen van goederen. Het oude artikel 5.1.1, onder c gaf deze definitie
                    letterlijk weer. Verwijzing naar de definitie is wetstechnisch te verkiezen
                    omdat bij wijziging van de definitie in het RVV de definitie in de APV niet
                    behoeft te worden herzien.</al><al/><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan
                    van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze modelbepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen
                    van toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van
                    parkeren.</al><al/><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Aangezien het parkeren van voertuigen van
                    rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het
                    tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder “verhuren”, zoals in het eerste
                    lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van
                    rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen
                    excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders en taxiondernemers worden
                    opgetreden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats
                    van “duren” ten einde twijfel over de vraag of met een bepaalde herstel- of
                    onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te
                    sluiten. Bij het gebruik van de term “vergen” beschikt men over een meer
                    objectieve maatstaf.</al><al/><al>De in het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant.</al><al/><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2
                    mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in
                    de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten -
                    garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook
                    impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig
                    enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is
                    aangewezen dezelfde blijft.</al><al/><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</al><al/><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een
                    “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. </al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a </cursief>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te
                    maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en
                    autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor
                    auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Het gaat hier om situaties
                    waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en uit
                    dien hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief).</al><al/><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder b </cursief>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de
                    weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een
                    (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging
                    van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze
                    activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al/><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten is een strafbepaling welke
                    zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk naast
                    genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al/><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen.</al><al/><al>Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><al/><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet
                    echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte
                    auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid
                    zal in het algemeen op zijn plaats zijn in geval, alle omstandigheden in
                    aanmerking genomen, redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen
                    andere mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde
                    auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de
                    exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid
                    verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te
                    creëren c.q. daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de
                    ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent
                    de plaats waar en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde
                    zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het
                    aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden
                    geparkeerd. In dit verband mag worden gewezen op hetgeen in de algemene
                    toelichting is gesteld over het voorzien in vervangende parkeergelegenheid.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al/><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Gekozen is voor een constructie waarin
                    het college de bevoegdheid heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van
                    kracht is. Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast
                    kan het het verbod activeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.</al><al/><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken.</al><al/><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”.</al><al/><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is een ruimere kring van subjecten dan alleen de
                    bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</vet></al><al><cursief>Eerste lid, onder a </cursief>Deze bepaling richt zich tegen het langer
                    dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden
                    gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens,
                    aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling is
                    gekozen voor de bewoordingen “te plaatsen of te hebben” in plaats van “parkeren”
                    om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar
                    meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt
                    overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of
                    anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te
                    geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks”
                    worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het
                    excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het
                    buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is
                    dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al/><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen is
                    niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen,
                    caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk
                    na de reis op te ruimen.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b </cursief>Deze bepaling richt zich ook tegen het
                    ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan
                    van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre
                    betreft deze bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers
                    veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW
                    1994).</al><al/><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al/><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al/><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze APV.</al><al/><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                    4:15.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al>Deze bepaling beoogt het gemeentebestuur mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al/><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, geldt het verbod slechts ten aanzien van die plaatsen
                    die het college heeft aangewezen. Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig
                    kunnen geschieden doordat het college in zijn besluit verwijst naar een
                    plattegrond van de gemeenten waarop de plaatsen waar niet mag worden geparkeerd
                    worden gearceerd. </al><al/><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen. Wat het motief: bescherming van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente betreft, dient er op te worden gewezen, dat
                    het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om (het parkeren op of bij)
                    plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of karakteristiek een bijzondere
                    betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van een “parkeerexces”.</al><al/><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken
                    tegen het parkeren van grote voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994),
                    omdat het gepaard gaat met een excessief gebruik van de weg. Met betrekking tot
                    dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt, dat het in dat
                    verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér voertuigen behoeft te
                    gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een parkeerexces in deze zin
                    opleveren.</al><al/><al>Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet
                    toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op
                    de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband
                    met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een
                    verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld
                    door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar
                    niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan
                    de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel
                    denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen
                    liggen.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>De werking van het in het tweede lid gestelde
                    verbod is ingevolge dit lid beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het
                    weekeinde en de doordeweekse feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk
                    om het parkeren van grote voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te
                    verbieden. Dit zou de belangen van met name handel en industrie te zeer schaden.
                    Dit ligt echter anders wanneer de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente in het geding is.</al><al/><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al/><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief>Naast de krachtens het tweede lid geldende
                    beperkingen kent dit lid aan het college de bevoegdheid toe ter zake van de in
                    de eerste twee leden omschreven verboden een ontheffing te verlenen. Aldus kan
                    worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al/><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><al>- voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare werken en
                    bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke nabijheid van het werk
                    worden geparkeerd; - voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring
                    overleggen, waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe
                    aangewezen parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene
                    zonder ontheffing in moeilijkheden zou komen. </al><al/><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><al>- rijdende winkels; - wagens van kermisexploitanten; - wagens van bedrijven die
                    in geval van bij voorbeeld ongevallen in het wegverkeer terstond moeten kunnen
                    “uitrukken” (sleepwagens e.d.); - voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor
                    bijzondere transporten (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins
                    zodanig afwijken (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen
                    aan de parkeerplaats moeten worden gesteld. </al><al/><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken
                    tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning
                    of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht
                    van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd
                    of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie voorts ook de
                    toelichting bij artikel 5:8.</al><al/><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al/><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij
                    voorbeeld op (het parkeren van) "hoogwerkers", meetwagens e.d. Een
                    ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</vet></al><al>[vervallen]</al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief>Het is helaas een veelvuldig voorkomend
                    verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken
                    worden benut voor het parkeren van voertuigen. Met de onderhavige bepaling wordt
                    beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn
                    bestemming te doen beantwoorden.</al><al/><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al/><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al/><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen. Het moge duidelijk
                    zijn dat deze beperkingen niet van toepassing behoren te zijn op een verbod tot
                    het doen of laten staan van voertuigen in groenvoorzieningen. In deze bepaling
                    is daarom bewust gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in plaats
                    van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden
                    gedacht aan voertuigen, in gebruik bij de politie of de brandweer, als ook bij
                    de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld
                    onder c.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al/><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al/><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al/><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al/><al><vet>AFDELING 2: COLLECTEREN</vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is. Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste
                    praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor
                    inzamelingen in handen hebben. </al><al/><al><cursief>Het Centraal Bureau Fondsenwerving </cursief>Het CBF is een
                    onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de inzameling van
                    geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het
                    beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten
                    zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF geïnformeerd, of
                    nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het eerste
                    aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al/><al>Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt een vergunning
                    voor bepaalde tijd afgegeven. Voor bijvoorbeeld een lokale sportclub die
                    huis-aan-huis wil collecteren voor een nieuw clubhuis, zal doorgaans een
                    vergunning voor een week worden afgegeven in een collectevrije periode. Daarbij
                    is het uitgangspunt dat er slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag
                    collecteren met het oog op het voorkomen van overlast.</al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief>Voor het houden van een openbare inzameling is een
                    vergunning van het college nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen
                    van geld middels collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van
                    intekenlijsten en de inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor
                    als burgers gevraagd wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit
                    kan middels een gift in geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen
                    en vervolgens te doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het
                    voldoende dat deze op of aan de openbare weg dan wel op een andere voor het
                    publiek toegankelijke plaats plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het
                    collecteren voor een ideëel als voor een commercieel doel.</al><al/><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al/><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>In het tweede lid is aangegeven dat ook een
                    vergunning vereist is, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte stukken
                    worden aangeboden. Het komt veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt
                    onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten,
                    mapjes briefpapier e.d., waarbij de opbrengst een charitatieve bestemming
                    heeft.</al><al/><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al/><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al/><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>In het derde lid van artikel 5:13 is een
                    uitzondering op de vergunningplicht opgenomen voor inzamelingen die gehouden
                    worden “in besloten kring”. Voor deze uitdrukking is aansluiting gezocht bij
                    artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch colporteren voor charitatieve
                    doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in besloten kring” doelt op gevallen
                    waarin tussen de inzamelende instelling en de persoon tot wie zij zich richt een
                    bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding
                    de achtergrond vormt van de actie. Het begrip “besloten kring” veronderstelt een
                    nauwere band dan alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten
                    aangeven dat er ook een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet
                    het geval zijn, indien de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt
                    gevonden in het gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een
                    vak- of een omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke
                    gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke
                    vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief>In het vierde lid worden twee categorieën van
                    inzamelende instellingen uitgezonderd van de vergunningplicht. De eerste
                    categorie (onder a) zijn de instellingen die op het collecterooster van het CBF
                    staan vermeld. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het beoordelen van
                    fondswervende instellingen. Het CBF-keurmerk en de plaatsing op het
                    collecterooster door het CBF zijn voldoende waarborgen dat de inzameling op
                    aanvaardbare wijze plaatsvindt.</al><al/><al>Verder zijn stichtingen en verenigingen die in de eigen gemeente zijn gevestigd
                    vrijgesteld van de vergunningplicht, indien zij in de “vrije perioden” een
                    inzameling houden. Het betreft inzamelingen die bijvoorbeeld door scholen,
                    sportverenigingen of kerkgemeenschappen worden gehouden. Het college acht een
                    vergunning niet nodig, omdat het college bekend is met de verenigingen en
                    stichtingen binnen haar eigen gemeente. Wel dienen de verenigingen en
                    stichtingen te voldoen een aantal voorwaarden die zijn opgenomen in het
                    voorgestelde artikel 3, onder b, sub 1° tot en met 6°.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid </cursief>De voorwaarde in artikel 3, onder b, sub 4° is dat
                    de inzameling van een stichting of vereniging uit de eigen gemeente vier weken
                    voor de start van de inzameling bij het college moet worden gemeld. De melding
                    heeft tot doel dat het college zicht kan houden op de inzamelingen die
                    plaatsvinden. Zo nodig kan het college op grond van het voorgestelde vijfde lid
                    binnen veertien dagen na ontvangst van de melding de inzameling verbieden indien
                    een van de met de APV te dienen belangen daarvoor aanleiding geeft. Verder kan
                    het college aan de inzameling de voorwaarde verbinden dat die in een ander
                    tijdvak of op een andere locatie plaatsvindt dan door de vereniging of stichting
                    is gemeld. Hoewel dit in de praktijk zelden voorkomt, kan het nodig zijn het
                    aantal inzamelingen naar tijd en locatie te beperken, teneinde overlast voor het
                    publiek te voorkomen. Voor huis-aan-huis inzamelingen geldt, in overeenstemming
                    met het landelijk collecterooster, dat één inzameling per week wordt toegestaan. </al><al/><al>De toewijzing naar tijdvak en locatie vindplaats aan de hand van de volgorde
                    waarop de meldingen door het college zijn ontvangen. Dit betekent concreet dat
                    de als eerste ontvangen melding, mits geen gronden aanwezig zijn die nopen tot
                    het verbieden van de inzameling, kan plaatsvinden op de gewenste locatie en/of
                    tijdvak. Indien de inzameling niet in het gewenste tijdvak en/of locatie kan
                    plaatsvinden, zal het college in overleg met de stichting of vereniging zoeken
                    naar een andere geschikte locatie en/of tijdvak. </al><al/><al><cursief>Overige inzamelingen </cursief>Voor de overige inzamelingen geldt de
                    vergunningplicht onverkort. Dit geldt zowel voor huis-aan-huis inzamelingen als
                    inzamelingen op openbare plaatsen, waaronder het zogenaamde Direct Dialogue. Dit
                    laatste is een fondswervingsmethode waarbij mensen worden aangesproken en
                    gevraagd om donateur te worden van een instelling of een goed doel en waarbij
                    een intekenlijst of -formulier wordt aangeboden. Veelal maken landelijke
                    instellingen gebruik van deze methode. Tot voor kort werd deze vorm van werving
                    toegepast op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied
                    of bij stations. Tegenwoordig wordt deze wervingsmethode ook steeds vaker
                    huis-aan-huis toegepast. Hoewel binnen de gemeente Zuidplas het aantal aanvragen
                    voor dit type inzameling (nog) zeer beperkt is, stelt het college voor deze vorm
                    van werving niet vrij te stellen van de vergunningplicht. </al><al/><al><vet>AFDELING 3: VENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Het uitoefenen van de ambulante handel (het venten) moet worden onderscheiden
                    van enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning.
                    Onder venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                    waarbij goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden
                    dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het
                    van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend
                    aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten
                    is geen venten.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten of
                    colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële contraprestatie in de
                    vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe worden bij collecteren geen
                    goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen van geld en goederen.
                    Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een willekeurig bedrag of een
                    weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag
                    aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk
                    kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                    worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                    strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden inzamelingen
                    zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen is gegeven of de
                    indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is bestemd voor een
                    ideëel doel.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, </al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al>Het verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen. </al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat
                    burgers op zondag of in de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door
                    venters.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere
                    regelgeving. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:16 Venten met gedrukte stukken</vet></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><al/><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al/><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                    afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze
                    voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst
                    bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken
                    gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art.
                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de
                    inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod.</al><al/><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het
                    verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel
                    toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling
                    staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het
                    betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers
                    “iedere openbaarmaking van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een
                    gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni
                    1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare
                    orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al/><al><vet>AFDELING 4: STANDPLAATSEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen.
                    Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit
                    gegaan dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                    openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                    standplaatshouder niet.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het
                    eerste lid niet bevat het innemen van een standplaats op een door de gemeente
                    ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                    Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats
                    wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de markt gelden. Deze
                    zijn in de marktverordening neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is
                    niet nodig, omdat snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen
                    worden ingenomen in de open lucht.</al><al/><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2:24 en 2:25
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al>De standplaatsvergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt
                    verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld:
                    geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De
                    vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in
                    artikel 1:8. Nadere uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat
                    artikel.</al><al/><al><cursief>Redelijke eisen van welstand </cursief>De weigeringsgrond kan
                    gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een
                    zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze
                    weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook
                    wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige
                    ensembles gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze
                    weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij voorbeeld
                    de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al/><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau </cursief>In het verleden is het beschermen
                    van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument
                    als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde
                    winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in
                    verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat
                    het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang
                    van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één
                    uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van
                    de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel
                    in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                    worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die (mede)
                    diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet
                    toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten. Het blijft echter
                    nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren voor het verkopen van
                    goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop immers niet van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18a Locaties en tijden</vet></al><al><cursief>Locaties op grond toebehorende aan de gemeente Zuidplas </cursief>Het
                    is niet mogelijk om voor andere locaties op grond in eigendom van de gemeente
                    Zuidplas een vergunning aan te vragen, tenzij het gaat om standplaatsen op eigen
                    grond. Bij het aanwijzen van de locaties is een afweging gemaakt met betrekking
                    tot een aanvaardbare omvang van mogelijk te verwachten overlast voor omwonenden,
                    voetgangers en ander verkeer. Daarbij is ondermeer gekeken naar de
                    verkeersaantrekkende werking van standplaatsen, lawaai, geuroverlast (bijv. bak-
                    en braadlucht, vislucht) en het in beslag nemen van parkeerruimte. Ook de
                    afstand tot woningen is meegewogen. Tenslotte is rekening gehouden met de
                    toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten, kabels/leidingen, rioolputten en
                    ongewenste groepsvorming bij de standplaatsen (bijv. groepen jongeren bij
                    snackwagens). Standplaatsen mogen nooit verkeersgevaarlijke situaties opleveren
                    doordat zij bijvoorbeeld het zicht op naderend verkeer ontnemen.</al><al/><al>Op de J.A. Beijerinkstraat mag slechts één kraam met geurverspreidende waren
                    staan, gezien de stankoverlast die daar ervaren wordt. Bij geurverspreidende
                    waren moet gedacht worden aan vis, loempia’s, oliebollen, snack en
                    dergelijke.</al><al/><al><cursief>Standplaatsen op grond toebehorende aan particulieren
                    </cursief>Standplaatsen kunnen ook worden ingenomen op grond toebehorende aan
                    particulieren. Indien een standplaatsvergunning voor een standplaats op grond
                    van particulieren wordt aangevraagd, dient er eerst toestemming te zijn
                    verkregen van de eigenaar van de grond, dat op de grond een standplaats mag
                    worden ingenomen. Andersom is het ook zo dat als er een standplaats op grond van
                    een particulier wordt genomen deze eerst moet nagaan of daar wel een vergunning
                    voor is verleend.</al><al/><al>Voor het verlenen van deze vergunning wordt een afweging gemaakt aan de hand van
                    de weigeringsgronden genoemd in artikel 1:8 en artikel 5:18, lid 2 van de
                    APV.</al><al/><al><cursief>Grootte standplaats </cursief>De locaties zoals opgenomen in lid 1
                    bestrijken een maximumoppervlakte van 20m2,</al><al>inclusief de ruimte die het publiek inneemt en/of die door de uitgestalde
                    koopwaar wordt ingenomen. De frontbreedte kan niet meer bedragen dan 8 meter.
                    Aanvrager dient dan ook bij de aanvraag de benodigde gegevens te overleggen
                    zodat dit beoordeeld kan worden.</al><al/><al><cursief>Onvoorziene omstandigheden van de tijdelijke aard </cursief>Bij
                    onvoorziene omstandigheden van tijdelijke aard kan gedacht worden aan
                    wegwerkzaamheden, calamiteiten, onderhouds- en nieuwbouwactiviteiten.</al><al/><al><cursief>Bijzondere omstandigheden </cursief>Bij bijzondere omstandigheden kan
                    gedacht worden aan een bus voor borstkankeronderzoek die drie maanden een
                    standplaats in wil nemen. Het moet gaan om het innemen van een standplaats voor
                    maatschappelijke doeleinden.</al><al/><al><cursief>Tijden </cursief>Een standplaats kan worden ingenomen van 8:00 uur tot
                    20:00 uur gelijk aan de reguliere openingstijden van de winkels. Na 20:00 uur
                    dient de standplaats leeg gemaakt te worden en schoon achter gelaten te worden.
                    De vergunning kan ook voor dagdelen worden verleend.</al><al/><al>Op de dagen dat de weekmarkt plaats vindt in de betreffende dorpen mag daar geen
                    standplaatsvergunning worden verleend. Dit houdt in dat op woensdag in
                    Moordrecht, op donderdag in Zevenhuizen en op vrijdag in Nieuwerkerk aan den
                    IJssel geen standplaatsvergunningen worden verleend. Dit om te voorkomen dat de
                    weekmarkt en de standplaatsen de inkomsten van elkaar afnemen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:19 Standplaatsen in winkelcentra</vet></al><al>Voor winkelcentra is geen standplaatsvergunning nodig (het betreft hier de
                    Reigerhof en Dorrestein). De standplaatshouder dient een melding bij het college
                    te doen waarin hij aangeeft op welke plaats in het winkelcentrum hij de
                    standplaats inneemt en welke activiteiten er plaats vinden op de standplaats.
                    Tevens dient hij aan te geven of er toestemming is van het winkelcentrum.
                    Vervolgens toetst het college de melding aan de brandveiligheidseisen zoals deze
                    door brandweer voor de winkelcentra zijn gesteld en stelt de eigenaar van het
                    winkelcentrum en de melder in kennis van de melding.</al><al/><al><vet>Artikel 5:20 Gronden voor intrekking</vet></al><al>In artikel 1:6 APV staan de algemene gronden om een vergunning in te trekken
                    deze zijn ook van toepassing op de standplaatsvergunning. Hiernaast zijn de
                    gronden zoals genoemd in lid 1 van dit artikel van belang.</al><al>Onder een geldige reden genoemd in lid 1, onder c kan onder andere worden
                    verstaan ziekte en vakantie (dit naar alle redelijkheid). Bij optreden van een
                    geldige reden om de standplaats niet in te nemen stelt de standplaatshouder het
                    college daarvan in kennis, ook bij plotselinge verhindering. Ingeval van
                    langdurige verhindering wegens ziekte wordt elke drie maanden een geneeskundige
                    verklaring overlegd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:20a Rechtsopvolging</vet></al><al>In uitzonderlijke gevallen is het mogelijk om in afwijking van artikel 1:5 van
                    de APV een vergunning over te schrijven op nabestaanden van de vergunninghouder.
                    Dit omdat in sommige gevallen de nabestaanden het bedrijf van de
                    standplaatshouder zullen voortzetten en dan afhankelijk zijn van de inkomsten
                    van de standplaats.</al><al/><al><vet>AFDELING 5: SNUFFELMARKTEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al>Evenals bij venten (artikel 5:14 e.v.) en standplaatsen (artikel 5:17 e.v.)
                    wordt in deze afdeling begonnen met een begripsbepaling van de snuffelmarkt in
                    artikel 5:24. Het is niet de bedoeling geweest daaraan een andere inhoud te
                    geven dan aan het oude begrip in artikel 5.2.4 (oud).</al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><al>- <onderstreept>de weekmarkt</onderstreept> in de zin van artikel 160, eerste
                    lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet </al><al>- het begrip “markt” is niet nader omschreven in de Gemeentewet. In de regel
                    worden op een weekmarkt “geregelde” waren verkocht, dat wil zeggen: geen
                    tweedehands goederen. Indien de te verwachten concentratie van een aantal
                    standplaatsen zo hoog is, dat het uiterlijk de karakteristieken van een markt
                    krijgt, mag niet meer worden volstaan met het verlenen van
                    standplaatsvergunningen, maar dient het college een besluit te nemen over het
                    instellen van een markt. De weekmarkt wordt gereguleerd door de
                    marktverordening. </al><al>Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij
                    een jaarmarkt moet gedacht worden aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo
                    wordt in sommige gemeenten al sinds jaar en dag een veemarkt op een vast
                    tijdstip, bijvoorbeeld op tweede paasdag, gehouden. </al><al>- <onderstreept>evenement</onderstreept>: de zogenaamde snuffelmarkten worden
                    gehouden in een gebouw of plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op
                    Koninginnedag of vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet
                    van toepassing, maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet
                    vergunningplichtig is op grond van artikel 2:25. </al><al/><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    te verwachten is. In het belang van deze motieven is de vergunningplicht
                    gehandhaafd. In deze toelichting is als alternatief een stelsel gegeven met een
                    meldingsplicht. Als een snuffelmarkt incidenteel in een gemeente gehouden wordt,
                    kan met een meldingsplicht worden volstaan. Gaat het echter om grote
                    snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden met gevaar voor aantasting van de
                    openbare orde en overlast, dan doet de gemeente er verstandig aan om een
                    vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan aan het noodzaak- en
                    proportionaliteitsvereiste.</al><al>Op grond van dezelfde motieven kan het aantal snuffelmarkten worden
                    beperkt.</al><al/><al><cursief>Weigeringsgronden</cursief></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met het
                    geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de snuffelmarkt
                    incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet verboden op deze
                    grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw
                    een agrarische of industriebestemming heeft.</al><al/><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al/><al><vet>AFDELING 6: OPENBAAR WATER</vet></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a. De centrale
                    wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse regelingen
                    vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen die
                    uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde vaarwateren
                    en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. Genoemd
                    wordt hier onder meer het op de Scheepvaartverkeerswet gebaseerde
                    Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op provinciaal niveau is er in dit verband de
                    Vaarwegenverordening Zuid-Holland. De regelgevende bevoegdheid ten aanzien van
                    "de bescherming van 's Rijkswaterstaatswerken en de verzekering van het
                    doelmatig en veilig gebruik daarvan" komt exclusief toe aan de centrale
                    overheid.</al><al/><al>Dit betekent dat voor de provinciale en gemeentelijke overheden en de
                    waterschappen slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid
                    resteert voor zover daaraan hetzelfde motief als dat van de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken ten grondslag ligt. Deze bevoegdheid wordt eveneens
                    gerelateerd aan het onder beheer hebben van die vaarwateren.</al><al/><al>De regelgeving in de onderhavige paragraaf blijft beperkt tot gedragingen in of
                    op het openbaar water (zie voor de definitie daarvan het eerste hoofdstuk van
                    deze verordening), die overlast kunnen veroorzaken voor andere gebruikers van
                    het openbaar water (de scheepvaart), die de veiligheid op het openbaar water in
                    gevaar kunnen brengen, die kunnen leiden tot beschadiging van waterstaatswerken
                    en oevers, of die te brengen zijn onder de categorie "baldadigheid". De in deze
                    paragraaf opgenomen strafbepalingen kunnen in beginsel worden toegepast op alle
                    openbare wateren in Zuidplas, tenzij voor die wateren andere regelingen van
                    toepassing zijn. </al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al/><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10, het
                    plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een vergunning
                    vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de gemeente
                    nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In eerste
                    instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal gevaar
                    of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer en
                    onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat om
                    tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is aan
                    dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die
                    manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of
                    bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden
                    voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                    financiële gevolgen van dien.</al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al>Op grond van het eerste lid kan het college gedeelten van het openbaar water
                    aanbieden waar het verboden is een ligplaats in te nemen. Artikel 88 van de
                    Huisvestingswet bepaalt dat de gemeenteraad geen regels stelt die leiden tot een
                    algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een
                    ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met bovengenoemde wet. </al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 biedt
                    het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen, hebben
                    of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende
                    voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste
                    ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de
                    afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting
                    op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen
                    worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al/><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.</al><al/><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al/><al><cursief>Pleziervaartuigen </cursief>Uit artikel 5:25 volgt bovendien dat ook
                    het innemen van een ligplaats met een “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op
                    die plaatsen die niet door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen.
                    Ook hier kan het aantal vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de
                    niet-aangewezen gedeelten van openbaar water gelimiteerd worden.</al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting </al><al>op artikel 5:26 van de APV.</al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>De Vaarwegenverordening Zuid-Holland kent dergelijke bepalingen voor
                    waterstaatswerken die bij de provincie in beheer zijn. Artikel 5:28 vormt dan
                    het sluitstuk, namelijk voor de waterstaatswerken die in beheer zijn bij de
                    gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die
                    een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>AFDELING 7. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                        NATUURGEBIEDEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al><cursief>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV </cursief>Ingevolge artikel
                    110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het Reglement rijbewijzen
                    mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen die de leeftijd van 16
                    jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is echter niet van
                    toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op een terrein dat
                    niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het openbaar verkeer
                    openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag wanneer sprake is
                    van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 1:1 van de
                    APV. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg feitelijk voor het openbaar
                    verkeer gesloten is.</al><al/><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere
                    plaatsen, dan op de weg in de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van
                    toepassing zijn. Artikel 5:32 ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een
                    bromfiets als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                    (RVV 1990) in het kader van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen
                    terreinen door het college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een
                    beloning in de vorm van prijzen, medailles of iets dergelijks in het
                    vooruitzicht worden gesteld.</al><al>Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2:25 niet meer aan de orde. </al><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de weg
                    </cursief>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe
                    de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de APV
                    van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van de
                    openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven
                    omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden.
                    Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die
                    geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al><cursief>Wet milieubeheer en APV </cursief>Bij het reguleren van auto- en
                    motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de weg moet onderscheid worden
                    gemaakt tussen (i) speciaal daarvoor ingerichte terreinen, zoals circuits, en
                    (ii) overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor
                    recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen
                    doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente
                    zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en 5:33 van deze APV.</al><al>(i) In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).</al><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al> (ii) De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd
                    zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al/><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d. Verder worden natuurgebieden,
                    parken e.d. steeds vaker door ruiters en fietsers/mountainbikers bezocht. Het
                    komt nogal eens voor dat ruiters en fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen
                    aangewezen ruiter- of fietspaden verlaten. Deze gedraging levert gevaar en
                    hinder op voor wandelaars en berokkent vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen. Op het crossen op motorterreinen is artikel
                    5:32(?) van de APV van toepassing.</al><al/><al><cursief>Maatregelen </cursief>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen
                    worden tegen het “wildcrossen” of overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat
                    het in feite om een meer algemeen vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen
                    worden om ter bescherming van het milieu en ter voorkoming van overlast
                    gemotoriseerd verkeer, ruiter- of fietsverkeer uit bepaalde gebieden te
                    weren?</al><al/><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al/><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).. De
                    WVW 1994 geeft mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994.</al><al>Voor de overige gebieden, buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een
                    natuurgebied is een regeling opgenomen in de APV.</al><al/><al><cursief>Verordening stiltegebieden </cursief>Provinciale staten dienen op grond
                    van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een verordening op te stellen die onder
                    andere regels bevat inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de
                    verordening aangewezen gebieden. Deze verordening wordt de provinciale
                    milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de oude verordeningen op grond van
                    artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al>Volgens de PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te gebruiken
                    binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten. Toertochten voor
                    motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van de WVW 1994 zijn
                    niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken</vet></al><al>Het is verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiteninrichtingen
                    als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer, of anderszins
                    vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. In het tweede lid is een aantal
                    uitzonderingen opgenomen op het verbod in het eerste lid. In de eerste plaats
                    valt verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het verbod. Daarnaast mag er geen sprake zijn
                    van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom
                    kunnen klachten ontstaan over overlast of hinder door met name terrashaarden en
                    vuurkorven.</al><al/><al>Het college kan van het in het eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen.
                    Daarbij kan worden gedacht aan (veelal georganiseerde)vreugdevuren, kampvuren en
                    oudejaarsvuren. Een ontheffing voor dergelijke vuren kan voorschriften bevatten
                    betreffende het te stoken materiaal, de afstand tot het mogelijk toeschouwende
                    publiek, de aanwezigheid van eerstehulpmaterialen en -deskundigen, de
                    aanwezigheid van blusmaterialen, het verwijderen van en het afvoeren van as en
                    andere verbrandingsresten en het herstel van de ondergrond van de vuurplaats.
                    Ook kan ontheffing worden verleend voor verbranding van landbouwreststoffen op
                    het land of van akkermaalshout, als andere verwerkingsmethoden als volledig
                    onbruikbaar en ondoelmatig zijn aan te merken.</al><al>Aan de bovengenoemde ontheffingen kunnen voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat:</al><al>- het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving; - in
                    geval van verbranding van met ziekte aangetast hout, besmet en niet besmet
                    snoeihout zoveel mogelijk moeten worden gescheiden; - de houder van de
                    ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter plaatse aanwezig dient te zijn
                    en deze dient zorg te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo minmogelijk
                    rookontwikkeling plaatsvindt; - de verbranding niet mag plaatsvinden in de
                    periode tussen zonsondergang en zonsopgang; - verbranding slechts mag
                    plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken;</al><al>In het vijfde lid, van artikel 5:34 zijn van de werkingssfeer van deze bepaling
                    uitgezonderd die situaties waarop artikel 429 van het Wetboek van Strafrecht van
                    toepassing is, te weten het aanleggen van vuur of het onderhouden daarvan op zo
                    korte afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan.
                    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook niet, indien de provinciale
                    milieuverordening van toepassing is. In de provinciale milieuverordening kunnen
                    inzake dit onderwerp evenzeer regels worden gesteld. Een afbakening tussen de
                    APV en de provinciale verordening is dus noodzakelijk.</al><al><vet>AFDELING 9. VERSTROOIING VAN AS</vet></al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsbepaling</vet></al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). </al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten. Alvorens de nabestaanden tot
                    asverstrooiing overgaan, zullen zij zich er daarom steeds van moeten vergewissen
                    dat er door de asverstrooiing geen hinder of overlast ontstaat.</al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de
                    verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder
                    opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden
                    gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te
                    verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld
                    in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn
                    genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen </cursief>Op grond van artikel 91 jo.
                    artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke
                    strafbepalingen. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een
                    geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naasthogere categorie
                    “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing
                    toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr). Dat betekent dat voor
                    overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft
                    een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4500 ).</al><al><cursief>Medebewindsvoorschriften </cursief>In bijzondere wetten wordt aan
                    gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de verplichting opgelegd om nadere
                    voorschriften vast te stellen. Ook de strafbaarstelling van de overtreding van
                    deze gemeentelijke voorschriften is veelal in deze wetten opgenomen. De
                    strafbedreiging van artikel 6:1 is op deze gemeentelijke voorschriften in deze
                    verordening niet van toepassing. Dit geldt bijvoorbeeld voor de voorschriften in
                    afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen opgenomen
                    artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6. Overtreding van deze voorschriften
                    is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en 437ter van het WvSr (boete van de
                    tweede respectievelijk derde categorie).</al><al><cursief>Hechtenis? </cursief>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van
                    een APV-bepaling hechtenis wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de
                    korte vrijheidsstraf nog meer terug te dringen “ten gunste” van de geldboete.
                    Toch is in dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij
                    voorbaat kan worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen
                    (bijvoorbeeld in het geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de
                    mogelijkheid tot oplegging van een vrijheidsstraf.</al><al><cursief>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en
                        vergunningsvoorschriften </cursief>Niet alleen de overtreding van in de
                    verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. Ook de
                    overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de
                    overtreding van krachtens artikel 1.4 van de APV gegeven beperkingen en
                    voorschriften bij een vergunning of een ontheffing.</al><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al><cursief>Wabo </cursief>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een
                    weg (artikel 2:11) en voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen
                    onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste lid onder d en onder g van de Wabo.
                    Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10) kan neerkomen op het
                    opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2 onder j en k van de Wabo,
                    bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen in
                    containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de Wabo en wordt aangemerkt
                    als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wabo verbiedt het handelen in
                    strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning op grond van artikel
                    2:10, 2:11 of 4:11 APV.</al><al>Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                    de Wet economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met
                    deze drie vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van
                    toepassing. </al><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al>Op grond van dit artikel kan het college personen aanwijzen die met het toezicht
                    op de naleving van de bepalingen in de APV zijn belast. De basis voor deze
                    bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. </al><al><vet>Artikel 6.3 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                    verordeningen</vet></al><al>In dit artikel worden expliciet de oude Algemene Plaatselijke Verordening van de
                    gemeente Zuidplas van 26 maart 2013 (laatstelijk gewijzigd op 11 maart 2014)
                    ingetrokken.</al><al>Verder treedt de nieuwe verordening in werking op de achtste dag na
                    publicatie.</al><al><vet>Artikel 6.4 Overgangsbepaling</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening
                    gemeente Zuidplas.</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>