<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR386152_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woensdrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woensdrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.woensdrecht.nl/internet/gemeenteblad_42497/item/gemeenteblad-2015-nr-63-17-12-2015-verordening-rioolheffing-woensdrecht-2016_113146.html">Gemeenteblad 2015 - nr. 63</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rioolheffing gemeente Woensdrecht 2016</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIV/HoofdstukXV/3/Artikel228a/">Gemeentewet, art. 228a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z15.04460</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>2015-088-6</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR425728_1">Verordening rioolheffing gemeente Woensdrecht 2017</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Woensdrecht;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 27 oktober
                        2015;</al><al>gelet op artikel 228a, van de Gemeentewet;</al><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN RIOOLHEFFING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte
                        daarvan;</al><al>b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen
                        voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater,
                        hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de
                        gemeente;</al><al>c. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of
                        grondwater.</al><al>d. woning: een perceel dient in hoofdzaak tot woning, indien de waarde op
                        basis van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor dat perceel in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van dat
                        perceel die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                        woondoeleinden.</al><al>e. recreatieterrein: terrein bestemd voor verblijfsrecreatie dat als zodanig
                        wordt geëxploiteerd met inbegrip van de op dit terrein gelegen roerende of
                        onroerende opstallen, het terrein wordt voor de toepassing van deze
                        verordening als één perceel aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><al>Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter
                        bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:</al><al>a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en
                        bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater
                        en</al><al>b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het
                        ingezamelde en afvloeiende hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen
                        teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de
                        grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en belasting plicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke
                            grondslagen geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water
                            direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Met betrekking tot de rioolheffing wordt:</al><al>a. als gebruiker aangemerkt degene die naar de omstandigheden beoordeeld
                            het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit. beperkt recht of
                            persoonlijk recht gebruikt;</al><al>b. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden
                            aangemerkt als gebruikmaken door het door de in artikel 231, tweede lid,
                            onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen
                            lid van dat huishouden;</al><al>c. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel - niet een
                            gedeelte als bedoeld in artikel 4 - in gebruik is gegeven, aangemerkt
                            als gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven;</al><al>d. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik
                            aangemerkt als gebruikmaken door degene die dat perceel ter beschikking
                            heeft gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zelfstandige gedeelten</titel></kop><al>Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling
                        bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de
                        belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien
                        verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel
                        worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing en belastingtarief</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting wordt geheven naar de grondslagen genoemd in lid 2 van dit
                            artikel en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende
                            tarieventabel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De grondslagen van de belasting zijn:</al><al>a. Een vast bedrag per perceel:</al><al>b. Een bedrag op basis van het aantal kubieke meters water dat vanuit
                            het perceel direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt
                            afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het aantal kubieke meters afgevoerd water wordt gesteld op het aantal
                            kubieke meters water dat in de loop van het belastingjaar naar het
                            perceel is toegevoerd en/of opgepompt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die
                            pompinstallatie zijn voorzien van een:</al><al>a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden
                            afgelezen, of</al><al>b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie
                            met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.</al><al>De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de
                            hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere
                            wettelijke bepaling.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De op voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd en of
                            opgepompt water wordt, voor zover de hoeveelheid geloosd water ten
                            minste 3.000 m3 of ten minste 20% lager is dan de som van de
                            hoeveelheden toegevoerd of opgepompt water, verminderd met de
                            hoeveelheid water die niet als water is afgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting berekend naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, lid 2,
                            letter a is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dit
                            later is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is
                            de belasting bedoeld in onderdeel 1 van de tarieventabel verschuldigd
                            voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde
                            belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belasting plicht, nog
                            volle kalendermaanden overblijven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt,
                            bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de
                            voor dat jaar verschuldigde belasting als bedoeld in onderdeel 1 van de
                            tarieventabel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht,
                            nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de
                            ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de
                            belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar van een ander
                            perceel gebruik maakt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De belasting berekend naar de grondslag als bedoeld in artikel 5, lid 2,
                            letter b, is verschuldigd na afloop van het belastingjaar of eerder
                            indien de belastingplicht binnen de gemeente wordt beëindigd in de loop
                            van het belastingjaar.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnbedragen
                            waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de
                            tweede twee maanden na de eerste vervaldatum .</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een bestuurlijke boete is opgelegd, dan is het bedrag inzake die
                            bestuurlijke boete invorderbaar in twee gelijke termijnbedragen waarvan
                            de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die
                            in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden na de eerste vervaldatum.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt, in
                            geval het totaalbedrag van alle op één aanslagbiljet verenigde aanslagen
                            meer bedraagt dan € 10.000,00 dat dit bedrag en een bestuurlijke boete
                            op dit aanslagbiljet moeten worden betaald op de laatste dag van de
                            maand volgend op die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid geldt,
                            ingeval machtiging is verleend tot automatische incasso en het
                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen € 100,00 of
                            meer doch niet meer dan € 10.000,00 bedraagt, dat de aanslagen moeten
                            worden betaald in tien gelijke termijnbedragen waarvan de eerste termijn
                            vervalt op de 28e dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in het vierde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
                            geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen niet zijn
                            betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen 56 dagen na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan geldt de betaaltermijn als bedoeld
                            in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In afwijking van de voorgaande leden moet een voorlopige aanslag worden
                            betaald in zoveel gelijke termijnbedragen als er na de maand van de
                            dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden van het belastingjaar
                            overblijven, met dien verstande dat het aantal betalingstermijnen steeds
                            minimaal twee telt. De eerste termijn vervalt een maand na de
                            dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel
                            gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de belasting berekend naar hoofdstuk 1, onderdeel 1.1.1 van de bij deze
                        verordening behorende tarieventabel kan kwijtschelding worden verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels m.b.t. heffing en invordering</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking West-Brabant kan nadere
                        regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        rioolheffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Overgangsrecht en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De 'Verordening rioolheffing Woensdrecht 2015, vastgesteld bij
                            raadsbesluit van '6 november 2014 wordt ingetrokken met ingang van de in
                            het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                            verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich
                            voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2016.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening riool heffing gemeente
                        Woensdrecht 2016".</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 december 2015</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Tarieventabel bij de Verordening rioolheffing Woensdrecht 2016</label><nr/><titel/></kop><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Maatstaven en tarief vast bedrag</vet></al><al>1.1 De belasting als bedoeld in artikel 5, lid 2 onder a, bedraagt per perceel,
                    per belastingjaar:</al><al>1.1.1 voor een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient en op 1 januari van het
                    belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het
                    belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door:</al><al>één persoon € 144,00</al><al>meer dan één persoon € 192,00</al><al>1.1.2 voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning dient. € 192,00</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Maatstaven en gedifferentieerde tarieven
                    rioolheffing</vet></al><al>2.1 Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1, bedraagt de belasting als bedoeld
                    in artikel 5, lid 2 onder b, voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot woning
                    dient, recreatieterreinen, verzorgings- en verpleegtehuizen, per perceel: </al><al>2.1.1 voor de hoeveelheid afgevoerd water vanaf 501 m3, per m3 € 0,87</al><al>2.1.2 voor de hoeveelheid afgevoerd water vanaf 1.001 tot en met 2.000 m3, per
                    m3 verhoogd met het op basis van 2.1.1 berekende bedrag € 0,59</al><al>2.1.3 voor de hoeveelheid afgevoerd water vanaf 2.001 tot en met 5.000 m3, per
                    m3 verhoogd met het op basis van 2.1.1 en 2.1.2 berekende bedrag € 0,36</al><al>2.1.4 voor de hoeveelheid afgevoerd water vanaf 5.001 tot en met 10.000 m3, per
                    m3 verhoogd met het op basis van 2.1.1 tot en met 2.1.3 berekende bedrag €
                    0,28</al><al>2.1.5 voor de hoeveelheid afgevoerd water vanaf 10.001 m3, per m3 verhoogd met
                    het op basis van 2.1.1 tot en met 2.1.4 berekende bedrag € 0,21</al><al/><al>Behorende bij raadsbesluit van 3 december 2015 </al><al>De griffier, </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>